Bijlage - Bijlagen bij toelichting
Tekst van het document
Tussen 1900 en 1925 wordt het plangebied in gebruik genomen als bouwland (figuur 6). Tussen 1955 en 1980 verschijnt de eerste bebouwing in het noordwesten van het plangebied (figuur 7). Tussen 1980 en 2015 breid deze bebouwing zich iets uit en wordt een bos in het zuiden van het plangebied aangelegd (figuur 8). Volgens www.edugis.nl stamt de huidige bebouwing in het plangebied uit 2003. De gracht lijkt tot op heden aanwezig te zijn. Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant (CHW) zijn binnen het plangebied geen rijksmonumenten en geen gemeentelijke monumenten aanwezig. Binnen het plangebied worden dus geen bovengrondse bouwhistorische waarden verwacht. Huidig gebruik en bodemverstoringen In het noordwesten van het plangebied staat bebouwing. Rondom de bebouwing is verharding in de vorm van asfalt en klinkers aanwezig. Ten oosten hiervan is een depot aanwezig. Het overige deel van het plangebied is in gebruik als grasland met bomen. Binnen het plangebied zijn de volgende bodemverstoringen bekend dan wel te verwachten: • Met het uitgraven van de bouwputten van de huidige bebouwing is de bodem plaatselijk afgegraven. Tot op welke diepte dit is gebeurt is niet bekend omdat geen bouwtekeningen voorhanden zijn. Ook is niet bekend in welke mate de bodem is verstoord door het aanwezige depot.
• Volgens de Ontgrondingenkaart van de Provincie Noord-Brabant (2005) is het plangebied niet ontgrond. Volgens het BodemloketTM heeft binnen het plangebied geen milieukundig onderzoek plaatsgevonden. Er hebben dus nog geen saneringen plaatsgevonden die het archeologische niveau mogelijk al hebben aangetast.
15
•
Op basis van het AHN zijn geen duidelijke aanwijzingen voor afgravingen binnen het plangebied. Het noordoosten van het plangebied ligt wel hoger, maar het is onbekend of deze hoogteverschillen door het depot veroorzaakt worden of door daadwerkelijke verschillen in maaiveldhoogte (bijlage 6). Indien de hoogte door het depot veroorzaakt is, zou het noordoosten van het plangebied ten opzichte van het noordwesten iets kunnen zijn afgegraven.
Figuur 2. Het plangebied (rood omlijnd) op een Tiendkaart van Vught uit 1772-1773. Bron: www.BHIC.nl
16
Figuur 3. Het plangebied (rood omlijnd) op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832. Bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl.
Figuur 4. Het plangebied (rood omlijnd) op een historische kaart uit 1866. Bron: topotijdreis.nl.
17
Figuur 5. Het plangebied (rood omlijnd) op een historische kaart uit 1900. Bron: topotijdreis.nl.
Figuur 6. Het plangebied (rood omlijnd) op een historische kaart uit 1925. Bron: topotijdreis.nl.
18
Figuur 7. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1980. Bron: topotijdreis.nl.
Figuur 8. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 2015. Bron: topotijdreis.nl.
19
9. Gespecificeerde archeologische verwachting Kans op archeologische waarden
Hoog
Periode
Laat-Paleolithicum-Late-Middeleeuwen
Complextypen Stratigrafische positie
Kampementen, nederzettingen, grafvelden, sporen van landgebruik In de top van het dekzand
Diepteligging
Waarschijnlijk vanaf 50 cm -Mv
Archeologische verwachting De archeologische verwachting binnen het plangebied hangt af van de geomorfologie en de aanwezigheid van cultuurhistorische elementen. De geomorfologie bepaalt namelijk hoe aantrekkelijk een locatie voor bewoning was. Het plangebied ligt in vermoedelijk op een dekzandrug, waarmee het een aantrekkelijke vestigingsplaats vormt voor (pre-)historische samenlevingen. Hierdoor heeft het plangebied in principe een hoge archeologische verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum-LateMiddeleeuwen, voor zover de bodem intact is. In de omgeving van het plangebied zijn tot nu toe vondsten uit de Romeinse Tijd, Late-Middeleeuwen en Nieuwe Tijd bekend. Verder van het plangebied af zijn op dekzandruggen ook vondsten uit oudere periodes bekend. Tevens zijn binnen het plangebied grachten bekend die behoren tot de buitenplaats Voorburg. Binnen het plangebied wordt geen bebouwing behorende tot het landgoed verwacht. Er is dus geen specifieke hoge verwachting op sporen van bewoning uit de Nieuwe Tijd, maar wel op sporen van landgebruik uit de Nieuwe Tijd. Stratigrafische positie Het archeologisch relevante niveau is de top van het dekzand. Op de bodemkaart is het plangebied niet gekarteerd. In de omgeving van het plangebied zijn enkeerdgronden aangetroffen met al dan niet een podzolbodem eronder. Waarschijnlijk zijn deze dus ook in het plangebied aanwezig.
Indien enkeerdgronden aanwezig zijn, worden archeologische vondsten en/of sporen onder het eerddek verwacht. Dit archeologische niveau kan vanaf 50 cm –Mv aanwezig zijn, maar kan ook iets dieper liggen. In de omgeving van het plangebied is het eerddek immers plaatselijk 70 cm dik en soms ook nog afgedekt door recent ophoogmateriaal, waardoor het archeologische niveau nog dieper komt te liggen. Eventuele vondsten en/of sporen vanaf de Late-Middeleeuwen (de aanleg van het eerddek) kunnen ook in het eerddek aanwezig zijn. Complextypen en aanwezigheid De archeologische vondsten en sporen die verwacht worden zijn gerelateerd aan kampementen (LaatPaleolithicum-Mesolithicum), nederzettingen (Neolithicum-Middeleeuwen), grafvelden en sporen van landgebruik (Nieuwe Tijd): • Archeologische vondsten uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum worden verwacht in de vorm van kampementen, die zich kenmerken door een concentratie van vuursteen en houtskool en grondsporen in de vorm van haardkuilen. Deze vondsten worden verwacht in de top van het dekzand. Wanneer de verwachte podzolbodem onder het eerddek is afgetopt (de B-horizonten zijn verdwenen) kan de trefkans voor deze periode worden bijgesteld naar laag. Diepere grondsporen uit deze periode worden immers niet verwacht. Dit kan zo zijn wanneer de Bhorizont is opgenomen in het eerddek, maar ook door vergravingen van andere aard.
• Archeologische vondsten uit de periode Neolithicum-Late-Middeleeuwen worden vooral verwacht in de vorm van huisplaatsen, die zich kenmerken door een concentratie van vuursteen (Neolithicum) en/of aardewerk, en huttenleem en grondsporen zoals paalgaten, afvalkuilen, 20
•
•
greppels en waterputten. Ook deze archeologische vondsten worden verwacht in de top van het dekzand. Wanneer de oorspronkelijke podzolbodem is afgetopt (al dan niet opgenomen in het eerddek), is een eventueel vondstenniveau al verdwenen en worden alleen nog grondsporen uit deze periode verwacht. Sporen van begraving kunnen zowel in de vorm van inhumaties als crematies worden aangetroffen en kenmerken zich zowel door grondsporen (kringgreppels, grafkuilen) als door vondstmateriaal (grafcontainers, grafgiften, gecalcineerd bot), afhankelijk van de periode. Sporen van nederzettingen uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe Tijd worden op basis van historisch kaartmateriaal niet in het plangebied verwacht. Wel worden sporen van landgebruik verwacht, waaronder de gracht van de buitenplaats uit de Nieuwe Tijd. Mogelijk zijn ook nog akkerlagen en sporen van nijverheid in het plangebied aanwezig.
