Bijlage - Bijlagen bij toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan Crematorium Zorgpark Voorburg Bijlagen bij de toelichting
1.
Onderbouwing Ladder voor duurzame verstedelijking
2.
Archeologisch onderzoek
3.
Onderzoek cultuurhistorie Zorgpark Voorburg
4.
Onderzoek bedrijven en milieuzonering
5.
Bodemonderzoek
6.
Stikstofonderzoek
7.
Quickscan ecologie
8.
Onderzoek externe veiligheid
9.
Advies brandweer
10.
Verkeersonderzoek
11.
Aanmeldnotitie m.e.r.
Rapport
Ladderonderbouwing crematorium Eikenven, Vught Bijnen Uitvaartzorg
23 juni 2023
SWECO Nederland B.V. Business unit Stedelijke Planning
Onderwerp Projectnummer In opdracht van Datum Versie Afbeelding voorzijde
De Holle Bilt 22 3732 HM De Bilt www.sweco.nl Handelsregister 30129769 Ladderonderbouwing crematorium Vught 51016213 Bijnen Uitvaartzorg 23 juni 2023 Eindrapport Impressie nieuwbouw crematorium Vught Bijnen Uitvaartzorg / De Jong architecten (2023)
Sweco | Business unit Stedelijke Planning Rapport Ladderonderbouwing crematorium Eikenven Vught, Bijnen Uitvaartzorg Projectnummer 51016213 23 juni 2023
2/12
Inhoudsopgave 1
2
Inleiding ..................................................................................................................................................... 4 1.1
Locatie Eikenven op Zorgpark Voorburg ............................................................................................ 4
1.2
Plan voorziet in nieuwe stedelijke ontwikkeling .................................................................................. 4
1.3
Scope van het onderzoek ................................................................................................................... 5
Kwantitatieve onderbouwing .................................................................................................................. 6 2.1
Kwantitatief: vraag naar iets meer dan 3.500 uitvaarten met crematie in 2033 .................................. 6
2.2 Aanbod: bestaande crematoria hebben realistische capaciteit van circa 2.200 uitvaarten met crematie voor verzorgingsgebied ................................................................................................................... 8 2.3
Behoefte: maximaal circa 1.300 uitvaarten met crematie per jaar in 2033 in verzorgingsgebied .... 10
3 Kwalitatieve onderbouwing: behoefte aan een modern, energieneutraal uitvaartcentrum met crematorium ................................................................................................................................................... 10 4
Conclusie: voldoende Ladderruimte voor uitvaartcentrum met crematorium Eikenven ............... 12
Sweco | Business unit Stedelijke Planning Rapport Ladderonderbouwing crematorium Eikenven Vught, Bijnen Uitvaartzorg Projectnummer 51016213 23 juni 2023
3/12
1
Inleiding
Bijnen Uitvaartzorg en GGZ-instelling Reinier van Arkel hebben het voornemen een nieuw uitvaartcentrum met crematorium te realiseren op locatie Eikenven, gelegen op het Zorgpark Voorburg in Vught. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, moet de bestemming worden gewijzigd. Een voorwaarde voor deze wijziging is de onderbouwing van de behoefte aan deze nieuwe ontwikkeling aan de hand van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking (hierna: Ladder). Bijnen Uitvaartzorg heeft aan Sweco gevraagd deze Ladderonderbouwing op te stellen. Centraal staat de vraag of Ladderruimte is voor een nieuw uitvaartcentrum met crematorium op deze locatie. Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor Duurzame Verstedelijking maakt deel uit van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en wordt beschreven in het tweede lid artikel 3.1.6. Deze luidt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.”
1.1 Locatie Eikenven op Zorgpark Voorburg Zorgpark Voorburg is een openbaar park gelegen ten zuiden van Vught. In het park zijn diverse zorgaanbieders en daaraan gerelateerde voorzieningen gevestigd. In het vigerende bestemmingsplan ‘Voorburg en omgeving’ uit 2014 heeft de planlocatie een maatschappelijke en een groenbestemming. De locatie Eikenven is momenteel deels in gebruik door de facilitaire dienst van het Zorgpark. Het is deels bebouwd en in gebruik als opslag. Een ander deel van het terrein bestaat uit gras en bomen.
Figuur 1 Bestemmingsplan ‘Voorburg en omgeving’ (2014) Bron: Sweco met data van Ruimtelijke plannen (2023)
1.2 Plan voorziet in nieuwe stedelijke ontwikkeling Het plan betreft de realisatie van een uitvaartcentrum met crematorium. Het complex zal bestaan uit bebouwing ten behoeve van een crematieruimte (oven), opbaringsruimte, aula, ontvangstruimte, kantoor en
Sweco | Business unit Stedelijke Planning Rapport Ladderonderbouwing crematorium Eikenven Vught, Bijnen Uitvaartzorg Projectnummer 51016213 23 juni 2023
4/12
lounge. Naast de bebouwing wordt het uitvaartcentrum met crematorium ook voorzien van voetpaden, ontsluiting, parkeerruimte, een strooiveld en asbestemming.
Figuur 2 Ontwerp nieuwbouw crematorium Eikenven Vught Bron: Bijnen Uitvaartzorg / De Jong architecten (2023)
De ontwikkeling van een crematorium is binnen het bestaande bestemmingsplan nog niet mogelijk. Het plan voorziet daardoor in een nieuwe stedelijke ontwikkeling op locatie Eikenven waarvoor de bestemming moet worden gewijzigd. Dit betekent dat aangetoond moet worden dat de behoefte (en daarmee Ladderruimte) aan een uitvaartcentrum met crematorium bestaat, zonder dat elders leegstand in een crematorium wordt veroorzaakt. Locatie Eikenven heeft momenteel een maatschappelijke en groenbestemming en maakt deel uit van het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. De locatie maakt daardoor deel uit van het bestaand stedelijk gebied. Daarom is geen motivering nodig waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien.
1.3 Scope van het onderzoek Onderzoeksgebied: straal van 15 kilometer rondom de planlocatie Voor Ladder onderbouwingen voor crematoria wordt voor de afbakening van het onderzoeksgebied een straal van 10 of 15 kilometer rond de planlocatie gebruikt. Beide afbakeningen zijn in het verleden geaccepteerd door de Raad van State.1 Jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is dan ook niet eenduidig over dit onderwerp. Wel stelt de Raad van State dat van geval tot geval moet worden bekeken welk regionaal schaalniveau het beste past bij het realiseren van een crematorium. Om een goed beeld te geven van de Ladderruimte in de bredere regio rond ’s-Hertogenbosch is voor deze Ladderonderbouwing uitgegaan van een onderzoeksgebied (verzorgingsgebied) dat zich bevindt binnen een straal van 15 kilometer rond de planlocatie. Zodoende wordt ook rekening gehouden met de overlap/samenhang met de verzorgingsgebieden van twee DELA-crematoria die op net iets meer dan 10 kilometer van de planlocatie liggen in Nieuwkuijk en Rosmalen. Concreet bestaat het verzorgingsgebied uit (delen van) de gemeenten Bernheze, Best, Boxtel, Heusden, Loon op Zand, Maasdriel, Meierijstad, Oirschot, Oisterwijk, Oss, ’s-Hertogenbosch, Sint-Michielsgestel, Tilburg en Vught.
