CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Regels en toelichting

Raadsvergadering 26 oktober 2023, gemeente VughtBij agendapunt: Bestemmingsplan Kloostergoed Theresia Vught31.406 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Hoofdstuk 4

55

4.9.3 Conclusie Het onderdeel bodem zorgt niet voor belemmeringen. Indien ter plaatse van de aangetoonde verontreinigingen (graaf)werkzaamheden zullen plaatsvinden, is het noodzakelijk aanvullende maatregelen te nemen. Aanbevolen wordt in deze gevallen de verontreiniging weg te nemen (saneren).

4.10 Water 4.10.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Waterschap de Dommel Waterschap De Dommel is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) ‘Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving’. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk dient in 2050 de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig te zijn. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet.

En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert daarbij drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie:  Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt.  Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan.  Wat schoon is moet schoon blijven. Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO) Bouw of uitbreiding van woningen, bedrijven of wegen veroorzaken vaak een groei in het verharden van dak en erf. Regenwater dat op stenen of wegen valt, stroomt meestal snel via een riool of een sloot weg. Hoe meer (tuinen van) steen, hoe meer regenwater weg stroomt. Bij hevige buien kan hierdoor wateroverlast ontstaan. Bijvoorbeeld water vanuit het riool op straat, omdat deze het regenwater niet aan kan. Of overstroming van een sloot of beek. Dat geeft dan weer risico’s voor de gezondheid en kan zorgen voor bijvoorbeeld schade in- en rondom huizen. Maar ook in droge perioden zorgt al

Hoofdstuk 4

56

dat afvoeren voor problemen. Het regenwater krijgt niet meer de tijd om weg te zakken in de bodem en het grondwater aan te vullen. In droge zomers hebben landbouw en natuur dan water te weinig. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Voorkomen moet worden dat regenwater snel verdwijnt in het riool of in de sloot. Het waterschap gebruikt daarvoor de voorkeursvolgorde voor (schoon) regenwater: 1. Opnieuw gebruiken; 2. Vasthouden / in laten trekken in de grond; 3. Water bergen; 4. Afvoeren naar sloten of rivieren; 5. Afvoeren naar een riool. Keur De keur is een verzameling regels die het waterschap gebruikt om dammen, dijken, sloten, beken, rivieren, gemalen en stuwen te beschermen. Bij werkzaamheden in, met of rondom het water is weten regelgeving uit de keur van toepassing. In de keur van het waterschap is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen (Artikel 3.6 ‘Verbod afvoer door verhard oppervlak’).

De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de beleidsregel ‘Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Het verbod uit artikel 3.6 van de keur is van toepassing tenzij:  Het afkoppelen van het verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of;  De toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of;  De toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak.  De toename van het verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel. Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06. (Notie: per augustus 2022 berekend op 1.221 m3). Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften:  De bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen;  Afvoer mag niet meer bedragen dan 2/l/s/ha;  De afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt.

Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben;  Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 500 m2 of groter is, wordt vanuit het waterschap retentie geëist.

Hoofdstuk 4

57

Voor plannen groter dan 10.000 m 2 geldt Beleidsregel 13 ‘Afvoer door toename en afkoppelen van verhard oppervlak’. Op basis van deze beleidsregel zijn plannen met een omvang van meer dan 10.000 m2 vergunningsplichtig en dient een waterhuishoudkundigplan te worden opgesteld conform de onderwerpen zoals genoemd in paragraaf 4.6 van de hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen. Gemeente Vught De gemeente heeft het rioleringsbeleid vastgesteld in het Programma Water en Riolering 2022-2026 (PWR). Met de opzet van het PWR wordt aangesloten op de Omgevingsvisie Noord-Brabant waarin het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit centraal staat. Met de bestuurlijke vaststelling van dit PWR ligt er een basis om de waterketenbelangen in de Omgevingsvisie te verankeren. Met het PWR wordt invulling gegeven aan de wettelijke zorgplichten afval-, hemel- en grondwater (de basisopgave). Een overzicht van het beleid dat de gemeente voert ten aanzien van de drie zorgplichten is opgenomen in Bijlage C van het PWR. In het verlengde van de zorgplicht heeft de gemeente de ambitie om, binnen de reikwijdte van de zorgplichten, bij te dragen aan gemeenschappelijke doelen zoals klimaatadaptatie, duurzaamheid en een gezonde leefomgeving.

Om invulling te geven aan deze visie en bijbehorende ambities/gemeenschappelijke doelen zijn voor de planperiode 2022-2026 de volgende speerpunten geformuleerd: 1. Werken aan een robuust en klimaatbestendig systeem continueren. 2. Continueren integraal werken. 3. Samenwerken met inwoners en ondernemers. Met het PWR wordt daarnaast bijgedragen aan de volgende omgevingsgerichte lange termijndoelstellingen:  Bescherming van de volksgezondheid.  Droge voeten (bebouwd gebied).  Schoon water en een schone (water)bodem. Bij ruimtelijke inrichtingen dient rekening te worden gehouden met de gevolgen van de klimaatverandering om zo waterschade te voorkomen en de gevolgen indien er schade optreedt te beperken. De gemeentelijke zorg voor het beheer van afvloeiend hemelwater heeft betrekking op het afvloeiend hemelwater van openbaar terrein en afvloeiend hemelwater dat niet op particulier terrein kan worden verwerkt. De eigenaar van het terrein waarop het hemelwater valt is primair verantwoordelijk voor de verwerking van het hemelwater. De gemeente hoeft het hemelwater afkomstig van particulier terrein niet te ontvangen. Alleen als de houder van het verzamelde hemelwater dit redelijkerwijs niet kan afvoeren. Nieuwbouwplannen van woningbouw en infrastructuur kunnen tot een toename van afvoerend verhard oppervlak leiden.