Of nog archeologische vondsten en/of sporen aanwezig kunnen zijn hangt af van de mate van intactheid van de bodem. Ter plaatse van de bebouwing is het bodemarchief plaatselijk aangetast maar tot welke diepte is niet bekend. Om de mate van intactheid van de bodem in het plangebied nader te bepalen is een verkennend booronderzoek uitgevoerd (hoofdstuk 10).
21
10. Resultaten veldonderzoek Onderzoekstrategie
Verkennend booronderzoek
Aantal boringen
10
Type boor
Edelmanboor
Boordiameter
7 cm
Maximale boordiepte
200 cm -Mv
Werkwijze Het doel van het veldonderzoek is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting in het plangebied, zoals deze is opgesteld in Hoofdstuk 9. Hiertoe is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De boringen zijn gebruikt om de mate van intactheid van de bodem te bepalen, inzicht te krijgen in de bodemopbouw en de exacte landschappelijke ligging van het plangebied. In totaal zijn in het plangebied 10 boringen gezet (boring 1-7). De boringen zijn handmatig gezet met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. Zo is geboord tot een diepte van maximaal 200 cm -Mv. De opgeboorde monsters zijn handmatig verbrokkeld, versneden en doorzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren (zoals bot, aardewerk, baksteen, bewerkt vuursteen en houtskool). De boringen zijn gefotografeerd, waarna ze zijn beschreven volgens de NEN5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008). Deze foto’s en beschrijvingen zijn terug te vinden in bijlage 11 en 12. De boringen zijn zo gelijkmatig mogelijk verdeeld in het plangebied. De ligging van de boringen is opgenomen in bijlage 9. De hoogteligging ten opzichte van NAP van de boorpunten is afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN; bijlage 5).
Veldwaarnemingen Ten tijde van het veldonderzoek is het plangebied in gebruik als depot, waarbij een deel van het terrein bebouwd en bestraat is. Verspreid liggen enkele grondhopen in het terrein en het is verder met hekwerk afgezet. Het overgrote deel van het plangebied is echter met bomen begroeid en in gebruik als grasland. Rondom het terrein ligt een sloot. Aan het maaiveld zijn in het plangebied geen verschillen in hoogteligging waargenomen op grond waarvan uitspraken over de geomorfologische of archeologische ondergrond in het plangebied te doen zijn. Enkele foto’s van het plangebied zijn weergegeven in figuur 9.
22
Figuur 9: Enkele foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek
Lithologie en bodemopbouw Onder in de boringen is vanaf een diepte van 90 tot 130 cm geelgrijs zeer fijn tot matig fijn zand aangetroffen. Het zand is goed tot matig gesorteerd en bevat soms enkele kleine grindjes. Het is tevens kalkloos. Zodoende is het sediment geïnterpreteerd als fluvio-eolische afzettingen (verspoeld dekzand), dat doorgaans in de lagere terreindelen van de Brabantse Dekzandlandschap wordt aangetroffen. In het oostelijk deel van het terrein valt een relatief sterke aanrijking van ijzer op in de top van het dekzand. Dit is vermoedelijk het gevolg van inspoeling vanaf hogere delen uit de omgeving van het plangebied, die ter plaatse van het plangebied neerslaat in contact met bodemlucht (als gevolg van kwel). Op basis hiervan valt af te leiden dat het plangebied vermoedelijk laag gelegen heeft met in de omgeving dekzandruggen. Andere sporen van bodemvorming (inspoelingshorizonten, uitspoelingshorizonten) zijn niet aangetroffen. Op het dekzand ligt een matig tot sterk humeus pakket zand dat in zijn geheel varieert in dikte tussen 90 en 130 cm. Het pakket is opgebouwd in twee delen. De basis van het pakket, dat ongeveer de onderste 30 cm van de laag omvat, bestaat uit een donkergrijs gekleurd humeus zand, dat zich kenmerkt door roestvlekken en enkele baksteenresten. Ook zijn enkele plantenresten te zien.
Dit pakket is geïnterpreteerd als de humeuze bovengrond als onderdeel van een beekeerdgrond. De aanwezigheid van de roestvlekken wijst op een natte ontstaanswijze c.q. omstandigheden van de laag, waarbij de baksteenresten getuigen van subrecente omwerking van de laag. De humeuze laag is niet overal aanwezig, vermoedelijk als gevolg van lokaal diepere omwerkingen in het gebied (boringen 1, 2 en 5). De top van dit pakket bestaat uit een pakket sterk humeus zand, dat donkerbruin van kleur is en zich kenmerkt door de aanwezigheid van baksteenbrokken. Vermoedelijk is dit pakket in zijn geheel opgebracht, ter ophoging van het terrein. Lokaal zijn brokken zand aanwezig en heeft het een vlekkerig uiterlijk. Dit pakket heeft een dikte dat varieert tussen circa 80 en 90 cm. Ook in dit pakket zijn ijzervlekken aanwezig, die getuigen van hoge grondwaterstanden (gley-verschijnselen). De top hiervan is later omgewerkt tot een diepte van 50 cm
23
-Mv. Hierbinnen zijn grote stukken baksteen aanwezig en is soms geel zand verwerkt, vermoedelijk ter verbetering van de stabiliteit van de grond. Boring 10 is in deze laag gestaakt in puin, hetgeen vermoedelijk deel uitmaakt van een stort of dump.
Archeologische indicatoren Tijdens het onderzoek zijn geen archeologische indicatoren waargenomen, die wijzen op de aanwezigheid van een vindplaats. De vondsten bestaan uitsluitend uit stukken subrecent baksteenpuin. Archeologische interpretatie Op basis van het veldonderzoek is vastgesteld dat het plangebied oorspronkelijk in een vlakte van verspoelde dekzanden lag. De lage ligging zorgde ervoor dat het gebied altijd nat is geweest. Dit blijkt uit de vondst van beekeerdgronden, waarbij roestvlekken tot in de humeuze bovengrond en zelfs daarboven nog reikten. Deze omstandigheden bieden hierdoor doorgaans geen bewoningsmogelijkheden voor (pre-)historische samenlevingen. In de omgeving waren daarbij betere plaatsen aanwezig, zoals de dekzandruggen ten oosten en noordwesten van het plangebied. Tevens is op verschillende plekken de humeuze bovengrond doorwoeld, getuige het voorkomen van baksteen. De top van het dekzand is hierbij aangetast, waardoor eventuele archeologische resten (uit met name de steentijden, toen het landschap relatief iets droger was) zullen zijn aangetast. Zodoende is voor wat betreft de periode Laat-Paleolithicum-Late Middeleeuwen een lage archeologische verwachting toegekend. Op het dekzand ligt een pakket ophogingsmateriaal. Dit dateert vermoedelijk op zijn vroegst in de 18e eeuw, toen het gebied als tuin is ingericht.
