Bijlage - Regels en toelichting
Tekst van het document
Vergunningsvrije bouwwerken die voldoen aan de sneltoetscriteria of de welstandsvrije criteria zijn in elk geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand. Bij afwijkingen daarvan zal het bevoegd gezag desgevraagd beoordelen of het bouwwerk in ernstige mate met die criteria in strijd is.
Hoofdstuk 3
33
Figuur 3.2: Welstandskaart Vught
Doorwerking plangebied In figuur 3.2 is de welstandskaart weergegeven met de ligging van het plangebied. Het plangebied valt binnen welstandsniveau 3 ‘resterend grondgebied’. Voor deze wijken (m.u.v. nieuwbouw in historisch lint en monumenten) gelden geen beoordelingscriteria op basis van de Welstandsnota gemeente Vught, 2e herziening. Voor dit bestemmingsplan gelden dus geen welstandscriteria. Wel is de excessenregeling van toepassing. 3.3.4 Nota Groen – Groen verbindt Groen is van grote waarde voor de uitstraling van de gemeente Vught. De Nota Groen, Groen Verbindt, biedt kaders en uitgangspunten voor de realisatie van een duurzame en karakteristieke groenstructuur. De structuur- en beeldbepalende groenstructuren zijn een leidraad voor de toekomstige ontwikkelingen in de openbare ruimte en vormen de basis voor de ontwikkeling van de gewenste groenstructuur. Groen is één van de aspecten die de inrichting van de openbare ruimte bepaald. In de Nota Groen worden dwarsverbanden gelegd tussen alle relevante plannen over groen en de buitenruimte. Naast de historische elementen en structuren wordt Vught gekenmerkt door de aanwezigheid van veel volwassen laanbeplantingen. Deze zorgen voor een rijke en groene uitstraling en een monumentaal karakter. Met name de lanen en bomenrijen met bomen van de 1e of 2e grootte dragen bij aan dit beeld.
Het betreft in Vught over het algemeen soorten als: linde, eik, beuk, plataan, kastanje en acacia. Tevens spelen deze lanen een belangrijke rol in het begeleiden van het verkeer en bevorderen ze de oriëntatie. Dergelijke lanen en bomenrijen worden als structuurbepalend groen aangemerkt als ze de hoofdwegen in het gebied begeleiden (op basis van verkeer- en vervoersplan). Lanen en bomenrijen van secundaire wegen behoren tot het beeldbepalend groen (wijkontsluiting).
Hoofdstuk 3
34
Figuur 3.3: Groenstructuurkaart
Doorwerking plangebied De huidige groenstructuren zijn weergegeven op de groenstructuurkaart van de gemeente Vught, zie figuur 3.3. In het plangebied komt ‘Structuurbepalend groen’ voor. Het overige deel van het plangebied is als ‘Landgoederen’ aangeduid. Met de ontwikkeling van Theresia wordt ingezet op het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad naar land. Groen en het behoud van structuurbepalend groen staat centraal in onderhavig woningbouwplan. De waardevolle bomen zijn daarnaast in beeld gebracht, zie figuur bijlage 21. Ook is globaal in beeld gebracht welke bomen gekapt moeten worden. De oude bomenlaan die van west naar oost over het landgoed loopt blijft behouden. Ten noorden van deze bomenlaan wordt de nieuwbouw gerealiseerd op en rond de plek van het huidige klooster. De landschappelijke inpassing en ook de ecologische principes zijn opgenomen in het stedenbouwkundig plan (artikel 3.9 IOV) en ook als bijlage 19 bij deze toelichting. Hier wordt dan ook naar verwezen. De ecologische principes per deelgebied van Kloostergoed Theresia worden hier beschreven. Ook wordt inzicht gegeven in de groensoorten (kruiden, bomen, grassen etc.) die op het terrein aanwezig zullen
Hoofdstuk 3
35
zijn en worden geïntegreerd in het inrichtingsplan. De groene overgang van de woningen en woongebieden naar het bosgebied staat hierbij centraal. 3.3.5 Mobiliteitsvisie Op 15 juli 2022 heeft de gemeente Vught haar mobiliteitsvisie geactualiseerd in een nieuwe visie. Het voormalige VVP (Verkeers- en Vervoersplan) maakte daarbij plaats voor deze Mobiliteitsvisie. De ontwikkeling van Kloostergoed Theresia sluit goed aan op de mobiliteitsvisie. Het plan typeert zich als een woongebied. Met die typering sluit deze ontwikkeling goed aan op de kaders uit de nieuwe mobiliteitsvisie. In paragraaf 3.2.2 van de mobiliteitsvisie staat namelijk het volgende: 30 km in de bebouwde kom Woongebieden bestaan uit woonwijken, waar verblijven de hoogste prioriteit heeft. De maximumsnelheid is 30 km/uur. We richten alle wegen in de 30 km-zones zodanig in dat het wegbeeld overeenkomt met de functie. Waar mogelijk voeren we dit uit door werk met werk te maken. Een verkeersveilige inrichting zien we als een basisvoorwaarde, we hanteren hiervoor de richtlijnen van Duurzaam Veilig. Daarbij hebben we aandacht voor groen als onderdeel van de openbare ruimte. Het is opgesteld middels de CROW richtlijnen. De in bovenstaande passage genoemde richtlijnen van Duurzaam Veilig zijn door vertaald in de CROW richtlijnen.
