CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Toelichting

Raadsvergadering 6 februari 2025, gemeente VughtBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Crematorium Zorgpark Voorburg17.844 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Groen dat op wijkniveau bepalend is voor het gebruik en de uitstraling van de woon- en werkomgeving is opgenomen als beeldbepalend groen. De statustoekenning van ieder groenelement is daarbij medebepalend voor de inrichting en de ontwikkelingen die de gemeente toe staat. Het zorgpark Voorburg waar de locatie deel van uitmaakt is beschreven als structuurbepalend groen. Dit zijn groenobjecten die een samenhangende en waardevolle groenstructuur vormen die van belang is voor de gehele gemeente Vught. Het uitgangspunt daarvoor is behoud van het aanwezige groen en waar nodig versterking ervan; aantasting van de structuur moet zoveel mogelijk voorkomen worden (alleen mogelijk met zwaarwegende argumenten). Ten behoeve van de herontwikkeling van Zorgpark Voorburg is door de Reinier van Arkel Groep in 2018 een bomeninventarisatie gemaakt van het gehele grondgebied van het zorgpark. In de onderstaande figuur is een uitsnede weergegeven van de locatiekaart met alle geïnventariseerde bomen. Bomen in de directe omgeving die niet zijn meegenomen in de inventarisatie, zijn hierop ook aangegeven.

Ontwerpbestemmingsplan Crematorium Zorgpark Voorburg - Definitief D1.1

Pagina 22 van 56

figuur 8.

Uitsnede locatiekaart bomeninventarisatie Zorgpark Voorburg. De geel gearceerde codes geven de geïnventariseerde bomen weer; grijze stippen geven bomen buiten het plangebied weer. Het plangebied is globaal met stippellijn aangegeven.

Uit de figuur blijkt dat er binnen het plangebied geen bomen zijn ingemeten. Het crematorium wordt gerealiseerd in een open plek in het groen en tast geen waardevolle groenstructuur aan. Wel is er opgaand groen aanwezig (struiken, bosschages etc.), dat deels zal moeten wijken voor de realisatie van de opstallen en terreinverhardingen (voor parkeren). Indien blijkt dat er toch bomen geamoveerd dienen te worden ten behoeve van de realisatie (bijvoorbeeld voor de inrichting van het parkeerterrein of voor de toegang) dan worden deze op eigen terrein gecompenseerd.

3.3.4

PARKEERBELEID EN PARKEERNORMEN 2013-2022

Het parkeerbeleid en parkeernormen 2013-2022 is op 7 februari 2013 vastgesteld. en geeft richting aan de wijze waarop de (beperkte) parkeerruimte in de gemeente Vught te verdelen is en de wijze waarop in de parkeerbehoefte (auto en fiets) te voorzien is. Daarbij wordt rekening gehouden met leefbaarheid, veiligheid en de kwaliteit van de openbare ruimte. Bij nieuwe ontwikkelingen waarbij sprake is van functiewijziging of -toevoeging moet met dit beleid rekening gehouden worden en dient de parkeerbehoefte inzichtelijk gemaakt te worden. Dit is gedaan in paragraaf 4.11.

3.3.5

WELSTANDSNOTA

In 2016 is de welstandsnota van de gemeente Vught vastgesteld. Voor verschillende gebieden in de gemeente is het welstandsniveau bepaald. Voor het plangebied geldt categorie welstandsniveau 3, hiervoor gelden geen beoordelingscriteria.

Ontwerpbestemmingsplan Crematorium Zorgpark Voorburg - Definitief D1.1

Pagina 23 van 56

figuur 9.

3.3.6

Uitsnede kaart welstandsnota.

MASTERPLAN ZORGPARK

Voor het Zorgpark Voorburg is een masterplan, een landschappelijk raamwerk, opgesteld door Buro Lubbers. Een rode draad in het Masterplan is de relatie tussen het park en de directe omgeving. Een deel van het park wordt toegankelijker gemaakt als openbaar park. Voorzieningen die een reikwijdte buiten het Zorgpark hebben (zwembad, sportvelden, dierenweide, gymzalen en horeca) en de behandelinstellingen waar cliënten voor een beperkte periode worden opgenomen of poliklinisch worden behandeld staan in dit openbare park centraal. Voor een ander deel van de cliënten van Voorburg, waarvoor de samenleving een bedreiging kan vormen, biedt het park een beschermende omgeving met meer privacy (het zogenaamd opengesteld landgoed) Het conceptuele onderscheid tussen een openbaar park en opengesteld landgoed, alsmede de landgoedachtige setting van het Zorgpark, vormen de basis van het masterplan. Het masterplan definieert een landschappelijk raamwerk waarbinnen op korte, middellange en lange termijn verschillende stedenbouwkundige ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. Daarnaast wordt in het Masterplan de landschappelijke basiskwaliteit vastgelegd. Omdat de openbare ruimte met zijn krachtige groenstructuur het park draagt, blijft de landschappelijke kwaliteit overeind als er ontwikkelingen plaats vinden.

Het landschap, bestaande uit lanen velden, water, randen, schakels en parkzones, draagt de verschillende deelgebieden. Daarvoor worden sommige van de bestaande landschappelijke elementen van het raamwerk versterkt, bijvoorbeeld door de oude beuken- en eikenlanen uit te breiden met wandelpaden. In contrast met de lanen zorgt een aantal open en lege velden voor een gevoel van schaal en ruimte in het park. Soms zijn nieuwe landschappelijke elementen toegevoegd, zoals de waterpartij aan de Parklaan. De belangrijkste dragers van het landschappelijk raamwerk zijn de drie hoofdassen: voorzieningenas, woonas en de verbindingsas. Elke as krijgt zijn eigen identiteit gebaseerd op de situering van de as op het landgoed. Het plangebied ligt in de nabijheid van de woonas. De woonas heeft het karakter van een laan en begint bij Villa Voorburg, loopt langs historische monumentale bebouwing en eindigt bij de historische boerderijbebouwing. Het heeft de kwaliteit van een landgoed.

Ontwerpbestemmingsplan Crematorium Zorgpark Voorburg - Definitief D1.1

Pagina 24 van 56

figuur 10.

3.3.7

Masterplan Zorgpark Voorburg.

CONCLUSIE

Het planvoornemen is passend binnen de gemeentelijke structuurvisie, masterplan en welstandsnota door de realisatie van een maatschappelijke voorziening op het Zorgpark welke landschappelijk wordt ingepast. Er gelden geen beoordelingscriteria gezien vanuit welstand. Het gemeentelijk beleid staat een realisatie van het planvoornemen niet in de weg.

Ontwerpbestemmingsplan Crematorium Zorgpark Voorburg - Definitief D1.1

Pagina 25 van 56

4

Omgevingsaspecten

4.1

Archeologische en cultuurhistorische waarden

4.1.1

ARCHEOLOGIE

Door bureau Transect is in april 2018 een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Vanuit het bestemmingsplan Voorburg en omgeving (2014) heeft het plangebied een archeologische waarde (‘dubbelbestemming waarde-archeologie’). De archeologische waarde kan in het kader van de bouw van het crematorium worden aangetast, gezien de omvang van de voorgenomen bodem ingrepen. Om deze reden is het archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het rapport is bijgesloten in Bijlage 2. Conclusie Op basis van het veldonderzoek is vastgesteld dat het plangebied oorspronkelijk in een vlakte van verspoelde dekzanden lag. De lage ligging zorgde ervoor dat het gebied altijd nat is geweest. Dit blijkt uit de vondst van beekeerdgronden, waarbij roestvlekken tot in de humeuze bovengrond en zelfs daarboven nog reikten. Deze omstandigheden bieden hierdoor doorgaans geen bewoningsmogelijkheden voor (pre-)historische samenlevingen. In de omgeving waren daarbij betere plaatsen aanwezig, zoals de dekzandruggen ten oosten en noordwesten van het plangebied. Tevens is op verschillende plekken de humeuze bovengrond doorwoeld, getuige het voorkomen van baksteen. De top van het dekzand is hierbij aangetast, waardoor eventuele archeologische resten (uit met name de steentijden, toen het landschap relatief iets droger was) zullen zijn aangetast.