Hierdoor ontstaat een versnelde afvoer van hemelwater met mogelijk wateroverlast tot gevolg. Bij dergelijke ontwikkelingen geldt dan ook het uitgangspunt dat plannen zo veel mogelijk hydraulisch neutraal uit worden gevoerd en dat percelen zo minimaal als mogelijk verhard zijn. Het Bouwbesluit vereist dat nieuwe bebouwing wordt voorzien van een gescheiden afvoer/verwerking van schoon en afvalwater. Voor de dimensionering van infiltratie/bergingsvoorzieningen met afvoer naar de bodem en/of riolering hanteert de gemeente de uitgangspunten uit tabel 1 en figuur 2 van de waterparagraaf in de bijlagen. Hierbij geldt dat wanneer een terrein na sloop langer dan 2 jaar braak

Hoofdstuk 4

58

ligt de ontwikkeling als nieuwbouw wordt beschouwd, en alle verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden in een waterbergingsopgave. Indien afvoer naar oppervlaktewater plaatsvindt, gelden de hydrologische uitgangspunten van de Brabantse waterschappen. Het uitgangspunt is dat de wateropgave binnen het plangebied wordt gerealiseerd. De berging/ retentievoorziening moet aan de volgende eisen voldoen:  De bodem van de voorziening ligt boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG).  De afvoer uit de voorziening vindt plaats via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het hemelwaterriool of oppervlaktewater.  Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben.  Er moet altijd een overloopconstructie zijn, om beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen. Bij grote gebiedsontwikkelingen bekijken gemeente en waterschap samen met de initiatiefnemer of er kansen zijn om gelijktijdig met de invulling van de wateropgave de kwaliteit en/of belevingswaarde van de leefomgeving te vergroten. Bijvoorbeeld door vergroening, verdrogingsbestrijding en recreatie. Afspraken over de invulling van de wateropgave bij nieuwe ontwikkelingen worden vastgelegd in de waterparagraaf.

Hoofdstuk 4

59

4.10.2 Onderzoek Er is door Econsultancy een waterparagraaf opgesteld voor het plangebied. Deze is opgenomen in de bijlagen. Voor de onderdelen hoogteligging, bodemopbouw, geohydrologie, waterdoorlatendheid, grondwater, oppervlaktewater, ontwatering en riolering wordt ook verwezen naar de waterparagraaf in de bijlagen. Hierna worden de belangrijkste zaken beschreven ten aanzien van hemelwater, verharding, de waterbergingsopgave en de planuitwerking. Verhard oppervlak De herontwikkeling voorziet in de sloop van de huidige bebouwing en de realisatie van 156 woningen met bijbehorende ontsluiting en parkeermogelijkheden. Het huidige en toekomstig verhard oppervlak is door Grasveld Civiele Techniek berekend. In het kader van de watertoets is 50 % van het netto perceeloppervlak (perceeloppervlak - bebouwing) beschouwd als aanname voor het toekomstig verhard oppervlak van bijbouwen en tuin/erfverharding. In voorgaande tabel staan de oppervlakten van de toekomstige bebouwing(en) en verhardingen weergegeven. Vanwege het verschil in maaiveldhoogte is een onderscheid gemaakt in een noordelijk plandeel en zuidelijkplandeel. Waterbergingsopgave Conform het waterbeleid van waterschap de Dommel bedraagt de waterbergingsopgave in totaal circa 1.221 m3.

De wateropgave is op basis van het toekomstig verhard oppervlak voor het noordelijke plandeel en het zuidelijke plandeel als volgt verdeeld: noord: 676 m 3 en zuid: 545 m3. Randvoorwaarden en uitgangspunten Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd.  Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren).  Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren).  De ontwikkeling dient hydrologisch neutraal plaats te vinden (HNO).  Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd.  Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren conform 60 mm gerekend over het aantal m2 verhard oppervlak.  Vanwege het verschil in maaiveldhoogte is een onderscheid gemaakt in noord en zuid.  Wateropgave 1.221 m3. • Noord: 676 m3; • Zuid: 545 m3.  De maximale ledigingsduur van het systeem bij voorkeur gelijk of kleiner dan 24 uur.  Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden).  Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG.  GHG ingeschat op 4,55 m +NAP.  Bouwen volgens Duurzaam Bouwen (DuBo) principe. Hemelwater In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden ingezameld en binnen de planlocatie worden verwerkt.

Vanwege het van nature aanwezige hoogteverschil is ten aanzien van de verwerking van de wateropgave een onderscheid gemaakt in noordelijk plandeel en zuidelijkplandeel. Conform het verhard oppervlak bedraagt de wateropgave voor het noordelijkplandeel 676 m 3 en voor het zuidelijkplandeel 545 m3.

Hoofdstuk 4

60

Binnen beide deelgebieden kan worden voorzien in de mogelijkheid tot de aanleg van meerdere wadi’s. Een wadi is een bovengrondse afkoppelvoorziening waarbij het hemelwater bij voorkeur oppervlakkig wordt getransporteerd naar een laagte waar het vervolgens kan infiltreren in de bodem. Een dergelijke voorziening is controleerbaar en beheersbaar en kan tevens een zuiverende werking hebben. Hemelwater wordt bij voorkeur en indien mogelijk zichtbaar afgevoerd. Daar waar dit niet mogelijk is zal afvoer verbuisd plaats moeten vinden. Voor het zuidelijke plandeel wordt naast enkele wadi’s en de reeds aanwezige poel ook hemelwater geborgen in de funderingen van de parkeerplaatsen. In bijlage 3 van de waterparagraaf is een schets opgenomen met de zoekgebieden voor het toekomstige waterbergingssysteem. Waterhuishoudkundig plan In bijlage 4 van de waterparagraaf zijn de uitgangspunten voor verder ontwerp van de hemelwaterafvoer opgenomen. Dit is verder uitgewerkt in een waterhuishoudkundig plan. Deze is opgenomen in bijlage 10 van deze toelichting. Hier worden verschillende bergingsvoorzieningen beschreven. Ook wordt ingegaan op de waterbergende fundering, de overstort van de bergingsvoorzieningen en de lozingsconstructie.

