CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

BIjlage - Motivering

Raadsvergadering 1 juli 2025, gemeente VughtBij agendapunt: Vaststelling TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Gestelstraat 2 Helvoirt24.934 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening/veilige en gezonde fysieke leefomgeving, is het 50

uitgangspunt: functiescheiding en het aanhouden van voldoende afstand tot gevoelige gebouwen en locaties. De nieuwe systematiek limiteert de gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf. Hiermee krijgt ieder bedrijf zijn eigen gebruiksruimte. Dit kan per zone zijn vastgelegd, of bij bedrijven buiten een bedrijventerrein, specifiek per bedrijf. Onder de Omgevingswet wordt een bepaalde mate van gebruiksruimte per bedrijf toegestaan. Op termijn wordt deze gebruiksruimte in de regels van het Omgevingsplan opgenomen. Aangezien de gebruiksruimte nog niet in de regels van het Omgevingsplan Tilburg zijn opgenomen is voor voorliggend plan aangesloten bij de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. In deze brochure staan richtafstanden van milieuhinderlijke bedrijven ten opzichte van milieugevoelige functies, waarbij uitgegaan wordt van het gebiedstype rustige woonwijk. Wonen is een gevoelige functie. Nagegaan is of omliggende bedrijven het woon- en leefklimaat van de toekomstige woningen aantast en andersom of de komst van de woningen belemmerend zal werken op omliggende bedrijven. De planlocatie is gelegen in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals o.a. agrarische en niet-agrarische bedrijven.

(Dit is conform de overweging in het bestemmingsplan Gestelstraat 3-3a, vastgesteld 4 juli 2019). Aan de overkant van de planlocatie is een niet-agrarisch bedrijf aanwezig (Gestelstraat 3a). Het perceel is bestemd voor opslag en verhuur. In één bedrijfsgebouw is het houden van paarden toegestaan. Een paardenhouderij behoort tot milieucategorie 3.1. Voor een bedrijf uit deze milieucategorie bedraagt de grootste richtafstand 50m. Echter mag deze afstand met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied (dus van 50 naar 30 meter). De afstand tussen het gebouw waarbinnen een paardenhouderij is toegestaan en de woning Gestelstraat 2 is 60 meter en hiermee wordt ruimschoots aan de richtafstand voldaan. Voor het overige heeft het tegenovergelegen perceel Gestelstraat 3.3a de bestemming bedrijf met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – opslag- en bedrijfsruimte' met de milieucategorie 2. De richtafstand voor categorie 2 is 30 meter. Echter mag deze afstand met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied (dus van 30 naar 10 meter). De afstand vanaf het bouwvlak van de geprojecteerde woningen tot de rand van de tegenovergelegen bedrijfsbestemming is circa 60 meter. Op de locatie aan de Molenstraat 20 is een melkrundveehouderij gevestigd. De hierbij behorende milieucategorie betreft 3.2.

Bij deze milieucategorie bedraagt de grootste afstand 100 meter (50 meter voor gemengd gebied). De afstand tussen het plangebied en het bouwvlak van Molenstraat 20 bedraagt circa 190 meter. Hiermee kan worden voldaan aan de richtafstanden. Voor de afstanden van het aspect geur vanuit veehouderijen geldt een expliciet toetsingskader. Deze wordt in de volgende paragraaf 5.5 nader uitgewerkt. Geconcludeerd kan worden dat, omdat voldaan wordt aan de richtafstanden, het leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen aanvaardbaar is en de omliggende bedrijven niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering.

51

5.5.

Geur

Geur kan hinder veroorzaken en de gezondheid schaden, echter ook geur veroorzakende activiteiten (bedrijven) hebben een plek in de leefomgeving nodig. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow: 'zorg voor de fysieke leefomgeving'). In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn in hoofdstuk 3 regels gesteld over milieubelastende activiteiten, waarbij deze activiteiten per bedrijfstak zijn gegroepeerd. Deze regels zijn gesteld ter voorkoming of beperking van onder andere geurhinder. Vervolgens zijn in hoofdstuk 4 van het Bal inhoudelijke regels gesteld aan milieubelastende activiteiten. In paragraaf 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen ten aanzien van het aspect geur. In artikel 5.92, tweede lid Bkl, is voorgeschreven dat de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw 'aanvaardbaar' moet zijn. Daarbij dient tevens rekening te worden gehouden met cumulatie. Gemeenten hebben de mogelijkheid om in hun eigen Omgevingsplannen eigen geurregels te formuleren. Weliswaar dienen de instructieregels uit het Bkl (artikel 5.90 tot en met 5.127 Bkl) wel te worden gevolgd. De Omgevingswet definieert een milieubelastende activiteit als een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken.

De bestaande mestsilo wordt met de planontwikkeling verplaatst binnen de bedrijfslocatie, waardoor de afstand tot de woningen aan Keizersakker wordt vergroot. Een woning is op basis van het Bkl een geurgevoelig gebouw. Het aspect geur wordt uitgedrukt als geurconcentratie in Europese odour units per kubieke meter lucht (OUe/m3). De normstelling van de geurnorm is in het concentratiegebied, buiten de bebouwde kom, 14 OUe/m3. Binnen de bebouwde kom is dit 3 OUe/m3. In de niet-concentratiegebieden zijn dit respectievelijk 8 OUe/m3 en 2 OUe/m3. De Wgv biedt aan gemeenten de mogelijkheid om middels een gebiedsvisie, binnen bepaalde marges, af te wijken van de in de wet genoemde geurnormen. Bij besluitvorming omtrent de ontwikkeling van nieuwe ruimte-voor-ruimte woningen dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de volgende vragen: • Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object). • Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).