Historische bebouwing heeft hier niet gestaan, vanwaar voor wat betreft de Nieuwe tijd voor het voorkomen van nederzettingsresten een lage archeologische verwachting geldt. Wat betreft sporen van landgebruik is theoretisch gezien nog wel een kans aanwezig, maar het geraadpleegde kaartmateriaal laat niet specifieke tuininrichtingen zien die als relevant zijn aan te merken (zoals Franse of Engelse tuininrichtingen met paden, zoals bij sommige oudere landgoederen het geval was). Tevens is de top van de bodemopbouw in het gebied omgewerkt tot een diepte van 50 cm, waarbij eventueel aanwezige sporen van landgebruik ook zullen zijn aangetast. Daarom wordt voorgesteld ook de verwachting op resten van tuininrichting naar laag bij te stellen.
24
11. Beantwoording onderzoeksvragen 1.
Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Het plangebied bevindt zich in een vlakte van verspoelde dekzanden, waarin oorspronkelijk beekeerdgronden zijn ontstaan. Later heeft enige omwerking plaatsgevonden en is het gebied opgehoogd, vermoedelijk ten behoeve van de inrichting van de omgeving van het landgoed Voorburg.
2.
Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? De top van het dekzand bevindt zich op een diepte van 90 tot 130 cm -Mv. De top ervan is gedeeltelijk omgewerkt (getuige het voorkomen van baksteen) in de humeuze lagen erboven, het ontbreken van sporen van bodemvorming en de vlekkerigheid van de top van het zand. Daarbij zijn zowel in het dekzand als in de lagen erboven veel roestvlekken aanwezig, die duiden op hoge grondwaterstanden in het gebied. Zodoende is het dekzand hier niet als archeologisch relevant niveau (meer) aan te merken.
3.
In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? Het dekzand is binnen het plangebied niet als archeologisch relevant niveau aangemerkt.
4.
Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Op grond van onderhavig onderzoek is sprake van een lage archeologische verwachting op archeologische resten. Dit is gebaseerd op een geconstateerde natheid van het landschap en aantasting van het archeologisch bodemniveau, waardoor er geen archeologische resten in het plangebied te verwachten zijn in de periode Laat-Paleolithicum-Late Middeleeuwen. Historische bebouwing heeft hier ook niet gestaan, vanwaar voor wat betreft de Nieuwe tijd voor het voorkomen van nederzettingsresten ook een lage archeologische verwachting geldt. Wat betreft sporen van landgebruik is theoretisch gezien nog wel een kans aanwezig, maar het geraadpleegde kaartmateriaal laat niet specifieke tuininrichtingen zien die als relevant zijn aan te merken (zoals Franse of Engelse tuininrichtingen met paden, zoals bij sommige oudere landgoederen het geval was). Tevens is de top van de bodemopbouw in het gebied omgewerkt tot een diepte van 50 cm, waarbij eventueel aanwezige sporen van landgebruik ook zullen zijn aangetast. Daarom wordt voorgesteld ook de verwachting op resten van tuininrichting naar laag bij te stellen.
25
12. Conclusies en advies Conclusie Op basis van het veldonderzoek is vastgesteld dat het plangebied oorspronkelijk in een vlakte van verspoelde dekzanden lag. De lage ligging zorgde ervoor dat het gebied altijd nat is geweest. Dit blijkt uit de vondst van beekeerdgronden, waarbij roestvlekken tot in de humeuze bovengrond en zelfs daarboven nog reikten. Deze omstandigheden bieden hierdoor doorgaans geen bewoningsmogelijkheden voor (pre-)historische samenlevingen. In de omgeving waren daarbij betere plaatsen aanwezig, zoals de dekzandruggen ten oosten en noordwesten van het plangebied. Tevens is op verschillende plekken de humeuze bovengrond doorwoeld, getuige het voorkomen van baksteen. De top van het dekzand is hierbij aangetast, waardoor eventuele archeologische resten (uit met name de steentijden, toen het landschap relatief iets droger was) zullen zijn aangetast. Zodoende is voor wat betreft de periode Laat-Paleolithicum-Late Middeleeuwen een lage archeologische verwachting toegekend. Op het dekzand ligt een pakket ophogingsmateriaal. Dit dateert vermoedelijk op zijn vroegst in de 18e eeuw, toen het gebied als tuin is ingericht. Historische bebouwing heeft hier niet gestaan, vanwaar voor wat betreft de Nieuwe tijd voor het voorkomen van nederzettingsresten een lage archeologische verwachting geldt.
Wat betreft sporen van landgebruik is theoretisch gezien nog wel een kans aanwezig, maar het geraadpleegde kaartmateriaal laat niet specifieke tuininrichtingen zien die als relevant zijn aan te merken (zoals Franse of Engelse tuininrichtingen met paden, zoals bij sommige oudere landgoederen het geval was). Tevens is de top van de bodemopbouw in het gebied omgewerkt tot een diepte van 50 cm, waarbij eventueel aanwezige sporen van landgebruik ook zullen zijn aangetast. Daarom wordt voorgesteld ook de verwachting op resten van tuininrichting naar laag bij te stellen. Advies Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is aan het plangebied een lage archeologische verwachting toegekend. Daarom zijn voor dit gebied geen vervolgmaatregelen geformuleerd. Mochten onverhoopt tijdens de uitvoering van de werkzaamheden toch waardevolle archeologische resten gevonden worden, geldt conform de Erfgoedwet 2016 (artikel 5.10 en 5.11) een wettelijke meldingsplicht van de resten bij de gemeente Vught (als bevoegde overheid). Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal het bevoegd gezag (de gemeente Vught) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.
26
13. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden • Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007. • Archeologisch Informatie Systeem (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2015. • www.ahn.nl • www.ruimtelijkeplannen.nl • www.planviewer.nl • www.topotijdreis.nl • www.bodemloket.nl • www.dinoloket.nl • www.edugis.nl • Beeldbank.cultureelerfgoed.nl • www.ikme.nl • https://bagviewer.kadaster.nl/lvbag/bagviewer/index.html#?searchQuery=vught%20laan%20va&resultOffset=0&objectId=086510000000 8301&geometry.x=149575.794&geometry.y=405769.001&zoomlevel=6&detailsObjectId=086501 0000010187 Literatuur Bakker, H., de/ J. Schelling, 1989. Systeem van bodemclassificatie voor Nederland. De hogere niveaus, Wageningen. Berendsen, H.J.A., 2005. Landschappelijk Nederland, Assen. Boer, E.A.M., de., 2012. Vught, plangebied Voorburg, archeologisch bureauonderzoek. BAAC-rapport V-11.0238 Hessing, W.A.M./ K. Klerks/ R.J.J. Quak/M. Simons, 2011. Archeologische verwachtingskaart voor de gemeenten Haaren, Heusden, Loon op Zand en Vught. Vestigia-rapportnummer V834. Holl., J., 2011. Langs de A2 tussen Vught en Best (gemeenten Vught en Boxtel). Een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend en deels karterend booronderzoek. ADC rapport 2722. Mulder, E.F.J. de/ M.C. Geluk/ I.L. Ritsema/ W.E.
