CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

BIjlage - Motivering

Raadsvergadering 1 juli 2025, gemeente VughtBij agendapunt: Vaststelling TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Gestelstraat 2 Helvoirt24.934 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Dit is aanvaardbaar omdat voldaan wordt aan de voorwaarde zie hieronder en omdat de afwijking is ingegeven door de bouwkundige staat van de loods van 200m². Meer slopen zodat er 150 m² van de loods overblijft is bouwtechnisch niet mogelijk omdat dit ten koste gaat van de stabiliteit van de resterende loods. Het handhaven van de garage is wenselijk om dat het een logisch onderdeel is van de woning als garage/berging en in die zin ook zo functioneert. Daarnaast wordt voor 50m² ruimte gegeven aan gebouwen aan bouwwerken die onderdeel zijn van de inrichting van de tuin, zoals speeltoestellen, overdekken van een zitplek of opslag van tuin benodigdheden. Ondanks de beperkte en logische afwijking voldoet het plan ook aan de voorwaarden: - Goede landschappelijke inpassing: Er is sprake van een goede landschappelijke inpassing (zie voor de motivering bijlage 1. Landschapsplan voor het landschappelijke inpassingsplan Molenstraat en Gestelstraat 2, Helvoirt.).

De volgende ingrepen zorgen voor een goede landschappelijke inpassing van de omgezette burgerwoning: het afplanten van de oostzijde van de voormalige boerderij met bomen; aan de zuidzijde wordt een poel toegevoegd in een groene zone van 1800m² die vrij is van agrarisch gebruik; het aanleggen van erfbeplanting aan de achterzijde van het nieuw erf; het weghalen van verharding en het toevoegen van de ruimte aan de nieuwe weide om een nieuwe zichtlijn te creëren met behoud van enkele solitaire bomen. - De ontwikkeling is op het gebied van gezondheid en veiligheid inpasbaar in de omgeving: Er is sprake van een verbetering op het gebied van gezondheid en veiligheid en een betere inpassing in de omgeving doordat er een agrarisch bedrijf nabij het dorp wordt gesaneerd, met alle milieutechnische voordelen. Er wordt geen nieuwe hoofdbebouwing opgericht, gebouwen worden hergebruikt. De bijbehorende bouwwerken die blijven staan worden bijgebouw bij de burgerwoning. En er wordt circa 1170 m² aan agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt en bijbehorende verharding verwijderd. - Zorgvuldige omgang met belangen: 26

Er wordt zorgvuldig omgegaan met de aanwezige in het bestemmingsplan vastgelegde belangen, planologische en milieutechnische effecten op de omgeving nemen af door de sanering van het bedrijf, omzetten van agrarische bedrijf naar burgerwoning. En door het slopen van bebouwing en verharding waardoor de verstening van het gebied afneemt. De burgerwoning heeft geen beperkend effect om omliggende percelen. Informatie naar omwonenden: Er heeft overleg met de buurt plaatsgevonden (zie verslag omgevingsdialoog bijlage 8) Omwonenden zijn over het plan geïnformeerd, het plan is besproken en belangen zijn afgewogen en er is draagvlak gecreëerd. - Meerwaarde voor de omgeving en kwaliteitsverbetering: Het initiatief heeft meerwaarde voor de omgeving door de sanering van het bedrijf en door het opgang brengen van de carrousel. Er wordt op die manier voldaan aan kwaliteitsverbetering.

Doordat: - door de grondruil komt er ruimte natuurontwikkeling in het Helvoirts Broek; - er worden Ruimte voor Ruimte titels aangekocht waardoor er elders in Brabant kwaliteitsverbetering optreedt; - door de grondruil wordt het huiskavel van het nabij gelegen agrarische bedrijf groter waardoor er meer weidegang voor koeien mogelijk is, wat op zijn buurt duurzamer en diervriendelijker is en recreatief aantrekkelijker is; - in het plan worden voorstellen gedaan voor de landschappelijke inpassing wat een verrijking van de groene kamer voor zowel het landschap als voor de biodiversiteit betekent. Conclusie De geringe afwijking voor het aantal m² bijgebouw is logisch vanuit de bouwkundige staat van de loods en het functioneren van de woning en er wordt voldaan aan het Beleidskader Vrijkomende Agrarische Bebouwing.

3.3.3.

Woonvisie 2021-2025: groei met Vughtse kwaliteit

Woonvisie Vught 2021-2025 De gemeenteraad heeft op 30 september 2021 de Woonvisie 2021-2025: Groei met Vughtse kwaliteit vastgesteld. Met het vaststellen van de Woonvisie 2021-2025 geeft de raad de richting aan van het woonbeleid van Vught in de komende jaren. Ook heeft de raad met het vaststellen mandaat aan het college gegeven om de concrete uitwerking op onderdelen, zoals het maken van prestatieafspraken met de corporaties en het uitwerken van woningbouwplannen van concrete locaties, op te kunnen pakken. Woningbouwprogramma 2019-2028 Op 6 juni 2019 is door de gemeenteraad het nieuwe woningbouwprogramma voor de periode 20192028 vastgesteld. Het woningbouwprogramma bestaat uit meerdere onderdelen die gezamenlijk een totaalbeeld geven van de huidige woningbouwsituatie in Vught. Hierbij wordt ingegaan op de planningsperioden, diverse plannen (en de status daarvan) en bijbehorende aantallen woningen. Het document bevat een woningbouwprogramma voor de periode 2019-2021 en een doorkijk van 20212028. Beoordeling plan In zowel de Woonvisie als het Woningbouwprogramma wordt vooral ingezet op het bedienen van doelgroepen met de grootste behoefte, zoals starters en senioren en doelgroepen binnen de sociale huursector. Het bevorderen van doorstroming en het tegengaan van scheefwonen zijn enkele manieren hiervoor.

De woningen worden ontwikkeld vanuit een ander beleidsprincipe dan de woonvisie, namelijk de transitie van de landbouw en het verbeteren van het buitengebied van 27

Brabant. Ondanks dat wordt met dit plan ook bijgedragen aan de visie op wonen van de gemeente Vught. Met voorliggende wijziging van het omgevingsplan worden maximaal 4 woningen aan de gemeente toegevoegd. De woningen zullen dusdanig ontworpen worden dat deze levensloopbestendig kunnen worden uitgevoerd. De mogelijkheid, vanuit de ruimte voor ruimte beleid van de provincie, voor de bouw van twee-aaneen woningen i.p.v. van 2 villa’s sluit zodoende beter aan bij de (veranderende) woningbehoefte. Door de toevoeging van de kleinere woningen wordt op kleine schaal de doorstroming bevorderd, de diversiteit aan woonmilieus vergroot en een woningaanbod gecreëerd dat meer aansluit op de behoefte. Bovendien gaat het om woningen met een hoge duurzaamheidsambitie en in een groene omgeving, waardoor ook op kleine schaal een bijdrage wordt geleverd aan een duurzame woonomgeving.