Door de aanleg van de benodigde bergingsvoorzieningen met een noodoverloop en de toekomstige hoogteligging van de bebouwing en omliggend maaiveld is geen wateroverlast binnen het plangebied en bij derden te verwachten en wordt er hydrologisch neutraal ontwikkeld. Ook gezien de verhouding groen (onverhard) - grijs (verhard) en de ruime opzet van het plan is het zeer aannemelijk dat er geen nadelige effecten zijn op de omgeving. Het complete riool- en watersysteem is uitgewerkt in het civieltechnische DO, de tekeningen zijn als bijlage bijgevoegd bij het waterhuishoudkundig plan. 4.10.3 Conclusie Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan. Er is in de regels van het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen zodat conform de geldende beleidsuitgangspunten op basis van de feitelijke toekomstige verhardingen voldoende waterberging gerealiseerd wordt. Dit is geborgd in de regels van het bestemmingsplan. Hiermee wordt gegarandeerd dat de specifieke eisen van de waterbeheerders op een goede wijze in het ontwerp worden verwerkt en dat uitgaande van het huidige stedenbouwkundigplan voldoende compenserende maatregelen worden genomen.

Uit het waterhuishoudkundig plan blijkt dat de bergingsopgave haalbaar is.

4.11 Archeologie 4.11.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen.

Hoofdstuk 4

61

De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.11.2 Onderzoek Archeologisch onderzoek november 2008 Er is door ADC ArcheoProjecten eind 2008 archeologisch onderzoek uitgevoerd in het plangebied. Hierbij is het gehele plangebied onderzocht op archeologie, waarbij ook boringen hebben plaatsgevonden. Het onderzoek is opgenomen in de bijlagen. De conclusies zijn hieronder beschreven. Conform het bureauonderzoek zijn in het plangebied enkeerdgronden vastgesteld. Langs de randen van het plangebied is de humeuze bovengrond zeer dun en is er sprake van een vaaggrond. In het noordelijk deel van het plangebied zijn onder een relatief dik humeus dek plaatselijk resten van een podzolbodem aangetroffen. In het zuidelijk deel en langs de randen van het terrein zijn deze niet aangetroffen. Hier is sprake van een humeus dek, dat sterk in dikte varieert en plaatselijk sterk verstoord is.

Het zuidelijk deel van het plangebied bevindt zich in een laagte en was daarmee in het verleden onaantrekkelijk voor bewoning. Bovendien is hier de bodem plaatselijk (sterk) verstoord. Het noordelijk deel van het plangebied bevindt zich op een natuurlijk hoger gelegen deel van het landschap. Het onder het humeuze dek gelegen oppervlak is nog intact. Dit blijkt onder meer uit de aanwezigheid van resten van een podzolbodem. Eventueel aanwezige sporen en vondsten kunnen nog bewaard zijn gebleven. Hoewel gegevens omtrent de omvang en verstoringsdiepte van de voorgenomen nieuwbouw op dit moment niet bekend zijn, bestaat een gerede kans dat eventueel onder het humeuze dek aanwezige archeologische waarden verstoord zullen worden. In het noordelijk deel van het plangebied kan de verstoring alleen worden beperkt als de voorgenomen ontgraving niet dieper zal reiken dan het humeuze dek en het onderliggende oppervlak ongeroerd blijft. Dit betekent een maximale ontgravingsdiepte van circa 60 cm -mv. Voor het zuidelijk deel van het plangebied en langs de randen van het plangebied, waar de bodem reeds verstoord is en geen archeologische waarden meer te verwachten zijn, is deze onderzoeksvraag niet van toepassing. ADC ArcheoProjecten adviseert om in het noordelijk deel van het plangebied een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van het aanleggen van proefsleuven.

In het zuidelijk deel van het plangebied adviseert ADC ArcheoProjecten om in het plangebied geen aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren. Programma van Eisen Naar aanleiding van het advies van ADC ArcheoProjecten zal in het noordelijke deel van het plangebied een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd worden. Ter voorbereiding op dit vervolgonderzoek is een Programma van Eisen opgesteld door Aeres Milieu. Deze is opgenomen in de bijlagen. De zone die

Hoofdstuk 4

62

voor vervolgonderzoek in aanmerking komt heeft een oppervlakte van circa 3,4 hectare. Gezien het programma en het behoud van een groot deel van het plangebied in huidige vorm (geen werkzaamheden gepland) komt het te onderzoeken deel van het plangebied neer op circa 8.000 m 2. Dit is in het Programma van Eisen nader afgebeeld. Op 10 mei 2022 is het selectiebesluit genomen ten aanzien van dit programma van eisen. Vervolgens is het proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Proefsleuvenonderzoek Er is door Aeres milieu in juli 2022 een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd op de locatie conform het Programma van Eisen. Dit document is opgenomen in de bijlagen. Hierna worden de belangrijkste conclusies beschreven. In het plangebied zijn geen archeologische waarden aangetroffen. Dit komt niet doordat het terrein verstoord of afgegraven is. De bodemopbouw lijkt namelijk nog grotendeels intact te zijn. Kennelijk is er nooit een vindplaats aanwezig geweest binnen het onderzochte deel van het plangebied. Hoewel niet alle sleuven zijn aangelegd, is er ook geen aanleiding om aan te nemen dat er buiten het onderzochte deel van het plangebied een vindplaats verwacht wordt, aangezien er aan de randen van het plangebied, volgens het vooronderzoek, (duin)vaaggronden bevinden. Waarop de kans op het aantreffen van archeologische waarden lager wordt ingeschat.