Daarmee is te stellen dat het ontwerp van Kloostergoed Theresia één-op-één aansluit bij de mobiliteitsvisie. Binnen woongebieden vindt in de basis menging van verkeer plaats, maar heeft de voetganger en fietser meer prioriteit. De auto komt op de tweede plaats. Dit heeft binnen het plangebied invulling gekregen door de inrichting van de wegen als 30km/u, een en ander conform de CROW richtlijnen. Met een 30km/u inrichting is enerzijds menging van verkeer veilig mogelijk en wordt anderzijds autoverkeer beperkt in zijn doorstroming. Daarbij is het goed om op te merken dat voetgangers en fietsverkeer meerdere mogelijkheden hebben om zich van en naar het plangebied te verplaatsen. Dit in tegenstelling tot gemotoriseerd verkeer. Dit verkeer kan het gebied op slechts een centrale locatie verlaten. Via de nieuwe ontsluitingsweg sluit dit verkeer direct aan op de ontsluitende wegenstructuur, namelijk de Vijverbosweg.
Hoofdstuk 3
36
4.
OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.
4.1 Verkeer en parkeren Verkeer Er is door Royal HaskoningDHV een verkeersanalyse uitgevoerd voor het plangebied. Deze analyse is opgenomen in de bijlagen. De belangrijkste conclusies worden hieronder beschreven. Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie voor de woningen is berekend middels de kencijfers van CROW 381. Dit leidt tot een totale verkeersgeneratie van 1.086 mvt/werkdagetmaal. Voor het kinderdagverblijf wordt uitgegaan dat deze niet zorgt voor extra verkeer aangezien het huidige kinderdagverblijf zal verdwijnen en elders herbouwd zal worden. Het vloeroppervlakte blijft gelijkt. De verkeersgeneratie is in onderstaande tabel weergegeven. De totale verkeersgeneratie op het spitsmoment komt neer op 1.086 mvt/etmaal.
* opsomming maximale verkeersgeneratie (weekdag) staat in de tabel weergegeven als 979 woningen, terwijl dit 978 woningen zijn. Dit is een afrondingsfout. De totale maximale verkeersgeneratie voor de werkdag is wel juist weergegeven.
Verkeersafwikkeling Uitgangspunten verkeersgeneratie nieuwe ontwikkeling: 10% van het verkeer op de Jagersboschlaan gaat richting het oosten en 10% van het verkeer op de Jagersboschlaan komt vanuit het oosten 90% van het verkeer op de Jagersboschlaan gaat richting het westen (Vijverbosweg) en 90% van het verkeer op de Jagersboschlaan komt vanuit het westen Toedeling van het verkeer van de ontwikkeling bij kruispunt met Vijverbosweg is op basis van verhoudingen verkeersstromen uit het verkeersmodel
Hoofdstuk 4
37
Kruispuntanalyses Het kruispunt Vijverbosweg-Jagersboschlaan kent de hoogste intensiteiten, zo blijkt uit de kruispuntstromen. Vanwege deze intensiteiten wordt de verkeersafwikkeling van dit kruispunt voor drie kruispuntvormen getoetst. De kruispuntanalyses zijn aan de hand van de kruispuntstromen uitgevoerd met behulp van Capacito en de Meerstrooksrotondeverkenner. De uitgangspunten voor de analyses zijn beschreven in de bijlagen. Er zijn twee varianten berekend, waarbij onderscheid is gemaakt tussen het in- en uitrijden bij de inritten aan de Jagersboschlaan en Vijverbosweg. 1. Variant 1: De nieuwe ontwikkeling wordt middels een nieuwe ontsluitingsweg aangesloten op de Jagersboschlaan (rode cirkel). Verkeer van én naar de ontwikkeling maakt gebruik van de nieuwe ontsluitingsweg. 2. Variant 2: Het verkeer richting de ontwikkeling maakt gebruik van een bestaande ontsluitingsweg die is aangesloten op de Jagersboschlaan (rode en oranje cirkel), dit is een éénrichtingsweg. Het verkeer vanuit de ontwikkeling maakt gebruik van een nieuwe ontsluitingsweg die is aangesloten op de Vijverbosweg (groene cirkel), dit wordt een tweerichtingsweg. Hieronder zijn de resultaten en conclusies beschreven.
Figuur 4.1: Ligging ontsluitingen
Conclusie De toename aan verkeer door deze ontwikkeling zorgt over het algemeen niet voor afwikkelingsproblemen in de omgeving. Aan de westzijde van het plangebied wordt een ontsluiting (twee richtingen) toegevoegd aan de Vijverbosweg die verkeerskundig is getoetst. Parkeren Het parkeerbeleid van de gemeente Vught is opgenomen in de ‘Parkeerbeleid en Parkeernota 20132022’, vastgesteld op 7 februari 2013. In het Parapluplan parkeren (vastgesteld op 6 juni 2018) is tevens een digitale verwijzing opgenomen ten aanzien van dit parkeerbeleid. Bij de realisatie van de woningen in het plangebied moet voldaan worden aan de normen. In de bijlagen is een parkeerbalans opgenomen. In dit geval is in de regels van het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van parkeren. Het onderdeel parkeren is hiermee voldoende geborgd. Op eigen terrein is in ieder geval voldoende ruimte aanwezig om aan de parkeerbehoefte te voldoen. Conform
Hoofdstuk 4
38
het huidige programma ontstaat een parkeerbehoefte van 190 parkeerplaatsen op het meest maatgevende moment. De vrijstaande (bos)woningen krijgen eigen parkeerplaatsen direct aan de ontsluiting en bij de woningen/inritten. Mowgli krijgt een eigen parkeerterrein waar de gehele parkeerbehoefte van het kinderdagverblijf kan worden opgevangen. De overige parkeerplaatsen worden aangelegd bij de rijwoningen en appartementen in de moestuin en kloostertuin en bij een parkeerterrein bij de zuidwestelijke ontsluiting.
