CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Toelichting Bestemmingsplan

Raadsvergadering 25 mei 2023, gemeente VughtBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'NSW Landgoed De Groensche Hoeven, herziening 2022'18.367 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Grondwater Omdat er binnen het plangebied geen peilbuizen aanwezig zijn, is het waterschap gevraagd om informatie aan te leveren over de grondwaterstand in het gebied. Voor deze grondwatergegevens van Waterschap De Dommel wordt dan ook verwezen naar bijlage 3 bij deze toelichting. Conform opgave van gemeente Vught wordt voor het grondwaterpeil + 3.30 m NAP aangehouden. De gehanteerde grondwaterstand is op basis van ‘expert judgement’ tot stand gekomen tijdens een overleg tussen initiatiefnemer, de gemeente Vught en Waterschap De

32

Dommel. Dit in het kader van het op 17 december 2015 vastgestelde bestemmingsplan ‘NSW Landgoed De Groensche Hoeven’. Gekeken is naar het gemaal Beukenhorst, waar het water van de leggerwatergang (E37) door het noordelijk deel van het plangebied in oostelijke richting naartoe stroomt. Het peil van het gemaal slaat aan bij 3,40 m +NAP en slaat af bij 3,20 m +NAP. Hieruit is door de betrokken deskundigen geconcludeerd dat het grondwaterpeil in het plangebied hiertussen moet liggen Hemelwater Binnen het plangebied komt nauwelijks verharding voor. Het hemelwater infiltreert dan ook hoofdzakelijk in de bodem of wordt via de bovengenoemde watergangen afgevoerd. Afvalwater Binnen het plangebied ligt een hoge druk riolering. Overige aspecten Uit de Watertoetskaart van waterschap De Dommel blijkt dat het plangebied niet binnen een beschermd keurgebied of waterbergingsgebied is gelegen. Ook uit de Interim omgevingsverordening van provincie Noord-Brabant blijkt dat het in het plangebied geen bijzondere waterbelangen spelen die van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.3. Toekomstige waterhuishoudkundige situatie Oppervlaktewater In de beoogde situatie komen meerdere vormen van oppervlaktewater binnen het plangebied terug.

De voornaamste twee zijn de bestaande A-watergang en de nieuw te graven waterplas, die in het geldende bestemmingsplan al zijn uitgewerkt en in dit bestemmingsplan worden overgenomen. A-watergang De ligging en functionaliteit van deze leggerwaterloop blijft nagenoeg onveranderd. In het noordwesten van het plangebied zal de leggerwaterloop de nieuw aan te leggen geluidwal kruisen door middel van een duiker. Indien nodig kan door middel van een keermuur de breedte van de geluidwal (ter plaatse van de duiker) gereduceerd worden, zodanig dat de lengte van de duiker aan de (onderhoudstechnische) eisen van het waterschap De Dommel voldoet. Uit de toelichting van het thans geldende bestemmingsplan blijkt dat het waterschap hier eerder in principe mee in heeft gestemd. Tussen de spoorlijn en de Groensteeg wordt aan een zijde van de sloot een onderhoudspad aangelegd. Waar mogelijk en wenselijk kunnen ecologische oevers gerealiseerd worden. Ten behoeve van de waterhuishouding in het plangebied wordt één watergang “gedempt”, ter plaatse van de toekomstige grondwal. Ter vervanging wordt een duiker (1,80 x 1,00 m) aangebracht. Verder worden er twee verbindingen aangebracht om de nieuw te graven waterplas te voorzien van water. Het waterpeil wordt gestuurd door middel van beweegbare stuwen.

33

Gelet op de genoemde ingrepen, is voor de volgende activiteiten een watervergunning vereist: • Dempen of graven; • Dam met duiker aanleggen, verleggen of verwijderen; • Bouwen of verharding aanbrengen of afkoppelen; • Andere of gecombineerde activiteit(en) (t.b.v. het aanbrengen van de stuw). De gemeente Vught, waterschap De Dommel, ProRail en initiatiefnemer trekken gezamenlijk op in de planvorming voor de realisatie van de waterplas en de geluidswal, en de daarvoor benodigde ingrepen aan watergangen. Op dit moment zijn genoemde partijen nog met elkaar in gesprek over de precieze uitwerking en over de te treffen maatregelen. Uitgangspunt is dat de waterafvoer in ieder geval gegarandeerd blijft. Waterplas Een nieuwe plas wordt aangelegd tussen de beide Groenstegen. De plas draagt bij aan meerdere doelen. Enerzijds wordt de vrijkomende grond gebruikt voor de aanleg van de benodigde geluidswal (zie paragraaf 4.7) en ophoging van de bouwkavels, anderzijds heeft de plas een belangrijke ecologische meerwaarde en wordt deze ingezet voor hemelwaterberging binnen het plangebied, maar ook bovenplans. De gemeente Vught, de waterschappen Aa en Maas en De Dommel, de Provincie NoordBrabant, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en ProRail werken namelijk samen aan de waterhuishouding in de regio Vught-Helvoirt.

De samenwerking richt zich op concrete maatregelen om het water duurzaam op een goed en veilig peil te houden. Dat is nodig vanwege de klimaatverandering, maar ook met het oog op de twee grote infrastructurele werken waar Vught en Helvoirt voor staan, te weten het Project Hoogfrequent Spoor (PHS) en de Reconstructie N65. De aanleg van de waterplas binnen het plangebied is één van de concrete maatregelen die in het Convenant Klimaatadaptatie-opgave PHS Vught en N65 Vught-Haaren zijn opgenomen. De inhoud van het convenant is te raadplegen via: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-30508.html De maatregelen die in Vught worden uitgevoerd, zijn onder andere gericht op het vasthouden en infiltreren van water. In overleg tussen bovengenoemde partijen mag de waterplas binnen Landgoed Groensche Hoeven hiervoor worden gebruikt. Met deze en andere maatregelen en voorzieningen wordt ingespeeld op het veranderende klimaat waarbij extremen in neerslag en periodes van droogte steeds vaker gaan voorkomen. De gezamenlijke aanpak van de partners en de bundeling van krachten en expertise, maken snelle keuzes en besluitvorming mogelijk. Dat resulteert in een concrete en effectieve aanpak. Het ‘wie-doet-wat’ (de onderlinge afspraken en verantwoordelijkheden) zijn verankerd in een gezamenlijk opgesteld samenwerkingsconvenant.

Voor het dimensioneren van de waterplas zijn verder de volgende uitgangspunten gehanteerd: • bouwpeil alle woningen op +5.75 m NAP; • ophoging kavels aan de oostzijde van de waterplas inclusief omliggend terrein van gemiddeld +4.60 m NAP naar gemiddeld +5.50 m NAP; • bodemhoogte diepste gedeelte waterplas wordt +0.00 m. Dit betekent een waterdiepte van 3.30 m;

34

• • • • • •

wateroppervlakte ca. 40.000 m²; talud vanaf woningen 1:3 tot insteek waterpartij op +4.00 m NAP; eerste 2 meter waterkolom onder +3.30 m NAP met talud 1:7, dieper talud 1:4; talud tussen +4.00 m NAP en +3.30 m NAP ook talud 1:7 i.v.m. mogelijk waterpeilstijging; moerasgedeelte talud 1:10, maximale waterdiepte 1 m; rekening houden met het niet raken van de klei/veenlagen.

