Bijlage - Motivering TAM-Omgevingsplan 'Hoofdstuk 22e Martinilaan 2-4 Vught'
Tekst van het document
Bureauonderzoek Voor het bouwplan zelf is geen bureauonderzoek uitgevoerd, maar is aangesloten bij het bureauonderzoek dat is opgesteld voor het direct aangrenzende plangebied ‘Maurick college’. Hieruit volgt dat de gespecificeerde archeologische verwachting zoals die is opgesteld voor ‘Maurick college’ ook van kracht is voor voorliggend plangebied en derhalve door middel van een verkennend booronderzoek getoetst dient te worden. Verkennend booronderzoek In navolging van de resultaten van het bureauonderzoek is een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn gerapporteerd en als bijlage bij deze motivering gevoegd. Uit het verkennend booronderzoek archeologie (Archol) volgt dat in het hoog gelegen centrale en westelijke deel van het onderzoeksgebied een verrassend intact landschap is aangetroffen. In het rapport wordt aangegeven dat sprake is van een hoge archeologische verwachting voor het aantreffen van intacte sporen en vondsten uit alle archeologische perioden (paleolithicum – Nieuwe tijd). Aangezien er lokaal sprake is van een volledig intact bodemprofiel is er ook kans op het aantreffen van intacte vindplaatsen uit het paleolithicum en mesolithicum. Vooralsnog is deze verwachting alleen van toepassing voor de zone rond boring 2, maar de precieze begrenzing daarvan moet nog worden vastgesteld.
In het oostelijke deel van het plangebied is de bodem diep verstoord en ontbreken aanwijzingen voor intacte archeologische niveaus. Voor deze zone geldt een lage archeologische verwachting. Een lage archeologische verwachting is ook van toepassing voor een circa 120 cm diep afgegraven en verrommelde strook in het meest westelijke deel van het plangebied. Op basis van de resultaten van het onderzoek dient er rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van informatieve archeologische resten in het centrale en westelijke deel van het plangebied. De mate waarin deze worden bedreigd als gevolg van geplande ontwikkelingen, wordt bepaald door de diepte tot waarop de grond zal worden geroerd bij uitvoering van de ontwikkelingen. In zones met een hoge verwachting waar de geplande ingrepen dieper reiken dan 50 cm -mv wordt een archeologische vervolgonderzoek aanbevolen in de vorm van een karterend proefsleuvenonderzoek. Omdat dit bouwplan in dergelijke bodemingepen binnen de betreffende zones voorziet, dient archeologisch proefsleuvenonderzoek te worden uitgevoerd. In het archeologisch rapport worden voorwaarden meegegeven voor dit onderzoek.
50/69
Voor het meest oostelijke deel van het plangebied en een smalle strook in het meest westelijke deel wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen vanwege de hier vastgestelde diepe bodemverstoringen en daaruit volgende lage archeologische verwachting. Archeologisch veldonderzoek door middel van karterende boringen en proefsleuven Naar aanleiding van de resultaten van het verkennend booronderzoek is een proefsleuvenonderzoek en karterend booronderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn gerapporteerd en als bijlage bij deze motivering gevoegd. De resultaten van het proefsleuvenonderzoek en karterend booronderzoek geeft geen aanleiding tot aanvullend archeologisch onderzoek. In het onderzoeksrapport wordt dan ook geadviseerd om geen aanvullend archeologisch onderzoek binnen het plangebied uit te laten voeren en om het terrein vrij te geven voor de toekomstige ontwikkelingen. Gemeente Vught heeft inmiddels een selectiebesluit genomen. Er is besloten het advies uit het onderzoekrapport over te nemen en het gebied vrij te geven. Wel blijft de wettelijke meldingsplicht voor toevalsvondsten van toepassing.
Meldingsplicht toevalsvondsten Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoed geldt een wettelijke meldingsplicht voor het doen archeologische toevalsvondsten: als tijdens grondwerkzaamheden (vermoedelijke) archeologische resten (vondsten, muurwerk, grondsporen et cetera) worden aangetroffen, dan dienen deze direct gemeld te worden aan bij het bevoegd gezag van gemeente Vught of in voorkomende gevallen de Minister van OCW. Vervolgens zal worden bepaald of, en zo ja welke, aanvullende maatregelen getroffen dienen te worden. 5.9.2 Cultuurhistorie en monumenten Bij de planvorming moet rekening worden gehouden met monumenten en cultuurhistorische waarden en -objecten binnen het plangebied en de directe omgeving ervan. In dat kader worden in ieder geval de volgende bronnen geraadpleegd: • het Rijksmonumentenregister; • lijst van gemeentelijke monumenten (en als zodanig aangewezen beeldbepalende en/of karakteristieke panden); • Cultuurhistorische waardenkaart herziening 2025 van provincie Noord-Brabant; • Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant; • Omgevingsplan gemeente Vught; • Groene kaart Vught (Actualisatie Groene Kaart 2023). Toetsing Binnen het plangebied of de directe omgeving ervan komen geen rijksmonumenten voor. Zoals in de vorige subparagraaf al is aangegeven is het plangebied of onderdeel daarvan niet aangewezen als een archeologisch monument.
Ook ligt het plangebied niet binnen een complex of gebied met cultuurhistorische waarden van provinciaal belang. Het gebied tussen de N65, Martinilaan en Jagerboschlaan (“Vughtse Hoeven en Beukenhorst”) op ongeveer 75 meter ten westen van het plangebied is wel als zodanig aangeduid, maar gezien de afstand en het feit dat de Martinihal tussen beiden staat maakt de voorgenomen ontwikkeling geen inbreuk op het cultuurhistorisch waardevolle gebied. Verder maakt het plangebied geen deel uit van een beschermd stads- of dorpsgezicht.