Woon- en leefklimaat In het kader van het woon- en leefklimaat kan worden gesteld dat de woning een bestaande woning betreft waardoor geen nieuw gevoelig object wordt gecreëerd. Immers wordt het beschermingsregime van de woning niet uitgebreid in het kader van het woon- en leefklimaat. Daar er binnen het plangebied echter wel nieuwe geurgevoelig objecten worden gerealiseerd, te weten maximaal vier ruimte-voor-ruimte woningen, wordt in deze paragraaf onderzocht of er ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat is het feit dat in de naaste omgeving van de planlocatie dieren gehouden waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld relevant. Dat betreft de paardenhouderij in de stal aan de Gestelstraat 3a en de melkveehouderij aan de Molenstraat 20. Volgens de Wet geurhinder en veehouderij moet de afstand tussen de stallen en de geurgevoelige woningen tenminste 50m bedragen. Aan die eis wordt voldaan. Op grotere afstand worden dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling wel een geuremissiefactor is vastgesteld. Dat betreft de intensieve veehouderijen Molenstraat 22, 24, 26 en 28. De cumulatieve geurhinder ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting geeft een beeld van het woon- en leefklimaat op een locatie.

In het onderstaande kaartje is de achtergrondbelasting geur 52

weergegeven. Deze ligt tussen de 5 en 10 OUe/m3. In de huidige situatie is dus sprake van een goed tot redelijk goed woon- en leefklimaat.

Uitsnede uit de kaart achtergrond belasting geur van atlas.odzob.nl

Derhalve kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Belangen van veehouderij Op grond van artikel 3.2 van de Wet geurhinder en veehouderij moet de afstand tussen de gevel van het dichtstbijzijnde dierenverblijf behorende tot een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, gelegen binnen de bebouwde kom, tenminste 100 meter te bedragen. Buiten de bebouwde kom is deze afstand minimaal 50 meter. Gemeenten mogen bij verordening van de normen van de Wet geurhinder en veehouderij afwijken, binnen bepaalde grenzen (artikel 6 van de wet). De voormalige gemeente Haaren heeft echter geen afwijkende afstanden vastgesteld. Omdat de afstand tussen de bestaande woning aan de Gestelstraat 2 en de nieuw te bouwen woningen en de rundveestallen aan de Molenstraat 20 minimaal 180 meter bedraagt, wordt er geen 53

inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de dichtstbijzijnde veehouderij voor wat betreft de afstanden die zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Immers geldt dat een nieuwe stal nooit op een kleinere afstand dan 50 meter van de planlocatie mag worden gebouwd. Ook de afstand tot de opstallen voor verhuur ten behoeve van de paardenhouderij aan de Gestelstraat 3/ 3a is meer dan 50 meter (56 meter). Derhalve kan worden gesteld dat de ontwikkeling niet beperkend is voor de rundveehouderij aan de Molenstraat 20 en de verhuur voor de paardenhouderij aan de Gestelstraat 3/3a. Geconcludeerd wordt dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de ontwikkeling.

5.6.

Omgevingsveiligheid

Algemeen Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico's van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). We willen in Nederland gezond en veilig leven, maar ook ruimte voor economische groei behouden. Net als geluid, bodemkwaliteit, geur en tal van andere aspecten speelt daarbij ook omgevingsveiligheid een rol. Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de “feitelijke” risico's (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico's worden ervaren. Ten behoeve van deze wijziging van het Omgevingsplan zijn de relevante risico's geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling beoordeeld. Daarbij wordt ook aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het voorkomen en bestrijden van branden, rampen en crisis, het beperken en vertragen van de gevolgen van incidenten, de mogelijkheden van personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een incident en de gevolgen voor de (continuïteit van de) geneeskundige hulpverlening.

Plaatsgebonden risicocontour Het plaatsgebonden risico betreft de kans per jaar dat iemand, die continu en onbeschermd op een plek verblijft, overlijdt als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Daarvoor geldt (nog steeds) een grenswaarde van 10-6, ofwel een kans van maximaal 1 op één miljoen. Deze grenswaarde dient volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in het Omgevingsplan in acht te worden genomen voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties geldt dat slechts rekening moet worden gehouden met de grenswaarde. Brand-, gifwolk- en explosieaandachtsgebied: Groepsrisico Binnen deze aandachtsgebieden moet rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. De contour van een gifwolkaandachtsgebied bedraagt ten hoogste 1,5 kilometer conform artikel 5.12, lid 4 van het Bkl. Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (waaronder lpgtankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.

Om voldoende ruimte te scheppen tussen een risicobron en personen of objecten die risico lopen (kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. 54

Beschouwing Risicobronnen Inrichtingen Met behulp van de risicokaart is beschouwd of risicobronnen in de omgeving van het plangebied een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. In navolgend figuur is een uitsnede weergegeven van de risicokaart.