3.3.4.

Kwaliteitsverbetering van het landschap

Voor de twee ruimte-voor-ruimte titels/woningen geldt geen verplichting tot kwaliteitsverbetering van het landschap omdat die verbetering door de aankoop van bouwtitels al elders plaatsvindt. Deze eis geldt wel voor het omzetten van de agrarische bedrijfswoning in een burgerwoning. Voor de ruimte-voor-ruimte woningen geldt wel de verplichting tot landschappelijke inpassing.

Landschappelijke inpassing ruimte-voor-ruimte woningen De landschappelijke inpassing van de woningen sluit aan bij de ambities uit de omgevingsvisie Vught 2023-2033 en de ambities en uitgangspunten van de Groenvisie gemeente Vught 2023-2033 en de systematiek van de groene kamers die is beschreven in deel B van de structuurvisie van de voormalige gemeente Haaren. Voor de landschappelijke inpassing wordt verwezen naar bijlage 1.

De Groene Kamers Tussen de Margriet, Helvoirtsche heide en het Hengstven ligt centraal in het gebied dat is aangeduid als ‘De Groene Kamers’. Kenmerkend voor het uitgestrekte gebied is de kleinschalige openheid, ofwel het halfopen landschap met groene kamers. Deze groene kamers worden gevormd door de laanbeplantingen langs de wegen in dit deel van het buitengebied. Ze bieden een ruimtelijk casco, waarbinnen ruimtelijke ontwikkelingen kunnen worden ingepast. Het plangebied wordt ingepast in het ruimtelijke casco (de groene kamer) van de Molenstraat, de Hoge Raam, de Antwerpse baan en de Gestelstraat.

Illustratie groenkamer

Schets landschapsplan

(bron: structuurvisie gemeente Haarendeel B)

28

Uitgangspunten voor het behoud en versterken van het kleinschalige openheid/halfopen landschap van de groene kamers zijn o.a.: • Gevarieerd landschaps- en bebouwingsbeeld met een afwisseling landschap van open en besloten delen; • Het casco van de groene kamers wordt gevormd door wegen met tweezijdige laanbeplanting; • Binnen het casco een verfijning met landschapselementen als houtwallen, bospercelen, boomteeltpercelen en erven met beplanting Gemengd gebruik agrarische gronden als weiland, akker en voor de boomteelt; • Bebouwing geclusterd per perceel met wisselende groene erfinrichting (open erven, hagen en heggen, bosschages en bomen); • Bebouwing gesitueerd aan oude ontsluitingswegen in linten, geclusterd in kleine buurtschappen en solitair; • Aanleg van nieuwe lineaire beplantingselementen/laanbeplanting ter versterking van het casco van de groene kamers; • Ontwikkelingen per groene kamer landschappelijk inpassen met landschapselementen als bomenlanen, houtwallen, heggen en boomteeltpercelen. De woningbouwpercelen worden landschappelijk ingepast op een wijze die past bij de uitgangspunten van De Groene Kamers. Het bebouwingscluster is gelegen aan een oude ontsluitingsweg van de Molenstraat.

De kavels in de oksel van de Gestelstraat en de Molenstraat liggen op ruime afstand van de bestaande bosstrook ten zuiden van de Gestelstraat en op voldoende afstand van de Molenstraat. Deze bosstrook vormt de rand van de groene kamer en blijft gehandhaafd. De blik op de groene kamer blijft open door een ruime open zone met een zichtlijn tussen het meest zuidelijke kavel en het perceel Molenstraat nr. 18. Binnen het casco vormt de collectieve groenstrook, die wordt ingevuld met een houtwal, een verfijning in de kamer en zal als overgang dienen van de tuinen van de woningen naar het agrarische landschap. Vanuit de Gestelstraat blijft een gebied open tussen het voormalige agrarisch bouwblok en de nieuwe kavels. De open ruimte in deze groene kamer is o.a. de huiskavel van het agrarische bedrijf aan de Molenstraat 20 en wordt gebruikt voor de weidegang. Het gebruik sluit aan bij het gewenste gevarieerde beeld van de kamers en is onderdeel van de principes van de carrousel van natuurontwikkeling rond het Helvoirt Broek. Hiermee wordt voldaan aan de op de locatie van toepassing zijn de uitgangspunten die zijn beschreven in de structuurvisie voor dit landschapstype.

De Groenvisie gemeente Vught 2023-2033. De Groenvisie Gemeente Vught gaat voor biodiversiteit, klimaat, identiteit, gezondheid en samenwerking. Met name de thematische benadering m.b.t. groenstructuur, biodiversiteit en identiteit zijn direct van toepassing op deze ontwikkeling en hebben een directe relatie met de effecten van deze ontwikkeling. Als het gaat om klimaat, gezondheid en samenwerking zijn de relaties en effecten wat indirecter. Groenstructuur “De huidige groenstructuren beschermen, behouden, verbinden en versterken wij. Nieuwe groenstructuren richten we toekomstbestendig in.” 29

Biodiversiteit De beleidspunten voor het behouden, versterken en stimuleren van de biodiversiteit zijn: • Meer gebiedseigen soorten te gebruiken bij (her) inrichtingen. • Gerichte (ecologische) beheermaatregelen uitvoeren voor vastgestelde doelsoorten. • De weerstand tegen een natuurlijk beeld te verminderen door onze bewoners voor te lichten. • De resterende ecologische verbindingszones in de gemeente aan te leggen De planontwikkeling en het ingang zetten van de carrousel, de effecten op het Helvoirts Broek, het gebruik maken van ruimte voor ruimte kavels (waardoor elders in Brabant kwaliteitsverbetering plaatsvindt) en de landschappelijke inpassing van het plan dragen op 3 schaalniveaus een bijdrage aan het verstreken van de biodiversiteit in de directe omgeving van het plan door verschillende landschapselementen. En in het Helvoirts Broek door het versterken van de ecologische verbindingszone en het uitbreiden van het natuur areaal in het beekdal. Identiteit Helvoirt heeft haar naam te danken aan de ligging. Het dorp ontstond midden in een moerassig gebied, rondom een ondiepe doorgang (de huidige Torenstraat). Een ander woord voor ondiepe doorgang was ‘voirt’. En het moeras werd ervaren als de ‘hel’. Vandaar de naam Helvoirt. Het moerasgebied werd het Helvoirt Broek genoemd, Broek is een andere benaming voor een laag stuk land dat regelmatig overstroomt.