Aan de hand van deze uitgangspunten is een waterplas met een oppervlakte van ongeveer 38.000 m² gedimensioneerd, waarbij circa 129.000 m³ grond vrijkomt uit de waterpartij. Deze grond wordt gebruikt voor de aanleg van de geluidswal en het ophogen van de bouwkavels. Voor de aanleg van de geluidswal is ongeveer 102.000 m³ grond nodig. Voor de ophoging van de bouwkavels een aansluitend terrein is ongeveer 28.000 m³ grond nodig. De overige grond die grond die vrijkomt (circa 9.000 m³) wordt gebruikt om het zuidelijke bosperceel aan te vullen. Er is dan ook sprake van een gesloten grondbalans. Over het beheer en onderhoud van de waterplas wordt, net als over de precieze uitwerking en te treffen maatregelen rondom de realisatie van de geluidswal, door de betrokken partijen (de gemeente Vught, waterschap De Dommel, ProRail en initiatiefnemer) op dit moment nog gesproken. Afspraken hieromtrent zijn op dit moment nog niet vastgelegd. Hemelwater Het bestemmingsplan maakt de bouw van dertien woningen mogelijk. Daarvoor zijn meerdere bestemmingsvlakken ‘Wonen – 3’ opgenomen met een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 18.240 m². Binnen die woonbestemmingen zijn zeven bouwvlakken opgenomen met een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 5.000 m².

Conform het geldende waterbeleid dient het water eerst binnen het plangebied te worden vastgehouden, voordat het uit het plangebied mag worden afgevoerd. Water kan worden vastgehouden in een waterbergingsvoorziening, waarvoor de in het plangebied aanwezige waterplas dienst kan doen. De benodigde capaciteit kan met de volgende formule worden bepaald: benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m).

In de huidige situatie is nagenoeg geen verharding meer aanwezig sinds de voormalige boerderijen Groensteeg 1 en 2 zijn gesloopt. In het voorliggende bestemmingsplan is bebouwing of erfverharding voornamelijk toegestaan binnen de woonbestemming. Daarom wordt als getal voor toename verhard oppervlak (worstcase) gerekend met de volledige oppervlakte aan woonbestemming. Conform onderstaande Watertoetskaart van waterschap De Dommel geldt betreft de gevoeligheidsfactor binnen het plangebied ‘1’.

35

Uitsnede watertoetskaart Waterschap De Dommel, kaart Algemene regels verhard oppervlak. Het plangebied is blauw omlijnd. (Bron: https://dommel.webgispublisher.nl/Viewer.aspx?map=Watertoets#)

De berekening van de benodigde compensatie is dan ook als volgt: 18.240 m² x 1 x 0,06 ≈ 1.195 m³. De te graven waterplas krijgt een oppervlakte van 38.000 m² en een volume van 129.000 m³. Zodoende kan de waterplas ruimschoots in de benodigde capaciteit voorzien. Het hemelwater dat op de bouwpercelen terecht komt wordt middels hemelwaterafvoer naar de waterplas geleid. Afvalwater Uitgangspunt is dat het vuile afvalwater en het schone hemelwater worden gescheiden. Het vuile afvalwater zal op de bestaande riolering worden geloosd. In de civieltechnische fase zal dit nader worden uitgewerkt. Waterkwaliteit Overeenkomstig de eis van het waterschap worden geen uitlogende materialen toegepast.

4.3. Flora en fauna Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Met ingang van 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) ingegaan. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wnb staat in het teken van de verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen.

36

Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in een natuurgebied dat in het kader van de Wnb is aangewezen (Natura2000-gebied). De dichtstbijzijnde natuur die onderdeel uitmaakt van het Natura2000netwerk is het gebied “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek”, dat is gelegen op ruim drie kilometer ten noordoosten van het plangebied. Ook ligt op ongeveer 5,1 kilometer ten zuidwesten van het plangebied het Natura2000-gebied “Kampina & Oisterwijkse Vennen” en op ongeveer 5,3 kilometer ten noordwesten van het plangebied ligt het Natura2000-gebied “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen”. Direct naast het plangebied (ten oosten, zuidoosten en zuidwesten) grenst het plangebied aan Natuur Netwerk Nederland (zoals deze is begrensd als zijnde Natuurnetwerk Brabant in de Interim omgevingsverordening van provincie Noord-Brabant). Verder is het plangebied niet gelegen binnen of in de nabijheid van een belangrijk weidevogelgebied. Dit bestemmingsplan voorziet in de bouw van dertien woningen en het graven van meerdere waterpartijen op dezelfde plaats als waar dit volgens het geldende bestemmingsplan al is toegestaan. De ontgrondingsvergunning voor het afgraven van de waterpartij is inmiddels al aangevraagd. Deze paragraaf beperkt zich dan ook tot de ontwikkeling van dertien woningen.

Directe negatieve effecten van de bouw van de woningen op bovengenoemde beschermde natuurgebieden zijn, vooral gelet op de aard en omvang van het planvoornemen en de afstand van het plangebied tot aan deze natuurgebieden, niet te verwachten. Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om die reden is door Pittiger in Planologie voor dit bestemmingsplan een stikstofdepositieberekening gemaakt. De resultaten van dit onderzoek zijn gerapporteerd en als bijlage 11 bij deze toelichting opgenomen. Uit de berekeningen volgt dat ten gevolge van de gebruiks- en realisatiefase van het initiatief geen sprake is stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De AERIUS-berekeningen hebben aangetoond dat de stikstofdepositie gelijk is aan 0,00 mol N/ha/jaar. Op basis van de hierboven gepresenteerde gegevens hoeft er geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd of verder onderzoek naar de stikstofdepositie uitgevoerd te worden. Soortenbescherming Door Cobra is een Quickscan natuur (19 maart 2021) en Soortgericht onderzoek Wet natuurbescherming (3 december 2021) verricht. Deze onderzoeken zijn bijgevoegd als bijlagen 4 en 5 bij deze toelichting.

