Bijlage - Toelichting bestemmingsplan 'Schoorstraat 8-10, Helvoirt'
Tekst van het document
Indien niet aan de waterbergingsopgave voldaan kan worden, dient in overleg met de gemeente naar een oplossing gezocht te worden. De benodigde bergingscapaciteit dient te worden berekend uitgaande van 60 mm per m2 verharding. Het van de daken en verhardingen vrijkomende hemelwater dient te worden opgevangen en geïnfiltreerd in een, per woning, te realiseren infiltratievoorziening. Bij de halfvrijstaande woningen is sprake van een verhard oppervlakte van circa 240 m2 (woning 115 m2 en 125 m2 bijgebouwen). Per halfvrijstaande woning dient een watervolume van 240 m² * 0,06 m¹ = 14,4 m³ geborgen/geïnfiltreerd te worden. Bij de vrijstaande woning is sprake van een verhard oppervlakte van circa 300 m2 (woning 100 m2 en 200 m2 bijgebouwen). Bij de vrijstaande woning dient een watervolume van 300 m² * 0,06 m¹ = 18 m³ geborgen/geïnfiltreerd te worden. Bij de aanvraag omgevingsvergunning dient initiatiefnemer aan te tonen dat per woning een eigen infiltratie voorziening is en dat wordt voldaan aan de gestelde benodigde bergingscapaciteit. In de regels is dit als voorwaarde opgenomen. Afvalwater Voor de afvoer van het huishoudelijk afvalwater zal een aansluiting gemaakt worden op de bestaande drukriolering. De belasting op het bestaande riool van het huishoudelijk afvalwater van slechts één nieuwe woning zal gering zijn (twee woningen zijn reeds toegestaan).
Er zijn derhalve geen aanpassingen noodzakelijk aan het bestaande riool. Waterkwaliteit Er zijn geen bijzondere maatregelen genomen om vervuiling van het oppervlaktewater te voorkomen. Overeenkomstig de eis van het waterschap worden in principe geen uitlogende materialen toegepast.
5.5
Archeologie en cultuurhistorie
5.5.1 Archeologie Op de archeologische MonumentenKaart (AMK) zijn in het plangebied geen archeologische vindplaatsen aangegeven die bescherming genieten door middel van de Monumentenwet 1988 of waarvoor bescherming in voorbereiding is. Op 19 mei 2022 heeft de Gemeenteraad van Vught het beleidskader archeologie 2022 vastgesteld. Het beleidskader omvat archeologische verwachtings- en beleidskaarten en per verwachtingswaarde normen wanneer archeologisch onderzoek wordt vereist bij een bepaalde mate van bodemverstoring. Dit beleid geldt voor de gehele gemeente en overstijgt daarmee de plangrenzen van de verschillende onderliggende bestemmingsplannen.
Vastgesteld
45
Het archeologisch beleid van de gemeente Vught is verankerd in het “Paraplubestemmingsplan Archeologie”. Volgens de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Vught ligt het plangebied in een gebied met categorie 5 , een gebied met een middelhoge archeologische verwachting. Conform het parapluplan is aan het plangebied dan ook de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ toegekend.
De middelhoge archeologische verwachtingswaarde kent een onderzoeksplicht wanneer de bodem voor een oppervlakte van meer dan 250 m2 en dieper dan 0,3 m verstoord wordt. In het kader van het initiatief is een archeologisch vooronderzoek5 uitgevoerd (zie bijlage 8). Op basis van de resultaten van dit onderzoek blijkt dat in het plangebied geen archeologische resten bedreigd worden. Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. De gemeente heeft in het selectieadvies het volgende aangegeven: Gelet op de ligging van het plangebied op de overgang van een dekzandvlakte naar een nattere dalzone is er een redelijk kans hier sporen van bewoning uit de periode van laat-paleolithicum tot en met het neolithicum aan te treffen. Aangezien de oude chromotopografische kaarten niet voldoende eenduidig zijn om zeker te zijn over de exacte plaats van de historische bebouwing, kan niet op voorhand worden aangenomen dat de bodem in het gehele plangebied verstoord is. Niettemin is dit wel te verwachten voor het deel waarop in de voorliggende plannen de nieuwe woningen zijn gepland. Deze overlappen met de huidige bebouwing, welke de oorspronkelijke beekeerdbodems vrijwel zeker zal hebben verstoord. De gemeente heeft voor de locatie een selectiebesluit archeologie opgesteld (zie bijlage 9).
