Bijlage - TAM omgevingsplan - Toelichting
Tekst van het document
De gemeente is bezig met het opstellen van een nieuw beleid. Derhalve wordt voor onderhavige ontwikkeling aangesloten bij het CROW, het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte. In ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ worden kencijfers ten aanzien van parkeren en verkeersgeneratie voorgeschreven.
5.4.1. Verkeer
Het initiatief leidt niet tot een toename van het aantal transportbewegingen, omdat de voorgenomen ontwikkeling uitsluitend bestaat uit de bouw van een nieuwe werktuigenberging en het formaliseren van bestaande woningen op de verbeelding. De dierenaantallen blijven ongewijzigd ten opzichte van de huidige situatie, en ook de aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten veranderen niet. Het doel van de ontwikkeling is het efficiënter kunnen stallen en opbergen van machines en werktuigen, niet het uitbreiden van de bedrijfsvoering. De beoogde vormverandering van het bouwvlak heeft geen negatieve invloed op de verkeerssituatie, omdat de nieuwe bebouwing volledig binnen het nieuwe bouwvlak valt. Tevens beoogd de voorgestelde ontwikkeling geen wijziging in de verkeersintensiteit, aangezien de nieuwe bebouwing geen extra werk met zich meebrengt. De beoogde nieuwe bebouwing draagt bij aan een opgeruimder erf, zonder dat dit resulteert in een toename van het aantal verkeersbewegingen. Gelet op deze aspecten kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling geen impact heeft op de verkeerssituatie en derhalve geen toename in verkeersbewegingen zal veroorzaken. Hiermee hebben de beoogde ontwikkelingen geen invloed op de huidige transportbewegingen. Er kan geconcludeerd worden dat onderhavig initiatief passend is binnen de nota parkeerbeleid 2013-2022.
Pagina 22 van 51
5.4.2. Parkeren
Naast het aspect verkeer dient tevens voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn binnen de projectlocatie. Normen voor parkeren zijn lastig toepasbaar op agrarische bedrijven, omdat de ondernemer vaak zelf de werkzaamheden uitvoert. Eigen machines en werktuigen kunnen worden gestald in de daarvoor beoogde machine- en werktuigenbergingen. Vrachtwagens en tractoren van derden verblijven altijd maar kortstondig op het bedrijf, bijvoorbeeld voor melkafname, voerlevering of loonwerk. Voor dergelijk materieel is ruim voldoende erfverharding aanwezig. Voor het eigen personenvervoer wordt aangesloten bij de vereiste parkeergelegenheid bij een vrijstaande koopwoning, liggend in niet-stedelijk buitengebied. Hiervoor wordt een minimum van 2 parkeerplaatsen voorgeschreven. Op de inrit naar de bedrijfswoning is ruim voldoende ruimte om 2 auto’s te kunnen parkeren. Op de projectlocatie worden twee extra parkeerplaatsen gerealiseerd, waarmee het totaal aantal parkeerplaatsen op zes komt. Gemiddeld komen er dagelijks 2 tot 4 bezoekers met personenvervoer naar het bedrijf toe komen. Te denken valt aan de veearts, vertegenwoordigers, adviseurs, privébezoekers etc.
Normaliter komen deze niet gelijktijdig op het bedrijf en zijn er max twee bezoekers gelijk aanwezig, maar zelfs als dit het geval zou zijn is er ruim voldoende erfverharding aanwezig voor in totaal 6 personenvervoersmiddelen, eigen vervoersmiddelen en van bezoekers, te parkeren. Hieruit kan worden geconcludeerd dat zes parkeerplaatsen ruim voldoende zijn. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de parkeersituatie, gezien de nieuwe bebouwing volledig binnen het nieuwe bouwvlak valt. Bovendien leidt de nieuwe bebouwing niet tot een toename van werkzaamheden en verkeersbewegingen. Het doel is om het erf opgeruimder in te richten, waardoor de efficiëntie van de terreinindeling wordt vergroot. Dit heeft geen invloed op het aantal werknemers of het type bedrijfsactiviteiten, en dus ook niet op de parkeerbehoefte. Er is geen uitbreiding van het aantal voertuigen of medewerkers, wat anders zou kunnen leiden tot extra parkeerdruk. Daardoor ontstaat er geen toename van verkeersbewegingen of parkeerdruk. Op de projectlocatie worden twee extra parkeerplaatsen gerealiseerd, waarmee het totaal aantal parkeerplaatsen op zes komt (zie afbeelding hieronder en situatie tekening in de bijlage). Er kan worden geconcludeerd dat wat betreft parkeren er geen toename is te verwachten.
