BIjlage - Ontwerpbestemmingsplan - toelichting
Tekst van het document
3.
Wat schoon is moet schoon blijven. Alle gebruikers zijn verantwoordelijk voor een goede waterkwaliteit. Iedereen geeft het water minstens zo schoon af als ze het hebben ontvangen. Gemeenten gebruiken het rioolstelsel waar het voor bedoeld is, namelijk het transporteren van vuil water naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Gemengde rioolstelsels worden uitgefaseerd. Agrarische percelen hebben geen negatief effect op de waterkwaliteit van het oppervlaktewater en het grondwater.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
31
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
5.1.2.2
Keur Waterschap De Dommel 2015
Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de ‘Keur Waterschap De Dommel 2015’ van toepassing. De Keur kent gebods- en verbodsbepalingen die erop gericht zijn watergangen te beschermen. Zo is het in bepaalde gevallen verboden om zonder vergunning water te lozen of te onttrekken aan oppervlaktewater. Ook legt de Keur in sommige gevallen aan burgers een onderhoudsverplichting op. Daarnaast mag men zonder Keurontheffing van het waterschap geen activiteiten ontplooien of bouwwerken plaatsen die het onderhoud aan watergangen kunnen belemmeren. Dit betekent dat voor bepaalde activiteiten nabij watergangen of met mogelijke invloed op watergangen een ontheffing bij het waterschap moet worden aangevraagd. Het plangebied is op de kaart behorende bij de ‘Keur Waterschap De Dommel 2015’ aangewezen als gelegen binnen een attentiegebied. Zie navolgende figuur.
Figuur 19: Uitsnede keurkaart Waterschap De Dommel 2015 (plangebied aangeduid met een zwarte cirkel)
5.1.2.3
Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2023
Het water- en rioleringsbeleid van de gemeente Vught is vastgelegd in het ‘Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2018–2023’. Het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan is op 1 januari 2018 in werking getreden en is geldig tot en met 31 december 2023. In dit plan is verwoord hoe de gemeente Vught invulling geeft aan de specifieke zorgtaken rondom afval-, hemel- en grondwater. Voor de specifieke zorgplichten, is het maatschappelijke belang in Vught doorvertaald naar doelstellingen voor de watertaken. Hierdoor is de gemeente voor de komende planperiode tot de volgende (wettelijke) hoofddoelstellingen gekomen: 1. doelmatig inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater: volledige scheiding van afvalwater en hemelwater op lange termijn; 2. doelmatig inzamelen en verwerken van hemelwater: extra verbindingen en berging in vijvers meenemen in projecten. Bij hemelwaterriolering vervanging zó inrichten dat waterkwaliteit verbetert én water op straat zo veel mogelijk afneemt; 3. doelmatig voorkomen dat grondwater de bestemming van een gebied structureel nadelig beïnvloedt: klachtengestuurd onderzoeken en informatie ontsluiten.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
32
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2023 is opgenomen dat voor percelen die zijn gelegen in het buitengebied, de perceeleigenaren, in dit geval de initiatiefnemer, zelf verantwoordelijk is voor de gescheiden afvoer van hemelwater. Initiatiefnemer draagt hiervoor zorg bij ontwikkeling van de Ruimte voor Ruimte woningen.
5.1.3
Watersysteem
5.1.3.1
Bodem
Uit de bodemkaart blijkt dat het plangebied is gelegen op Hoge zwarte enkeerdgronden, bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand (zEZ21). 5.1.3.2
Oppervlaktewater
Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig en is geen A-watergang gelegen. 5.1.3.3
Grondwater
Binnen het plangebied vindt geen grondwateronttrekking plaats. De GHG (gemiddelde hoogste grondwaterstand) ter plaatse van het plangebied bedraagt 60-80 cm-mv.
5.1.4
Huidige en toekomstige situatie
5.1.4.1
Verhard oppervlak
Binnen het plangebied worden drie nieuwe woningen met bijgebouwen opgericht. Na de beoogde herontwikkeling zal het verhard oppervlak binnen het plangebied met circa 450 m² per perceel toenemen, bestaande uit verhard oppervlak voor daken en gebouwen van het hoofdgebouw, voor bijbehorende bouwwerken en terreinverharding. In de huidige situatie is sprake van een bedrijfswoning met daarbij 750 m² aan bij- en bedrijfsgebouwen en bijbehorende erfverharding van circa 1.100 m². Deze bedrijfsgebouwen worden gesaneerd ten behoeve van drie Ruimte voor Ruimte woningen. Voor deze woningen wordt een nieuwe verhard oppervlak verwacht van maximaal 1.350 m². Per saldo zal het verhard oppervlak derhalve niet of nauwelijks toenemen. 5.1.4.2
Afvalwater
De nieuwe woningen zullen aantakken bij het bestaande rioleringsstelsel. Op de locatie ligt geen droogweerafvoer-leiding. Dit betekent dat er een gemaal geplaatst moet worden met een persleiding naar het stelsel van de gemeente. De kosten hiervoor zijn voor ontwikkelende partij. 5.1.4.3
Hemelwater
Voor de afvoer van hemelwater geldt het uitgangspunt ‘hydrologisch neutraal ontwikkelen’. Dit houdt in dat het hemelwater dat op daken en verhardingen valt, niet versneld mag worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Voor behandeling van dit water geldt de waterkwantiteitstrits, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 4 het minst wenselijk is. Deze opties zijn: 1. hergebruik; 2. vasthouden/infiltreren; 3. bergen; 4. afvoeren naar oppervlaktewater.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
33
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
Er is geen hemelwaterriool aanwezig. Hergebruik van water is niet gewenst bij een dusdanig klein initiatief als de beoogde ontwikkeling. Vasthouden betekent infiltratie in de bodem. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk zijn, is het noodzakelijk om water te bergen. Bij ‘bergen’ kan worden gedacht aan een vijver of buffersloot met een geknepen afvoer naar een watergang. De te bergen hoeveelheid hemelwater dient te worden berekend met een neerslagreeks van T=10+10%. De initiatiefnemer dient deze berging op eigen terrein te realiseren en bóven de GHG. De afvoer vanuit de berging mag niet meer bedragen dan de afvoer in de oorspronkelijke situatie (vóór de nieuwe stedelijke ontwikkeling). Daarnaast dient te worden aangetoond dat er in een extreme regenbui geen overlast voor derden ten gevolge van wateroverlast optreedt. In de nieuwe situatie zal de infiltratie van het regenwater dat valt op daken van de woning en bijgebouwen worden bewerkstelligd door het schone hemelwater via dakgoten en regenpijpen af te voeren naar een ondergronds infiltratie transportriool. Vanuit dit transportriool zal het water in eerste instantie zoveel mogelijk infiltreren in de ondergrond. Voor de ontwikkeling van een Ruimte voor Ruimte woning wordt een verhard oppervlak verwacht van circa 450 m² per woning.