De moerassen en plassen van het Helvoirts Broek zijn rond 1900 drooggelegd. Daarna breidde het dorp Helvoirt verder uit. Begin 1900 telde het twaalfhonderd inwoners, nu bijna vijfduizend. In 1994 werd het Helvoirts Broek omgevormd tot een natuurgebied grotendeels in het bezit van het Brabants Landschap. De planontwikkeling draagt in sterke mate bij aan de versterking van het Helvoirts Broek, een beweging die vanaf 1994 is ingezet. Met dit plan wordt weer een deel van die ambitie gerealiseerd.

Structuurkaart Groenvisie gemeente Vught 2023-2033 (bron gemeente Vught) 30

De locatie ligt aan een structuurbepalende laan in het plan wordt daar rekening mee gehouden met de positionering van de uitritten en de noordelijke structuurbepalende laan wordt versterkt.

Thema kaart Groenvisie gemeente Vught 2023-2033 (bron gemeente Vught) De totale ontwikkeling draagt bij aan het versterken van de natte ecologische verbinding door het effect van de grondruil op het Helvoirts Broek.

31

Omgevingsvisie van de gemeente Vught 2023-2033 Het gebied wordt in de omgevingsvisie aangeduid als agrarische zone.

Waarde kaart (bron ontwerp omgevingsvisie gemeente Vught) De agrarische zone is een afwisselend gebied met veel verschillende functies. Er zijn ook veel cultuurhistorische waarden, zoals zandpaden, bolle akkers, houtwallen. Er zijn hoge natuurwaarden, bijvoorbeeld in de beekdalen. Er is ruimte voor gezonde (agrarische) bedrijven die op de toekomst zijn voorbereid. We versterken de waarde van het gebied vanuit het standpunt van natuurbescherming. Er komen veilige en aantrekkelijke routes voor fietsers vanuit Vught, Helvoirt en Cromvoirt, regionale fietsroutes en meer recreatieve routes. We geven ruimte aan woningbouw in woningbouwconcentraties die landschappelijk worden ingepast. Daarbij zijn water en bodem sturend. Deze hele ontwikkeling draagt bij aan de uitgangspunten van de visie door dat ontwikkeling een carrousel van natuurontwikkeling rond het Helvoirts broek op gang brengt die het beekdal en het Helvoirts Broek versterken. En door het stopen van het agrarische bedrijf komt er een grondruil op gang die naast natuurontwikkeling in het Helvoirts Broek, de huiskavel van het nabijgelegen agrarische bedrijf vergroot waardoor meer weidegang mogelijk is. Hierdoor staan er meer en vaker koeien in de wei wat het gebied op zijn beurt weer recreatief aantrekkelijker maakt. Dit sluit aan bij de ambitie van de gemeente Vught.

Door in het inpassingsplan in te zetten op het versterken en beschermen van bestaande houtwallen en groenelementen in het landschap en het aanbrengen van nieuwe structuren draagt het bij aan de gemeentelijke ambities.

Kwaliteitsverbetering landschap t.b.v. omzetting agrarische bedrijfswoning Deze kwaliteitsverbetering vindt plaats door de sloop ven bedrijfsgebouwen en voerkuilen (zie paragraaf 1.5). De vestiging van de woonfunctie heeft een kwaliteitsverbetering tot gevolg in de vorm van de sanering van de bedrijfsgebouwen ter plaatse met een oppervlakte van circa 1.170 m² en 500 m² voerkuilen.

32

Sloopverplichting Op grond van de “Afspraken voor uitwerking en toepassing kwaliteitsverbetering van het landschap van 21 juli 2022” geldt: “Iedere m2 bebouwing die aanvullend op 200m2 gebouwd, herbouwd of in gebruik wordt genomen als bijgebouw of bedrijfsgebouw moet gepaard gaan met sloop van vrijkomende agrarische bebouwing. Hierbij geldt dat: a. indien er sprake is van het hergebruiken van vrijkomende agrarische bebouwing er per m2 die hergebruikt wordt ook 1m2 voormalige agrarische bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt.” “Indien er geen sprake is van herbouw of hergebruik maar van uitbreiding van de oppervlakte aan bijgebouwen/ bedrijfsgebouwen dan dient iedere m2 nieuwe bebouwing gepaard te gaan met de sloop van 2m2 voormalige agrarische bebouwing.” Bij de voormalige agrarische bedrijfswoning zullen de garage van circa 50 m² en een deel van de stal van circa 200 m² gehandhaafd blijven en als bijgebouw bij de woning gebruikt gaan worden. Er zal 1170 m² aan agrarische bebouwing gesloopt worden en 500 m² aan voerkuilen. Dus er wordt ruimschoots voldaan aan de sloopverplichting. Conclusie De woningen passen in het gemeentelijk beleid en dienen alleen landschappelijk te worden ingepast waarbij het versterken van de Groene Kamers het uitgangspunt is. Kwaliteitsverbetering landschap t.b.v.

omzetting agrarische bedrijfswoning vindt plaats door de sloop van de verschillende opstallen en verharding en door het toevoegen van een aantal landschapselementen, een groene zone en een poel.

33

4. Planologische aspecten 4.1.

Verkeer

De voorliggende wijziging van het omgevingsplan betreft de sanering van een veehouderij (als onderdeel van de carrousel en natuurontwikkeling Helvoirts Broek), de omzetting van de agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning en de realisatie van twee ruimte-voor-ruimte kavels. De verkeersintensiteiten, afkomstig van het agrarisch bedrijf komen te vervallen. De realisatie van de twee ruimte-voor-ruimte woningen/kavels leidt daarentegen tot een beperkte toename van de verkeersintensiteiten. De verkeersgeneratie per woning bedraagt volgens de publicatie "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" (CROW, 2012): 7,8 tot 8,6 verkeersbewegingen per dag. Het betreft dus maximaal circa 36 verkeersbewegingen per dag. Gezien de aard en omvang van de Molenstraat is de capaciteit daarvan ruim voldoende om deze geringe extra belasting op te vangen. Het gaat om 36 verkeersbewegingen per etmaal. Het plan heeft per saldo geen negatieve consequenties voor de verkeerssituatie ter plaatse. De percelen worden ontsloten via de Molenstraat door een gezamenlijk erf en één inrit door de openbare groenstrook en het fietspad langs de Molenstraat. Hierdoor is het aantal kruisingen van het fietspad tot het uiterste beperkt en dit sluit aan bij de wijze van ontsluiting van de reeds bestaande percelen langs de Molenstraat.

Op het erf wordt een opstelruimte gerealiseerd voor twee auto’s (inclusief overkapping) waardoor voldaan wordt aan de parkeernorm. Het lint van de Molenstraat heeft een hoofdontsluitingsfunctie en kent goede fiets- en openbaarvervoersvoorzieningen. Een bushalte bevindt zich op ongeveer 250m afstand van het plangebied.