Pagina 23 van 51
Afbeelding 7: situatietekening met 6 parkeerplaatsen
5.5. Natuur De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van weten regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
5.5.1. Gebiedsbescherming
De Omgevingswet voorziet met het oog op behoud van biodiversiteit, in regels ter bescherming van Natura 2000-gebieden zoals de aanwijzing en beheer van Natura 2000-gebieden. Daarnaast verplicht de wet dat voor bepaalde projecten, plannen en handelingen die invloed hebben op Natura 2000gebieden sprake is van een vergunningsplicht op grond van artikel 5.1 van de Omgevingswet. De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is beschermd middels regel in de Bkl. In paragraaf 7.3.1 van het Bkl zijn regels opgenomen dat provincies deze beschermingsregels in de Omgevingsverordening dienen op te nemen. Het gaat hier met name om het aanwijzen en de geometrische begrenzing vastleggen van de Natuur gebieden. Daarnaast worden in de Omgevingsverordening regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Hierbij worden de doelstellingen van het gebied in acht genomen. In Nederland zijn 161 Natura 2000gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden: Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Vlijmse Ven, Moerputten & Bossche Broek.
De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege
Pagina 24 van 51
te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een omgevingsvergunning voor de activiteit natuur wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Kampina & Oisterwijkse Vennen, dat op een afstand van circa 3,5 kilometer ligt. Het bedrijf is in het bezit van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming/ omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit d.d. 09-02-2016, zie bijlage 3. Daar dit de bestaande, planologisch legale situatie direct voorafgaand aan de vaststelling van de BOPA betreft, geldt die vergunning als uitgangssituatie. In Natura 2000-gebieden zijn habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. Om het effect van de beoogde ontwikkeling op de Natura 2000-gebieden inzichtelijk te maken zijn berekeningen van de aanleg- en de gebruiksfase gemaakt. Middels het rekenprogramma AERIUS wordt de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht.
Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat in de aanleg- en gebruiksfase niet leiden tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden/geen netto depositieresultaten hebben boven de 0,00 mol N/ha/jaar. De berekeningen en een toelichting op de invoergegevens zijn toegevoegd als separate bijlagen 4 en 5. Er zijn derhalve geen negatieve effecten op stikstofgevoelige habitats- en leefgebieden van soorten in Natura 2000 gebieden. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.
Vanwege de ruime afstand van de projectlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk.
5.5.2. Soortenbescherming
De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in het Bal. In afdeling 11.2 van het Bal zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IX onder A en B bij het Bal. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. Het Bal regelt de bescherming van alle in Nederland in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.
Pagina 25 van 51
In het Bal is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de projectlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Voort 1-3, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren werktuigenberging, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan.
Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Door middel van de ‘Effectenindicator soorten’ van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is gekeken of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormt voor de beschermende diersoorten. Voor de realisatie is er sprake van de activiteiten ‘overig bouwwerk bouwen’ en ‘Inrichting of mijnbouwwerk oprichten of veranderen (Milieu). Uit de effectenindicator volgt dat er op de aanwezigheid van vleermuizen op de planlocatie voorstelbaar is, zie onderstaande afbeelding.
Pagina 26 van 51
Afbeelding 8: Resultaat effectenindicator
Het aantreffen van beschermde of bedreigde plantensoorten is echter zeer onwaarschijnlijk omdat de nieuwe werktuigenberging gebouwd wordt op een bestaande verharding en wei. Gezien het feit dat vleermuizen niet in een wei leven, op verharding leven en er geen bomen worden omgekapt zijn de beoogde activiteiten geen bedreiging voor deze beschermende diersoorten. Het is daarom uitgesloten dat op beoogde locatie vleesmuizen verblijven. Bovendien zal er een landschappelijke inpassing gerealiseerd worden welke de leefomgeving van planten en dieren ten goede komt. Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen afbreuk doet aan de leefomgeving van beschermde soorten. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten derhalve niet noodzakelijk. 5.6. Luchtkwaliteit In het Bkl is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in paragraaf 2.2.1.1 van het Bkl omgevingswaarden voor de buitenlucht opgenomen. Deze waarden betreffen grenswaarden van concentraties voor onder andere
Pagina 27 van 51
zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. In de agrarische sector is voornamelijk de emissie van fijnstof bepalend voor de luchtkwaliteit op de omgeving. Fijnstof, zowel PM10 en PM2,5 komt voornamelijk door emissie van huid-, mest-, voer- en strooiseldeeltjes uit de stallen. Dit gebeurt continu (24 uur per dag). De belangrijkste bron bij een veehouderij zijn de stallen. Het vrijkomen van fijnstof ten gevolge van overige activiteiten op het bedrijf zijn verwaarloosbaar ten opzichte van de emissie uit de stallen. Voor het bepalen van de concentraties fijnstof in de omgeving van veehouderijen, zijn gegevens nodig over de hoeveelheid fijnstof die dieren produceren. Deze hoeveelheid varieert per dier en is afhankelijk van het huisvestingssysteem zoals het type stal. De emissiefactoren voor fijnstof, zoals opgenomen in bijlage V (en VI) van de Omgevingsregeling, geven per huisvestingssysteem aan hoeveel fijnstof een bepaald dier per jaar produceert. Met dit initiatief vindt er geen wijziging van huisvesting van dieren en dierenaantallen plaats en wijzigt de emissie van fijnstof en hiermee de luchtkwaliteit op de omgeving niet.