51/69
Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart Noord-Brabant, met het plangebied rood omlijnd. Hierboven is een uitsnede opgenomen van de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart. Daarop is te zien dat het gebied “Vughtse Hoeven en Beukenhorst” op 75 meter ten westen van het plangebied is aangeduid als cultuurhistorisch waardevol groen en dat de Theresialaan / Esscheweg een historisch geografische lijn van redelijk hoge waarde is. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van deze cultuurhistorische waarden doet de voorgenomen ontwikkeling hier geen afbreuk aan. Binnen het plangebied staat een stip die ‘overige bouwkunst’ markeert. Deze duidt op het graf van de familie Martini, ten zuidoosten van het plangebied aan de Martinilaan. Het betreft een graf in een groene heuvel, behorende bij het verdwenen landhuis Ouwerkerk. Het graf is omgeven door een smeedijzeren hek en binnen dit hekwerk staan aan de achterzijde van het graf enkele verwildere bomen en struiken, waaronder valse acacia. Deze begraafplaats als geheel is aangewezen als gemeentelijk monument. Verder zijn er binnen of in de directe omgeving van het plangebied geen gemeentelijke monumenten aanwezig. Bij het stedenbouwkundig ontwerp is rekening gehouden met het graf van familie Martini. In de huidige situatie loopt direct naast het graf de inrit van het woonperceel Martinilaan 2-4.
Deze geeft een verloederde aanblik, waardoor het graf wat in het niet valt. In de beoogde situatie komt de ontsluiting van het plangebied direct ten oosten van het graf te liggen. Daarmee wordt de entree van het gebied ‘open’ gemaakt, waardoor dit cultuurhistorisch waardevolle object beter zichtbaar wordt en hier rondom kan worden bewogen. Het plan draagt er dus aan bij dat dit cultuurhistorisch waardevolle object beter beleefbaar wordt.
52/69
Ten slotte volgt uit de beoordeling van de Groene kaart van Vught dat er binnen het plangebied geen monumentale bomen voorkomen, maar direct ten zuidwesten wel. In het stedenbouwkundig ontwerp is hiermee rekening gehouden door hier geen bebouwing en ontsluiting te voorzien. Conclusie Gelet op het voorgaande wordt er evenwichtig omgegaan met de cultuurhistorische belangen in de omgeving van het gebied.
5.10
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. De geldende planologische mogelijkheden zijn vertrekpunt bij de beoordeling. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.
Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving. Als wordt voorzien in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling heeft betrekking op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft de beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Toetsing Het wijzigingsbesluit voorziet in de realisatie van maximaal 62 woningen. Dat is ten opzichte van de huidige situatie een toevoeging van 60 woningen. Zodoende is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. In paragraaf 4.3 is reeds ingegaan op de kwalitatieve en kwantitatieve regionale woonbehoefte.
Kortheidshalve volstaat op deze plaats de conclusie dat in regionaal verband nog voldoende behoefte bestaat aan de toevoeging van 60 woningen in de beoogde woningtypen (doelgroepen). In paragraaf 4.4 is eenzelfde motivering en conclusie terug te vinden gelet op het lokale woonbeleid van gemeente Vught. Ten slotte moet worden benadrukt dat er sprake is van inbreiding/herstructurering van bestaande bouwpercelen binnen het bestaand stedelijk gebied, waarbij een verantwoorde verdichting plaatsvindt. Er is dan ook sprake van duurzaam ruimtegebruik.
53/69
Gelet op het voorgaande is bij dit wijzigingsbesluit sprake van een duurzame stedelijke ontwikkeling.
5.11
Toegankelijkheid openbare ruimte
In artikel 5.162 van het Bkl is bepaald dat als een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, in dat omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. Omgevingsverordening Noord-Brabant De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot de toegankelijkheid van de openbare ruimte. Toetsing De buitenruimte van het plangebied wordt na realisatie door de initiatiefnemer aan gemeente Vught overgedragen als zijnde openbare ruimte. De exacte invulling van de buitenruimte wordt nader uitgewerkt richting de realisatiefase. De inrichting van de openbare ruimte dient in ieder geval plaats te vinden aan de hand van het Handboek Inrichting Openbare Ruimte (HIOR) van gemeente Vught. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de aandachtspunten uit de (uitvoeringsagenda van de) Lokale Inclusie Agenda 2022-2026 voor wat betreft de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte: het onderhoud van stoepen, tegengaan van worteldruk, zichtbaarheid van oversteekplaatsen, geleidelijnen en looproutes (ook het vrijhouden ervan), en de bereikbaarheid van afvalinzamelpunten. Gemeente Vught heeft hierover met initiatiefnemer afspraken gemaakt en vastgelegd in een overeenkomst.
5.12
Gezondheid
Een doel van de Omgevingswet is het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 van dit artikel wordt benadrukt dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Naast het beschermen van de gezondheid kunnen ruimtelijke ontwikkelingen ook bijdragen aan het bevorderen ervan. Dit kan bijvoorbeeld door ruimte te creëren voor groen, beweging, ontmoetingsplekken, gezonde mobiliteit en aanpassingen aan het klimaat. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn hierover geen instructieregels opgenomen. Gemeenten hebben de vrijheid om zelf beleid te maken dat gericht is op het bevorderen van gezondheid bij nieuwe ontwikkelingen. Toetsing Gezondheidsbescherming De bescherming van de gezondheid wordt beoordeeld aan de hand van diverse omgevingsaspecten. Daarbij gaat het volgens paragraaf 5.1.4 van het Bkl in ieder geval om de kwaliteit van de buitenlucht, geluid door activiteiten, geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen, trillingen, slagschaduw van windturbines, bodem en geur. In paragraaf 5.1 van deze motivering is in tabel 5.1 reeds aangegeven of deze thema's voor dit wijzigingsbesluit relevant zijn. De thema's die relevant zijn, zijn eerder in hoofdstuk 5 behandeld.