Zodoende is voor wat betreft de periode Laat-Paleolithicum-Late Middeleeuwen een lage archeologische verwachting toegekend. Op het dekzand ligt een pakket ophogingsmateriaal. Dit dateert vermoedelijk op zijn vroegst in de 18e eeuw, toen het gebied als tuin is ingericht. Historische bebouwing heeft hier niet gestaan, vanwaar voor wat betreft de Nieuwe tijd voor het voorkomen van nederzettingsresten een lage archeologische verwachting geldt. Wat betreft sporen van landgebruik is theoretisch gezien nog wel een kans aanwezig, maar het geraadpleegde kaartmateriaal laat niet specifieke tuininrichtingen zien die als relevant zijn aan te merken (zoals Franse of Engelse tuininrichtingen met paden, zoals bij sommige oudere landgoederen het geval was). Tevens is de top van de bodemopbouw in het gebied omgewerkt tot een diepte van 50 cm, waarbij eventueel aanwezige sporen van landgebruik ook zullen zijn aangetast. Daarom wordt voorgesteld ook de verwachting op resten van tuininrichting naar laag bij te stellen. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is aan het plangebied een lage archeologische verwachting toegekend. Daarom zijn voor dit gebied geen vervolgmaatregelen geformuleerd.

Mochten onverhoopt tijdens de uitvoering van de werkzaamheden toch waardevolle archeologische resten gevonden worden, geldt conform de Erfgoedwet 2016 (artikel 5.10 en 5.11) een wettelijke meldingsplicht van de resten bij de gemeente Vught (als bevoegde overheid). Ter bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden is de archeologische dubbelbestemming uit het vigerende bestemmingsplan wel overgenomen in voorliggend bestemmingsplan.

4.1.2

CULTUURHISTORIE

Bureau BAAC heeft in 2020 een cultuurhistorisch onderzoek gedaan naar aanwezige cultuurhistorische waarden, objecten en gebieden in het gehele Zorgpark Voorburg. Bijlage 3 bevat dit onderzoek. Uit het onderzoek blijkt dat de locatie Eikeven, waar onderhavig plan op toeziet, in het verleden de functie van moestuin had voor het Zorgpark. Daarmee is de locatie een separaat onderdeel binnen het totale park. Eventuele waardevolle elementen vanuit deze moestuin zijn inmiddels echter volledig verdwenen. Met het initiatief worden er dan ook geen waardevolle cultuurhistorische elementen geraakt. Doordat het initiatief globaal dezelfde locatie en omvang van de voormalige moestuin heeft, blijft deze ‘ruimtelijke kamer’ in het totale zorglandschap nog steeds herkenbaar.

Ontwerpbestemmingsplan Crematorium Zorgpark Voorburg - Definitief D1.1

Pagina 26 van 56

4.2

Bedrijven en milieuzonering

AGEL adviseurs heeft in juni 2018 een quickscan bedrijven-en milieuzonering uitgevoerd. Het rapport is als 0 bijgesloten. Uitgangspunten en bevindingen van dit onderzoek zijn nog van toepassing op het huidige plan. Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen milieuhinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies (zoals woningen, scholen en zorginstellingen). In de handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. Conclusie Het plangebied ligt in een gebied waar verschillende maatschappelijke (zorg gerelateerde) functies aanwezig zijn. Daarnaast is direct ten oosten van het plangebied de Rijksweg A2 aanwezig. Om die reden is de omgeving van het plangebied is te beschouwen als ‘gemengd gebied’. Een crematorium is in de VNG-handreiking aangeduid als een inrichting met milieucategorie 3.2. Rekening houdend met een gebiedstypering van ‘gemengd gebied’ wordt een gereduceerde richtafstand van 50 meter vanaf de inrichtingsgrens aangehouden.

In onderstaande afbeelding is de gereduceerde richtafstand weergegeven en de omliggende functies, waarbij de omliggende functies zijn benoemd. Het bouwvlak uit het bestemmingsplan is paars weergegeven, het totale bestemmingsvlak van de bestemming Maatschappelijk is oranje weergegeven. Rondom deze vlakken is contour van 50 m aangegeven.

gezondheidszorg

bijeenkomst / kantoor

bijeenkomst / kantoor

bijeenkomst / kantoor

figuur 11.

wonen

Weergave gereduceerde richtafstand crematorium en omliggende functies. Het oranje vlak geeft het bestemmingsvlak weer, het paarse vlak is het bouwvlak. Rondom zijn in paars en oranje de relevante 50 m contouren weergegeven. Bij omliggende objecten is de functie aangegeven.

De richtafstand, gemeten vanaf het plangebied, is niet over een (beperkt) gevoelige functies gelegen. Het aspect bedrijven en milieuzonering levert geen belemmering op voor de realisatie van het planvoornemen.

Ontwerpbestemmingsplan Crematorium Zorgpark Voorburg - Definitief D1.1

Pagina 27 van 56

4.3

Bodem

AGEL adviseurs heeft in juni 2018 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 5 bijgesloten. De aanleiding voor het uitvoeren van het bodemonderzoek vormt de bestemmingsplanwijziging op de locatie. In het kader hiervan is inzicht gewenst in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Conclusie Op basis van de resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek wordt geconcludeerd: • Bij de uitvoering van het veldwerk zijn bijmengingen met baksteen waargenomen. De bijmenging bevat een homogene samenstelling van bakstenen en is van eenduidige aard en is niet gerelateerd aan verdacht asbestmateriaal. Daarnaast zijn er tijdens de maaiveldinspectie geen concrete aanwijzingen voor potentieel bodembelastende activiteiten en/of waaruit blijkt dat in of op de bodem substantiële hoeveelheden ''verdacht'' puin en/of asbesthoudend materiaal aanwezig is. • In de bovengrond is maximaal een licht verhoogd gehalte aangetoond met lood en zink. In de ondergrond is maximaal een licht verhoogd gehalte aangetoond met kwik, lood en zink. De aangetoonde gehalten zijn overeenkomstig de gebiedseigen kwaliteit. • Onder de klinkerverharding ten oosten van de terreinverharding is een puinfundering aangebracht wat bestaat uit menggranulaat. Het is niet bekend of van het toegepaste granulaat een kwaliteitscertificaat beschikbaar is.

In dit menggranulaat is analytisch geen asbest aangetoond. Opgemerkt wordt dat het menggranulaat niet volwaardig is onderzocht overeenkomstig NEN 5897. • In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan cadmium, koper, nikkel en zink aangetoond. Een bron voor de licht verhoogde concentraties is niet bekend. Zware metalen wordt regionaal vaker zonder aanwijsbare bron in het grondwater aangetoond. Mogelijk betreft het een licht verhoogde achtergrondwaarde • Middels het verkennend bodemonderzoek is de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in voldoende mate vastgesteld. De resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek geven geen aanleiding voor het verrichten van een nader bodemonderzoek. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt redelijkerwijs geen bezwaren met betrekking tot de voorgenomen bestemmingsplanwijziging te verwachten.