1
ECLI:NL:RVS:2019:1470 en ECLI:NL:RVS:2017:775
Sweco | Business unit Stedelijke Planning Rapport Ladderonderbouwing crematorium Eikenven Vught, Bijnen Uitvaartzorg Projectnummer 51016213 23 juni 2023
5/12
Figuur 3 Onderzoeksgebied Bron: Sweco met data van LVC/CBS/Kadaster/OSM (2023)
Onderzoeksperiode: 10 jaar – 2023 tot 2033 De onderzoeksperiode voor deze Ladderonderbouwing is 10 jaar. Dat betekent dat de huidige behoefte en de behoefte over 10 jaar in beeld is gebracht. Daarmee wordt aangesloten op de gebruikelijke planhorizon van een bestemmingsplan van 10 jaar.
2
Kwantitatieve onderbouwing
2.1 Kwantitatief: vraag naar iets meer dan 3.500 uitvaarten met crematie in 2033 De vraag naar uitvaarten met crematie is bepaald aan de hand van de prognose van het sterfgevallen in het verzorgingsgebied en de (verwachte) ontwikkeling van het aandeel crematies in het totaal aantal lijkbezorgingen (crematie-aandeel). Prognose sterfte: toename sterfte Het verwachte aantal sterfgevallen in 2033 is afgeleid uit de meest recente bevolkingsprognose van het CBS 2023-2050. De prognose wordt op gemeenteniveau vastgesteld. Omdat vaak niet de hele gemeente binnen de 15 kilometerzone valt, is uitgegaan van het aandeel inwoners dat in de postcodegebieden binnen de 15 kilometer van de planlocatie woont. Binnen de 15 kilometer zijn in 2033 4.387 crematies voorzien (+10% ten opzichte van de prognose voor 2023).
Sweco | Business unit Stedelijke Planning Rapport Ladderonderbouwing crematorium Eikenven Vught, Bijnen Uitvaartzorg Projectnummer 51016213 23 juni 2023
6/12
Gemeente
Sterfte 2023 binnen 15 km
Sterfte 2033 binnen 15 km
Bernheze
93
105
Best
35
42
Boxtel
350
360
Heusden
376
432
3
3
Maasdriel
144
187
Meierijstad
350
400
Oirschot
96
96
Oisterwijk
343
333
Oss
16
18
’s-Hertogenbosch
1.350
1.520
Sint-Michielsgestel
300
300
Tilburg
185
210
Vught
350
380
Totaal
3.991
4.387
Loon op Zand
Tabel 1 Prognose sterfte naar gemeente Bron: Regionale prognose CBS/PBL (2023), CBS (2023)
Ontwikkeling crematie-aandeel: sterke toename Het aandeel crematies in Nederland over het eerste kwartaal van 2023 bedraagt 70% (LVC, 2023).2 Naar verwachting ligt het aandeel crematies in Noord-Brabant hoger gelet op het beperkte aantal mensen dat naar een religieuze dienst gaat (CBS, 2023). Bijnen verzorgde in de eerste vijf maanden van 2023 74% crematies ten opzichte van het totaal aantal lijkbezorgingen. 2023: 70%
80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10%
2022
2018
2014
2010
2006
2002
1998
1994
1990
1986
1982
1978
1974
1970
1966
1962
1958
1954
1950
1946
1942
1938
1934
1930
1926
1922
1918
1914
0%
Figuur 4 Ontwikkeling crematie-aandeel in Nederland Bron: LVC (2023)
2
De LVC (Landelijke Vereniging van Crematoria vertegenwoordigt 98% van de crematoria in Nederland. Enkele crematoria zijn niet bij de vereniging aangesloten.
Sweco | Business unit Stedelijke Planning Rapport Ladderonderbouwing crematorium Eikenven Vught, Bijnen Uitvaartzorg Projectnummer 51016213 23 juni 2023
7/12
Het crematie-aandeel is sinds 2003 gestegen met iets minder dan 1% per jaar. De laatste vier jaar is, waarschijnlijk mede als gevolg van de Corona periode, het crematie-aandeel gestegen met iets meer dan 1% per jaar. Het is moeilijk in te schatten hoe het crematie-aandeel zich verder zal ontwikkelen. Wel is het zeer aannemelijk dat de komende 10 jaar het crematie-aandeel verder zal toenemen: • • • •
de kosten van een crematie liggen aanzienlijk lager dan bij (natuur)begraven. door ontkerkelijking hechten mensen minder waarde aan een religieuze dienst en begrafenis. het aantal nabestaanden dat een graf wil bezoeken en onderhouden neemt gemiddeld af. mensen willen nabestaanden niet opzadelen met (kosten voor) grafonderhoud. Daarbij komt dat grafrechten na verloop van tijd vervallen als nabestaanden niet financieel bijspringen.
Daarom is gerekend met een gemiddelde groei van circa 0,9 tot 1,1% per jaar. In 2033 komt dat neer op een groei van het crematie-aandeel van circa +9 tot +11%. Uitgaande van het Nederlandse crematie-aandeel van circa 70% per jaar in 2023 komt dat neer op circa 79% tot 81% in 2033. Dit uitgangspunt is mogelijk nog voorzichtig, aangezien in het werkgebied van Bijnen het crematie-aandeel 74% bedraagt over de eerste vijf maanden van 2023. Op basis van de sterfteprognose in het verzorgingsgebied en de bandbreedte voor de ontwikkeling van het crematie-aandeel bedraagt het verwachte aantal crematies in 2033 circa 3.378-3.553. Overledenen
Crematie-aandeel
Crematies
2023
3.991
70%
2.949
2033
4.387
79% - 81%
3.466 - 3.553
Tabel 2 Prognose sterfte en crematies 2023-2033 in het verzorgingsgebied (15 km) Bron: Regionale Prognose CBS/PBL, LVC (2023)
2.2 Aanbod: bestaande crematoria hebben realistische capaciteit van circa 2.200 uitvaarten met crematie voor verzorgingsgebied Bestaand aanbod uitvaartcentra/crematoria Op iets meer dan 10 kilometer van het geplande crematorium in Vught bevinden zich in Nieuwkuijk en Rosmalen twee bestaande uitvaartcentra van DELA met eigen crematorium. De eigen verzorgingsgebieden van deze crematoria richten zich op de noordwestkant en noordoostkant van de regio ‘s-Hertogenbosch. Ten zuiden van Vught bevinden de crematoria zich op een grotere afstand.