5.6.1. Niet in betekenende mate
Indien ontwikkelingen binnen de projectlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in paragraaf 2.2.1.1 van het Bkl genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen die, als genoemd in artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl, niet in betekenende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl. Voor de volgende categorieën kan getoetst worden of een plan NIBM bijdraagt: ▪ Categorie woningbouwlocaties; ▪ Categorie kantoorlocaties; ▪ Combinatie van woningbouw en kantoren; ▪ Categorie inrichtingen. Er is dus geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt.
Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Zoals beschreven in paragraaf 5.4 is er met de beoogde ontwikkeling geen sprake van een toename in vervoersbewegingen. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.
5.6.2. Woon- en leefklimaat
Op grond van het Bkl (paragraaf 2.2.1.1) zijn omgevingswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een omgevingswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze omgevingswaarde bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de gemiddelde jaarconcentratie van NO2 geldt een omgevingswaarde van 40 μg/m3. Indien aan deze omgevingswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is.
Pagina 28 van 51
Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de projectlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 14,66 μg/m3, voor PM2,5 8,402 μg/m3 en voor NO2 10,58 μg/m3, zie Afbeelding 9, 10 en 11. Planlocatie
Afbeelding 9: uitsnede GCN- kaart fijnstof PM10
Planlocatie
Afbeelding 10: uitsnede GCN – kaart PM2,5
Planlocatie
Afbeelding 11: uitsnede GCN – kaart NO2
Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Pagina 29 van 51
5.7. Geluid Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. Ook zijn direct werkende regels in het (tijdelijk) omgevingsplan opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. De geluidsproductie van de rundveehouderij is in hoofdzaak afkomstig van transportbewegingen, het laden en lossen, en overige motoren binnen de inrichting. In het omgevingsplan is het aspect geluid beschreven in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. In deze situatie is geen sprake van een nieuw geluidgevoelig gebouw, het betreft namelijk de bouw van een nieuwe werktuigenberging en de bestaande woningen op te nemen in de verbeelding. Voor de beoogde ontwikkeling vinden geen wijzigingen in dierenhuisvesting en dierenaantallen plaats, hierdoor wijzigt de geluidsproductie niet ten opzichte van de huidige situatie. De eventuele geluidbelasting als gevolg van de bedrijfsvoering is laag en de activiteiten vinden veelal inpandig of nabij de stallen plaats.
Bovendien is de afstand tot de geluidgevoelige gebouwen zo groot dat de activiteiten geen overlast zullen veroorzaken. Met de beoogde ontwikkeling wordt echter geen nieuw geluidsgevoelig gebouw opgericht. Er hoeft derhalve geen onderzoek te worden gedaan naar de geluidsinvloed van industrieterreinen in de omgeving of omliggende wegen en spoorlijnen op geluidsgevoelige objecten binnen de projectlocatie. Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 5.8. Geur In het omgevingsplan zijn regels opgenomen met betrekking tot geurhinder van dierenverblijven. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen (ten opzichte van de bruidsschat) vaststelt in het Omgevingsplan. Deze regels zijn afkomstig van de beoordelingsregels zoals opgenomen in het Bkl. Indirect heeft de wetgeving ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening. Dit betekent dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: 1. Worden bedrijven in de omgeving onevenredig belemmerd door de beoogde ontwikkeling? 2.
Is ter plaatse van de planlocatie een goed woon- en verblijfklimaat voor wat betreft het aspect geur gegarandeerd? Er is in de bestaande situatie geen geurgevoelig gebouw aanwezig binnen de projectlocatie en er wordt met het initiatief geen geurgevoelig gebouw gerealiseerd. Er wordt derhalve geen onevenredige inbreuk gemaakt op de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving en het is niet noodzakelijk om het woon- en verblijfklimaat ter plaatse inzichtelijk te maken.
5.8.1. Belemmering bedrijvigheid
Met de beoogde ontwikkeling worden geen nieuwe geurgevoelige gebouwen opgericht. De bedrijfswoningen zijn en blijven geurgevoelige gebouwen. Voor de beoogde ontwikkeling vinden geen wijzigingen in dierenhuisvesting en dierenaantallen plaats. Op grond van de regels uit het omgevingsplan moet de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig gebouw dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij, ten minste 50 meter bedragen indien
Pagina 30 van 51
het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Het dichtstbijzijnde dierenverblijf van de derden (De Voort 2) ligt op een afstand van circa 54 meter ten opzichte van de bedrijfswoning binnen de projectlocatie (De Voort 3). De bedrijfswoningen binnen projectlocatie zijn bestaand en zullen niet verplaatsen. De afstanden moeten veehouderijen in de omgeving in de bestaande situatie al in acht nemen en dat blijft in de beoogde situatie het geval. Daar de bedrijfswoning met het initiatief niet dichter bij veehouderijen in de omgeving wordt gesitueerd, worden omliggende bedrijven niet belemmerd. Hieruit wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling met zekerheid niet zorgt voor een onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving.