De conclusie is dat voor de uitvoering van de werkzaamheden een ontheffing Wnb nodig is voor bever, das, wezel, bunzing, grote modderkruiper en div. vleermuissoorten. De benodigde ontheffing is inmiddels aangevraagd en doorloopt een afzonderlijke procedure. Voor deze aanvraag is een Activiteitenplan opgesteld. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming kan niet verleend worden wanneer er onvoldoende maatregelen genomen worden om de beschermde natuurwaarden te behouden in het plangebied. Binnen het activiteitenplan wordt voldoende rekening gehouden met de beschermde natuurwaarden. Zodoende is er geen reden

37

om aan te nemen dat de ontheffing niet zal worden verleend en staat de aanvraag om ontheffing de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg. Zorgplicht Voor alle soorten geldt de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt kort gezegd in dat eenieder die weet dat zijn handelen of nalaten negatieve gevolgen zal hebben voor flora en fauna, verplicht is dit handelen achterwege te laten of maatregelen te nemen die de negatieve gevolgen kunnen voorkomen, beperken of ongedaan maken. Zo dient het plangebied tijdig onaantrekkelijk gemaakt te worden als leefgebied voor de kwetsbare soorten die mogelijk in het plangebied kunnen voorkomen en dienen de werkzaamheden bij voorkeur plaats te vinden buiten kwetsbare perioden van deze soortengroepen. Als tijdens de sloop-, bouw- en aanlegwerkzaamheden beschermde soorten worden aangetroffen, moeten dusdanige maatregelen worden genomen dat de schade aan deze soorten zo veel mogelijk wordt beperkt. Conclusie Het plan heeft geen negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Voor een aantal soorten blijkt dat een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd is. De benodigde ontheffing is inmiddels aangevraagd en doorloopt een afzonderlijke procedure. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de ontheffing niet zal worden verleend.

4.4. Verkeer en parkeren Verkeer De externe ontsluiting van het landgoed verloopt via de Kettingweg en de Boxtelseweg (weg parallel aan de A2). De interne hoofdrouting loopt via de Groensteeg, met in het noorden een aansluiting op de Kettingweg en in het oosten een aansluiting op de Boxtelseweg. Een doorgaand fietspad is opgenomen tussen de Kettingweg via de Groensteeg naar de spoorwegovergang Halsebroek. Gelet op de meest actuele kencijfers van kennisplatform CROW voor het woningtype ‘Koop, huis, vrijstaand’ voor het gebiedstype ‘Buitengebied’ en uitgaande van de stedelijkheidsgraad ‘Niet stedelijk’ (Bron: CBS Statline, CBS Wijken en buurten), zorgen de zes extra woningen ten opzichte van het oorspronkelijke bestemmingsplan voor een toename van ongeveer 49 motorvoertuigen per etmaal. De zandwegen in het plangebied hebben voldoende capaciteit e zijn van een goede kwaliteit om deze extra verkeersgeneratie op te vangen. Uit het oogpunt van verkeer bestaan er dan ook geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan. Parkeren De parkeerbehoefte volgt uit het rapport “Parkeerbeleid en Parkeernota 2013-2022” van gemeente Vught. Aangezien het plangebied is gelegen in het buitengebied, gelden in dit geval de parkeernormen voor ‘Cromvoirt en buitengebieden’. Voor een vrijstaande koopwoning geldt een parkeerbehoefte van twee parkeerplaatsen per woning. Dit betekent dat binnen het

38

plangebied in totaal 26 parkeerplaatsen moeten worden opgericht. Conform het gemeentelijk parkeerbeleid geldt daarbij dat parkeren in beginsel op eigen terrein moet worden opgelost. De bouwpercelen (bestemmingsvlakken ‘Wonen’) zijn voldoende ruim om hierin voorzien. Uit het oogpunt van parkeren bestaan er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

4.5. Kabels, leidingen en hoogspanningsverbindingen Binnen en in de nabijheid van het plangebied zijn geen planologisch beschermde kabels, leidingen en hoogspanningsverbindingen aanwezig die tot belemmeringen in het plangebied leiden. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor dit plan.

4.6. Bodem- en grondwaterkwaliteit In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient bij een bestemmingsplan dat nieuwe bouwmogelijkheden of een herinrichting van bestaande percelen mogelijk maakt, een (historisch) bodemonderzoek plaats te vinden. Met dit onderzoek dient de bodem- en grondwaterkwaliteit in voldoende mate te worden vastgesteld. Uitgangspunt hierbij is dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor de voorgenomen functie. Beoordeling plan Door RSK Netherlands zijn ter plaatse van het plangebied milieukundige en civieltechnische onderzoeken uitgevoerd. Met het onderzoek is de milieuhygiënische bodemkwaliteit (inclusief PFAS), civieltechnische en milieuhygiënische hergebruikskwaliteit van de grond en van het funderingsmateriaal (inclusief asbest) bepaald, alsmede de benodigde veiligheidsmaatregelen conform CROW400 bij de werkzaamheden. De onderzoeksresultaten zijn gerapporteerd en als bijlage 6 bij deze toelichting opgenomen. Op basis van de onderzoeksresultaten zijn er geen belemmeringen voor de geplande ontwikkeling en herinrichting van de locatie.

4.7. Geluid Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is geregeld dat bepaalde wegen, spoorwegen en bedrijven(terreinen) een zone hebben. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen.

39

Wegverkeerslawaai Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) heeft elke weg een geluidszone, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Formeel gezien ligt het plangebied binnen de geluidzone van de Kettingweg en de Groensteeg gelegen omdat de maximale rijsnelheid 60 km/uur bedraagt. Deze wegen zijn echter onverhard, en zullen verwaarloosbare verkeersintensiteiten hebben. Bovendien is de Groensteeg doodlopend. Enkel bestemmingsverkeer zal op deze wegen rijden. Daarmee zijn de verkeersintensiteiten zo laag dat de optredende geluidbelastingen vanwege het wegverkeerslawaai niet relevant zullen zijn. Het wegverkeerslawaai is dan ook niet nader onderzocht. Spoorweglawaai Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de spoorlijn tussen ’s-Hertogenbosch en Boxtel. Daarom is door Cauberg Huygen akoestisch onderzoek verricht vanwege spoorweglawaai. De resultaten zijn gerapporteerd en opgenomen als bijlage 7 bij deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat bij alle woningen voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde spoorweglawaai dankzij de nieuw aan te leggen geluidwal langs het spoor. Bijgevolg zijn er geen hogere waarden nodig voor de nieuwe woningen. Industrielawaai Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van een geluidzoneringsplichtig bedrijventerrein zoals bedoeld in Wet geluidhinder.

Voor wat betreft de invloedssfeer van nabijgelegen bedrijven zonder wettelijke geluidzone, wordt verwezen naar paragraaf 4.9 (Bedrijven en milieuzonering) van deze toelichting. Conclusie De aspecten wegverkeer-, industrie- en spoorweglawaai vormen geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

4.8. Luchtkwaliteit Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. Daarin zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: • een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit • ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven • een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van desbetreffende stoffen in de buitenlucht • een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit)

40

De uitwerking van het begrip ‘niet in betekende mate’ staat in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is volgens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is gericht op mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). In het besluit is geregeld dat wanneer een gevoelige bestemming binnen een onderzoekszone van een rijks- of provinciale weg wordt gevestigd of uitgebreid, een luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. Gevoelige bestemmingen zijn functies waarbinnen kinderen, ouderen en zieken verblijven, zoals scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Een woning of ziekenhuis is geen gevoelige bestemming conform het besluit.