4.4

Flora en fauna

4.4.1

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA

Ekoza ecologisch advies heeft in maart 2018 een flora en fauna onderzoek uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 6 bijgesloten. In het rapport zijn de resultaten van de quickscan beschreven. Het betreft een beoordeling van de huidige en potentiële aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren op de onderzoekslocatie en de te verwachten effecten van de voorgenomen ingreep op beschermde soorten en gebieden. Navolgend zijn de conclusies weergegeven. Gebiedsbescherming Natura 2000 Er zijn mogelijk negatieve effecten, dan wel significant negatieve effecten te verwachten door stikstofdepositie op nabij gelegen Natura 2000-gebieden. Hiervoor dient een berekening met het rekenmodel Aerius te worden uitgevoerd. In paragraaf 4.5 is het onderzoek naar het aspect stikstof, waarvoor de Aerius tool is gehanteerd, opgenomen. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten de grenzen van Natuurnetwerk Nederland en Natuurnetwerk Brabant, waardoor er geen effecten op de kernkwaliteiten van het gebied zijn. Soortbescherming Grondgebonden zoogdieren Het is niet uit te sluiten dat de bunzing, wezel en eekhoorn verblijfplaatsen binnen het plangebied hebben of dat het plangebied onderdeel is van het leefgebied van deze soorten. De voorgenomen werkzaamheden kunnen een negatief effect opleveren voor grondgebonden zoogdieren als deze hier voorkomen. Nader onderzoek is daarom

Ontwerpbestemmingsplan Crematorium Zorgpark Voorburg - Definitief D1.1

Pagina 28 van 56

noodzakelijk. Dit onderzoek kan uitgevoerd worden in de periode van maart tot en met augustus doormiddel van cameravallen, marterbox, sporenbuis en/of nestkast. Vleermuizen Er zijn mogelijkheden voor verblijfplaatsen in het plangebied voor vleermuizen. Nader onderzoek moet uitwijzen of er daadwerkelijk vleermuizen verblijven. Vleermuisonderzoek wordt uitgevoerd conform het vleermuisprotocol van het Netwerk Groene Bureaus en bestaat uit veldonderzoeken in de periode half mei tot en met half juli en 2 veldbezoeken in de periode half augustus tot en met september. Er is geen essentiële vliegroute aanwezig en het plangebied fungeert niet als essentieel foerageergebied. Vogels Het is niet uit te sluiten dat er vogels met jaarrond beschermde nesten in het plangebied nestelen. Onderzoek naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is noodzakelijk. Hiervoor zijn 2 tot 4 veldbezoeken benodigd in de periode maart tot en met half mei. Reptielen, amfibieën en vissen Geschikt habitat om te rusten, zich voort te planten of te overwinteren is voor beschermde reptielen, amfibieën en vissen in het plangebied niet aanwezig. De greppels/watergangen liggen buiten het plangebied. De ontwikkeling heeft hier dus geen invloed op. Habitat/leefgebied wordt niet aangetast. De habitat wordt wel vergroot in de nieuwe situatie. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig.

Flora In het plangebied zijn geen beschermde planten te verwachten. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Ongewervelden In het plangebied worden geen beschermde ongewervelden verwacht. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Houtopstanden De te kappen bomen vallen buiten de bescherming van houtopstanden. Meld- en herplantplicht is hierbij dus niet van toepassing. Een omgevingsvergunning is waarschijnlijk wel nodig. Subconclusie Aanvullend onderzoek naar grondgebonden zoogdieren (bunzing, wezel en eekhoorn), vleermuizen en vogels is uitgevoerd en wordt toegelicht in paragraaf 4.4.2. De andere onderzochte aspecten in de quickscan staan een realisatie van het planvoornemen niet in de weg. In het gebied staan redelijk wat bomen. Het gros van de bomen bestaat uit sparren. Gemeente geeft aan dat dit geen problemen opleveren met betrekking tot de vergunning. Een aanvullende bomenschouw is niet nodig. Het aspect stikstof wordt in paragraaf 4.5 behandeld.

4.4.2

NADER ONDERZOEK ECOLOGIE

Ekoza ecologisch advies heeft in oktober 2018 een nader flora en fauna onderzoek uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 7 bijgesloten. Uit de quickscan flora en fauna is naar voren gekomen dat er mogelijk roofvogels, eekhoorns en kleine marters (bunzing en wezel) in het sparrenbos aanwezig kunnen zijn. Daarnaast kunnen vleermuizen in de aanwezige gebouwen verblijven. Om te bepalen of beschermde soorten aanwezig zijn en gebruik maken van het sparrenbos en de twee bebouwingen is het nader onderzoek noodzakelijk. Roofvogel In het plangebied is geen actief jaarrond beschermd nest aanwezig. Het plangebied wordt gebruikt om te foerageren, maar betreft geen essentieel leefgebied voor roofvogels. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig.

Ontwerpbestemmingsplan Crematorium Zorgpark Voorburg - Definitief D1.1

Pagina 29 van 56

In de bomen en struiken kunnen vogels in het broedseizoen broeden. Actieve nesten mogen niet aangetast worden in broedtijd. Kap van bomen en verwijdering van struiken dient voor het broedseizoen (half maart) plaats te vinden om te voorkomen dat vogels zich erin nestelen. Indien dit niet voor het broedseizoen plaats kan vinden, moeten de bomen en struiken voor verwijdering onderzocht worden op aanwezigheid van actieve nesten. Kleine marters Door de voorgenomen werkzaamheden zal een deel van essentieel leefgebied voor bunzing en steenmarter verdwijnen. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is daarom nodig. Hiervoor zullen mitigerende maatregelen getroffen worden en wordt een projectplan (zie paragraaf 4.4.3). Het is onwaarschijnlijk dat de steenmarters een verblijfplaats in de twee gebouwen binnen het plangebied hebben omdat deze geen gaten of holen hebben waar de steenmarters binnen kunnen gaan. De ree, vos en bosmuis zijn in Noord-Brabant vrijgestelde soorten. Hiervoor moet rekening gehouden worden met de zorgplicht. In dit geval houdt dit in de deze dieren niet opzettelijk mogen worden gedood. Er is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming voor de ree, vos en bosmuis nodig. Vleermuizen De voorgenomen werkzaamheden kunnen een negatief effect hebben op vleermuizen.

Er zijn 2 zomerverblijven en 1 paarverblijf van de gewone dwergvleermuis in het plangebied aanwezig. Voor beide gebouwen worden mitigerende maatregelen genomen voorafgaand aan de sloop. Voor de sloop is een ontheffing van de Wet natuurbescherming en een ecologische werkprotocol nodig. Het plangebied wordt door vleermuizen gebruikt om te foerageren. Het betreft echter geen essentieel foerageergebied. Het gaat hier om enkele dieren en de omgeving biedt meer dan genoeg geschikt foerageergebied voor vleermuizen. Een negatief effect op foeragerende vleermuizen wordt uitgesloten. Eekhoorns Er zijn 2 eekhoornnesten in het plangebied aanwezig. Daarnaast gebruikt de eekhoorn het plangebied om te foerageren en te schuilen. Het plangebied is onderdeel van essentieel leefgebied voor de eekhoorn. Voor het uitvoeren van de werkzaamheden is een ontheffing van de Wet natuurbescherming (zie 4.4.3) en een ecologisch werkprotocol nodig.