Uit de toetsing van deze thema’s blijkt dat er geen relevante gezondheidsrisico’s voor omwonenden en toekomstige bewoners zijn. Voor geen van de aspecten worden normen overschreden en er zijn dan ook geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Het is niet noodzakelijk om aanvullende maatregelen te treffen ter bescherming van de gezondheid.
54/69
Aanvullend is in tabel 5.2 in paragraaf 5.1 van deze motivering ingegaan op veronderstelde gezondheidsrisico’s vanwege geitenhouderijen, endotoxinen vanwege varkens- of pluimveehouderijen, en spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen. Hiervoor gelden geen wettelijke of provinciale instructieregels, maar de afweging heeft plaatsgevonden in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ook ten aanzien van deze thema’s volstaat hier de conclusie dat er geen relevante gezondheidsrisico’s voor omwonenden en toekomstige bewoners zijn. Gezondheidsbevordering Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. Het wijzigingsbesluit voorziet in 62 appartementen aan de rand van een buurt waar vrijwel alleen grondgebonden woningen voorkomen. Het gaat om ongeveer 28 betaalbare appartementen, ongeveer 27 middeldure appartementen en zeven appartementen in het dure segment. Het bouwplan draagt dan ook bij aan een meer gevarieerd woningaanbod en daarmee ook een gevarieerde bevolkingssamenstelling.
Het plangebied ligt op relatief korte afstand van de voorzieningen zoals het wijkwinkelcentrum Moleneindplein (500 meter) met onder andere een gezondheidscentrum, diverse horeca en detailhandel, en een supermarkt. Sport- en onderwijsvoorzieningen liggen om de hoek en het centrum en station Vught liggen op fietsafstand (respectievelijk 1,2 en 1,7 kilometer). De ligging kort bij deze voorzieningen nodigt uit om met de fiets (of te voet) van deze voorzieningen gebruik te maken, de auto te laten staan en zodoende te bewegen. In het ontwerp van de groene buitenruimte is rekening gehouden met ontmoeting. Een groene omgeving draagt bij aan het welzijn en daarmee de mentale gezondheid van bewoners. Binnen dat groen worden mogelijkheden gecreëerd die uitnodigen tot bewegen en ontmoeten, zoals voetpaden en zitaanleidingen. De mogelijkheid tot bewegen en ontmoeten geldt niet alleen voor de nieuwe bewoners, maar ook voor huidige bewoners van de omliggende woonbuurt. Daarnaast draagt groen bij aan vermindering van hittestress, wat eveneens een positieve weerslag heeft op de gezondheid van bewoners. Conclusie Gelet op het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling voldoende rekening gehouden met het aspect gezondheid. Vanuit dat oogpunt is het aanvaardbaar de betreffende functies waaronder wonen aan de planlocatie toe te delen.
5.13
Mobiliteit en parkeren
Mobiliteit en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. Het Bkl en de provinciale omgevingsverordening stellen geen instructieregels op dit gebied. Bij de beoordeling van het bouwplan op het omgevingsaspect mobiliteit zijn de ontsluitingsstructuur, verkeersgeneratie, bereikbaarheid en verkeersveiligheid relevant. Daarbij worden alle relevante vervoerswijzen bezien (langzaam verkeer, openbaar vervoer en gemotoriseerd verkeer). De beoordeling van het bouwplan op het omgevingsaspect parkeren houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig moet zijn. Hierbij wordt de parkeerbehoefte bepaald op basis van het geldende gemeentelijke parkeerbeleid.
55/69
Toetsing Voor dit wijzigingsbesluit heeft een Mobiliteitstoets plaatsgevonden. Deze is als bijlage bijgevoegd. In de mobiliteitstoets wordt ingegaan op de verkeersgeneratie- en afwikkeling als gevolg van dit wijzigingsbesluit. Hierna volgen de belangrijkste bevindingen. Autoparkeren De ontwikkeling heeft met toepassing van dubbelgebruik een parkeerbehoefte van 87 parkeerplaatsen. Met de beoogde ontsluiting direct ten oosten van het Martinigraf gaan ongeveer 3 openbare langsparkeerplaatsen aan de Martinilaan verloren. Om dit te compenseren zijn binnen het plangebied zodoende 90 parkeerplaatsen nodig. Dit bouwplan voorziet in totaal in 90 parkeerplaatsen. Onder gebouw A en B wordt een halfverdiepte parkeerkelder gerealiseerd met 39 parkeerplaatsen gereserveerd voor bewoners. De overige 51 parkeerplaatsen worden op maaiveld gerealiseerd en zullen openbaar toegankelijk zijn voor bewoners en bezoekers. Het plan voorziet dan ook in voldoende parkeerplaatsen om te voorzien in de eigen behoefte en de openbare parkeerplaatsen aan de Martinilaan te compenseren.
Binnen de bestemming Groen zijn parkeervoorzieningen toegestaan, voor zover deze behoren tot de aangelegde openbare ruimte of tot een verleende bouwactiviteit. Het afzonderlijk aanleggen van extra parkeerplaatsen buiten een verleend bouwplan kan echter leiden tot een toename van verhard oppervlak of aantasting van de groene structuur. Om dit te kunnen beoordelen, is bepaald dat voor het later aanleggen of uitbreiden van parkeerplaatsen een omgevingsvergunningplicht geldt. Fietsparkeren De ontwikkeling heeft een normatieve behoefte aan 260 fietsparkeerplaatsen. De fietsparkeerplaatsen voor bewoners (229 stuks) worden volledig inpandig gerealiseerd. Gebouwen A en B krijgen in de parkeerkelder een gemeenschappelijke parkeervoorziening voor fietsen. Gebouw C krijgt een gemeenschappelijke parkeervoorziening op de begane grond van dit gebouw. Voor bezoekers worden in de openbare ruimte voorzieningen getroffen. Dit wordt nog nader uitgewerkt. Ontsluiting De ontsluiting van het plangebied vindt plaats aan de Martinilaan, direct ten oosten van het Martinigraf. Een ontsluiting aan de westzijde van het projectgebied is niet wenselijk vanwege de gekozen opstelling van de beoogde woongebouwen: een open, groene opzet met voldoende afstand tussen de woningen en de omliggende percelen.