4.2 Geluid 4.2.1 Toetsingskader Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Tabel: Breedte geluidszones langs wegen
Stedelijk gebied
Buiten stedelijk gebied
Aantal rijstroken
Zone breedte
1 of 2
200 meter
3 of meer
350 meter
1 of 2
250 meter
3 of 4
400 meter
5 of meer
600 meter
In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld.
Hoofdstuk 4
39
Tabel: Maximale ontheffingswaarden Situatie
Maximale ontheffings-
Artikel
waarde Stedelijk gebied
Nieuwe woningen
63 dB
Artikel 83, lid 2 Wgh
Vervangende nieuwbouw
68 dB
Artikel 83, lid 5 Wgh
Buiten stedelijk gebied
Nieuwe woningen
53 dB
Artikel 83, lid 1 Wgh
Agrarische bedrijfsbebouwing
58 dB
Artikel 83, lid 4 Wgh
Vervangende nieuwbouw
58 dB
Artikel 83, lid 7 Wgh
Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van
63 dB
Artikel 83, lid 6 Wgh
een autoweg of autosnelweg
*Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.
4.2.2 Onderzoek Er is door K+ Adviesgroep een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Geluidshinder vanwege bijvoorbeeld stemgeluid van het kinderdagverblijf of vanuit functies in de omgeving is verder behandeld in paragraaf 4.4. Verkeersgegevens De verkeersgegevens voor de Vijverbosweg, Jagersboschlaan, Wielewaal en Kastoeristraat zijn aangereikt door de gemeente Vught. De wegen, inclusief verdelingen, verhardingen en snelheden, zijn in de vorm van een shape-bestand aangeleverd. De aantal voertuigen in de shapebestanden hebben betrekking op een weekdaggemiddelde 2030. In het voorjaar heeft de gemeente Vught nieuwe verkeersmodelcijfers vastgesteld. Deze waren echter nog niet verwerkt in de shape-bestanden. De nieuwe aantallen zijn wel aangeleverd voor een werkdaggemiddelde voor 2030. Deze zijn omgerekend naar weekdaggemiddelde met een standaard omrekengetal van 0.9. Om te komen tot het maatgevende jaar 2033 is daarnaast nog een groeipercentage van 1,5% toegepast, conform opgave van de gemeente. Voor de N65 zijn de verkeersgegevens verkregen van de Rijkswaterstaat. Er liggen plannen voor de reconstructie van de N65. De verkregen verkeersgegevens zijn gebaseerd op deze plannen en hebben een prognosejaar van 2035.
Deze gegevens zijn gebruikt voor dit akoestisch onderzoek. Ter plaatse van het bouwplan komt de N65 in een verdiepte open ‘tunnelbak’ te leggen. RWS heeft aangegeven dat het te tijden van het opstellen van dit akoestisch onderzoek nog niet geheel duidelijk was hoe de verdiepte ligging eruit komt te zien en waar welke afschermende maatregelen geplaatst gaan worden omdat de uitvoerende aannemer nog niet bekend was. Aangegeven werd het onderzoek uit te voeren met alle wegen op eenzelfde maaiveldniveau en zonder afschermende maatregelen. Indien het akoestisch onderzoek wordt herzien op de geluidbelasting op de gevels te berekenen dient eerst te worden nagegaan of deze informatie in de tussen tijd wel beschikbaar is geworden. Voor de wegen binnen het plangebied zijn de aantallen aangeleverd door de opdrachtgever. De aantallen, in werkdag, zijn gebaseerd op een grove schatting op basis van het aantal en soort woningen. Het overzicht is opgenomen in bijlage IV. Deze zijn omgerekend naar weekdaggemiddelde met een
Hoofdstuk 4
40
standaard omrekengetal van 0.9. Gezien de aantallen pas optreden als de bouw gerealiseerd is, wordt geen groeipercentage toegepast. Resultaten Gezoneerde wegen Vijverbosweg De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Vijverbosweg is maximaal 61 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Bij de gemeente Vught kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. De gemeente Vught heeft geen gemeentelijk geluidbeleid waarin eventuele aanvullende eisen worden gesteld. In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat de woningen gerealiseerd worden op een open plek naast de huidige woningbouw. Bronmaatregelen De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Vijverbosweg is maximaal 61 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. Het treffen van bronmaatregelen zorgt er daarom niet voor dat op het gehele plangebied de geluidsbelasting kan worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde. Daarnaast is het aanbrengen van een stiller wegdek op de Vijverbosweg niet wenselijk vanuit financieel oogpunt.
De kosten voor degelijke maatregelen worden geraamd op € 90.000,- (300 m * 6 m * € 50,-). Deze investering zou verricht moeten worden, terwijl de gevelbelasting hiermee slechts maximaal 5 dB kan worden teruggebracht, waardoor er alsnog extra gevelmaatregelen getroffen moeten worden. Het aanpassen van de kozijnen en ramen bij de woningen waar de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden zou gepaard gaan met een kostenpost van circa € 35.000,- (opgebouwd uit ca. € 7.000,- voor de meerkosten vanwege aanbrengen extra geluidwerend glas en ca. € 28.000,- extra voor naaddichting van de kozijnen). Daarnaast spelen ook hier (tijdelijke) negatieve verkeerseffecten op een drukke ontsluitingsweg een rol. Het treffen van maatregelen bij de gevels zal daarom ook meer effect hebben op het woon- en leefklimaat in de woningen. Het vergroten van de afstand tussen de bebouwing en de weg is, zonder aanpassing van het stedenbouwkundig plan, gezien de optredende geluidbelastingen niet effectief genoeg om de overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde teniet te doen. Andere bronmaatregelen, zoals het aanpassen van de verkeersintensiteiten van de weg over het verlagen van de maximale snelheid is eveneens niet wenselijk en/of mogelijk vanwege dezelfde argumenten.