In het selectiebesluit heeft de gemeente het volgende opgenomen: “Met dit rapport is de archeologische waarde van het plangebied voldoende vastgesteld. De gemeente Vught kan instemmen met het advies om het oostelijke deel van plangebied -het huidige bouwblok met woningen, bijgebouwen en erfverharding- vrij te geven ten aanzien van archeologie. Voor het westelijke deel, het huidige grasland, blijft de dubbelbestemming archeologie gehandhaafd. Bij eventuele toekomstige bouwplannen op deze plek zal eerst uitsluitsel gegeven moeten worden over de mate waarin de bodem nog intact is. De huidige bouwplannen kunnen evenwel doorgang vinden zonder nadere eisen ten aanzien van archeologie.
5 RAAP, archeologisch vooronderzoek: een bureau onderzoek, plangebied Schoorstraat 8-10 te Helvoirt, 23 januari 2023, RAAP-rapport: 6245
Vastgesteld
46
Desondanks is het altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht deze zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. De melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente Vught. Op basis van het archeologisch bureauonderzoek en het selectiebesluit is zodoende besloten om de archeologische dubbelbestemming aan de oostelijke zijde te verwijderen en aan de westelijke zijde te behouden”. 5.5.2 Cultuurhistorie Op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Brabant is te zien waar belangrijk Brabants erfgoed ligt. Dit erfgoed is belangrijk voor de regionale identiteit van de provincie. De CHW is in 2010 opgesteld en in 2016 herzien. Conform de CHW ligt het plangebied in de regio ‘Meierij’. De Meierij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Dit gebied wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. Vanouds waren de randen van de beekdalen en de dekzandruggen de meest geschikte plek voor bewoning.
De beekdalen zelf en de uitgestrekte broekgebieden waren te nat om te wonen of om akkerbouw te bedrijven. Deze terreinen werden gebruikt als weide, hooiland of hakhout. Op de hogere delen bevonden zich vroeger uitgestrekte heidevelden, bossen en stuifzanden. Door overbeweiding ontstonden op enkele plekken stuifzanden (bijvoorbeeld de Loonse en Drunense duinen). Het plangebied maakt onderdeel uit van het cultuurhistorisch landschap van de Loonse en Drunense Duinen. De Loonse en Drunense Duinen zijn Brabants grootste stuifzandgebied. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt bezien liggen de waarden in de elementen en structuren uit verschillende perioden, die te samen een beeld geven van de geschiedenis van bewoning en gebruik van dit bijzondere gebied en de strijd die geleverd moest worden tegen de natuurlijke krachten, die dorpen en akkers bedreigden. Ook de Loonse en Drunense Duinen is een in aardkundig en ecologisch opzicht buitengewoon belangrijk gebied. De ten oosten gelegen Schoorstraat en de ten noorden gelegen Udenhoutseweg zijn daarnaast aangeduid als ‘Lijn van redelijk hoge waarde’.
Aangezien het initiatief betrekking heeft op een reeds bebouwde locatie, die in het kader van het initiatief wordt herontwikkeld, kan gesteld worden dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden van de Meijerij, de Loonse en Drunense Duinen en de lijnen van redelijk hoge waarde in de omgeving.
Vastgesteld
47
Afbeelding 26. Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart met het plangebied rood omrand
De woningen aan de Schoorstraat 8 en 10 zijn omstreeks 1920 gebouwd. De woning Schoorstraat 8 is omstreeks 1970 voorzien van een twee kleine vrijstaande bijgebouwen, die zijn gelegen achter de woning. Rond 1989 is ter plaatse van de Schoorstraat 10 ook een bijgebouw gerealiseerd.
