CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - TAM omgevingsplan - Toelichting

Raadsvergadering 5 maart 2026, gemeente VughtBij agendapunt: Vaststelling TAM omgevingsplan 'Hoofdstuk 22a De Voort 1-3 Helvoirt'18.393 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a De Voort 1-3

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a De Voort 1-3

Inhoudsopgave

Toelichting

2 2a De Voort 1-3" (ontwerp)

3

bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 2

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a De Voort 1-3

Toelichting

bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a De Voort 1-3" (ontwerp) 3

Motivering wijziging omgevingsplan (TAM-IMRO)

De Voort 1-3 te Helvoirt

Colofon

Gemeente:

Vught

Projectlocatie:

De Voort 1-3 5268 KG te Helvoirt

Datum:

10-07-2024, aangepast 06-01-2026

Opgesteld door:

Van Dun Advies BV Heijtmorgen 10 5375 AN Reek T. 0486 450 160 Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@vandunadvies.nl I. www.vandunadvies.nl

Projectnummer:

DZ /03105.032

Pagina 2 van 51

Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1.

Inleiding & aanduiding projectgebied................................................................ 5

1.2.

Wijziging Omgevingsplan met TAM-IMRO ......................................................... 5

1.3.

Leeswijzer ...................................................................................................... 6

2. Huidige en beoogde situatie............................................................................. 7 2.1.

Huidige situatie – ruimtelijk en functioneel ........................................................ 7

2.2.

Beoogde situatie ............................................................................................. 8

2.2.1. 2.2.2. 2.3.

Functionele ontwikkeling en programma .................................................... 8 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in omgeving ......................................... 9

Participatie voor onderhavige ontwikkeling ....................................................... 10

2.3.1.

Participatie omgeving .............................................................................. 10

3. Visie en beleid op locatie ................................................................................ 11 3.1.

Provinciaal beleid ........................................................................................... 11

3.1.1. 3.1.2. 3.2.

Omgevingsvisie Noord-Brabant ................................................................ 11 Omgevingsverordening Noord-Brabant ..................................................... 11

Gemeentelijk beleid ....................................................................................... 16

3.2.1.

Omgevingsvisie gemeente Vught ............................................................. 16

4. Toetsing aan het omgevingsplan ................................................................... 18 5. Aspecten fysieke leefomgeving en milieu ...................................................... 20 5.1.

Milieueffectrapportage en m.e.r.-beoordeling ................................................... 20

5.2.

Ladder voor duurzame verstedelijking ............................................................. 20

5.3.

Gezondheid en duurzaamheid ......................................................................... 21

5.3.1. 5.3.2. 5.4.

Verkeersgeneratie, - afwikkeling & parkeren .................................................... 22

5.4.1. 5.4.2. 5.5.

Verkeer.................................................................................................. 22 Parkeren ................................................................................................ 23

Natuur .......................................................................................................... 24

5.5.1. 5.5.2. 5.6.

Volksgezondheid..................................................................................... 21 Duurzaamheid ........................................................................................ 22

Gebiedsbescherming ............................................................................... 24 Soortenbescherming ............................................................................... 25

Luchtkwaliteit ................................................................................................ 27

5.6.1. 5.6.2.

Niet in betekenende mate ....................................................................... 28 Woon- en leefklimaat .............................................................................. 28

5.7.

Geluid ........................................................................................................... 30

5.8.

Geur ............................................................................................................. 30

5.8.1. 5.8.2.

Belemmering bedrijvigheid ...................................................................... 30 Woon- en leefklimaat .............................................................................. 31

Pagina 3 van 51

5.8.3.

Individuele hinder ................................................................................... 32

5.9.

Spuitzones .................................................................................................... 32

5.10.

Omgevingsveiligheid ...................................................................................... 33

5.11.

Welstand ...................................................................................................... 33

5.12.

Archeologie, cultuurhistorie en landschap ........................................................ 34

5.12.1. 5.12.2.

Archeologie ............................................................................................ 34 Cultuurhistorie en landschap .................................................................... 35

5.13.

Bodem .......................................................................................................... 36

5.14.

Weging van waterbelang ................................................................................ 37

5.14.1. 5.14.2. 5.14.3. 5.15.

Waterrelevant beleid ............................................................................... 37 Bestaande waterhuishoudkundige situatie................................................. 41 Beoogde waterhuishoudkundige situatie ................................................... 42

Technische infrastructuur ............................................................................... 44

5.15.1. 5.15.2. 5.15.3.

Ondergrondse leidingen .......................................................................... 44 Hoogspanningslijnen ............................................................................... 45 Radarverstoringsgebied ........................................................................... 46

6. Juridische achtergrond................................................................................... 47 6.1.

Toelichting verbeelding .................................................................................. 47

6.2.

Toelichting regels .......................................................................................... 47

7. Financiële haalbaarheid ................................................................................. 48 8. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties .......................................... 49 9. Bijlagen .......................................................................................................... 50

Pagina 4 van 51

1. Inleiding

In dit hoofdstuk komen de inleiding, de aanleiding voor het opstellen van het TAM-IMRO plan en de procedure aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1. Inleiding & aanduiding projectgebied Op locatie De Voort 1 te Helvoirt is een melkveehouderij gevestigd. Ten noorden van de bedrijfslocatie is een ‘leeg bouwvlak’ aanwezig. Op afbeelding 1 is het lege bouwvlak aangeduid als II en het bouwvlak waarbinnen de melkveehouderij is gelegen als I. Initiatiefnemer is voornemens om een nieuwe werktuigenberging te realiseren op het agrarische bedrijf aan De Voort 1 te Helvoirt. De beoogde werktuigenberging past niet binnen bouwvlak I, hierdoor is een vormverandering van bouwvlak I nodig. Om de realisatie van de beoogde werktuigenberging mogelijk te maken, is initiatiefnemer voornemens om bouwvlak I en II samen te voegen naar één bouwvlak en deze van vorm te veranderen, waardoor er één bouwvlak ontstaat voor De Voort 1 - 3 te Helvoirt. Het beoogde bouwvlak is in onderstaande afbeelding (rechts, blauw) weergeven.