De risicokaart (bron: risicokaart.nl)

Uit de risicokaart blijkt, dat er geen inrichtingen met externe veiligheidsrisico’s in de omgeving van het plangebied zijn gelegen, welke een risicocontour over het plangebied hebben liggen. Tevens zijn er geen buisleidingen met gevaarlijke stoffen of vaarwegen in de omgeving met een risicocontour over het plangebied. Wel is de spoorlijn Tilburg – ‘s-Hertogenbosch en de Rijksweg A65/N65 beide ten noorden van het plangebied voor het aspect externe veiligheid relevant. Rijksweg A65/N65 Op circa 250 meter ten noorden van het plangebied ligt de Rijksweg A65/N65. Over deze weg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Deze weg kent geen plaatsgebonden risicocontour 1×106/jaar. Ook heeft de weg geen plasbrandaandachtsgebied. Conform het Bkl dient voor een plan binnen 200 meter van een transportroute een verantwoording van het groepsrisico uitgevoerd te worden. Gelet op de afstand van 250 meter tot deze weg hoeft voor dit plan geen verantwoording te worden opgesteld. Het plangebied is wel gelegen binnen het gifwolkaandachtsgebied (300 meter) van deze weg. Voor deze weg dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Spoorlijn Tilburg – ‘s-Hertogenbosch De spoorlijn bevindt zich op een afstand van circa 1100 meter van het plangebied. De spoorlijn is opgenomen als Basisnetroute in de Regeling Basisnet.

Over de spoorlijn worden onder andere stoffen vervoerd van stofcategorie GT4. Deze stofcategorie heeft conform de HART een invloedsgebied van >4000 meter. Het plangebied ligt volledig binnen het invloedsgebied van de spoorlijn. De overige stofcategorieën over de spoorlijn hebben een invloedsgebied dat niet reikt tot aan het plangebied. 55

Omdat het plan niet binnen 200 meter van de transportroute ligt, is een beperkte verantwoording van het groepsrisico uitgevoerd. In het werkdocument ‘Verantwoording groepsrisico’ wordt de zone langs de spoorlijn, die relevant is voor het plan, benoemt als Zone 3a: 200 - 1500 meter. Vanaf 200 meter zijn mensen binnenshuis in principe voldoende veilig voor een BLEVE. Vanaf 200 meter wordt daarom alleen nog rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk. In dit gebied kan bescherming wordt geboden door ramen en deuren te sluiten. Voor alle objecten geldt verantwoordingsniveau 2. De verantwoording groepsrisico is navolgend uitgewerkt voor eerst de Rijksweg A65/N65 en vervolgens de Spoorlijn Tilburg – ‘s-Hertogenbosch. Beperkte Verantwoording groepsrisico Rijksweg N65/A65 a. Verantwoording groepsrisico Rijksweg A65/N65 Bij een beperkte verantwoording hoeft alleen ingegaan te worden op de in het werkdocument benoemde algemene beschouwing, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Algemene beschouwing Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze afstand van 250 meter tot de risicobron niet relevant. Zoals gesteld, heeft op deze afstand een toe- of afname van personendichtheid geen invloed op het groepsrisico. Verder is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. Veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch. De bestrijdbaarheid Voor het transport over de weg, op relatief korte afstand van het plangebied, is het scenario BLEVE (explosie) van een tankwagen met GF3 (o.a. LPG en Propaan) het maatgevende scenario. Dit kan ontstaan na het ontstaan van brand als gevolg van een ongeval of het spontaan ontbranden van de ketelwagen. De kans hierop is erg klein. Een BLEVE is alleen te voorkomen door het effectief koelen van de ketelwagen. De watervoorziening ter plaatse is hiervoor voldoende. Rond het plangebied zijn voldoende aan- en afvoerroutes beschikbaar voor de inzet van hulpdiensten. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen.

De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario. De mogelijkheden t.a.v. zelfredzaamheid zijn goed. Er is geen grotere groep niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied woonachtig. De aanwezigen zijn naar verwachting voldoende mobiel om zelfstandig te kunnen vluchten. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Verder dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwings- en alarmsysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. Het grondgebied van Helvoirt valt grotendeels binnen de dekking van de sirenepalen. Op termijn zal dit waarschuwingssysteem vervangen worden door NL-alert. De overige 56

verantwoording van het groepsrisico is opgenomen in het Werkdocument verantwoording groepsrisico van de voormalige gemeente Haaren en hoeft niet expliciet herhaald te worden in de ruimtelijke onderbouwing.

Verantwoording groepsrisico Spoorlijn Het plangebied en de geprojecteerde ontwikkeling bevindt zich op grote afstand van de risicobron het spoor en de weg. De locatie is gelegen in het gifwolkaandachtsgebied

Bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval. In geval van een calamiteit zal de brandweer ingezet worden aan de bron ter beperking van de effecten. Het plan heeft geen gevolgen voor de bestrijdbaarheid in geval van een calamiteit op het spoor of op de weg en wordt daarom niet verder beschouwd. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Blootstelling aan een toxisch gas is het bepalende scenario. In geval van een calamiteit dienen personen te schuilen. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Nieuwe bouwwerken zijn goed geïsoleerd, waardoor ze een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van het toxisch gas. Belangrijk is wel dat luchtbehandelingsinstallaties met één druk op de knop uit te schakelen zijn. Verder dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwings- en alarmsysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. Het grondgebied van Helvoirt valt grotendeels binnen de dekking van de sirenepalen. Op termijn zal dit waarschuwingssysteem vervangen worden door NL-alert.

De overige verantwoording van het groepsrisico is opgenomen in het Werkdocument verantwoording groepsrisico gemeente Haaren en hoeft niet expliciet herhaald te worden in de ruimtelijke onderbouwing.

Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Het plangebied ligt binnen het gifwolkaandachtsgebied transport van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Tilburg – ‘s-Hertogenbosch en de Rijksweg A65/N65. Het groepsrisico is beperkt verantwoord en wordt aanvaardbaar geacht. Het geringe groepsrisico en de goede mogelijkheden binnen het plangebied voor de zelfredzaamheid van personen en het geringe aantal personen spelen daarbij een rol. Gelet op bovenstaande vormt het aspect Omgevingsveiligheid geen belemmering voor het planvoornemen.

5.7.

Gezondheid 5.7.1.

Geitenhouderijen

Uit onderzoek blijkt dat mensen die wonen in de nabijheid van een geitenhouderij, meer kans hebben op een longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak voor handen is, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige functies. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt om terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen (functies) in de buurt van bestaande 57

geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten worden geadviseerd om in hun besluitvorming de risico's op longontsteking mee te wegen. Op basis van onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. De GGD-richtlijn hanteert daarom een richtafstand van 2 kilometer tussen geitenhouderijen en gevoelige functies. Binnen het grondgebied van de voormalige gemeente Haaren zijn verspreid vijf geitenhouderijbedrijven aanwezig. Van deze bedrijven is één geitenhouderij gesitueerd binnen een afstand van 2 km tot het plangebied, namelijk de locatie Noenes 16 in Haaren. Uit de VGOonderzoeken is naar voren gekomen dat tot 2 km rondom geitenhouderijen mensen vaker longontsteking hebben. Hoe en waaraan dit gelegen is, is nog steeds onduidelijk. De dichtstbij gelegen geitenhouderij is gelegen op een afstand van ruim 1,7 km afstand van het plangebied. Locatie Noenes 16 in Haaren: Beschikkingsdatum: 27-09-2016 RAV-tabelversie: RAV 2013-1 NB: onderstaande emissies zijn vertaald naar de meest recente emissiewaarden Stalgroepen

Dier Omschrijving cat

RAV code

C1

C1.100

C2 C3 K3

geiten ouder dan 1 jaar opfokgeiten van 61 dagen tot en met één jaar opfokgeiten en afmestlammeren van 0 tot en met 60 dagen volwassen pony's (3 jaar en ouder)

Pas code

2e 3e NH3fac NH3 Emissie Aantal NGE RAV RAV (kg/jr/ emis MVE punt dieren tot code code dierpl) (kg/jr) bedrijf 1.9 1565 2974 522 171

Geur PM10 emis emis (Ou/s) (kg/jr) 29422 30

C2.100

bedrijf

0.8

335

268

0

0 3785,50

3

C3.100

bedrijf

0.2

200

40

0

0

1140

2

K3.100

bedrijf

3

0

0

174 34347,50

35

3.1

2

6

0

Totalen

2102

3288

522

Door de bouwstop voor de geitenhouderij die de provincie Noord-Brabant in de provinciale omgevingsverordening heeft opgenomen kan het geitenbedrijf voorlopig niet uitbreiden. Een gewenste uitbreiding van de geitenhouderij wordt op dit moment, zoals hieronder nader omschreven, niet in de weg gestaan door jurisprudentie, maar enkel door de provinciale bouwstop. De windrichting speelt een voorname rol bij de verspreiding van de uitstoot van een veehouderij. Windrichting en windsterkte spelen een rol bij de verspreiding van fijnstof (inclusief endotoxinen, ammoniak en micro-organismen) en geur. De overwegende windrichting in Nederland komt uit het zuidwesten. De aanwezigheid van vegetatie, gebouwen en andere structuren is een belangrijke factor voor de verspreiding van stoffen in de atmosfeer. Een ruw oppervlak veroorzaakt afremming van de wind aan de grond, waardoor een zekere mate van turbulentie wordt gegenereerd en zich een hoogteafhankelijk windprofiel instelt. De omgeving van het plangebied kenmerkt zich door meerdere bosjes en bomenrijen en landelijke bebouwing. Dit betekent dat er sprake is van een grote terreinruwheid waarmee het direct inwaaien van fijnstof of endotoxinen wordt voorkomen.

Conclusie Gezien de grote afstand tussen de geitenhouderij en het plangebied en het feit dat binnen die afstand meerdere bosjes en bomen aanwezig zijn en dat de locatie is gelegen ten zuidoosten (niet in 58

de dominante windrichting), kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico ter plaatse van het plangebied.

5.7.2.

Spuitzones

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige functie in de nabijheid van agrarische functies aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico's voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico's voor de gezondheid inhouden. De nieuwe woningen grenzen aan de noordzijde aan de houtwal en aan de zuid- en westzijde aan agrarische gronden. De gronden aan de zuid- en westzijde vormen onderdeel van het agrarisch bedrijf (als onderdeel van de carrousel voor natuurontwikkeling in het Helvoirts broek en het maken van een huiskavel voor de veehouderij Molenstraat 20) en zijn in gebruik als grasland. Grasland wordt hoogstens enkele keren per jaar gespoten. Daarnaast zal bij eventueel gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op deze gronden altijd verticaal gespoten worden, waardoor geen sprake is van grote vernevelingsgebieden rond deze gronden. Dit wordt tevens bewerkstelligd door toepassing van driftreductiesystemen.

Tot slot vindt spuiten enkel plaats wanneer het (nagenoeg) windstil is omdat bij harde wind de effectiviteit van spuiten dermate wordt verminderd dat het spuiten nagenoeg niets oplevert. Ten opzichte van de bestaande situatie verandert niets aan de bedrijfswoning. Tevens is zichtbaar in het landschappelijke inpassingsplan dat de locatie aan de zuidzijde wordt voorzien van een nieuwe groenstrook en een ruime zone met tuinen waardoor er een grotere reductie van drift optreedt. Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een goed woon- en verblijfsklimaat ter plaatste van het plangebied. Daarnaast leidt onderhavig initiatief niet tot belemmering van bestaande spuitzones. Ter bescherming van de nieuwe woningen is er een zone van 50 meter opgenomen met de aanduiding ‘overige zone - spuitzone’.

