Bijlage - Motivering TAM-Omgevingsplan 'Hoofdstuk 22e Martinilaan 2-4 Vught'
Tekst van het document
§ 5.1.4.2a. Geluid door wegen, spoorwegen en Ja, zie paragraaf 5.7
strieterreinen
industrieterreinen
Geluid rond luchthavens
§ 5.1.4.3. Geluid rond luchthavens
Nee, het plangebied ligt niet binnen de geluidcontour van een luchthaven.
Trillingen
§ 5.1.4.4. Trillingen
Nee, het plangebied ligt niet in de nabijheid van activiteiten waarbij structureel trillingen vrijkomen en voorziet hier in ook niet in.
29/69
Slagschaduw van windturbines
§ 5.1.4.4a. Slagschaduw van windturbines
Nee, in de omgeving van het plangebied komen geen windturbines voor en het wijzigingsbesluit maakt geen windturbines mogelijk.
Bodemkwaliteit
§ 5.1.4.5. Bodemkwaliteit
Ja, zie paragraaf 5.8
Geur
§ 5.1.4.6. Geur
Ja, zie paragraaf 5.9
Cultureel erfgoed (aardkunde, ar-
§ 5.1.5. Beschermen van landschappelijke of
Ja, zie paragraaf 5.10
cheologie en cultuurhistorie)
stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed
Landschappelijke kwaliteiten Kust,
§ 5.1.5. Beschermen van landschappelijke of
PKB-Waddenzee en Waddengebied
stedenbouwkundige waarden en cultureel erf- PKB-Waddenzee en Waddengebied
Nee, het plangebied ligt niet binnen of nabij de kust,
goed Ladder voor duurzame verstedelij-
§ 5.1.5.4. Ladder voor duurzame verstedelij-
king
king
Ja, zie paragraaf 5.11
Nationale belangen binnen de fy-
§ 5.1.6. Behoud van ruimte voor toekomstige
Nee, gezien de aard en omvang van het bouwplan in
sieke leefomgeving
functies;
relatie tot de ligging van het plangebied vormt het
§ 5.1.7. Behoeden van de staat en werking van wijzigingsbesluit geen belemmering voor het beinfrastructuur of voorzieningen voor nadelige
houd van ruimte voor functies van nationaal belang.
gevolgen van activiteiten
Ook heeft het wijzigingsbesluit geen nadelige gevolgen voor de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen van nationaal belang.
Aanwijzing woningbouwcatego-
§ 5.1.7a. Gebruik van bouwwerken
rieën
Nee, voor dit wijzigingsbesluit is het niet nodig om regels te stellen over te realiseren categorieën woningen.
Toegankelijkheid openbare buiten-
§ 5.1.8. Bevorderen van de toegankelijkheid
ruimte
van de openbare buitenruimte voor personen
Ja, zie paragraaf 5.12
5.1.2 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Om een goede belangenafweging te kunnen maken is het in het kader van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (etfal) en de belangenafweging belangrijk om stil te staan bij de volgende aspecten van de fysieke leefomgeving waarvoor in het Bkl geen instructieregels zijn opgenomen. Deze thema's komen terug in tabel 5.2. Op de relevante onderdelen wordt verderop in dit hoofdstuk nader ingegaan. Voor de aspecten die niet relevant zijn voor dit wijzigingsbesluit volstaat de beknopte motivering in navolgende tabel Tabel 5.2: Thema's in het kader van ETFAL en de belangenafweging Thema
Wettelijk kader
Relevant voor de ontwikkeling
Gezondheid
§ 5.1.4. Bkl behandelt enkele thema's in het
Ja, paragraaf 5.13
kader van gezondheidsbescherming. Gezondheidsbevordering volgt uit provinciaal en/of gemeentelijk beleid. In het kader van ETFAL is een integrale benadering nodig. Gezondheidsrisico's vanwege vee-
In het kader van ETFAL in de belangenafwe-
Nee, het plangebied ligt niet binnen 2 km van een gei-
houderijen
ging betrokken.
tenhouderij of endotoxine invloedssfeer van een varkens- of pluimveehouderij.
30/69
Spuitzones vanwege gewasbescher- In het kader van ETFAL in de belangenafwe-
Nee, het plangebied ligt niet in de nabijheid van gron-
mingsmiddelen
ging betrokken.
den waar (mogelijk) sprake is van een spuitzone.
Mobiliteit en parkeren
In het kader van ETFAL in de belangenafwe-
Ja, zie paragraaf 5.14
ging betrokken. Natuurbescherming NNN
Afdeling 7.3 van het Bal.
Nee, het plangebied ligt niet binnen Natuur Netwerk Nederland, zie paragraaf 5.15
Ecologie: gebiedsbescherming
Afdeling 11.1 van het Bal.
Ja, zie paragraaf 5.15
Ecologie: soortenbescherming
Afdeling 11.2 van het Bal.
Ja, zie paragraaf 5.16
Ecologie: houtopstanden
Afdeling 11.3 van het Bal.
Ja, zie paragraaf 5.17
Bezonning / schaduwhinder (niet
In het kader van ETFAL in de belangenafwe-
Ja, zie paragraaf 5.18
zijnde slagschaduw windturbines)
ging betrokken.
Windhinder
In het kader van ETFAL in de belangenafwe-
Ja, zie paragraaf 5.19
ging betrokken. Lichthinder
In het kader van ETFAL wel in de belangenaf- Nee, binnen het plangebied worden geen activiteiten weging betrokken.
of bouwwerken mogelijk gemaakt met enige vorm van lichtuitstraling (bijvoorbeeld bedrijfsterrein, sportveld of glastuinbouw met assimilatieverlichting), anders dan reguliere straat- en erfverlichting. Hinder van dergelijke activiteiten is niet te verwachten omdat deze niet in de omgeving voorkomen.
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
In het kader van ETFAL in de belangenafwe-
Ja, paragraaf 5.20
ging betrokken. Welstand
In het kader van ETFAL in de belangenafwe-
Ja, paragraaf 5.21
ging betrokken. Ontplofbare oorlogsresten
In het kader van ETFAL in de belangenafwe-
Ja, paragraaf 5.22
ging betrokken. Kabels en leidingen
In het kader van ETFAL in de belangenafwe-
Ja, paragraaf 5.23
ging betrokken.
5.2
Omgevingsveiligheid
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn instructieregels opgenomen in § 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar (ofwel 10-6). Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties
31/69
wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het PR gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is. Groepsrisico / aandachtsgebieden Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden.
Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken. Kwetsbare functies Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico's wordt uitgegaan van een onderscheid tussen zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties. Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage IV). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen, net als onder andere gebouwen met een kantoor- of onderwijsfunctie. Basisscholen, kinderdag- verblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen: • Hoeveel personen zijn in dat gebouw c.q. op die locatie gelijktijdig aanwezig? • Wat is de aanwezigheidsduur van die personen? • In hoeverre zijn die personen in staat zichzelf in veiligheid te brengen bij een incident. Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour.
Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het wijzigen van het omgevingsplan. Omgevingsverordening Noord-Brabant De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot omgevingsveiligheid. Toetsing Met dit wijzigingsbesluit wordt niet voorzien in een nieuwe risicovolle activiteit. Wel worden kwetsbare gebouwen (woonfunctie) mogelijk gemaakt. Daarom is het van belang om af te wegen of ten aanzien van die nieuwe woningen een veilige omgeving kan worden geboden gelet op externe veiligheidsrisico’s. Met behulp van de kaart ‘Veilige omgeving’ is in beeld gebracht welke risicobronnen zich in de omgeving van het plangebied bevinden. Daarbij is gekeken naar risicovolle inrichtingen, buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en transportroutes over land (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
32/69
Uitsnede kaart Externe veiligheid van Atlas Leefomgeving (Bron: Ministerie IenW – Register externe veiligheid, 2024), met plangebied blauw omcirkeld.
Uitsnede kaart Externe veiligheid van Atlas Leefomgeving (Bron: Ministerie IenW – Register externe veiligheid, 2024), met plangebied blauw omlijnd.
33/69
Risicovolle inrichtingen Aan de Esschestraat 121 is een benzineservicestation, maar deze vormt geen risico omdat er geen LPG aanwezig is. Verder zijn er geen relevante inrichtingen in de omgeving van het plangebied die mogelijk een risico vormen. Buisleidingen Op ongeveer 730 meter ten zuiden van het plangebied loopt een buisleiding van Gasunie waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het plangebied is niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour of het brandaandachtsgebied van de buisleiding. De buisleiding is dan ook niet relevant voor de omgevingsveiligheid binnen het plangebied. Transport gevaarlijke stoffen over land In de omgeving komen meerdere wegen (N65 ten noorden en A2 ten oosten) en spoorwegen (tracé Tilburg – Den Bosch ten noorden en tracé Den Bosch – Boxtel) voor waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Uit bovenstaande afbeelding blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het brandaandachtsgebied of explosieaandachtsgebied en slechts gedeeltelijk binnen een gifwolkaandachtsgebied van deze (spoor)wegen. De woongebouwen komen echter buiten het gifwolkaandachtsgebied. Deze risicobronnen vormen dan ook geen belemmering voor dit wijzigingsbesluit. Conclusie Gelet op het voorgaande is het vanuit het oogpunt omgevingsveiligheid aanvaardbaar de betreffende functies waaronder wonen aan de planlocatie toe te delen.
Ten aanzien van het aspect omgevingsveiligheid is de ontwikkeling in overeenstemming met de relevante instructieregels en er hoeven hiervoor geen aanvullende regels te worden opgenomen.
5.3
Water
Algemeen Rijk Nederland leeft met water. Dat betekent dat bij bouwen rekening gehouden moet worden met water. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit een instructieregel (artikel 5.37) die is opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op basis van artikel 5.37 vervalt de term ‘watertoets’. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' deze term. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. In de kamerbrief ’water en bodem sturend’ van 25 november 2022 formuleert het Rijk een aantal uitgangspunten om water en bodem sturend te laten zijn in de ruimtelijke ordening. Dat zorgt ervoor dat de inwoners ook in een Nederland met een veranderend klimaat kunnen blijven leven, wonen en werken. Naast de keuze ‘waar’ te bouwen is er ook invulling gegeven aan de vraag ‘hoe’ een gebied klimaatbestendig kan worden ingericht of bebouwd. Daartoe hebben de samenwerkende overheden en externe partijen een landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de thema’s wateroverlast, droogte, hitte, gevolgbeperking overstromingen, biodiversiteit en bodemdaling bij nieuwbouw.
Voor juridische borging van de groene maatlat denkt het Rijk aan een instructieregel in het Bkl of meer specifieke regelgeving in het Bbl. Provincie De Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant bevat instructieregels voor waterschappen en gemeenten. In hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening staan de instructieregels voor gemeenten. Voor het thema ’water’ zijn de volgende artikelen van belang:
34/69
In artikel 5.7 wordt voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit toepassing gegeven aan de lagenbenadering. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan het principe ‘water een bodem sturend’. Het is een keuze van het kabinet om bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Dit principe is vertaald in diverse randvoorwaarden waarmee provincies samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen. In artikel 5.16 tot en met artikel 5.18 worden de grondwatervoorraden beschermd. Daardoor blijft waterwinning voor menselijke consumptie mogelijk. Artikel 5.41 en 5.42 gaan in op de bescherming van de waterhuishouding en behoud en herstel van watersystemen. Doel van de attentiezone waterhuishouding is om ontwikkelingen die een negatieve invloed hebben op de binnen de attentiezone gelegen natte natuurparels tegen te gaan. Het werkingsgebied 'Behoud en herstel watersystemen' is gebaseerd op het Regionaal waterprogramma en gebaseerd op waterlopen met de functie waternatuur, (natte) ecologische verbindingszones en gebieden die in de reconstructie- en gebiedsplannen zijn aangeduid als 'ruimte voor beek- en kreekherstel'. Uitgangspunt voor de begrenzing door de gemeente in het omgevingsplan is een breedte van ten minste 25 meter aan weerszijden van de waterloop.
Om de ruimte voor oppervlaktewater te behouden zijn artikel 5.49 en 5.50 opgesteld. Een waterloop heeft ruimte nodig om bij langdurige neerslag water te kunnen afvoeren. Daarbij treedt het water uit zijn ‘bakje’ en overstroomt de omgeving. Hier dient rekening mee te worden gehouden bij bouwactiviteiten. Binnen regionale waterberging (artikel 5.49) gelden meer beperkingen dan in de reserveringsgebieden waterberging, omdat deze gebieden concreet nodig zijn om wateroverlast tegen te gaan. Binnen reservering waterberging (artikel 5.50) is een afweging mogelijk. De onderbouwing van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan bevat hiervan de verantwoording. In beide gevallen geldt bij het opnemen van een regeling in het omgevingsplan dat betrokkenheid van de waterschappen, als primair verantwoordelijk bestuursorgaan voor de inrichting van de waterbergingsgebieden, nodig is. Waterschap Het waterschap gaat niet over ruimtelijke ordening. Uit artikel 5.37 van het Bkl volgt dat de gemeente de opvattingen van de waterbeheerder moet betrekken bij het vaststellen van het omgevingsplan. Op basis van het uitgangspunt ‘water en bodem sturend’ kan de rol van het waterschap in de ruimtelijke ordening wellicht wijzigen. De Waterschapsverordening bevat in afdeling 2.6 regels voor het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam. Verder moet rekening worden gehouden met waterschapsbelangen.