Daarnaast is bij de gemeente Vught een initiatief bekend voor een CPO-ontwikkeling op het naastgelegen perceel (E 3853). Om de kansen voor deze ontwikkeling te behouden, is het niet gewenst de ontsluiting van het huidige project via dit perceel te laten verlopen. Een ontsluiting aan de zuidzijde wordt bemoeilijkt door de aanwezigheid van een monumentale boom en een transformatorvoorziening. Daarom is de oostzijde van het plangebied als meest geschikte locatie voor de ontsluiting onderzocht. De recent gewijzigde eigendomssituatie van perceel E3136, dat nu in handen is van de gemeente, draagt bij aan de haalbaarheid van deze ontsluitingskeuze. Op dit perceel is er voldoende ruimte om een verkeersveilige ontsluiting te realiseren, zodat verkeer uit het plangebied veilig en overzichtelijk de Martinilaan kan oprijden. Een ontsluiting aan de zuid- of oostzijde van het plangebied kan tot gevolg hebben dat woningen aan de zuidzijde van de Martinilaan mogelijk hinder ondervinden van inschijnende koplampen vanuit de nieuwe ontsluiting. Hier is rekening mee gehouden bij de exacte positionering van de uitrit. De geplande inpassing ligt tegenover twee bestaande in- en uitritten. De betreffende woningen hebben aan de voorzijde geen verblijfsruimtes die direct aan deze inritten grenzen.
Bovendien zal het aanwezige groen in de voortuinen het eventuele inschijnen van koplampen grotendeels blokkeren. Gezien het bovenstaande wordt eventuele lichtoverlast tot een minimum beperkt.
56/69
Verkeersgeneratie en afwikkeling De verkeersgeneratie van zowel de bestaande en planologisch toegestane functies als van het beoogde bouwplan is doorgerekend. In de huidige situatie generen de woningen Martinilaan 2-4 en bedrijfslocatie Theresialaan 88 ongeveer 23 motorvoertuigbewegingen per etmaal (mvt/etm) op een weekdag en omgerekend 27 mvt/emt op een werkdag. Voor de toekomstige situatie gaat het om 339 mvt/etm op een weekdag en 376 mvt/etm op een werkdag. Per saldo gaat het dus om een toename van 314 mvt/etm op een weekdag en omgerekend 349 mvt/etm op een werkdag. Het meeste verkeer zal direct via de Martinilaan afwikkelen naar de N65. Een kleiner deel wikkelt af in oostelijke richting en verspreid zich op de rotonde in diverse richtingen (Esschestraat en Michiel de Ruijterweg richting centrum, Esscheweg richting Moleneindplein en sportpark). Gezien de capaciteit en intensiteit op deze wegen zal het bouwplan niet voor een significante verslechtering van de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid op deze wegen zorgen. Conclusie Uit de mobiliteitstoets volgt dat de beoogde ontwikkeling geen verkeersonveilige situaties of problemen in de verkeersafwikkeling veroorzaakt.
5.14
Ecologie: gebiedsbescherming
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bal en het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels, niet zijnde instructieregels, komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Daarnaast bevat het Bkl regels over het NatuurNetwerk Nederland. Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.
Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en negatieve effecten kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet significant zal aantasten. De Natura 2000-activiteit is geen omgevingsplanactiviteit. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt op hoofdlijnen inzicht gegeven in het bestaan van een eventuele Natura 2000-vergunningplicht. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Een bouw- of gebruiksactiviteit kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. Hierin worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen.
57/69
Uitsnede digitale kaart ‘Natuurnetwerk Nederland’ en ‘Natura 2000-gebieden’ (Bron: Atlas Leefomgeving). Plangebied met blauwe marker aangeduid.
Directe negatieve effecten van dit wijzigingsbesluit op bovengenoemde beschermde natuurgebieden zijn vooral gelet op aard en omvang van het plan in combinatie met de afstand van het plangebied tot aan deze natuurgebieden niet te verwachten. Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om die reden is voor dit wijzigingsbesluit een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn gerapporteerd en als bijlage bij deze motivering bijgevoegd. Uit de berekening blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de realisatie- en gebruiksfase van de ontwikkeling. Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het wijzigingsbesluit geen (significant) negatieve effecten voor beschermde gebieden met zich meebrengt.