Overdrachtsmaatregelen Het plaatsen van een geluidswerend scherm tussen de Vijverbosweg en het plangebied zou het geluid vanwege de Vijverbosweg ter plaatse van de woningen terug kunnen dringen. Een dergelijk scherm zal in de onderhavige situatie stuiten op bezwaren van stedenbouwkundige aard. Daarnaast zou dit een negatief effect hebben op de cultuurhistorische waarden van het gebied en flora en fauna. Verspreid tussen de Jagersboschlaan, N65 en Vijverbosweg komen verschillende NNB-gebieden voor. Het doorkruisen van deze gebieden met een scherm is onwenselijk. Ook het groen in het plangebied zou hiermee worden afgesloten van de (NNB in de) omgeving. Het treffen van gevelmaatregelen bij de woningen is daarom wenselijker en praktischer.
Hoofdstuk 4
41
N65 De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de N65 is maximaal 53 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Bij de gemeente Vught kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. De gemeente Vught heeft geen gemeentelijk geluidbeleid waarin eventuele aanvullende eisen worden gesteld. In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat de woningen gerealiseerd worden op een open plek naast de huidige woningbouw. Bronmaatregelen De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de N65 is maximaal 53 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). De voorkeursgrenswaarde wordt daarmee met maximaal 5 dB overschreden. Het treffen van bronmaatregelen in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen overwogen worden. De N65 is echter al grotendeels voorzien van 2-laags ZOAB. Het aanbrengen van een ander (nóg) stiller wegdek om de geluidbelasting ten gevolge van de weg terug te dringen is niet wenselijk. De N65 is ten eerste een Rijksweg met 4 rijbanen (2 in oostelijke richting en 2 in westelijke richting). Het verkeer vanwege deze weg heeft een lange rijroute, waardoor ook de stillere wegverharding over een lang wegdek pas een effect zou hebben.
Dit in samenhang met een gezamenlijke breedte van de rijbanen van ca. 13 meter zou betekenen dat een enorm deel van N65 aangepakt zou moeten worden. Dit is ten eerste niet wenselijk vanwege het financiële aspect, maar daarnaast ook niet uit de praktische uitvoerbaarheid en het beheer. De N65 is één van de drukste ontsluitingswegen van de regio. Bronmaatregelen aan deze weg stuiten daarmee op de (tijdelijke) negatieve verkeerseffecten die hiermee gepaard gaan. Daarnaast ligt de aanleg en het beheer van dit nieuwer wegdek in handen van Rijkswaterstaat. Deze grote ingreep staat niet in verhouding met de effecten die dit oplevert. Andere bronmaatregelen, zoals het aanpassen van de verkeersintensiteiten van de weg over het verlagen van de maximale snelheid is eveneens niet wenselijk en/of mogelijk vanwege dezelfde argumenten. Het treffen van gevelmaatregelen bij de planlocatie is daarom wenselijker en praktischer. Overdrachtsmaatregelen Het plaatsen van een geluidswerend scherm ten zuiden van de N65 of ten noorden van het plangebied (aan de Jagersboschlaan) zou het geluid vanwege de N65 ter plaatse terug kunnen dringen. Een dergelijk scherm zal in de onderhavige situatie stuiten op bezwaren van stedenbouwkundige aard. Daarnaast zou dit een negatief effect hebben op de cultuurhistorische waarden van het gebied en flora en fauna.
Verspreid tussen de Jagersboschlaan, N65 en Vijverbosweg komen verschillende NNB-gebieden voor. Het doorkruisen van deze gebieden met een scherm is onwenselijk. Het treffen van gevelmaatregelen bij de woningen is daarom wenselijker en praktischer. Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB. Niet gezoneerde wegen Jagersboschlaan Er is sprake van een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde
Hoofdstuk 4
42
wordt niet overschreden. De geluidbelasting is ten hoogste 45 dB incl. art. 110g Wgh zou de Wet geluidhinder gehanteerd worden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Wielewaal Er is sprake van een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting is ten hoogste 40 dB incl. art. 110g Wgh zou de Wet geluidhinde Kastoeristraat Er is sprake van een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting is ten hoogste 45 dB incl. art. 110g Wgh zou de Wet geluidhinder gehanteerd worden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Wegen plangebied Er is sprake van een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de weg wel beschouwd en wordt ook het toetsingskader van de Wet geluidhinder gehanteerd.
In een aantal waarneempunten zijn gevelbelastingen vastgesteld hoger dan de ‘voorkeursgrenswaarde’. De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 58 dB, zonder aftrek artikel 110g. Zou die aftrek wel worden gehanteerd, dan is de geluidbelasting 53 dB waarmee deze boven de voorkeursgrenswaarde zou liggen wanneer getoetst zou worden aan de Wet geluidhinder. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Omdat geen sprake is van een gezoneerde weg, hoeft ook geen hogere waarden ten aanzien van deze weg worden aangevraagd. Formeel hoeven ten gevolge van deze weg geen maatregelen te worden getroffen aan de gevel. Uit het oogpunt van wooncomfort en gezondheid wordt echter geadviseerd wel maatregelen te treffen om een binnenniveau van 33 dB te garanderen. 4.2.3 Conclusie De geluidsniveaus die zijn berekend in het plangebied ten gevolge van het wegverkeerslawaai, zorgen niet direct voor belemmeringen. De maximale ontheffingswaarde wordt nergens overschreden. Op verschillende punten wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden vanwege de gezoneerde wegen Vijverbosweg en N65. Een hogere waarde voor de betreffende gevels is aangevraagd. De hogere waarde procedure zal separaat lopen aan dit bestemmingsplan.