De aanbeveling luidt als volgt: Binnen het onderzochte deel van het plangebied is geen vindplaats aangetroffen. De kans dat er buiten het onderzochte deel nog een vindplaats aanwezig is, wordt op basis van de huidige onderzoeksresultaten en op basis van andere onderzoekgegevens als laag ingeschat. Het aanleggen van de laatste proefsleuf zal dus weinig tot geen toegevoegde waarde hebben en Aeres Milieu adviseert daarom geen nader onderzoek uit te voeren. 4.11.3 Conclusie Uit het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek blijkt dat geen archeologische waarden of vindplaatsen zijn aangetroffen. De dubbelbestemming is verwijderd op de locaties waar het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd. Daarnaast is in het zuidelijke deel ook de dubbelbestemming verwijderd, wat al volgende uit het eerder uitgevoerde bureauonderzoek en daarop gebaseerde PvE en selectiebesluit.

4.12 Cultuurhistorie 4.12.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal

Hoofdstuk 4

63

4.12.2 Onderzoek De cultuurhistorische waarden in Noord-Brabant zijn opgenomen op de CHW-kaart. Een uitsnede hiervan is weergegeven in figuur 4.3. In figuur 4.4 is een uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vught weergegeven.

Figuur 4.3: Uitsnede CHW-kaart Noord-Brabant

Hoofdstuk 4

64

Figuur 4.4: Uitsnede CHW-kaart Vught

Op de kaarten is te zien dat in het plangebied geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten in het plangebied aanwezig zijn. Ook zijn er geen monumentale bomen aanwezig of lopen er waardevolle lijnstructuren door het plangebied. De cultuurhistorische waarden ter plaatse van het plangebied worden mede bepaald door het historische groen ter plaatse van het Kloostergoed. Dit is op de gemeentelijke kaart aangegeven als ‘historisch groen – waarde redelijk hoog’. Dit groen en de historie van het plangebied heeft centraal gestaan bij de planvorming op deze locatie. Dit wordt ook nader toegelicht in de gebiedsvisie. Onder andere het volgende is beschreven: “Een locatie waar het lijkt alsof de tijd heeft stilgestaan. Tot 2008 hebben daar ruim 60 jaar nonnen gewoond en dat merk je aan de serene sfeer in het park.” “Het landgoed is een bevoorrechte plek. Al meer dan een eeuw enigszins verscholen. De geschiedenis en aanwezige ingrediënten gebruiken we bij het vormgeven van een bijzondere, gezonde, prettige en mooie woonomgeving. Een omgeving die de gedeelde identiteit kan vormen voor de bewoners.” “Kloostergoed Theresia is een plek waar je bij het betreden direct bewust bent van de bijzondere eigenschappen van het landschap. De groenkwaliteiten, de rust, de zorgzaamheid van gebruikers, de weloverwogen omgang met de natuur en het belang van persoonlijk en collectief welbevinden.

Eigenschappen die zeer welkom zijn in de huidige tijd. Het is daarmee zowel een gelaagde plek met veel historie als een plek met waarde voor de toekomst en een bijdrage aan ‘het grotere goed’. “Op dit moment is er in het gebied al sprake van een zekere gemeenschap. Mensen van allerlei ‘pluimage’ komen hier samen. Ouderen maken er een wandeling. Kinderen van de kinderopvang slapen

Hoofdstuk 4

65

buiten in tentjes. Vrijwilligers uit de buurt werken in de moestuin en anderen vinden er weer hun dagbesteding. Een verbonden gemeenschap zorgt voor persoonlijke ontwikkeling, voor omkijken naar elkaar en sterke (ver)banden.”

Figuur 4.5: Luchtfoto van de omgeving van Huize Theresia, datering ca. 1938 (bron: Brabants Historisch Informatie Centrum)

Relatie geschiedenis plangebied met het planvoornemen Begin twintigste eeuw was het landgoed in bezit van fruithandelaar Van Hoeckel, die daar naast zijn landhuis ook een boomgaard had (zie historische foto figuur 4.5). Na de Tweede Wereldoorlog kochten de Zusters JMJ deze locatie, sloopten het landhuis en bouwden het huidige klooster. De voormalige garage en het bakhuis bleven behouden. In 2008 hebben de zusters de locatie verlaten en is er tijdelijk een kinderdagverblijf in de bestaande gebouwen ondergebracht. Ook heeft De Scheve Schup tot en met 2021 een moestuin verzorgd. Tot deze periode kwamen de ouderen uit het naastgelegen verzorgingstehuis Theresia bij mooi weer een kop koffie drinken bij de Scheve Schup en ontmoetten zij de spelende kinderen van het kinderdagverblijf. In de lijn van de zorgzame plek van zusters, is dit zo voortgezet. Met het vastgestelde bestemmingplan Vughterstede, locatie Merpatistraat (2017-12-14) is in lijn van de ‘Visie Theresiapark te Vught’ allereerst de huisvesting voor ouderen gerealiseerd, zijnde twee appartementen blokken. Voorliggende planontwikkeling is een verdere uitwerking van deze visie, waarbij naast de woningbehoefte verder invulling wordt gegeven met het onderbrengen van het kinderdagverblijf en een nieuw thuis voor zorgbehoevende jongeren, in de vorm van een zorgwoning met 10 wooneenheden.