Afbeelding 1: huidige situatie en beoogde situatie vormverandering bouwvlak

Op het bouwvlak I is in 2000 onder vrijstelling een bouwvergunning verleend voor de bouw van een tweede bedrijfswoning binnen het bouwvlak van het agrarische bedrijf en in 2006 is deze bedrijfswoning gerealiseerd. Binnen het bouwvlak van het agrarisch bedrijf aan De Voort 1-3 te Helvoirt is geen aanduiding ‘maximaal aantal woonheden’ opgenomen door de voormalige gemeente Haaren voor de twee aanwezige bedrijfswoningen, derhalve is momenteel maar één bedrijfswoning toegestaan binnen het bouwvlak. Met dit plan worden de twee vergunde bedrijfswoningen in het omgevingsplan geborgd. Het samenvoegen van twee bouwvlakken is binnen het omgevingsplan niet rechtstreeks toegestaan. Hierbij kan een bouwvlak ook niet rechtstreeks van vorm worden veranderd. De beoogde ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan, daarom wordt er een omgevingsplan (TAM-IMRO) voorbereid. 1.2. Wijziging Omgevingsplan met TAM-IMRO Voor het gewenste initiatief wordt een wijziging van het omgevingsplan door middel van een TAMIMRO voorbereid. Door middel van een TAM-omgevingsplan is het mogelijk om middels de bestaande techniek voor planvorming ruimtelijke initiatieven plaats te laten vinden. Allereerst wordt er een voorontwerp TAM-omgevingsplan opgesteld. Voor een dergelijk plan gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Dat betekent dat vaststelling van het plan wordt behaald: a.

met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl); b. als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Dat betekent dat ook de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl gelden.

Pagina 5 van 51

Op basis van artikel 16.30 van de Omgevingswet is op de voorbereiding van een omgevingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpplan gedurende 6 weken voor iedereen ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van 6 weken kan eenieder zienswijzen kenbaar maken. Binnen 12 weken nadat het ontwerpplan ter inzage heeft gelegen, moet de gemeente beslissen over de vaststelling van het omgevingsplan. Hierbij worden eventuele zienswijze in acht genomen. Na vaststelling van het omgevingsplan geeft het bevoegd gezag kennis van dat besluit tegelijkertijd met, of zo spoedig mogelijk na bekendmaking. Nadat het besluit bekend is gemaakt kan er gedurende 6 weken bezwaar of beroep aanteken bij de Raad van State. Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is het omgevingsplan daags na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk. Zodra het omgevingsplan in werking is getreden kunnen de benodigde omgevingsvergunningen voor het beoogde initiatief worden aangevraagd. 1.3. Leeswijzer In deze ruimtelijke onderbouwing is in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding van de TAM-IMRO (Tijdelijke alternatieve maatregel Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) is beschreven.

Hoofdstuk 2 omvat een beschrijving van de huidige situatie waarbij zowel de ruimtelijke aspecten als functionele aspecten aan de orde komen. Vervolgens wordt de functionele ontwikkeling, ruimtelijke uitstraling en inpassing van de toekomstige situatie beschreven. Tot slot wordt ingegaan op de resultaten van het vooroverleg en het participatietraject. In hoofdstuk 3 wordt het geldende beleid uiteengezet waarbij gemotiveerd wordt op welke wijze de ontwikkeling past binnen de geldende kaders en visie/doelen voor het gebied. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 worden de wijzigingen met betrekking tot de regels en de verbeelding weergeven. In hoofdstuk 7 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot wordt in hoofdstuk 8 ingegaan op de planologische afweging van het initiatief.

Pagina 6 van 51

2. Huidige en beoogde situatie

In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de projectlocatie. 2.1. Huidige situatie – ruimtelijk en functioneel In de omgeving van het plangebied liggen verschillende agrarische bedrijven, zoals een rundveehouderij aan De Voort 2. Ook liggen in de omgeving enkele niet-agrarische bedrijven zoals het aannemersbedrijf aan de Molenstraat 27a. Verder bestaat de directe omgeving voornamelijk uit burgerwoningen en landbouwgronden. Verder is er op circa 400 meter ten noordoosten van de locatie een natuurgebied gelegen. De planlocatie is gelegen tussen de bebouwde kom van Haaren en Helvoirt. De afstand van het bouwvlak tot de kom van Haaren is ruim 900 meter. De afstand tussen de locatie en de bebouwde kom van Helvoirt is circa 1,1 km. In afbeelding 3 is de ligging van de planlocatie in de omgeving (rood omcirkeld) weergeven.

Afbeelding 2: locatie in de omgeving, in uitsnede huidige situatie

De locatie is gelegen aan De Voort 1-3, 5268 KG te Helvoirt. Het bouwvlak heeft hierbij een oppervlak van 8.730 m2. Bij de locatie behoren meerdere kadastrale percelen. De percelen behorende bij de locatie staan kadastraal bekend als gemeente Vught, sectie C, nummers 1900, 1902, 2111 en 2112. bouwvlak II, zie afbeelding 1, betreft het lege bouwvlak en heeft een oppervlakte van 0,108 hectare. Bouwvlak I betreft het bouwvlak waarbinnen de melkveehouderij is gelegen. Hierbinnen zijn twee bedrijfswoningen gevestigd en alle bedrijfsgebouwen. De oppervlakte van bouwvlak II bedraagt 0,765 hectare. DE bouwvlakken hebben een gezamenlijk oppervlakte van 0,873 hectare. Verder bestaat een deel van het kadastrale perceel met nummer 1900 uit sleufsilo’s die buiten de huidige bouwvlakken liggen (zie afbeelding 1). Deze sleufsilo’s zijn planologisch toegestaan.