Ten behoeve van de beoogde drie Ruimte voor Ruimte woningen wordt derhalve gerekend met een oppervlakte van circa 1.350 m² nieuw verhard oppervlak. Om te waarborgen dat er sprake is van hydrologisch neutraal ontwikkelen wordt een infiltratievoorziening aangelegd om het hemelwater dat valt op daken en verhardingen te laten infiltreren in de bodem. Er dient een omvang van 60 mm per m² te worden geborgen. De benodigde omvang van de waterberging bedraagt hiermee 81 m³: 27 m³ per woning. Indien bij de bouw van de Ruimte voor Ruimte woningen niet (enkel) gekozen wordt voor een infiltratietransportriool kan in plaats van, of daarnaast, gebruik gemaakt worden van andere maatregelen. Voorbeelden van deze manieren van infiltreren zijn weergeven in navolgende figuur.
Figuur 20: Voorbeelden van infiltratiemogelijkheden
Gewaarborgd dient te worden dat ruimte wordt gevonden voor het infiltreren van minimaal 27 m³ per woning en dat er bij een bui van T=100+10% geen overlast voor derden plaatsvindt. Het plangebied biedt ruimschoots de ruimte hiervoor. Infiltratievoorzieningen dienen altijd plaats te vinden boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). De GHG ter plaatse van het plangebied ligt tussen de 60-80 centimeter beneden maaiveld.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
34
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
5.1.4.4
Voorschrift voor borging van waterbelangen in bestemmingsplannen
In dit bestemmingsplan zijn in de regels voorschriften voor waterberging opgenomen. In de lijn met het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan en de watertoets is de eigenaar van een plangebied primair verantwoordelijk voor de verwerking van hemelwater dat op het plangebied valt. Bij uitbreiding van het bebouwd oppervlak, bijvoorbeeld door de bouw van een bijgebouw, zal ook de waterberging moeten worden vergroot. De gemeente Vught stelt geen eisen aan de vormgeving van de waterberging. Dit kan een infiltratievoorziening zijn zoals een grindkoffer of een ingegraven infiltratiekrat, maar ook een vijver. In de bouwaanvraag wordt het aspect waterberging nader uitgewerkt.
5.1.5
Waterkwaliteit
Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van lood of asfalt etc.). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBomaatregelen) voor in het te infiltreren water. In de nieuwe situatie wordt alleen het huishoudelijk afvalwater geloosd op de bestaande riolering. Het schoon hemelwater wordt afgekoppeld van een nieuw aan te leggen aansluiting op het riool en wordt geïnfiltreerd in de bodem. Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.
5.2 Wet natuurbescherming 5.2.1
Inleiding
Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Dit netwerk verbindt bestaande natuurgebieden die vallen onder de Europese Vogelrichtlijn- of de Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving middels de Wet natuurbescherming.
5.2.2
Gebiedsbescherming
De Wet natuurbescherming voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura 2000-gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn.
Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de
bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. In de omgeving van het plangebied zijn twee natura2000-gebieden gelegen. Ten noorden van het plangebied ligt op circa 1,4 kilometer afstand het natura 2000-gebied ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’. Op een afstand van circa 1,8 kilometer ligt ten westen van het plangebied natuurgebied ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
35
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) regelt sinds 2015 de ruimte voor economische ontwikkelingen die gepaard gaan met de uitstoot van stikstof nabij Natura 2000-gebieden. Enerzijds heeft het PAS tot doel het behoud en herstel van de Natura 2000-gebieden. Anderzijds creëert het PAS door de reductie van stikstof ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen, zoals de verbreding van een snelweg, woningbouw of de uitbreiding van een veehouderij. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State einduitspraken gewezen in enkele procedures tegen het Programma Aanpak Stikstof. De Afdeling komt tot de conclusie dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) daaraan stelt. De Afdeling heeft bepaald dat de PAS niet meer gehanteerd kan worden als toetsingskader voor projecten. Het Hof oordeelt dat zeker gesteld moet zijn dat een ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Met AERIUS Calculator is de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden die het gevolg is van een ontwikkeling berekend. Uit dit onderzoek blijkt dat de emissie die als gevolg van dit plan vrijkomt leidt tot een depositieresultaat van 0,00 mol N/ha/jaar ten opzichte van de referentiesituatie in zowel de gebruiks- als bouwfase.
Een uitvoer van de berekening is als bijlage bij deze toelichting opgenomen.
5.2.3
Soortenbescherming
5.2.3.1
Inleiding
De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild levende planten en dieren te beschermen met het oog op de instandhouding van soorten. De verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden in de Wet natuurbescherming zijn uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit de vereisten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern, het Verdrag van Bonn, het Biodiversiteitsverdrag en de Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming. Het gaat daarbij om alle op het Europees grondgebied in het wild levende vogels en voorts om de dieren en planten van de soorten van Europees belang die van nature op het Nederlands grondgebied voorkomen. Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. 5.2.3.2
Quickscan flora en fauna
Door Lomans Ecoworks is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. Navolgend wordt de conclusie van dit onderzoek weergegeven. Het volledige rapport is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. “Samenvatting en conclusie Beschermde Soorten Vogels beschermd op grond van de Vogelrichtlijn art. 3.1 Wnb In het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels cat. 1-4 jaarrond beschermde nesten in bomen en gebouwen aanwezig. Uit de categorie 5 beschermde verblijfplaatsen zijn geen nesten in bomen aangetroffen. Ook zijn geen bomen met geschikte holtes aanwezig. Met de beoogde ontwikkeling worden hooguit enkele ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
36
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
solitaire bomen gekapt. Overtreding van art. 3.1 lid 2,4 en 5 van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Overige vogelrichtlijnsoorten Het plangebied vormt geschikt foerageergebied en nestgelegenheid voor een aantal algemene vogelrichtlijnsoorten. Foerageer- en nestgelegenheid zullen tijdelijk verminderen tijdens de sloopen bouwwerkzaamheden. Met de beoogde realisatie van het drietal Ruimte voor Ruimte woningen en de bijbehorende robuuste landschappelijke inpassing met streekeigen groen en waterpartijen zullen nest- en foerageergelegenheid voor overige tuin, - en struweelvogels toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Europees beschermde soorten op grond van de Habitatrichtlijn art. 3.2 Wnb Tijdens het veldbezoek zijn geen vogels of andere soorten aangetroffen die vallen onder het beschermingsregime van de Europese Habitatrichtlijn. Vleermuizen Belangrijke vlieg- en foerageerroutes voor vleermuizen zijn niet aanwezig. Het plangebied vormt foerageergebied van goede kwaliteit. Door de landschappelijke inpassing in het nieuwe plan met inheems groen en waterpartijen zullen foerageermogelijkheden voor vleermuizen verbeteren. Door het ontbreken van geschikte holtebomen kan de aanwezigheid van boom bewonende vleermuizen worden uitgesloten.