4.4.3

ACTIVITEITENPLAN

Omdat voor de voorgenomen werkzaamheden een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig is, is er door Ekoza een activiteitenplan opgesteld. Deze is bijgevoegd als Bijlage 8. In het activiteitenplan is nog uitgegaan van het ruimtelijk ontwerp zoals dit is opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan. Het nu voorliggende ontwerp is gewijzigd, maar dit heeft geen significante effecten op de gevolgen voor beschermde soorten. Met een geactualiseerd activiteitenplan zal voor start van de werkzaamheden de Wnb-ontheffing worden aangevraagd. Voor onderhavig ontwerpbestemmingsplan kan op basis van het bijgevoegde activiteitenplan en de gebruikte ecologische onderzoeken worden geconcludeerd dat een Wnb-ontheffing kan worden verkregen en dat dit bestemmingsplan derhalve uitvoerbaar is.

4.5

Stikstof

Bureo DB adviseurs heeft in juli 2023 de stikstofdepositie ten gevolge van de realisatie van het planvoornemen onderzocht. Het rapport is als Bijlage 9 bijgesloten. Vanaf 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming (Wnb) en is gericht op de bescherming van Natura 2000-gebieden ten behoeve van beschermde planten- en diersoorten en houtopstanden. Op grond van artikel 2.7, tweede lid, Wnb is vastgelegd dat het verboden is zonder vergunning van gedeputeerde staten van de provincie een project te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Samengevat betekent dat wanneer een plan gevolgen heeft voor het gebied, maar de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied niet in gevaar brengt, significante gevolgen zijn uitgesloten. Voor het uitvoeren van berekeningen stikstofdepositie is de AERIUS Calculator de voorgeschreven rekenmodule. De nieuwste versie '2022.2' dateert van 6 juli 2023. Voor plannen en projecten die mogelijk invloed kunnen

Ontwerpbestemmingsplan Crematorium Zorgpark Voorburg - Definitief D1.1

Pagina 30 van 56

hebben op de stikstofdepositie bij natuurgebieden dient onderzoek te worden verricht met behulp van deze AERIUS Calculator. Algemeen geldt dat als een plan niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie het zonder vergunning kan worden uitgevoerd. In geval van een verwachte toename van de stikstofdepositie dient een vergunning op grond van de Wet Natuurbescherming te worden aangevraagd, waarbij mogelijke maatregelen dienen te worden beschouwd en getoetst. Resumerend, bij uitvoering van de voortoets stikstofdepositie geldt als norm de waarde van 0,00 mol/ha/jaar. Voor het plan crematorium Eikenven in Vught is onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten uitstoot en depositie van stikstof van de planlocatie. Daarbij zijn de aanlegfase (de bouwperiode) en de gebruiksfase (periode na realisatie plan) beschouwd en beoordeeld. De emissiebronnen van de aanlegfase zijn in de AERIUS Calculator ingevoerd. Door AERIUS is voor alle in Nederland aanwezige Natura 2000-gebieden de depositie van stikstof door het plan berekend. Het gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek is het nabijgelegen natuurgebied. Omdat het nieuwe uitvaartcentrum met crematorium niet worden aangesloten op het gasnet, zal tijdens de gebruiksfase geen sprake zijn van uitstoot van stikstof als gevolg van de verwarming van het uitvaartcentrum. Verwarming en verkoeling wordt elektrisch uitgevoerd.

Het crematorium zal worden voorzien van een elektrische crematieoven. Alleen de verkeersgeneratie leidt derhalve tot stikstofemissies in de gebruiksfase. De emissiebronnen van de gebruiksfase zijn ook in de AERIUS Calculator ingevoerd. Ook voor de gebruiksfase zijn de berekeningen uitgevoerd voor alle in Nederland aanwezige Natura 2000-gebieden. Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie kan worden gesteld dat het plan zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase niet leidt tot nadelige effecten van stikstofdepositie op Natura 2000- gebieden. Hiermee kan worden geconcludeerd dat de beoogde situatie in de aanlegfase en de gebruiksfase geen significant nadelige gevolgen veroorzaakt met betrekking tot het aspect verzuring op Natura 2000-gebieden. Uit de voortoets blijkt dat voor het plan geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig is.

4.6

Geluid

De realisatie van het uitvaartcentrum met crematorium betreft geen realisatie van geluidgevoelige functie. Uit het oogpunt van de Wet geluidhinder is dan ook geen onderzoek noodzakelijk. Er is ook geen sprake van geluidhinder ten gevolge van de realisatie van het planvoornemen op omliggende functies. In paragraaf 4.2 is toegelicht dat ter plaatste van het plangebied wordt voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Derhalve is er geen geluidsonderzoek uitgevoerd.

4.7

Externe veiligheid

Door AGEL adviseurs is in juni 2018 onderzoek gedaan naar de hoogte van het groepsrisico voor de transportroute A2. Het rapport is als Bijlage 10 bijgevoegd. Uitgangspunten en bevindingen van dit onderzoek zijn nog van toepassing op het huidige plan. De oostgrens van het plangebied is gelegen op een afstand van circa 20 meter uit de buitenrand van de snelweg A2. Over deze snelweg vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Door de realisatie van een nieuw crematorium neemt het aandeel personen in het invloedsgebied van deze transportroute toe, waardoor het aspect externe veiligheid van belang is met betrekking tot de haalbaarheid van de realisatie van het nieuwe crematorium. In onderstaande afbeelding een deel van de risicokaart weergegeven van de woonplaats Vught. De ligging van de onderzoekslocatie voor de vestiging van het crematorium is rood gemarkeerd aangegeven. Daarnaast is de transportroute A2 aangegeven. Andere risicobronnen, waaronder de spoorlijn ten oosten van het plangebied, zijn op voldoende afstand van het plangebied gelegen.

Ontwerpbestemmingsplan Crematorium Zorgpark Voorburg - Definitief D1.1

Pagina 31 van 56

figuur 12.

Uitsnede risicokaart externe veiligheid.

Het doel van het onderzoek was het in beeld brengen van de hoogte van het groepsrisico van de nabijgelegen snelweg A2. Het veiligheidsbeleid voor transportroutes is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Conclusie Binnen het plangebied wordt een crematorium gevestigd met een capaciteit van 250 zitplaatsen. Het aantal aanwezige medewerkers bedraagt maximaal 5. In het rekenmodel is gebruik gemaakt van de vervoerscijfers uit de Regeling Basisnet en het populatiebestand uit de BAG populatieservice. Op basis van de gebruiksmogelijkheden is binnen het plangebied sprake van een toename van het aantal personen van 5 naar 255 personen. In de nachtperiode zijn geen personen aanwezig. Snelweg A2 Het plangebied ligt niet binnen de PR 10-6 contour. Op basis hiervan geeft het plaatsgebonden risico geen beperkingen aan de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Voor de snelweg A2 is geen plasbrandaandachtsgebied vastgesteld. Een verantwoording van een plasbrand is niet van toepassing. Uit de resultaten van de groepsrisicoberekeningen blijkt dat er sprake is van een toename van de hoogte van het groepsrisico. De hoogte van het groepsrisico neemt toe van 0,002 x OW voor de autonome situatie naar 0,055 x OW voor de nieuwe situatie. Hiermee wordt de oriëntatiewaarde 1 x OW ruim onderschreden..