Afbeelding 27. Uitsnede historische kaart 1925
Vastgesteld
Afbeelding 28. Uitsnede historische kaart 1989
48
5.6
Verkeer en parkeren
Het toevoegen of wijzigen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. Verkeer De locatie is momenteel ontsloten aan de Schoorstraat. Het bijgebouw en de woning aan de noordkant zullen worden ontsloten via de aanwezige verhardingen aan de noordkant van het plangebied. De woningen aan de zuidkant worden ontsloten via ten noorden en zuiden van deze woning gelegen verhardingen. De inrit aan de zuidkant is reeds aanwezig. De inrit voor de woning in het centrum van het plangebied moet worden gerealiseerd.
Nieuwe inrit/oprit
Nieuwe inrit/oprit
Aanwezige inrit/oprit
Afbeelding 29. Impressie ontsluiting plangebied
De Schoorstraat sluit in het noorden aan op de Udenhoutseweg en in het zuiden op De Gijzel. Het plangebied is dan ook goed ontsloten. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren; van parkeercijfers naar parkeernormen’. Er is uitgegaan van de volgende gegevens: ▪ Functie: 1x Koop, huis, vrijstaand en 2x koop, huis, twee-onder-een-kap ▪ Gebiedstype: rest bebouwde kom in niet stedelijk gebied Uitgaande van een worst-case benadering genereert het initiatief dagelijks 25 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 12,5 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Gezien het profiel van de Schoorstraat en de omliggende wegen zullen deze de geringe toename van het aantal verkeersbewegingen door goed kunnen verwerken. Parkeren Op 7 februari 2013 heeft de gemeenteraad het 'Parkeerbeleid en Parkeernota 2013–2022' vastgesteld. In deze parkeernormen is de bebouwde kom van Helvoirt niet meegenomen. In het kader van het initiatief is dan ook gekeken naar de parkeernorm van de bebouwde kom van Cromvoirt. Voor vrijstaande woningen geldt een parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen per woning en voor halfvrijstaande woningen geldt een parkeernorm van 1,9 parkeerplaatsen per woning. Per woning zijn derhalve twee parkeerplaatsen benodigd.
Vastgesteld
49
Op eigen terrein is voldoende ruimte beschikbaar om deze parkeerbehoefte te kunnen invullen.
Afbeelding 30. Impressie plangebied met parkeerplaatsen
5.7
Volksgezondheid
5.7.1 Veehouderijen Het RIVM doet onderzoeken naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid van omwonenden, veehouders, de gezinnen van veehouders en mensen die op de veehouderij werken. Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ziek van kunnen worden zoals Q-koorts of Salmonella. Daarnaast kunnen fijnstof en endotoxinen (celwandbestanddelen van bepaalde bacteriën) gezondheidsproblemen veroorzaken. Ook kan het voorkomen dat mensen hinder ondervinden van de stank die afkomstig is van de mest uit de veehouderijen. In 2016 zijn de resultaten gepubliceerd van het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO). In dit onderzoek is gekeken naar de gezondheidseffecten bij omwonenden van ziekteverwekkers en luchtverontreiniging afkomstig van veehouderijen. In 2017 is er een tweede rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden – aanvullende studies’ gepubliceerd. Daarin zijn nieuwe analyses gedaan om de eerdere resultaten nog eens extra bevestigd te krijgen. In de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 van 30 april 2018 is een stappenplan opgenomen om te beoordelen of er knelpunten worden gevonden voor een bestemmingsplan en of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Dit stappenplan is voor het te realiseren plan doorlopen. 1.