5.7.3.

Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen

Intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijnstof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijnstof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico's lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de 'Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0' opgesteld. In april 2018 is tevens de 'Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m3 aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m3 niet wordt overschreden. Voor dit plan is het stappenplan uit de Handreiking doorlopen. 59

Stap 1: Endotoxine (varkens-/pluimveehouderijen): Omgevingsdienst beoordeelt aan de hand van het endotoxine toetsingskader 1.0 dat de ontwikkeling NIET voldoet aan de endotoxine ‘richtafstand’ tussen een veehouderij en gevoelige bestemming. Het bevoegd gezag en ondernemer komen in een dialoog niet tot een goede oplossing om een beperking van de berekende endotoxineafstand te realiseren. Beoordeling: Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving Stap 2: Emissies; de ontwikkeling leidt tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Beoordeling: hiervan is geen sprake. Stap 3: Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader; Beoordeling: zoals hiervoor aangegeven (paragraaf 5.5.) is voor geur aangetoond dat er geen belemmeringen zijn en er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Stap 4: Binnen één veehouderij (1 adres of 1 ondernemer) worden bedrijfsmatig meerdere diersoorten gehouden, of 4b. De afstand tussen de inrichtingsgrenzen van een varkensbedrijf en een pluimveebedrijf bedraagt in de nieuwe situatie minder dan 100 meter Beoordeling: hiervan is geen sprake. Stap 5: Geitenhouderij: binnen een afstand van 2 kilometer liggen woon- en verblijfsruimten van derden. Beoordeling: zie hiervoor paragraaf 5.7. 5b.

Pluimveebedrijven: binnen een afstand van 1 kilometer liggen woon- en verblijfsruimten van derden. Beoordeling: hiervan is geen sprake 5c. Overige veehouderijen: binnen een afstand van 250 meter ligt een bebouwde kom Beoordeling: hiervan is geen sprake Stap 6: Er is sprake van mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit Beoordeling: hiervan is geen sprake Stap 7: Bij omwonenden is sprake van ongerustheid over de volksgezondheid; Beoordeling: hiervan is geen sprake Conclusie Het aspect gezondheid in relatie tot veehouderijen vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig initiatief.

5.7.4.

Hoogspanningslijnen

Hoogspanningsverbindingen kunnen van negatieve invloed zijn op de gezondheid van de omgeving, maar dragen tegelijkertijd ook bij aan de Nederlandse infrastructuur en zijn van essentieel belang voor het functioneren van het energienetwerk. Hoogspanningsverbindingen leveren dus zowel een positieve als negatieve bijdrage aan de fysieke leefomgeving. Een negatieve invloed op de gezondheid van de omgeving, kan worden veroorzaakt door magneetvelden en geluid van de hoogspanningsverbindingen. Voor het eerste gezondheidsaspect 'magneetvelden' geldt op basis van advies van het Rijk dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is vermeden dient te worden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen (tot 15 jaar) langdurig verblijven in een gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen, waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Ten aanzien van het gezondheidsaspect 'geluid' geldt dat rekening moet worden gehouden met geluid in de vorm van windfluiten en knetterend geluid door elektrische ontladingen (coronageluid) veroorzaakt door hoogspanningsverbindingen.

60

Ten behoeve van deze wijziging van het Omgevingsplan is in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening gehouden met de gezondheidsaspecten (magneetveld en geluid) die hoogspanningsverbindingen kunnen veroorzaken. In de omgeving van het plangebied zijn geen hoogspanningslijnen gelegen. Gelet op de afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde lijn vormt dit aspect geen belemmering.

5.8.

M.e.r. beoordeling

Algemeen Projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een mer-plicht of een merbeoordelingsplicht geldt, staan in het Omgevingsbesluit bijlage V. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een m.e.r.-beoordeling (kolom 3), waarbij het bevoegd gezag een beslissing kan nemen of een m.e.r. nodig is, en een verplicht m.e.r. (kolom 2). Om te bepalen in welke categorie een besluit of plan valt is er per categorie een lijst met projecten opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Hierin zijn ook de drempelwaardes in opgenomen, die aangeven welke procedure er doorlopen moet worden. Als een plan kaderstellend is voor de projecten uit bijlage V van het Omgevingsbesluit, maar niet boven de drempelwaarde van kolom 2 uitkomt, moet een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. Een plan-mer-beoordeling vindt alleen plaats als: Het plan een kleine wijziging van een plan of programma is. Het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van de gemeente het bevoegd gezag is. Lokaal niveau staat voor gemeentelijk niveau. Europese jurisprudentie geeft een eerste inkleuring van het begrip 'klein gebied'. Het Hof concludeerde dat de grootte van het betrokken gebied, vergeleken met die van het grondgebied, klein moet zijn.