4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
Hoofdstuk 4
43
het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.
Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.3.2 Onderzoek In paragraaf 4.1 is beschreven dat de toekomstige verkeersgeneratie van het plangebied neer zal komen op maximaal 1.086 mvt/etmaal. Om de effecten hiervan te bepalen op de luchtkwaliteit is de NIBM-tool uitgevoerd. Hieronder zijn de resultaten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2023
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
1086
Aandeel vrachtverkeer
0,0%
NO2 in μg/m3
0,57
3
0,16
Maximale bijdrage extra verkeer
PM10 in μg/m Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
Om te bepalen of ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn de achtergrondwaarden voor wat betreft fijnstof en stikstof achterhaald. In navolgende tabel zijn de achtergrondwaarden van de dichtstbijzijnde toetspunten weergegeven (bron: NSL-monitoringstool). In de tabel is te zien dat de achtergrondwaarden ruim onder de normen liggen. Geconcludeerd kan worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit.
Hoofdstuk 4
44
Id
NO2 μg/m3
PM10 μg/m3
PM10 overschrijdingsdagen
PM2.5 μg/m3
Jaar
23052
18.7
19.0
6.8
11.9
2020
23054
18.6
18.9
6.8
11.8
2020
23062
19.1
19.1
6.9
11.9
2020
23063
19.0
19.0
6.9
11.9
2020
15631610 23.3
19.2
7.0
12.0
2020
15631612 22.6
19.2
7.0
12.0
2020
15631496 21.9
19.1
6.9
11.9
2020
Norm
40
35
25
40
4.3.3 Conclusie Het onderdeel luchtkwaliteit zorgt niet voor belemmeringen.
4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 3. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen
3
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
45
andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Onderzoek In de directe omgeving van het plangebied liggen geen bedrijven. Eventueel verder gelegen bedrijvigheid is gelegen op geruime afstand. Het plangebied niet binnen een richtafstand hiervan. In de omgeving liggen daarnaast alleen andere woningen en enkele maatschappelijke voorzieningen. Het gaat hierbij om Vughterstede in het oosten van het plangebied. De maatschappelijke voorzieningen kennen volgens de maximale planologische mogelijkheden de milieucategorie 2. Hiervoor geldt een aan te houden richtafstand van 30 meter. De toekomstige woningen liggen op een afstand groter dan 30 meter van de andere maatschappelijke voorzieningen in de omgeving. Kinderopvang Mowgli wordt meer richting het oosten gerealiseerd, nabij de andere maatschappelijke voorziening van Vughterstede. Nadelige milieueffecten in beide richtingen zijn uit te sluiten. Het kinderdagverblijf wordt daarnaast op minimaal 30 meter van de woningen in het plangebied gerealiseerd.
Geluidshinder vanwege stemgeluid is dan ook niet te verwachten. Er zal sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. 4.4.3 Conclusie Er zal sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot het onderdeel milieuzonering.
4.5 Geur agrarisch 4.5.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend .De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. 4.5.2 Onderzoek In de omgeving liggen geen agrarische bedrijven of veehouderijen die invloed hebben op het woonen leefklimaat bij de woningen. Dit onderdeel is dan ook niet verder van invloed op de planvorming. 4.5.3 Conclusie Het onderdeel geur zal niet voor belemmeringen zorgen.
Hoofdstuk 4
46
4.6 Externe veiligheid 4.6.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.
Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
4.6.2 Onderzoek Om de eventuele externe veiligheidsrisico’s te bepalen is gekeken naar de risicokaart. Een uitsnede van deze kaart is weergegeven in figuur 4.2. Op basis van de risicokaart kan geconcludeerd worden dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen. De verder gelegen inrichtingen liggen op voldoende afstand, waardoor het plangebied niet binnen de PR- of GR-contour ligt. Hierna wordt ingegaan op de verschillende transportroutes.
Hoofdstuk 4
47
Aardgasleiding Ten zuidoosten van het plangebied loopt een aardgasleiding (NEN 3650-leiding, Z-515-04). De leiding heeft een uitwendige diameter van 8,62 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. Deze leiding heeft daarom een 1%-letaliteitsafstand van 120 meter en een 100% letaliteitsafstand van 60 meter. Het plangebied is gelegen op ruim 450 meter van de leiding en ligt daarom buiten deze afstand. Een verantwoording van het groepsrisico is daarom niet noodzakelijk.
Figuur 4.2: Uitsnede risicokaart
Wegen N65 en A2 Ten noorden van het plangebied loopt de N65 (Knp. Vught - afrit 3 (Tilburg Noord)) en ten oosten loopt de A2 (Knp. Vught - Knp. Ekkersweijer). Deze wegen vallen beiden onder het basisnet weg. Over het wegvak van de N65 worden stoffen uit categorieën LF1, LF2 en LT2 vervoerd. Over het wegvak van de A2 rijden voertuigen die stoffen uit categorieën LF1, LF2, LT1, LT2 en GT3 vervoeren. De stof LT2 zorgt voor de grootste risicoafstand/invloedsgebied, namelijk 880 meter. Deze stof wordt over zowel de N65 als de A2 vervoerd. De A2 is echter gelegen op circa 2.000 meter van het plangebied. De woningen liggen daarmee dus buiten het invloedsgebied van de A2. De N65 is gelegen op circa 200 meter van het plangebied. Alle woningen in het plangebied liggen binnen 880 meter van de N65 en daarmee binnen het invloedsgebied. Aangezien er geen woningen binnen 200 meter van de N65 worden gerealiseerd kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Spoorlijnen Vught – Tilburg en Vught – Boxtel Ten noordwesten van het plangebied loopt de spoorlijn tussen Vught en Tilburg. In het oosten loopt de spoorlijn tussen Vught en Boxtel. Deze spoorlijnen vallen beiden onder het basisnet spoor. Over de spoorlijn Vught – Tilburg (61D.1) worden stoffen uit categorieën A, B2, C3, D3 en D4 vervoerd.