Uit het waterschapsbeleid en de waterschapsverordening blijkt welke belangen er spelen. Ten slotte wordt het planvoornemen ook getoetst aan het relevante gemeentelijke beleid met betrekking tot water. Het gemeentelijk beleid biedt een kader voor de gemeentelijke watertaken en regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater, doelmatige verwerking van afvloeiend (overtollig) hemelwater en overtollig grondwater. Toetsing Voor dit wijzigingsbesluit heeft een weging van het waterbelang plaatsgevonden. Dit rapport is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Daarin zijn het geldende beleid en de huidige waterhuishoudkundige situatie geanalyseerd. Vervolgens is beoordeeld op welke wijze hiermee rekening is gehouden in het beoogde plan en op welke manier de waterbelangen beschermd worden. Een samenvatting hiervan staat hieronder aangegeven.
35/69
Omgevingsaspecten Het projectgebied is ten opzichte van de omgeving hoger gelegen en ligt ergens op een hoogte van 6,90 tot 6,60 m +NAP. De bodem bestaat tot maximaal 4,0 meter beneden maaiveld voornamelijk uit matig siltig, matig fijn zand. De bovengrond ter plaatse van de locatie Martinilaan 2-4, is daarnaast tot ca. 1,0 meter beneden maaiveld zwak tot matig humeus. Op de locatie Theresialaan 88 is de humeuze toplaag nagenoeg niet aanwezig. Op basis van de gegevens van grondwatermeetpunten uit het meetnet van de gemeente is voor het projectgebiedingeschat dat de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) is gelegen op ca. 5,00 m +NAP. Hiermee zou de GHG zich op ca. 1,60 tot 1,9 meter beneden maaiveld bevinden. Op basis van de vastgestelde legger waterstaatswerken 2023 van waterschap De Dommel is in de directe omgeving van het projectgebied geen oppervlaktewater gelegen. Het projectgebied ligt tevens niet binnen een Attentiegebied of keur beschermd gebied. Het projectgebied ligt niet in een kern- of beschermingszone van een waterkering. De ontwatering is ten aanzien van huidige maaiveldniveau voldoende. Het natuurlijke (bestaande) verloop van het maaiveld wordt als maatgevend aangehouden voor het bepalen van de bouwpeilen. Het gehanteerde uitgangspunt is dat de bouwpeilen uitgezet worden op 1,5 m boven het laagste NAP punt.
Het hoogte verschil is daarmee op het ongunstigste punt 1,5 m tussen bouwpeil en aansluitend maaiveld (6,57 m +NAP). Door het aanwezige verloop in het maaiveld wordt dit hoogteverschil als minder ervaren. Voor gebouw A en B wordt uitgegaan van een bouwpeil van 8,07 m +NAP en voor gebouw C een bouwpeil van 6,80 m +NAP. Planontwikkeling en verhard oppervlak Het planvoornemen voorziet in de herbestemming van de desbetreffende gronden ten behoeve van de realisatie van woningen. In de nieuwe situatie worden drie woongebouwen gerealiseerd met daarin appartementen. De gebouwen worden opgericht in een parkachtige setting met veel groen en ruimte om te ontmoeten en te bewegen. De gebouwen krijgen drie tot vijf bouwlagen, waarbij de onderste laag bij twee gebouwen half verdiept wordt aangelegd ten behoeve van parkeren. In totaal biedt het project ruimte aan 62 woningen, in combinatie met de realisatie van de ontsluiting en de openbare ruimte. De ontwikkeling voorziet in een verhard oppervlak van 3.229 m2. Waterbergingsopgave De aanleg van verhard oppervlak kan zorgen voor een versnelde afvoer van hemelwater. De eigenaar van het terrein waarop het hemelwater valt is primair verantwoordelijk voor de verwerking van het hemelwater.
In de Waterafvoerverordening Vught staat daarnaast aangegeven dat het verboden is om vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de openbare riolering of openbaar terrein; dit moet op het eigen perceel worden verwerkt. De aanleg van verharding dient daarom gecompenseerd te worden in de vorm van waterberging. de te realiseren hemelwatervoorziening moet tenminste 60 liter per m2 verhard oppervlak, recht van boven bemeten, kunnen verwerken. Op basis van de toekomstig verhard oppervlak bedraagt de waterbergingsopgave voor het projectgebied in totaal 194m3 (3.229 m2 x 60 mm). Hemelwater Water wordt bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen en op een duurzame wijze verwerkt. Het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) wordt gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld. De eigenaar van een perceel heeft bij de verwerking van hemelwater op het eigen perceel de vrije keuze tussen de toe te passen voorziening(en). De positionering van de gebouwen binnen het plan staat nagenoeg vast. De verdere inrichting van
36/69
het planvoornemen is echter nog in bewerking en kan mogelijk wijzigen. Hierdoor is er nog sprake van een zekere flexibiliteit ten aanzien van de wijze waarop het hemelwater binnen het projectgebied verwerkt gaat worden. Om te kunnen voorzien in voldoende waterberging wordt vanuit het plan gedacht aan het opnemen van een wadi in het landschapsontwerp eventueel aangevuld met extra voorzieningen zoals bijvoorbeeld het toepassen van waterretentiedaken (blauw-groendak), waterberging onder de parkeerplaatsen en rijbaan door toepassing van een waterbergend aggregaat (menggranulaat (grauwace), schelpen, lava, drainagezand, grind) of infiltratiekratten. Ook het toepassen van een wadi in combinatie met een hemelwatervoorziening in de parkeerkelder behoort tot de mogelijkheden. Het toekomstige hemelwatersysteem, voorzieningen en maatregelen worden bij het verdere planproces nader uitgewerkt en ter toetsing voorgelegd. Voor het plan geldt de voorwaardelijke verplichting dat een omgevingsvergunning voor het bouwen kan derhalve pas kan worden verleend wanneer voldoende voorzieningen zijn gerealiseerd en in stand gehouden ter compensatie van de toename van afstromend hemelwater. Afhankelijk van het type voorziening en de belastbaarheid hebben ondergrondse systemen daarnaast een bepaalde gronddekking nodig.