Zodoende wordt met deze programmering de voormalige zorgzame plek van de zusters voortgezet. Het klooster is volgens de gemeentelijke CHW-kaart een bouwwerk met een hoge waarde. De constructieve opzet en de bouwtechnische staat van de panden geven echter geen aanleiding om tot herbestemming over te gaan. Om deze reden is gekozen voor nieuwbouw op deze plek. Wel wordt op deze plek de nieuwbouw dusdanig in zijn beeldtaal vorm gegeven dat deze refereert naar een sobere

Hoofdstuk 4

66

kloosterarchitectuur, zoals de betonnen open structuur aan de zuidzijde, de symmetrie en de heldere gevelindeling. Het glas-in-lood dat aanwezig is in het kloostergebouw wordt meegenomen in de ontwikkeling. Het paneel is van groot formaat en er zijn symbolische en geometrische vormen en objecten op afgebeeld. Het glas-in-loodpaneel verwijst naar de rijke geschiedenis en gelaagdheid van Kloostergoed Theresia. De mogelijkheden voor hergebruik van het paneel op het terrein worden onderzocht. Het streven is om het paneel als één geheel in de nieuwbouw te integreren die onderdeel uitmaken van het nieuw te realiseren ‘Klooster’. Tevens zal het bestaande altaar uit deze kapel worden hergebruikt binnen de planontwikkeling. Wat betreft de planopzet, kijkend naar de landschappelijk structuur van de huidige locatie, wordt deze zo veel als mogelijk gevolgd. Zo is de entree, die al ten tijde van het landhuis de entree was van het landgoed, gerespecteerd en behouden. Belangrijk uitgangspunt is de beleving als men via de Jagersboschlaan het landgoed betreedt. Na een smalle, groen omzoomde toegangsweg wordt men aan de linkerzijde verrast door de lange zichtlijnen. Dit straalt rust en ruimte uit zoals dat ook ten tijde van de zusters beleefd werd. De oude bomenlaan die van west naar oost over het landgoed loopt blijft behouden.

Ten noorden van deze bomenlaan wordt de nieuwbouw gerealiseerd op en rond de plek van het huidige klooster. De benaming van dit plandeel is Klooster en wordt naar een klooster refererende architectuurstijl gerealiseerd. De openheid van de voormalige tuin van de zusters ten noorden van het Klooster blijft zoveel als mogelijk behouden. Het voormalige wandelpad van het oorspronkelijke tuinplan is waar mogelijk aangehouden voor de situering van de nieuw te realiseren ontsluitingsweg voor de vrije kavel bouw. Het ten zuiden van de bomenlaan gelegen plandeel Moestuin, refereert naar de op deze plek gelegen moestuin. De architectuur van de nieuwbouw in dit plandeel refereert naar de schuren. Tot slot zal de nieuw te realiseren beplanting in de openbare ruimte onder andere bestaan uit vruchtdragende bomen en struiken, waarmee de referentie wordt gelegd naar het voormalige gebruik van de plek, zijnde de fruithandelaar Van Hoeckel. Tevens zal naar behoefte van toekomstige bewoners en omwonenden waar mogelijk gekeken worden in hoeverre een kleine moes- en kruidentuin in het openbare gebied gefaciliteerd wordt. 4.12.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat met de planvorming zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met het historische groen en de aanwezige historische waarden. Het groen kan worden beleefd en worden versterkt met de planvorming.

De cultuurhistorie wordt meegenomen in de ontwikkeling en het onderdeel cultuurhistorie zorgt daarom niet voor belemmeringen.

4.13 Explosieven 4.13.1 Toetsingskader De gemeente Vught heeft de afgelopen decennia in diverse projecten spontaan Conventionele Explosieven (CE) uit de Tweede Wereldoorlog aangetroffen. Om deze reden is een gemeentedekkend

Hoofdstuk 4

67

vooronderzoek naar conventionele explosieven uitgevoerd. Hiermee kunnen in één oogopslag eventuele risico’s in toekomstige projecten worden afgelezen. Dit vooronderzoek is ter indicatie opgenomen in de bijlagen. Dit vooronderzoek vormt het toetsingskader voor ruimtelijke projecten. 4.13.2 Onderzoek Aanvullend op dit eerdere vooronderzoek is door Expload een update gemaakt die ingaat op de risico’s ten aanzien van explosieven in het plangebied van Theresia. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hierna worden de belangrijkste conclusies beschreven. Uit een inventarisatie en analyse van historisch bronnenmateriaal is geconcludeerd dat er in het onderzoeksgebied geen sprake is van een aantoonbaar verhoogde kans op aanwezigheid van explosieven. Geadviseerd wordt om de werkzaamheden op reguliere wijze uit te voeren en tijdens de grondroerende werkzaamheden het “protocol onverwacht aantreffen ontplofbare oorlogsresten” te hanteren. 4.13.3 Conclusie Het onderdeel explosieven zorgt niet voor belemmeringen.

4.14 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De aanmeldingsnotitie met vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen als separate bijlage. Geconcludeerd is dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden.

De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

Hoofdstuk 4

68

5.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkelingen zoals beschreven in hoofdstuk 2 juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De regels zijn daarnaast afgestemd op het Handboek bestemmingsplannen van de gemeente Vught. Hiermee wordt een zoveel mogelijk uniforme systematiek van de bestemmingsplannen binnen de gemeente Vught nagestreefd. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4.

inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.

Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages,

Hoofdstuk 5

69

hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels. Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten): Bestemmingsomschrijving In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functie(s). De hoofdfunctie(s) worden als eerste genoemd. Indien van toepassing worden ook de aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies genoemd. De ondergeschiktheid kan worden aangegeven door de woorden 'met daaraan ondergeschikt'. De ondergeschikte functies staan ten dienste van de hoofdfunctie binnen de betreffende bestemming. Bouwregels In de bouwregels is bepaald welke bouwwerken mogen worden opgericht, waarbij in ieder geval een onderscheid wordt gemaakt tussen de regeling van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde en daar waar van toepassing ook tussen hoofdgebouwen en bijgebouwen. Voorts bevatten de bouwregels, voor zover van toepassing, minimale en maximale maatvoeringen voor de diverse bouwwerken zoals goothoogtes, bouwhoogtes, oppervlaktes en dakhellingen.

Nadere eisen Nadere eisen kunnen worden gesteld aan bijvoorbeeld de situering van bouwwerken ten behoeve van bepaalde criteria, zoals een goede woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. De nadere eisenregeling biedt de mogelijkheid om in concrete situaties in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen sturend op te treden door het opnemen van nadere eisen in de omgevingsvergunning. Nadere eisen kunnen alleen worden gesteld als er in de regels ook een primaire eis wordt gesteld. De nadere eisen moeten verband houden met deze eis. De nadere eisenregeling hoeft niet in alle bestemmingen te worden geregeld. Afwijken van de bouwregels Door het opnemen van afwijkingsbevoegdheden wordt flexibiliteit in bestemmingsregels gecreëerd door mogelijkheden te bieden om in beperkte mate af te wijken van de algemeen toegestane bouwregelingen. Deze bevoegdheden zijn niet bedoeld voor afwijkingen van de bouwregels, waarvan de verwachting is, dat ze veelal kunnen worden verleend. In dat geval zijn de bouwregels hierop aangepast.

Voor elke afwijking is aangegeven waarvan een omgevingsvergunning voor het afwijken van de bouwregels wordt verleend, de maximale afwijking die met de omgevingsvergunning kan worden toegestaan en meestal de situaties of voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning wordt verleend. Het gaat hier om afwijkingsbevoegdheden voor specifieke bestemmingen. Indien afwijkingsbevoegdheden gelden voor meerdere bestemmingen dan wel een algemene strekking hebben, zijn ze opgenomen in hoofdstuk 3 van de regels (de algemene regels). Specifieke gebruiksregels Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is artikel 7.10 Wet ruimtelijke ordening vervallen. In dit artikel was het verbod opgenomen om gronden te gebruiken op een ma-

Hoofdstuk 5

70

nier die in strijd is met het bestemmingsplan. Derhalve moeten in de specifieke gebruiksregels bepaalde functies concreet worden genoemd als zijnde verboden gebruik. Ook het laten gebruiken moet specifiek worden genoemd. Afwijken van de gebruiksregels Door middel van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de gebruiksregels kan van de gebruiksregels in het plan worden afgeweken ten behoeve van een concrete vorm van grondgebruik. Dit mag echter niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Het afwijken van de gebruiksregels dient te zien op kleinere, planologisch minder ingrijpende onderwerpen. Functiewijzigingen en grotere, ruimtelijke ingrepen dienen te worden geregeld via een wijzigingsbevoegdheid, een afzonderlijke bestemmingsplanherziening of via de mogelijkheden van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (buitenplans). Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Met een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden kunnen specifieke inrichtingsactiviteiten aan een werk of werkzaamheid worden verbonden. Onder deze inrichtingsactiviteiten valt niet het bouwen en het gebruiken.

Een vergunningenstelsel wordt opgenomen om extra bescherming aan een specifieke waarde van de bestemming te bieden, zoals landschappelijke of natuurlijke waarden, ecologische waarden of de groen- en/of waterstructuur. Wijzigingsbevoegdheid Een wijzigingsbevoegdheid maakt het mogelijk voor het college van burgemeester en wethouders om een bestemming te wijzigen. Hiervoor wordt een wijzigingsplan geschreven, inclusief omgevingsonderzoeken en vervolgens in procedure gebracht. Als de nieuwe Omgevingswet in werking treedt, naar verwachting per 1 januari 2022, zullen de wijzigingsbevoegdheden die zijn opgenomen in dit bestemmingsplan procedureel niet meer toegepast mogen worden en vervallen. Vanaf dat moment dienen de wijzigingsregels en voorwaarden die daarin staan, voor de gemeente, als toetsingskader voor omgevingsvergunningen. De procedure zal onder de Omgevingswet alleen anders worden doordat naar verwachting vaak een reguliere procedure doorlopen kan worden. Bestemmingsvlakken en aanduidingen De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Met deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten.

Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. Dit wordt eventueel met een bouwvlak en aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering (maximale goot- en of bouwhoogte, bebouwingspercentage) op de verbeelding aangeven. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven. Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen:  Anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een

Hoofdstuk 5

71

 

bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. Daarnaast zijn regels opgenomen ten aanzien van bestaande afstanden en andere maten ingeval van strijdigheid met de nieuwe bestemmingsregels. Ook is hierin geregeld wanneer overschrijding van bouw- en bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan. Ook in dit hoofdstuk is een aantal voorwaardelijke verplichtingen opgenomen, zoals voor het voldoen aan de parkeernormen van de gemeente dn het waarborgen van voldoende waterberging. Algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd. In dit artikel is een regeling opgenomen voor kamerverhuur in het plangebied. Dit kan alleen toegestaan worden nadat het bevoegd gezag hiervoor een vergunning verleend heeft, waarbij door initiatiefnemer word aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefklimaat, er voldoende parkeerplekken zijn (ook voor fietsen) en er geen onevenredige toename van de verkeersaantrekkende werking plaatsvindt.