Figuur 5 Verspreiding uitvaartcentra/crematoria met verzorgingsgebieden (15 km) in de regio Bron: Sweco met data van LVC/CBS/Kadaster/OSM (2023)
Sweco | Business unit Stedelijke Planning Rapport Ladderonderbouwing crematorium Eikenven Vught, Bijnen Uitvaartzorg Projectnummer 51016213 23 juni 2023
8/12
De overlap met de verzorgingsgebieden van de crematoria in Nieuwkuijk en Rosmalen zorgt voor meer keuzemogelijkheden voor crematies in de regio ’s-Hertogenbosch en Vught. Zeker als het gaat om klanten die niet bij DELA verzekerd zijn. Tegelijk zullen deze beide crematoria voor de bewoners ten noorden van Nieuwkuijk en Rosmalen het meest nabijgelegen blijven. De crematoria van DELA in Nieuwkuijk en Rosmalen hebben een groot achterland aan de noordzijde. Het dichtstbijzijnde crematorium aan de noordzijde ligt op circa 32 kilometer afstand in Tiel. Het gebied ten zuiden van Vught waar de kernen Oisterwijk, Boxtel en Schijndel liggen, ligt op meer dan 10 kilometer afstand van een crematorium. Een aanzienlijk deel van dit gebied kan worden bediend vanuit een nieuw te vestigen crematorium in Vught. Dit zal met name een aantrekkende werking hebben vanuit Boxtel, waar Bijnen een behoorlijke marktpositie heeft met een eigen vestiging en opbaargelegenheid (zonder crematorium). Al kunnen ook klanten van concurrerende partijen en van grote verzekeraars zoals DELA en Monuta gebruik maken van het geplande crematorium. De verzorgingsgebieden van de crematoria in Nieuwkuijk en Rosmalen hebben 68% overlap met het aantal inwoners in het verzorgingsgebied van het geplande crematorium in Vught.
Daarom is iets meer dan tweederde van de realistische capaciteit beschikbaar voor het verzorgingsgebied van Vught. Op basis van 5 crematies per dag en 300 werkdagen per jaar bedraagt de theoretische capaciteit per crematieoven 1.500 crematies. In de praktijk valt de capaciteit lager uit (circa 3-4 crematies per dag), omdat: • • • •
sprake is van een onregelmatige stroom van klanten, doordat sterfgevallen niet altijd te voorzien zijn. De planning is totaal afhankelijk van het aantal overledenen in een week. Een overcapaciteit aan uitvaartcentra en ovens is nodig om iedereen op de gewenste dag een dienst aan te kunnen bieden. de uitvaartcapaciteit beperkt wordt door de klantvraag. Rouwgezelschappen willen humane start- en eindtijden van diensten. Vroeger dan 10:00 uur starten of later dan 16:00 wordt zelden als wenselijk ervaren. rouwgezelschappen steeds meer tijd willen. Steeds vaker wordt om meer dan 1,5 uur gevraagd. uitvaartfaciliteiten alle nabestaanden de mogelijkheid willen bieden om bij het invoeren van de kist aanwezig te zijn.
Daarop aansluitend is een bredere beweging bij uitvaartfaciliteiten zichtbaar naar kwaliteit, waardoor het totale aantal crematies per crematorium in hoge mate wordt beperkt. Daar waar crematoria in de jaren ’70 soms wel 3.000 crematies per jaar uitvoerden, ligt het aantal crematies per uitvaartfaciliteit nu vaak onder de 1.000 per jaar (LVC, 2017). De markt voor crematies wordt daarmee steeds meer vraaggericht. Faciliteit
Aantal ovens
Theoretische capaciteit
Realistische Capaciteit (68%) voor capaciteit3 verzorgingsgebied Vught
DELA crematorium Nieuwkuijk
2
3.000
2.100
1.428
DELA crematorium Rosmalen
1
1.500
1.200
816
Totaal
3
4.500
3.300
2.244
Tabel 3 Bestaande uitvaartcentra met crematorium binnen verzorgingsgebied
Naar verwachting zal de realisatie van een nieuw crematorium in Vught een drukkende invloed hebben op het aantal crematies in Nieuwkuijk en Rosmalen. De bezetting van deze crematoria over de afgelopen jaren (circa 67%-79%) is sterk bovengemiddeld ten opzichte van de gemiddelde bezetting in Nederland. In 2021 lag de bezettingsgraad van crematoria in Nederland doorgaans tussen de 30% en 50% (ACM, 2021). Het is niet wenselijk om een (te hoge) bezetting te hebben, omdat dit ten koste gaat van de flexibiliteit richting nabestaanden.
3
Op basis van maximum realisatie afgelopen jaren (naar boven afgerond op honderdtallen)
Sweco | Business unit Stedelijke Planning Rapport Ladderonderbouwing crematorium Eikenven Vught, Bijnen Uitvaartzorg Projectnummer 51016213 23 juni 2023
9/12
Faciliteit
2019
2020
2021
2022
DELA crematorium Nieuwkuijk
1.920 (64%)
2.048 (68%)
1.951 (65%)
2.020 (67%)
DELA crematorium Rosmalen
1.047 (70%)
1.107 (74%)
1.114 (74%)
1.188 (79%)
Tabel 4 Gerealiseerde aantallen crematies crematoria binnen verzorgingsgebied Bron: Bijnen Uitvaartzorg / LVC (2023)
De invloed op het aantal crematies bij andere crematoria die op meer dan 15 kilometer liggen, is zeer beperkt. Gelet op de afstand zal het daar in het bijzonder gaan om technische crematies (crematies zonder dienst) die Bijnen momenteel daar uitvoert. De crematoria halen ruimschoots de aantallen van 1.000+ crematies per jaar. Toekomstig aanbod uitvaartcentra/crematoria In Schijndel, op circa 5 kilometer afstand van de projectlocatie, heeft Bijnen eerder een ruimtelijke procedure doorlopen om de vestiging van een crematorium daar mogelijk te maken. Dit heeft geleid tot een vastgesteld bestemmingsplan dat de ontwikkeling van een crematorium mogelijk maakt met een maximale capaciteit van 450 uitvaarten per jaar. Bijnen Uitvaartzorg heeft als initiatiefnemer de daadwerkelijke ontwikkeling op deze locatie stopgezet, omdat de locatie niet pachtervrij geleverd kon worden. De geringe capaciteit en de pachtconstructie belemmeren de exploitatiemogelijkheden en daarmee de financiële haalbaarheid op deze locatie. De gronden zijn inmiddels in bezit van een investeringsmaatschappij die herbestemming naar woningen onderzoekt. Het is daardoor onwaarschijnlijk dat op deze locatie een crematorium ontwikkeld zal worden. Bovendien is Bijnen Uitvaartzorg de grootste uitvaartonderneming in de regio waardoor een theoretische vestiging van een crematorium daar niet haalbaar is zonder Bijnen.