De GHG en de benodigde gronddekking zijn bepalend of een ondergrondse bergingsvoorziening zonder verlies van berging kan worden aangelegd. Hier zal bij de verdere uitwerking van het systeem rekening mee gehouden worden. Kwaliteit Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk. Afvalwater In en rondom de Martinilaan en Theresialaan ligt een gescheiden rioolstelsel. Hemelwater en afvalwater wordt gescheiden ingezameld, verwerkt en aangeleverd. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater (mogelijk) wijzigen. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin, is voor de berekening uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 120 liter per dag geproduceerd per IE. Per woning wordt uitgegaan van een gemiddelde woningbezetting van 2,5 bewoners. Dit betekent dat er dus 2,5 x 120 liter = 300 liter per dag per woning wordt geloosd. Conform het planontwerp zullen er in totaal 62 woningen/bouwblokken worden gerealiseerd. Dit komt overeen met een aanbod c.q. toename van ca. 18,6 m³/dag. De berekening is gebaseerd op basis van aannames en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden.
Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente worden uitgewerkt en getoetst. Conclusie Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling zijn de waterhuishoudkundige consequenties in beeld gebracht waarbij de waterbelangen ten aanzien van waterveiligheid, waterkwaliteit en waterkwantiteit zijn gewogen. Bij de weging van de waterbelangen zijn de gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving uit het omgevingsplan en de waterschapsverordening van het waterschap in acht genomen en vormde hiervoor de basis. Met het uitvoeren van de weging van het waterbelang
37/69
is het kader gegeven voor het vastleggen van het wateraspect zoals dat in de omgevingswet is opgenomen. Op basis van de waterhuishoudkundige randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen vormt het aspect 'water' geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
5.4
Luchtkwaliteit
De Omgevingswet bevat instrumenten en regels die de kwaliteit van de buitenlucht bewaken en beschermen. In artikel 5.50 en 5.51 Bkl zijn instructieregels opgenomen voor activiteiten die kunnen leiden tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van stikstofdioxide of fijn stof (PM10). In die artikelen is bepaald dat in het omgevingsplan omgevingswaarden moeten worden vastgelegd als sprake is van die betreffende activiteiten. Het gaat dan om de aanleg of wijziging van een tunnelbuis of de aanleg van een autoweg of autosnelweg (artikel 5.50 Bkl), of om de aanleg of wijziging van wegen, vaarwegen en spoorwegen, activiteiten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken op wegen, vaarwegen en spoorwegen, of milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht. Voor deze activiteiten is dan ook onderzoek nodig om vast te stellen of er sprake is van een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van stikstofdioxide of fijn stof (PM10). Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 μg/m³ of minder. Voor het exploiteren van een veehouderijen geldt die stelregel slechts in bepaalde mate (artikel 5.53 Bkl). Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan vormt het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering. Omgevingsverordening Noord-Brabant De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot luchtkwaliteit. Toetsing Dit wijzigingsbesluit voorziet in het saneren van een bedrijfslocatie om plaats te maken voor ‘gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan’. In artikel 5.54 Bkl is bepaald dat een dergelijke activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als het gaat om: • één ontsluitingsweg: ten hoogste maximaal 1.500 woningen, of • twee ontsluitingswegen: ten hoogste maximaal 3.000 woningen. Het wijzigingsbesluit voorziet in de realisatie van 62 woningen aan een bestaande ontsluitingsweg. Vanwege de omvang van het planvoornemen kan deze worden aangemerkt als ‘niet in betekenende mate bijdragend’.
Gemeente Vught is niet gelegen binnen een aandachtsgebied die wordt gemonitord voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Een luchtkwaliteitsonderzoek kan dan ook achterwege blijven. Er is geen belemmering voor het realiseren van de woningen. Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In artikel 2.4 en 2.5 van het Bkl staan de ten hoogste toelaatbare omgevingswaarden benoemd. Gemeente Vught heeft geen afwijkende omgevingswaarden vastgesteld, waardoor aan de wettelijke normen moet worden getoetst.
38/69
Uitsnede CIMLK viewer, met het plangebied rood omlijnd en in relatie tot de toetspunten aan de wegdelen Martinilaan, Theresialaan en Esscheweg. Hierboven is een uitsnede opgenomen van de CIMLK viewer waarop te zien is waar de meest relevante toetspunten zich bevinden ten opzichte van het plangebied. De figuur geeft de NO2-concentratie weer in de meest recente monitoringsronde en het meest nabijgelegen monitoringsjaar. Eenzelfde uitsnede kan worden gemaakt van andere monitoringsronden, monitoringsjaren en luchtverontreinigende stoffen (per monitoringsjaar en monitoringsronde), maar het is niet zinvol om hiervoor steeds afzonderlijk een figuur op te nemen. Wel is het van belang om de relevante concentraties te beoordelen. In onderstaande tabel zijn voor het dichtstbijzijnde toetspunt en de meest actuele monitoringsronde de omgevingswaarden in beeld gebracht voor de meest relevante luchtverontreinigende stoffen. Toetspunt:
Martinilaan,Vught (locatie: x: 147726.231927746 y: 406704.978915016)
Monitoringsronde:
2024
Monitoringsjaar
NO2-concentratie
PM10-concentratie
PM10-overschrijdingsdagen
PM2,5-concentratie
2025
13,67 µg/m³
15,46 µg/m³
6
8,82 µg/m³
2030
11,38 µg/m³
14,42 µg/m³
6
7,85 µg/m³
40 µg/m³
40 µg/m³
35
25 µg/m³
kalenderjaargemiddelde
kalenderjaargemiddelde
dagen per kalenderjaar
kalenderjaargemiddelde
Ten hoogst toelaatbaar (art. 2.4 en 2.5 Bkl)
Conclusie Uit voorgaande tabel blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden. Het aspect luchtkwaliteit is in overeenstemming met de relevante instructieregels. Er hoeven geen aanvullende planregels ten aanzien van dit aspect te worden opgenomen om de functie wonen met bijbehorend terrein aan de planlocatie toe te delen.
39/69
5.5
Geluid door activiteiten
Bij een ontwikkeling moet rekening worden gehouden met het geluid van activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Dat geldt voor het toestaan van activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen, maar andersom ook voor het mogelijk maken van geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. Van belang is dat enerzijds de geluidbelasting ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is en blijft, anderzijds dat de gebruiksruimte van activiteiten in beginsel ongemoeid wordt gelaten. Voor de beoordeling van geluidhinder afkomstig van activiteiten moet rekening worden gehouden met verschillende soorten geluidhinder, namelijk: • Geluidhinder afkomstig van één of meerdere activiteiten op een locatie (directe hinder); • Maximale geluidhinder; dit zijn de piekniveaus die optreden als gevolg van activiteiten op een locatie. In artikel 5.65 Bkl zijn voor geluid door activiteiten, anders dan door specifieke activiteiten zoals windturbines of militaire activiteiten, standaardwaarden en grenswaarden opgenomen voor het toelaatbare geluid op een geluidgevoelig gebouw en in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Deze waarden zijn van toepassing op nieuwe geluidbelastende activiteiten, maar omgekeerd ook op het toevoegen van nieuwe geluidgevoelige objecten nabij een geluidbelastende activiteit.