Door de gebruikte materialen, de constructie en de bouwstijl van de te slopen bebouwing kunnen vaste verblijfplaatsen voor gebouw bewonende vleermuizen redelijkerwijs uitgesloten worden. Negatieve effecten op vleermuizen zijn niet aan de orde. Nationaal beschermde Andere soorten art. 3.3 Wnb Tijdens het veldbezoek zijn geen soorten waargenomen welke voorkomen op de lijst van de provinciaal beschermde soorten. Voor deze soorten ontbreekt geschikt leefgebied. Vrijgestelde soorten Er worden enkele soorten verwacht uit deze categorie die gebruik maken van het plangebied zoals bruine kikker, gewone pad, egel en enkele algemene muizensoorten. Voor deze soorten geldt wel vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling, maar de algemene zorgplicht is altijd van kracht.” De beoogde herontwikkeling is geen bezwaar in het kader van de Wet natuurbescherming.
5.3 Archeologie 5.3.1
Beleidskader
Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wams, gewijzigde Monumentenwet 1988). De bepalingen van deze wet zijn per 1 juli 2016 (gedeeltelijk) overgegaan in de erfgoedwet. Op basis van deze wetten zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed.
5.3.2
Gemeentelijk beleid
Het
gemeentelijke
archeologiebeleid
is
opgenomen
in
het
bestemmingsplan
‘Paraplubestemmingsplan Archeologie’. Het plangebied kent op basis van dit bestemmingsplan de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘ Waarde – Archeologie 4’ (beide gedeeltelijk). Bij ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
37
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 100 m² en met een bodemverstoring dieper dan 0,3 m onder maaiveld of dieper dan 0,5 m onder maaiveld bij de aanduiding ‘overige zone - enkeergronden’, dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft, in voldoende mate is vastgesteld. Het bouwplan is groter dan deze omvang. Derhalve is door KSP-advies een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Navolgend wordt de conclusie hiervan weergegeven. “Selectieadvies Op grond van de aangetroffen diepe bodemverstoringen in het deel van het plangebied waar de nieuwbouw van de woningen is gepland en daarmee lage verwachting, adviseert KSP Archeologie geen archeologisch vervolgonderzoek. Mochten er rondom de boerderij, waar de bodem grotendeels intact is, toch bodemingrepen plaatsvinden die groter zijn dan 100 m2 en dieper reiken dan 0,5 m beneden maaiveld, wordt daar vervolgonderzoek aanbevolen. Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. KSP Archeologie wijst erop dat dit selectieadvies nog niet betekent dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen.
De resultaten van dit onderzoek zullen namelijk eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Vught), die vervolgens een selectiebesluit neemt*. (het selectiebesluit is inmiddels genomen en vertaald in dit bestemmingsplan) Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan echter, op basis van de onderzoeksresultaten, de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden niet met zekerheid gegarandeerd worden. Indien bij graafwerkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, dienen deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10, bij de minister gemeld te worden. In de praktijk kan de vinder terecht bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (T 033 – 4217 456 of info@cultureelerfgoed.nl) zodat de vondst geregistreerd wordt in het centraal archeologisch informatiesysteem. Daarnaast wordt het advies gegeven om de vondst ook bij de gemeente te melden.” De dubbelbestemming archeologie voor de percelen sectie H, nummer 2003 en nummer 2005 blijft behouden. Voor het overige gedeelte van het plangebied wordt de dubbelbestemming opgeheven.
5.3.3
Selectieadvies Gemeente Vught
Gezien het voorgaande kan de gemeente instemmen met de inhoud en strekking van het rapport en met het advies van KSP om - binnen de lopende AMZ-cyclus - geen nader onderzoek noodzakelijk te achten. Verder neemt de gemeente het advies van KSP over aangaande het mogelijk alsnog kunnen voorkomen van zogenaamde ‘toevalsvondsten ’ en de wettelijk gezien juiste omgang daarmee. Aangezien het onderzoek is uitgevoerd als steekproef, kan echter de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden niet met zekerheid gegarandeerd worden. Indien bij ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
38
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
graafwerkzaam heden archeologische waarden worden aangetroffen, dienen deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10, bij de minister gemeld te worden. In de praktijk kan melding het beste direct bij de gemeente - als bevoegde overheid - worden gedaan. Het rapport wordt bij dezen goedgekeurd en zal als zodanig (procedureel ) worden vastgesteld.
5.4 Cultuurhistorie 5.4.1
Inleiding
De aardkundige waarden die binnen de provincie Noord-Brabant aanwezig zijn, verdienen specifieke aandacht
vanwege
de
onvervangbaarheid
van
de
aanwezige
waarden.
In
de
Interim
omgevingsverordening is vermeld dat plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied dat is aangegeven als ‘cultuurhistorisch waardevol gebied’, aantasten. Het plangebied is niet aangewezen als gelegen in een cultuurhistorisch waardevol gebied.
5.4.2
Plangebied
Navolgende figuur betreft een uitsnede uit de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant waarop het plangebied is aangegeven.