Dit plan is daardoor niet relevant voor de Ladder. Daarnaast had Stichting Solamen een niet verder ruimtelijk vastgelegd plan om op begraafplaats Orthen in ’s-Hertogenbosch een crematorium te ontwikkelen voor circa 200 crematies per jaar. Deze plannen zijn inmiddels eveneens van de baan. In het onderzoeksgebied zijn dan ook geen plannen voor realisatie van andere crematoria dan het crematorium in Vught.
2.3 Behoefte: maximaal circa 1.300 uitvaarten met crematie per jaar in 2033 in verzorgingsgebied Rekening houdend met de vraag naar crematies en het bestaande aanbod aan crematies binnen het verzorgingsgebied, komt de behoefte aan een crematorium uit op circa 1.222 tot 1.309 crematies per jaar in 2033. Vraag
Bestaand aanbod
Gepland aanbod
Behoefte / Ladderruimte
2023
2.949
2.244
0
705
2033
3.466 - 3.553
2.244
0
1.222-1.309
Tabel 5 Vraag, aanbod en Ladderruimte binnen het verzorgingsgebied Bron: CBS, LVC (2023)
3
Kwalitatieve onderbouwing: behoefte aan een modern, energieneutraal uitvaartcentrum met crematorium
De kwalitatieve vraag is onderbouwd door een confrontatie van de kwalitatieve vraag (de klantwensen) en een vergelijking met het huidige en toekomstige aanbod. De kwalitatieve vraag naar uitvaarten met crematies is afhankelijk van een combinatie van factoren. Het gaat om veel meer dan alleen de fysieke aanwezigheid van een crematieoven. Zowel de omgeving, de architectonische uitstraling van het gebouw,
Sweco | Business unit Stedelijke Planning Rapport Ladderonderbouwing crematorium Eikenven Vught, Bijnen Uitvaartzorg Projectnummer 51016213 23 juni 2023
10/12
de dienstverlening van de uitvaartonderneming en de mogelijkheden om het as na afloop een bestemming te geven, spelen een rol. Door de toevoeging van een uitvaartcentrum met crematorium kan op de volgende klantwensen van nabestaanden worden ingespeeld: •
• •
• • •
•
•
•
•
•
•
Één locatie: een modern uitvaartcentrum moet in staat zijn alle klantwensen op één locatie te bedienen. Het is voor veel mensen onwenselijk om op verschillende locaties de opbaring, receptie en crematie te hebben. Ook speelt één locatie in op de opkomende behoefte om een uitvaart zo duurzaam mogelijk te verzorgen. Bijnen maakt nu vaak nog gebruik van de meest nabijgelegen crematoria in Nieuwkuijk en Rosmalen. Als daar geen ruimte is, wordt uitgeweken naar Tilburg, Veldhoven of Eindhoven. Het vestigen van een nieuw crematorium in Vught kan de mobiliteitsstromen voor Bijnen en zijn klanten sterk beperken. Meer keuze: in Noord-Brabant zijn vooral crematoria van DELA te vinden. De toevoeging van een niet aan DELA gelieerd uitvaartcentrum met crematorium biedt meer mogelijkheden voor leden van andere uitvaartverzekeraars en klanten van andere uitvaartverzorgers. Groene, parkachtige setting: de groene, parkachtige setting van Zorgpark Voorburg biedt Vughtenaren een aantrekkelijk recreatiegebied. Uit consumentenonderzoek van Monuta (2016) blijkt dat uitvaartfaciliteiten op een plek moet liggen met veel groen en rust waardoor ruimte voor bezinning wordt gelaten. Buitenplechtigheden: vanuit nabestaanden komt steeds meer vraag om plechtigheden niet binnen in een rouwcentrum, maar buiten plaats te laten vinden (Ardanta, 2022).
De groene omgeving biedt de mogelijkheid om buitenplechtigheden te organiseren. Herdenking en asbestemming: een deel van de nabestaanden wil de mogelijkheid om het as een mooie bestemming op het terrein te geven. Dit is bijvoorbeeld mogelijk door uitstrooiing op een apart veld, een plaatsing in een urnenmuur of het planten van een boom op het as. Goed gescheiden ruimten: een uitvaartfaciliteit moet in staat zijn de verschillende groepen aan te kunnen zonder dat deze elkaar kruisen. Zowel nabestaanden als uitvaartverzorgers geven aan dat het zeer onwenselijk is wanneer verschillende rouwgezelschappen elkaar tegenkomen. Dit zorgt voor een beperking aan de hoeveelheid uitvaarten die per dag kunnen worden verzorgd op een locatie. De lay-out van het nieuwe uitvaartcentrum moet hier optimaal voor worden ingericht. Flexibiliteit: diensten worden steeds persoonlijker (LVC, 2020). Ook gaat sinds corona de voorkeur steeds meer uit naar kleinschalige uitvaarten (Ardanta, 2022). Een modern uitvaartcentrum moet in staat zijn om zowel grote als kleinere groepen te ontvangen. Dit vraagt om flexibele indeelbare ruimten die niet aan aantrekkelijkheid inboeten door gesplitst of samengevoegd te worden. Verschillende doelgroepen: bij een (Creools-)Surinaamse begrafenis wordt volop muziek gemaakt, gedanst en gedronken. Bij een Chinese begrafenis wordt geld verbrand.