Endotoxine (varkens- / pluimveehouderijen) Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het is van belang dat ter plaatse van de ontwikkeling sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. ▪ De dichtstbijzijnde varkenshouderij is gelegen aan de Gijzelsestraat 1. De fijnstofemissie voor dit bedrijf bedraagt PM10: 53 kg/jaar. Derhalve dient een afstand te worden aangehouden van 7 meter, de huidige afstand (hemelsbreed) is 1,7 kilometer. ▪ De dichtstbijzijnde pluimveehouderij (leghennen) is gelegen aan de Udenhoutseweg 8. De fijnstofemissie voor dit bedrijf bedraagt PM10: 17 kg/jaar. Derhalve dient een afstand te worden aangehouden van 35 meter, de huidige afstand (hemelsbreed) is 960 meter.
Vastgesteld
50
2.
3.
4.
5.
Als gekeken wordt naar de afstanden dan ligt het plangebied buiten de endotoxine risicocontouren van pluimvee- en varkenshouderijen. Emissies Uit het VGO onderzoek komt naar voren dat diverse gezondheidseffecten gerelateerd lijken te zijn aan de blootstelling van omwonenden aan de emissie van fijnstof, micro-organismen en ammoniak (via de bijdrage aan secundair fijnstof) afkomstig van veehouderijen. Gekeken dient te worden of sprake is van een toename van deze emissies. Onderhavig plan voorziet in de sloop van twee bestaande woningen en het daarvoor in de plaats realiseren van drie nieuwe woningen. Het initiatief leidt niet tot een toename van emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Wijze waarop met overbelasting geur wordt omgegaan 3a. Wettelijke uitgangspunten Op grond van de Wet geurhinder veehouderij kan bij een ontwikkeling sprake zijn en blijven van een overbelaste geursituatie. Het uitgangspunt hierbij is dat er geen sprake is of blijft van een overbelaste situatie voor geur (voorgrond of achtergrond). De ontwikkeling vindt niet plaats in een gebied met een overbelaste geursituatie. Met het initiatief is daarnaast geen sprake van een toename van geuremissie. 3b. Gezondheidskundige uitgangspunten Naast een toets op de wettelijke aspecten kan ook gekozen worden voor een gezondheidskundige beoordeling ten aanzien van het aspect geur.
Toetsing vindt dan plaats aan de door de GGD gehanteerde gezondheidskundige advieswaarde. De GGD hanteert het standpunt dat het onderzoek van Geelen et al. (2015). De op grond van het onderzoek van Geelen hierbij behorende geurbelasting is weliswaar niet juridisch houdbaar aangezien dit niet is opgekomen binnen het gemeentelijk beleid. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de geursituatie in het gebied. De aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij De soort landbouwhuisdieren dat wordt gehouden en ook de combinatie van te houden dieren kan van invloed zijn op het eventuele risico voor de volksgezondheid. Dit heeft te maken met een mogelijk verhoogde infectiedruk en het risico van vermenging bacteriën of virussen. Indien er sprake is van het gecombineerd houden van varkens en pluimvee, of rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten) of kleine herkauwers onderling dan is advisering vanuit de GGD wenselijk in hoeverre dit voor wat betreft volksgezondheid verantwoord is. Er zijn geen veehouderijen in de buurt waar bovenstaande combinaties worden gehouden. Daarnaast zijn er geen varkens- en/ of pluimveebedrijven in de buurt waarvan de afstand tussen de inrichtingsgrenzen minder dan 100 meter bedraagt. Veehouderijen 5a.
Geitenbedrijven Uit recente bevindingen van het VGO-2 rapport (2017) blijkt dat er in een straal van 2 kilometer rondom geitenhouderijen een verhoogde incidentie op longontstekingen wordt gevonden. Hierom bedraagt de minimale afstand tussen geitenhouderijen en gevoelige bestemmingen 2 kilometer. Binnen 2 kilometer van het plangebied zijn geen geitenhouderijen gelegen. De dichtstbijzijnde geitenhouderij is gelegen aan de Biezenmortelsestraat 34, op een afstand van 2,1 kilometer. Binnen het plangebied is dan ook geen sprake van een verhoogde incidentie op longontstekingen; ter plaatse kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd ten aanzien van geitenhouderijen in de omgeving, 5b. Pluimveebedrijven Uit het VGO-2 rapport (2017) blijkt dat er binnen een straal van 1 kilometer rondom één pluimveehouderij omwonenden een verhoogd risico op longontsteking hebben. Zoals uit stap 1 blijkt is de dichtstbijzijnde pluimveehouderij gelegen op 1,78 kilometer. Er zijn geen pluimveehouderijen gelegen binnen 1 kilometer van het plangebied. Ten aanzien van de beoordeling op basis van de ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden gesteld dat het plangebied is gelegen buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is dus geen sprake van een verhoogd risico. 5c.