5.15
Ecologie: soortenbescherming
Indien een bouw- of gebruiksactiviteit mogelijk gevolgen heeft voor verblijfs- of groeiplaatsen van beschermde dieren of planten, dan is sprake van een flora- en fauna-activiteit. Het is in beginsel verboden om zonder vergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten. Daarnaast dienst aangetoond te worden dat het plan niet evident onuitvoerbaar is gelet op de aanwezigheid van mogelijk soorten. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt op hoofdlijnen inzicht gegeven of sprake is van een eventuele flora- en fauna-vergunningplicht. Dit gebeurt aan de hand van een quickscan ecologie. Blijkt uit de quickscan
58/69
ecologie dat er indicaties zijn voor de aanwezigheid van beschermde soorten, dan is aanvullend ecologisch onderzoek noodzakelijk. Of een flora- en fauna-activiteit vergunbaar is wordt beoordeeld in de daarvoor geldende procedure bij het bevoegd gezag. In alle gevallen geldt de specifieke zorgplicht voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit die er kort samengevat op neerkomt dat maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 11.27 Bal). Toetsing Bij dit bouwplan kunnen verblijfsplaatsen van (beschermde) soorten verloren gaan, met name omdat bestaande bebouwing wordt gesloopt en vegetatie wordt weggenomen. Daarom heeft een quickscan flora en fauna met navolgend aanvullend soortenonderzoek plaatsgevonden. Beide onderzoeken zijn als bijlage bij deze motivering gevoegd. Quickscan flora en fauna (BNL Advies, 18-3-2024) : Uit de quickscan flora en fauna is naar voren is gekomen dat er een aanleiding is om een aanvullend flora- of faunaonderzoek uit te voeren, voorafgaand aan de geplande werkzaamheden.
De soorten die nader onderzocht dienen te worden zijn: • Steenmarter • Wezel, hermelijn en bunzing • Gebouwbewonende vleermuizen Aanvullend onderzoek beschermde soorten (BNL Advies, 1-11-2024): Op basis van het nader onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: • Er zijn geen steenmarters of kleine marters waargenomen. Omdat er geen verblijfplaatsen in het plangebied aanwezig zijn en het plangebied geen onderdeel uitmaakt van essentieel leefgebied, zijn er geen beschermde functies van steenmarter in het plangebied aanwezig. De geplande sloopwerkzaamheden en potentiële herontwikkeling van de kavel, hebben daarmee geen negatieve effecten op de steenmarter. Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is dan ook niet nodig.. • Er zijn twee zomerverblijfplaatsen aanwezig van gewone dwergvleermuis aan de oostgevel van het woongebouw Martinilaan 2-4. Ook is er in het gebouw een paarverblijfplaats aanwezig van ruige dwergvleermuis. Gewone dwergvleermuizen en sporadisch en laatvlieger maken gebruik van de bomen ten noorden van het gebouw als essentiële foerageergebied. Conclusie Om het gebouw te mogen slopen en eventueel de betreffende bomen te mogen kappen, en daarmee vleermuizen te verstoren, is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig. Gedeputeerde Staten is hiervoor het bevoegd gezag. Ook zullen mitigerende maatregelen nodig zijn.
Dergelijke maatregelen worden bepaald in het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit. Op voorhand zijn er geen signalen dat een eventuele omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor het verstoren van vleermuizen niet kan worden verkregen, aangezien het voor dergelijke soorten goed mogelijk is om tijdig mitigerende maatregelen te treffen en te werk te gaan volgens een vooraf goedgekeurd werkprotocol. De aanvraag om omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verloopt separaat van de procedure van dit wijzigingsbesluit en de aanvraag omgevingsvergunning voor de realisatie van het bouwplan. Gelet op het voorgaande is de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit niet in het geding. Sloop van de gebouwen kan evenwel pas plaatsvinden na verlening van de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit.
59/69
5.16
Ecologie: houtopstanden
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bal en het Bkl diverse regels (niet zijnde instructieregels) opgenomen ter bescherming van houtopstanden. De gemeente wijst een bebouwingscontour houtkap aan die aansluit op het stedelijk gebied. Als de gemeente de bebouwingscontour houtkap heeft aangewezen, wordt deze zichtbaar in het omgevingsplan van de gemeente. Als bouw- of aanlegactiviteiten gevolgen hebben voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (dat wil zeggen: er moeten bomen worden geveld buiten stedelijk gebied), gelden rijksregels uit het Bal. Bij vellen hoort een herplantingsplicht maar hierop bestaan uitzonderingen (zie artikel 11.111 Bal). Als de rijksregels voor vellen van toepassing zijn, is het vellen van houtopstanden verboden zonder eerst een melding te doen. Toetsing Het plangebied is gelegen binnen de bebouwingscontour houtkap (voorheen ‘grens bebouwde kom’ zoals bedoeld in de Boswet / Wet natuurbescherming) en gaat zodoende niet gepaard met het vellen van houtopstanden buiten de bebouwingscontour, waarvoor een verbod en herplantplicht geldt. Desondanks zullen wel enkele bomen moeten worden gekapt om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. De bomen staan alle op particulier terrein en komen niet voor op de monumentale en waardevolle bomenlijst van gemeente Vught.
De bomen staan ook niet binnen een vlak ‘Monumentale bomen, ‘Vlak en laan waardevolle boom’ of ‘Eigendom Vught kapvergunning benodigd’ op de Groene Kaart. Gelet op de bepalingen uit de Algemene Plaatselijke Verordening Vught is zodoende geen omgevingsvergunning voor kappen nodig.
Uitsnede digitale Groene kaart met daarop weergegeven (vlakken met) monumentale en waardevolle bomen.
Initiatiefnemer hecht waarde aan een groene inrichting van de buitenruimte en waar mogelijk worden daarbij bestaande bomen ingepast. Met een bomen effect analyse is inzichtelijk gemaakt wat de conditie van de diverse bomen is en of de bomen behoudenswaardig zijn. De rapportage is als bijlage bij deze motivering gevoegd.