Westerhof/ T.E. Wong. De ondergrond van Nederland. Houten, 2003. Roggen, R.E.E., 2015. Plangebied zendmast boxtelseweg in Vught, gemeente Vught, archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek. RAAP-notitie 5146. Smit.,L., 2006. Vught. De Groense Hoeven, bureauonderzoek en archeologisch inventariserend veldonderzoek. BAAC-rapport 06.183. Stiboka, 1969. Bodemkaart van Nederland, schaal 1: 50000, Toelichting bij Kaartblad 45 West, 's Hertogenbosch. Wageningen. Stouthamer, E./ K.M. Cohen/ W.Z. Hoek. De vorming van het Land. Utrecht: Perspectief Uitgevers, 2015. Vos, P.C., 2015. Compilation of the Holocene paleogeographical maps of the Netherlands, in P.C. Vos (ed.), The origin of the Dutch coastal landscape, Groningen, 50-81. 27
Vos, P.C./S. de Vries, 2015. 2e generatie paleogeografische kaarten van Nederland (versie 2.0). sd, www.archeologieinnederland.nl (11-30-2015).
28
Archeologische periode-indeling voor Nederland Periode
Deel-/subperiode
Recent
Van
Tot
1945 na Chr.
2050 na Chr.
Nieuwe Tijd
Late-Nieuwe tijd Midden-Nieuwe tijd Vroege-Nieuwe tijd
1850 na Chr. 1650 na Chr. 1500 na Chr.
1945 na Chr. 1850 na Chr. 1650 na Chr.
Middeleeuwen
Late-Middeleeuwen B Late-Middeleeuwen A Vroege-Middeleeuwen D Vroege-Middeleeuwen C Vroege-Middeleeuwen B Vroege-Middeleeuwen A
1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr. 450 na Chr.
1500 na Chr. 1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr.
Romeinse Tijd
Laat-Romeinse tijd B Laat-Romeinse tijd A Midden-Romeinse tijd B Midden-Romeinse tijd A Vroeg-Romeinse tijd B Vroeg-Romeinse tijd A
350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr. 12 voor Chr.
450 na Chr. 350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr.
IJzertijd
Late-IJzertijd Midden-IJzertijd Vroege-IJzertijd
250 voor Chr. 500 voor Chr. 800 voor Chr.
12 voor Chr. 250 voor Chr. 500 voor Chr.
Bronstijd
Late-Bronstijd Midden-Bronstijd B Midden-Bronstijd A Vroege-Bronstijd
1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr. 2000 voor Chr.
800 voor Chr. 1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr.
Neolithicum
Laat-Neolithicum B Laat-Neolithicum A Midden-Neolithicum B Midden-Neolithicum A Vroeg-Neolithicum B Vroeg-Neolithicum A
2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr. 5300 voor Chr.
2000 voor Chr. 2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr.
Mesolithicum
Laat-Mesolithicum Midden-Mesolithicum Vroeg-Mesolithicum
6450 voor Chr. 7100 voor Chr. 8800 voor Chr.
4900 voor Chr. 6450 voor Chr. 7100 voor Chr.
Paleolithicum
Laat-Paleolithicum B Laat-Paleolithicum A Midden-Paleolithicum Vroeg-Paleolithicum
18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP -
8.800 voor Chr. 18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP
29
Situatie
30
Voorgenomen werkzaamheden Het bouwvlak is weergeven met BV, WA staat voor water. Deze overlappen elkaar deels (stipellijn). Bron: Agel.
31
Geomorfologie
32
Maaiveldhoogte
33
Maaiveldhoogte detail
34
Bodem
35
Beleidskaart van de omgevingsdienst
36
37
Archeologische waarden en onderzoeken
38
Boorpuntenkaart
39
Foto’s van enkele boringen
Foto van boring 1
Foto van boring 6
40
Boorbeschrijvingen
41
boring: 17177-1 beschrijver: LAVS, datum: 4-4-2018, X: 149.575,80, Y: 405.728,55, precisie locatie: 1 dm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 45C, hoogte: 5,10, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Vught, plaatsnaam: Vught, opdrachtgever: AGEL Adviseurs b.v., uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 5,10 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, matig humeus, bruin, matig fijn, veel wortelresten, kalkloos
5 cm -Mv / 5,05 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, sterk humeus, donkerbruin, matig fijn, weinig wortelresten, kalkloos
30 cm -Mv / 4,80 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, sterk humeus, donkerbruin, matig fijn, kalkloos
52 cm -Mv / 4,58 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, geel, matig fijn, kalkloos
57 cm -Mv / 4,53 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, bruin, matig fijn, kalkloos
125 cm -Mv / 3,85 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgeel, zeer fijn, kalkloos
Einde boring op 170 cm -Mv / 3,40 m +NAP
boring: 17177-2 beschrijver: LAVS, datum: 4-4-2018, X: 149.571,20, Y: 405.676,73, precisie locatie: 1 dm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 45C, hoogte: 5,00, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Vught, plaatsnaam: Vught, opdrachtgever: AGEL Adviseurs b.v., uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 5,00 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, geelbruin, zeer fijn, weinig wortelresten, kalkloos
10 cm -Mv / 4,90 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, geel, zeer fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
25 cm -Mv / 4,75 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: diffuus (3-10 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, matig humeus, lichtbruin, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
45 cm -Mv / 4,55 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgeel, zeer fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
55 cm -Mv / 4,45 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, sterk humeus, donkergrijsbruin, matig grof, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken Archeologie: fragmenten bouwpuin (onbepaald) Opmerking: grind2, baksteen2 (r)
75 cm -Mv / 4,25 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, sterk humeus, donkerbruin, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
90 cm -Mv / 4,10 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, bruingeel, zeer fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
145 cm -Mv / 3,55 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, lichtbruingeel, zeer fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
Einde boring op 170 cm -Mv / 3,30 m +NAP
1
boring: 17177-3 beschrijver: LAVS, datum: 4-4-2018, X: 149.613,81, Y: 405.653,73, precisie locatie: 1 dm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 45C, hoogte: 5,20, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Vught, plaatsnaam: Vught, opdrachtgever: AGEL Adviseurs b.v., uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 5,20 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, sterk humeus, bruin, zeer fijn, veel wortelresten, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
5 cm -Mv / 5,15 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, grijsgeel, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
10 cm -Mv / 5,10 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, geelbruin, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
45 cm -Mv / 4,75 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, donkerbruin, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
120 cm -Mv / 4,00 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, sterk humeus, donkerbruinzwart, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
135 cm -Mv / 3,85 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, geel, zeer fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
Einde boring op 200 cm -Mv / 3,20 m +NAP
boring: 17177-4 beschrijver: LAVS, datum: 4-4-2018, X: 149.613,81, Y: 405.705,79, precisie locatie: 1 dm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 45C, hoogte: 5,20, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Vught, plaatsnaam: Vught, opdrachtgever: AGEL Adviseurs b.v., uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 5,20 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, sterk humeus, donkerbruin, matig fijn, veel wortelresten, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
5 cm -Mv / 5,15 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, matig humeus, donkerbruin, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken Archeologie: enkel fragment bouwpuin (onbepaald) Opmerking: baksteen1 (r )
65 cm -Mv / 4,55 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, sterk humeus, donkerbruinzwart, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken Archeologie: fragmenten bouwpuin (onbepaald) Opmerking: baksteen2 (r ), puin2
85 cm -Mv / 4,35 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, donkerbruingeel, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
95 cm -Mv / 4,25 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, donkergeel, zeer fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
110 cm -Mv / 4,10 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgeel, zeer fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
Einde boring op 130 cm -Mv / 3,90 m +NAP
2
boring: 17177-5 beschrijver: LAVS, datum: 4-4-2018, X: 149.615,51, Y: 405.755,67, precisie locatie: 1 dm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 45C, hoogte: 5,30, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Vught, plaatsnaam: Vught, opdrachtgever: AGEL Adviseurs b.v., uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 5,30 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, sterk humeus, donkerbruin, matig fijn, veel wortelresten, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