Het geluid door een activiteit is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in onderstaande tabellen: Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw
07.00-19.00 uur
19.00-23.00 uur
23.00-07.00 uur
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen
--
65 dB(A)
65 dB(A)
LAmax door andere piekgeluiden
--
65 dB(A)
65 dB(A)
07.00-19.00 uur
19.00-23.00 uur
23.00-07.00 uur
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen
--
55 dB(A)
55 dB(A)
LAmax door andere piekgeluiden
--
45 dB(A)
45 dB(A)
LAr,LT als gevolg van activiteiten
Standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten LAr,LT als gevolg van activiteiten
Omgevingsverordening Noord-Brabant De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot geluid. Toetsing Dit planvoornemen voorziet in de realisatie van 62 nieuwe woningen. Woningen zijn volgens artikel 3.31 Bkl geluidsgevoelige gebouwen. Met dit wijzigingsbesluit worden geen activiteiten met gebruiksruimte mogelijk gemaakt. Wel wordt een solitair gelegen bedrijfslocatie met gebruiksruimte voor geluid gesaneerd, wat gunstig is voor het akoestisch klimaat van de woonbuurt waarbinnen het plangebied is gelegen. De woningen binnen het plangebied worden gebouwd in de nabijheid van een sporthal en onderwijsinstelling. Van beide functies is geluidsbelasting te verwachten. Daarom is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de effecten van geluid van omliggende functies op de nieuwe woningen. De resultaten zijn gerapporteerd en als bijlagen bij deze motivering bijgevoegd. Hierna volgen de belangrijkste bevindingen.
40/69
Akoestisch onderzoek Martinihal Direct naast het plangebied staat sporthal de Martinihal. Uit de door K+ Adviesgroep verrichte analyse volgt dat redelijkerwijs kan worden verwacht dat de geluidbelasting op de appartementen binnen voorliggend plangebied niet hoger zal zijn dan de eisen uit de bruidsschat (tijdelijk deel Omgevingsplan gemeente Vught). Deze eisen komen overeen met voormalige Activiteitenbesluit. Akoestisch onderzoek Maurick College Direct ten noordwesten van het plangebied is middelbare school Maurick College gevestigd. Er is akoestisch onderzoek uitgevoerd om inzicht te geven of de school niet wordt belemmerd door de komst van de appartementen en om te beoordelen of ter plaatse van de school sprake is van een evenwichtige toedeling van functie aan locaties. Uit het onderzoek is gebleken dat voor zowel het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau als maximale geluidniveau wordt voldaan aan de geluideisen van de bruidsschat (tijdelijk deel Omgevingsplan gemeente Vught). Dit geldt ook ten aanzien van stemgeluid op het schoolplein en de fietsenstallingen, als gerefereerd wordt aan de geluideisen van de bruidsschat. Op basis van de gehanteerde uitgangspunten wordt het Maurick College niet belemmerd in haar geluidruimte en is ter plaatse van de nieuwe appartementen sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Akoestisch onderzoek industrielawaai telefooncentrale Direct ten westen van het plangebied, tussen de Martinihal en het plangebied, staat een nutsgebouw (telefooncentrale, Martinilaan 8a). Er is akoestisch onderzoek verricht naar de geluiduitstraling van de installaties op het dak van de naastgelegen telefooncentrale. Zoals uit de berekeningsresultaten blijkt, wordt met genoemde uitgangspunten voldaan aan de eisen uit de bruidsschat (tijdelijk deel Omgevingsplan gemeente Vught). Echter wordt opgemerkt dat de bronvermogens aannames betreffen. Ook is niet bekend of de units tonaal geluid produceren. Indien dit het geval is, zijn de genoemde mogelijke bronvermogens inclusief tonaaltoeslag. Op basis van de grootte van de installaties zou geconcludeerd kunnen worden dat de aangenomen bronvermogens passend bij de installaties kunnen zijn. Bovendien is uitgegaan van een worst-case scenario waarop de installaties gedurende 100% van de nachtperiode op 100% van het vermogen draaien. Dit zal redelijkerwijs niet het geval zijn. Conclusie Gelet op de resultaten van de verschillende akoestisch onderzoeken is de akoestische situatie geschikt voor de functie wonen. Er zijn geen aanvullende planregels ten aanzien van dit aspect nodig om de functie wonen met bijbehorend terrein aan de planlocatie toe te delen.
5.6
Geluid door wegen en spoorwegen
Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.2a instructieregels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Hierin wordt beschreven dat een omgevingsplan rekening moet houden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op nieuwe geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en erin voorziet dat het geluid aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden uit navolgende tabel.
41/69
Geluidbronsoorten
Standaardwaarde in Lden (dB)
Grenswaarde in Lden (dB) Nieuwe geluidgevoelige
Aanleg of aanpassing
gebouwen
bron
Rijkswegen en provinciale wegen
50
60
65
Gemeentewegen en Waterschapswegen
53
70
70
Hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen
55
65
70
Industrieterreinen
50
55
60
40 Lnight
45 Lnight
50 Lnight
In een aantal gevallen kan een waarde hoger dan de grenswaarde aanvaardbaar worden geacht: ● bij vervangende nieuwbouw maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde en het aantal geluidgevoelige gebouwen met meer geluid dan de grenswaarde mag niet wezenlijk toenemen; ● bij functiewijziging maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde (transformatie); ● bij zeehavengebonden activiteiten maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde; ● bij een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen; ● bij een niet-geluidgevoelige gevel. Een overschrijding van de grenswaarden is alleen mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarden te voldoen en de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt. Het kan dan gaan om maatregelen aan de bron, overdrachtsmaatregelen (bijvoorbeeld een geluidwal of -scherm), of maatregelen bij de ontvanger. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Verder wordt rekening gehouden met het belang van een geluidluwe gevel. Bij het overschrijden van de standaard- of grenswaarden wordt het gecumuleerde geluid beoordeeld en het gezamenlijk geluid bepaald en vastgelegd in het omgevingsplan.