Een modern uitvaartcentrum moet in staat zijn een grote verscheidenheid aan wensen en ceremonies aan te kunnen zonder daarbij omwonenden en andere groepen tot last zijn. Livestream: mensen wonen verder bij elkaar vandaan waardoor het bijwonen van een dienst niet altijd meer vanzelfsprekend is. Om de uitvaart toch te volgen en de dierbare te eren als het fysiek niet mogelijk is, moet een modern uitvaartcentrum in staat zijn de uitvaart te streamen. Door het coronavirus is de vraag naar het livestreamen van uitvaarten toegenomen (Ardanta, 2022). Bij grote groepen moet het mogelijk zijn te streamen op videoschermen of via internet en social media. Deze ontwikkelingen en trends vragen een uitvaartcentrum met de nieuwste ICT-mogelijkheden. Overgewicht: bij steeds meer sterftegevallen gaat het om mensen met extreem overgewicht. 13,3% van de Nederlanders leed aan obesitas in 2022 (RIVM, 2023). Deze mensen zijn zwaarder, en hebben meer kans om eerder dood te gaan. Het vraagt om bredere en hogere ovens. Op dit moment kunnen mensen met extreme overgewicht niet altijd bij een crematorium terecht en kiezen dan ook vaak voor begraven. Energieneutraal / duurzaam cremeren: veel mensen die hun leven lang bezig zijn met duurzaam leven willen ook op een duurzame manier begraven of gecremeerd worden.
Dat kan om uiteenlopende aspecten gaan, zoals een energiezuinig gebouw, makkelijk afbreekbare kisten en schone CO2-neutrale crematies. De gasovens die veel crematoria nu nog gebruiken zullen op termijn vervangen worden door elektrische ovens. Het geplande crematorium voorziet in de vraag naar energieneutraal / duurzaam cremeren door het gebruik van zonnepanelen die een elektrische oven van elektriciteit voorzien. Volledig energieneutraal cremeren is elders binnen de regio nog niet mogelijk (Auto)mobiliteit: uit het onderzoek van Monuta blijkt ook dat een goede bereikbaarheid met voldoende parkeerplaatsen een van de belangrijkste kwalitatieve eisen voor een uitvaartfaciliteit is. Bij een uitvaartfaciliteit moeten meer dan voldoende ruime parkeerplaatsen zijn. Ook moeten de
Sweco | Business unit Stedelijke Planning Rapport Ladderonderbouwing crematorium Eikenven Vught, Bijnen Uitvaartzorg Projectnummer 51016213 23 juni 2023
11/12
•
•
parkeergelegenheden een grotere diversiteit aan vervoersmiddelen aankunnen. Zo wordt steeds meer elektrisch gereden. Op crematorium Eikenven zijn daarom ook elektrische oplaadpunten voorzien. Pandemieproof: in de afgelopen 5 jaar hield de coronapandemie Nederland in zijn greep. Het is onzeker of en wanneer een nieuwe pandemie om zich heen grijpt. Daarom is het van belang om voor voldoende overcapaciteit te zorgen. Daarnaast kan het nieuwe crematorium zo worden ingericht en uitgerust met innovatieve desinfectiemethoden om risico’s op besmetting te minimaliseren. Technische crematies: naar verwachting zal door de toenemende individualisering van de samenleving de vraag naar technische crematies komende jaren toenemen. Technische crematies zijn crematies zonder ceremonie waarbij de kist in aanwezigheid van de familie de oven in gaat.
Door het realiseren van een nieuw, energieneutraal en modern crematorium in een groene omgeving, komt het geplande crematorium in Vught tegemoet aan de kwalitatieve vraag. Het duurzame, energieneutrale karakter onderscheidt de locatie van het bestaande aanbod in de omgeving en voorziet in de kwalitatieve vraag van een breder publiek. De geconstateerde behoefte is conservatief, omdat hierin de extra kwalitatieve vraag naar energiezuinig cremeren niet is meegenomen.
4
Conclusie: voldoende Ladderruimte voor uitvaartcentrum met crematorium Eikenven
Voor de geplande ontwikkeling van het nieuwe uitvaartcentrum met crematorium op locatie Eikenven in Vught is op basis van de vereisten van de Ladder in kwantitatief opzicht behoefte aan maximaal circa 1.300 crematies per jaar in 2033. Daarnaast is ook in kwalitatief opzicht voldoende behoefte. Gelet op de hoge bezettingspercentages van crematoria binnen het verzorgingsgebied zal geen sprake zijn onaanvaardbare ruimtelijke effecten (leegstand). Hiermee is voldaan aan de eisen die in het Besluit ruimtelijke ordening ten aanzien van de Ladder worden gesteld en is sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik.
Sweco | Business unit Stedelijke Planning Rapport Ladderonderbouwing crematorium Eikenven Vught, Bijnen Uitvaartzorg Projectnummer 51016213 23 juni 2023
12/12
Transect-rapport 1684 Vught, Laan van Voorburg 3 Gemeente Vught (NB)
Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
T: 030-7620705 F: 030-7620706 E: informatie@transect.nl
Colofon Titel
Rapportnummer
Vught, Laan van Voorburg 3. Gemeente Vught (NB). Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Transect-rapport 1684
Auteur
M. Verboom-Jansen MSc
Versie
Concept, versie 1.0
Datum
25-4-2018
Projectnummer
17100077
Onderzoeksmelding
4611032100
Opdrachtgever
AGEL Adviseurs Postbus 4156 4900 CD Oosterhout
Uitvoerder
Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
Bevoegde overheid
Gemeente Vught
Adviseur namens bevoegde overheid Gemeente ‘s-Hertogenbosch Beheer en plaats documentatie
Transect b.v., Nieuwegein
Omslagafbeelding
Het plangebied ten tijde van het veldonderzoek.
Autorisatie Naam Drs. T. Nales Senior KNA Prospector
Datum 31-05-2018
Paraaf
ISSN: 2211-7067 © Transect b.v., Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
T: 030-7620705 F: 030-7620706 E: informatie@transect.nl
Samenvatting In opdracht van AGEL Adviseurs heeft Transect b.v. in april 2018 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in plangebied aan de Laan van Voorburg 3 in Vught (gemeente Vught). Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. De aanleiding van het onderzoek is de realisatie van een crematorium, waarvoor een bestemmingsplanwijziging wordt aangevraagd. Vanuit het bestemmingsplan Voorburg en omgeving (2014) heeft het plangebied een archeologische waarde (‘dubbelbestemming waarde-archeologie’). De archeologische waarde kan in het kader van de bouw van het crematorium worden aangetast gezien de omvang van de voorgenomen bodeminrepen. Hierom is archeologisch vooronderzoek nodig, om inzicht te krijgen of en in hoeverre de werkzaamheden van invloed zijn op de archeologische waarde in het plangebied. In dit rapport worden de resultaten van het vooronderzoek beschreven op basis waarvan de gemeente een selectiebesluit kan nemen. Op basis van het veldonderzoek is vastgesteld dat het plangebied oorspronkelijk in een vlakte van verspoelde dekzanden lag. De lage ligging zorgde ervoor dat het gebied altijd nat is geweest. Dit blijkt uit de vondst van beekeerdgronden, waarbij roestvlekken tot in de humeuze bovengrond en zelfs daarboven nog reikten.