15 cm -Mv / 5,15 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, donkergrijsbruin, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken Archeologie: enkel fragment bouwpuin (onbepaald) Opmerking: baksteenspikkels (r )
85 cm -Mv / 4,45 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, donkergeel, zeer fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
105 cm -Mv / 4,25 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgeel, zeer fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
Einde boring op 130 cm -Mv / 4,00 m +NAP
boring: 17177-6 beschrijver: LAVS, datum: 4-4-2018, X: 149.613,57, Y: 405.785,69, precisie locatie: 1 dm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 45C, hoogte: 5,10, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Vught, plaatsnaam: Vught, opdrachtgever: AGEL Adviseurs b.v., uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 5,10 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, sterk humeus, donkerbruin, matig fijn, veel wortelresten, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken Archeologie: enkel fragment bouwpuin (onbepaald) Opmerking: baksteenspikkels (r )
10 cm -Mv / 5,00 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, sterk humeus, donkergrijsbruin, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
90 cm -Mv / 4,20 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, grijsgeel, zeer fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken Opmerking: gevlekt
120 cm -Mv / 3,90 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, donkerbruin, zeer fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
130 cm -Mv / 3,80 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgeel, zeer fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken Opmerking: loopt uit boor / guts
Einde boring op 160 cm -Mv / 3,50 m +NAP
3
boring: 17177-7 beschrijver: LAVS, datum: 4-4-2018, X: 149.650,37, Y: 405.770,44, precisie locatie: 1 dm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 45C, hoogte: 5,40, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Vught, plaatsnaam: Vught, opdrachtgever: AGEL Adviseurs b.v., uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 5,40 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, matig humeus, donkerbruin, matig fijn, veel wortelresten, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken Archeologie: enkel fragment bouwpuin (onbepaald) Opmerking: baksteenspikkels (r )
20 cm -Mv / 5,20 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, geelbruin, zeer fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken Archeologie: enkel fragment bouwpuin (onbepaald) Opmerking: baksteenspikkels (r )
35 cm -Mv / 5,05 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, geel, zeer fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken Archeologie: enkel fragment bouwpuin (onbepaald) Opmerking: gevlekt, baksteenspikkels (r )
50 cm -Mv / 4,90 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, donkergeel, zeer fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken Opmerking: gevlekt
75 cm -Mv / 4,65 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, donkergrijsbruin, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
110 cm -Mv / 4,30 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, sterk humeus, donkergrijszwart, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
150 cm -Mv / 3,90 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, donkergeel, zeer fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
Einde boring op 180 cm -Mv / 3,60 m +NAP
boring: 17177-8 beschrijver: LAVS, datum: 4-4-2018, X: 149.651,10, Y: 405.729,27, precisie locatie: 1 dm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 45C, hoogte: 5,10, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Vught, plaatsnaam: Vught, opdrachtgever: AGEL Adviseurs b.v., uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 5,10 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, sterk humeus, donkerbruin, matig fijn, veel wortelresten, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
15 cm -Mv / 4,95 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, donkergeelbruin, zeer fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
55 cm -Mv / 4,55 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, sterk humeus, donkergrijsbruin, zeer fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
140 cm -Mv / 3,70 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, donkergeel, zeer fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken Opmerking: sleurt uit boor
Einde boring op 160 cm -Mv / 3,50 m +NAP
4
boring: 17177-9 beschrijver: LAVS, datum: 4-4-2018, X: 149.648,92, Y: 405.681,82, precisie locatie: 1 dm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 45C, hoogte: 5,20, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Vught, plaatsnaam: Vught, opdrachtgever: AGEL Adviseurs b.v., uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 5,20 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, sterk humeus, donkerbruin, matig fijn, veel wortelresten, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
10 cm -Mv / 5,10 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, bruin, zeer fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken Archeologie: enkel fragment bouwpuin (onbepaald) Opmerking: baksteenspikkels (r )
20 cm -Mv / 5,00 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, geel, zeer fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken Opmerking: bruin gevlekt
45 cm -Mv / 4,75 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, bruin, zeer fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
85 cm -Mv / 4,35 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, grijsbruin, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
120 cm -Mv / 4,00 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, donkerbruin, zeer fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
145 cm -Mv / 3,75 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, donkergrijsgeel, zeer fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken
Einde boring op 200 cm -Mv / 3,20 m +NAP
boring: 17177-10 beschrijver: LAVS, datum: 4-4-2018, X: 149.583,31, Y: 405.788,11, precisie locatie: 1 dm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 45C, hoogte: 5,30, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Vught, plaatsnaam: Vught, opdrachtgever: AGEL Adviseurs b.v., uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 5,30 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, sterk humeus, donkerbruin, matig fijn, veel wortelresten, kalkloos Opmerking: grind1
5 cm -Mv / 5,25 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, grijsgeel, matig fijn, kalkloos Opmerking: grind2
10 cm -Mv / 5,20 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak grindig, bruingeel, zeer fijn, kalkloos Archeologie: fragmenten bouwpuin (onbepaald) Opmerking: puinbrokken, grind1
15 cm -Mv / 5,15 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, sterk humeus, bruin, zeer fijn, kalkrijk Archeologie: veel fragmenten bouwpuin (onbepaald) Opmerking: geel gevlekt, grind3, puin3, baksteen3 (r ), gestaakt in puin.
Einde boring op 25 cm -Mv / 5,05 m +NAP
5
Vught Plangebied Zorgpark Voorburg
Auteur: E.A.M. de Boer A.G. Oldenmenger
Cultuurhistorisch onderzoek Status: concept BAAC Rapport V-20.0174
1
juni 2020
Zorgpark Voorburg
Archeologisch bureauonderzoek
Colofon ISSN: Auteur(s): Cartografie: Redactie: Copyright:
1873-9350 Mw. E.A.M. de Boer, MSc, MA Dhr. drs. Ing. A.G. Oldenmenger Mw. E.A.M. de Boer, MSc, MA Mw. drs. M. Kooi BAAC te ‘s-Hertogenbosch
© BAAC, ’s-Hertogenbosch (2020) BAAC aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
BAAC Onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie Graaf van Solmsweg 103 5222 BS ‘s-Hertogenbosch Tel.: (073) 61 36 219 E-mail: denbosch@baac.nl
1
Postbus 2015 7420 AA Deventer
Zorgpark Voorburg
Cultuurhistorisch bureauonderzoek
2
Inhoud
1
Inleiding 1.1 Onderzoekskader 1.2 Ligging van het gebied 1.3 Administratieve gegevens
5 5 7 7
2
Bureauonderzoek 2.1 Werkwijze 2.2 Landschappelijke ontwikkeling 2.3 Bewoningsgeschiedenis 2.3.1 Inleiding 2.3.2 Historie 2.3.3 Bekende cultuurhistorische waarden
9 9 9 11 11 12 33
3
Cultuurhistorische waarden
35
4
Conclusie en aanbevelingen
41
5
Geraadpleegde bronnen
43
Bijlagen
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4
3
47
Geologische en archeologische tijdvakken e Kadastrale kaart begin 19 eeuw Plattegrond Zorgpark Voorburg Cultuurhistorische waarden
Zorgpark Voorburg
Cultuurhistorisch bureauonderzoek
4
1
Inleiding
1.1 Onderzoekskader In opdracht van Vollmer & Partners heeft het onderzoeks- en adviesbureau BAAC een cultuurhistorische onderzoek uitgevoerd voor het plangebied Zorgpark Voorburg te Vught. De aanleiding van dit onderzoek is de wens van zorginstelling Stichting Reinier van Arkel om het terrein te herontwikkelen. Voor de zorgnieuwbouw is een kleiner terrein nodig dan nu het geval is, waardoor men van plan is delen van het terrein af te stoten. Deze zullen voor verschillende functies gebruikt worden, waaronder wonen en zorg. Momenteel wordt een ontwikkelvisie voor het gebied opgesteld. De visie biedt een integraal kader voor de transformatie van Voorburg.