Pagina 7 van 51

Afbeelding 3: bebouwing op de locatie

Zoals eerder beschreven is op de projectlocatie een veehouderij met twee bedrijfswoningen aanwezig. Op 02-10-2015 is een melding in het kader van het Activiteitenbesluit geaccepteerd voor het houden van 200 melk- en kalfkoeien, 140 stuks vrouwelijk jongvee en 4 paarden. Op de projectlocatie is verschillende bebouwing aanwezig. Onderstaand wordt beschreven wat voor bebouwing er binnen de projectlocatie aanwezig is. 1. Bedrijfswoning, De Voort 1 2. Kantoor, hygiënesluis, en 2 paardenhokken 3. Schuilhok met overkapping 4. Bedrijfswoning, De Voort 3 5. Berging welke in de zomer als kantine wordt gebruikt 6. Jongveestal; 64 stuks vrouwelijk jongvee en 9 stuks melk- en kalfkoeien; 7. Werkplaats/loods/jongveehok; 40 stuks vrouwelijk jongvee 8. Rundveestal; 191 stuks melk- en kalfkoeien en 16 stuks jongvee 9. Jongveestal/kalvereniglo’s; 20 stuks jongvee 10. Mestopslag 11. Sleufsilo’s 2.2. Beoogde situatie De initiatiefnemer is voornemens om de bouw van een nieuwe werktuigenberging mogelijk te maken voor het stallen van landbouwmachines. Hiervoor zal het bouwvlak van vorm worden veranderd (niet vergroot) zodat alle bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak komen te liggen.

2.2.1. Functionele ontwikkeling en programma

In de beoogde situatie wordt een nieuwe werktuigenberging gebouwd op het bouwvlak van het agrarisch bedrijf aan De Voort 1-3 te Helvoirt. De oppervlakte van het bouwvlak bedraagt 0,873 ha. en wijzigt hiermee niet met de beoogde ontwikkelingen Hiervoor is een vormgeving van bouwvlak I nodig, zodat de nieuwe werktuigenberging in het bouwvlak past. (zie hiervoor afbeelding 1). Een nieuwe werktuigenberging is noodzakelijk omdat de grote machines hoofdzakelijk buiten of in de stal tussen de koeien staan. Dat is voor de veiligheid van de ondernemer en het dierwelzijn geen goede situatie.

Pagina 8 van 51

De initiatiefnemers zijn ook voornemens om de maatvoering ‘maximum aantal wooneenheden’ toe te voegen voor de 2de bedrijfswoning aan De Voort 3 te Helvoirt. Op het bouwvlak I is in 2000 onder vrijstelling een bouwvergunning verleend voor de bouw van een tweede bedrijfswoning binnen het bouwvlak van het agrarisch bedrijf en in 2006 is deze bedrijfswoning gerealiseerd. Binnen het bouwvlak van het agrarisch bedrijf aan De Voort 1-3 te Helvoirt is geen aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ opgenomen voor de twee aanwezige bedrijfswoningen, derhalve is momenteel maar één bedrijfswoning toegestaan binnen het bouwvlak. Initiatiefnemers zijn derhalve ook voornemens om bestaande afwijkingen in de verbeelding zoals een tweede bedrijfswoning op te nemen op de verbeelding en in de regels van het (tijdelijke) omgevingsplan. In de beoogde situatie zullen geen wijzingen plaats vinden in de overige gebouwen en aantal diereenheden.

Afbeelding 4: beoogde situatie

2.2.2. Ruimtelijke uitstraling en inpassing in omgeving

De beoogde situatie biedt door de vormverandering veel meer mogelijkheden tot een landelijke inpassing en positief effect op de natuur. Op deze manier wordt aansluiting gezocht bij een situering die passend is binnen de omgeving. Gemeente Vught vindt het belangrijk dat het landelijk buitengebied leefbaar, schoon, gezond en veilig is. In het landelijk inpassingsplan is zijn landschapsversterkende maatregelen opgenomen om hierin tegemoet te komen. Landschappelijk kenmerken van deze locatie en de omgeving zijn het relatief open en rationeel verkavelde landschap met grote percelen en linten met laan- en singelbeplanting. De zandwegen, houtsingels en bomenrijen zijn de beelddragers van de omgeving. Het landschap heeft in de directe omgeving weidse zichtlijnen. Deze worden onderbroken door bosjes, houtsingels of bomenrijen. Op locatie zijn rondom de woningen landschapsbomen en knip- of scheerheggen te vinden. Aan de achterzijde langs het erf zijn geen landschapselementen te vinden. De zandweg De Voort wordt begeleid door laanbomen op gemeentegrond. Dankzij deze inheemse bomen is de achterzijde van het plangebied reeds landschappelijk ingepast.

Pagina 9 van 51

Het merendeel van de opgaande beplanting is aanwezig aan de noordzijde en zuidzijde van het perceel. Door het toevoegen van aanvullende groenelementen op dit gedeelte van het perceel en het overig deel van het perceel ook een groenere invulling te geven, ontstaat er een locatie met een groen en geborgen karakter. Het landelijk inpassingsplan is te zien in afbeelding 3 en opgenomen in bijlage 1. In het landschappelijke inpassingsplan is terug te vinden welke planten worden aangeplant. De nieuwe groenstructuur in het landschap versterkt het eigen karakter van het gebied en bergt de ruimtelijke schaal. Door deze landschapsversterkende maatregel wordt de ruimtelijke vormgeving van de huidige gebouwen en de nieuw te bouwen werktuigenberging verzacht. Door de bomenrijen en groen langs de erven is er minder te zien van de bestaande bebouwing en weinig te zien van de nieuwe werktuigenberging. Het landschappelijk inpassingsplan sluit aan op de landschappelijke kenmerken van de omgeving. Door vormverandering van de bouwlocatie ontstaat er in ruimtelijk opzicht de mogelijkheid om de omgeving te stimuleren met verschillende landschapselementen. Tevens wordt er een kruiden- en faunarijke rand aangelegd met diverse inheemse soorten.