Verantwoording groepsrisico Op basis van de onderzoeksresultaten kan gesteld worden dat er sprake is van een toename van de hoogte van het groepsrisico voor de maatgevende kilometer maar dat deze ruim gelegen is onder de oriëntatiewaarde (< 0,1 x OW) en dat op grond van artikel 8 lid 2a van het Bevt geen verantwoording van deze toename noodzakelijk is. Wel dient voldaan te worden aan de verantwoording van de aspecten zelfredzaamheid en bestrijding en beperking van rampen (zie voor de verantwoording Bijlage 9) en dient de gemeente Vught, als bevoegd gezag, en de Veiligheidsregio Brabant-Noord in staat te stellen om een advies uit te brengen. Advies vanuit de veiligheidsregio In het kader van externe veiligheid heeft de Brandweer Brabant-noord in 2021 advies uitgebracht op het voorontwerpbestemmingsplan en in 2023 bevestigd dat het oorspronkelijke advies ook op het nu voorliggende actuele

Ontwerpbestemmingsplan Crematorium Zorgpark Voorburg - Definitief D1.1

Pagina 32 van 56

ontwerp onverkort van toepassing is. In het advies geeft de Brandweer aandachtspunten mee voor de nadere (technische) uitontwikkeling van het plan: Uit de beoordeling t.a.v. de bestrijdbaarheid volgt dat het beste in gezet kan worden in het optimaliseren van de mate van zelfredzaamheid. Daarbij doet de Brandweer de volgende suggesties: • De gebouwen dienen goed geïsoleerd en afsluitbaar te zijn. Een centraal afsluitbaar ventilatiesysteem moet op eenvoudige wijze snel af gesloten kunnen worden. • Gebruik in de gevels gericht naar de A2 moeilijk- of niet brandbare constructiematerialen. • Vermijd of beperk het gebruik van grote glaspartijen in de gevels gericht naar de A2. Toegepast glas dient in ieder geval scherfvrij te zijn. Door het toepassen van explosiebestendig gordijnen kan het risico op rond vliegend glas beperkt worden. • Zowel interne als externe vluchtwegen moeten van de A2 afgekeerd lopen, Via de Laan van Voorburg kan van de A2 gevlucht worden. De aanleg van een 2e noodontsluiting naar de Kettingweg heeft een positieve invloed op de snelheid van ontruiming van het plangebied. • Er is sprake van twee verschillende handelingsperspectieven vluchten (BLEVE) en schuilen (giftige stof) De BHV organisatie dient zich hier terdege bewust van te zijn zodat zij op de juiste manier op een dreiging reageren.

Beide scenario's moeten in het noodplan worden opgenomen en in de training van de BHV-ers worden meegenomen. • Het hoofdontsluiting vindt plaats op de Boxtelseweg. Het plan voorziet in het handhaven van de ontsluiting aan de Laan van Voorburg voor langzaam verkeer. Deze route dient bij voorkeur beschikbaar te blijven als calamiteitenroute. Deze worden meegenomen in de technische uitwerking van het plan.

4.8

Niet gesprongen explosieven (NGE)

In 2012 is in opdracht van de gemeente Vught door REASeuro een historisch vooronderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van CE in de gemeente Vught. Uit de bijbehorende bodembelastingkaart blijkt dat het hele grondgebied van Vught is verdacht op geschutmunitie. Geadviseerd wordt een vooronderzoek naar mogelijk aanwezige Conventionele Explosieven (CE) uit te voeren. Dit staat de planologische uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan niet in de weg.

figuur 13.

CE-bodembelastingkaart gemeente Vught.

Ontwerpbestemmingsplan Crematorium Zorgpark Voorburg - Definitief D1.1

Pagina 33 van 56

4.9

Luchtkwaliteit

Het luchtkwaliteitonderzoek wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer (Wm). De titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. Een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is en bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren. Daarnaast zijn daarin alle ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. De meest van belangrijkste stoffen zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5). Naast de introductie van het NSL is het begrip ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 μg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen.

Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als: • de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; • de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-ontwikkeling; • de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; • projectsaldering wordt toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. In geval van onderhavig initiatief veroorzaakt alleen de verkeersgeneratie een mogelijke significante impact op luchtkwaliteit, omdat de oven elektrisch wordt uitgevoerd (resterende emissies blijven binnen normen van het Activiteitenbesluit en zijn daarmee direct toegestaan). Met de NIBM-tool is berekend wat de maximale bijdrage vanuit het extra verkeer kan zijn, zie figuur 14. Hieruit blijkt dat het voornemen niet in betekenende mate bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit.

figuur 14.

Resultaten NIBM-rekentool.

4.10 Water Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap De Dommel. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. • Wat schoon is moet schoon blijven

Ontwerpbestemmingsplan Crematorium Zorgpark Voorburg - Definitief D1.1

Pagina 34 van 56

Waterschap aspecten In het plangebied zelf zijn geen gecategoriseerde waterlopen gesitueerd. Wel wordt het plangebied omkaderd door categorie A en B -waterlopen . Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een grondwaterbeschermingsgebied, beschermd gebied wat is aangewezen als natte natuurparel, waterberging, keringen of peilbesluitgebied. Grondwater Conform de grondwatertrappen, bevindt de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) zich op 40 – 80 cm –mv. Uitgaande van een maaiveldhoogte van 5,10 m +NAP, ligt de GHG op maximaal 4,70 m +NAP. Verhard oppervlak Ten gevolge van het planvoornemen neemt het verhard oppervlak in het plangebied toe. In de toekomstige situatie is sprake van een totale verharding van 1.547 m² + 2.670 m² + 50%*698 m² = 4.566 m². In de bestaande situatie is eer een verhard oppervlak van 456 m² + 2.418 m² = 2.874 m². De toename in verharding bedraagt derhalve 1.692 m². Dit betekent dat de toename aan verhard oppervlak minder dan 2.000 m 2, waarmee er geen compensatieplicht is vanuit de Keur. De verdeling van de oppervlaktes in de huidige en toekomstige situatie zijn weergegeven in onderstaande tabel. Oppervlaktes Dakoppervlak Verharding Onverhard/groen Water Halfverharding Totaal tabel 1.

Bestaande situatie 456 m2 2.418 m2 8.668 m2 11.542 m2

Toekomst situatie 1.547 m2 2.670 m2 6.627 m2 1.266 m2 698 m2 11.542 m2

Overzicht oppervlakten.

Met betrekking tot hydrologisch neutraal ontwikkelen hebben de drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hun keuren geharmoniseerd tot de Keur 2015. Daarnaast zijn de algemene regels vastgelegd binnen de “Algemene regels waterschap De Dommel”. De beleidsregels aanvullend op de Keur zijn verder vastgelegd binnen de “Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater”. Aanvullend op de beleidsregel 13 is het stuk “Hydrologische uitgangspunten bij de keurregel voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen”. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. De grenswaarden waaraan getoetst wordt zijn; minder dan 500 m², tussen de 500 m² en 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Behandeling regenwater (RWA) Regenwater zal geborgen en geïnfiltreerd moeten worden op eigen terrein. De locatie dient namelijk hydrologisch neutraal ingericht te worden. Dit houdt in dat een neerslaggebeurtenis die eens in de honderd jaar voorkomt (T=100-bui) geborgen dient te worden. Het toekomstig oppervlak aan water binnen het plangebied (ca. 1.266 m2) is niet direct aangesloten op het open water. Deze zal worden afgeschermd door middel van een “overloop”.