Deze stoffen kennen een invloedsgebied van respectievelijk 355 meter, 560 meter, 45 meter, 730 meter en > 4 kilometer. Het plangebied is gelegen op circa 600 meter van de spoorlijn. Er zijn daarom woningen die gelegen zijn binnen het invloedsgebied vanwege de stof D3 en D4. Aangezien er geen woningen
Hoofdstuk 4
48
binnen 200 meter van de spoorlijn worden gerealiseerd kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Over de spoorlijn Vught – Boxtel worden geen gevaarlijke stoffen vervoerd. Deze spoorlijn heeft dan ook geen invloedsgebied. Beperkte verantwoording groepsrisico De (of enkele) woningen binnen het plangebied zijn gelegen binnen de invloedsgebieden van de weg N65 en de spoorlijn tussen Vught en Tilburg. Het gaat om stoffen uit categorieën LT2 (weg) en D3 en D4 (spoorlijn). Dit zijn allen (zeer) toxische vloeistoffen. Dit betekent dat in relatie tot het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor de scenario’s toxisch en BLEVE relevant zijn. Voor het vervoer over de weg is alleen het scenario toxisch relevant. In algemeenheid geldt dat het risico op een ongeval met gevaarlijke stoffen erg klein is Toxisch Dit scenario kan ontstaan als gevolg van een ontsporing van een ketelwagon of een ongeval met een tankwagen gevuld met een toxisch gas of toxische vloeistof waarbij een lekkage ontstaat. De toxische stof kan afhankelijk van de windrichting vanaf de spoortrajecten of de wegen het plangebied bereiken. De gevolgen na blootstelling aan een gevaarlijke stof zijn afhankelijk van concentratie en blootstellingsduur; afstand tussen de incidentlocatie en het plangebied en het feit of mensen binnen of buiten verblijven.
Nieuwbouw woningen zijn als gevolg van energieprestatie eisen goed geïsoleerd en bieden bescherming tegen het binnendringen van gevaarlijke stoffen waardoor de kans op letsel sterk beperkt wordt. BLEVE Dit scenario kan ontstaan na het ontstaan van brand waarbij een spoorketelwagon met LPG betrokken is. Vanwege oplopende temperaturen neemt de druk in de tank toe. Binnen 20 minuten leidt het vrijkomen en het ontsteken van de inhoud tot overdrukeffecten en vuurbal. 47 De effecten van een BLEVE zijn door de Veiligheidsregio zichtbaar gemaakt. Gezien de beperkte afstand tussen de spoorlijn Boxtel-’s-Hertogenbosch zijn dodelijke en ernstig gewonden slachtoffers te verwachten. Zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid De mate van zelfredzaamheid is afhankelijk van verschillende factoren. Is de aanwezige populatie in fysiek en mentaal in staat om op de juiste manier te reageren? Zijn er voldoende schuilmogelijkheden en/of vluchtwegen? Is men in staat om het risico juist in te schatten en kan men op tijd gealarmeerd worden? In het plangebied worden maximaal 156 woningen mogelijk gemaakt. Aangenomen kan worden dat personen woonachtig in deze type objecten in principe in staat zijn, uitzonderingen daargelaten om zelfstandig en op de juiste manier te reageren op een dreiging. De woningen bij Thuys zijn mede bestemd voor zorgbehoevenden.
Hier zal in ieder geval gezorgd worden voor vluchtmogelijkheden in tegengestelde richting van de risicobronnen. Dit geldt ook bij het kinderdagverblijf. Hoewel er slechts sprake is van een verplaatsing van een bestaand kinderdagverblijf in het plangebied zal gezorgd moeten worden voor voldoende vluchtmogelijkheden. Ook kunnen via SMS alert en social media de aanwezigen vrij snel geïnformeerd en geïnstrueerd worden over hoe te handelen. Voor het scenario toxisch is het beste handelingsperspectief binnen blijven. Voor het scenario BLEVE biedt vluchten het beste handelingsperspectief. Het plangebied is via de parkeerplaatsen, het park en de omliggende wegen van het spoor en de N65 af te vluchten. In het plangebied is daarnaast oppervlaktewater aanwezig wat als bluswater gebruikt kan worden. Bij calamiteiten kan het plangebied via verschillende routes bereikt worden.
Hoofdstuk 4
49
4.6.3 Conclusie De Veiligheidsregio is om advies gevraagd ten aanzien van externe veiligheid. Het document is opgenomen in de bijlagen en het advies is hieronder beschreven. De veiligheidsregio adviseert om de volgende maatregel te nemen om de zelfredzaamheid in het plangebied te optimaliseren: Informeer de initiatiefnemers c.q. de toekomstige bewoners actief over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe te handelen (binnen schuilen) dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid. Er moet nog een keuze gemaakt worden op welke manier het plangebied zal worden ontsloten. De binnenplanse bereikbaarheid zal ook nog verder vorm gegeven moeten worden. Het is van belang hierbij rekening wordt gehouden met de bereikbaarheid voor de hulpdiensten in het kader van de dag-dagelijkse hulpverlening. Dit geldt ook voor de beschikbaarheid van voldoende bluswater in het plangebied. Geadviseerd wordt om in het ontwerp rekening te houden met de hiervoor aangegeven richtlijnen. Er zal rekening gehouden worden met de adviezen van de Veiligheidsregio. Er zijn geen verdere belemmeringen geconstateerd. Het onderdeel ‘externe veiligheid’ zal niet voor belemmeringen zorgen.