De nieuwe bebouwing heeft in deze ook een positievere invloed op de directe omgeving doordat de landbouwmachines in de nieuwe werktuigenberging worden geplaats en niet meer rondom het bedrijf staan, daardoor verdwijnt het rommelige aanzicht van het bedrijf. Hiermee wordt door de initiatiefnemer verantwoordelijkheid genomen om mee te werken aan de doelen van gemeente Vught. Op deze manier wordt aansluiting gezocht bij een situering die passend is binnen de omgeving. De beoogde ruimtelijke situering sluit daarom aan bij de omgeving waarbinnen het plantgebied is gelegen. 2.3. Participatie voor onderhavige ontwikkeling In het principebesluit van 14 mei 2024 met uw kenmerk OW/ Z23 – 268322 /UIT/24 – 618488 is als voorwaarden aangegeven dat in het kader van de op te starten ruimtelijke procedure de iniatiefnemer de resultaten van een omgevingsdialoog moet overleggen. In bijlage 2 is de dialoog met de omgeving toegevoegd.

2.3.1.

Participatie omgeving

In de Omgevingswet is opgenomen dat participatie een belangrijk onderdeel is van projecten in de fysieke woon- en leefomgeving. De gemeente Vught vindt het belangrijk dat inwoners optimaal betrokken worden bij plannen en projecten. Het is namelijk de taak van de gemeente om bij initiatieven te beoordelen hoe de omgeving is betrokken. Door participatie wordt ervoor gezorgd dat alle belangen, meningen, kennis en creativiteit direct op tafel komen. Door bezwaren, maar juist ook goede ideeën met elkaar te bespreken, kan het initiatief beter worden gemaakt en is er meer kans op betrokkenheid. De initiatiefnemer is voornemens om een nieuwe werktuigenberging te bouwen voor het plaatsen van landbouwmachines. Verder worden de beide bedrijfswoningen planologisch opgenomen op de verbeelding. Het bouwvlak zal van vorm worden veranderd (niet vergroot) zodat alle bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak komen te liggen. Met dit beoogde initiatief wijzigt er niets voor de omgeving met uitzondering van de nieuwe werktuigenberging. De nieuwe werktuigenberging wordt landschappelijk ingepast en hierdoor wordt het aanzicht van het bedrijf verbeterd. De twee bedrijfswoningen die opgenomen worden op de verbeelding zijn bestaand. De initiatiefnemer heeft een dialoog gevoerd met de bewoners in de omgeving. De iniatiefnemer vindt het belangrijk om zijn plannen kenbaar te maken bij zijn buren.

Tijdens de dialoog met de buren heeft iniatiefnemer persoonlijk de beoogde ontwikkelingen besproken met de buren. Ook is de landschappelijke inpassing op het omgevingsplan besproken. De buren zijn heel positief ten aanzien van de beoogde ontwikkelingen. De buurt van de initiatiefnemer juicht het alleen maar toe dat er een nieuwe werktuigenberging wordt gerealiseerd. Met de nieuwe werktuigenberging hoeven de landbouwmachines niet meer overal rondom het bedrijf te worden geplaatst. Met als gevolg dat het aanzicht van het bedrijf veel minder rommelig is en dat hiermee de leefomgeving van de boerderij veel opgeruimder en schoner oogt. Kortom de reacties van de buurt zijn zeer positief. De dialogen met de omgeving zijn toegevoegd in bijlage 2.

Pagina 10 van 51

3. Visie en beleid op locatie

In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het initiatief toegelicht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden, doch gemotiveerd van kunnen afwijken en anderzijds instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). Het initiatief wordt getoetst aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Gezien het initiatief dusdanig klein van aard is dat het geen invloed heeft op nationaal beleid, wordt dit beleidskader niet beschreven. 3.1. Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Noord-Brabant.

3.1.1. Omgevingsvisie Noord-Brabant

De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is: ‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan

wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is:

‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan. Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de projectlocatie wordt ook een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het initiatief past dus binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.

3.1.2. Omgevingsverordening Noord-Brabant

De Omgevingsverordening (Ov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen.

Pagina 11 van 51

De Ov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Ov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een omgevingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 5. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveaus zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waarin de projectlocatie ligt. In dit geval ligt de projectlocatie in de volgende werkingsgebieden, zie onderstaande afbeelding: - Attentiezone waterhuishouding - Boringsvrije zone - Waterwinning voor menselijke consumptie - Beperking grootschalig logistiek - Landelijk gebied - Stalderingsgebied

Afbeelding 5: uitsnede hoofdstuk 5 Omgevingsverordening Noord Brabant, locatie omkaderd

De initiatiefnemer is voornemens om een nieuwe werktuigenberging te bouwen. Verder worden met de beoogde ontwikkeling beide bedrijfswoningen opgenomen op de verbeelding. Het bouwvlak zal van vorm worden veranderd (niet vergroot) zodat alle bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak komen te liggen. Aan de artikelen die van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling worden achtereenvolgens getoetst. Onderstaand zijn alle relevante artikelen weergeven.

Pagina 12 van 51

▪ ▪ ▪ ▪ ▪

5.17 Grondwaterbeschermingsgebied 5.18 Boringsvrije zone 5.31 Externe werking Natuur Netwerk Brabant 5.41 Attentiezone waterhuishouding 5.63 Veehouderij in landelijk gebied

De aanduidingen ‘grootschalige logistiek’ en ‘aanvullende regels stalderen’ zijn allebei van toepassing op de projectlocatie. Met de beoogde ontwikkeling is er geen sprake van grootschalige logistiek of gebruik van gronden of bouwwerken op een perceel van 3 hectare of groter en dat in hoofdzaak in gebruik is voor logistieke- of distributieactiviteiten. Daarom zijn de regels in artikel 5.56a niet van toepassing. In artikel 5.66 zijn aanvullende regels stalderen opgenomen. Met de beoogde ontwikkeling vindt is er geen sprake van een ontwikkeling van een hokdierhouderij. Daarom zijn de regels in artikel 5.66 voor de beoogde ontwikkeling niet van toepassing. Daarom zijn beide artikelen niet van toepassing. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 5.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: ▪ zorgvuldig ruimtegebruik; ▪ toepassing van de lagenbenadering; ▪ meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Ov nader uitgewerkt in de artikel 5.8 t/m 5.10. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 5.11). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht.

Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 5.8) Conform artikel 5.8 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag ligt binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 5.129g, onder 2 van het Bkl (ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Het initiatief betreft de ruimtelijke procedure voor samenvoeging van bouwvlak I en II. Door de vormverandering ontstaat er ruimte om een werktuigenberging te kunnen bouwen in het beoogde bouwvlak. Het bouwvlak wordt met het initiatief niet uitgebreid maar enkel van vorm veranderd. Het bestaande ruimtebeslag wordt daarom niet vergroot. Met de beoogde invulling van het bouwvlak wordt een efficiënt en toekomstbestendig bedrijf ingericht. Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik omdat de gebouwen geconcentreerd binnen het bouwvlak worden/zijn gerealiseerd. Doordat de uitbreiding geen stedelijke ontwikkeling betreft, hoeft er geen toepassing aan artikel 5.129g van het BKL te worden gegeven.

Toepassing van de lagenbenadering (artikel 5.9) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: ▪ de ondergrond ▪ de netwerklaag ▪ de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en

Pagina 13 van 51

landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 5 van deze toelichting. Meerwaardecreatie (artikel 5.10) Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Met deze ontwikkeling wordt meerwaarde gecreëerd door de vormverandering van het bouwvlak te combineren met een goede landelijke inpassing. Door samenvoeging van twee bouwvlakken en vormverandering van het bouwvlak wordt er ruimte gecreëerd voor het bouwen van een werktuigenberging. Grote machines worden in de beoogde werktuigenberging geplaatst.

Dit heeft een positieve invloed op de veiligheid van de ondernemer. Er wordt een kruiden faunarijke rand en beplanting aangeplant. Dit brengt een verbetering van de landschappelijke waarden met zich mee. Kwaliteitsverbetering (artikel 5.11) Een omgevingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het omgevingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Vught is beleidsnotitie kwaliteitsverbetering van het landschap 2022 van toepassing. Hierin is de ontwikkeling aangemerkt als een categorie 2. Hierin is het volgende opgenomen:

Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn, maar waarbij het gaat om ontwikkelingen die een (zeer) beperkte invloed op het landschap hebben (alleen een goede landschappelijke inpassing vereist). ▪ vormverandering van een agrarisch bouwvlak of een bestemmingsvlak; ▪ voor zover de locatie is gelegen in het gemengd landelijk gebied, als bedoeld in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant: vergroten agrarisch bouwvlak tot 1,5 ha, of vergroting met differentiatievlak van maximaal 0,5 hectare specifiek ten behoeve van opslag van ruwvoer; De ontwikkeling bestaat uit een vormverandering van het bouwvlak door het samenvoegen van twee bouwvlakken. Het bouwvlak heeft in de huidige en beoogde situatie een oppervlakte van 0,873 hectare. Het beoogde bouwvlak blijft onveranderd. Hierdoor vindt er geen vergroting van het bouwvlak plaats en blijft het bouwvlak < 1,5 hectare. De projectlocatie is gelegen in agrarisch gebied. De ontwikkeling gaat gepaard met het bouwen van een werktuigenberging Dit wordt gezien als een categorie 2 ontwikkeling. Hierdoor is alleen landschappelijke inpassing noodzakelijk. In de beoogde situatie wordt er een landschappelijk inpassing gerealiseerd (zie bijlage 1).

In de regels van het omgevingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het realiseren (en in stand houden) van de landschappelijke inpassing. In paragraaf 2.2.2 is een nadere toelichting gegeven op de landschappelijke inpassing.

Pagina 14 van 51

Grondwaterbeschermingsgebied (5.17)

Lid 1: een omgevingsplan ter plaatse van Grondwaterbeschermingsgebied strekt mede tot bescherming van de kwaliteit van het grondwater en de bodem. Lid 2: het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, stelt regels die: het risico op schade aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater voorkomen; de ontwikkeling van functies en activiteiten die risico's geven voor de kwaliteit van het grondwater beperkt, zoals stedelijke ontwikkeling, het houden van evenementen en milieubelastende activiteiten waarbij schadelijke stoffen worden gebruikt; en het gebruik van schadelijk uitloogbaar bouwmateriaal verbieden. Lid 3: als schadelijk uitloogbaar bouwmateriaal wordt in ieder geval aangemerkt: zink, lood, koper; gewolmaniseerd hout; teerbitumen. Op de projectlocatie is een grondwaterbeschermingsgebied van toepassing. In de beoogde situatie is geen uitspoeling van schadelijke uitloogbare (bouw)materialen plaats. Hierdoor zijn er geen belemmeringen met betrekking tot het grondwaterbeschermingsgebied. Boringsvrije zone (5.18)

Lid 1: Een omgevingsplan ter plaatse van Boringsvrije zone strekt mede tot het behoud van de weerstandbiedende bodemlagen. Lid 2: Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, stelt regels die het risico op schade aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater voorkomen. Op de projectlocatie is een boringsvrije zone van toepassing. In de regels van het omgevingsplan blijven de regels van het bestemmingplan ‘buitengebied Vught 2022’ onverminderd van toepassing. In de beoogde situatie vinden er geen borings activiteiten plaats, hierdoor zijn er geen belemmeringen met betrekking tot de boringsvrije zone. Externe werking Natuur Netwerk Brabant (artikel 5.31)

Een omgevingsplan dat een ontwikkeling toelaat in Stedelijk Gebied of in Landelijk Gebied, die een aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken in het Natuur Netwerk Brabant, bepaalt in aanvulling op het Besluit activiteiten leefomgeving dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd, overeenkomstig artikel 5.37 Compensatie. De dichtstbijzijnde NNB ligt op een afstand van circa 30 meter van de projectlocatie. De bestaande woningen op de projectlocatie zijn bestaand. De beoogde werktuigenberging wordt op een afstand van circa 90 meter gerealiseerd van het dichtstbijzijnde NNB. Om de werking van de beoogde ontwikkeling op de NNB in de omgeving te kunnen beoordelen is het van belang om te kijken wat voor natuur in de omgeving is gelegen. In de directe omgeving zijn verschillende gebieden aangewezen als droog bos met productie. Dit zijn vochtige bossen met productie dat bestaat uit loofbossen die gedomineerd worden door diverse boomsoorten zoals populier, es, esdoorn, beuk, haagbeuk, eik, iep en els. Het is een grotendeels gesloten bos met een weelderige ondergroei. In de omgeving zijn ook kruiden- en faunarijke graslanden te vinden, ondermeer kamgrasvegetaties of de meer algemene witbolgraslanden.