5.8.2. Woon- en leefklimaat
Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Deze wettelijke normen voor de voorgrondbelasting, zoals vastgelegd in afdeling 22.3.6 van het Omgevingsplan, zijn door de gemeente Vught niet verder aangescherpt. Voor diercategorieën waarvan de geuremissiefactor per dier is vastgesteld, een intensieve veehouderij, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. De locatie ligt in concentratiegebied, waarbij voor geurgevoelige objecten de volgende waarden gelden: - Gelegen binnen de bebouwde kom, 8,0 ouE/m3 - Gelegen buiten de bebouwde kom, 14,0 ouE/m3 Voor dieren zonder geuremissiefactor, zoals melkkoeien en paarden, gelden in navolging van het omgevingsplan minimaal de volgende aan te houden afstanden: ten minste 100 meter binnen de bebouwde kom ten minste 50 meter buiten de bebouwde kom In het omgevingsplan zijn regels opgenomen met betrekking tot geurhinder van dierenverblijven. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen heeft vastgesteld, die nog niet zijn opgenomen in het omgevingsplan.
Met deze normen moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. De gemeente Vught heeft geen afwijkende geurnormen vastgesteld ten opzichte van de normen zoals opgenomen in de bruidsschat. Voor rundveehouderijen zoals opgenomen binnen de projectlocatie zijn geen emissiefactoren voor geur vastgesteld. Conform artikel 22.101 van het omgevingsplan gelden voor deze bedrijven vaste afstanden tussen het dierverblijf en geurgevoelige gebouwen. De afstand dient minimaal 100 meter tot geurgevoelige gebouwen binnen de kom en 50 meter naar geurgevoelige gebouwen buiten de kom te bedragen. Daarnaast dient op grond van artikel 22.103 omgevingsplan binnen de bebouwde kom de afstand ten minste 50 meter van de gevel van het dierenverblijf tot het geurgevoelig gebouw te bedragen. Buiten de bebouwde kom is deze afstand minimaal 25 meter. De gemeente Vught heeft geen afwijkende afstanden vastgesteld om af te wijken van deze afstanden. Het dichtstbijzijnde geurgevoelige gebouw (woonhuis) ligt buiten de bebouwde kom aan De Voort 2 te Helvoirt. Het geurgevoelige gebouw ligt op circa 72 meter van de buitenzijde (tevens emissiepunt) van het dichtstbijzijnde dierenverblijf aan De Voort 3. Hiermee wordt voldaan aan de vaste afstanden gesteld in het (tijdelijk) omgevingsplan.
Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van de locatie nader te beschouwen, wordt gebruik gemaakt van de Achtergrondkaart geurbelasting, opgesteld door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB). Als bronnenbestand van deze kaart is een export van het Bestand Veehouderijen Brabant opgenomen, met als peildatum juni 2023, zie Afbeelding 12. Hieruit blijkt de kwaliteit van de leefomgeving [zeer goed, 0 – 3 OuE] bedraagt.
Pagina 31 van 51
Afbeelding 12: Uitsnede kaart achtergrond geurbelastingkaart ODZOB, projectlocatie zwart omcirkeld
Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
5.8.3. Individuele hinder De veehouderij voldoet aan de vaste afstanden tot geurgevoelige gebouwen. Hierdoor zijn er wat betreft het aspect individuele geurhinder van het agrarische bedrijf geen beperkingen. 5.9. Spuitzones De nieuwe werktuigenberging wordt niet aangemerkt als een gevoelig object, aangezien er geen personen langer dan twee uur per dag verblijven. Er is derhalve geen sprake van een verblijfplaats of verblijfsruimte in de zin van relevante wet- en regelgeving. De bestaande situatie blijft ongewijzigd. Gezien het ontbreken van een gevoelig object is bescherming in het kader van volksgezondheid en spuitzones niet noodzakelijk. In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft de projectlocatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt.
Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste (overdrachts)maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen, zoals bijvoorbeeld een dichte haag. De projectlocatie ligt direct aansluitend aan landbouwgronden. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Hierbij wordt echter opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor open gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de omgeving van de projectlocatie komen geen boomgaarden voor. Er vinden geen wijzingen in de woningen plaats met het beoogde initiatief. Hierdoor komen de bestaande woningen niet dichter bij agrarische landbouwgronden te liggen en heeft dit uiteraard geen negatief infect op de spuitzones. Daarnaast wordt in Nederland doorgaans gebruik gemaakt van driftarme doppen om mogelijke drift die ontstaat bij de bespuiting tot een minimum te beperken. De spuitdruk gecombineerd met het type dop bepaalt de druppelgrootte. Zo geven driftarme doppen meer grove druppels, die minder snel verwaaien.