Omgevingsverordening Noord-Brabant De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot geluid. Toetsing In de omgeving van het plangebied komen geen spoorwegen (> 700 meter) of industrieterreinen met geluidproductieplafonds (voorheen geluidgezoneerde bedrijventerreinen) voor. Het plangebied ligt dan ook niet binnen het aandachtsgebied van een industrieterrein of spoorwegen. Het plangebied ligt wel binnen het aandachtsgebied van de rijksweg N65 (Helvoirtseweg) en meerdere lokale wegen (Martinilaan, Theresialaan en Esscheweg, Jagersweg en Jagersboschlaan). Daarom is met akoestisch onderzoek de gecumuleerde geluidbelasting ter plaatse onderzocht. De resultaten zijn gerapporteerd en als bijlage bij deze motivering bijgevoegd. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Uit het geluidsrapport blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van de gemeentewegen voldoet aan de standaardwaarde. Het Besluit kwaliteit leefomgeving legt ten gevolge van deze wegen geen restricties op aan het plan. Verder volgt uit het rapport dat voor de rijksweg N65 de standaardwaarde wordt overschreden, maar de grenswaarde niet. In het onderzoeksrapport wordt het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen niet wenselijk en/of uitvoerbaar geacht. Geluidbeperkende maatregelen komen enkel in aanmerking als deze financieel doelmatig zijn en er geen overwegende bezwaren van
42/69
stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard tegen bestaan. Het betreft maatregelen aan de bron zoals het realiseren van een stiller type wegdek of het plaatsen van een geluidscherm. Deze maatregelen zijn financieel niet doelmatig en stuiten op overwegende bezwaren van uitvoerbare aard. Met dit wijzigingsbesluit is het mogelijk om voor de betreffende gebouwen een hogere geluidwaarde dan de standaardwaarde vast te stellen, mits de grenswaarde niet wordt overschreden. Ook moeten de woningen dan beschikken over een geluidluwe gevel en/of zijn bouwkundige maatregelen nodig. Uit het geluidsrapport blijkt dat gebouw A (zuidelijke bouwmassa) geen verhoogde geluidbelasting vanwege het verkeer op de N65 ondervindt. De gebouwen B en C ondervinden op enkele toetspunten wel een verhoogde geluidbelasting ten gevolge van verkeer op de N65. De oost- en zuidgevels van deze gebouwen zijn geluidluw. Gezien de indeling van deze gebouwen zal iedere woning over een geluidluwe gevel beschikken. Daarmee kan zonder bouwkundige maatregelen worden voldaan aan ten minste één geluidluwe gevel per woning. Gelet hierop is het mogelijk en aanvaardbaar om een hogere waarde dan de standaardwaarde in het omgevingsplan vast te leggen.
Beoogde indeling van de bouwlagen van de gebouwen B en C. Bron: JMW Architecten.
Het gezamenlijk geluid bedraagt 54 dB. Conform het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Aangezien de standaardwaarde wordt overschreden, moet voor de nieuwe woningen worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan
43/69
het gestelde in artikel 4.103 van het Bbl. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in de gezamenlijke geluidbelasting en 33 dB. Uit het geluidsrapport blijkt dat de minimaal vereiste geluidwering 21 dB betreft. Wanneer de appartementen worden uitgevoerd op traditionele bouwwijze en met mechanische toe- en afvoer voor ventilatie (geen gevelroosters), wordt deze waarde behaald met standaard dubbel of triple glas. Als aan deze bouwwijze en ventilatiewijze wordt voldaan, wordt een aanvullende berekening ter onderbouwing van de geluidwerende kwaliteit van de gevel niet nodig geacht. Conclusie Gelet op de resultaten van het akoestisch onderzoek is de akoestische situatie geschikt voor de functie wonen. Met dit wijzigingsbesluit wordt voor gebouwen B en C een hogere waarde dan de standaardwaarde vastgelegd. Ook wordt het gezamenlijk geluid met dit wijzigingsbesluit vastgelegd.
5.7
Bodem
Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers: 1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); 2. het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); 3. het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen). Om een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie toe te staan, moet op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) worden aangetoond dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als er een bodemgevoelig gebouw is toegestaan op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.
Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Omgevingsverordening Noord-Brabant De omgevingsverordening bevat voor dit projectgebied geen specifieke instructieregels met betrekking tot bodem. Toetsing Ten behoeve van dit wijzigingsbesluit zijn een aantal bodemonderzoeken uitgevoerd (zie bijlagen). Hierna wordt kort ingegaan op de verschillende onderzoeken en resultaten ervan:
44/69
Verkennend bodemonderzoek (Terra Milieu, 29-11-2023) (deelgebied Martinilaan 2-4): Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat in de bovengrond verhogingen van koper, lood en/of PAK worden aangetroffen ten opzichte van de achtergrondwaarden. In de ondergrond worden geen van de geanalyseerde parameters verhoogd aangetroffen ten opzichte van de achtergrondwaarde. Verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarden worden vaker aangetroffen tijdens bodemonderzoeken en geven geen bezwaar voor het geplande gebruik van de locatie. In het grondwater worden verhogingen van de parameters barium en cadmium aangetroffen ten opzichte van de streefwaarden. Tevens wordt de parameter zink verhoogd aangetroffen ten opzichte van de tussenwaarde. Ter plaatse van de onderzoekslocatie blijkt dat er in het grondwater lichte tot matige verhogingen van zware metalen worden aangetroffen. De Wet bodembescherming schrijft voor dat als in een verkennend bodemonderzoek parameters verhoogd ten opzichte van de tussen- en/of interventiewaarden worden aangetroffen een nader bodemonderzoek conform NTA 5755 uitgevoerd dient te worden. Middels dit nader onderzoek kan de ernst en omvang van de verontreinigingen worden vastgesteld.
Echter, de verhogingen van metalen kunnen vermoedelijk worden toegeschreven aan diffuse verontreiniging van natuurlijke oorsprong, er is mogelijk sprake van verhoogde achtergrondgehalten. Er ontbreekt op de onderzoekslocatie een bron waarvan de verhogingen afkomstig kunnen zijn. Gezien de metaalverontreinigingen in het grondwater en het ontbreken van verontreinigingen in de grond word aanvullend onderzoek niet zinvol geacht. Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat zintuiglijk en analytische geen asbest is aangetroffen in een van de mengmonsters. De bovengrond kan op basis van dit resultaat als niet asbesthoudend beschouwd worden. Op basis van het aantreffen van diverse asbestdaken zonder goot of onderliggende verharding wordt geadviseerd een onderzoek naar asbest uit te voeren ter plaatse van de druppelzone/infiltratiezone van deze verdachte locatie. Verkennend bodemonderzoek (NIPA Milieutechniek, 30-3-2023) (deelgebied Theresialaan 88): Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de vaste bodem plaatselijk sterk verontreinigd is met minerale olie en/of PAK. Daarnaast zijn er licht verhoogde gehalten aan lood, zink, minerale olie, PCB en PAK aangetoond. De algehele bodemkwaliteit van de locatie is geschikt voor de functie wonen.