(omgevingsbesluit, artikel 11.11) In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36, lid 3 en 4 Omgevingswet) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke uitkomsten: - Het is uitgesloten dat er aanzienlijke milieueffecten voor het milieu optreden; er is geen plan-mer nodig en er wordt geen milieueffectrapport (MER) gemaakt. Dat aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten moet in het besluit worden gemotiveerd. - Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten; in dit geval moet er een plan-mer worden doorlopen en een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. De plan-mer-beoordeling moet worden opgesteld met in achtneming van de criteria uit Bijlage II van de smb-richtlijn (Afdeling 16.4, artikel 16.36, lid 5 Ow). Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met: - De kenmerken van het plan, waaronder de ligging, aard, omvang en gebruiksvoorwaarden. - De kenmerken van de effecten van de gebieden die kunnen worden beïnvloed. Hierbij wordt onder andere gelet op de waarschijnlijkheid, duur, frequentie en omkeerbaarheid van effecten. Risico's voor de menselijke gezondheid en het milieu worden meegenomen. Daarnaast wordt ook de cumulatie van effecten beoordeeld.

Het omgevingsplan is kaderstellend voor een project dat genoemd wordt in Bijlage V van het Omgevingsbesluit: categorie J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'. Omdat het een kaderstellend omgevingsplan betreft is het omgevingsplan 'plan-mer-beoordelingsplichtig'.

Beoordeling 61

De milieuthema’s zijn getoetst in voorgaande paragrafen. Voor alle milieuthema’s geldt dat er in de beoogde situatie geen sprake is van ‘significant effect’ welke noodzaken tot het opstellen van een plan-m.e.r.

62

6. Toelichting op de regels 6.1.

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-IMRO Omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-IMRO omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Met het TAM-IMRO omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Gestelstraat 2 Helvoirt’ wordt de omzetting van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning en de realisatie van 2 ruimte-voor-ruimtekavels mogelijk gemaakt. Deze wijziging op het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Vught is technisch opgesteld conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar is inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.

6.2.

Opzet regels

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. Toepassing TAM-IMRO De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025.

Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Werkingsgebied De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie hoek Molenstraat / Gestelstraat Helvoirt, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0865.bgTAMGestelstraat2 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In 63

hoofdstuk 1 van deze ruimtelijke motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen. Preambule In de preambule is opgenomen dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen. Inleidende bepalingen Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit: artikel 1.1 Begripsbepalingen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. artikel 1.2 Toepassingsbereik: Dit artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het Omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan. artikel 1.3 Meet- en rekenbepalingen: Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. artikel 1.4 Aanvraagvereisten: In dit artikel is aangegeven dat de aanvraagvereisten uit artikel 22.5.2 van het omgevingsplan van rechtswege ook van toepassing zijn verklaard op omgevingsvergunningaanvragen vereist op basis van het TAM-IMRO omgevingsplan.

artikel 1.5 Algemeen gebruiksverbod: Dit artikel geeft aan dat gebruik zoals niet omschreven in de regels van dit hoofdstuk, als strijdig wordt aangemerkt. Functies en activiteiten In Hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan. Ook zijn regels gesteld met het oog op de bescherming (behoud in situ) en veiligstelling (behoud ex situ) van de op of in deze gronden voorkomende archeologische waarden. Algemene bepalingen Hoofdstuk 3 bevat de algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Antidubbeltelbepalingen: Algemene bouwbepalingen: dit artikel bevat algemene bouwregels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en overkappingen, voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van wegen en openbare nutsvoorzieningen. Daarnaast zijn regels gesteld ten aanzien van de verplichting voor het realiseren van voldoende parkeergelegenheid in het kader van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Algemene gebruiksbepalingen: in dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze regels gaan uit van het principe dat gebruik uitsluitend is toegestaan in overeenstemming de ter plekke toegestane functies.

Dit artikel bevat algemeen geldende bepalingen ten aanzien van strijdig en toegestaan gebruik volgens de in het omgevingsplan toegekende functies. Functies Het plangebied kent de volgende functies: Agrarisch 64

Dit betreft het deel van het perceel Gestelstraat dat nu nog een bouwvlak heeft en overgedragen zal worden aan de veehouder Molenstraat 20. Op de functie agrarisch is de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – beperkingen gewasbeschermingsmiddelen’ opgenomen in een strook van 50 meter rond de woonbestemmingen om hiermee de woonbestemmingen te beschermen. Binnen deze functie geldt ook de aanduiding evenemententerrein. De regeling is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan. Wonen - 2 De voormalige agrarische bedrijfswoning en de ruimte voor ruimte kavels krijgen de functie Wonen2. Middels een voorwaardelijke verplichting in de regels is de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing geborgd. Hiervoor is een termijn van 2 jaren aangehouden omdat er bij de sloop van de agrarische opstallen rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van zwaluwen. De sloop dient buiten het broedseizoen plaats te vinden. Tevens is bepaald dat er landschapsplan uitgevoerd dient te worden en in stand gehouden dient te worden. Hiervoor is een termijn aangehouden van 1 jaar na verlening van de omgevingsvergunning voor de bouw van de laatste ruimte-voor-ruimte woning, omdat de landschappelijke inpassing pas kan plaatsvinden nadat de bouwwerkzaamheden zijn afgerond. Binnen de ruimte-voor-ruimte kavels zijn 2 vrijstaande woningen toegestaan.