Figuur 21: Cultuurhistorische Waardenkaart voor het plangebied (aangeduid met zwarte stip) en de omgeving hiervan
Het plangebied is gelegen binnen de cultuurhistorische regio ‘Meijerij’, cultuurhistorisch landschap ‘Loonse en Drunense Duinen’ en het archeologisch landschap ‘Dekzandrug Tilburg-Den Bosch’. De bebouwingsstructuur van Cromvoirt is aangeduid als historische stedenbouw. Een oost-west ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
39
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
georiënteerde lintbebouwing gelegen aan weerszijden van de Cromvoirtseweg, St.-Lambertusstraat en Pepereind. De verspreide, eenlaags bebouwing heeft overwegend een agrarisch karakter en is parallel aan de straat geplaatst. De percelering van het achtergelegen land staat haaks op de straat. De kern van de lintbebouwing wordt gevormd door raadhuis, kerk en pastorie. Pepereind is aangewezen als lijn van hoge waarde. Ter plaatse is aan beide zijden van de straat sprake van een karakteristieke (eiken)bomenrij. Door de nieuwe bebouwing te realiseren aan de Scheepenstraat heeft de ontwikkeling geen negatieve invloed op het historisch karakter van het lint Pepereind. Tevens draagt onderhavige ontwikkeling bij aan het behoud van de cultuurhistorisch waardevolle boerderij, welke is aangeduid als ‘overige bouwkunst’. De beoogde herontwikkeling zal derhalve geen afbreuk doen aan de cultuurhistorische waarden ter plaatse.
5.5 Bedrijven en milieuzonering 5.5.1
Inleiding
De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en milieuzonering’ uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst Bedrijven en milieuzonering worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. de richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen; ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het kan in dergelijke gebieden gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. In de VNG-brochure (bedrijven en milieuzonering) wordt het omgevingstype ‘gemengd gebied’ als volgt omschreven: ‘Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.
Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend’. Het onderhavige gebied kent naast verspreid wonen, recreatie(verblijfsrecreatie), recreatie(sportveld), paardenhouderij ook agrarische bedrijvigheid. Ook grenst het aan de hoofdontsluitingsweg van Cromvoirt richting Vught/’s-Hertogenbosch. Hiermee sluit de typering ‘gemengd gebied’ vele malen beter aan dan bijvoorbeeld ‘rustig buitengebied’ De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’ zonder dat dit ten koste gaan van het woon-en leefklimaat, met één afstandstap verlaagd worden.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
40
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
5.5.2
Plangebied
Het plangebied kan worden getypeerd als gelegen binnen een gemengd gebied. In de omgeving van het plangebied is sprake van een functiemenging van niet-agrarische bedrijven en woningen en enkele agrarische bedrijven. Ten oosten van het plangebied is een camping gelegen. Het betreft een camping met keuken en eveneens een kleine werkplaats ten behoeve van de camping. Volgens de VGN-Brochure valt dergelijke bedrijvigheid te classificeren in milieucategorie 3.1, waarvoor een richtafstand geldt van 50 meter. In een gemengd gebied mag deze afstand met één afstandsstap worden verlaagd waarop richtafstand afstand op 30 meter komt. De nieuwe woningen worden gesitueerd op een minimale afstand van 30 meter tot het bestemmingsvlak. Dit is vastgelegd middels het opnemen van bouwvlakken binnen de woonbestemming. Derhalve kan gesteld worden dat het aspect Bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de oprichting van de Ruimte voor Ruimte woningen.
5.6 Geurhinder 5.6.1
Inleiding
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De Wgv geeft onder andere normen voor de voorgrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object, bijvoorbeeld een woning. In de omgeving van het plangebied is een aantal agrarische bedrijven gelegen. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de provinciale veehouderijbedrijvenkaart, waarop de omliggende bedrijven inzichtelijk zijn gemaakt.
Pepereind 7
Plangebied
Scheepenstraat 5
Figuur 22: Kaart van agrarische bedrijven in de omgeving van het plangebied
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
41
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
5.6.2
Voorgrondbelasting
5.6.2.1
Inleiding
Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting verstaan van die individuele veehouderij (de dominante veehouderij) welke de meeste geur bij het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtbij het geurgevoelige object gelegen is. In de omgeving van het plangebied zijn twee agrarische bedrijven gelegen, te weten aan Pepereind 7 en Scheepenstraat 5. Navolgend zijn de vergunningen van deze bedrijven weergegeven.
Figuur 23: Milieuvergunning Pepereind 7 te Cromvoirt (Bron: Web-BVB)
Figuur 24: Milieuvergunning Scheepenstraat 5 te Cromvoirt (Bron: Web-BVB)
Voor beide bedrijven geldt dat enkel dieren worden gehouden waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. Buiten de bebouwde kom dient ten aanzien van een dergelijke veehouderij een afstand aangehouden van ten minste 50 meter. Hieraan wordt voor alle beide de bedrijven ruim voldaan. Binnen een afstand van 600 meter zijn geen bedrijven gesitueerd waar dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. Het meest dichtbij gelegen bedrijf betreft Den Hoek 2. Op het bedrijf is een vergunning aanwezig voor het houden van 170 vleeskalveren en de geuremissie is, met 6.052 oue/m³, beperkt te noemen. Om deze reden is de voorgrondbelasting niet inzichtelijk gemaakt. Aangenomen mag worden dat, in het kader van de voorgrondbelasting, sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.
5.6.3
Achtergrondbelasting
De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting bepaalt het leefklimaat op een locatie. Bij de ontwikkeling van nieuwe woningen mag de achtergrondbelasting niet slecht zijn. In de omgeving van het plangebied is binnen een afstand van 750 meter maar één bedrijf gelegen welke een beperkte geurbelasting veroorzaakt op het plangebied. Aangenomen wordt dat de achtergrondbelasting ter plaatse acceptabel is. ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
42
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
5.6.4
Ontwikkelingsmogelijkheden veehouderijbedrijven
Omliggende veehouderijbedrijven mogen ook niet in de ontwikkelingsmogelijkheden worden belemmerd. Het plangebied bevindt zich op een afstand van meer dan 70 meter tot de agrarische bedrijven aan Scheepenstraat 5 en Pepereind 7. Voldaan wordt aan de vaste afstand. Tevens worden beide bedrijven reeds belemmerd door gevoelige functies in de omgeving. Middels onderhavige ontwikkelingen worden omliggende veehouderijbedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd.