60/69
Uit de BEA is naar voren gekomen dat de vier bomen, ondanks geconstateerde knelpunten, duurzaam behouden kunnen blijven. Ten aanzien van een aantal knelpunten zijn wel maatregelen nodig: • Om gebouwen A en B nabij boom 1 te kunnen realiseren is het nodig om voorafgaand aan de werkzaamheden de groeiplaats te verbeteren om het geschatte wortelverlies van 15% te compenseren; • Om gebouwen C nabij boom 3 te kunnen realiseren is het nodig om voorafgaand aan de werkzaamheden de groeiplaats te verbeteren om het geschatte wortelverlies van 15% te compenseren; • Ten behoeve van bronbemaling bij het realiseren van de half verdiepte parkeerplaats onder gebouwen A en B is het nodig de bronbemaling en de benodigde suppletie van water bij de bomen voor te bereiden, uit te voeren en te controleren conform een gedegen boombeschermingsplan (werkplan). Daarnaast zijn er knelpunten geconstateerd ten aanzien van het realiseren van de beoogde bouwhoogte, sloop van bebouwing nabij boom 4 en algemene werkzaamheden en bouwplaats inrichting nabij alle vier de bomen. Voor deze knelpunten is geconstateerd dat deze geen langdurig nadelig effect hebben op het duurzaam behoud van de bomen, mits een aantal algemene randvoorwaarden bij de uitvoering van de werkzaamheden in acht worden genomen.
In paragraaf 4.4.3 is reeds aangegeven dat er ruimschoots in groen wordt voorzien, waarbij de bestaande bomen zo veel mogelijk behouden en ingepast worden. Vanuit het thema houtopstanden is het dan ook aanvaardbaar de betreffende functies waaronder wonen aan de planlocatie toe te delen.
5.17
Bezonning
Hoogbouw kan zorgen voor toename van schaduw op omliggende panden, wat kan zorgen voor een negatieve impact op het woongenot. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden gemotiveerd dat het bouwplan geen onaanvaardbare gevolgen in de bezonningssituatie van omliggende woningen heeft. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom hebben gemeenten de vrijheid om dit zelf in te vullen. Daarbij kan een gemeente gebruikmaken van de mogelijkheden van het instrument omgevingsplan. Gemeente Vught heeft geen beleid vastgesteld voor wat betreft bezonning en nadelige schaduwwerking op omliggende woningen. In het geval een gemeente niet over dergelijk beleid beschikt, dan kunnen de algemeen gehanteerde TNO-richtlijnen worden toegepast voor het beoordelen van de effecten van beschaduwing. TNO kent een lichte en een strenge norm: • de lichte TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam • de strenge TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam Deze normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht.
Toetsing Dit wijzigingsbesluit maakt drie nieuwe woongebouwen, van respectievelijk ongeveer 11 meter (gebouw A), 18 meter (gebouw B) en ongeveer 13 meter hoog (gebouw C). De drie bouwmassa’s staan ten noorden van de woningen aan de Martinilaan. Deze woningen grenzen met hun noordelijke gevel aan het plangebied. Door de stand van de zon ontvangen deze gevels nooit direct zonlicht en hoeven deze gevels conform de TNO-richtlijnen niet te worden beoordeeld. Aan de westelijke en noordelijke zijde staan geen woningen waarvoor de TNO-norm in acht moet worden genomen.
61/69
Het wijzigingsbesluit kan wel effect hebben op de woningen aan de Theresialaan, al komen de bouwmassa’s op een behoorlijke afstand van deze woningen te staan. Gebouw C staat op ongeveer 13 meter van de erfgrens van de woningen aan de Theresialaan, maar deze woningen hebben vrij diepe tuinen. De afstand tot de woningen zelf bedraagt 40 tot 50 meter. Gebouwen A en B staan op een ruimere afstand van deze woningen. Om het schaduweffect van de nieuwbouw op de woningen en tuinen aan de Theresialaan inzichtelijk te maken, is een bezonningstudie uitgevoerd. Deze bezonningstudie is opgenomen als bijlage bij deze motivering. Op sommige momenten valt aan het einde van de dag schaduw op de achtertuinen, maar niet op de woningen zelf. De woningen ondervinden dus geen schaduwhinder door de beoogde bebouwing. Hiermee wordt voldaan aan de TNO-norm. Conclusie Vanuit het thema schaduwhinder is het dan ook aanvaardbaar de betreffende functies waaronder wonen aan de planlocatie toe te delen.
5.18
Windhinder
Hoogbouw kan vanwege de positionering en bouwhoogte veranderingen teweeg brengen in het lokale windklimaat. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden gemotiveerd dat het bouwplan geen onaanvaardbare heeft voor het windklimaat ter plaatse. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom hebben gemeenten de vrijheid om dit zelf in te vullen. Daarbij kan een gemeente gebruikmaken van de mogelijkheden van het instrument omgevingsplan. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden aangetoond dat er bij een nieuwe ontwikkeling geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor het windklimaat in de directe omgeving en de bezonningssituatie ter plaatse van eventueel aanwezige bestaande woningen. De rijksoverheid heeft voor deze aspecten van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom hebben gemeenten de vrijheid om deze zelf in te vullen. Daarbij kan een gemeente gebruikmaken van alle mogelijkheden van het instrument omgevingsplan. Gemeente Vught heeft nog geen beleid vastgesteld voor wat betreft windhinder.
In het geval een gemeente niet over dergelijk beleid beschikt, kan voor het beoordelen van het lokale windklimaat op loop- en verblijfsniveau de algemeen gehanteerde norm NEN 8100 ('Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving') worden toegepast. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen windhinder en windgevaar. De norm werkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren per jaar. Voor verschillende situaties en activiteiten (doorlopen, slenteren, langdurig zitten) is aangegeven of het windklimaat slecht, matig of goed is. In deze norm zit een beslismodel dat aangeeft wanneer een windonderzoek nodig kan zijn: • gebouwen hoger dan 30 meter: windonderzoek is nodig; • beschut gelegen gebouwen, hoogte 15 tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is; • onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is. Toetsing Het wijzigingsbesluit maakt drie bouwmassa’s mogelijk, waarvan alleen gebouw B (17 meter) hoger dan 15 meter wordt. Rekening houdend met de heersende windrichting in Nederland (zuidwest) ligt dit gebouw redelijk beschut achter bestaande bomen, de Martinihal en Jagersbosch. Gelet op de bouwhoogten die met dit wijzigingsbesluit mogelijk worden gemaakt en de onderlinge afstand tussen de bouwmassa’s, is binnen het plangebied geen windgevaar of onacceptabele
62/69
windhinder te verwachten. Ook windgevaar of onacceptabele windhinder voor omliggende percelen ten gevolge van dit bouwplan zijn niet te verwachten. Conclusie Vanuit het thema windhinder is het dan ook aanvaardbaar de betreffende functies waaronder wonen aan de planlocatie toe te delen.