Pagina 32 van 51
Hiermee worden reductiepercentages van 50-95% gehaald, afhankelijk van het type dop en de spuitdruk. Deze spuitdoppen worden getest op windsnelheden waaronder geen sprake meer is van een gevaar voor de volksgezondheid (door de Technische Commissie Techniekbeoordeling, versie 19 feb 2016). Deze maximale windsnelheid is vastgesteld op 5 m/s. Hiervan uitgaande zal in de beoogde situatie niet gespoten worden bij een windsnelheid van 5 m/s op spuithoogte. Daarbij wordt opgemerkt dat het gebruik bij een hogere windsnelheid ook een negatief effect heeft op de werking van de te gebruiken bestrijdingsmiddelen waardoor de ondernemer gebaat is bij gebruik bij een lage windsnelheid. De werking van bovengenoemde maatregelen wordt bevestigd uit jurisprudentie (uitspraak Raad van State: ECLI:NL:RVS:2023:269) waarvoor een onderzoek is uitgevoerd door het RIVM. Uit het onderzoek komt als conclusie dat er geen gezondheidsproblemen naar voren zijn gekomen die samenhangen met het wonen in de nabijheid van bollenteelt waarbij neerwaartse bespuiting wordt toegepast. Dit is tevens bevestigd door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen. Dit heeft er mede mee te maken dat telers zich houden aan bovengenoemde afspraken. Bovendien wordt de projectlocatie aan de randen voorzien van landschappelijke inpassing.
Uit jurisprudentie (uitspraak Raad van State: ECLI:NL:RVS:2022:3160) blijkt dat het vastleggen van een landschappelijke inpassing en het onderhoud hiervan voldoende onderbouwing is om af te wijken van spuitzones. Wetende dat deze grond verticaal bespoten wordt en niet met windsnelheden van hoger dan 5 m/s bespoten mag worden, dat driftarme doppen een reductie percentage van 95% kunnen behalen en dat groenstructuren in de beoogde situatie de verspreiding van drift zullen voorkomen, valt uit te sluiten dat de bestaande woningen in relatie tot omliggende gronden een negatief effect van spuitdrift ondervindt. De projectlocatie heeft dus in relatie tot omliggende gronden geen negatief effect van spuitzones. 5.10. Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet een afweging gemaakt worden of de beoogde ontwikkeling passend dan wel gewenst is binnen de locatie. Als de ontwikkeling afwijkt van het beleid maar toch wenselijk is, kan het bevoegd gezag de TAM-IMRO ook verlenen. Er is op dit moment wel een goede motivering nodig om van het beleid af te wijken. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit op een locatie. In bijlage VII zijn de milieubelastende activiteiten die relevant zijn voor het aspect veiligheid omschreven. Met de beoogde ontwikkeling wordt geen (beperkt of zeer) kwetsbaar object of (beperkt of zeer) kwetsbare locatie opgericht. Met de ontwikkeling worden ook geen milieubelastende activiteiten gerealiseerd zoals opgenomen in bijlage VII van het Bkl. Het aspect omgevingsveiligheid leidt niet tot een belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.11. Welstand Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In het omgevingsplan zijn ook regels opgenomen met betrekking tot de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29). In de gemeente Vught is de welstandsnota ‘Vught 2e herziening’ geldend van 01-03-2016 t\m heden van toepassing.
Het welstandsbeleid levert een bijdrage aan het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit van bebouwing binnen de gemeente. Bij de bouw van de werktuigenberging wordt rekening gehouden met de uitstraling van het beoogde bouwwerk in de omgeving. De uitstraling van het beoogde bouwwerk zal aansluiten bij de overige
Pagina 33 van 51
bebouwing in de omgeving. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van de functie aan de locatie voor het onderdeel welstand. Nadere toetsing van de welstandsnota ‘Vught 2e herziening’ vindt plaats bij de vergunning bouwactiviteiten. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van de functie aan de locatie voor het onderdeel welstand. 5.12. Archeologie, cultuurhistorie en landschap De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is het zoveel mogelijk behouden van archeologische resten in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming van cultureel erfgoed een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. De gemeente heeft beleid opgesteld voor archeologische en cultuurhistorische waarden.
Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen in het omgevingsplan.
5.12.1. Archeologie
De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe omgevingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aantoonbaar, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan een omgevingsvergunning voor activiteiten waar grondwerkzaamheden worden uitgevoerd. In het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Archeologie’ zijn dubbelbestemmingen opgenomen ten behoeve van de archeologische verwachtingswaarde. Zoals weergegeven in de onderstaande afbeelding 13, is de planlocatie voor een groot deel gelegen binnen de ‘waarde – archeologie 4’ en een gedeelte binnen de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 3’. Op de locatie waar de beoogde werktuigenberging wordt gebouwd afbeelding 14 is alleen de ‘waarde – archeologie 4’ van toepassing.