Ook zijn er Dennen-eiken en beukenbossen te vinden en moet een groot gedeelte nog omgevormd worden van landbouwgrond naar natuur(inrichting). Met de beoogde ontwikkeling zullen grote landbouwmachines in de beoogde werktuigenberging worden geplaatst. Er vindt geen wijziging in dierenaantallen plaats. Door de realisatie van de nieuwe werktuigenberging met daaraan gekoppeld een hoogwaardige vorm van landschappelijke inpassing zal op deze afstand, aspecten zoals verstoring door licht, geluid, verdroging etc. niet leiden tot merkbare veranderingen binnen NNB. De beoogde ontwikkeling zal de ecologische waarden en kenmerken in het

Pagina 15 van 51

NNB niet aantasten. De beide woningen op de projectlocatie zijn bestaand. Gezien bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de ecologische waarden niet worden aangetast Attentiezone waterhuishouding (artikel 5.41)

Lid 1: Een omgevingsplan ter plaatse van Attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. Met de beoogde ontwikkeling worden de ecologische waarden en kenmerken in het NNB niet aangetast. Aangezien de ecologische waarden niet worden aangetast, zullen er ook geen negatieve effecten zijn op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. De beide woningen op de projectlocatie zijn bestaand. Er wordt een nieuwe werktuigenberging gebouwd, hiervoor is vervorming van het bouwvlak noodzakelijk. De totale oppervlakte van het bouwvlak wijzigt hiermee niet.

Lid 2: Het omgevingsplan stelt regels over: a. het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 cm beneden maaiveld, voor zover geen omgevingsvergunning is vereist voor een ontgrondingsactiviteit; b. de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een bestaande drainage; c. het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen; en d. het beperken van het buiten een agrarisch bouwperceel aanbrengen van verharde oppervlakten. Er zijn regels voor bovenstaande activiteiten binnen de attentiezone waterhuishouding opgenomen in het TAM-IMRO plan. Veehouderij in landelijk gebied (artikel 5.63) Artikel 5.63 uit de Omgevingsverordening heeft betrekking op de ontwikkeling van een veehouderij. Voor een ontwikkeling van een veehouderij wordt bedoeld een uitbreiding van het agrarisch bouwperceel. Met deze ontwikkeling wordt juridisch gezien het bouwperceel vergroot, maar deze toename wordt directe gecompenseerd door het verwijderen van een bouwvlak met eenzelfde oppervlakte. Dit bouwvlak is tegen de veehouderijlocatie gelegen. Feitelijk is er derhalve sprake van een vormverandering van het bouwvlak, voor vormverandering van het bouwvlak voor veehouderijen zijn in de Omgevingsverordening geen nadere regels opgenomen.

Hierbij dient te worden opgemerkt dat de regels rondom een zorgvuldige veehouderij reeds zijn opgenomen in het vigerende omgevingsplan en deze regels ook in dit omgevingsplan worden opgenomen. Dit betekent dat als het bedrijf wil uitbreiden in dierenverblijf er dan getoetst dient te worden aan de regels rondom een zorgvuldige veehouderij zoals deze ook zijn opgenomen in artikel 5.63. 3.2. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de omgevingsvisie Vught vastgesteld op 21 december 2023.

3.2.1. Omgevingsvisie gemeente Vught

De omgevingsvisie is opgesteld voor het hele grondgebied van de gemeente Vught. Het is een visie op hoofdlijnen, met een horizon in 2040. Dat wil niet zeggen dat de visie tot 2040 niet kan worden gewijzigd. Periodiek wordt bezien of de visie aanpassing behoeft. De omgevingsvisie gaat zowel over ruimtelijke als sociale aspecten en richt zich op mogelijkheden om gezond en veilig te leven, mee te kunnen doen, te wonen, te werken, te recreëren en te ondernemen. De omgevingsvisie biedt ook ruimte aan nieuwe initiatieven. Activiteiten kunnen – binnen de kaders van deze visie en ander beleid en regelgeving – individueel of samen met de gemeente of anderen worden opgepakt. In de omgevingsvisie Vught zijn de hoofdlijnen, leidende principes, hoofddoelstellingen en kerndoelen en aanpak, deelgebieden en de aanpak en de uitvoering hiervan weergeven.

Pagina 16 van 51

De landbouwsector is een bepalend onderdeel van het buitengebied van Vught. Voor een levendig buitengebied is het belangrijk dat er agrarische bedrijven blijven die toekomstbestendig zijn. Met respect voor natuurwaarden en in balans met de bodem-, water-, en milieukwaliteit. Het is van belang het buitengebied goed te beheren en functies in onderlinge samenhang te realiseren. Door ontwikkelingsruimte te bieden aan agrarische ondernemers wordt er een toekomstbestendig buitengebied gecreëerd. Hierbij koppelt de gemeente sloop-, woon- en andere opgaven zoals natuurherstel, waterberging en leefbaarheid om tot goede oplossingen te komen. Door samenvoeging van twee bouwvlakken en vormverandering van het bouwvlak wordt er ruimte gecreëerd voor het bouwen van een werktuigenberging. Grote machines worden in de beoogde werktuigenberging geplaatst. De noodzaak van de werktuigenberging is beschreven in paragraaf 2.2. De projectlocatie is in het buitengebied van Vught gelegen. De hierboven beschreven beoogde ontwikkelingen zijn noodzakelijk om een agrarisch toekomstbestendig bedrijf te blijven, zodat de bodem-, water-, en milieukwaliteit in balans kunnen blijven. De gewenste ontwikkeling draagt ook bij aan het behoud en het versterken van de leefbaarheid in het landelijk gebied.