Deze is gebaseerd op de volgende pijlers: het handhaven van de waardevolle bosschages, lanen en bomen als het groene casco van de locatie; benutten van de specifieke landschappelijke kwaliteiten van de locatie voor het realiseren van landschappelijk wonen en zorg; het realiseren van een ontspannen landschappelijke geleding tussen zorg en wonen; het aaneenrijgen van het padenstelsel tot een heldere samenhangende structuur van parkpaden die functies op het terrein met elkaar verbindt en de toegankelijkheid van buiten verbeterd; het realiseren van zorg en woningen op het zorgpark, zowel in bestaande bebouwing als in nieuwbouw; het renoveren en (deels) herbestemmen van bestaande monumentale en anderszins behoudenswaardige panden in combinatie met de realisatie van passende nieuwbouw.1 Primair doel van het onderzoek is om een globaal inzicht te krijgen in de cultuurhistorische waarden van het terrein, zodat eventuele knelpunten in een vroeg stadium bekend zijn. Het onderzoek heeft alleen betrekking op de historisch-geografische waarden. De archeologische en bouwhistorische waarden vallen buiten de scope van dit onderzoek. In 2011 is door BAAC al een archeologisch bureauonderzoek opgesteld.2
1
Schriftelijke mededeling dhr. T. Bullens (Vollmer & Partners stedebouw en landschap) 24 april 2020. 2 De Boer 2012.
5
Zorgpark Voorburg
Wat is cultuurhistorie? Wanneer men over cultuurhistorie spreekt, blijkt vaak dat veel onduidelijkheden bestaan over wat hieronder valt. Cultuurhistorie omvat drie vakgebieden; archeologie, bouwhistorie en historische geografie. Archeologie houdt zich voornamelijk bezig met het bodemarchief, waartoe zowel losse vondsten als grondsporen behoren. Tevens bestudeert de archeologie enkele bovengrondse verschijnselen uit de prehistorie en de middeleeuwen, zoals grafheuvels, hunebedden, schansen, dijken en landweren. Bouwhistorie betreft de studie van de bebouwde omgeving, zoals kerken, kastelen, bruggen, sluizen, maar ook tuinen en landgoederen. Historische geografie “bestudeert de ruimtelijke aspecten van menselijke activiteiten in het verleden… [en] de sporen die vroegere menselijke activiteiten in het landschap hebben achtergelaten”. Hieronder vallen niet alleen elementen en patronen zoals (water)wegen, dijken, verkavelingspatronen, nederzettingsstructuren, heggen, houtwallen en poelen, 3 maar ook het (historisch) bodemgebruik (akkers, heidevelden en dergelijke).
Afb. 1.1 Ligging van het plangebied.
3
Renes 1999.
Cultuurhistorisch bureauonderzoek
6
1.2 Ligging van het gebied Het plangebied ligt in het zuidelijke deel van de bebouwde kom van Vught in de gelijknamige gemeente (provincie Noord-Brabant). Het plangebied wordt gevormd door Zorgpark Voorburg en omgrensd door de Laagstraat in het noordwesten, de Boxtelseweg in het oosten, de Kettingweg in het zuiden en de spoorlijn en de Lagedwarsstraat in het westen. De oppervlakte bedraagt circa 82 ha. In afb. 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.
1.3 Administratieve gegevens Provincie: Gemeente: Plaats: Toponiem: Datum opdracht: Datum rapportage: BAAC-projectnummer: Coördinaten:
Kaartblad: Oppervlakte: Type onderzoek: Opdrachtgever: Beheer documentatie: Uitvoerder:
Projectleider:
7
Noord-Brabant Vught Vught Parklaan 5 27 mei 2020 29 juni 2020 V-20.0174 149.310/406.672 149.671/405.640 148.607/405.648 148.864/406.648 45C 82 ha Cultuurhistorisch onderzoek Vollmer & Partners Contactpersoon: dhr. T. Bullens archief BAAC BAAC bv, vestiging 's-Hertogenbosch Graaf van Solmsweg 103 5222 BS 's-Hertogenbosch tel. 073-6136219 Mw. E.A.M. de Boer
Zorgpark Voorburg
Cultuurhistorisch bureauonderzoek
8
2
Bureauonderzoek
2.1 Werkwijze Om de cultuurhistorische waarden in kaart te brengen is door een historisch geograaf (Enith de Boer) en bouwhistoricus (Geert Oldenmenger) een bureauonderzoek uitgevoerd, waarbij oude topografische en kadastrale kaarten en luchtfoto’s zijn geraadpleegd evenals bestaande literatuur. Een opsomming van de geraadpleegde literatuur en gebruikte kaarten is terug te vinden in de literatuurlijst. Het bureauonderzoek is aangevuld met een globale veldinspectie, waarbij de cultuurhistorische karakteristieken van het gebied bekeken en gefotografeerd zijn. In de hierna volgende paragrafen wordt de landschappelijke setting en de bewoningsgeschiedenis van het terrein beschreven.
2.2 Landschappelijke ontwikkeling Het plangebied ligt in het centrale dekzandlandschap in de Roerdalslenk.4 De Roerdalslenk, ook wel Centrale Slenk genoemd, is een tektonisch dalingsgebied dat door breuken, de Feldbiss/Breuk van Vessem en de Peelrandbreuk, wordt begrensd. Ten zuidwesten en noordoosten liggen de tektonische opheffingsgebieden (horsten) van respectievelijk het Kempisch Hoog en de Peelhorst. In het Vroeg-Pleistoceen en het begin van het Midden-Pleistoceen raakte de Roerdalslenk gevuld met overwegend grove zanden en grind (Formatie van Sterksel) aangevoerd door de Rijn en Maas. Door de tektonische opheffing en kanteling van de Peelhorst werden de grote rivieren in het Cromerien5 gedwongen hun loop naar het oosten te verplaatsen en kwam een einde aan de fluviatiele sedimentatie in de slenk. Gedurende de ijstijden (glacialen) van het Midden- en Laat-Pleistoceen (Elsterien, Saalien en Weichselien) werd de Roerdalslenk geleidelijk opgevuld met afzettingen van meer lokale oorsprong (Formatie van Boxtel). Deze afzettingen kunnen globaal worden onderverdeeld in Brabants leem, fluvioperiglaciale afzettingen (smeltwaterafzettingen) en eolische afzettingen (löss en dekzand).
