BIjlage - Ontwerpbestemmingsplan - toelichting
Tekst van het document
5.13.2 Parkeren Op 7 februari 2013 heeft de gemeenteraad het 'Parkeerbeleid en Parkeernota 2013–2022' vastgesteld. Als parkeernorm voor autoparkeren is een norm van twee parkeerplaatsen opgenomen voor een vrijstaande koopwoning in het buitengebied. Binnen het plangebied dienen voor elk van de twee Ruimte voor Ruimte woningen twee parkeerplaatsen exclusief garage te worden gerealiseerd. Het plangebied biedt hiervoor ruimschoots de ruimte.
5.14 M.e.r.-beoordeling 5.14.1 Inleiding De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof en het daarop aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is.
In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing. Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
55
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
5.14.2 Toets De beoogde ontwikkeling ziet toe op de ontwikkeling van twee Ruimte voor Ruimte woningen binnen het plangebied. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft (ABRS 12 juni 2019, no. 201807060/1/R1) overwogen “dat het antwoord op de vraag of sprake is van een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.” Daarbij heeft de Afdeling afgewogen dat “hetgeen in het plan is voorzien, gelet op de aard en de omvang, niet [kan] worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Weliswaar verandert het gebruik van het perceel door onder andere de realisatie van twee eengezinswoningen, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte bebouwing op het perceel.” Bovendien heeft de afdeling bepaald dat een woningbouwproject tot en met 11 woningen geen nieuwe stedelijke ontwikkeling vormt.
(ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921) De Afdeling heeft uiteindelijk geoordeeld “dat nu de voorziene ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt, geen reguliere of vormvrije m.e.r.-beoordeling behoefde te worden uitgevoerd.” Bovenstaande leidt ertoe dat de beoogde ontwikkeling niet valt aan te merken als ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200.000 m². De Afdeling heeft uiteindelijk geoordeeld wanneer dat de voorziene ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt, geen reguliere of vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft te worden uitgevoerd. De beoogde herbestemming van het plangebied valt wegens aard en omvang van het project niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling waarop de drempelwaarden genoemd in de D-lijst. Omdat de beoogde ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling is, als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage, is het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk.
In de ‘Handreiking Ladder voor duurzame verstedelijking’ wordt eveneens opgemerkt dat bij de regeling ‘Ruimte voor Ruimte’ geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling, omdat aan de oprichting van een Ruimte voor Ruimte woning sloop van bebouwing is voorafgegaan (een rood voor groen regeling).
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
56
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
6. TOELICHTING OP DE REGELS 6.1 Inleiding Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.
6.2 Toelichting op de analoge verbeelding De
verbeelding
heeft
een
belangrijke
rol
bij
het
bepalen
van
de
gebruiks-
en
bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding onder meer bestemmingsvlakken, functie-aanduidingen en bouwvlakken opgenomen. De analoge verbeelding bestaat uit een planverbeelding, getekend op een digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1000. De bestemmingen ‘Wonen – 2’, ‘Wonen – 5’ en ‘Groen’ zijn opgenomen evenals de plangrens, bouwvlakken en bouwaanduidingen.
6.3 Algemene toelichting op de regels De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt:
-
Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen); De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingen); Algemene regels (Hoofdstuk 3 Aanvullende regels); Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels).
Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd:
-
Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Specifieke gebruiksregels; Afwijking van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het aanleggen.
De specifieke afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden zijn zoveel mogelijk per bestemming opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en de toegankelijkheid van het bestemmingsplan bevorderd.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
57
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
6.4 Toelichting op de bestemming 6.4.1
Wonen – 2
De voor ‘Wonen - 2’ aangewezen gronden zijn bestemd voor één woning, tuin, erf, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en groenvoorzieningen. Daarnaast zijn bij de woning bijhorende bouwwerken met een omvang van maximaal 200 m² toegestaan.
6.4.2
Wonen - 5
De voor ‘Wonen - 5’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen in een Ruimte voor Ruimte woning, tuin, erf, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en groenvoorzieningen. Per bestemmingsvlak is één vrijstaande woning toegestaan. De inhoud per Ruimte voor Ruimte woning mag niet meer bedragen dan 1.500 m³. De gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bij de woning bedraagt maximaal 100 m² oppervlakte, met dien verstande dat bij woningen die groter zijn dan 1.000 m³ de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken maximaal 10% van de inhoud van de woning bedraagt; De woningen dienen te worden opgericht binnen het bouwvlak.