Via een omgevingsvergunning kunnen per kavel 2 twee-onder-een kappers gebouwd worden. Aangetoond dient te worden dat dit geluidstechnisch aanvaardbaar is. Aan de bouw is een beeldkwaliteitsplan verbonden. Bos De bestaande houtwal heeft de functie Bos gekregen. Deze regeling is gelijk aan de bestemming uit het huidige bestemmingsplan. Groen Een strook van 5 meter langs de woonkavels heeft de functie Groen gekregen. Dit geldt ook voor een deel van het voormalige agrarische bouwvlak Door opname van deze strook wordt voorkomen dat in deze strook gebouwd wordt. In deze strook vindt ook de landschappelijke inpassing plaats. Verkeer-verblijf De gronden voor de ontsluiting van de ruimte-voor-ruimtekavels hebben de functie verkeer-verblijf gekregen. Hierbinnen is het parkeren voor de woningen geregeld, inclusief de mogelijkheid voor de realisering van een carport. Waarde – Archeologie 3, 4 en 5 De gebieden met een hoge en middelhoge archeologische verwachtingswaarde volgens de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart krijgen een ‘Waarde-archeologie 3’ resp. ‘Waardearcheologie 4’ of ‘Waarde – Archeologie 5’. De aanvrager van een reguliere omgevingsvergunning voor het oprichten van één bouwwerk of meerdere bouwwerken van tezamen groter dan 50 resp.

100 m² en met een bodemverstoring dieper dan 0,5 m onder maaiveld, dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft, in voldoende mate is vastgesteld. Aan deze functie is een omgevingsvergunningenstelsel gekoppeld, waarmee een aanlegvergunning vereist is voor enkele werken en werkzaamheden in de bodem dieper dan 50 cm beneden maaiveld. Indien op het betreffende perceel archeologisch onderzoek is uitgevoerd en er is niets aangetroffen zal de dubbelbestemming geheel of gedeeltelijk van het perceel kunnen worden verwijderd. Algemene regels 65

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel: Deze regel bepaalt dat er niet twee keer voor eenzelfde locatie een bouwplan kan worden ingediend. Algemene bouwregels: Deze gaat over ondergeschikte bouwdelen, over ondergrond bouwen en over parkeren. Algemene gebruiksregels: Hierin is aangegeven welke functies in ieder geval in strijd zijn met het omgevingsplan. Regels m.b.t. werken en werkzaamheden: In dit artikel zijn de regels ter bescherming van leidingen opgenomen. Overgangsregels Hoofdstuk 4 bevat de overgangsbepalingen. In de overgangsbepalingen is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit omgevingsplan.

7. Economische Uitvoerbaarheid Onder de Omgevingswet geldt dat een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk hoeft te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. In haar Omgevingsplan wordt door de gemeente aangegeven dat een functie op een bepaalde locatie kan komen, dat minder verstrekkend is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is ('niet evident onuitvoerbaar'). Pas als zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het Omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd. Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde. Als sprake van een ontwikkeling die op eigendomsgronden van de overheid is gelegen, dan is het uitgangspunt van de overheid om middels het sluiten van een anterieure overeenkomst het kostenverhaal te verzekeren. Dit is mogelijk op grond van artikel 13.13 Ow.

Indien de onderhandelingen over deze overeenkomst succesvol zijn, kan overgegaan worden tot het wijzigen van het Omgevingsplan en vinden betalingen plaats op grond van de gemaakte afspraken. In onderhavig geval zijn de gronden in het bezit van initiatiefnemer. Tussen gemeente Vught en initiatiefnemer is inmiddels een anterieure overeenkomst gesloten om het kostenverhaal te verzekeren en de financiële uitvoerbaarheid van het plan te borgen.

66

8. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.1.

Vooroverleg

M.b.t. dit initiatief is overleg geweest met de Provincie. In dit overleg is bepaald dat de plaats voor de ruimte voor ruimte kavels aan de Molenstraat diende te komen. Op 22 juli 2022 heeft de provincie aangegeven niet in te stemmen met de oorspronkelijke plek van de 4 ruimte voor ruimte woningen aan de Gestelstraat. Men achtte dat ter plaatse van de Gestelstraat geen sprake was van een bebouwingsconcentratie. Naar aanleiding van deze vooroverlegreactie heeft opnieuw overleg plaatsgevonden met de provincie. De provincie heeft ingestemd met 2 ruimte voor ruimte kavels aan de Molenstraat (met de mogelijkheid voor de bouw van maximaal 4 woningen). Dit bestemmingplan komt aan de wens van de provincie tegemoet. Het plan is ook voorgelegd aan het Waterschap. Deze heeft ingestemd met het aanvankelijke plan. Zie ook paragraaf 4.3.

8.2.

Participatie

Met voorliggend TAM-Omgevingsplan vindt de wijziging van het tijdelijke omgevingsplan van gemeente Vught plaats. In dat kader moet in het vaststellingsbesluit staan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding betrokken zijn. En ook wat met de resultaten van de participatie is gedaan. Dit staat in artikel 10.2, lid 2 van het Omgevingsbesluit. Wie bij de vroegtijdige participatie betrokken moet worden, hangt af van het type omgevingsplanwijziging, de aard, de omvang en de invloed op de fysieke leefomgeving voor belanghebbenden. De verplichting om een wijziging van het omgevingsplan voor te bereiden met participatie geldt voor het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag kan met de initiatiefnemer afspreken dat deze zorg draagt voor de uitvoering van de participatie. In dat kader is tussen de gemeente en de initiatiefnemer afgesproken dat hij als initiatiefnemer zorgdragen voor de participatie in de vorm van een omgevingsdialoog. Het plan is in overleg met de naaste buurman tot stand gekomen. Ook met de andere buren is het plan besproken. Op 24 augustus 2020 is een informatieavond gehouden met de omwonenden. De buren vinden de carrousel een goede zaak. Ze plaatsen kanttekeningen waarom de woningen aan het begin van de Gestelstraat moeten komen.