Echter, nabij boring 16 (garagebox) dient nader onderzoek plaats te vinden naar de mate en omvang van de verontreiniging met minerale olie en nabij boring 18 (buitenterrein) naar de mate en omvang van de verontreiniging met PAK. De bodemkwaliteit van deze verontreinigingsspots is niet geschikt voor de functie wonen en dient vooraf te worden gesaneerd. Bodemonderzoek naar asbest in bodem (Terra Milieu, 9-1-2026) (deelgebied Martinilaan 2-4): Naar aanleiding van het verkennend bodemonderzoek voor deelgebied Martinilaan 2-4 heeft onderzoek naar asbest in de bodem plaatsgevonden. In het asbestonderzoek zijn drie zones onderzocht: • Zone ‘gebouw oranje’: hier is in de toplaag in de fijne fractie van het asbestmonster een asbestgehalte van 3,5 mg/kg ds. aangetroffen. Het aangetroffen asbest bestaat uit hecht gebonden materiaal (8-20 mm). In de grove fractie (>20 mm) is geen asbest aangetroffen. De parameter PCB’s wordt verhoogd aangetroffen en voldoet aan klasse Wonen. • Zone ‘gebouw paars’: hier is in de toplaag in de fijne fractie van het asbestmonster een asbestgehalte van 46 mg/kg ds. aangetroffen. Er zijn in de bodem respirabele vezels aanwezig. Het aangetroffen asbest bestaat uit zowel hecht als niet-hecht gebonden materialen. In de grove fractie (>20 mm) is geen asbest aangetroffen. De parameter PCB’s wordt verhoogd aangetroffen en voldoet aan klasse Wonen.
45/69
•
Zone ‘gebouw geel’: hier is in de toplaag in de fijne fractie van het asbestmonster een asbestgehalte van 0,5 mg/kg ds. aangetroffen. Er zijn in de bodem respirabele vezels aanwezig. Het aangetroffen asbest bestaat uit niet-hecht gebonden materiaal (<0,5-20 mm). In de grove fractie (>20 mm) wordt geen asbest aangetroffen. De parameter PCB’s wordt verhoogd aangetroffen en voldoet aan klasse Wonen.
Op basis van het uitgevoerde verkennend onderzoek en de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat analytisch asbest is aangetroffen in de bovengrond. Het gehalte aan asbest overschrijdt de interventiewaarde van 100 mg/kg ds. niet. Een nader onderzoek naar asbest in bodem is niet noodzakelijk omdat het asbestgehalte <50 mg/kg ds. is. De bodemkwaliteit is gelet op dit nader onderzoek asbest geschikt voor de beoogde functie wonen. Omdat ter plaatse van zone ‘gebouw paars’ respirabele vezels in de bodem van meer dan 10 mg/kg d.s. zijn aangetroffen, geldt op basis van de risicotoolbox van het RIVM dat er buiten onaanvaardbare humane gezondheidsrisico’s zijn met betrekking tot het aangetroffen gehalte aan asbest. Ondanks dat de interventiewaarde niet wordt overschreden dient de bodem ter plaatse van deze asbestinfiltratiezone gesaneerd te worden om deze geschikt te maken voor het beoogde gebruik. De te verwijderen hoeveelheid bedraagt circa 1 m³, waarbij de toplaag tot 10 cm diep verwijderd dient te worden. Voor het saneren van de bodem gelden algemene rijksregels van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Saneren van de bodem valt onder een milieubelastende activiteit (paragraaf 3.2.23 Bal). Het is dan ook niet nodig om hier aanvullende regels voor op te nemen in dit TAM-omgevingsplan.
Voor het uitvoeren van de sanering dient er ten minste 4 weken van tevoren gemeld te worden via het Omgevingsloket. Naast de melding heeft de initiatiefnemer via het Omgevingsloket ook een informatieplicht. Nader bodemonderzoek (NIPA Milieutechniek, 30-3-2023) (deelgebied Theresialaan 88): Naar aanleiding van het verkennend bodemonderzoek voor het deelgebied Theresialaan 88 (NIPA Milieutechniek, 30-32023) is nader onderzoek om voor twee boringen (garagebox en buitenterrein) te bepalen of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Op basis van het nader onderzoek wordt ter plaatse van de garagebox de hoeveelheid verontreinigde grond (minerale olie) wordt geschat op (25 m² x 0,9 m =) maximaal 22,5 m³. Hierbij vormt de verontreiniging geen geval van ernstige bodemverontreiniging. Ter plaatse van de boring op het buitenterrein is de sterke verontreiniging met PAK alleen aangetoond tijdens het verkennend bodemonderzoek en de verhoogde gehalten kunnen worden gerelateerd aan de bijmenging met kolengruis. De omvang van de verontreiniging is hiermee voldoende in beeld gebracht. De hoeveelheid verontreinigde grond wordt geschat op (25 m² x 0,2 m =) maximaal 5 m³. Het is waarschijnlijk dat de verontreinigingen zijn ontstaan vóór 1987 en als historische verontreinigingen beschouwd dienen te worden.
De verontreinigingen betreffen geen gevallen van ernstige bodemverontreiniging vanwege de bodemvolumes van minder dan 25 m³. De gehaltes aan minerale olie en PAK voldoen niet aan de bodemkwaliteit Wonen en dienen in het kader van de functiewijzing te worden gesaneerd. Omdat beide verontreinigingen zijn afgedekt door terreinverhardingen is geen sprake van acute humane risico’s. De verontreinigingen zullen worden gesaneerd tijdens de werkzaamheden in het kader van de herontwikkeling (sloop, bouwrijpmaken). Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt de verontreiniging bij het bevoegd gezag gemeld en wordt een plan van aanpak voor sanering ter goedkeuring voorgelegd. Conclusie Gelet op de resultaten van de bodemonderzoeken is de bodemkwaliteit (na sanering) geschikt voor de functie wonen. Er zijn geen aanvullende planregels ten aanzien van dit aspect nodig om de functie wonen met bijbehorend terrein aan de planlocatie toe te delen.
46/69
5.8
Geur
Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen, industrie, horeca en (andere) milieubelastende activiteiten. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient op grond van het Bkl rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: • bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; • bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor zuiveringtechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke geurregels ze in het omgevingsplan geurregels stelt. In artikel 5.91 Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval als geurgevoelig worden beschouwd (woonfuncties, onderwijsfuncties, gezondheidsfuncties met bedgebied, bijeenkomstfuncties voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van voorgenoemde functies).