6.4.3
Groen
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, bermen en beplanting, waterlopen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Ter plaatse mogen geen gebouwen worden opgericht.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
58
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
7. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 7.1 Economische uitvoerbaarheid en Grexwet Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel, die mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemers van het plan. Bij de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Vught zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. De initiatiefnemer zal derhalve met de gemeente Vught een anterieure overeenkomst sluiten. Een planschadeovereenkomst wordt tevens in de anterieure overeenkomst opgenomen, waarin is bepaald dat de kosten voor rekening van de initiatiefnemer komen.
7.2 Economische gevolgen bestemmingsplan De initiatiefnemer is zich ervan bewust dat alle kosten die gemaakt worden in of ten behoeve van de procedure en de uitvoering voor rekening van de initiatiefnemer komt. Dit betreft onder meer de kosten voor de benodigde onderzoeken, de kosten voor het opstellen van de planstukken, de legeskosten die voldaan dienen te worden en eventuele planschade die door uitvoering van het plan optreedt.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
59
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
8. PROCEDURE 8.1 Overleg ex artikel 1.3.1. Bro Artikel 1.3.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het voorontwerp bestemmingsplan heeft gedurende zes weken (vanaf 14 juli tot en met 24 augustus 2022) ter inzage gelegen. De provincie Noord-Brabant en Waterschap De Dommel en de Veiligheidsregio/ Brandweer BrabantNoord zijn in het kader van dit bestemmingsplan betrokken in het vooroverleg. De reacties van deze instanties zijn, waar relevant voor deze bestemmingsplanherziening, in het plan verwerkt. Het verslag overleg & inspraak voorontwerpbestemmingsplan is als bijlage bij deze toelichting opgenomen.
8.2 Procedure De bestemmingsplanprocedure conform de Wro wordt beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de Wro zijn hierop nog enkele wijzigingen beschreven. Samengevat is de bestemmingsplanprocedure als volgt:
-
het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage; gedurende deze periode kan een ieder schriftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren brengen aan de gemeenteraad;
-
binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan vast;
-
de vaststelling van het bestemmingsplan dient binnen twee weken na de vaststelling bekend gemaakt te worden behoudens de hieronder genoemde uitzonderingen;
- Gedeputeerde Staten hebben een zienswijze ingediend en deze zienswijze is niet of niet volledige door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan.
-
De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan - met uitzondering van het overnemen van de zienswijzen van Gedeputeerde Staten wijzigingen aangebracht.
Is één van bovenstaande twee gevallen aan de orde, dan mag het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan
pas
bekend
worden
gemaakt
nadat
zes
weken
zijn
verstreken.
Het
bestemmingsplan wordt daarna voor zes weken ter inzage gelegd waartegen beroep kan worden ingesteld. Wanneer er geen beroep wordt ingesteld, dan treedt het bestemmingsplan in werking en wordt het bestemmingsplan onherroepelijk. Wanneer een beroep aanhangig is gemaakt
treedt het
bestemmingsplan in werking maar wordt (vooralsnog) niet onherroepelijk. Bij het instellen van een voorlopige voorziening kan het bestemmingsplan worden geschorst en treedt dan niet in werking.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
60
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
8.3 Omgevingsdialoog Het voorontwerpplan heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is de mogelijkheid geboden een inspraakreactie te geven. Daarnaast heeft de initiatiefnemer een omgevingsdialoog gevoerd met de eigenaren van Scheepenstraat 5, Pepereind 9 en Pepereind 11a. De eigenaren van de locaties Scheepenstraat 5 en Pepereind 9 hebben aangegeven in principe geen bezwaren te hebben. De eigenaar van Pepereind 11a heeft kenbaar gemaakt in principe geen bezwaar te hebben, mits de afstand tussen de nieuwe woningen en de loods op zijn perceel groot genoeg is in het kader van de richtafstanden zoals vermeldt in de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. Hiermee is invulling gegeven aan het voeren van een zorgvuldige omgevingsdialoog. Een verslag van de dialoog is als bijlage bij deze toelichting opgenomen.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
61
Bestemmingsplan ‘Pepereind 11 en Scheepenstraat ong.’ – Toelichting
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
62