Het Brabants leem is in perioden met permafrost6 ontstaan uit door de wind aangevoerd materiaal waaruit door dooiwaterstroompjes de fijne deeltjes werden uitgewassen, die vervolgens werden afgezet in ondiepe vochtige depressies (dooimeren). Fluvioperiglaciale afzettingen, oftewel verspoelde dekzand- en rivierafzettingen, ontstonden wanneer aan het begin en eind van de glacialen, en dan voornamelijk in de zomermaanden, veel smeltwater vrijkwam. Dit water werd afgevoerd door een systeem van verwilderde geulen en beken. 4
Buitenhuis et al. 1991. Zie bijlage 1 voor een overzicht van de geologische perioden. 6 Bodem die tot op grote diepte permanent bevroren is. 5
9
Zorgpark Voorburg
Het dekzand werd in de droge en zeer koude glacialen als een deken over het vrijwel vegetatieloze landschap afgezet. In het Laat-Glaciaal (Laat-Weichselien) was de begroeiing weer wat dichter waardoor de verstuiving een meer lokaal karakter had en het dekzand werd afgezet in de vorm van langgerekte, voornamelijk zuidwest-noordoost georiënteerde ruggen. In het plangebied is zo een relatief laag gelegen vlakte van verspoelde dekzanden ontstaan met daarin relatief kleine, hoger gelegen dekzandruggen.
Afb. 2.1 Het hoogteverloop in en rond het plangebied (AHN3 2020).
Aan het einde van het Weichselien en in het Holoceen werd het klimaat een stuk milder. Het systeem van ondiepe, verwilderde geulen en beken veranderde hierdoor in meanderende beken, die zich aanvankelijk in het landschap insneden. Op circa 500 m ten oosten van het plangebied (zie afb. 2.1) is daarbij het beekdal van de Essche Stroom ontstaan, dat ten noordoosten van het plangebied uitkomt in het beekdal van de Dommel. In de beekdalen werden zand en klei afgezet en vond lokaal veenvorming plaats (Boxtel Formatie; Singraven Laagpakket). Door de toenemende vegetatie kwam een eind aan de natuurlijke zandverstuivingen en raakten de dekzandruggen gefixeerd. Door het toedoen van de mens, door kappen, branden en ontginnen, konden plaatselijk opnieuw verstuivingen
Cultuurhistorisch bureauonderzoek
10
optreden (Boxtel Formatie; Kootwijk Laagpakket). Zo is zijn ter hoogte van de Vughtse Heide op ruim een kilometer ten noordwesten van het plangebied een stuifzandgebied ontstaan. Ook door egalisatie en ophoging voor de landbouw vanaf de late middeleeuwen, maar met name voor de aanleg van e nieuwbouwprojecten vanaf de 20 eeuw heeft de mens het natuurlijke landschap sterk beïnvloed en gewijzigd (zie afb. 2.1)7
2.3 Bewoningsgeschiedenis 2.3.1 Inleiding Het plangebied maakt deel uit van het Zuid-Nederlandse dekzandgebied. Dit landschap bestond van nature uit een afwisseling van dekzandruggen, dekzandvlaktes, beekdalen en vennetjes. Het dekzandgebied kent een lange bewoningsgeschiedenis, waarvan de eerste sporen teruggaan tot de laatste ijstijd (laat-paleolithicum B). Het laat-paleolithicum werd evenals het daaropvolgende mesolithicum gekenmerkt door rondtrekkende jagers-verzamelaars, die gebruik maakten van stenen en benen werktuigen. De mensen woonden in tijdelijke kampen, die zich over het algemeen op landschappelijke gradiënten bevonden. Door de bestaansbasis (jagen en verzamelen) en de grote mobiliteit was de invloed van deze mensen op het landschap gering. Dit veranderde toen men vanaf 4900 v.C. (neolithicum) geleidelijk het jagen en verzamelen verruilde voor een voedselvoorziening gebaseerd op akkerbouw en veeteelt. Door het verbouwen van voedsel werd men gebonden aan een bepaalde plek, werden stevigere onderkomens gebouwd en ging men aardewerk produceren en gebruiken. Zodra de bodem op een bepaalde plek uitgeput was, kapte men een nieuw stukje bos en verplaatste men de akkers en eventueel de boerderij. Als gevolg van de ontbossing ging de natuurlijke vruchtbaarheid van de armere bodems snel achteruit.
Het bos regenereerde daardoor plaatselijk vanaf het laat-neolithicum na verlating van de akkers niet meer en er ontstonden heidevelden. Plaatselijk konden als gevolg van het kappen en afbranden van het bos zandverstuivingen ontstaan. Als gevolg van de ontbossing en akkerbouw was vanaf de late ijzertijd de bodemvruchtbaarheid in grote gebieden dermate afgenomen dat deze niet meer als woon- en landbouwgebied werden gebruikt en men zich terugtrok in de gebieden met een van nature hoge bodemvruchtbaarheid. Op de uitgeputte akkers zal na verloop van tijd secundair bos zijn gaan groeien, waarna deze gebieden werden gebruikt voor het verkrijgen van brandhout en dergelijke. De beekdalen waren lange tijd nog dichtbegroeide moerasbossen en speelden geen rol in het landbouwsysteem. Beekdalen en andere moerassige delen van het landschap werden wel gebruikt voor de winning van grondstoffen (zoals hout, leem, veen e.d.), als dump voor afval, voor rituele deposities e.d. In de loop van de middeleeuwen nam de bevolking sterk toe, waardoor ook de behoefte aan landbouwgrond sterk toe nam en grote aaneengesloten bouwlandcomplexen ontstonden. De nederzettingen werden van de hoge dekzandruggen verplaatst naar flanken, waardoor de kerk vaak midden in het grote akkergebied achterbleef.
Om aan de groeiende behoefte aan mest te e e kunnen voorzien, werden vanaf de 11 of 12 eeuw ook de beekdalen ontgonnen e e en omgevormd tot wei- en hooilanden. In de 14 en 15 eeuw werd de ontwatering van de beekdalen vervolgens verbeterd door de gronden te verdelen 7
Buitenhuis et al. 1991; Teunissen van Manen 1985; Bisschops, Broertjes & Dobma 1985, Berendsen 2004; Geomorfologische kaart 2008, via Archis3 2020; AHN3 2020.
11
Zorgpark Voorburg
in smalle kavels die loodrecht op de beek lagen. Bovendien werd grond van de hogere dekzandruggen gebruikt om de randen van de beekdalen op te hogen. Om de beschikbare mest efficiënter te kunnen gebruiken, werd de mest vanaf de e 15 eeuw vermengd met bosstrooisel en plaggen. De winning van het bosstrooisel en de plaggen leidde tot een vergaande aftakeling van de bossen, zodat uitgestrekte heidevelden ontstonden. Dit landschap, met een afwisseling van aaneengesloten bouwlandcomplexen, wei- en hooilanden in de beekdalen en e grote heidegebieden bleef tot in de 19 eeuw bestaan. Pas met de uitvinding van e de kunstmest in de 19 eeuw waren de heidevelden niet meer nodig voor de bemesting van de akkers en konden ze worden ontgonnen voor de landbouw.8
2.3.2 Historie Het plangebied maakte lange tijd deel uit van een relatief laag gelegen gebied met enkele hogere kopjes. Hoewel de Maas op bijna 10 km ten noorden van het plangebied ligt, hebben de rivieren invloed gehad op de inrichting van de omgeving van het plangebied. In de late middeleeuwen werd de wateroverlast van de rivieren in grote delen van Nederland een steeds groter probleem. In het benedenstroomse gebied van de grote rivieren ging men zich daardoor steeds meer door de aanleg van rivierdijken tegen overstromingen beschermingen. Als gevolg hiervan stuwde het rivierwater in de bovenstrooms gelegen gebieden e e steeds verder op, waardoor ook hier in de loop van de 13 en 14 eeuw bedijkingen werden gerealiseerd. Door de bedijkingen konden bij zeer hoge rivierstanden echter dijkdoorbraken voorkomen, die voor gevaarlijke situaties zorgden. Om deze reden werd tussen de dorpen Gassel en Linden een verlaagd dijkvak aangelegd, de zogenaamde Beerse Overlaat, waardoor bij hoge rivierstanden het water op een gecontroleerde manier de kommen in kon lopen. Het water stroomde vervolgens als een parallelrivier, de Beerse Maas, door de kommen om bij ’s-Hertogenbosch via de Dieze weer in de Maas te stromen.