5.7 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijbedrijven 5.7.1
Inleiding
De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. Op basis van de Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid 2.0 versie mei 2018 opgesteld door het ondersteuningsteam BPO speerpunt veehouderij kan worden afgewogen of een advies van de GGD nodig is voor het plan.
5.7.2
Toets van de ontwikkeling aan Handreiking
In stap 1 van de handreiking wordt getoetst aan endotoxine. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. In de omgeving van het plangebied zijn geen varkens- en pluimveehouderijen gesitueerd. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Stap 2, toename emissies, is niet van toepassing omdat het plan geen uitbreiding van een veehouderij betreft. In stap 3 wordt getoetst aan geur. Bij 3b wordt voor geur getoetst aan de gezondheidskundige advieswaarden. Deze zijn maatgevend ten opzichte van stap 3a. Voor het buitengebied zijn deze waarden: − 5 ou/m3 voor de voorgrondbelasting. − 10 ou/m3 voor de achtergrondbelasting. − 100 meter voor de afstand tussen de rand van een bedrijf en de gevel van het geurgevoelige object. In de omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijbedrijven gesitueerd waar dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling een geuremissie is vastgesteld. De afstand tussen de rand van omliggende bedrijven en de gevel van nieuwe geurgevoelige objecten zal minimaal 100 meter bedragen. Zoals aangegeven wordt voldaan aan stap 3. Er zijn geen bedrijven in de omgeving waar bedrijfsmatig een combinatie van de volgende dieren worden gehouden: ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
43
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
• Varkens en pluimvee; • Rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten); • Kleine herkauwers onderling. Aan stap 4 wordt voldaan. In stap 5 wordt getoetst aan de afstand tot een geitenhouderij en pluimveebedrijf. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen een afstand van 2 kilometer zijn geen geitenhouderijen gesitueerd. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Er wordt voldaan aan de normen voor fijn stof en de concentratie endotoxine. Een GGD-advies is hierom niet noodzakelijk. Er zijn tevens geen maatregelen op te leggen bij de omliggende veehouderijen in het kader van dit plan. Er bevindt zich geen zelfstandige mestbewerking of verwerking plaats. Ook is er geen ongerustheid bij omwonenden over de volksgezondheid. Aan stap 6 en 7 wordt daarmee voldaan.
5.8 Geluid 5.8.1
Wegverkeerslawaai
De Wet geluidhinder (Wgh) biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de Wgh is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. De Wgh niet geldt voor 30-km wegen en voor woonerven. De systematiek van de zonering Wet geluidhinder voor wegverkeer houdt in dat langs een (toekomstige) verkeersweg een geluidszone ligt waarbinnen in een aantal situaties bescherming wordt geboden aan geluidsgevoelige bestemmingen. Deze bescherming geldt in de volgende situaties:
-
via een ruimtelijk besluit de aanleg van een weg mogelijk maken; via een ruimtelijk besluit een geluidsgevoelige bestemming in de zone realiseren; de reconstructie/wijziging van een bestaande weg.
De Scheepenstraat is geen doorgaande weg maar een doodlopende straat met uitsluitend bestemmingsverkeer. De Scheepenstraat is niet verhard en leent zich niet tot snelheden boven 30kmh. Gezien de feitelijk situatie van deze weg (doodlopend met zeer beperkt verkeer) kan aangenomen worden dat voldaan zal worden aan de wettelijk vereisten ten aanzien van het aspect verkeersgeluid voor wat betreft het basisbeschermingsniveau of de voorkeursgrenswaarde van 48 dB aan de gevel van de te realiseren woningen. Derhalve vindt er geen onaanvaardbare geluidsoverlast plaats en is een onderzoek in het kader van wegverkeerslawaai niet noodzakelijk voor de beoogde herontwikkeling. De bestaande woning is reeds aan te merken als geluidsgevoelig object en mag in zijn geheel worden bewoond.
5.8.2
Spoorweglawaai
Via Hoofdstuk VII Zones langs spoorwegen biedt de Wet geluidhinder (vooral) in het ruimtelijk spoor bescherming aan geluidsgevoelige bestemmingen tegen spoorweglawaai. Daarbij gaat het om nieuwe ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
44
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
geluidsgevoelige
bestemmingen
langs
spoorwegen
en
om
bestaande
geluidsgevoelige
bestemmingen bij de aanleg/wijziging van spoorwegen (die zijn aangegeven op de zonekaart). Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van spoorlijnen. Een nadere toetsing in het kader van spoorweglawaai is niet noodzakelijk.
5.8.3
Industrielawaai
Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsge-voelige bestemmingen anderzijds. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. In de omgeving van het plangebied is geen sprake van een overschrijding van de normen voor industrielawaai. Er is geen sprake van de aanwezigheid van grote lawaaimakers in de omgeving van het plangebied. Ten oosten van het plangebied is een camping gelegen. Het betreft een camping met keuken en eveneens een kleine werkplaats ten behoeve van de camping. Volgens de VGN-Brochure valt dergelijke bedrijvigheid te classificeren in milieucategorie 3.1, waarvoor een grootste richtafstand geldt van 50 meter voor de factor geluid.
In een ‘gemengd gebied’ mag deze afstand met één afstandsstap worden verlaagd waarop richtafstand afstand op 30 meter komt. De nieuwe woningen worden gesitueerd op een minimale afstand van 30 meter tot het bestemmingsvlak. Dit is vastgelegd middels het opnemen van bouwvlakken binnen de woonbestemming.
5.9 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen en driftzonering Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Er zijn in de omgeving van het plangebied geen spuitzones opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Rond het plangebied is ook geen sprake van boomteelt. De meest zuidelijk gelegen ruimte-voor-ruimte kavel grenst aan de zuidzijde aan agrarische gronden. Het betreft grasland, dat wordt gebruikt als paardenweides. Paardenweides worden over het algemeen niet bespoten. Daarnaast wordt het plangebied in zijn geheel landschappelijk ingepast met streekeigen beplanting. Deze beplanting zorgt eveneens voor een afschermende werking bij
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
45
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
mogelijke drift. Er zijn geen gronden in de directe omgeving aangemerkt of in gebruik voor boom- of fruitteelt. Hiermee kan redelijkerwijs worden gesteld dat ter plaatse van de woning geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat zullen ontstaan en waardoor strijdigheid met een goede ruimtelijke ordening ontstaat.