4.7 Ecologie 4.7.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep
Hoofdstuk 4
50
op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.
Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.7.2 Onderzoek Quickscan flora en fauna Er is door BRO een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. De quickscan is uitgevoerd in mei 2019, waarna in augustus 2023 een update heeft plaatsgevonden. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.
Hoofdstuk 4
51
Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen: Met betrekking tot de sloop zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/vernietigen van nestlocaties van buizerd, sperwer en ransuil, en verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven; Bij de kap van bomen en het bouwrijp maken van de grond kunnen mogelijk nest- en verblijfplaatsen verloren van bunzing, hermelijn, wezel, steenmarter, eekhoorn, levendbarende hagedis en hazelworm.
Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen en het plaatsen van wildcamera’s dient hieromtrent uitsluitsel te geven; Met betrekking tot het voortplantings- en landhabitat van de Alpenwatersalamander dient een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden voor werkzaamheden aan het potentiele leefgebied in en rond de poelen, of onderzoek kan de aanwezigheid van deze soort uitsluiten; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Daarnaast zal met betrekking tot het onderdeel Natura 2000, middels een Aerius-berekening, inzichtelijk moeten worden gemaakt of er sprake is van een significantie toename van de stikstof-depositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden. Hiervoor wordt verwezen naar het kopje “Stikstofonderzoek” hierna. Toetsing aan het onderdeel houtopstanden (voormalige Boswet) is bij dit plan verder niet aan de orde.
Wel dient men zich te houden aan de Algemene Plaatselijke Verordening Vught 2018 artikel 4:11 omtrent het vellen van houtopstanden. Vervolgonderzoek soorten Naar aanleiding van de conclusies uit de quickscan flora en fauna heeft vervolgonderzoek plaatsgevonden ten aanzien van verschillende soorten. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hierna worden de belangrijkste conclusies beschreven. Er zijn meerdere beschermde soorten binnen het plangebied aangetroffen. Alvorens de werkzaamheden gestart kunnen worden dient een ontheffing verkregen te worden van de volgende verbodsbepalingen, of de plannen moeten zodanig aangepast worden dat een overtreding voorkomen wordt. Artikel 3.5 lid 2 en 4 Wnb inzake het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis en het beschadigen of vernielen van een rust- of verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis Artikel 3.10 lid 1 onderdeel b Wnb inzake het opzettelijk beschadigen of vernielen van voort-plantingsplaatsen of rustplaatsen van bunzing en das Met betrekking tot de sperwer is in overleg met de Omgevingsdienst Brabant-Noord bepaald dat voor de uit te voeren werkzaamheden geen ontheffing noodzakelijk is. Aangezien het sperwernest niet jaarlijks in gebruik is, is het nest specifiek niet jaarrond beschermd. Ten behoeve van het territorium van de sperwer worden aanvullende maatregelen genomen.
In het ecologisch werkprotocol worden deze maatregelen geborgd.
Hoofdstuk 4
52
Binnen de provincie Noord-Brabant wordt de ontheffingsverlening van de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, verzorgd door de Omgevingsdienst Brabant-Noord (ODBN). Bij een ontheffingsaanvraag dient onder andere een activiteitenplan geleverd te worden, hierin worden onderbouwingen benoemd omtrent het wettelijk belang, de gunstige staat van instandhouding van de soorten, en een alternatievenafweging. Daarnaast wordt hierin aangegeven welke maatregelen genomen worden om negatieve effecten zoveel mogelijk te mitigeren dan wel compenseren. Onverminderd het bovenstaande dient men zich te houden aan het volgende: Licht gericht of uitschijnend op de bosranden dient te worden vermeden, en waar mogelijk dient vleermuisvriendelijke verlichting toegepast te worden. Hierbij kunnen aanpassingen gedaan worden aan plaatsing, armatuur en kleur van de verlichting. Het verwijderen van opgaand groen dient plaats te vinden buiten het broedseizoen. Het broedseizoen duurt doorgaans van half maart t/m half augustus. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van de werkzaamheden. Het behouden van de bijburcht. Met betrekking tot de incidentele aanwezigheid van een algemene soort binnen het plangebied is de zorgplicht geldend.
Ontheffingsaanvraag Naar aanleiding van de vervolgonderzoeken en het activiteitenplan is op 24 december 2021 een ontheffingsaanvraag ingediend (krachtens artikel 3.8, eerste lid en artikel 3.10, tweede lid, van de Wet natuurbescherming). Op 27 december 2022 is de beschikking verleend. Het besluit is opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. Het besluit luidt als volgt: “Gelet op het voorgaande verlenen wij gevraagde ontheffing. De ontheffing wordt slechts voor de in het besluit genoemde soorten en beschreven activiteiten verleend. Deze ontheffing geldt alleen voor de activiteiten die conform de aanvraag worden uitgevoerd, voor zover in deze ontheffing zelf niet anders is aangegeven”. Toets versnippering NNB Aanvullend op de eerder uitgevoerde quickscan flora en fauna is onderzoek gedaan naar versnippering en de effecten op het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. Hier wordt dan ook naar verwezen. Op basis van deze notitie kan worden geconcludeerd dat er redelijkerwijs geen significant negatieve effecten zijn op de gunstige staat van instandhouding van het NNB met betrekking tot versnippering, en dat negatieve effecten op migratieroutes van soorten eveneens niet te verwachten zijn. 4.7.3 Conclusie Voor zowel het onderdeel soortenbescherming als het onderdeel gebiedsbescherming ontstaan geen belemmeringen.
De ontheffing ten aanzien van de verschillende soorten is verleend. Voor het onderdeel stikstof wordt verwezen naar paragraaf 4.8.