De onderzoekszone van een rijksweg betreft 300 meter aan beide zijden van de weg, gemeten vanaf de rand van de weg. Voor een provinciale weg geldt hetzelfde, maar dan een zone van 50 meter. Beoordeling plan Zowel gezien de aard van de ontwikkeling als de oppervlakte en het aantal woningen valt het project zeer ruim onder de ondergrens van de categorie “niet in betekenende mate” bijdragend. Bovendien wordt met dit bestemmingsplan geen gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteit) mogelijk gemaakt. Het is dan ook niet nodig om een luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren. Wel dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te worden gemotiveerd dat ter plaatse van het projectgebied een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Met behulp van enkele kaarten van het RIVM zoals opgenomen in de Atlas voor de Leefomgeving is aangetoond hoe de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied kan worden beoordeeld. Dit is in beeld gebracht voor de maatgevende schadelijke stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) in het jaar 2020, aangezien dit de meest actuele informatie beschikbaar is.

41

Uitsnede kaart Stikstofdioxide 2020 (NO2) - RIVM. De zone met de nieuw te bouwen woningen is groen omcirkeld.

Uitsnede kaart Fijnstof 2020 (PM10) - RIVM. De zone met de nieuw te bouwen woningen is groen omcirkeld.

42

Uitsnede kaart Fijnstof 2020 (PM2,5) - RIVM. De zone met de nieuw te bouwen woningen is groen omcirkeld.

Zoals uit bovenstaande afbeeldingen blijkt, blijven de concentraties ruimschoots onder de grenswaarden voor de jaargemiddelde concentraties voor NO2 en PM10 (beiden 40 µg/m³) en PM2,5 (25 µg/m³). Zodoende kan worden geconcludeerd dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het project dusdanig is dat gesproken kan worden over een goed woon- en leefklimaat.

4.9. Bedrijven en milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient tussen kwetsbare of gevoelige objecten, zoals een woning, en bepaalde functies en bedrijven voldoende afstand te worden gehouden. Deze afstand is enerzijds nodig om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object niet aan te tasten, anderzijds is deze afstand nodig om het bedrijf of de functie niet te beperken in de betreffende (bedrijfs)activiteiten. Als uitgangspunt worden de richtafstanden uit publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) genomen. In de VNG-publicatie is voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar een richtafstand gegeven, waarbij de grootste richtafstand leidend is. De VNG maakt onderscheid tussen de omgevingstypen ‘Rustige woonwijk / rustig buitengebied’ en ‘Gemengd gebied’. Bij het eerste type is duidelijk sprake van functiescheiding. Bij het tweede is sprake van functiemenging en komen direct naast woningen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en (kleine) bedrijven. Volgens de VNG-publicatie behoren gebieden, die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, eveneens tot omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de hogere milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

In de VNG-publicatie is aangegeven dat wanneer er sprake is van een ‘gemengd gebied’, de richtafstand met één afstandsstap mag worden verminderd. Dat wil zeggen dat een

43

oorspronkelijke richtafstand van 30 meter wordt verminderd naar 10 meter en een oorspronkelijke richtafstand van 10 meter wordt verminderd naar 0 meter. Beoordeling plan In de omgeving van het plangebied komen drie zones voor met functies en bestemmingen waarbinnen activiteiten (mogen) plaatsvinden met mogelijke milieuhinder voor de wooneenheden die binnen voorliggend bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt. Het gaat om het bedrijventerrein aan de Kempenlandstraat ten noordwesten van het plangebied, bedrijventerrein De Ketting ten noorden van het plangebied, en zorgpark Voorburg ten noordoosten van het plangebied. Zonder uitspraak te doen over omgevingstype dat aan de orde is, wordt in dit geval ‘worstcase’ uitgegaan van de oorspronkelijke richtafstanden (dus zonder vermindering afstandsstap). Bedrijventerrein Kempenlandstraat Het bedrijventerrein tussen het spoor en de Kempenlandstraat heeft conform het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘De Baarzen-Vughtse Hoeven’ de bestemming ‘Bedrijventerrein’. Hier zijn bedrijven tot milieucategorie 3.1 toegestaan. De feitelijk aanwezige bedrijvigheid voldoet hieraan. Op één locatie vindt verkoop van motorbrandstoffen en LPG plaats. Uit gegevens van Risicokaart.nl blijkt dat de vergunde jaardoorzet LPG < 500 m³ per jaar betreft.

Zodoende is volgens de reeds aangehaalde VNG-publicatie sprake van een activiteit van milieucategorie 3.1 (Benzineservicestation met LPG < 1.00m²/jr, SBI2008-code 473-2). Volgens zowel de lijst met toegestane bedrijven uit het geldende bestemmingsplan als op basis van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) hoort bij milieucategorie 3.1 een richtafstand van 50 meter. De zone waarbinnen de nieuwe bouwvlakken uit voorliggende bestemmingsplan liggen, bevindt zich op meer dan 150 meter van het betreffende bedrijventerrein. Zodoende wordt ruimschoots aan de bijbehorende richtafstanden voldaan. Bedrijventerrein De Ketting Het bedrijventerrein tussen het spoor en zorgpark Voorburg heeft conform het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Voorburg en omgeving’ de bestemming ‘Bedrijf’. Hier zijn over het algemeen bedrijven tot milieucategorie 3.1 toegestaan. Enige uitzondering hierop is een lijm- en plakmiddelenfabriek zonder dierlijke grondstoffen dat tot milieucategorie 3.2 behoort. De feitelijk aanwezige bedrijvigheid voldoet aan de maximaal toegestane milieucategorieën uit het geldende bestemmingsplan. Volgens zowel de lijst met toegestane bedrijven uit het geldende bestemmingsplan als op basis van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) hoort bij milieucategorie 3.2 een richtafstand van 100 meter.

De zone waarbinnen de nieuwe bouwvlakken uit voorliggende bestemmingsplan liggen, bevindt zich op meer dan 290 meter van het betreffende bedrijventerrein. Zodoende wordt ruimschoots aan de bijbehorende richtafstanden voldaan.