Algemene aanduidingsregels voor ‘Waardevolle bomen’: de waardevolle bomen die in het plangebied aanwezig zijn, vallen met name in de bestemming ‘Groen’, maar hier en daar ook binnen de bestemming ‘Wonen’. De bestemmingen zijn voorzien van een extra aanduiding ter bescherming van de bomen. Algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van nietingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. Algemene wijzigingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. Algemene procedureregels. Overige regels.

Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.

5.3 Bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen.    

Groen Maatschappelijk Verkeer- Verblijfsgebied Wonen (Wonen, Wonen -1 en Wonen -2)

Groen Deze bestemming is toegekend aan het groene parkachtige gedeelte (Theresiapark), waar de voorzieningen (wonen en maatschappelijke voorzieningen) gerealiseerd worden, en dat onderdeel uitmaakt van dit bestemmingsplan. Deze bestemming is toegekend voor de instandhouding en ontwikkeling van

Hoofdstuk 5

72

natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen en ook geen bouwwerken, geen gebouwen zijnde gebouwd worden. Er is een omgevingsvergunning nodig voor onder andere het verwijderen van groen, ophogen / afgraven van de gronden en aanleggen van verhardingen buiten de bestemming Verkeer – Verblijfsgebied. Hoofdontsluitingswegen. De parkeerterreinen die nodig zijn voor de realisatie van het plan, zijn aangegeven met een aparte aanduiding. Deze mogen alleen halfverhard of onverhard zijn. Maatschappelijk De bestemming Maatschappelijk is toegekend aan kinderopvang Mowgli en de zorginstelling. De bestemming is breed omschreven, waarbij naast de kinderopvang en zorginstelling met bijbehorende voorzieningen ook eventuele andere maatschappelijke functies mogelijk zijn. Verkeer - Verblijfsgebied De bestemming 'Verkeer-Verblijfsgebied' is toegekend aan de wegen, voet- en fietspaden, in- en uitritten, infrastructurele voorzieningen in het plangebied. Ook parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en nutsvoorzieningen zijn binnen de bestemming mogelijk. Wonen De ontwikkeling voorziet in het realiseren van circa 156 woningen (inclusief circa 10 zorgwoningen). Om dit mogelijk te maken is de bestemming 'Wonen' toegekend.

Per bouwvlak op de verbeelding is het aantal toegestane woningen aangegeven (maatvoeringsaanduiding), de hoogte (maximum gooten bouwhoogte). Het maximum bebouwingspercentage is opgenomen in de regels. Er worden 3 verschillende woonbestemmingen onderscheiden, die niet veel van elkaar verschillen. Het verschil zit vooral in het type woningen en de daarbij behorende bouwregels:  Wonen: Moestuin (48), Klooster (78) en de poelwoningen (max 8).  Wonen -1: servicewoningen (zorgwoningen) (10)  Wonen -2: bosrandwoningen (12) Voor Wonen en Wonen-1 geldt dat hoofdgebouwen in het bouwvlak moeten worden gebouwd en met een maximale hoogte die op de verbeelding is opgenomen. De bouw- en goothoogte van bijgebouwen mogen 5 meter en 3.5 meter bedragen. Voor Wonen-2 (de 12 bosrandwoningen) gelden specifieke eisen die deels zijn opgenomen in het document ‘Beeldkwaliteit bosrandwoningen', dat als bijlage bij het bestemmingsplan is gevoegd. De ruimtelijk meest relevante bepalingen, zoals dat de hoofdgebouwen binnen het bouwvlak moeten worden gebouwd, de goot- en bouwhoogten, dakhelling, terugliggende bijgebouwen (3 meter) zijn opgenomen in de planregels en op de verbeelding.

Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders - in het belang van het realiseren van het stedenbouwkundig beeld, de landschappelijke, waterhuishoudkundige en natuurlijke kwaliteit - nadere eisen stellen ten aanzien van het bebouwingspercentage, de plaats en afmetingen van hoofdgebouwen en aan-, uit- en bijgebouwen. De randvoorwaarden zijn opgenomen in het document ‘Beeldkwaliteit bosrandwoningen'. Daarbij worden 2 verschillende woningtypes onderscheiden die middels specifieke bouwaanduidingen ‘bos’ en ‘open veld’ zijn aangeduid. Aan huis gebonden beroepen zijn toegestaan als aan een aantal in het bestemmingsplan opgenomen regels voldaan wordt. De omvang mag niet meer bedragen dan 25% van de gezamenlijke vloeroppervlakte tot een maximum van 50m². Het beroep aan huis mag geen hinder veroorzaken voor omliggende percelen.

Hoofdstuk 5

73

6.

UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen:  de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen;  de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;  de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de bouw van maximaal 156 woningen. Er is sprake van een of meerdere bouwplannen als bedoeld in het Bro en dus is kostenverhaal aan de orde.

Ten behoeve van onderhavig grondexploitatie heeft de gemeente met de ontwikkelende partij een (anterieure) exploitatieovereenkomst gesloten waarin de kosten voor de grondexploitatie worden verhaald op deze ontwikkelende partij. Hiermee is het verhaal van kosten anderszins verzekerd en is het opstellen van een exploitatieplan in dit kader op basis van artikel 6.12 lid 2 van de Wro niet noodzakelijk. De raad heeft ook voor het overige afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden:  Vooroverleg;  Inspraak;  Vaststellingsprocedure.