Behandeling vuilwater (DWA) Conform tabel B1.4 uit de Leidraad Riolering B2100, bedraagt de maatgevende belasting afvalwater 15 L/h/persoon. Dit is een indicatieve waarde. Uitgaande van 5 medewerkers en 250 zitplaatsen, bedraagt de hoeveelheid afvalwater 3,83 m³/h. Het vuilwater vanuit het plangebied dient te worden aangesloten op een – eventueel aan te leggen – gemeentelijk rioolstelsel. De verdere uitwerking hiervan dient in samenspraak met de gemeente Vught te worden uitgevoerd. Ontwatering planlocatie en verdiept bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen, wordt gestreefd naar een bepaalde minimale ontwateringsdiepte bij de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). Zo hanteert de gemeente Vught voor bijvoorbeeld woningen met een kruipruimte een minimaal benodigde ontwateringsdiepte van +0,70 m ten opzichte van de maatgevende hoogste grondwaterstand. De maatgevende GHG-situatie bedraagt maximaal 4,70 m +N.A.P. met een bestaand maaiveldniveau ter plaatse van het plangebied van 5,10 m +N.A.P. Hiermee wordt er – uitgaande van deze extreme GHG-situatie – niet voldaan aan de minimale ontwateringsdiepte die gesteld wordt door de gemeente.

Ontwerpbestemmingsplan Crematorium Zorgpark Voorburg - Definitief D1.1

Pagina 35 van 56

Geadviseerd wordt om een peilbuis in het plangebied te plaatsen ten behoeve van grondwatermonitoring. Afhankelijk van deze nieuwe gegevens dient gecontroleerd te worden of er voldaan wordt aan de ontwateringseisen en of ophoging van het gebied of andere ontwateringsmiddelen noodzakelijk zijn om voldoende ontwatering te hebben. Compensatie in verband met verhardingstoename Het initiatief om een crematorium te realiseren op het zorgpark aan de Laan van Voorburg 3 te Vught zal zorgen voor een verhardingstoename. Deze ontwikkeling zal zorgen voor een verhardingstoename van 1.692 m². Het beleid van het Waterschap De Dommel was dat er geen compensatie vereist werd bij een verhardingstoename van minder dan 2.000 m². Dit is op 25 maart 2021 echter bijgesteld naar 500 m². Dit betekent dat er door deze bijstelling, compensatie moet plaatsvinden. Hieronder de berekening van deze compensatie. Voor toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en maximaal 10.000 m² geldt een rekenregel waarmee de vereiste compensatie voor een specifieke locatie berekend kan worden. De vereiste compensatie kan berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m²) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m³).

De kaart Algemene regel afvoer regenwater door verhard oppervlak 2015 geeft vervolgens aan of voor een specifieke locatie met minder compensatie volstaan kan worden. Deze kaart is gebaseerd op een combinatie van locatiespecifieke bodemkundige en hydrologische omstandigheden. Het plangebied heeft een gevoeligheidsfactor 1 (vermenigvuldigt de berekende compensatie met één) Dit geeft aan dat alleen met de volledige compensatie volstaan kan worden. De rekenregel luidt als volgt: Benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (in m²) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m) De toename van het verhard oppervlakte is 1.692 m2. Dit vereist een compensatie van 101,52 m³. In het plan wordt 1.266 m² nieuw water gerealiseerd. Dit zal fungeren als waterberging dat niet direct worden aangesloten op het open water, en als waterberging / infiltratie worden gebruikt. Hiermee wordt het water in het gebied vastgehouden. In het definitieve inrichtingsplan zal hiermee rekening worden gehouden. Ter borging is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de realisatie en instandhouding van de waterberging. Conclusie Het initiatief om een crematorium te realiseren op het zorgpark aan de Laan van Voorburg 3 te Vught zal zorgen voor een verhardingstoename van 1.692 m2. Er dient hier voor een compensatie te worden gerealiseerd van 101,52 m³.

Een deel van het water in het plangebied zal hiervoor worden gebruikt. Hiermee dient in het definitieve inrichtingsplan rekening gehouden te worden. Aan de Oost- en Zuidzijde van het terrein waarop het crematorium is gedacht loopt een A watergang met dam. De sloot langs de Noord en Westzijde is een B watergang. De enige verbinding tussen de twee is een “overloop” dam die ervoor zorgt dat het water hoofdzakelijk van B naar A stroomt. In het oude plan lopen beide in een grote aan te leggen vijver door elkaar heen. In overleg met het waterschap de Dommel, is besloten de NO gelegen vijver te spiegelen en de beide watergangen te verbinden met én een overloop dam aan de NO zijde én eentje aan de ZW zijde van het terrein. De twee aansluitingen van het terrein op de Boxtelseweg (eentje als dienstingang naar de kelder en eentje voor bezoekers hoeven geen bruggen te zijn maar kunnen uitgevoerd worden als duikers, waarbij aangemerkt dat het waterschap de twee aansluitingen liever gecombineerd ziet. (Onzerzijds zien we liever twee aansluitingen op de Boxtelseweg, maar het is mogelijk de inrit naar de kelder vanaf het eigen terrein (ZO-zijde gebouw) te ontwikkelen). Voor deze werkzaamheden een watervergunning aangevraagd worden.

Bij het uitwerken van de situatie zal zoveel mogelijk rekening worden gehouden met het obstakel vrij houden van de onderhoudsstrook langs de A watergang van 5 meter. Het vuilwater vanuit het plangebied dient te worden aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Om te voldoen aan de watertoets dient deze waterparagraaf formeel ter beoordeling te worden voorgelegd aan waterschap De Dommel voor een wateradvies. In vooroverleg met het waterschap de Dommel is besloten dat: Hemelwater afvoer gebouw • Ten aanzien van de afvoer van het hemelwater zoveel mogelijk wordt geloosd op het eigen terrein en de buffervijver, zodat het water zo lang mogelijk op het terrein blijft t.b.v. infiltratie etc. • De buffer capaciteit wordt in een later stadium doorgerekend conform de richtlijnen van het waterschap. • T.b.v. onderzoek naar de gemiddelde grondwaterstand is al in 2021 een peilbuis op het terrein geplaatst.

Ontwerpbestemmingsplan Crematorium Zorgpark Voorburg - Definitief D1.1

Pagina 36 van 56

Hemelwater afvoer terrein • Gestreefd wordt zo weinig mogelijk dichte bestrating toe te passen • Het hemelwater op het terrein te verspreiden en zo lang mogelijk vast te houden, waardoor de infiltratie maximaal is ( “elke druppel telt” ) • Ook hier volgen berekeningen in een later stadium.