44

Zorgpark Voorburg Zorgpark Voorburg heeft volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Voorburg en omgeving’ de bestemming ‘Maatschappelijk’. Hier zijn maatschappelijke functies zoals gezondheidszorg, kinderopvang, onderwijs, praktijkruimten, religie, welzijnsinstelling, zorginstelling en onzelfstandig wonen, met ondergeschikte horeca (maximaal 100 m²). Deze functies behoren volgens de eerder aangehaalde VNG-publicatie allen tot milieucategorie 1 of 2. Hier hoort een maximale richtafstand van respectievelijk 10 of 30 meter bij. De feitelijk aanwezige functies komen overeen met de toegestane functies uit het geldende bestemmingsplan. De terrein- en bestemmingsgrens van Zorgpark Voorburg bevindt zich op ongeveer 50 meter van de zone waarbinnen de nieuwe bouwvlakken uit voorliggende bestemmingsplan zijn gepositioneerd. Zodoende wordt ook ten aanzien van het zorgpark voldaan aan de richtafstanden. Conclusie Het bestemmingsplan ondervindt geen beperkingen vanwege milieuzonering vanwege bedrijvigheid en ander niet-woonfuncties in de omgeving van het plangebied. Omgekeerd vormt dit bestemmingsplan ook geen belemmering voor de huidige gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen bedrijven en zorgpark Voorburg.

4.10. Geur Voor de geurbeoordeling van agrarische bedrijven in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geldt een specifiek toetsingsregime. De Wgv schrijft voor op welke wijze een bevoegd gezag de geurhinder vanwege dierenverblijven moet beoordelen indien een veehouderij een milieuvergunning aanvraagt. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten (zoals woningen) en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt wel de ‘omgekeerde werking’ genoemd. Een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder, omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichzelf blootstellen aan die overmatige hinder. Voor wat betreft geurhinder en veehouderijen betekent dit enerzijds dat een goed woon- en leefklimaat moet worden gegarandeerd ten opzichte van geurgevoelige objecten, anderzijds mogen veehouderijen en derden niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. In de Wgv wordt onderscheid gemaakt tussen veehouderijen waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld en veehouderijen met diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld.

Voor de diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, is bepaald hoe hoog de geurbelasting (uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht) mag zijn op een geurgevoelig object. Voor veehouderijen met diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld geldt een vaste afstand conform de Wvg.

45

Beoordeling plan Binnen een straal van 1 kilometer rondom de zone met bouwvlakken waar de nieuwe woningen zullen worden opgericht komen drie veehouderijen voor. Het betreft de adressen Bleijendijk 7 te Vught, Esscheweg 209 te Vught en Halsedijk 2 te Esch. Het gaat daarbij om veehouderijen met diercategorieën waarvoor geen wettelijke geuremissiefactor is vastgesteld. Daardoor geldt ten aanzien van deze veehouderijen een vaste afstand die moet worden aangehouden tussen de veehouderij en het geurgevoelige object (zoals woningen). In dit geval geldt een richtafstand van 50 meter, omdat de geurgevoelig objecten buiten de bebouwde kom liggen. Hier wordt ruimschoots aan voldaan, de dichtstbijzijnde veehouderij bevindt zich immers op ongeveer 730 meter van het projectgebied. Aangezien aan de richtafstanden wordt voldaan, vormt het project geen belemmering voor nabijgelegen veehouderijen en omgekeerd.

Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur van Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (plangebied blauw omcirkeld)

Met behulp van de kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ van Omgevingsdienst Zuidoost Brabant is beoordeeld of ter plaatse van het projectgebied de kwaliteit van de leefomgeving vanwege het aspect geur aanvaardbaar is. Op die kaart is te zien dat de kwaliteit van de leefomgeving als ‘zeer goed’ (0-3 ouE/m³) beoordeeld wordt. Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het aspect geurhinder geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan.

4.11. Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat

46

te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. 4.11.1. Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling basisnet van toepassing. Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10 -6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen.

Voor het groepsrisico geldt in bepaalde gevallen een verantwoordingsplicht. 4.11.2. Beoordeling plan Dit bestemmingsplan maakt ten opzichte van het geldende bestemmingsplan nieuwe woningen mogelijk. Deze woningen worden in het kader van het Bevi aangemerkt als (beperkt) kwetsbare objecten. Zodoende is het nodig om de invloed van risicobronnen op deze objecten in beeld te brengen. Analyse aanwezige risicobronnen Op basis van de Risicokaart (www.risicokaart.nl) is beoordeeld of er zich in de nabijheid van het plangebied risicobronnen bevinden. Daarbij is bekeken of er in de nabijheid van het plangebied risicovolle inrichtingen of transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (wegen, spoorwegen, vaarwegen of buisleidingen) gelegen zijn. De relevante risicobronnen voor dit plangebied zijn het vervoer van gevaarlijke stoffen over de ten oosten van het plangebied gelegen rijksweg A2 en de direct ten westen van het plangebied gelegen spoorlijn ’s-Hertogenbosch-Boxtel. Verderop in deze paragraaf wordt specifiek ingegaan op beide transportroutes. Daarnaast is aan de Kempenlandstraat 39 in Vught een autobedrijf gevestigd met een benzineservicestation met LPG. Vanwege de LPG is er een risico op ongevallen met gevaarlijke stoffen. Voor deze inrichting gelden plaatsgebonden risicocontouren rondom het vulpunt (35

47

meter), het LPG-reservoir (35 meter) en de afleverinstallatie (15 meter). Deze risicocontouren reiken niet tot over het plangebied en zijn daardoor niet relevant voor dit bestemmingplan. Verder zijn er geen relevante bronnen niet aanwezig in de omgeving. Rijksweg A2 De rijksweg A2 heeft ter hoogte van het plangebied (wegvak B62) geen plasbrandaandachtsgebied en geen plaatsgebonden risicocontour. Over deze weg wordt stofcategorie GF3 (brandbaar gas) vervoerd. Vanwege die stofcategorie heeft de weg een invloedsgebied van 355 meter. Conform het Bevt is een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico aan de orde indien een plangebied zich binnen het invloedsgebied van een risicobron bevindt. Omdat de nieuwe woningen op meer dan 750 meter van de rijksweg worden gerealiseerd, is ten aanzien van de rijksweg geen verantwoording van het groepsrisico nodig. Spoorlijn ’s-Hertogenbosch – Boxtel Wettelijk gezien is de Regeling Basisnet leidend voor wat betreft transport van gevaarlijke stoffen over het spoor. Het naastgelegen spoor (traject 72H2.3) is niet opgenomen in de huidige Regeling Basisnet en formeel gezien hoeft hier dan ook geen rekening mee te worden gehouden. Over deze spoorlijn vindt momenteel ook geen structureel transport van gevaarlijke stoffen in bulk plaats.