Afbeelding 13: uitsnede paraplubestemmingsplan Archeologie locatie beoogde werktuigenberging
Voor waarde – archeologie 4 zijn in artikel 6 bestemmingsregels opgenomen in het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan zegt het volgende over deze aanduiding:
Pagina 34 van 51
Op basis van artikel 6.2 moet een archeologisch rapport overlegd worden, als ‘bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van één bouwwerk of meerdere bouwwerken van tezamen groter dan 100 m² en met een bodemverstoring dieper dan 0,3 m onder maaiveld of dieper dan 0,5 m onder maaiveld bij de aanduiding ‘overige zone – enkeerdgronden’. De oppervlakte van de te realiseren bebouwing bedraagt meer dan 100 m2. De grond hoeft alleen dieper dan 0,5 meter te worden geroerd op de plekken waar de poeren en spanten worden gerealiseerd. Dit is ruimschoots minder dan 100m2. De gronden ter plaatse van de beoogde werktuigenberging zijn nu en in het verleden in gebruik als landbouwgrond en erfverharding. De gronden zijn ter plaatse ernstig verstoord door de toepassing van diverse landbouwwerkzaamheden zoals diepploegen en -woelen. Daarnaast vindt de bouw van de nieuwe werktuigenberging plaats nabij bestaande stallen. Ten tijde van de bouw van deze bestaande stallen is de grond rondom verstoord door bouwrijp maken en afgravingen t.b.v. fundering en mestkelder. Hierdoor wordt de kans op aanwezigheid van archeologische waarden zeer gering geacht. Tevens worden mogelijk aanwezige archeologische waarden in deze situ behouden doordat de gronden ter plaatse van de uitbreiding slechts tot funderingsdiepte worden afgegraven in de bovenste grondlaag.
In de bovenste grondlaag zijn het aantreffen van archeologische waarden nihil. Daarom is een nader onderzoek niet noodzakelijk. Er wordt voldaan aan de eisen uit het bestemmingsplan. Derhalve is een nader onderzoek naar archeologische waarden ter plaatse is derhalve niet noodzakelijk.
5.12.2. Cultuurhistorie en landschap
Uit de cultuurhistoriekaart van de Omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de projectlocatie niet in een gebied met landschappelijke of cultuurhistorische waarden ligt, zie onderstaande afbeelding. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of landschappelijk waardevol gebied. Planlocatie
Afbeelding 14: Uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: aardkundige, cultuurhistorische en groenblauwe waarden’
De provincie Noord-Brabant ziet het ruimtelijke erfgoed als een belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Het Brabantse erfgoed is daarom opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Prominent onderdeel van deze kaart is het provinciaal cultuurhistorisch belang, met name erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit. De CHW-kaart bevat tevens de meest recente erfgoedinformatie van het Rijk inclusief archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en beschermde stads- en dorpsgezichten. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de CHW weergeven.
Pagina 35 van 51
Planlocatie
Afbeelding 15: uitsnede kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart herziening 2024’ Noord-Brabant
Uit de bovenstaande afbeelding blijkt dat ter plaatse van de ontwikkeling geen specifieke cultuurhistorische waarden zijn opgenomen. Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor archeologie, cultuurhistorie en landschap. 5.13. Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde in art. 5.89i van het Bkl is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art.
5.89K Bkl) Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in de Omgevingswet en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (paragraaf 2.3.6a.2); • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4) • Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich meebrengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering.
Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven.
Pagina 36 van 51
In de beoogde situatie wordt een nieuwe werktuigenberging gerealiseerd en worden de bestaande bedrijfswoningen opgenomen op de verbeelding. In het nieuwe gebouw verblijven geen mensen langer dan 2 uur. Hiermee is geconcludeerd dat voor het aspect bodem geen historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 uitgevoerd hoeft te worden. Binnen de bedrijfsvoering vinden enkele bodembedreigende activiteiten plaats. Deze activiteiten hebben betrekking op het onderhoud aan de werktuigen en de opslag van mest en voer ten behoeve van de veehouderij. Op het bedrijf zullen bovendien kleine gebruikshoeveelheden medicijnen, reinigings- en ontsmettingsmiddelen aanwezig zijn. Deze worden opgeslagen in afsluitbare (koel)kasten. Door gebruik te maken van zeer reguliere voorzieningen, zoals vloeistofkerende vloeren, vloeistofdichte mestkelders, lekbakken en afgesloten kasten wordt het bodembedreigende risico verwaarloosbaar gemaakt. Door visuele controle, de aanwezigheid van absorptiemiddelen en de aanwezigheid van de bodembeschermende voorzieningen wordt het bodemrisico nog verder teruggebracht. In het Bal zijn regels opgenomen voor de bescherming van de bodemkwaliteit. Middels het treffen van de beschreven technische maatregelen en voorzieningen is er sprake van een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging. 5.14.
Weging van waterbelang In een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplan activiteit dient rekening te worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Voor de beoogde ontwikkeling is het daarom van belang om te toetsen aan een evenwichtige toedeling van functies met betrekking tot het watersysteem. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: ▪ Beschrijving waterrelevant beleid; ▪ Bestaande waterhuishoudkundige situatie; ▪ Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
5.14.1. Waterrelevant beleid
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit het (tijdelijke) omgevingsplan van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen.
In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodige aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van
Pagina 37 van 51
een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: ▪ Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; ▪ Een betere waterveiligheid door preventie; ▪ Koppeling van waterberging en droogtebestrijding.