Diverse landschapselementen worden aangeplant (paragraaf 2.2.) welke zorgen voor een versterking van de natuur- en landschapswaarden die specifiek bij het agrarische cultuurlandschap horen zoals afwisseling tussen openheid en geslotenheid. Door deze landschapsversterkende maatregelen wordt de kwaliteit van het landschap gerespecteerd en ondersteund.

Pagina 17 van 51

4. Toetsing aan het omgevingsplan

In het omgevingsplan van de gemeente Vught is de verbeelding voor de locatie opgenomen in het bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied Vught’ 2022 d.d. 21-07-2022. In navolging van dit omgevingsplan heeft de locatie de volgende functies toebedeeld gekregen, zie afbeelding 7: • Bestemming: agrarisch • Bouwvlak • Functieaanduiding: specifieke vorm van agrarisch – veehouderij • Gebiedsaanduiding: overige zone - gemengd landelijk gebied • Gebiedsaanduiding: overige zone - stalderingsgebied • Gebiedsaanduiding: overige zone - boomteeltontwikkelingsgebied • Gebiedsaanduiding: overige zone - attentiezone waterhuishouding • Gebiedsaanduiding: overige zone - boringsvrije zone

Afbeelding 6: uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Vught 2022’’

In het omgevingsplan is de beoogde ontwikkeling niet rechtstreeks mogelijk omdat: • Bouwvlak I en II worden samengevoegd en het uiteindelijke bouwvlak van vorm veranderd; • Een nieuwe werktuigenberging op het nieuwe agrarische bouwvlak wordt mogelijk gemaakt; • Op de verbeelding en in de regels vergunde en gerealiseerde bedrijfswoningen (De Voort 1 en De Voort 3) worden opgenomen; • Kuilplaten en voersilo’s tezamen 0,5 hectare worden buiten het bouwvlak binnen het bouwperceel gerealiseerd. Er is geen afwijkingsbevoegdheid opgenomen om de beoogde ontwikkeling te realiseren. De wijzigingsbevoegdheden van bestemmingsplannen zijn met het invoeren van de Omgevingswet per 1 januari 2024 komen te vervallen. Om de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling aan te tonen wordt het initiatief getoetst aan de wijzigingsbevoegdheid vormverandering van bouwvlakken welke in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Vught 2022’ is opgenomen. Onderstaand wordt aan de eisen van artikel 3.7.1 getoetst.

3.7.1 Wijzigingsbevoegdheid vormverandering bouwvlakken Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de vorm van een bouwvlak te wijzigen, met inachtneming van de volgende regels: a. Wijziging is noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering of voor toepassing van milieuregels en/of andere wettelijke regels.

Pagina 18 van 51

In de huidige situatie zijn de landbouwmachines en werktuigen rondom het bedrijf geplaatst. Grote machines staan overwegend buiten of in de stal tussen de koeien. Het realiseren van bergruimte zorgt ervoor dat het bedrijf opgeruimder en netter is. Met als gevolg dat er minder ongedierte wordt aangetrokken. Dit is positief voor het dierenwelzijn. Het mag duidelijk zijn dat er sneller roestvorming plaats vindt aan de landbouwmachines en dit vergt extra onderhoud en brengt extra kosten met zich mee. Bovendien vindt gemeente Vught het belangrijk dat het landelijk buitengebied leefbaar, schoon, gezond en veilig is. De nieuwe bebouwing heeft indeze ook een positieve invloed op de directe omgeving. De landbouwmachines kunnen in de beoogde werktuigenberging worden geplaatst. Hiermee wordt door de initiatiefnemer verantwoordelijkheid genomen om mee te werken aan de doelen van de gemeente voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en komt er buiten de stal en in de stal ruimte vrij en zijn de looplijnen in de beoogde situatie enorm verbeterd wat weer effect heeft op een efficiënte bedrijfsvoering, veiligheid van de ondernemer en het dierenwelzijn.

b. Wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden voor naburige agrarische bedrijven en niet-agrarische bedrijven.

In de beoogde situatie vinden er geen wijzigen in dieraantallen en dierverblijven plaats. Verder worden er geen gevoelige objecten opgericht of verplaatst met de beoogde ontwikkeling. Beide woningen zijn bestaand. Dit wijzigt niet met de beoogde ontwikkeling.

c. Wijziging leidt niet tot vergroting van het oppervlak van het bouwvlak.

In de beoogde situatie wordt bouwvlak I en bouwvlak II samengevoegd, waardoor er één bouwvlak ontstaat. Met de samenvoeging van bouwvlakken vindt geen vergroting van het oppervlak van het bouwvlak plaats.

d. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' geldt dat er sprake moet zijn van een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden van de groenblauwe mantel. Op de projectlocatie is geen ‘overige zone – groenblauwe mantel’ van toepassing.

e. Er is sprake van een goede landschappelijke inpassing op basis van een goedgekeurd landschapsplan en borging van uitvoering en beheer.

Er wordt in de beoogde situatie een goede landschappelijke inpassing in de omgeving gerealiseerd. De landschappelijke inpassing staat in paragraaf 2.2. beschreven. In bijlage 1 is een afbeelding van de landsschappelijke inpassing weergeven. In de regels van het TAM-IMRO plan wordt de uitvoering en instandhouding van het inpassingsplan geborgd. Uit bovenstaande toetsing blijkt dat er voldaan wordt aan de wijzigingsbevoegdheid. Zoals bovenstaand beschreven zijn de wijzigingsbevoegdheden per 1 januari 2024 vervallen. Om deze reden wordt er afgeweken van het omgevingsplan middels het TAM-IMRO voor de beoogde ontwikkeling.

Pagina 19 van 51

5. Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

Op grond van het bepaalde in het Bkl dient te worden aangetoond of met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten wordt in dit hoofdstuk beschreven of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.1. Milieueffectrapportage en m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (m.e.r.), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over projecten. Het gaat hierbij enkel om projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Voor dergelijke projecten moet worden beoordeeld of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.