De spoorlijn maakt echter deel uit van het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS) Meteren-Boxtel, waarbij in de toekomst transport van gevaarlijke stoffen over deze spoorlijn plaats kan vinden. Voor PHS Meteren-Boxtel is in 2020 een zogenaamd Tracébesluit genomen. In het kader van dat Tracébesluit is een kwantitatieve risico analyse externe veiligheid uitgevoerd (PHS Meteren – Boxtel Deelonderzoek EV (QRA) - Externe Veiligheid (MB1.7.1-04), Arcadis, 1 april 2019, versie 2.0). In het rapport is zowel de tijdelijke situatie als de eindsituatie beoordeeld. Uit het rapport van Arcadis volgt dat ter plaatse van de te realiseren verdiepte ligging Vught tijdens de aanlegfase tijdelijke sporen worden aangelegd. De tijdelijke sporen komen ten westen van het bestaande spoor en de te realiseren verdiepte ligging te liggen. In de tijdelijke situatie vindt er geen structureel transport van gevaarlijke stoffen over het traject plaats en de contouren als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen in de projectsituatie zijn daarom niet relevant in de tijdelijke situatie. Dat betekent dat de invloed van deze verschuiving nihil is. Voor wat betreft de definitieve eindsituatie is in het rapport van Arcadis aangegeven dat een intensiteitstoename van het goederenverkeer zal plaatsvinden.

Zodoende zal het groepsrisico toenemen, maar volgens de berekeningen van Arcadis ligt het groepsrisico onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde ligt. Dat betekent ook dat er geen wettelijke verplichting is tot mitigerende en compenserende maatregelen. Het geïndiceerde plasbrandaandachtsgebied reikt niet tot over de locaties waar binnen voorliggend bestemmingsplan (beperkt) kwetsbare objecten zijn voorzien.

48

Verantwoording groepsrisico Op basis van artikel 8 van het Bevt is een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk indien het plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 meter van een transportroute. Daarom is in dit geval een verantwoording van het groepsrisico in het kader van het spoor noodzakelijk. Aangezien uit bovenstaande blijkt dat het groepsrisico niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, kan volgens artikel 8, lid 2 van het Bevt kan een berekening naar de hoogte van het groepsrisico achterwege blijven. Hierna volgt een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Daarbij wordt ten eerste ingegaan op de relevante scenario’s. Vanwege toekomstig vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor zijn in dit geval de scenario’s toxisch en BLEVE relevant zijn. In zijn algemeenheid moet worden opgemerkt dat het risico op een ongeval met gevaarlijke stoffen erg klein is. Wanneer toch een ongeval plaatsvindt, zijn de thema’s zelfredzaamheid, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid relevant. Ook hier wordt verderop in deze paragraaf aandacht aan besteed. Ten slotte wordt ingegaan op het wettelijke advies van de Veiligheidsregio. Toxisch Dit scenario is aan de orde bij een ongeval met (zeer) toxische vloeistoffen en toxische gassen.

Bij een dergelijk ongeval bestaat het gevaar dat zich een toxische wolk ontwikkelt, waardoor personen in de omgeving van het incident schadelijke stoffen kunnen inademen. De gevolgen na blootstelling aan een gevaarlijke stof zijn afhankelijk van concentratie en blootstellingsduur; afstand tussen de incidentlocatie en het plangebied en het feit of mensen binnen of buiten verblijven. Nieuwbouwwoningen zijn als gevolg van energieprestatie eisen goed geïsoleerd en bieden bescherming tegen het binnendringen van gevaarlijke stoffen waardoor de kans op letsel sterk beperkt wordt. BLEVE Dit scenario is aan de orde bij een ongeval met brandbare gassen, waarbij deze brandbare gassen tot ontploffing (BLEVE) komen en een druk- en hittegolf veroorzaken. Vanwege oplopende temperaturen neemt de druk in de tank toe. Binnen 20 minuten leidt het vrijkomen en het ontsteken van de inhoud tot overdrukeffecten en vuurbal. Bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid dient enerzijds te worden beoordeeld op de bestrijdbaarheid van het te bestrijden rampscenario en anderzijds op de inrichting van de omgeving om bestrijding te faciliteren. Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Bij een ongeval met brandbare gassen ligt dit anders.

Tegen de warmtestraling en de overdrukeffecten van een BLEVE zijn moeilijk maatregelen te nemen. Over het algemeen is het zo dat een dergelijk ongeval tot geruime tijd na het incident lastig te beheersen is.

49

De bestrijdbaarheid moet in dit geval dan ook vooral gezocht worden in de bereikbaarheid van het spoor en het plangebied om bestrijding te faciliteren. Daarnaast is het in het belang van de bestrijdbaarheid belangrijk dat er voldoende bluswater beschikbaar is. In dit geval wordt de bestrijdbaarheid enigszins verbeterd doordat binnen het plangebied waterpartijen worden aangelegd die in geval van calamiteiten voor bluswater kunnen worden gebruikt. Bereikbaarheid Binnen het plangebied wordt parallel aan het spoor een geluidswal aangelegd, welke als beperkte maatregel kan worden gezien voor het verminderen van de mogelijke effecten van een calamiteit op het plangebied. Ter hoogte van de locatie waar in voorliggend bestemmingsplan de nieuwe woningen voorzien zijn is het spoor goed bereikbaar vanuit de woonbuurt Klein Brabant. Brandweerpost Vught is gevestigd op 3 minuten rijden van de woonbuurt Klein Brabant en het plangebied. Ook vanaf de nabijgelegen A2 is het spoor en het plangebied goed bereikbaar. Het plangebied kent meerdere ontsluitingen. De hoofdontsluiting gaat in noordelijke richting via de Groensteeg en Kettingweg naar de Laagstraat. Om van het spoor af te vluchten is de ontsluiting in oostelijke richting via de Kettingweg naar de Boxtelseweg/A2 meer geschikt.

Daarnaast zijn er in het plangebied ook diverse andere niet voor motorvoertuigen toegankelijke paden om van het spoor weg te vluchten. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Met dit bestemmingsplan wordt het aantal nieuwe woningen uitgebreid van zeven naar dertien. Aangenomen kan worden dat personen woonachtig in de beoogde woningen in principe in staat zijn, uitzonderingen daargelaten om zelfstandig en op de juiste manier te reageren op een dreiging. Via SMS alert en social media kunnen de aanwezigen vrij snel geïnformeerd en geïnstrueerd worden hoe te handelen. Bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen is zo snel mogelijk schuilen in een gebouw het voorkeurscenario. Op een grotere afstand van de risicobron kunnen mensen bij een tijdige waarschuwing het gebied op tijd ontvluchten. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang. Bij ongevallen met brandbare gassen is er niet (koude BLEVE) of nauwelijks (warme BLEVE) een vooraankondiging van het ongeval.

Personen in gebouwen op een afstand kleiner dan 150 meter zijn ook binnen gebouwen onvoldoende beschermd tegen de gevolgen van een BLEVE. Door een tijdige waarschuwing kunnen deze mensen proberen zo snel mogelijk afstand tot de risicobron te nemen. Het is zaak een veilige plek binnen de woning op te zoeken welke buiten het bereik van de glasscherven ligt. Na afloop van de BLEVE dient het gebied ontvlucht te worden om de secundaire branden te ontkomen. Binnen voorliggend plan liggen alleen de twee westelijke bouwvlakken binnen 150 meter van het spoor. Deze bouwvlakken liggen op ongeveer 110 meter en worden bovendien van het spoor afgeschermd via een geluidswal van ongeveer 6 tot 8 meter hoog.