Afbeelding 16: uitsnede kaart grondwaterbescherming ov-projectlocatie
In de Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ook instructieregels opgenomen voor waterschappen. Op de kaart behorende bij deze instructieregels ligt de projectlocatie niet in ‘Grondwaterbeschermingsgebied’. De projectlocatie ligt binnen de boringsvrije zone en waterwinning voor menselijke consumptie. Deze van toepassing zijnde regels zijn getoetst in paragraaf 3.1.2. Zoals reeds uiteengezet in paragraaf 3.1.2 wordt er voldaan aan de instructieregels boringsvrije zone en waterwinning voor menselijke consumptie zoals opgenomen in de Omgevingsverordening. De wijze waarop de provincie omgaat met water is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Het RWP is op 22 december 2021 inwerking getreden. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050 en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het water- en bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht).
Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we dat het moet worden gewijzigd; we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem. Doel van RWP: ▪ Voldoende water ▪ Schoon water ▪ Veilig water ▪ Vitale bodem ▪ Klimaatadaptatie Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in haar RWP stelt. De RWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Gemeente
Programma water en riolering 2022-2026
Pagina 38 van 51
In het gemeentelijke Programma Water en Riolering 2022-2026 is de ambitie geformuleerd om de gemeente te ontwikkelen tot een klimaatbestendige en aantrekkelijke regio. Dit programma schetst de koers voor de realisatie van deze visie en identificeert de bijbehorende uitdagingen en doelen voor zowel de korte als de lange termijn. Om vooruitgang te boeken in de komende planperiode, heeft de gemeente drie speerpunten geformuleerd: 1. Voortzetting van de opbouw van een robuust en klimaatbestendig systeem: Er wordt steeds meer nadruk gelegd op bovengrondse voorzieningen, die essentieel zijn om bewoners droog te houden, niet alleen tijdens reguliere buien, maar ook bij extreme neerslag. Daarnaast wordt ingespeeld op de uitdagingen van langdurige droogte door regenwater zoveel mogelijk op te vangen. De openbare ruimte wordt ingezet voor het tijdelijke opvangen van grote hoeveelheden regenwater, dat vervolgens gecontroleerd wordt afgevoerd. Bij nieuwe ontwikkelingen en herontwikkelingen wordt het uitgangspunt gehanteerd om het plangebied klimaatadaptief te maken, met een robuust watersysteem als fundament. 2. Voortzetting van integraal werken: In de afgelopen planperioden is er al veel samenwerking gezocht binnen de waterketen en het watersysteem. Dit heeft geresulteerd in afstemming van maatregelen, uniformering en kennisdeling.
Nu klimaatadaptatie meer aandacht krijgt, neemt de interactie tussen bovengrondse en ondergrondse voorzieningen toe. Dit vraagt om een omgevingsgerichte werkwijze, waarbij bij elke bovengrondse ingreep zorgvuldig de belangen worden afgewogen, waarbij water als belangrijk aandachtspunt wordt meegenomen. 3. Samenwerking met inwoners en ondernemers: Een aanzienlijk deel van het verharde oppervlak bevindt zich op particulier terrein. In samenwerking met inwoners en ondernemers wil de gemeente de leefomgeving verbeteren door bijvoorbeeld hemelwater op eigen terrein te bergen, daken te vergroenen, tegels uit tuinen te verwijderen en meer water vast te houden in de wijk. De komst van de Omgevingswet ondersteunt en vergemakkelijkt dit proces van samenwerking. Deze drie speerpunten vormen de basis voor de koers die de gemeente Vught in de komende planperiode zal volgen om haar ambities op het gebied van waterbeheer en ruimtelijke ontwikkeling te realiseren.
Waterafvoerverordening Vught 2022
Op basis van de algemene verordeningsbevoegdheid (artikel 149 van de Gemeentewet) is de gemeente bevoegd eisen te stellen aan de aansluiting van particuliere rioleringen op het openbare riool. Een aansluiting is in principe toegestaan, mits voldaan wordt aan de geldende bouw- en milieuregelgeving. Het doel van de bepalingen in Hoofdstuk 2 van de verordening is om de mogelijkheid te bieden de aansluiting te weigeren wanneer niet wordt voldaan aan deze regelgeving. Zonder specifieke aansluitbepalingen kan de gemeente niet voorkomen dat onjuiste aansluitingen op de riolering worden gerealiseerd. Hoewel de gemeente handhavend kan optreden tegen overtredingen van de bouw- en milieuregelgeving, gebeurt dit pas nadat een overtreding is geconstateerd. De vergunningplicht biedt de gemeente echter een preventief middel om onjuiste aansluitingen te voorkomen, in plaats van pas achteraf corrigerend op te treden. Artikel 10.32a van de Wet milieubeheer geeft gemeenteraden de bevoegdheid om regels te stellen omtrent het lozen van afvalwater op de riolering, ter bescherming van het milieu. Dit biedt gemeenten een instrument om hun zorgplicht met betrekking tot het waterbeheer te realiseren. De wet voorziet in een bevoegdheid, maar verplicht gemeenten niet tot het vaststellen van een verordening.