4.2.

Cultureel erfgoed

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met cultureel erfgoed. In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het Omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed' gaat het zowel om roerend erfgoed ('cultuurgoederen') als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is. De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het Omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl).

Deze regels gaan over: - ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten - verplaatsing van beschermde monumenten - gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand - aantasting van de omgeving van een beschermd monument - aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen - conserveren en in stand houden van archeologische monumenten In het nieuwe deel van het Omgevingsplan is op dit moment nog geen beschermingsregime voor het cultureel erfgoed opgenomen.

Cultuurhistorie 34

Uit de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant blijkt dat het plangebied is gelegen is in een cultuurhistorisch vlak en aan historisch geografische lijnen en in de nabijheid van 3 rijksmonumenten. De locatie zelf kent de geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.

Uitsnede Cultuurhistorische waarde kaart (bron: Cultuurhistorische waarde kaart)

Het gebied is onderdeel van een zone van historische stedenbouw met een waarde redelijk hoog. Historische stedenbouw is de combinatie van de historisch gegroeide ruimtelijke structuur en de historische bebouwing. De zone ligt aan zuidzijde van de rijksweg, is door oude akkergronden omgeven en evenwijdig aan de, oostelijk ervan gelegen, Broekleij ligt de oorspronkelijke kampennederzetting met concentratie van enkele kort- en langgevelboerderijen (circa 1850) met zuidelijk daarvan latere, enigszins lintvormige uitbreiding als wegnederzetting met hoofdzakelijk aan westzijde van de weg opgetrokken woonhuizen en langgevelboerderijen (1800, circa 1920-1930). De Molenstraat loopt parallel aan het Helvoirts Broek en wordt gekenmerkt door een afwisseling van een meer gesloten en meer open karakter met doorzichten op het open landschap en het beekdal.

35

Beeld van de historisch geografische lijn (bron google maps)

De Molenstraat is een lijn met waarde van historische geografie, de lijn is van redelijk hoge waarde. Een historisch geografische lijn is een historisch belangrijke lijn in het landschap. Historische geografie is de ruimtelijke neerslag van de aanpassingen die de mens in de loop der eeuwen heeft gedaan aan de natuurlijke omgeving. Historische lijnen zijn bijvoorbeeld dijken, dammen, wallen, paden, wegen (waaronder zandwegen, klinkerwegen en kasseiwegen), spoorwegen, kanalen en sloten. Langs deze lijn staan ook bomen van waarde met een monumentale status. Dit geldt ook voor het eerste deel van de Gestelstraat.

Beeld van de langgevel boerderijnen (bron google maps) Aan de noordzijde van de locatie liggen aan de Molenstraat drie langgevelboerderijen met een monumentale status. Molenstraat 12, 13 en 16 zijn rijksmonument.

Molenstraat 12

Molenstraat 13

Molenstraat 16 (bron monumenten.nl)

36

Molenstraat 12: Boerderij van het langgeveltype, midden 19e eeuws, onder met riet gedekt schilddak. Het woongedeelte heeft een deur met panelen en gestoken kalf. Vensters met luiken en zesruitsschuiframen. Bij deze boerderij een uit hout en riet opgetrokken schuur onder met riet en pannen gedekt schilddak. Molenstraat 13: Boerderij van het langgeveltype, midden 19e eeuws, onder met riet en pannen gedekt wolfdak. Het woongedeelte heeft in de voorgevel twee vensters met luiken en zesruitsschuiframen. Molenstraat 16: Boerderij uit het midden van de 19e eeuw onder met riet gedekt wolfdak. Voorgevel met vlechtingen en vensters met luiken. Het woonhuis is links onderkelderd. Deur met panelen en onversierd bovenlicht. Het markeert de hoek, de bebouwing begeleidt de Molenstraat en de Gestelstraat.

Historische ontwikkeling van de locatie (bron: topotijdreis.nl, bewerkt door Bureaumarco) Een analyse van de kaartbeelden van de site Topotijdreis laat zien dat van ver voor 1900 tot ongeveer 1967 er bij de aansluiting van de Gestelstraat en de Molenstraat altijd een bebouwingsconcentratie is geweest. Na 1967 wordt er veel gesloopt en vindt de verdichting plaats op de aansluiting van de Molenstraat en de Gestelstraat. Door de afwisseling van open en gesloten bebouwingswand aan de beekzijde van de Molenstraat blijft het beekdal vanaf dit lint ervaarbaar. Geconcludeerd kan worden dat het aspect van cultuurhistorie geen belemmering vormt voor voorliggend wijziging van het omgevingsplan. De nieuwe bebouwing in de oksel van de Gestelstraat en de Molenstraat past in de concentratie van bebouwing in dit deel van de Molenstraat. Door het opstellen van het Beeldkwaliteitplan wordt de beeldkwaliteit van dit deel van de Molenstraat gewaarborgd. Door de opzet laat het plan voldoende ruimte voor de historische structuren en zichtrelatie met het omliggende landschap.

Archeologie In het nieuwe deel van het Omgevingsplan is op dit moment nog geen beschermingsregime voor het cultureel erfgoed opgenomen. Hierom is het bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie' uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan geraadpleegd. Op basis van dit bestemmingsplan is een 37

dubbelbestemming opgenomen ter bescherming van de archeologische waarden (Waarde – Archeologie 4). Bij deze dubbelbestemming zijn regels opgenomen ter bescherming van de mogelijke archeologische waarden. Er heeft een bureau en veldonderzoek plaatsgevonden door BAAC Rapport V-19.0420. De conclusies uit het rapport zijn: • Bij de nieuwbouw worden eventuele archeologische resten bedreigd. Geadviseerd wordt om ter plaatse van het bouwblok een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Het proefsleuvenonderzoek is erop gericht om de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden vast te stellen. Een proefsleuvenonderzoek vormt de meest geëigende methode om de aanwezigheid van een archeologische vindplaats in één keer uit te sluiten of vast te stellen. Voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek dient een (door het bevoegd gezag goedgekeurd) Programma van Eisen te worden opgesteld, waarin de eisen waaraan het onderzoek dient te voldoen, zijn vastgelegd. • Bij de sloop van de stallen en verwijderen van de verharding ter plaatse van het erf worden vermoedelijk geen archeologische resten bedreigd. Hier wordt geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Het proefsleuvenonderzoek zal plaatsvinden in het kader van de vergunningaanvraag voor de te bouwen woningen.

Om dit te garanderen is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ op de verbeelding en de regels opgenomen. Door het opnemen van deze dubbelbestemmingen kan zonder onderzoek niet gestart worden met bouwrijpmaken en bouw.