50

Advies Veiligheidsregio Conform artikel 9 van het Besluit externe veiligheid transportroutes dient advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio in verband met de zelfredzaamheid, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid. Het advies van de Veiligheidsregio wordt te zijner tijd bij het besluit over dit bestemmingsplan betrokken. 4.11.3. Conclusie Gelet op het bovenstaande wordt het groepsrisico verantwoord geacht en vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

4.12. Trillingen Aangezien het plangebied is gelegen nabij het spoor, zou hinder of zelfs schade kunnen optreden als gevolg van trillingen vanwege spoorwegverkeer. Woningen en andere gebouwen waar mensen langdurig verblijven zijn trillingsgevoelig. Op dit moment bestaat er in Nederland geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het echter wel van belang om mogelijke trillinghinder te beoordelen. Er zijn een aantal richtlijnen en beleidsregels die hiervoor worden gebruikt, waaronder de SBRrichtlijn. Deze richtlijn bestaat uit drie delen: • Deel A, Schade aan gebouwen • Deel B, Hinder voor personen in gebouwen • Deel C, Storing aan apparatuur Beoordeling plan In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door Cauberg Huygen een quickscan naar trillingshinder uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn gerapporteerd en als bijlage 8 bij deze toelichting toegevoegd. De quickscan is uitgevoerd in verband met mogelijke hinder door trillingen als gevolg van treinverkeer. De streefwaarden uit SBR richtlijn B (2006) vormen de achterliggende basis voor de beoordeling van het risico. Uitgangspunt is de bovenste streefwaarde A2 uit deze richtlijn voor de nachtperiode, voor een nieuwe situatie. Hierbij hoort een waarde van 0,2.

Bij de uitvoering van de quickscan is rekening gehouden met de aanwijzingen uit de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. Op basis van de quickscan is de verwachting dat het risico op trillingshinder door treinverkeer klein is. Dit betekent dat het aspect trillingen geen belemmerende factor vormt voor het bouwplan.

4.13. Niet gesprongen explosieven Vught is tijdens de Tweede Wereld Oorlog doelwit geweest van gevechtshandelingen. Indien één of meerdere conventionele explosieven (CE) in de bodem zijn achtergebleven is dat een risico voor betrokken personeel in de uitvoeringsfase (Arbo-veiligheid). Daarnaast kan een risico ontstaan in het kader van de openbare orde en publieke veiligheid. Bij het bepalen van risico’s

51

die ontstaan door het uitvoeren van werkzaamheden in een gebied waar mogelijk CE zijn achtergebleven is dan ook sprake van een gecombineerde verantwoordelijkheid in het kader van de ‘openbare orde en publieke veiligheid’ en ‘Arbo-veiligheid’. Bovendien kan na het aantreffen van CE stagnatie ontstaan. Beoordeling plan Om de kans op de aanwezigheid van achtergebleven explosieven uit de Tweede Wereldoorlog vast te stellen is door Expload een projectgebonden combinatieonderzoek uitgevoerd voor de plaats waar conform voorliggend bestemmingsplan grondroerende werkzaamheden voorzien zijn (bouw woningen en aanleg vijver). De resultaten hiervan zijn gerapporteerd en als bijlage 9 bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste bevindingen. Uit het onderzoek komt naar voren dat er in het onderzoeksgebied sprake is van een aantoonbaar verhoogde kans op aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Het projectgebied is verdacht voor geschutsmunitie met een kaliber van 2 inch tot en met 8,8 cm. Met een maximale indringingsdiepte (afhankelijk van het kaliber) tot 80 cm. De exacte risico’s zijn in het onderzoeksrapport beschreven. Tevens bevat het rapport een plan van aanpak. Expload adviseert om met het plan van aanpak en bijbehorend processchema te beoordelen welke beheersmaatregelen noodzakelijk zijn.

Deze beoordeling zal plaatsvinden bij de toetsing van de aanvraag van de benodigde vergunningen voor de daadwerkelijke realisatie van onder andere de woningen en de vijver.

52

Hoofdstuk 5.

Uitvoerbaarheid

5.1. Economische uitvoerbaarheid 5.1.1. Exploitatieplan Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente is hiertoe verplicht wanneer er sprake is van een bouwplan in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De gemeente kan hiervan afzien in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen, of indien: • het kostenverhaal anderszins is verzekerd; • het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; en • het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is. Beoordeling plan De bouw van een of meerdere woningen is een bouwplan in de zin van het Bro. De gemeente Vught zal een overeenkomst als bedoeld in artikel 6.24 van de Wro aangaan met de ontwikkelende partij. In deze anterieure overeenkomst zijn onder andere afspraken opgenomen over (het verhaal van) te maken kosten. Hierdoor is het kostenverhaal verzekerd en het stellen van locatie-eisen middels een exploitatieplan niet nodig. Door de beperkte omvang van het plan is het bepalen van een tijdvak of fasering niet nodig.

Gelet op het voorgaande kan in het kader van het bestemmingsplan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan. 5.1.2. Planschade Het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning kan ertoe leiden dat een belanghebbende zogenaamde planschade ondervindt. Daarbij kan het gaan om waardevermindering van een onroerende zaak (bijvoorbeeld een woning) of inkomensderving. Een deel van deze schade valt wettelijk gezien echter binnen het normaal maatschappelijk risico en is dus niet te verhalen. Voor de overige schade kan een tegemoetkoming worden aangevraagd bij het college van burgemeesters en wethouders. Indien het bestemmingsplan niet wordt geïnitieerd door de gemeente, dan zal de gemeente de schade verhalen op de initiatiefnemer van het plan. Beoordeling plan In vorige paragraaf is aangegeven dat gemeente Vught met de initiatiefnemer een overeenkomst zal aangegaan. In deze overeenkomst is vastgelegd dat eventuele tegemoetkoming in planschade voor rekening van de initiatiefnemer zullen komen. Er zijn dan ook geen financiële consequenties voor de gemeente.

53

5.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het bestemmingsplan doorloopt de wettelijke procedure conform artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening in combinatie met afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarbij worden achtereenvolgens de volgende stappen doorlopen: • Terinzagelegging voorontwerpbestemmingsplan (facultatief) • Overleg ex artikel 3.1.1 Bro • Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan • Vaststelling door gemeenteraad • Terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan Gelet op de aard en omvang van het plan (het betreft een beperkte herziening van een bestemmingsplan uit 2015) is ervoor gekozen geen voorontwerp van het bestemmingsplan voor eenieder ter inzage te leggen. In plaats daarvan heeft initiatiefnemer een omgevingsdialoog gehouden. Een verslag is hiervan is als bijlage 10 bij deze toelichting gevoegd. Uit de omgevingsdialoog volgt dat er vanuit twee omwonenden zorgen zijn over het drukker worden van verkeer op de bestaande wegen binnen en direct buiten het landgoed. Deze omwonenden spreken dan ook de wens uit om bepaalde wegen verkeersluw te houden en de wegen niet of niet volledig te verharden. Initiatiefnemer heeft aangegeven dat deze wensen aansluiten bij hetgeen men zelf ook beoogt. De omgevingsdialoog heeft dan ook niet geleid tot aanpassing van het plan. 5.2.1.