4.11 Verkeer en parkeren Verkeer Door Buro DB is in juli 2023 een verkeersonderzoek uitgevoerd. Het rapport is in Bijlage 11 bijgesloten. Verkeersgeneratie Het nieuwe crematorium Eikenven genereert een bepaalde hoeveelheid verkeer. Dit plangebonden verkeer is nieuw ten opzichte van de bestaande situatie. In de bestaande situatie kent de planlocatie geen verkeersaantrekkende werking. De totale verkeersgeneratie van de planlocatie in planjaar 2033 is 81.410 autoritten per jaar. Dit komt neer op een gemiddelde van circa 268 autoritten per operationele dag. Dit is ruim 75 procent meer dan een berekening op basis van de voor crematoria beschikbare kencijfers van het CROW. Verkeerseffecten Na de komst van het crematorium neemt de verkeersintensiteit op de Boxtelseweg ten noorden van de planlocatie met maximaal (60 procent van 268 =) 161 motorvoertuigen per etmaal toe. Ten zuiden van de planlocatie gaat het naar verwachting om maximaal circa (40 procent van 268 =) 108 motorvoertuigen per etmaal. Deze verkeerstoename door het plan is daarmee zowel absoluut als relatief beperkt. Met de toename door het aan het crematorium gebonden verkeer op de Boxtelseweg wordt de capaciteit van de weg niet benaderd of overschreden. De goede verkeersafwikkeling en -veiligheid van de Boxtelseweg komen niet in het gedrang.

Indien de huidige etmaalintensiteit op de Boxtelseweg beperkt is tot (slechts) 2.000 motorvoertuigen per etmaal, dan ligt de maximale relatieve verkeerstoename nog onder de tien procent. Daarmee kan worden gesteld dat de verwachte verkeerstoename van het plan ook geen significante effecten heeft voor de leefbaarheid langs de Boxtelseweg. Uitgaande van het veelal maatgevende aspect geluidshinder, staat een verkeerstoename met circa tien procent gelijk aan een toename van de geluidsbelasting langs de weg van circa 0,4 dB. Dit is een voor de mens niet hoorbaar verschil. Ontsluiting plan Voor de nieuwe aansluiting van de planlocatie op de Boxtelseweg is een kruispuntberekening uitgevoerd. Hiermee is het effect van de aansluiting op de doorstroming en veiligheid van het verkeer op de Boxtelseweg en de nieuwe aansluiting beoordeeld. Op de nieuwe aansluiting van het plan is uitgegaan van circa 100 motorvoertuigen per uur, behorend bij een zeer druk bezochte plechtigheid, die van en naar de planlocatie rijden (worst case). Daarbij is, zoals hiervoor beschreven, uitgegaan van een 60/40-verdeling over respectievelijk het noordelijke en zuidelijke deel van de Boxtelseweg. Daarnaast is uitgegaan van de aanwezigheid van 100 fietsers per richting per uur op de Boxtelseweg.

Uit de resultaten van de uitgevoerde kruispuntberekeningen volgt dat de aansluiting van de planlocatie op de Boxtelseweg het verkeer in de plansituatie goed kan verwerken. De maximale wachttijd treedt op voor het verkeer vanaf de planlocatie richting Boxtelseweg en bedraagt 8 seconden. Ook dit is acceptabel. Op basis van deze bevindingen kan worden gesteld dat in theorie het kruispunt van de beoogde nieuwe ontsluitingsweg van het plan op de Boxtelseweg het verkeer goed kan afwikkelen. Naar verwachting zullen op de aansluiting en de Boxtelseweg geen knelpunten in de verkeersafwikkeling ontstaan. Ook de verkeersveiligheid is niet in het geding. Conclusie Het plan crematorium Eikenven in Vught leidt niet tot een verslechtering van de verkeersafwikkeling, verkeersveiligheid en leefbaarheid op of langs de Boxtelseweg. De nieuwe aansluiting van het plan kan het verkeer goed en veilig afwikkelen. Met het plan is sprake van goede ruimtelijke ordening. Voor de verkeersfunctie in het planontwerp zijn een aantal aandachtspunten meegegeven. Met inachtname van deze aandachtspunten, kan het plan vanuit het aspect verkeer worden gerealiseerd.

Ontwerpbestemmingsplan Crematorium Zorgpark Voorburg - Definitief D1.1

Pagina 37 van 56

Parkeren Volgens het planontwerp wordt voorzien in 88 parkeerplaatsen voor bezoekers van plechtigheden en 9 parkeerplaatsen voor het personeel. In de planinformatie is opgegeven dat per shift 8 personeelsleden werkzaam zijn. Het aantal van 9 parkeerplaatsen is daarmee voldoende. Volgens het CROW heeft een crematorium een parkeerbehoefte van maximaal 35,1 parkeerplaatsen per (deels gelijktijdige) plechtigheid. Daar wordt dus ruim aan voldaan. Het verwachte gemiddelde aantal bezoekers van crematorium Eikenven in het eerste jaar is 88 personen per plechtigheid. Naarmate de jaren vorderen neemt het gemiddelde aantal bezoekers per plechtigheid af. In een enkel geval kan het voorkomen dat de parkeercapaciteit van 88 parkeerplaatsen niet voldoende is voor alle bezoekers van een plechtigheid. Voor die bijzondere gevallen is er mogelijkheid tot het gebruik van de parkeergelegenheid van het naastgelegen Kloosterhotel ZIN. Met het Kloosterhotel zijn hier reeds de nodige afspraken gemaakt. Vanuit het aspect parkeren is in het plan voldoende ruimte beschikbaar/aanwezig om in de parkeerbehoefte van het uitvaartcentrum met crematorium te kunnen voorzien. Bij grote drukte is binnen acceptabele loopafstand extra parkeercapaciteit aanwezig. Problemen met de parkeersituatie worden niet voorzien.

Vanuit het aspect parkeren kan het plan zonder verdere maatregelen en/of voorzieningen worden gerealiseerd.

4.12 M.e.r. beoordeling Plannen en activiteiten kunnen nadelige gevolgen hebben voor het milieu. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is geregeld dat in zulke gevallen een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is plan m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Een bestemmingplan (of wijzigingsplan) kan plan m.e.r.-plichtig zijn. Dit is het geval als het plan kaders stelt voor latere m.e.r.-plichtige activiteiten en/of als voor het plan een passende beoordeling nodig is. Daarnaast kan een plan ook m.e.r.-plichtig zijn als er een concreet (bouw)plan ter uitvoering ligt. Per 7 juli 2017 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. Hierin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Een m.e.r.-procedure is noodzakelijk als een besluit wordt genomen over een activiteit waarbij belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De vraag of door voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen veroorzaakt kunnen worden, staat dan ook centraal bij het beoordelen of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. De Europese Unie heeft in de richtlijn m.e.r. aangegeven bij welke activiteiten er zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen.

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Het maakt daarvoor niet uit of het een activiteit onder of boven de D-drempel betreft. Voorafgaand aan de vergunningaanvraag of de ruimtelijke procedure dient een aparte beslissing te worden genomen dat geen MER nodig is. Voor de initiatiefnemer geldt dat hij moet melden dat er sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling en dat hij hiervoor informatie moet aanleveren. Het bevoegd gezag moet vervolgens een formeel besluit nemen dat de initiatiefnemer bij zijn vergunningaanvraag moet voegen. De nieuwe procedure is uitsluitend van toepassing op projecten die voorkomen in het Besluit m.e.r.. Indien kan worden aangetoond dat het project geen onderdeel uitmaakt van onderdeel C of D van het Besluit m.e.r., dan is de nieuwe procedure niet van toepassing. Voor onderhavig plan is dan ook een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Bijlage 12 bevat de aanmeldingsnotitie waarin de beoordeling is uitgevoerd. Uit de aanmeldingsnotitie volgt dat het plan, zelfstandig danwel in cumulatie met andere plannen en projecten, geen negatieve effecten op het milieu heeft. Hierbij zijn de criteria van Bijlage III van de Europese m.e.r. richtlijn in acht genomen.