4.3.

Water

Water vormt een steeds belangrijker aspect bij ruimtelijke ontwikkelingen. Belangrijke thema's zijn: het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater. Het is dan ook verplicht om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de motivering aan te geven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan op de waterhuishouding. Beleidskader De belangrijkste partners op het gebied van waterbeleid zijn op hoofdlijnen de Europese Unie, het Rijk, de provincie en meer specifiek Rijkswaterstaat, de waterschappen en gemeenten. Het Rijk geeft richting aan het beleid op hoofdlijnen, daarbij rekening houdend met de Europese ‘Kaderrichtlijn Water’. Binnen deze kaders zorgen Rijkswaterstaat, provincies, waterschappen en gemeenten voor een integraal waterbeheer waarbij belangen worden afgewogen. Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) Het RWP is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Het RWP is op 22 december 2021 in werking getreden. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem.

Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. 38

Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap De Dommel Het Waterbeheerprogramma schetst de visie en ambities van het waterschap De Dommel voor de lange termijn (2050). In 2050 wil De Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dat laatste wil zeggen; een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving én zorgt voor een goede waterkwaliteit. De droge zomers van 2018, 2019 en 2020, én de wateroverlast in 2021 tonen de urgentie aan en laten zien dat de omgang met water fundamenteel moét veranderen. Deze grote veranderopgave heet de watertransitie.” Het klimaat verandert, daardoor is het watersysteem van Midden-Brabant kwetsbaar geworden. Daarbij speelt mee dat het weer extremer wordt, de vraag naar ruimte toeneemt en er meer (grond)water wordt verbruikt. Bovendien is ons water, ondanks alle inspanningen, nog steeds niet schoon genoeg. Daarnaast zijn er ook andere uitdagingen in de leefomgeving. Denk aan natuurherstel, de energie- en landbouwtransitie en de woningbouwopgave. Het watersysteem speelt een cruciale rol in ál deze uitdagingen. Programma water en riolering 2022-2026 In het gemeentelijk Programma water en riolering 2022-2026 is de ambitie geformuleerd om een klimaatbestendige en aantrekkelijke gemeente te worden en wordt ook de koers uitgezet om dit daadwerkelijk te realiseren.

Het beschrijft de uitdagingen en doelen op korte en lange termijn willen. Om een stap te zetten in de komende planperiode met betrekking tot de realisatie van bovenstaande visie heeft de gemeente drie speerpunten geformuleerd: 1. Werken aan een robuust en klimaatbestendig systeem continueren. In toenemende mate spelen bovengrondse voorzieningen een rol. Voorzieningen die ervoor zorgen dat bewoners droge voeten hebben en houden. Niet alleen bij normale buien, maar ook bij extreme buien. Daarnaast wordt geanticipeerd op perioden van langdurige droogte door het water in deze voorzieningen zo lang als mogelijk vast te houden. Daartoe wordt de openbare ruimte benut om tijdelijk grote hoeveelheden regenwater op te vangen en gedoseerd af te voeren naar de omgeving. Bij nieuwe ontwikkelingen en herontwikkelingen wordt het uitgangspunt hierin dat het plangebied klimaatadaptief gemaakt wordt, voorzien in een klimaatrobuust watersysteem. 2. Continueren integraal werken. De afgelopen planperioden is de samenwerking opgezocht binnen de waterketen en het watersysteem. Dit heeft geleid tot afstemming van maatregelen, uniformering en kennis en kunde. Met de toenemende aandacht voor klimaatadaptatie neemt de interactie tussen onder- en bovengrond verder toe. Hierdoor krijgt de gemeente in toenemende mate te maken met partijen die in de openbare ruimte actief zijn.

Dit vraagt om een omgevingsgerichte werkwijze, waarbij bij elke bovengrondse ingreep een belangenafweging wordt gemaakt waarin water een rol van betekenis speelt. 3. Samenwerken met inwoners en ondernemers. Een groot deel van het verharde oppervlak ligt op particulier terrein en is de grond privaat eigendom. Samen met inwoners en ondernemers wenst de gemeente haar leefomgeving te verbeteren door bijvoorbeeld hemelwater op eigen terrein te bergen, daken te vergroenen, tegels uit de tuin te halen en meer water in de wijk vast te houden. De komst van de Omgevingswet stimuleert en faciliteert dit proces van samenwerking. Beoordeling Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand ter

39

plaatse van het plangebied is 40 – 60 cm onder maaiveld. Bij de bouw zal er een voldoende hoog bouwpeil worden bepaald. Voorliggend bestemmingsplan heeft een afname van verhard oppervlak tot gevolg. Er wordt meer dan 1170 m2 aan agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. Daarnaast wordt 500 m² aan voederkuilen verwijderd. In de nieuwe situatie worden maximaal vier woningen met bijbehorende bijgebouwen en erfverharding gerealiseerd. Bij de huidige bedrijfswoning, die wordt omgezet naar burgerwoning, wordt de mogelijkheid geboden om bijgebouwen te behouden. Op basis van artikel 15 van de Waterschapsverordening wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m2. Er geldt dus een vrijstelling van het verbod voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak naar een oppervlaktewaterlichaam. Het hemelwater, afkomstig van het (toegenomen) verhard oppervlak, mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. Gezien de ruime percelen en de bodemopbouw is een infiltratievoorziening op eigen terrein goed te realiseren. De gevoeligheidsfactor voor de nieuwbouw bedraagt 0,5.

Dit betekent dat de bergingsruimte van een eventuele infiltratievoorziening kan worden berekend met de som “m² afvoerend verhard oppervlak x 0.06 x 0,5 = m³”. Bij de aanvraag omgevingsvergunning bouwen zal een dergelijke berekening overgelegd worden. Het vuilwater zal aangeboden worden op het riool dat in de Molenstraat ligt. Het betreft het huishoudelijk afvalwater van maximaal vier gezinnen. Ten aanzien van het verhard oppervlak van de grote percelen (>400 m²) waar de toekomstige woningen, toekomstige bijgebouwen, erfverhardingen en/of bestratingen op gerealiseerd worden is de aanname gemaakt dat deze voor 50% verhard zullen zijn conform de Kennisbank Stedelijk Water (voorheen: Leidraad riolering). De percelen zijn ongeveer 1250m² groot, dit betekent een verhard oppervlak van maximaal 1250 m² x 2 x 50%= 1250m² aan verhard oppervlak. Het erf heeft een oppervlakte van 900m². De benodigd retentie wordt als volgt berekend: toename verhard oppervlak x gevoeligheidsfactor x 0,06. De retentiebehoefte is daarmee 2150m² x 0,5 x 0,06= 64,5m³. Door het aanleggen van een wadi in de zone van de landschappelijke overgang van 1,5m breed en 0,5 m diep over een lengte van 82 m is er in het plan voldoende bergingscapaciteit voor een bui van T is 100 (zie schets hierna). Omdat de wadi een inhoud heeft van 140 x 0,625 = 87,5 m³ is dit ruim voldoende voor de benodigde berging

40

van de maatgevende bui.