5.19
Duurzaamheid
Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij een omgevingsplanwijziging voor een specifiek wijzigingsbesluit rekening gehouden moet worden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen: de energietransitie, mobiliteit, herbruikbaarheid etc. Toetsing Binnen het plangebied maar ook op gebouwniveau wordt voldoende aandacht besteed aan duurzaamheid. Zo worden de nieuwe woningen gebouwd volgens de hedendaagse duurzaamheidseisen, waardoor het energieverbruik zo minimaal mogelijk is. Ook worden de gebouwen natuurinclusief gebouwd. Om de biodiversiteit te bevorderen worden inpandige nest-, paar- en/of kraamgelegenheden voor vogelsoorten en vleermuizen gerealiseerd. De platte daken van de gebouwen worden bedekt met sedum. Hiermee kan hemelwater langer op het dak worden vastgehouden (voordat het overtollige water wordt afgevoerd), wat belangrijk is in het kader van klimaatadaptatie. Sedumdaken dragen ook bij aan isolatie van woningen en dat is gunstig voor een lager energieverbruik en tegen hittestress. Bovendien leveren sedumdaken een bijdrage aan de biodiversiteit doordat ze bijen, vlinders, vliegen, spinnen en andere insecten aantrekken. De nieuwe woongebouwen worden in een ruime setting ten opzichte van elkaar gepositioneerd. De omgeving rondom wordt groen aangekleed.
Dit is enerzijds van belang voor de biodiversiteit, anderzijds is dit van belang in het kader van klimaatadaptatie. Bomen en andere opgaande beplanting zorgen voor schaduw en houden minder warmte vast dan gebouwen en erfverharding. Daarmee wordt hittestress tegengaan en bovendien kan in onverharde delen van het plangebied het hemelwater direct in de bodem infiltreren. Door ook de parkeervakken van de twee nieuwe parkeerterreinen aan de randen van het plangebied halfverhard uit te voeren en infiltratiekratten onder de parkeerterreinen aan te brengen, wordt ervoor gezorgd dat al het hemelwater wat op de erfverharding binnen het plangebied neerkomt in het plangebied wordt vastgehouden en kan infiltreren. Conclusie Gelet op het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling voldoende rekening gehouden met het aspect duurzaamheid. Vanuit dat oogpunt is het aanvaardbaar de betreffende functies waaronder wonen aan de planlocatie toe te delen.
5.20
Welstand
Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat (BS) zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29). Als de gemeente geen welstandsnota en ook geen beleidsregels
63/69
voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken heeft dan gelden de regels in de bruidsschat niet. De regel geldt ook niet bij een bouwwerk of in een gebied dat de gemeente als welstandsvrij heeft aangewezen. Artikel 22.29 lid 1 onder b bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets. Repressief welstand De excessenregeling ziet erop toe dat gemeenten een eigenaar kan verplichten om aanpassingen aan het bouwwerk te verrichten waarmee de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand wordt opgeheven. Onder de Ow gebeurt dit middels een maatwerkvoorschrift (art. 22.4 BS). De excessenregeling is (met name) van toepassing op bestaande situaties. Toetsing Gemeente Vught maakt voor de welstandsbeoordeling onderscheid in een aantal gebieden. Afhankelijk van de waarde en gevoeligheid van het gebied en de betekenis voor het aanzien van de openbare ruimte is per gebied een welstandsniveau vastgesteld: 1. Niveau 1: volledige welstandstoets; 2.
Niveau 2: lichte welstandstoets met uitzondering van nieuwbouw en monumenten; 3. Niveau 3: geen welstandstoets met uitzondering van nieuwbouw aan een historisch bebouwingslint en monumenten, excessenregeling is van toepassing in geval van nieuwbouw; 4. Niveau 4: Voeren van Handelsreclame; 5. Gebieden waarvoor beeldkwaliteitsplannen zijn vastgesteld;
Uitsnede kaart Welstandsnota 2e herziening 2015, met plangebied groen omcirkeld.
Het plangebied is gelegen binnen het ‘resterende grondgebied’ van Vught, waarvoor welstandniveau 3 geldt. Dit betekent dat formeel geen welstandstoets nodig is en dat de excessenregeling op de beoogde nieuwbouw van toepassing is.
64/69
5.21
Ontplofbare oorlogsresten
Vught is tijdens de Tweede Wereldoorlog doelwit geweest van gevechtshandelingen. Indien één of meerdere conventionele explosieven (CE) in de bodem zijn achtergebleven is dat een risico voor betrokken personeel in de uitvoeringsfase (Arbo-veiligheid). Daarnaast kan een risico ontstaan in het kader van de openbare orde en publieke veiligheid. We spreken daarom bij het bepalen van risico’s die ontstaan door het uitvoeren van werkzaamheden in een gebied waar mogelijk CE zijn achtergebleven, van een gecombineerde verantwoordelijkheid in het kader van de ‘openbare orde en publieke veiligheid’ en ‘Arbo-veiligheid’. Bovendien kan na het aantreffen van CE stagnatie ontstaan. Toetsing Gemeente Vught heeft eerder een historisch onderzoek laten uitvoeren naar de opsporing van ontplofbare oorlogsresten. Door het bureau Expload is de locatie geïnventariseerd en geanalyseerd. De inventarisatie en analyse is opgenomen als bijlage bij deze motivering. Daaruit blijkt dat in het onderzoeksgebied geen sprake is van een verhoogde kans op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten. Het plangebied is daarom aangemerkt als onverdacht. De voorgenomen werkzaamheden kunnen plaatsvinden op reguliere wijze op basis van een bij de analyse gevoegd processchema. Vanuit het thema ontplofbare oorlogsresten is het dan ook aanvaardbaar de betreffende functies waaronder wonen aan de planlocatie toe te delen.