Of dit instrument daadwerkelijk wordt ingezet, bepaalt de gemeente in het rioleringsbeleid, vastgelegd in het gemeentelijke rioleringsplan, afhankelijk van de lokale situatie. De voorschriften voor de riolering en de aansluiting van bouwwerken op de openbare riolering zijn vastgelegd in het Bouwbesluit 2012. Deze verordening is aanvullend en komt niet in strijd met de
Pagina 39 van 51
verplichtingen die in andere regelingen zijn vastgelegd. In geval van strijd heeft de hogere regeling, het Bouwbesluit, voorrang. Met deze verordening wordt het gemeentelijk beleid, zoals omschreven in het gemeentelijk rioleringsplan, officieel verankerd. Waterschap de Dommel Waterschap de Dommel is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van de projectlocatie. Het waterschap de Dommel hanteert verschillende beleidsstukken bestaande uit onder andere het Waterbeheerprogramma 2022-2027, de waterschapsverordening en de legger waterstaatswerken 2021. De legger van het waterschap is te vinden via de site van het Waterschap de Dommel. De waterschapsverordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die het waterschap stelt binnen haar beheergebied. Per waterschap is er 1 waterschapsverordening. Waterschappen krijgen een overgangstermijn voor het vaststellen van der waterschapsverordening. Waterschappen moeten op 1 januari 2026 een waterschapsverordening hebben vastgesteld. De projectlocatie is gelegen binnen het waterschap de Dommel. Binnen waterschap de Dommel is de waterschapsverordening per 01-01-2024 in werking getreden. Relevant is om de ligging van de projectlocatie ten opzichte van omliggende watergangen in beeld te brengen.
Ook is het relevant om te beoordelen of de beoogde ontwikkeling een toename van oppervlakteverharding met zich meebrengt. In paragraaf 5.15.2 is weergeven waar de omliggende watergangen ten opzichte van de projectlocatie gesitueerd zijn. Hieruit blijkt dat de projectlocatie niet ligt binnen een profiel van vrije ruimte of een beschermingszone van een watergang ligt.
Waterbeheerprogramma 2022-2027 waterschap de Dommel
Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Er worden drie principes gehanteerd die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: ▪ Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt ▪ Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan ▪ Wat schoon is moet schoon blijven Het waterschap moet zich, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen.
Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan worden er oplossingen gevonden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe dit bereikt wordt. Hierbij wordt door het waterschap een omschakeling gemaakt; ▪ van beekdalgericht naar gebiedsgericht; de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. ▪ van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maakt het waterschap keuzes over meerdere opgaven in een gebied. ▪ van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.
Pagina 40 van 51
Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2024
In de 'Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2024’ staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Waterschapsverordening beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden zoals waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de Waterschapsverordening hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt.
Legger waterstaatswerken 2023
Het dagelijks bestuur van waterschap De Dommel heeft op 17 oktober 2023 de legger waterstaatswerken 2023 vastgesteld. Ook heeft het dagelijks bestuur besloten de leggers oppervlaktewaterlichamen 2021 in te trekken. Dis gedaan met het oog op de nieuwe waterschapsverordening en het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Alle waterstaatswerken zijn nu zichtbaar in een digitale ontsluiting. Onder de Omgevingswet kan een legger geen beschermingszone of profiel van vrije ruimte meer vastleggen of aanpassen. Die gaan als beperkingengebied bij de waterschapsverordening horen. Waterschap De Dommel neemt in de legger alle waterstaatswerken op die van belang zijn voor het functioneren van het watersysteem in het beheergebied van de Dommel. Er zijn vele soorten waterstaatswerken, die onderverdeeld zijn in vier categorieën, te weten: oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen of ondersteunende kunstwerken. De legger vormt daarmee een uitstekend hulpmiddel bij de toetsing welke regels van de Keur op en nabij waterstaatswerken van toepassing zijn.
5.14.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie
Ten zuiden van de projectlocatie is een A- en B watergang gelegen. Er liggen geen watergangen tegen of in het bedrijf, zie onderstaande afbeelding.
Pagina 41 van 51
Afbeelding 17: watergangen
In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er vanaf de locatie enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoongehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het nietverontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten.
5.14.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie
Initiatiefnemer is voornemens om een nieuwe werktuigenberging te plaatsen. De werktuigenberging is in de beoogde situatie 800m2. Achter de nieuwe werktuigenberging zal een retentievoorziening van in het totaal 60m3 gerealiseerd worden met als gevolg dat het water op natuurlijke wijze afgevoerd kan worden. Neerslag kan op deze gronden dus direct infiltreren in de bodem. Zoals aangegeven is waterschap de Dommel de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het gronden oppervlaktewater binnen de projectlocatie. Door middel van de waterschapsverordening van Waterschap de Dommel, die in werking is getreden op 1 januari 2024, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Dit om versnelde afvoer van hemelwater op het watersysteem te voorkomen. Bij voorkeur wordt ervoor gezorgd dat het hemelwater alsnog kan infiltreren in de bodem, eventueel via mitigerende maatregelen zoals een retentievoorziening. De waterschapsverordening schrijft voor dat mitigerende maatregelen nodig zijn indien sprake is van een toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2, na de inwerkingtreding van de waterschapsverordening 1 januari 2024. De grootte van de retentievoorziening moet in dat gevel worden berekend conform de rekenregel die in de nieuwe Algemene regels van de waterschapsverordening van de waterschappen is geïntroduceerd.