Overleg volgens artikel 3.1.1 Bro In artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) is aangegeven dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg dient te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en diensten van de provincie en het Rijk in zoverre belangen van deze overheden in het geding zijn. Vanwege hun belang bij dit bestemmingsplan is dit plan in ieder geval ter vooroverleg toegestuurd aan ProRail, Waterschap De Dommel, provincie Noord-Brabant en de Veiligheidsregio Brabant-Noord. 5.2.2. Zienswijzenprocedure Het ontwerpbestemmingsplan is gedurende zes weken ter inzage gelegd na voorafgaande publicatie in het Gemeenteblad en het Klaverblad. Gedurende de periode van terinzagelegging is het ontwerpbestemmingsplan digitaal raadpleegbaar geweest op de websites www.vught.nl en www.ruimtelijkeplannen.nl. Daarnaast is het plan analoog raadpleegbaar geweest bij de ontvangst- en informatiebalie van het gemeentekantoor, Secretaris van Rooijstraat 1 te Vught. Tijdens de periode van terinzagelegging had een ieder de mogelijkheid zijn of haar zienswijzen op het plan kenbaar te maken. Alleen waterschap De Dommel heeft van deze gelegenheid gebruikt gemaakt. De zienswijze leidt tot enkele aanpassingen van de toelichting en regels van dit bestemmingsplan.

Kortheidshalve wordt voor de inhoud van de zienswijze, de beantwoording ervan en de gevolgen voor dit bestemmingsplan verwezen naar de Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen, die als bijlage 12 bij deze toelichting is gevoegd.

54

Hoofdstuk 6.

Juridische planbeschrijving

6.1. Onderdelen bestemmingsplan

Het bestemmingsplan “NSW Landgoed De Groensche Hoeven, herziening 2022” is een bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels, en gaat vergezeld van een toelichting. Voorliggend document vormt de toelichting bij het bestemmingsplan “NSW Landgoed De Groensche Hoeven, herziening 2022”. Dit bestemmingsplan heeft een uniek en eigen identificatienummer, namelijk NL.IMRO.0865.bgBPHerzGrnschhv-VG01.

6.2. Toelichting op de verbeelding In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan op een topografische ondergrond getekend. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in het renvooi. Opgemerkt wordt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen omdat de manier van raadplegen verschillend is. De digitale verbeelding is juridisch bindend.

6.3. Toelichting op de regels De bestemmingsplanregels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De bestemmingsplanregels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: a. Inleidende regels b. Bestemmingsregels c. Algemene regels d. Overgangs- en slotregels. 6.3.1. Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels, die bestaan uit de begrippen en de wijze van meten. Artikel 1. Begrippen In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

55

Artikel 2. Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. 6.3.2. Bestemmingsregels In hoofdstuk 2 worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en voor welke doeleinden de in die bestemmingen opgenomen gronden en gebouwen mogen worden gebruikt. Daarnaast zijn per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Bij de totstandkoming van regels van voorliggend plan zijn de regels uit het bestemmingsplan “NSW Landgoed De Groensche Hoeven” zoveel mogelijk overgenomen. Het bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Artikel 3. Bos Deze bestemming is opgenomen voor zowel het bestaande als het nieuw aan te leggen bos. Omdat de geluidwal langs de spoorlijn bebost zal worden, is deze wal binnen deze bestemming opgenomen. Binnen deze bestemming mag niet worden gebouwd. Binnen de bestemming mag het verloop van de waterlijn van de nieuwe plas nader worden gedetailleerd. Artikel 4. Groen Deze bestemming is opgenomen voor het realiseren van groen tussen de diverse woonpercelen. Hier wordt groen gerealiseerd in een parkachtige setting.

Met het realiseren van dit groen wordt een bijdrage geleverd aan de ontwikkeling en instandhouding van de aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige, waterhuishoudkundige, ecologische en abiotische waarden. De bestaande lanen bepalen de hoofdstructuur van het nieuwe landgoed en vertegenwoordigen reeds in de bestaande situatie een hoge landschappelijke waarde. Daarom zijn deze lanen specifiek aangeduid en daarmee beschermd. Ten slotte ligt de 'doorgaande' fietsroute tussen de Kettingweg en Halsebroek deels binnen deze bestemming, waarna deze verder doorloopt binnen de bestemming 'Verkeer'. Binnen de groenbestemming is geen bebouwing toegestaan, behoudens het bestaande oude bakhuis. Ter bescherming van de hoge landschappelijke waarde geldt binnen deze bestemming een omgevingsvergunningstelsel voor werken en werkzaamheden. Artikel 5. Natuur Deze bestemming is opgenomen voor de aanleg en bescherming van natuur. Vanwege de ecologische en esthetische aspecten is binnen deze bestemming geen bebossing toegestaan. Ook mag binnen deze bestemming niet worden gebouwd. Binnen de bestemming is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen ter bescherming van de natuurwaarden. Artikel 6.

Verkeer De bestemming 'Verkeer' omvat de ontsluiting van alle woningen voor het autoverkeer alsmede de 'doorgaande' fietsroute tussen de Kettingweg en Halsebroek, voor zover gelegen binnen het plangebied. Deze fietsroute loopt overigens verder door binnen de bestemming 'Groen'.

56

Artikel 7. Water In deze bestemming zijn de nieuwe waterplas, nieuw moerasgebied en de A-watergang van het waterschap De Dommel vervat. De A-watergang volgt onveranderd het huidige verloop. De keur van het waterschap De Dommel is daarop van toepassing. Artikel 8. Wonen - 3 Deze bestemming is opgenomen voor de nieuw op te richten woningen. Er zijn meerdere woonbestemmingen opgenomen waarbinnen steeds het aantal woningen is toegestaan dat op de verbeelding is aangeduid. Voor de meest vlakken gaat het om twee woningen, behalve op de plaats waar het landhuis is voorzien. Daar is maximaal één woning toegestaan. In de bestemmingsomschrijving is bepaald voor welke functies deze gronden mogen worden gebruikt. Dat is primair voor wonen in woningen, een bed-and-breakfast als ondergeschikte functie aan de woning en voor de instandhouding van het landgoed als geheel. Tevens zijn daarbij behorende voorzieningen toegestaan, zoals tuinen, erven en terreinen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Binnen de bestemming mag het verloop van de waterlijn nader vormgegeven worden. Een beroep aan huis of een bedrijf aan huis is onder voorwaarden toegestaan. In de bouwregels is bepaald dat hoofdgebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak mogen worden opgericht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=7f079784-11f3-415c-9f59-6ae422c45904