Beeld van de positie van de waterberging in het plangebied (brongemeente Vught en ruimtelijkeplannen bewerkt Bureaumarco)

Voor het omzetten van de agrarische woning naar burgerwoning geldt de volgende waterberekening. Er wordt 1670m² gesloopt op het perceel, deze gesloopte m2 worden deels toegevoegd aan het agrarische perceel (grasland) en deels worden ze onderdeel van de tuin van de burgerwoning. Het totale verharde oppervlak in de nieuw situatie is 160m² voor de woning, 250m² de te handhaven stal en garage, 850m2 oprit en erf en 60m2 terras. Dit is in totaal 160+250+850+60=1320m². De benodigd retentie is: toename verhard oppervlak x gevoeligheidsfactor x 0,06. Dit resulteert in een benodigde retentie van 1320 x 0,5x0,06= 39,6 m³. De wadi wordt aangelegd in de landschappelijke inpassingszone aan de oostzijde van het perceel (65m) en deel aan de zuidzijde (55m) met een totale lengte van ongeveer 120m (zie schets hierboven). Door het aanleggen van een wadi in de zone van de landschappelijke overgang van 1,5m breed en 0,5 m diep over een lengte van 120 m is er in het plan voldoende bergingscapaciteit voor een bui van T is 100. Omdat de wadi een inhoud heeft van 120 x 0,625 = 75m³ is dit ruim voldoende voor de benodigde berging van de maatgevende bui. Oppervlaktewater Bijgaande uitsnede uit de Legger Waterstaatswerken 2021 van Waterschap De Dommel toont het watersysteem rondom het plangebied. Langs de Gestelstraat en de Molenstraat ligt een B-watergang direct tegen de plangrens aan.

Bij de aanleg van dammen en duikers in de B-watergang voor ontsluiting van de nieuwe woningen gelden de Algemene regels uit de Waterschapsverordening van het waterschap.

41

Uitsnede uit de Legger Het Waterschap de Dommel heeft op 27 maart en 7 april 2020 gereageerd op het conceptplan (brief Z61304/U129115 van 27 maart 2020 en brief Z61288/U129185 van 7 april 2020). Uit de brieven blijkt, dat het waterschap geen bezwaar heeft tegen de geplande ontwikkeling. Op 28 juni 2022 heeft het waterschap opnieuw ingestemd met het bestemmingsplan. Zie bijlage 8. Men heeft een aantal opmerkingen gemaakt over de toelichting en de regels. Deze opmerkingen zijn in dit plan verwerkt. Er is inmiddels een nieuwe verkaveling op verzoek van de gemeente opgesteld. Deze verkaveling bevat voor het wateraspect geen wezenlijke veranderingen ten opzichte van de verkaveling die aan het Waterschap is voorgelegd. Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor voorliggend bestemmingsplan.

4.4.

Natuur en Landschap

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met de ligging van beschermde natuurgebieden. (paragraaf 5.1.2 Bkl). Nederland kent een groot aantal beschermde natuurgebieden. Deze natuurgebieden kunnen beschermd zijn door Europese aanwijzingen of deel uitmaken van het NatuurNetwerk Nederland (NNN). De provincies zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het NatuurNetwerk Nederland op het land.

42

Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden worden aangewezen onder twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen. Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie. Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt een 'Natura 2000-activiteit' genoemd binnen de definitie van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan rijksregels zoals de specifieke zorgplicht (artikel 11.6, Besluit activiteiten leefomgeving). Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval (artikel 11.13, Besluit activiteiten leefomgeving). NatuurNetwerk Nederland Wat betreft gebiedsbescherming, vervalt de bescherming van de Beschermde natuurmonumenten.

Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000 of het NatuurNetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS). De bescherming van NNN wordt in de AMvB, als onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening, geborgd. De natuurgebieden in Brabant vormen het NatuurNetwerk Brabant. De aanwijzing, begrenzing en de doelstellingen van die gebieden – met uitzondering van de Natura-2000-gebieden – vindt plaats in het provinciale Natuurbeheerplan dat de basis is voor beheersubsidie. Dat natuurbeheerplan wordt op basis van de Subsidieregeling natuuren landschapsbeheer Noord-Brabant 2016 vastgesteld door Gedeputeerde Staten. De bescherming van de natuurgebieden vindt plaats op grond van de Interim-Omgevingsverordening middels instructieregels voor de gemeentelijke bestemmingsplannen. Houtopstanden De bescherming richt zich op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. In dit plan houden we de houtopstand in stand, deze wordt enkel op twee plaatsen doorsneden met een bestaande inrit. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd.

De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuur Netwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: 'activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren: - Óf er soorten aanwezig zijn; - En indien aanwezig, welke soorten dat zijn. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de

43

activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.

Onderzoek Het onderzoeken naar de beschermstatus van het plangebied en beschermde natuurgebieden in de omgeving wordt uitgevoerd door te toetsen aan twee beschermkaders: de Wet natuurbescherming en het NatuurNetwerk Nederland. Onderzocht wordt of: • het plangebied deel uitmaakt van een beschermd gebied; • door de geplande ingreep een negatieve invloed te verwachten is op de aanwezige beschermde gebieden in de omgeving.

Conclusie Gebiedsbescherming Het projectgebied ligt op 2,6 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen. Door de kenmerken van het projectgebied, de afstand tot het Natura 2000-gebied en de aard van het tussenliggende gebied zijn er geen negatieve effecten aan de orde als gevolg van de toekomstige inrichting van het projectgebied op het Natura 2000-gebied en de instandhoudingsdoelen. Het plangebied is gelegen binnen de mogelijke effectenafstand voor stikstofdepositie. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling betreft de sanering van een bedrijf en de realisatie van ruimte-voor-ruimte woningen. Uit het onderzoek “Project Gestelstraat 2-4 te Helvoirt” 7 mei 2025 van R&S Advies (bijlage 3) volgt dat de beoogde activiteiten niet bijdragen aan een stikstofbelasting, die hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Voor het vaststellen en realiseren van het plan gelden met betrekking tot het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen, mits rekening wordt gehouden met de werktuigen en het aantal transport- en verkeersbewegingen, zoals vermeld in het rapport. De beoogde activiteiten hebben geen effect op de omliggende Natura2000 gebieden, waardoor er geen vergunningplicht geldt op grond van de Wet natuurbescherming.