Deze omstandigheden bieden hierdoor doorgaans geen bewoningsmogelijkheden voor (pre-)historische samenlevingen. In de omgeving waren daarbij betere plaatsen aanwezig, zoals de dekzandruggen ten oosten en noordwesten van het plangebied. Tevens is op verschillende plekken de humeuze bovengrond doorwoeld, getuige het voorkomen van baksteen. De top van het dekzand is hierbij aangetast, waardoor eventuele archeologische resten (uit met name de steentijden, toen het landschap relatief iets droger was) zullen zijn aangetast. Zodoende is voor wat betreft de periode Laat-Paleolithicum-Late Middeleeuwen een lage archeologische verwachting toegekend. Op het dekzand ligt een pakket ophogingsmateriaal. Dit dateert vermoedelijk op zijn vroegst in de 18e eeuw, toen het gebied als tuin is ingericht. Historische bebouwing heeft hier niet gestaan, vanwaar voor wat betreft de Nieuwe tijd voor het voorkomen van nederzettingsresten een lage archeologische verwachting geldt. Wat betreft sporen van landgebruik is theoretisch gezien nog wel een kans aanwezig, maar het geraadpleegde kaartmateriaal laat niet specifieke tuininrichtingen zien die als relevant zijn aan te merken (zoals Franse of Engelse tuininrichtingen met paden, zoals bij sommige oudere landgoederen het geval was).
Tevens is de top van de bodemopbouw in het gebied omgewerkt tot een diepte van 50 cm, waarbij eventueel aanwezige sporen van landgebruik ook zullen zijn aangetast. Daarom wordt voorgesteld ook de verwachting op resten van tuininrichting naar laag bij te stellen.
Advies Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is aan het plangebied een lage archeologische verwachting toegekend. Daarom zijn voor dit gebied geen vervolgmaatregelen geformuleerd. Mochten onverhoopt tijdens de uitvoering van de werkzaamheden toch waardevolle archeologische resten gevonden worden, geldt conform de Erfgoedwet 2016 (artikel 5.10 en 5.11) een wettelijke meldingsplicht van de resten bij de gemeente Vught (als bevoegde overheid). Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal het bevoegd gezag (de gemeente Vught) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.
Inhoud 1.
Aanleiding.............................................................................................................................. 4
2.
Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek ............................................................. 5
3.
Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied ................................................................... 6
4.
Planvorming en consequenties toekomstig gebruik ............................................................. 8
5.
Beleidskader .......................................................................................................................... 9
6.
Landschap, geomorfologie en bodem ................................................................................. 10
7.
Archeologische waarden en onderzoeken .......................................................................... 13
8.
Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen ............................................... 15
9.
Gespecificeerde archeologische verwachting ..................................................................... 20
10.
Resultaten veldonderzoek ................................................................................................... 22
11.
Beantwoording onderzoeksvragen ..................................................................................... 25
12.
Conclusies en advies............................................................................................................ 26
13.
Geraadpleegde bronnen ..................................................................................................... 27
Archeologische periode-indeling voor Nederland .............................................................. 29 Situatie ................................................................................................................................ 30 Voorgenomen werkzaamheden .......................................................................................... 31 Geomorfologie .................................................................................................................... 32 Maaiveldhoogte .................................................................................................................. 33 Maaiveldhoogte detail ........................................................................................................ 34 Bodem ................................................................................................................................. 35 Beleidskaart van de omgevingsdienst ................................................................................. 36 Archeologische waarden en onderzoeken .......................................................................... 38 Boorpuntenkaart .................................................................................................................
39 Foto’s van enkele boringen ................................................................................................. 40 Boorbeschrijvingen.............................................................................................................. 41
1. Aanleiding In opdracht van AGEL Adviseurs heeft Transect b.v. 1 in april 2018 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in plangebied aan de Laan van Voorburg 3 in Vught (gemeente Vught). Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. De aanleiding van het onderzoek is de realisatie van een crematorium, waarvoor een bestemmingsplanwijziging wordt aangevraagd. Vanuit het bestemmingsplan Voorburg en omgeving (2014) heeft het plangebied een archeologische waarde (‘dubbelbestemming waarde-archeologie’). De archeologische waarde kan in het kader van de bouw van het crematorium worden aangetast gezien de omvang van de voorgenomen bodeminrepen. Hierom is archeologisch vooronderzoek nodig, om inzicht te krijgen of en in hoeverre de werkzaamheden van invloed zijn op de archeologische waarde in het plangebied. In dit rapport worden de resultaten van het vooronderzoek beschreven op basis waarvan de gemeente een selectiebesluit kan nemen. Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.0.
1 Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.0, en is gecertificeerd door middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.
4
2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting. Aan de hand van beschikbare informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik binnen en rondom het plangebied, wordt de kans bepaald dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) en de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) zijn opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit divers voorhanden historisch kaartmateriaal. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbaar geologisch-geomorfologisch kaartmateriaal geraadpleegd. Deze gegevens zijn aangevuld met relevante informatie uit achtergrondliteratuur.
Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: 1. Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? 2. Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? 3. In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? 4. Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen.
Op basis van dit rapport neemt het bevoegd gezag een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocollen 4002 (bureauonderzoek) en 4003 (inventariserend veldonderzoek) van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.0 (KNA 4.0).
5
3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Plaats
Vught
Toponiem
Laan van Voorburg 3
Gemeente
Vught
Provincie
Noord-Brabant
Kaartblad
45C
Perceelnummer(s)
Vught VUG00 C2391 en C2582 (gedeeltelijk)
Centrumcoördinaat
149.614/405.722
Oppervlakte
Circa 1,5 ha
Binnen het archeologisch onderzoek is onderscheid gemaakt tussen het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen de bodemingrepen worden uitgevoerd. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied, in een straal van circa 500 m, dat bij het onderzoek wordt betrokken om tot een beter inzicht te komen in de landschappelijke, archeologische en (cultuur)historische situatie in het plangebied. Het plangebied bevindt zich aan de Laan van Voorburg 3 in Vught (gemeente Vught). De percelen staan kadastraal bekend als C2391 en C2582 (gedeeltelijk). De grenzen van het plangebied zijn bepaald aan de hand van de begrenzing van het vlak waarvoor een bestemmingsplanwijziging gewenst is. Deze komen globaal overeen met de kadastrale grenzen. Het totale oppervlak van het plangebied is ongeveer 1,5 hectare. In het plangebied zijn bebouwing, verharding (asfalt en klinkers), gras, bomen en een depot aanwezig. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1 en bijlage 2.
6
Figuur 1. Ligging van het plangebied op een topografische kaart. Bron topografische kaart: PDOK.