Overige veehouderijen Indien een overige veehouderij op kortere afstand ligt dan 250 meter van een bebouwde kom is het advies om een aanvullend risicobeoordeling uit te voeren. Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van Helvoirt waar sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Vastgesteld
51
6.
7.
De aanwezigheid van mestbe- of verwerking Bij een veehouderij kan mestbewerking als nevenactiviteit bij het houden van de dieren aan de orde zijn. Maar het kan ook een op zichzelf staande activiteit betreffen, waar mest van meerdere veehouderijen wordt bewerkt. Er is in de nabijheid van het plangebied geen mestbewerkings- of mestverwerkingsbedrijf aanwezig. Ongerustheid bij omwonenden Indien er rond een veehouderij veel ongerustheid bestaat over het aspect volksgezondheid (gerelateerd aan de betreffende veehouderij of meerdere veehouderijen in de omgeving), dan is een advies vanuit de GGD wenselijk. Er is in de omgeving geen ongerustheid over de volksgezondheid bij omwonenden. Uit het stappenplan blijkt dat sprake is van een gezond woon- en leefklimaat en dat advies van de GGD niet nodig wordt geacht.
5.7.2 Spuitzones Hoewel in geen enkele wettelijke regeling in acht te nemen afstanden zijn opgenomen voor spuitzones tussen gevoelige bestemmingen enerzijds en percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, anderzijds, dient op basis van het criterium goede ruimtelijke ordening wel te worden beoordeeld of het gebruik van die middelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een afstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en de te realiseren nieuwe gevoelige functies zoals woningen kan worden gehanteerd. Binnen een straal van 50 meter vanaf de locatie zijn enkele landbouwpercelen gelegen waar naar gekeken dient te worden. Percelen 2831 en 2832 liggen op een afstand van respectievelijk 0 meter afstand en worden gebruikt voor de teelt van gras. Bij uitspraak van 20 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3524) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in hoeverre rekening moet houden met de maximale gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt wat betreft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de open lucht op agrarische percelen. In betreffend geval sloot het bestemmingsplan ter plaatse de teelt van gewassen waarbij bestrijdingsmiddelen mochten worden gebruikt niet uit.
De vraag was nu, of de raad met die mogelijkheid rekening had moeten houden bij de vaststelling van het plan, dat woningbouw mogelijk maakte. De Afdeling nam daartoe in aanmerking dat geen enkel concreet voornemen kenbaar was gemaakt om het huidige agrarische gebruik te wijzigen. Bovendien had appellant ook niet gesteld dat wijziging van het gebruik binnen de planperiode voorzienbaar was. De Afdeling kwam tot de conclusie dat verandering van het bestaande agrarische gebruik binnen de planperiode zodanig onwaarschijnlijk is, dat de raad in redelijkheid geen rekening had hoeven te houden met een vorm van agrarisch gebruik waarbij spuitzones dienen te worden aangehouden. Uit deze uitspraak volgt dus – kortgezegd – dat voor het antwoord op de vraag of rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat het gebruik van de agrarische gronden wordt gewijzigd naar boomteelt, bezien moet worden of deze wijziging binnen de planperiode voorzienbaar is. Indien deze wijziging zodanig onwaarschijnlijk is, behoeft de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan dat woningbouw mogelijk maakt, geen rekening te houden met spuitzones. Percelen 2831 en 2832 zijn al lange tijd in gebruik voor de teelt van gras en andere reguliere akkerbouwgewassen. Op de percelen heeft nooit boomteelt plaatsgevonden en beide percelen zijn nooit gebruikt als boomgaard.