Naast de hiervoor genoemde functies, kan het omgevingsplan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vierde lid, van het Bkl). Ook biedt het Bkl de mogelijkheid om in het omgevingsplan niet alleen gebouwen aan te wijzen als geurgevoelig, maar ook locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vijfde lid, van het Bkl). Omgevingsverordening Noord-Brabant De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot geur. Toetsing De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een geurbelastende activiteit. Wel maakt het wijzigingsbesluit woningen mogelijk, die volgens het Bkl geurgevoelig zijn. Hierna wordt dan ook getoetst of geur van activiteiten in de omgeving van invloed is op het woon- en klimaat ter plaatse van het plangebied en of geurbelastende activiteiten met gebruiksruimte eventueel in hun belangen worden geschaad. Er zijn geen rwzi of agrarische bedrijven gelegen nabij de nieuwe woningen. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het relevant om de achtergrondbelasting geur van veehouderijen te beschouwen. Dit kan aan de hand van de kaart 'Achtergrondbelasting geur' van Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant.
Uit onderstaande afbeelding blijkt dat het plangebied is gelegen binnen het concentratiegebied en dat de achtergrondbelasting ter plaatse als 'zeer goed' (< 3 ouE/m³) mag worden beschouwd.
47/69
Uitsnede kaart Achtergrondbelasting geur (plangebied blauw omcirkeld) (Bron: https://atlas.odzob.nl/)
Naast voorgenoemde specifieke gevallen kan geur ook veroorzaakt worden door bijvoorbeeld een horecagelegenheid of bedrijvigheid (bijvoorbeeld voedingsmiddelenindustrie of mengvoederindustrie). Hiervoor gelden in beginsel geen landelijke regels (Bkl), maar een gemeente is vrij om hier zelf regels over op te nemen. In de omgeving is geen bedrijvigheid feitelijk aanwezig of planologisch toegestaan waarvan geurhinder bekend is of te verwachten valt. Bovendien ligt het plangebied op meer dan 500 meter van een bedrijventerrein waar bedrijven met een grotere geurbelasting zich mogen vestigen of gevestigd zijn. De horecagelegenheden aan de Theresialaan (cafetaria) en Esscheweg (café, maar planologisch ook horeca met keuken toegestaan) bevinden zich op ruime afstand van het plangebied en op voldoende afstand (> 50 meter) van de exacte plek waar de nieuwe woningen zijn voorzien. Gelet op deze afstanden is geurhinder vanwege horeca of bedrijvigheid niet te verwachten en worden geen belangen van (horeca)bedrijven geschaad. Conclusie Gelet op het voorgaande is het gelet op het aspect geur verantwoord om de functie wonen aan de planlocatie toe te delen.
5.9
Cultureel erfgoed
Cultureel erfgoed omvat archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap en dergelijke. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
48/69
De instructieregels van het Rijk staan in artikel 5.130 Bkl. In dit artikel is bepaald dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Hierbij wordt rekening gehouden met bepaalde aspecten van cultureel erfgoed die zien op: • het voorkomen van ontsiering, beschadiging, sloop of verplaatsing van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten en het bevorderen van het gebruik hiervan. Dat zijn gemeentelijke monumenten en beeldbepalende of karakteristieke panden; • het voorkomen van aantasting van: o de omgeving van rijksmonumenten en op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten o het karakter van in het omgevingsplan beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen • het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ. Omgevingsverordening Noord-Brabant De omgevingsverordening bevat specifieke instructieregels met betrekking tot een goede omgevingskwaliteit waar cultureel erfgoed onder valt. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Ow opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart.
Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. 5.9.1 Archeologie Om het aspect archeologie te beoordelen zijn in dit geval de volgende beleidskaders van belang: • Beleidskader archeologie 2022; • Omgevingsplan: o Paraplubestemmingsplan Archeologie o Erfgoedverordening Gemeente Vught 2023 Beleidskader Archeologie 2022 Op 19 mei 2022 heeft de gemeenteraad van Vught het Beleidskader archeologie 2022 vastgesteld. Het beleidskader omvat archeologische verwachtings- en beleidskaarten en per verwachtingswaarde normen wanneer archeologisch onderzoek wordt vereist bij een bepaalde mate van bodemverstoring. Essentieel onderdeel van het beleid is een geactualiseerd standpunt over de normen die bepalen of de gemeente wel of niet archeologisch onderzoek eist bij bodemverstoringen van een bepaalde omvang, bijvoorbeeld vanwege een bouwplan. In dit archeologiebeleid zijn onder andere verschillende vrijstellingsgrenzen en onderzoeksmethoden bepaald voor ontwikkelingen in de gemeente ter plaatse van een bepaalde archeologische verwachting.
Het archeologiebeleid is vervolgens in het Paraplubestemmingsplan Archeologie (vastgesteld 6 april 2023) vertaald en zodoende onderdeel van het omgevingsplan. Paraplubestemmingsplan Archeologie Volgens het Paraplubestemmingsplan Archeologie heeft het hele plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Aan die dubbelbestemming zijn regels gekoppeld die bepalen dat archeologisch onderzoek nodig is bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het oprichten van één bouwwerk of meerdere bouwwerken van tezamen groter dan 100 m² en met een bodemverstoring dieper dan 0,3 m. Ook is archeologisch onderzoek nodig bij het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden (niet zijnde bouwwerken) over een oppervlakte van meer dan 100 m².
49/69
Bij het voorgenomen bouwplan wordt de bodem over een oppervlakte van gezamenlijk meer dan 100 m² dieper dan 0,3 m verstoord. Daarom is archeologisch onderzoek in dit geval noodzakelijk. Erfgoedverordening Gemeente Vught 2023 Onderdelen met betrekking tot archeologie uit de Erfgoedverordening maken van rechtswege deel uit van het omgevingsplan van gemeente Vught. In dit geval gaat het dat met name om paragraaf 2 en paragraaf 7. Paragraaf 2 omvat bepalingen over de aanwijzing van een gemeentelijke archeologisch monument. Binnen het plangebied is geen sprake van een archeologisch monument, waardoor dit onderdeel in dit geval niet relevant is. Paragraaf 7 bevat een vangnetbepaling met bepalingen wanneer archeologisch onderzoek nodig is, in gevallen dat het omgevingsplan niet in zulke bepaling voorziet. De vangnetbepaling is in dit geval niet van toepassing, omdat het parapluplan archeologie al in een beschermingsregime voor archeologie voorziet en op basis daarvan archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Er wordt dan ook voldaan aan de bepalingen uit de Erfgoedverordening. Toetsing Voor dit wijzigingsbesluit heeft stapsgewijs archeologisch onderzoek plaatsgevonden: bureauonderzoek, verkennend booronderzoek en ten slotte een proefsleuvenonderzoek en karterend booronderzoek. Hierna volgen de resultaten van deze onderzoekstappen.