Indien een project aanzienlijke milieueffecten kan hebben, dient bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport te worden opgesteld. In bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn de projecten zoals bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder b, van de wet, opgenomen. Voor deze projecten moet worden beoordeeld of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Een project is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien het project is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Indien de waarden in kolom 2 van de Bijlage V van het Omgevingsbesluit worden overschreden dient er een milieueffectrapport te worden opgesteld. Indien de waarden in kolom 2 niet overschreden worden dient er een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Voor de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van vee zijn de grenswaarden opgenomen in categorie A1. De locatie betreft een veehouderij. In de beoogde situatie wordt een werktuigenberging gerealiseerd en worden de bestaande bedrijfswoningen opgenomen op de verbeelding. Het aantal dieren en dierenverblijven blijft gelijk, zodat er geen wijziging plaatsvindt in de intensiteit van de veehouderij. Dit betekent dat er geen aanpassing van installaties voor een intensieve veehouderij, zoals bedoeld in het Omgevingsbesluit, zal plaatsvinden.

Daarom is er geen verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) of een MER-beoordeling. Een plicht tot het opstellen van een milieueffectenrapportage/ MER beoordeling is daarom niet van toepassing is. 5.2. Ladder voor duurzame verstedelijking In geval van stedelijke ontwikkeling moet de ladder voor duurzame verstedelijking worden toegepast. Deze is wettelijk vastgelegd in artikel 5.129g, Bkl. Toepassing van de ladder is verplicht voor opgaven die nieuwe stedelijke ontwikkelingen, gebaseerd op een regionale behoefte, mogelijk moeten maken. Het eerste lid van artikel 5.129g is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd:

‘ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een ander stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ De beoogde ontwikkeling is niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling omdat het niet de ontwikkeling van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening betreft.

Pagina 20 van 51

5.3. Gezondheid en duurzaamheid

5.3.1. Volksgezondheid

In deze paragraaf wordt ingegaan op de gezondheidsrisico’s. De locatie is gelegen in het buitengebied, effecten op de volksgezondheid kunnen hier voornamelijk afkomstig zijn van veehouderijen in de omgeving. De beoogde activiteit heeft geen gevolgen voor diergeneesmiddelen of gewasbeschermingsmiddelen omdat er geen wijzingen in de bedrijfsvoering, diercategorieën of dierenaantallen plaatsvinden. Bovendien worden gewasbeschermingsmiddelen gebruikt volgens de wettelijke regelgeving of door een erkende loonwerker toegepast. In het kader van volksgezondheid heeft de beoogde ontwikkeling geen gevolgen voor de volksgezondheid van de ondernemer. De veiligheidsvoorschriften voor de gebruikte producten worden nageleefd en er zijn geen effecten voor omwonenden door het gebruik ervan. Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of gewasbeschermingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Er zijn al diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid.

De laatste onderzoeken dateren van 16 juni 2017 en 1 september 2018 en zijn vervolgonderzoeken op het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO), dat op 7 juli 2016 is gepubliceerd. In dit onderzoek is endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniaksecundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. Uit de vervolgonderzoeken is o.a. gebleken dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. Bovendien moet iedere veehouderij voldoen aan wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen.

Op de projectlocatie is een grondwaterbeschermingsgebied van toepassing. De nieuw te realiseren werktuigenberging is uitsluitend bestemd voor het opslaan van werktuigen en machines. In de voorgenomen situatie vindt geen uitspoeling plaats van schadelijke of uitloogbare (bouw)materialen. Daarmee vormt de ontwikkeling geen risico voor de kwaliteit van het grondwater en zijn er geen belemmeringen vanuit het grondwaterbeschermingsgebied. De projectlocatie is gelegen binnen een aangewezen waterattentiezone. De voorgenomen realisatie van de werktuigenberging, die uitsluitend zal worden gebruikt voor de opslag van werktuigen en machines, leidt niet tot uitspoeling van schadelijke of uitloogbare (bouw)materialen. Aangezien de planontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de waterhuishouding of waterkwaliteit, zijn er vanuit het oogpunt van de waterattentiezone geen belemmeringen voor de uitvoering van het plan. Omwonenden De planlocatie betreft een rundveehouderij. Voor rundveehouderijen geldt dat de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt zijn vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Met dit initiatief vindt er geen wijziging van huisvesting van dieren en dierenaantallen plaats en worden er geen activiteiten uitgevoerd die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden.

Derhalve zijn er geen belemmeringen met betrekking tot volksgezondheid voor dit initiatief.

Pagina 21 van 51

Gevoelige objecten binnen planlocatie De dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van de projectlocatie ligt aan De Voort 2 op een afstand van circa 73 meter. Dit betreft eveneens een rundveehouderij waarvoor de effecten op de volksgezondheid gering zijn. Tevens wordt met dit initiatief geen (nieuw) gevoelig object opgericht of verplaatst in het kader van volksgezondheid. Ten aanzien van het aspect volksgezondheid kan worden geconcludeerd dat er geen onevenredige nadelige effecten zullen optreden binnen de projectlocatie en hiermee ook geen belemmeringen voor het initiatief.

5.3.2. Duurzaamheid

Het initiatief heeft geen toename van het aantal transportbewegingen tot gevolg. Door het realiseren van een werktuigberging en het samenvoegen van twee bouwvlakken tot één bouwvlak zullen de werkzaamheden efficiënter uitgevoerd worden. Hierdoor wordt een duurzame bedrijfsvoering gecreëerd. Een efficiënte bedrijfsvoerging draagt bij aan het verbeteren van het productieproces waardoor niet alleen economische maar ook ecologische voordelen worden gerealiseerd. Zo hoeven er minder tot geen werktuigen en/of landbouwmachines buiten te staan. Kortom heeft dit een positief effect voor het aspect duurzaamheid. Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor het aspect duurzaamheid & gezondheid. 5.4. Verkeersgeneratie, - afwikkeling & parkeren Binnen de projectlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. De gemeente Vught heeft in december 2022 een mobiliteitsvisie vastgesteld, hierin zijn geen cijfers opgenomen met betrekking tot verkeersintensiteiten of verkeersbewegingen. In 2013 is een nota parkeernormen opgesteld, deze is niet van toepassing op de locatie, gezien de locatie destijds onderdeel was van een andere gemeente.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=007f1c91-b2e9-4f55-9e55-cbddfab052fd