5.10 Luchtkwaliteit 5.10.1 Bijdrage aan de luchtkwaliteit De Nederlandse overheid heeft de Europese Richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet luchtkwaliteit. Dit is geen op zichzelf staande wet, maar onderdeel van hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer met als titel “luchtkwaliteitseisen”. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. De Wet luchtkwaliteit is nader uitgewerkt in een aantal besluiten en regelingen:
-
Besluit niet in betekende mate (NIBM); Regeling niet in betekende mate; Besluit gevoelige bestemmingen; Regeling beoordeling Luchtkwaliteit (RBL2007); Regeling projectgerichte saldering; Besluit maatregelen richtwaarden; Besluit derogatie; Smogregeling 2010.
De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma (NSL). De aanleiding hiervoor was de derogatie die is verleend door de Europese Unie voor het behalen van de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Deze derogatie was een voorwaarde om het NSL in werking te laten treden. Binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. De wet vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005. Met de nieuwe Wet luchtkwaliteit en de bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer
in
een
gebiedsgerichte
aanpak
van
de
luchtkwaliteit
via
het
Nationaal
Samenwerkingsprogramma. Binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De programmaaanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
46
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto.
5.10.2 Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof: -
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³.
-
de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM 10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde .
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.
Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10, PM2,5 en NO2 ter plaatse van het plangebied (aangeduid met stip) en directe omgeving weer.
Figuur 25: Fijnstof 2020 PM10 (bron: Atlas leefomgeving)
Figuur 26: Fijnstof 2020 PM2,5 (bron: Atlas leefomgeving) ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
47
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
Figuur 27: Fijnstof 2020 NO2 (bron: Atlas leefomgeving)
Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 15-16 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 8-9 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie NO2 bedraagt 10-12 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging geen bezwaar is.
5.11 Bodemkwaliteit 5.11.1 Verkennend bodemonderzoek Voorafgaand aan het volgen van een ruimtelijke procedure dient te worden nagegaan of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik. Het belangrijkste uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreinigingen geen onaanvaardbare risico’s opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Ten behoeve van de beoogde herontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Navolgend wordt de conclusie van dit onderzoek weergegeven. Het volledige onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. “Conclusies en advies Bijzonderheden vooronderzoek Volgens de opdrachtgever blijkt dat sprake was van een voormalige brandstoftank op de onderzoekslocatie. De situering hiervan is echter niet bekend geworden. Uit gegevens van gemeente Vught blijkt dat sprake was van een voormalige schietbaan op de onderzoekslocatie. De situering hiervan is echter niet bekend geworden.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
48
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
Zintuiglijke beoordeling grond Bij een groot aantal meetpunten is een bijmenging van baksteen aangetroffen tot maximaal 1,0 mmv. De aard van de bijmenging wordt niet als asbestverdacht beoordeeld. Een asbestonderzoek conform NEN5707, behoudens de druppelzonelangs de manege, heeft echter niet plaatsgevonden. Plaatselijk is een bijmenging van kolengruis aangetroffen in de bovengrond.
Resultaten NEN5740 In de kolengruis en baksteenhoudende bovengrond ter plaatse van meetpunt 01 (BG1) zijn gehaltes aan kobalt, koper, cadmium, kwik, lood, zink, minerale olie en PAK gemeten boven de achtergrondwaarden. De verhoogde gehaltes zijn gerelateerd aan de waargenomen bijmengingen van baksteen en kolengruis. De gehaltes aan zink, koper en PAK vormen aanleiding voor nader onderzoek. De doelstelling van het nader onderzoek is het vaststellen van de ernst en omvang van de verontreiniging met zink, koper en PAK. In het mengmonster van de baksteenhoudende bovengrond van de vaste bodem (BG2) zijn gehaltes aan zink, PAK en minerale olie gemeten boven de achtergrondwaarden. De gehaltes zijn gerelateerd aan de bijmenging aan baksteen. Het gehalte aan PAK vormt aanleiding voor aanvullend onderzoek. Het doel van het aanvullend onderzoek is het vaststellen van het gehalte aan PAK per deelmonster uit het mengmonster BG2. In het mengmonster van de visueel schone bovengrond BG3 zijn geen gehaltes aan onderzochte stoffen aangetoond boven de achtergrondwaarden. In het mengmonster van de visueel schone bovengrond BG4 is een gehalte aan PAK aangetoond boven de achtergrondwaarden. Een verklaring voor het marginaal verhoogde gehalte aan PAK is niet voorhanden, maar vormt geen aanleiding voor aanvullend onderzoek.
In het mengmonster van de visueel schone ondergrond OG1 zijn geen gehaltes aan onderzochte stoffen aangetoond boven de achtergrondwaarden. In het mengmonster van de plaatselijk baksteenhoudende ondergrond OG2 zijn gehaltes aan zink, lood en PAK aangetoond boven de achtergrondwaarden. De gehaltes zijn gerelateerd aan de bijmenging aan baksteen, maar vormen geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 01 en 14 zijn gehaltes aan barium gedetecteerd boven de streefwaarden. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 14 is eveneens een gehalte aan naftaleen gedetecteerd. De verhogingen aan barium zijn toe te schrijven aan natuurlijk verhoogde achtergrondwaardes. Voor het licht verhoogde gehalte aan naftaleen bestaat op basis van dit onderzoek geen verklaring. De overschrijding is marginaal en behoeft geen nader onderzoek. Resultaten NEN5707 Tijdens inspectie van maaiveld en gaten is geen asbestverdacht plaatmateriaal visueel waargenomen. Analyse heeft derhalve niet plaatsgevonden. In het geanalyseerde grondmengmonster mm1 van de gezeefde fractie is een gehalte aan asbest aangetroffen. De concentratie bedraagt 31 mg/kgds. Het gehalte is gerelateerd aan de verwering van asbesthoudende golfplaten op naastgelegen gebouw. Het asbestgehalte vormt geen gezondheidsrisico’s of aanleiding voor sanering.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
49
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
Advies • Ter plaatse van meetpunt 01 wordt nader onderzoek geadviseerd als gevolg van de aangetoonde gehaltes aan zink, koper en PAK. De doelstelling van het nader onderzoek is het vaststellen van de ernst en omvang van de verontreiniging met zink, koper en PAK. • Geadviseerd wordt aanvullend onderzoek naar het gehalte aan PAK te verrichten bij de vijf separate deelmonsters uit mengmonster BG2 van de plaatselijk baksteenhoudende bovengrond. Het doel van het aanvullend onderzoek is het vaststellen van het gehalte aan PAK per deelmonster (meetpunt) uit het mengmonster BG2.” Naar aanleiding van het verkennend bodemonderzoek is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar bovengenoemde punten. In navolgende paragraaf wordt dit nader toegelicht.