7
4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Planvorming
Bouw crematorium
Aard bodemverstoringen
Graafwerkzaamheden
Verstoringsoppervlakte
Minimaal 3700 m2
Verstoringsdiepte
Onbekend
Het voornemen bestaat om binnen het plangebied een crematorium met een toegangsweg en waterpartij te realiseren (bijlage 3). In het huidige stadium van de plannen zijn hiervoor nog geen concrete bouwplannen beschikbaar. Het is dus nog niet bekend hoe diep de bodem ontgraven wordt voor de verschillende werkzaamheden. Wel is de geplande locatie van het crematorium en waterpartij bekend (bijlage 3). Het bouwvlak van het crematorium beslaat ongeveer 4500 m2 en de waterpartij ongeveer 2200 m2. Het gebouw zelf hierin is ongeveer 1500 m2.Hiermee wordt in ieder geval 3700 m2 van het plangebied ontgraven. Dit kan nog oplopen door de ontsluiting en aanleg van parkeerplaatsen (bijlage 3).
8
5. Beleidskader Onderzoekskader
Bestemmingsplanwijziging
Beleidskader
Bestemmingsplan Voorburg en omgeving (2014)
Onderzoeksgrens
> 100 m2, dieper dan 30 cm –mv.
In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Met ingang van juli 2016 is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die (naar verwachting) in 2019 in werking zal treden. Vanuit het bestemmingsplan Voorburg en omgeving (2014) heeft het plangebied een dubbelbestemming ‘waarde-archeologie.’ Dit betekent dat een archeologische onderbouwing noodzakelijk is wanneer bouwwerken geplaatst worden die groter dan 100 m2 zijn en dieper dan 30 cm –Mv reiken. Omdat deze planregel met de voorgenomen ingreep overschreden worden, is archeologisch onderzoek in het kader van de onderbouwing van de bestemmingsplanwijziging noodzakelijk.
9
6. Landschap, geomorfologie en bodem Geologie Geomorfologie
Formatie van Boxtel met een dek van het Laagpakket van Wierden; fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek Bebouwing
Maaiveldhoogte
Ca. 4,9-5,5 m NAP
Bodem
Bebouwing
Grondwatertrap
Onbekend
Landschap Het plangebied ligt in het zuidelijke zandgebied, in de Roerdalslenk (Berendsen, 2005). De Roerdalslenk is een strookvormig tektonisch dalingsgebied. In de Roerdalslenk is gedurende het Weichselien een dik pakket dekzand afgezet (Stouthamer et al., 2015). Het oudste potentieel archeologisch niveau in het plangebied kan worden gevormd door het Oud Dekzand. Dit is gevormd in het koudste en droogste deel van het Weichselien, het Laat-Pleniglaciaal (26.000--13.000 jaar geleden). In Nederland heerste toen een poolklimaat. De bodem was permanent bevroren (permafrost) en er was vrijwel geen vegetatie aanwezig. Onder deze periglaciale omstandigheden hadden wind en water vrij spel. Oudere sedimenten werden door verstuiving en sneeuwsmeltwater geërodeerd en opnieuw afgezet. Deze zogenaamde fluvio-eolische, fluvioperiglaciale of nat-eolische zanden kenmerken zich door het voorkomen van grindsnoertjes en leemlaagjes (Formatie van Boxtel, voorheen ‘Oud Dekzand’). Erosie in de vorm van bijvoorbeeld verspoeling kan tot verstoring van archeologische resten hebben geleid, terwijl nieuwe afzettingen weer voor nieuwe nederzettingsgronden zorgden en wellicht de afdekking en hiermee conservering van oudere archeologische niveaus (de Mulder et al, 2003).
In het Bølling-Allerød-interstadiaal (13.000-11.000 jaar geleden) verbeterde het klimaat en kon de vegetatie zich herstellen, waardoor een einde kwam aan de grootschalige erosie- en sedimentatiecyclus en bodemvorming kon optreden (o.a. de zogenaamde Allerød-bodem of Laag van Usselo). Deze interstadialen maakten het voor de mens mogelijk om het periglaciale gebied te bevolken. Dergelijke oude bodems zijn dan ook indicatief voor een hoge verwachting op archeologische resten uit het Laat Paleolithicum B. Het Oud Dekzand is vaak afgedekt door Jong Dekzand. Dit is gevormd tussen 11.000 en 10.000 jaar geleden (het Jonge Dryas-stadiaal), toen in Nederland een toendraklimaat heerste. Er was sprake van discontinue permafrost en het vegetatiedek brak open. Hierdoor kon lokaal zand gaan verstuiven dat vervolgens werd afgezet in langgerekte en paraboolvormige ruggen. In de Roerdalslenk hebben deze zeer grote dekzandruggen overwegend een zuidoost-noordwest oriëntatie en worden ze ook wel dekzandgordels genoemd. Dit puur eolisch afgezette zand wordt dekzand genoemd (Laagpakket van Wierden binnen de Formatie van Boxtel; voorheen ‘Jong Dekzand’). Deze dekzandgordels zorgden er eveneens voor dat de beken niet goed naar het noorden konden afwateren, waardoor op veel plaatsen kleine meren ontstonden.
Later braken verenigde beken/rivieren nabij ’s-Hertogenbosch door de dekzandgordels heen (Berendsen, 2005). Het dal van de Essche stroom bevindt zich ongeveer 600 m ten oosten van het plangebied. Ongeveer 1 km naar het noordoosten bevindt zich het knooppunt waar de Essche Stroom en de Dommel samenkomen. Eventuele dekzandgordels in het plangebied zijn dus niet door deze beken geërodeerd.
10
In de huidige warme periode, het Holoceen (vanaf 10.000 jaar geleden), raakte het landschap bedekt door vegetatie en vond er nauwelijks actieve sedimentatie plaats. De eerder genoemde kleine meren ontwikkelden zich in het Holoceen tot vennen, waarin zich veen heeft kunnen vormen. Vanuit de vennen en beekdalen breidde de veenvorming zich uit, waardoor grote hoogveencomplexen zijn ontstaan (Berendsen, 2005). Volgens Vos (2015) is het beekdal ten oosten van het plangebied vanaf 2750 voor Chr. met veen bedekt geraakt. In de loop van de tijd breidt het veen zich uit, maar volgens Vos (2015) heeft het veen het plangebied niet bedekt. Hierdoor is het plangebied in alle archeologische periodes geschikt voor bewoning gebleven, de top van het dekzand vertegenwoordigde immers tot in de Nieuwe Tijd het maaiveld. Geomorfologie en maaiveldhoogte Op de geomorfologische kaart ligt het plangebied in bebouwd gebied (bijlage 4). Aan weerszijden van de bebouwde kom is een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden aanwezig (kaartcode 2M9 in bijlage 4). In deze vlakte zijn ook enkele dekzandruggen of –kopjes aanwezig (kaartcode 3K14). Het beekdal van de Essche stroom is weergegeven als beekdalbodem met veen (kaartcode 2R4). De dekzandruggen zijn op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) herkenbaar door hun hogere ligging van het maaiveld ter plaatse (bijlage 5).