Conclusie Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
5.22
Kabels en leidingen
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen, straalpaden of telecomverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; • aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; • defensiebrandstoffen; • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke ‘mechanische grondroering’ bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen. Omgevingsverordening Noord-Brabant De omgevingsverordening bevat specifieke instructieregels met betrekking tot kabels en leidingen
65/69
Toetsing In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen, hoogspanningslijnen, straalpaden of telecomverbindingen aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals plaatselijke rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft geen rekening te worden gehouden in dit wijzigingsbesluit. Conclusie Het aspect kabels, leidingen en straalpaden vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
66/69
6. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid van het wijzigingsbesluit. Vanuit de Omgevingswet gelden de volgende vereisten: 1. de ruimtelijke ontwikkeling mag niet evident financieel onuitvoerbaar zijn, en; 2. als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, moet het kostenverhaal verzekerd zijn.
6.1
Financiële uitvoerbaarheid
Voor wat betreft de financieel-economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling financieel haalbaar is. Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt. Toetsing en conclusie De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling voorziet in een woningbouwontwikkeling met in totaal 62 woningen (per saldo 60 woningen toevoegen). Daarbij worden de percelen bouwrijp gemaakt door onder andere het wegnemen van vegetatie en het slopen van opstallen. De initiatiefnemer realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De initiatiefnemer heeft aan de gemeente voldoende aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling financieel uitvoerbaar is. Daarmee is aan de eerste vereiste voldaan.
6.2
Kostenverhaal
Indien het wijzigingsbesluit nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk maakt is kostenverhaal aan de orde. Kostenverhaalplichtige activiteiten zijn opgenomen in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. De bouw van één of meer gebouwen met een woonfunctie behoort tot de kostenverhaalplichtige activiteiten. Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd. Op grond van artikel 8.14 kan het bevoegd gezag beslissen van het kostenverhaal af te zien. Dit kan in drie gevallen, namelijk als het totaal van de verschuldigde kosten minder dan € 10.000,- bedraagt, er geen verhaalbare kosten bouwrijp maken zijn (als bedoeld in de onderdelen A5 tot en met A9 van bijlage IV) of de verhaalbare kosten alleen de aansluiting van een locatie op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen. Toetsing en conclusie Tussen initiatiefnemer en de gemeente is een overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal voor de ontwikkeling van de voorgenomen ontwikkeling verzekerd is. Hiermee is ook aan de tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.
67/69
7. EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES In dit hoofdstuk wordt gemotiveerd of er is sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de aangevraagde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd. Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit, nader onderzocht in de voorgaande hoofdstukken. Getoetst is aan relevante omgevingsaspecten. Voor geluid vanwege wegen wordt niet overal voldaan aan de standaardwaarde. Daarom is op de verbeelding en in de regels het gezamenlijk geluid vastgelegd. Dit is van belang bij het bepalen van de binnenwaarde ten tijde van de aanvraag om omgevingsvergunning voor de bouw van het project.
Voor wat betreft parkeren en hemelwaterberging is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee juridisch is gewaarborgd dat voldoende parkeerplaatsen en hemelwaterberging worden gerealiseerd en nadien in stand worden gehouden. Voor de overige aspecten is gebleken dat voldaan wordt aan de instructieregels van het Rijk en de provincie en het beleid van de gemeente, waterschap, regio, provincie en het Rijk. Dit betekent dat het project bijdraagt aan de beleidsdoelen en niet leidt tot onacceptabele effecten op de leefomgeving. Alles overwegende is de ontwikkeling aanvaardbaar. Met dit wijzigingsbesluit is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
68/69
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11 Bijlage 12 Bijlage 13 Bijlage 14 Bijlage 15 Bijlage 16 Bijlage 17 Bijlage 18 Bijlage 19 Bijlage 20 Bijlage 21
69/69
Participatieverslag kennismakingsbijeenkomst 28-2-2024 (Leef Omgevingsadvies); Participatieverslag inloopbijeenkomst 3-7-2025 (Leef Omgevingsadvies); Boom effect analyse (Claassen Boomverzorging); Aanmeldnotitie mer (Rho Adviseurs) ; Weging van het waterbelang (RB Water) ; Akoestisch onderzoek Martinihal (K+ Adviesgroep); Akoestisch onderzoek Maurick College (K+ Adviesgroep); Akoestisch onderzoek industrielawaai telefooncentrale (K+ Adviesgroep); Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (K+ Adviesgroep); Verkennend bodemonderzoek (Terra Milieu); Bodemonderzoek naar asbest in bodem (Terra, Milieu); Verkennend bodemonderzoek (NIPA Milieutechniek); Nader bodemonderzoek (NIPA Milieutechniek); Verkennend booronderzoek archeologie (Archol); Inventariserend veldonderzoek door middel van boringen en proefsleuven (Archol); Mobiliteitstoets (Rho Adviseurs) ; Stikstofdepositieberekening (Rho Adviseurs); Quickscan flora en fauna (BNL Advies); Aanvullend onderzoek beschermde soorten (BNL Advies); Projectmemo ontplofbare oorlogsresten (Expload); Schaduwstudie (JMW Architecten).