Als de waterstand van de Maas te hoog was of als de Dieze om militaire redenen met een dam was afgesloten, stroomde het water over de overlaten van de Diezedijk in het Bossche veld op ruim 6 km ten noorden van het plangebied. De Dommel, die door het Bossche Veld naar de Maas stroomde, kon dan ook haar water niet afvoeren, waardoor het werd opgestuwd en ook stroomopwaarts wateroverlast optrad. Vanwege de wateroverlast rondom ’s-Hertogenbosch werd in 1766 bij het gehucht Baardwijk, even ten oosten van Waalwijk, de Baardwijkse overlaat aangelegd. Het overstromingswater kon zo via het dal van het Oude Maasje in westelijke richting worden geleid om vervolgens op de Amer en het Hollands Diep af te wateren. De wateroverlast kwam hiermee echter niet ten einde. Pas met latere verbeteringen in de benedenloop van de Maas en de verbinding met e e de Waal in de 19 en het begin van de 20 eeuw kwam aan de waterproblematiek een einde, waardoor de Beerse overlaat in 1942 kon worden afgesloten. Niet alleen door natuurlijke omstandigheden kon wateroverlast optreden. Vanaf e de 16 eeuw werd bij oorlogsdreiging het gebied rond ’s-Hertogenbosch geïnundeerd als barrière tegen belegeraars. Om de boerderijen en landerijen te vrijwaren van het overstromings- en inundatiewater, werden kades aangelegd.
Zo is ook rond Vught en de bijbehorende landbouwgronden een dijk aangelegd, die al slingerend langs de zuid- en zuidwestgrens van het plangebied loopt (zie afb. 2.2).9
8 9
Barends et al. 2010; Spek 2004; Gerritsen & Rensink (red.) 2004. CHW 2016; Hoogma & Steketee 1996; Steketee 2000.
Cultuurhistorisch bureauonderzoek
12
Afb. 2.2 Het plangebied omstreeks 1773 (Verhees 1773). e
Het plangebied maakte in ieder geval in het midden van de 18 eeuw deel uit van onverkaveld weide-/heidegebied met plaatselijk percelen bouwland (zie afb. 2.2). Het gebied stond bekend als De Vlasmeer, De Lage Vlasmeer en Het Eendje.10 Op circa 600 m ten oosten van het plangebied stroomde Het Halsche Water of De Essche Stroom in noordelijke richting. De beek mondde ter hoogte van het plangebied in de Dommel uit om vervolgens verder in noordelijke richting af te wateren. Dwars door het plangebied stroomde van zuidwest naar noordoost een kleine waterloop die ten noorden van het plangebied uitmondde in de Dommel. Deze waterloop verzorgde de afwatering van het centrale, relatief natte deel van het plangebied. Langs de westgrens van plangebied bevonden zich, langs de inundatiekade, enkele waterlichamen en moerassen. Gezien het slingerend verloop van deze kade zijn deze waterlichamen en moerassige laagtes (deels) ontstaan tijdens doorbraken van het overstromingswater. Mogelijk heeft het overstromingswater daarbij oudere laagtes gevolgd.
10
Le Fèvre & Draack 1748; Verhees 1773.
13
Zorgpark Voorburg
De randen van het plangebied maakten deel uit van hoger gelegen bouwlanden. Over deze hogere ruggen liep een netwerk van overwegend noord-zuid georiënteerde wegen, waaronder De Hoog Straat en De Laag Straat in en langs het westelijke deel van het plangebied en de Oude Baan op 175 m ten oosten van het plangebied. Deze laatste weg was door de aanleg van een nieuwe, rechte e weg, de Straat Weg, in de jaren veertig van de 18 eeuw langs de oostgrens van 11 het plangebied overbodig geworden. Deze noord-zuid georiënteerde wegen werden verbonden door een aantal dwarswegen, zoals De Ketting Weg langs de zuidgrens van het plangebied en de onbenaamde weg op 225 m ten noorden van het plangebied.12 Langs de Hoog en de Laag Straat bevonden zich enkele boerderijen, waarvan er vier in het zuidwestelijke deel van het plangebied lagen. Het centrale en oostelijke deel van het plangebied was grotendeels onbebouwd. In en rond het plangebied bevonden zich diverse buitenplaatsen, zoals Voorburg in het zuidoostelijke deel, Bergen op de noordgrens en Steenwijk direct ten zuiden van e het plangebied.13 Vanaf het begin van de 17 eeuw stichten stedelijke patriciërs buitenplaatsen om in de zomer de stinkende stad te kunnen ontvluchtten.
Derhalve werden de buitenplaatsen overwegend binnen een straal van 50 km rondom de grote steden van met name West-Nederland aangelegd langs waterlopen, op de binnenduinrand of in droogmakerijen. In de rest van Nederland, dat op te grote afstand van de grote steden en haar rijke burgerij lag, bleven buitenplaatsen in eerste instantie vaak voorbehouden aan de (hogere) adel. De omgeving van Vught fungeerde als ‘lustwarande’ van ’s-Hertogenbosch, waarbij een groot aantal buitenplaatsen zijn aangelegd. Rondom de landhuizen werden classicistische tuinen aangelegd om het representatieve karakter van de buitenplaats te benadrukken. Als gevolg van de economische stagnatie en vernielingen in de Franse tijd kreeg de rijke burgerij e aan het einde van de 18 eeuw in heel Nederland een leidende rol in de aanleg van buitenplaatsen. De uitgestrekte tuinen werden in deze periode voornamelijk aangelegd als geïdealiseerde “natuurlijke landschappen”. Ook de geometrische tuinen van de oudere buitenplaatsen werden daarbij veranderd in landschapsparken.14 Landgoed Voorburg vóór 1832 Het zuidelijke deel van het plangebied maakte deel uit van het landgoed Voorburg. De oudste eigendomsakten in het archief van Voorburg dateren uit de e 17 eeuw. Van een landgoed of buitenhuis was toen nog geen sprake. In de akten worden gronden en twee (pacht)hoeven genoemd.
Eén van die hoeven is daarin getaxeerd op 12.000 gulden, wat in die tijd een zeer hoog bedrag voor een hoeve was. Het is niet ondenkbaar dat deze hoeve ook als buitenhuis diende. In 1772, wanneer de eigendommen overgaan in handen van Johan Bon, hoogleraar in de geneeskunde, was er namelijk sprake van een ‘Heere Huijsinge’ of ‘Buijten Plaats’ (zie afb. 2.3).