5.11.2 Verkennend, aanvullend en nader bodemonderzoek Pepereind 11 te Cromvoirt Resultaten NEN5740 In de kolengruis en baksteenhoudende bovengrond ter plaatse van meetpunt 01 (BG1) zijn gehaltes aan kobalt, koper, cadmium, kwik, lood, zink, minerale olie en PAK gemeten boven de achtergrondwaarden. De verhoogde gehaltes zijn gerelateerd aan de waargenomen bijmengingen van baksteen en kolengruis. De gehaltes aan zink, koper en PAK vormen aanleiding voor nader onderzoek. De doelstelling van het nader onderzoek is het vaststellen van de ernst en omvang van de verontreiniging met zink, koper en PAK. In het mengmonster van de baksteenhoudende bovengrond van de vaste bodem (BG2) zijn gehaltes aan zink, PAK en minerale olie gemeten boven de achtergrondwaarden. De gehaltes zijn gerelateerd aan de bijmenging aan baksteen. Het gehalte aan PAK vormt aanleiding voor aanvullend onderzoek. Het doel van het aanvullend onderzoek is het vaststellen van het gehalte aan PAK per deelmonster uit het mengmonster BG2. Uit de analyses van de deelmonsters blijkt dat er sprake is van gehaltes aan PAK boven achtergrondwaarden bij meetpunten 08, 14, 16 en 17. De aangetoonde gehaltes vormen geen aanleiding voor nader onderzoek. In het mengmonster van de visueel schone bovengrond BG3 zijn geen gehaltes aan onderzochte stoffen aangetoond boven de achtergrondwaarden.
In het mengmonster van de visueel schone bovengrond BG4 is een gehalte aan PAK aangetoond boven de achtergrondwaarden. Een verklaring voor het marginaal verhoogde gehalte aan PAK is niet voorhanden, maar vormt geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. In het mengmonster van de visueel schone ondergrond OG1 zijn geen gehaltes aan onderzochte stoffen aangetoond boven de achtergrondwaarden. In het mengmonster van de plaatselijk baksteenhoudende ondergrond OG2 zijn gehaltes aan zink, lood en PAK aangetoond boven de achtergrondwaarden. De gehaltes zijn gerelateerd aan de bijmenging aan baksteen, maar vormen geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 01 en 14 zijn gehaltes aan barium gedetecteerd boven de streefwaarden. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 14 is eveneens een gehalte aan naftaleen gedetecteerd. De verhogingen aan barium zijn toe te schrijven aan natuurlijk verhoogde achtergrondwaardes. Voor het licht verhoogde gehalte aan naftaleen bestaat op basis van dit onderzoek geen verklaring. De overschrijding is marginaal en behoeft geen nader onderzoek.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
50
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
Resultaten NEN5707 Tijdens inspectie van maaiveld en gaten is geen asbestverdacht plaatmateriaal visueel waargenomen. Analyse heeft derhalve niet plaatsgevonden. In het geanalyseerde grondmengmonster mm1 van de gezeefde fractie is een gehalte aan asbest aangetroffen. De concentratie bedraagt 31 mg/kgds. Het gehalte is gerelateerd aan de verwering van asbesthoudende golfplaten op naastgelegen gebouw. Het asbestgehalte vormt geen gezondheidsrisico’s of aanleiding voor sanering. Resultaten NTA5755 nader onderzoek meetpunt 01 Ter plaatse van meetpunt 01 is nader onderzoek verricht naar de gehaltes aan koper, zink en PAK. In de onderliggende bodemlaag ter plaatse van de kern (01 of 101) is een matig verhoogd gehalte aan zink gemeten. Uit de analyseresultaten van de monsters, genomen bij afperkende boringen in het horizontale vlak, blijkt sprake van gehaltes aan zink boven interventiewaarde ter plaatse van meetpunten 103 en 105. Ter plaatse van meetpunt 105 is eveneens een gehalte aan koper gemeten boven interventiewaarde. Ter plaatse van meetpunt 102 zijn matig verhoogde gehaltes aan zink en PAK gemeten. De omvang van de verontreiniging met zink, koper en PAK is onvoldoende vastgesteld. De analyseresultaten vormen aanleiding voor aanvullend nader onderzoek.
Advies Ter plaatse van meetpunt 01 wordt aanvullend nader onderzoek geadviseerd als gevolg van de aangetoonde gehaltes aan zink, koper en PAK. De omvang is op basis van de bekende onderzoeksresultaten niet voldoende vastgesteld. De doelstelling van het nader onderzoek is het vaststellen van de omvang van de verontreiniging met zink, koper en PAK. In overeenstemming met het advies in bovenstaande is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd.
5.11.3 Aanvullend en nader bodemonderzoek Pepereind 11 te Cromvoirt Navolgend wordt de conclusie weergegeven van het nader en aanvullend bodemonderzoek. Aanleiding voor het aanvullend en nader bodemonderzoek wordt gevormd door de resultaten van voorgaand verkennend en nader bodemonderzoek, aangevuld met nieuwe informatie van de opdrachtgever. Navolgend wordt de conclusie uit het rapport weergegeven. “Conclusies en advies • De voormalige aanwezigheid van het olievat (bovengrondse HBO-tank) heeft niet geleid tot gehaltes boven achtergrond of streefwaarde van minerale olie in grond of grondwater. De vermoede verontreiniging bij het verkennend bodemonderzoek uit 2000 is niet bevestigd. • De voormalige aanwezigheid van de dieseltank (bovengrondse tank) heeft niet geleid tot gehaltes aan minerale olie boven achtergrond- of streefwaarden in grond of grondwater. Het gehalte aan naftaleen is in het grondwater ter plaatse van peilbuis 305 is net verhoogd boven de streefwaarde en vormt geen aanleiding voor nader onderzoek. • Uit het nader onderzoek op het erf naar gehaltes aan PAK, zink en koper blijkt sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging van met name zink. De omvang wordt ingeschat op 180 m² (de rode contour op onderstaande tekening) met een laagdikte van maximaal 50 cm. Hiermee is de omvang bepaald op 90 m³ verontreinigde grond.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
51
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
•
Het PFAS-gehalte van de te ontgraven verontreinigde grond voldoet aan de vastgestelde achtergrondwaarde. Geadviseerd wordt de verontreinigde grond te saneren. Hiervoor kan een BUS-melding worden gedaan bij provincie Noord-Brabant.