4.8 Stikstof Het projectgebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebied zijn “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek” en “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen” op respectievelijk circa 2,2 en 3,8 kilometer afstand. Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is
Hoofdstuk 4
53
een AERIUS-berekening uitgevoerd. Er is zowel een berekening voor de gebruiksfase als de bouwfase uitgevoerd. Het stikstofonderzoek is opgenomen in de bijlagen. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen depositie is hoger dan 0,00 mol / ha / jaar bij omliggende Natura 2000-gebieden bij de gebruiksfase. Bij de bouwfase ontstaat een depositie van maximaal 0,02 mol/ha/jaar. Om deze reden is een ecologische voortoets uitgevoerd. Deze is opgenomen in de bijlagen. Een passende beoordeling is nodig.
4.9 Bodem 4.9.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.9.2 Onderzoek Asbestinventarisatie Er is in februari en maart 2019 door Asbest Advies Brabant een asbestonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Op de locatie is asbesthoudend en asbestvrij materiaal aangetroffen. In het onderzoek is per materiaal aangegeven wat de aanbeveling is voor wat betreft het saneren. Hierbij zal worden aangesloten. Verkennend bodemonderzoek Op 9 september 2019 is door Bodex een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hieronder zijn de resultaten beschreven.
Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat in de boven- en ondergrond van de beoogde nieuwbouwlocaties ten hoogste lichte verhogingen van zware metalen, PCB en of PAK zijn aangetoond. Ter plaatse van twee deellocaties is een sterke verhoging van koper (boring B05) en of PAK (boring B24, B25 en PB301) aangetoond. Voor de beide verontreinigingen in de (boven)grond wordt aanbevolen een nader onderzoek te verrichten naar de aard en omvang om eenduidig te kunnen vaststellen of er sprake is van een geval van bodemverontreiniging in het kader van de Wet bodembescherming. In het grondwater zijn overwegend lichte verhogingen aan zware metalen aangetoond. Afbakening MM1 (B53) Aangenomen wordt dat de eerder aangetoonde sterke verhoging in B53 een incidentele uitschieter betreft en dat er ter plaatse geen sprake is van een geval van bodemverontreiniging.
Hoofdstuk 4
54
Ondergrond B50-B52 (MM4) Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de ondergrond van de eerder geplaatste boringen B50 en B52 (onderzoek Van Vleuten uit 2007) ten hoogste een lichte verhoging van PAK (overschrijding achtergrondwaarde) is aangetoond. Er is voldoende vastgesteld dat er ter plaatse geen sprake is van een sterke verontreiniging in de ondergrond. 15.000 l HBO tank Ter plaatse van de (voormalige) ondergrondse brandstoftank zijn in de (onder)grond geen verhogingen van minerale olie aangetoond. Tevens is ter plaatse van de vermoedelijke (voormalige) vulpuntlocatie geen verhoging van minerale olie aangetoond. In het grondwater ter plaatse van de voormalige tank is geen verhoging van minerale olie of brandstofcomponent aangetoond. Metalenverontreiniging grondwater Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat in de geanalyseerde grondwatermonsters geen overschrijdingen van de interventiewaarden zijn aangetoond. Er zijn ten hoogste lichte verhogingen van de streefwaarden aangetoond. Vooralsnog is er geen aanleiding aan te nemen dat ter plaatse van de onderzoekslocatie sprake is van een antropogene verontreiniging met zware metalen in het grondwater, maar eerder van natuurlijk verhoogde achtergrondconcentraties.
Asbest MM3 (B36, B47, B49) Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat in het bodemmonster (puin) ter plaatse van de eerder geplaatste boringen B36, B47 en B49 (onderzoek Van Vleuten uit 2007) geen asbesthoudend materiaal is aangetoond. Aanbeveling De in het onderhavige bodemonderzoek aangetoonde licht verhoogde achtergrond- en streefwaardeoverschrijdingen zijn dermate licht dat deze wat betreft de volksgezondheid en de functionaliteit van de bodem geen gevolgen zal hebben. Het instellen van vervolgmaatregelen naar deze verhogingen wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. De aangetoonde sterke verhogingen van koper en PAK in de bovengrond zijn wel aanleiding een nader bodemonderzoek naar de aard en omvang van deze verontreinigingen uit te voeren. Deze nadere bodemonderzoeken dienen uitsluitsel te geven over de omvang, ligging en eventueel de spoedeisendheid (risico-inventarisatie) van de verontreinigingsgevallen. Nader bodemonderzoek Op 9 maart 2020 is door Bodex een nader bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hieronder zijn de resultaten beschreven. Uit het verrichte nader bodemonderzoek zijn geen gevallen van ernstige bodemverontreiniging naar voren gekomen.
In de bovengrond ter plaatse van de boringen PB301, B24 en B25e zijn wel sterke verhogingen met PAK aangetoond, maar bij de afbakening van deze spots, is gebleken dat de verontreiniging enkel tot de betreffende boorpunten beperkt blijft. De verontreiniging met koper ter plaatse van boring B05 is niet teruggevonden. Gezien de mate en omvang van de grondverontreiniging (minder dan 25 m³ grond verontreinigd met gehalten tot boven de interventiewaarde) kan gesteld worden dat in deze conform de Wet bodembescherming (Wbb) geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Indien ter plaatse van de aangetoonde verontreinigingen (graaf)werkzaamheden zullen plaatsvinden, is het wel noodzakelijk hier aanvullende maatregelen te nemen. Ondanks de beperkte omvang wordt er immers wel in verontreinigde grond gegraven. Aanbevolen wordt in deze gevallen de verontreiniging weg te nemen (saneren).