Hoofdstuk 6

74

6.2.1 Vooroverleg en inspraak Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan worden geïnformeerd. Te zijner tijd zullen de uitkomsten van het vooroverleg en de consequenties voor het bestemmingsplan worden beschreven in deze paragraaf. De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken. Voor dit plan wordt de inspraakfase overgeslagen en wordt direct de zienswijzenperiode gestart. 6.2.2 Zienswijzen, vaststelling en beroep In de periode van 2 maart 2023 t/m 12 april 2023 heeft het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegen. In deze periode konden zienswijzen worden ingediend.

In totaal zijn 5 verschillende zienswijzen ingediend op het plan. Op basis hiervan hebben enkele wijzigingen plaatsgevonden. PM

Hoofdstuk 6

75

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Verkeer en ontsluiting Bijlage 2: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 3: Quickscan flora en fauna Bijlage 4: Vervolgonderzoek ecologie Bijlage 5: Stikstofonderzoek Bijlage 6: Asbestinventarisatie Bijlage 7: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 8: Nader bodemonderzoek Bijlage 9: Watertoets Bijlage 10: Waterhuishoudkundig plan Bijlage 11: Archeologisch onderzoek Bijlage 12: PvE Archeologie Bijlage 13: Vooronderzoek explosieven Bijlage 14: Update explosievenonderzoek Bijlage 15: Aanmeldnotitie Bijlage 16: Ladderonderbouwing Bijlage 17: Advies Veiligheidsregio Bijlage 18: Selectieadvies PvE Bijlage 19: Landschappelijke inrichting en ecologische uitgangspunten Bijlage 20: Parkeerbalans Bijlage 21: Bomenkaart Bijlage 22: Besluit ontheffing soorten Bijlage 23: Adviesdocument proefsleuven Bijlage 24: Voorlopig schetsontwerp Bijlage 25: Toets versnippering NNB

Hoofdstuk 6

76

Kloostergoed Theresia

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

4

Artikel 1 Artikel 2

Begrippen Wijze van meten

4 12

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

14

Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10

Groen Maatschappelijk Verkeer - Verblijfsgebied Wonen Wonen - 1 Wonen - 2 Waarde - Archeologie 4 Waarde - Archeologie 5

14 17 19 21 23 25 28 31

Hoofdstuk 3

Algemene regels

34

Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15 Artikel 16

Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels

34 35 36 38 39 40

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

41

Artikel 17 Artikel 18

Overgangsrecht Slotregel

41 42

2

Bestemmingsplan "Kloostergoed Theresia" (vastgesteld)

REGELS

Hoofdstuk 6

78

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder: 1.1

Plan

Het bestemmingsplan Kloostergoed Theresia met identificatienummer NL.IMRO.0865.vghBPKloosTheresia-VG01 van de gemeente Vught. 1.2

Bestemmingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3

Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4

Aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5

Aaneengebouwd

Een gebouw, deel uitmakend van een bouwmassa, bestaande uit drie of meer aan elkaar gebouwde grondgebonden hoofdgebouwen. 1.6

Bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.7

Bebouwingspercentage

Een op de kaart of in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een bouwvlak aangeeft, dat ten hoogste bebouwd mag worden. 1.8

Bedrijf of beroep aan huis

Een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet publieksaantrekkend zijn en die op kleine schaal vanuit een woning en/of daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend door de hoofdbewoner, waaronder niet begrepen het verstrekken van logies, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie. 1.9

Bedrijfsactiviteiten

Vormen van bedrijf vergelijkbaar met of zoals benoemd in de als bijlage 2 bij de regels opgenomen Lijst van Bedrijfsactiviteiten.

4

Bestemmingsplan "Kloostergoed Theresia" (vastgesteld)

1.10

Bedrijfswoning

Een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) één persoon of huishouden, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is. 1.11

Bestaand

Bestaand en legaal aanwezig ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. 1.12

Bestemmingsgrens

De grens van een bestemmingsvlak. 1.13

Bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.14

Bijgebouw

Een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.15

Bijbehorend bouwwerk

Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak, daaronder begrepen: aanbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag, een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt; bijgebouw: een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; uitbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag, een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een vergroting van een bestaande ruimte inhoudt; carport/overkapping: een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met tenminste een dak en niet of slechts aan één zijde voorzien van een wand, bestaande wanden van overige

gebouwen meegerekend;

Bestemmingsplan "Kloostergoed Theresia" (vastgesteld)

5

1.16

Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.17

Bouwgrens

De grens van een bouwvlak. 1.18

Bouwlaag

Een boven het peil gelegen en doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen binnenwerks is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder. 1.19

Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.20

Bouwperceelgrens

De grens van een bouwperceel: voorste bouwperceelsgrens: de grens van een bouwperceel gelegen aan een weg waaraan wordt gebouwd, tenzij door burgemeester en wethouders een andere perceelsgrens als zodanig wordt aangewezen; zijdelingse bouwperceelsgrens: de grens van een bouwperceel die loodrecht of nagenoeg loodrecht staat op de voorste bouwperceelsgrens; achterste bouwperceelsgrens: de meest van de weg af gelegen bouwperceelsgrens, evenwijdig of nagenoeg evenwijdig aan de voorste bouwperceelsgrens. 1.21

Bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.22

Bouwwerk

Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.23

Dak

De gesloten bovenbeëindiging van een gebouw. 1.24

Dakkapel

Verticaal raamkozijn in een schuin dak, voorzien van een eigen dak en van zijwanden, en aan alle zijden omgeven door het betreffende dakvlak.

6

Bestemmingsplan "Kloostergoed Theresia" (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=e80131c7-e88c-4028-966a-dd7b34f7a669