Andere verstorende factoren zoals oppervlakteverlies, versnippering, verdroging en verstoring door trilling, licht en geluid zijn met de voorgenomen planontwikkeling niet van toepassing. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Nationaal NatuurNetwerk (NNN) of NatuurNetwerk Brabant (NNB). Het plangebied ligt op 314 meter van het dichtstbijzijnde NNNgebied. Gezien de omgeving met reeds aanwezige verstoringsfactoren als licht, geluid et cetera worden op gebiedsniveau geen nadelige effecten verwacht. Soortenbescherming Uit het veldbezoek en de bureaustudie van BK Bouw & Milieuadvies van 17 juni 2020 (zie bijlage 2) komen de volgende conclusies: • Tijdens het veldbezoek zijn geen zwaar beschermde soorten waargenomen. • Er worden op de locatie geen zwaar beschermde soorten verwacht. • Gebaseerd op de bureaustudie wordt een diversiteit aan algemeen voorkomende soorten op de locatie verwacht. • Voor de algemeen voorkomende beschermde soorten geldt dat ze niet ontheffingsplichtig zijn, mits de zorgplicht in acht wordt gehouden. Nader onderzoek is niet benodigd voor de sloop van de stallen of bouw in de huidige weilanden, wel dient de sloop van de stallen plaats te vinden buiten het broedseizoen van de boerenzwaluw. Indien 44

er werkzaamheden aan het woonhuis plaatsvinden dient er nader onderzoek uitgevoerd te worden naar gierzwaluwen, huismussen en vleermuizen. Aangezien werkzaamheden aan de bedrijfswoning echter niet direct volgen uit het plan hoeft voor de uitvoerbaarheid van het plan nog niet worden aangetoond of sprake is van effecten en of een eventuele ontheffing verleend kan worden. Aangezien de behandeling van dit plan lange tijd heeft geduurd heeft er in 2024 een nieuw onderzoek plaatsgevonden door Equipe Adviseurs (rapport d.d. 28 oktober 2024 zie bijlage 2). De conclusie van dit onderzoek zijn: “Uit de quickscan blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde gebieden en houtopstanden. De aanwezigheid van beschermde soorten op de projectlocatie kan niet worden uitgesloten. Gezien de aard van de werkzaamheden is nader onderzoek naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen en de steenmarter noodzakelijk. Maatregelen zijn tevens ook noodzakelijk. Er mogen geen werkzaamheden plaatsvinden binnen het projectgebied zonder goedkeuring van de ecoloog”. Een eventuele aanwezigheid van steenmarter staat de uitvoerbaarheid uit het plan niet in de weg staat.

De steenmarter is een nationaal beschermde soort, waarvoor de staat van instandhouding gunstig is en waarvoor ontheffing verkregen kan worden bij ruimtelijke ontwikkelingen, als vaste rust- en verblijfplaatsen aangetast zouden worden. Het plan (landschappelijk inrichtingsplan) voorziet al in maatregelen die voorzien in versterking van leefgebied van deze soort en bieden voldoende ruimte voor alternatieve verblijfplaatsen. De initiatiefnemer zal ruim voor de sloop van de schuur een marterhoop aanleggen op zijn terrein. Dit met als doel het verleiden van een evt. steenmarter om deze te gaan gebruiken als verblijfplaats i.p.v. de schuur. Op deze wijze is er geen ontheffing nodig omdat het leefgebied en de verblijfplaats voor steenmarter niet verslechtert. Geconcludeerd kan worden dat het onderwerp natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de plannen is.

45

5. Milieu 5.1.

Bodemkwaliteit

Het aspect bodem(kwaliteit) maakt integraal onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Steeds dient te worden gezocht naar de juiste balans tussen enerzijds het beschermen van de gezondheid en het milieu en anderzijds het benutten van de bodem ten behoeve van maatschappelijke activiteiten. Bij het wijzigen van het Omgevingsplan dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet) en uitvoering is gegeven aan de instructieregels vanuit het Rijk (paragraaf 5.1.4.5 Bkl) en de provincie. Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid 1 Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het plangebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal). De gemeente kan echter in haar Omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid, van het Bkl niet worden overschreden. Dit is in het omgevingsplan Tilburg (nog) niet gedaan.

Het plangebied wordt momenteel als agrarische grond gebruikt. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van woningen ter plekke van de agrarische gronden. Op basis van artikel 5.89h sub b van het Bkl is de uitbreidingslocatie een bodemgevoelige locatie. Om aan te tonen dat met de ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, is een verkennend bodemonderzoek (BK Ingenieurs van 6 november 2023 met kenmerk PEBA/234343/1.0/MLJA, Bijlage 4) uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn hieronder weergegeven. • De bovengrond en ondergrond zijn niet verontreinigd met stoffen uit het NEN574 standaardpakket. • De hypothese ‘onverdacht’ is correct gebleken. Er zijn geen verontreinigingen aangetoond boven de achtergrondwaarde. De hypothese ‘de bodem is onverdacht op de aanwezigheid van verontreinigingen’ is juist gebleken. • Het uitvoeren van nader bodemonderzoek is niet noodzakelijk. De bodemkwaliteit van de locatie vormt daarom geen belemmering voor het planvoornemen.

5.2.

Geluid

Kader 4.5 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Geluid door activiteiten In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een BOPA op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee 46

gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het BKL gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied.

Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: • woningen; • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal); • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel:

Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden. Toets Wegverkeerslawaai Kraaij Akoestisch Adviesbureau heeft ten behoeve van het voorliggende plan een akoestisch onderzoek naar wegverkeer uitgevoerd (d.d. 27 september 2024). Het rapport van het onderzoek is opgenomen in Bijlage 5. 47

De samenvattende conclusies uit het rapport zijn: Na uitvoering van het akoestisch onderzoek naar het geluid door wegverkeerslawaai op de voorgenomen nieuwbouw van twee tot drie woningen op een perceel ten oosten van Gestelstraat 2 in het buitengebied van Helvoirt, gemeente Vught kan worden geconcludeerd dat: • het geluid door de enige betrokken gemeenteweg (Molenstraat) ten hoogste 59 dB bedraagt bij het zuidelijk kavel en ten hoogste 56 dB bij het noordelijk kavel en daarmee dus niet overal voldoet aan de standaardwaarde van 53 dB uit de Ow. De overschrijding bedraagt 1 – 3 dB bij het noordelijk kavel en 1 – 6 dB bij het zuidelijk kavel; • het geluid door de enige betrokken rijksweg (N65) ten hoogste 51 bedraagt bij het noordelijk kavel en ten hoogste 49 dB bij het zuidelijk kavel en daarmee dus niet overal voldoet aan de standaardwaarde van 50 dB uit de Ow. De overschrijding bedraagt 1 dB op één rekenpunt bij het noordelijk kavel. Bij het zuidelijk kavel wordt voldaan aan de standaardwaarde van 50 dB voor rijkswegen; • het geluid door wegverkeerslawaai in onderhavige situatie niet zondermeer aanvaardbaar is en er een bestuurlijke afweging dient te worden gemaakt; • er aanvullend onderzoek is gedaan naar geluidbeperkende maatregelen.