Thans vindt er al jaren grasteelt plaats. Het grasland is al minimaal 5 jaar als zodanig in gebruik. RVO merkt de grasteelt op beide percelen daarom aan als ‘blijvend grasland’. Er geldt in principe een omzetverbod om een perceel blijvend grasland om te zetten voor andere teelten. In alle redelijkheid zijn derhalve op beide percelen geen wijzigingen van het huidige agrarisch gebruik als grasland te verwachten binnen de planperiode van onderhavig bestemmingsplan. De afstand tussen onderhavig plangebied en gronden waarop teelt kan plaatsvinden bedraagt ruim meer dan 50 meter zodat redelijkerwijs worden gesteld dat er binnen het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd.
Vastgesteld
52
5.8
Trillingen
Vanwege de ligging bij een spoorlijn is een trillingsonderzoek6 uitgevoerd. Doel van het onderzoek is het prognosticeren van de trillingsniveaus in de toekomstige gevoelige ruimten van het bouwplan ten gevolge van het railverkeer tussen Tilburg en Den Bosch welke over het nabijgelegen spoortraject rijden. Trillingen worden door de bodem overgedragen aan de gebouwconstructie. De mate van trillingoverdracht hangt af van de wijze van funderen en de massa en stijfheid van het gebouw. Maatgevend voor de toetsing of sprake is van hinder, is de optredende trillingsterkte in de vloer. De constructiewijze, materiaal en overspanning van een vloer en de massabelasting bepalen de ligging van “eigen” of resonantie frequenties van een vloerveld en de gevoeligheid voor trillingen. In de richtlijn zijn de streefwaarden onder andere gebaseerd op de functie van het gebouw waar de trillingen beoordeeld moeten worden en de aard van de trillingsbron. In de onderhavige situatie worden de optredende trillingen beschouwd als herhaald voorkomende trillingen gedurende lange tijd. In onderstaande tabel zijn de streefwaarden opgenomen. Norm Wonen
Dag/avond A1 0,1
A2 0,4
Nacht A3 0,05
A1 0,1
A2 0,2
A3 0,05
Uit de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geprognosticeerd inzake de nieuw te bouwen woningen. Getoetst aan de SBR B richtlijn “Hinder voor personen in gebouwen”, in deze A1 en A2, treedt in de nachtperiode overschrijding op voor de nieuwe woonsituatie. Toetsing aan A3 is niet meer opportuun volgens het stroomschema volgens hoofdstuk 4. Voor de woningen wordt niet voldaan aan de streefwaarden waardoor in het bouwplan maatregelen genomen dienen te worden om het trillingsniveau terug te brengen naar de streefwaarden. Om ervoor te zorgen dat er aanvullende maatregelen worden getroffen is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. In de voorwaardelijke verplichting is opgenomen dat bij de verdere uitwerking van het plan maatregelen genomen dienen te worden om het trillingsniveau in de woningen terug te brengen naar de streefnormen, zoals opgenomen in bovenstaande tabel.
6
Stantec, Trillingsonderzoek, Bouwplan Schoorstraat 8-10 te Helvoirt, 14 december 2023, referentie 327200884
Vastgesteld
53
6.
JURIDISCHE ASPECTEN
Het bestemmingsplan heeft als doel het planologisch-juridisch kader te geven voor de ontwikkeling van het beschreven plan. De nadere juridische invulling is gedetailleerd geregeld. Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: ▪ Toelichting ▪ Planregels ▪ Verbeelding Met het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aangesloten bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. De plansystematiek voldoet aan de volgende RO-standaarden 2012: ▪ Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012; ▪ PraktijkRichtlijn BestemmingsPlannen (PRBP) 2012; ▪ Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI) 2012. Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Vught is qua systematiek aangesloten bij het meest recente bestemmingsplan voor een bebouwde kom van de gemeente Vught; “Vught Noord 2022”.