Ontwerpbestemmingsplan Crematorium Zorgpark Voorburg - Definitief D1.1

Pagina 38 van 56

5

Plan

5.1

Bestaande situatie

Het plangebied ligt in het Zorgpark Voorburg aan de zuidoostkant van Vught. Het ligt in de zuidoosthoek van het Zorgpark, vlak naast de A2 en naast Villa Voorburg. De locatie is een open plek in het groen. Ze wordt aan 3 kanten omsloten door bosachtige begroeiing. Alleen naar het oosten, richting de A2 is de groene omsluiting deels wat transparanter en naar die zijde is er zicht. Het plangebied is momenteel deels in gebruik door de facilitaire dienst van het Zorgpark. Er staat eenvoudige kantoorbebouwing en het terrein wordt deels gebruikt als opslag. De rest van het terrein is groen (gras en bomen). De facilitaire dienst van het Zorgpark wordt elders op het Zorgpark ondergebracht. De locatie is bereikbaar via de Laan van Voorburg, één van de toegangen van het Zorgpark. Vanaf de Laan van Voorburg heeft het plangebied een eigen toegang. Deze toegangsweg heeft een gebogen verloop en leidt de bezoeker door het groen over een bruggetje naar het plangebied.

figuur 15.

5.2

Aanzicht plangebied gezien vanaf de Boxtelseweg (links) en luchtfoto (rechts).

Toekomstige situatie

Het planvoornemen betreft de realisatie van een uitvaartcentrum met crematorium. Het uitvaartcentrum heeft circa 250 zitplaatsen en het crematorium heeft één oveninstallatie. Schetsontwerp In figuur 16 is het schetsontwerp van de locatie en de impressie van de nieuwe situatie weergegeven. In de toekomstige situatie wordt de bestaande bebouwing gesloopt en wordt er nieuwe bebouwing (oppervlakte circa 1.550 m2) gerealiseerd ten behoeve van het uitvaartcentrum met crematorium aan de noordkant van het plangebied. In het plangebied worden naast de nieuwe bebouwing ook voetpaden, ontsluitingsstructuur en parkeergelegenheid aangelegd. Het uitvaartcentrum met crematorium krijgt een eigen ontsluiting via de Boxtelseweg. Op het terrein worden ook de parkeerplaatsen gerealiseerd. Tevens wordt er voorzien in een strooiveld op het terrein. De parkeerplaatsen en uitvaartcentrum zijn middels voetpaden met elkaar verbonden. Het plangebied wordt aan de west- en zuidzijde omzoomd door een groene zone waar langs een watergang ligt. De bestaande watergangen blijven gehandhaafd. Het uitvaartcentrum krijgt een uitkijk op de watergangen aan de noord- en oostzijde. In het schetsontwerp wordt verder uitgewerkt of deze watergangen worden verbreed.

Ontwerpbestemmingsplan Crematorium Zorgpark Voorburg - Definitief D1.1

Pagina 39 van 56

figuur 16.

Ruimtelijk ontwerp nieuw crematorium: plattegrond (links) en vogelvlucht impressie (rechts).

Ten opzichte van het ruimtelijke ontwerp dat is opgenomen in het voorontwerp bestemmingsplan zijn er een aantal aanpassingen doorgevoerd in het nu voorliggende ontwerp. De belangrijkste hiervan zijn als volgt: • In het voorontwerp bestemmingsplan was voorzien in een crematorium met direct bijbehorende faciliteiten en dienstverlening. Inmiddels is duidelijk dat Bijnen Uitvaartzorg het crematorium gaat exploiteren en ook haar overige dienstverlening op het gebied van uitvaartzorg op deze locatie gaat huisvesten (zie paragraaf 1.1). Dit heeft geen significante effecten op de functie van het plangebied, het gebouwontwerp is wel hierop geactualiseerd (zie ook het volgende punt); • In een nadere studie is de benodigde vloeroppervlakte geactualiseerd. Om dit op een ruimtelijk efficiënte wijze in te passen (compact bouwen) maar wel voldoende ruimte te kunnen bieden aan alle voorziene activiteiten, is er gekozen voor een meer compacte opzet met deels verdiepingen, in plaats van de paviljoenachtige opzet uit het voorontwerp. Hiermee wordt tevens tegemoet gekomen aan de inspraakreactie van Het Groene Hart Brabant (zie ook hoofdstuk 8); • In het voorontwerp was de ontsluiting voorzien aan de westzijde van het plangebied, over het terrein van Zorgpark Voorburg.

In overleg tussen de beoogd exploitant, grondeigenaar en gemeente is besloten dat een ontsluiting op de Boxtelseweg tot een betere oplossing leidt, die verkeersstromen tussen crematorium / uitvaartcentrum en het (huidige én toekomstige) verkeer over het Zorgpark Voorburg beter scheidt en een duidelijker adres geeft aan het crematorium; • In overleg met het waterschap is de retentievijver verplaatst van de noordoostelijke naar de noordwestelijke zijde van het plangebied; • Omdat de oven elektrisch wordt uitgevoerd, is er een aanzienlijke energievraag. Deze wordt grotendeels op eigen terrein opgewekt door zonnepanelen. Het dakoppervlak biedt onvoldoende ruimte voor de benodigde panelen, daarom wordt een deel van het parkeerterrein uitgevoerd met een overkapping met zonnepanelen; • De architectuur van het gebouw wordt afgestemd op de kenmerkende open en gesloten delen, zoals de ontvangstruimte (open gevels, met schuine lijnen in de kozijnen die verwijzen naar schuin uitlopende takken) en het tegenovergestelde hiervan de aula (dichte gevels met zichtassen naar de vijver en de monumentale bomen). Het materiaalgebruik is verder zoveel mogelijk circulair (gebruikte bouwmaterialen, hout etc.)

Ontwerpbestemmingsplan Crematorium Zorgpark Voorburg - Definitief D1.1

Pagina 40 van 56

6

Toelichting op de regels

6.1

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke manier voorliggend plan juridisch is vertaald. Het bestemmingsplan bestaat uit: • Toelichting; • Verbeelding; • Planregels. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake nadere eisen en afwijkingen van het bestemmingsplan. De verbeelding geeft de bestemmingen weer met de daarbij behorende harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken.

6.2

Planregels

De indeling van de planregels is als volgt. • Hoofdstuk 1: inleidende regels • Hoofdstuk 2: bestemmingsregels • Hoofdstuk 3: algemene regels • Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Begrippen (artikel 1) In dit artikel zijn de begrippen gedefinieerd, die in de planregels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Wijze van meten (artikel 2) In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels De regels in een bestemming zijn conform de SVBP2012 (indien van toepassing) als volgt opgebouwd en benoemd: a. Bestemmingsomschrijving b. Bouwregels c. Afwijken van de bouwregels d. Specifieke gebruiksregels e. Afwijken van de gebruiksregels f. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren en werken, geen gebouwen zijnde, of van werkzaamheden g. Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk h. Wijzigingsbevoegdheid Een bestemmingsregel hoeft niet alle elementen te bevatten. Dit verschilt per bestemming. In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven.

Indien er sprake is van andere aan de grond toegekende functies, worden deze daarna omschreven. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor een toetsing van de aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen overzichtelijk is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=6ba9348e-0ff3-4289-a15e-f8521595ce46