Afgesproken is dat de initiatiefnemer met de gemeente overlegt of een andere locatie, richting de Antwerpse Baan, voor de gemeente bespreekbaar is. Uit overleggen met de gemeente, die daarna hebben plaatsgevonden, is gebleken dat de gemeente en de provincie de kavels aan de Molenstraat willen. De initiatiefnemer is begin november 2023 opnieuw in overleg gegaan met de buren en heeft hen geïnformeerd over het nieuwe plan (2 ruimte voor ruimte kavels/titels met mogelijk maximaal 4 woningen aan de Molenstraat) en de voorgeschiedenis. De meeste omwonenden stemmen in met het plan. Naar aanleiding van de opmerking van 1 omwonende is het landschapsplan aangepast zodat er aan de zuidzijde van het plan een haag geplant wordt (aan de zijde van de woning van betrokkene). Een andere omwonende heeft aangegeven te wensen dat de woningen meer richting het zuiden opschuiven. Gelet op de eis van gemeente en provincie om de bebouwing te concentreren en, zoals in de visie op wonen in het buitengebied is aangegeven, het noordelijk deel van de Molenstraat compacter te laten zijn dan zuidelijker en omdat de openheid vanaf de Molenstraat naar het landschap van belang is, kan aan dit verzoek geen medewerking verleend worden. Daarnaast zit er veel ruimte tussen de eerste nieuwe woning en de woning van de omwonende.

Tot de woning van de omwonende wordt afstand gecreëerd door de maat van het profiel van de Gestelstraat en de 67

maat van de bosstrook. Tevens wordt het zicht afgeschermd door de bosschages van de brede bosstrook. Nadat op verzoek van de gemeente de verkaveling opnieuw is aangepast heeft de initiatiefnemers in augustus / september 2024 de omwonenden opnieuw geïnformeerd over de laatste verkaveling door middel van een brief en incidenteel individuele contacten. Het verslag van de informatieavond en de laatste brief is als bijlage bijgevoegd.

8.3.

Procedure

Op de voorbereiding van een besluit tot wijziging van (een tijdelijk deel van) een Omgevingsplan is ingevolge artikel 16.30 Omgevingswet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 Awb van toepassing. De te doorlopen procedure ziet er grofweg als volgt uit. 1. Voorbereiding: de gemeente geeft op de daartoe voorgeschreven wijze kennis van het voornemen om het Omgevingsplan te wijzigen en geeft aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken. 2. Ontwerp: de gemeente geeft op de daartoe voorgeschreven wijze kennis van de terinzagelegging van het ontwerp-Omgevingsplan, zodat iedereen gedurende een termijn van 6 weken dat het ontwerp-Omgevingsplan ter inzage ligt een zienswijze (schriftelijk of mondeling) kan indienen. 3. Vaststelling: de gemeente stelt het (gewijzigde) Omgevingsplan vast en geeft daarbij aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken, wat de resultaten daarvan zijn en hoe invulling is gegeven aan het geldende participatiebeleid. Het besluit tot vaststelling van het gewijzigde Omgevingsplan wordt op de daartoe voorschreven wijze bekendgemaakt, en tegelijkertijd wordt kennisgegeven van de terinzagelegging dit besluit. 4.

Inwerkingtreding: het gewijzigde Omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit op de daartoe voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt. 5. Beroep: tegen het besluit tot wijzigen van het Omgevingsplan staat beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zienswijzen Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft ter inzage gelegen van 13 februari 2025 tot en met 26 maart 2025. Gedurende de inzagetermijn is 1 zienswijze ingediend tegen het ontwerp TAM-omgevingsplan. De zienswijze is ingediend door het Waterschap De Dommel. Naar aanleiding van de zienswijze van het Waterschap is artikel 11.8.2 lid 2 van de planregels aangepast. Nu is opgenomen dat de capaciteit van de waterberging dient te voldoen aan de regels van de gemeente en het waterschap zoals die luiden op het moment van vergunningaanvraag. De aanvraag zal worden getoetst aan de op dat moment geldende gemeentelijke waterafvoerverordening en aan de Waterschapsverordening. Daarnaast is in de toelichting de term Keur vervangen door Waterschapsverordening en is een verschrijving in de berekening van de benodigde capaciteit van de waterberging hersteld. Ambtshalve zijn ook enkele wijzigingen doorgevoerd.

Verwijzingen gebiedsaanduidingen In de digitale versie van het ontwerp TAM-omgevingsplan zaten foutieve verwijzingen, met betrekking tot de gebiedsaanduidingen “overige zone – enkeerdgronden” en “overige zone – 69 68

spuitzone”, naar artikel 19 van de planregels. Dit is hersteld door het opnemen van een regeling voor alle in het plan voorkomende gebiedsaanduidingen in artikel 15 van de planregels. Vanwege de toevoeging van deze regeling zijn de daaropvolgende artikelen hernummerd. Paragraaf 5.6 Omgevingsveiligheid De paragraaf Omgevingsveiligheid is aanpast aan de terminologie van de Omgevingswet.

69

Bijlagen 1. Landschappelijke inpassingsplan 2. Flora- Fauna onderzoek 3. Berekening stikstof depositie 4. Bodemonderzoek 5. Akoestisch onderzoek 6. Archeologisch onderzoek 7. Reactie Waterschap d.d. 27 maart 2020 8. Verslag omgevingsdialoog 9. Rekenmodule maatwerk 10. Certificaat maatwerktitel

70

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=84879169-6b9d-4a62-9617-d3a2458c288b