Uit dit onderzoek is gebleken dat bron- en overdrachtsmaatregelen niet doelmatig genoeg zijn of stuiten op overwegende bezwaren; • op basis van de kwalitatieve beoordeling van het gecumuleerd geluid (46 – 59 dB) in onderhavige situatie sprake is van een goede tot matige akoestische leefomgeving, afhankelijk van de ligging van de gevelzijde; de hoogst belaste gevel bevindt zich aan oostzijde van de nieuwbouw, de laagste aan de westzijde; • er op basis van het gecumuleerd geluid in onderhavige zondermeer sprake is van minimaal één geluidluwe gevelzijde per woning en een geluidluwe buitenruimte aan de westzijde van de nieuwbouw; • op basis van het hoogst berekend gezamenlijk geluid van 57 c.q. 59 dB gesteld kan worden dat met de benodigde geluidwering uit het Bbl van 24 dB voor de nieuwbouw op het noordelijk kavel en 26 dB voor de nieuwbouw op het zuidelijk kavel zondermeer een goed akoestisch woonmilieu in de woningen kan worden gewaarborgd. Gelet op bovenstaande, de ligging van het plan en de aanwezigheid van een geluidluwe gevelzijde en buitenruimte, is hiermee vanuit akoestisch oogpunt sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan deze locatie en is er geen belemmering voor de realisatie van de voorgenomen nieuwbouw.

Een aanvullend (bouw)akoestisch onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie van deze nieuwbouw wordt niet op voorhand noodzakelijk geacht, maar is uiteindelijk ter beoordeling aan de vergunningverlenende instantie.

Conclusie Het plan kan, vanuit het oogpunt van geluid, worden gerealiseerd. Spoorweglawaai Het projectgebied bevindt zicht niet binnen een geluidaandachtsgebied van nabijgelegen spoorwegen, nadere toetsing aan geluid afkomstig van spoorwegverkeer is niet noodzakelijk. Industrielawaai (milieubelastende activiteiten) In de nabijheid van het plangebied vinden bedrijfsactiviteiten plaats die mogelijk voor geluidsoverlast kunnen zorgen binnen het projectgebied. In de omgeving van het plangebied zijn enkele milieubelastende functies aanwezig, zie paragraaf 5.4. Het plangebied is gelegen in het centrumgebied waardoor het kan worden aangemerkt als 'gemengd gebied'. In een gemengd gebied met wonen kunnen naast wonen verschillende andere functies worden toegelaten. Dat kunnen 48

functies als detailhandel, kantoren en horeca zijn, maar ook bedrijfsfuncties (bedrijf: ‘een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, alsmede verhuur, opslag en distributie van goederen’). Deze bedrijven zijn naar aard en invloed op de omgeving geschikt voor ligging in de nabijheid van woningen.

5.3.

Luchtkwaliteit

De wijziging van het Omgevingsplan kan invloed hebben op de luchtkwaliteit en op de gezondheid van de mens. Daarom dienen deze gevolgen in kaart te worden gebracht. Ten behoeve van deze ontwikkeling zijn de relevante wijzigingen ten aanzien van luchtkwaliteit geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid hiervan beoordeeld. In het besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect. Voor de toetsing van het Omgevingsplan moet daarom inzichtelijk worden gemaakt welke ontwikkelingen en activiteiten het Omgevingsplan faciliteert. Daarna kan worden bepaald of een beoordeling vereist is. In het Bkl staan aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof vermeld (paragraaf 5.1.4, artikel 5.51 in het Bkl). Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Het plangebied is niet binnen een dergelijk aandachtsgebied voor stikstofdioxide of fijnstof gelegen. Tenslotte is de mate van de verhoogde concentratie van belang. Toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (stikstofdioxide en PM10) is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Dit wordt ook 'niet in betekende mate' (NIBM) genoemd. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) niet hoger is dan 1,2 I1g/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Of een activiteit zorgt voor een concentratieverhoging van NIBM wordt bepaald met de NIBM-toets. Het initiatief betreft de omzetting van een agrarische bedrijfswoning naar wonen en de bouw van maximaal vier woningen. Wegens de kleinschaligheid van deze ontwikkeling en de beperkte verkeersaantrekkende werking kan het initiatief worden aangemerkt als een initiatief dat niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als bedoeld in de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’. Daarnaast is de achtergrondconcentraties fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) binnen de gemeente Vught dermate laag dat de normen voor de luchtkwaliteit niet overschreden worden. Dit is af te leiden van de GCN-kaarten (2022) van RIVM. De achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse van het plangebied bedraagt 18,91 μg/m3 de norm bedraagt 40 μg/m3. De achtergrondconcentratie stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied bedraagt 22,66 μg/m3, de norm bedraagt 40 μg/m3. Hieruit is te concluderen dat ter plaatse van het plangebied een aanvaardbare luchtkwaliteit aanwezig is.

49

GCN kaart Fijn stof (PM 10) jaartal 2022

GCN kaart stikstofdioxide (NO2) jaartal 2022

5.4.

Bedrijven en Milieuzonering

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met geluid en geur door industrieterreinen en bedrijfslocaties. Daarbij kan het rapport 'Milieuzonering nieuwe stijl' van de VNG gehanteerd worden alsook de staalkaart voor bedrijfsmatige activiteiten. Bij de milieuzonering nieuwe stijl wordt per bedrijfsmatige activiteit een gebruiksruimte opgenomen, die wordt begrensd door concrete milieunormen op een standaard afstand van de activiteit. Toepassing van dit toedelingsprincipe leidt tot milieunormen die niet primair worden gesteld vanuit het belang van de bescherming van het milieu, maar vanuit een ruimtelijk belang, om te komen tot een goede ruimtelijke ordening c.q. een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Er wordt gewerkt met een milieuzonering aan de hand van een gebruiksruimte gekoppeld aan milieunormen. Deze ruimtelijke milieunormen bestaan náást de normen in het milieuspoor. Het reguleren van gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf staat centraal in de nieuwe systematiek voor de milieuzonering. De gebruiksruimte van een bedrijf is de milieuruimte die een bedrijf op grond van het Omgevingsplan mag benutten voor het uitoefenen van zijn bedrijfsvoering.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=84879169-6b9d-4a62-9617-d3a2458c288b