6.1
Toelichting op de verbeelding
De verbeelding geeft met kleuren en tekens aan welke bestemming voor de gronden geldt. De bestemming is aangegeven met een gekleurd vlak met de letters van de bestemming. Er zijn voor de gronden meerdere tekens opgenomen. Het gaat dan om aanduidingen (functie- of gebiedsaanduidingen) of dubbelbestemmingen. Voor een aanduiding of dubbelbestemming zijn in de regels specifieke bepalingen van toepassing. Uit de verbeelding kan afgeleid worden op welk gebied het bestemmingsplan betrekking heeft, omdat daarop de plangrens is aangegeven. De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. De analoge verbeelding bestaat uit één plankaart met een legenda. Het plangebied is grotendeels bestemd als ‘Wonen’ en voor een klein deel als ‘Agrarisch’. Binnen de woonbestemming zijn twee bouwvlakken opgenomen. Het noordelijke bouwvlak is voorzien van de maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 1’ en het zuidelijke bouwvlak is voorzien van de maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 2’ zodat binnen het plangebied maximaal drie woningen kunnen worden gerealiseerd.
Binnen beide bouwvlakken zijn de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – levensloopbestendig’ en de maatvoeringsaanduidingen ‘maximum goothoogte: 4,5 m’ en ‘maximum bouwhoogte: 9 m’ opgenomen om te waarborgen dat de nieuwe woningen levensloopbestendig worden uitgevoerd. Het plangebied is daarnaast gedeeltelijk voorzien van de bouwaanduiding ‘bijgebouwen’ waarbinnen de bijbehorende bouwwerken en bijgebouwen mogen worden gerealiseerd. Het plangebied is daarnaast voor een deel voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’. Een deel van het plangebied is daarnaast voorzien van de gebiedsaanduidingen ‘overige zone – attentiezone waterhuishouding’ en ‘overige zone – Natuur Netwerk Brabant’.
Vastgesteld
54
6.2
Toelichting op de planregels
Alle gronden binnen het plangebied hebben een bestemming. Een bestemming geeft de functie aan, die de gemeenteraad aan een gebied heeft toebedacht. Bij deze bestemmingen horen gebruiksregels. Het kan gaan om regels voor bouwen, werken en werkzaamheden, slopen en het gebruik van grond en de opstallen voor bepaalde activiteiten. De bestemming en de regels bepalen gezamenlijk welke activiteiten en handelingen zijn toegestaan. Het gevolg van het leggen van een bestemming is, dat de betreffende gronden alleen overeenkomstig deze bestemming mogen worden gebruikt. In die zin houdt een bestemming dus een inperking in van het eigendomsrecht. De bevoegdheid om bestemmingen te leggen is toegekend aan de gemeenteraad. Dit is geregeld in artikel 3.1 van de Wro. Een gemeenteraad mag niet zomaar een bestemming leggen, maar moet daarvoor vanuit het algemeen belang van een “goede ruimtelijke ordening‟ redenen hebben. Het leggen van een bestemming betekent overigens niet, dat er een verplichting bestaat voor een grondgebruiker om die bestemming te realiseren. 'Bestemming' heeft slechts een passieve betekenis: of een bestemming gerealiseerd wordt, is afhankelijk van het handelen van de rechthebbende(n) op de grond (eigenaar, huurder, pachter). Een bestemming geeft alleen aan welk handelen toegelaten is. Daaruit kan worden afgeleid dat ander handelen niet is toegelaten.
De artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo en enkele andere wetten verbieden het handelen in strijd met het bestemmingsplan. Om misverstanden te voorkomen wordt bij de bestemming aangegeven wat “in ieder geval‟ beschouwd moet worden als in strijd met het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is een juridisch plan: de daarin opgenomen bepalingen zijn bindend voor burgers en bedrijven en voor de overheid. Bij het opstellen van de regels is zo veel mogelijk uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en de regels voor het meest recente bestemmingsplan voor een bebouwde kom van de gemeente Vught; bestemmingsplan “Vught Noord 2022”. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: ▪ Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; ▪ Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hierin worden de regels voor de op de verbeelding opgenomen bestemmingen gegeven; ▪ Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelbepaling, algemene aanduidingsregels en algemene afwijkings- en wijzigingsregels; ▪ Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen. Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven en maken in dit geval de bouw van de bouw van een woning mogelijk.
Hoofdstuk 1: INLEIDENDE REGELS In dit hoofdstuk worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. Hoofdstuk 2: BESTEMMINGSREGELS In deze artikelen worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Tevens worden per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Hoofdstuk 3: ALGEMENE REGELS Deze artikelen bevatten bepalingen die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen, zodat het uit praktische overwegingen de voorkeur verdient deze in een afzonderlijke paragraaf onder te brengen. Hoofdstuk 4: SLOT- EN OVERGANGSREGELS Hier wordt omschreven welke gebouwen en gebruik vallen onder het overgangsrecht.
Vastgesteld
55
7.
UITVOERBAARHEID EN PROCEDURE
7.1
Economische uitvoerbaarheid
Het realiseren van de nieuwe woningen geschiedt voor rekening van initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. Kostenverhaal zal geregeld worden in een tussen de gemeente Vught en de initiatiefnemer af te sluiten anterieure overeenkomst, waarin verhaal van de ambtelijke kosten wordt meegenomen. Na ondertekening van de anterieure overeenkomst door beide partijen is het gemeentelijk kostenverhaal afdoende verzekerd. Hierdoor is dit plan economisch uitvoerbaar. Tenslotte wordt in deze overeenkomst ook een planschadeverhaalsbeding zoals bedoeld in art. 6.4a Wro opgenomen. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Vught komt maar voor rekening van initiatiefnemer.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Omgevingsdialoog Eind juli / begin augustus 2022 heeft initiatiefnemer de omwonenden geïnformeerd over de plannen voor de locatie Schoorstraat 8 en 10 in Helvoirt. Initiatiefnemer heeft gesproken met de bewoners van de Schoorstraat 1, 3, 4, 5, 6, 7, 9 en 11en de bewoners van de Udenhoutseweg 38 en 40. Initiatiefnemer heeft middels een brief met toelichting en tekeningen de omgevingsdialoog gevoerd. Alle omwonenden en belangstellende hebben aangegeven dat zij het een goed plan vinden en dat het initiatief leidt tot een verbetering van de leefomgeving en de uitstraling van de Schoorstraat. In bijlage 10 is de omgevingsdialoog opgenomen. Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit geeft aan dat het college van Burgemeester van Wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg dienen te plegen met betrokken instanties.
Ter uitvoering daarvan zijn provincie Noord-Brabant, Waterschap de Dommel en Veiligheidsregio Brabant-Noord in de gelegenheid gesteld om te reageren op het concept ontwerpbestemmingsplan. Naar aanleiding van de opmerkingen van de provincie, het waterschap en de veiligheidsregio zijn de toelichting en regels van onderhavig bestemmingsplan aangepast. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 14 september tot en met 25 oktober 2023 voor eenieder ter visie gelegen. Er is één zienswijze binnengekomen tegen het ontwerpbestemmingsplan. Deze zienswijze is beoordeeld en de belangen van reclamanten zijn afgewogen tegen het belang dat met het bestemmingsplan wordt gediend. De zienswijze heeft geleid tot een inhoudelijke wijzigingen c.q. aanvullingen van het bestemmingsplan door het opnemen van een paragraaf Trillingen. Een uitgebreidere behandeling van de zienswijzen is opgenomen in het zienswijzenrapport, die als bijlage bij het bestemmingsplan is vastgesteld. Vastgesteld
56
8.
PROCEDURE
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; ▪ Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken; ▪ Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door eenieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; ▪ Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; ▪ Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling; ▪ Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken; ▪ Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroeps/inwerkingtreding termijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Vastgesteld
57