5.11.4 Conclusie Van de functie wonen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - saneringslocatie', zoals opgenomen binnen de bestemming ‘Wonen -2’, mag niet eerder gebruik worden gemaakt dan nadat de bodem ter plaatse is gesaneerd en voorafgaand aan het nemen van de sanerende maatregelen het bevoegd gezag Wet bodembescherming de BUS-melding alsmede de evaluatie van de uitgevoerde sanering heeft goedgekeurd. De sanering moet zodanig zijn uitgevoerd dat de grond na het uitvoeren van de sanering voor de functie wonen geschikt is. Dit is middels een voorwaardelijke verplichting geregeld in de regels van dit bestemmingsplan.
5.12 Externe veiligheid 5.12.1 Inleiding Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven en het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
52
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Navolgende figuur geeft de ligging van het plangebied ten opzichte van risico objecten in de omgeving weer. Het plangebied is hierbij zwart omcirkeld.
Figuur 28: Uitsnede kaart externe veiligheid van de provincie Noord-Brabant ten opzichte van het plangebied
Op het campingbedrijf ten oosten van het plangebied is een installatie met propaan of ander vloeibaar gemaakt brandbaar gas aanwezig. Er is geen richtafstand met betrekking tot veiligheid aangegeven.
5.12.2 Transport 5.12.2.1 Ondergrondse leidingen Evenwijdig aan de Loverensestraat is een buisleiding gelegen. Het betreft een defensieleiding voor transport van brandstof. Ten aanzien van de ondergrondse hoge druk aardgastransportleiding geldt op basis van het vigerende bestemmingsplan een belemmerde strook van 5 meter aan weerszijden van de hartlijn van de leiding. Buiten deze belemmeringenstrook is geen plaatsgebonden risico (106/jaar) aanwezig. Het plangebied ligt met een afstand van meer dan 250 meter buiten het invloedsgebied van deze buisleiding. De oprichting van de woningen vindt plaats buiten het invloedsgebied van 25 meter. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve gevolgen hebben voor het ter plaatse geldende groepsrisico. Voor een aardgasleiding is het scenario fakkelbrand relevant. De kans op een fakkelbrand is klein. Het is van belang dat wanneer graafwerkzaamheden plaatsvinden ter plaatse van de belemmeringenstrook hier de vergunningenprocedure doorlopen wordt. Daarmee wordt de kans op een fakkelbrand aanzienlijk verkleind.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
53
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
5.12.2.2 Vervoer over het spoor De meest dichtbij gelegen spoorlijn bevindt zich op een afstand van circa 1,3 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. Het betreft de spoorlijn van het tracé Tilburg-Vught. Het relevante scenario voor dit traject in relatie tot het plangebied is een toxische wolk. Het plangebied bevindt zich op een dermate grote afstand tot de spoorlijn dat interactie normaalgesproken niet zal plaatsvinden. 5.12.2.3 Vervoer over de weg Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De doorgaande weg in de omgeving van het plangebied waarover dergelijke transporten plaatsvinden is de rijksweg A65/N65 's-Hertogenbosch-Tilburg. Deze Rijksweg bevindt zich op een afstand van circa 1,8 kilometer ten oosten van het plangebied. De Rijksweg A2 bevindt zich op een afstand van meer dan 4 kilometer ten oosten van het plangebied. Op een dergelijke afstand zal interactie normaliter niet plaatsvinden. 5.12.2.4 Vervoer over water Op het grondgebied van de gemeente Vught vindt geen significant vervoer van gevaarlijke stoffen over het water plaats. Dit aspect is dan ook niet van toepassing.
5.12.3 Verantwoording groepsrisico Het plangebied bevindt zich op circa 1,3 kilometer tot de spoorlijn ‘Tilburg – Vught’, 3,5 kilometer tot de spoorlijn Eindhoven- ’s-Hertogenbosch, op circa 1,8 kilometer tot de Rijksweg A65 en op 4,2 kilometer tot de Rijksweg A2. Op deze afstand is het toxisch scenario maatgevend. Effecten als gevolg van een plasbrand reiken niet tot het plangebied. Een toename van personendichtheden voor twee woningen zal niet significant doorwerken in de rekenkundige hoogte van het groepsrisico. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze grote afstand tot de risicobron geen item. Zoals gesteld heeft op deze afstand een toe- of afname van personendichtheid geen invloed op het groepsrisico. Verder is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen is in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. Veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch. In geval van een calamiteit zal de brandweer ingezet worden aan de bron ter beperking van de effecten van de calamiteit. Het bestrijdbaarheidsvraagstuk in relatie tot de ontwikkeling op deze grote afstand van de risicobron wordt daarom niet verder beschouwd. Blootstelling aan een toxisch gas is het bepalende scenario. In geval van een calamiteit dienen personen te schuilen.
De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Nieuwe bouwwerken zijn goed geïsoleerd, waardoor ze een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van het toxisch gas. Belangrijk is wel dat luchtbehandelingsinstallaties met één druk op de knop uit te schakelen zijn. Verder dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van NL-alert.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
54
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
5.13 Verkeer en parkeren 5.13.1 Verkeer De nieuwe kavels wordt ontsloten op de Scheepenstraat. Daarvoor worden bij voorkeur bestaande inritten en toegangen gebruikt, zodat de bestaande bomenstructuur niet aangetast wordt. De toename van het aantal verkeersbewegingen naar aanleiding van de nieuwe woningen is niet significant. Zodra het verkeer vanaf het plangebied op het wegennet komen, gaan deze auto’s op in het heersende verkeersbeeld.