Dit geldt met name voor de dekzandrug die aan de rand van het beekdal ligt. Ter plaatse van de dekzandruggen in de omgeving van het plangebied (zoals die op de geomorfologische kaart gekarteerd zijn) is de maaiveldhoogte ongeveer 5,3 tot 5,7 m NAP. Gezien de maaiveldhoogte van het plangebied (ca. 5,5 m NAP) is het aannemelijk dat het plangebied ook op een dergelijke dekzandrug ligt. Binnen het plangebied varieert de maaiveldhoogte van ongeveer 4,9 tot 5,5 m NAP (bijlage 6). De maaiveldhoogte is daarbij het laagst in het zuiden en oosten van het plangebied. Of de hoogtes in het noordoosten van het plangebied samenhangen met het landgebruik als stort of op een dekzandopduiking wijzen is vooralsnog niet bekend (bijlage 6). Bodem Op de bodemkaart maakt het plangebied deel uit van bebouwd gebied (bijlage 7). Aan weerszijden hiervan is sprake van hoge zwarte enkeerdgronden, van leemarm en zwak lemig fijn zand (kaartcode zEZ21-VI). Verder van het plangebied af komen ook beekeerdgronden bestaande uit lemig fijn zand voor (kaartcode pZg23-III*). Deze komen globaal voor bij het beekdal en bij de lage delen van het landschap Aangezien het plangebied geen deel uitmaakt van het beekdal en omringd is door hoge enkeerdgronden, is het aannemelijk dat deze hoge enkeerdgronden ook in het plangebied aanwezig zijn. •
•
Hoge enkeerdgronden zijn gronden met een minstens 50 cm dik plaggendek, dat vanaf de LateMiddeleeuwen is ontstaan door plaggenbemesting (de Bakker en Schelling, 1989). Onder het oud bouwlanddek zijn mogelijk nog restanten van podzolgronden aanwezig, deze komen in de omgeving van het plangebied namelijk ook voor (kaartcode cHn21-V* in bijlage 7). Archeologische gezien zijn hoge enkeerdgronden interessant, ze kunnen door hun dikte namelijk het archeologische niveau van vòòr de aanleg van het eerddek beschermd hebben tegen recente bodemingrepen. Ter plaatse van hoge enkeerdgronden is de kans dus groot dat eventuele archeologische waarden goed bewaard zijn gebleven. Beekeerdgronden zijn gronden met een minerale eerdlaag die dunner dan 50 cm is. Deze gronden worden verder onderverdeeld op de aan- of afwezigheid van roestvlekken. Volgens de Bakker en Schelling (1989) komen bij zwarte beekeerdgronden binnen 35 cm –Mv roestvlekken voor; bij
11
bruine beekeerdgronden hoeft dit niet het geval te zijn. Beekeerdgronden liggen op de lage delen van het zandlandschap buiten de beekdalen. De grondwatertrap is meestal III (Stiboka, 1969). Grondwater De grondwatertrappen in het plangebied hangen samen met de bodemtypes, zoals in de codering van de bodems in bovenstaande tekst is opgenomen. De grondwatertrappen zijn hoger naar mate de maaiveldhoogte toeneemt; richting het beekdal neemt de grondwatertrap dus af. Omdat het bodemtype niet gekarteerd is binnen het plangebied, is ook de grondwatertrap niet bekend. Wanneer ervan wordt uitgegaan dat hoge enkeerdgronden in het plangebied aanwezig zijn, zal de grondwatertrap in het plangebied vermoedelijk VI zijn. Bij de bodemtypes in de omgeving van het plangebied komen de volgende grondwatertrappen (GWT) voor: • • •
GWT III*: de gemiddeld hoogste grondwaterstand komt binnen 40 cm –Mv voor, de gemiddeld laagste grondwaterstand ligt tussen 80 en 120 cm –Mv. GWT V*: de gemiddeld hoogste grondwaterstand komt tussen 25 en 40 cm –Mv voor, de gemiddeld laagste grondwaterstand ligt dieper dan 120 cm –Mv. GWT VI: de gemiddeld hoogste grondwaterstand komt tussen 40 en 80 cm –Mv voor, de gemiddeld laagste grondwaterstand ligt dieper dan 120 cm –Mv.
De grondwatertrappen zijn archeologisch van belang in verband met welk type archeologische resten nog verwacht kunnen worden. De wisselingen in grondwaterstanden leiden er namelijk toe dat organische resten, zoals bot- of plantenmateriaal, worden aangetast als gevolg van oxidatie en zure omstandigheden in de bodem. Dit gebeurt wanneer het materiaal boven het grondwater ligt. In het droge gedeelte van de bodem kunnen nog wel anorganische resten, zoals vuursteen en aardewerk, of verbrande organische resten worden aangetroffen. Beneden de grondwaterspiegel kunnen daarnaast theoretisch gezien ook onverbrande organische resten worden aangetroffen. Gezien de grondwatertrappen in de omgeving van het plangebied, zullen in het plangebied waarschijnlijk binnen 120 cm –Mv geen onverbrande organische resten meer aanwezig zijn. In diepe grondsporen zouden dus nog wel onverbrande organische resten aanwezig kunnen zijn.
12
7. Archeologische waarden en onderzoeken Wettelijk beschermde monumenten
Nee
AMK-terreinen
Nee
Archeologische waarden
• •
Niet binnen plangebied In omgeving een vondst uit de Romeinse Tijd
Archeologische verwachtingen De verwachting in het plangebied hangt nauw samen met de geomorfologie. De hogere dekzandruggen vormen van oudsher een aantrekkelijke vestigingsplaats voor (pre)historische samenlevingen. Hogere dekzandruggen hebben dan ook een hoge archeologische verwachting op de verwachtingskaart van de omgevingsdienst zuidoost Brabant. Dit geldt eveneens voor beekovergangen. Lagere dekzandruggen en dekzandwelvingen hebben een middelhoge archeologische verwachting op deze kaart en beekdalen en dekzandvlakten een lage verwachting (Hessings et al., 2011). Op de beleidskaart van de omgevingsdienst is het plangebied weergegeven als een gebied zonder archeologische verwachting (bijlage 8). Het is echter omring door een zone met een hoge archeologische verwachting. Op basis van de kaart van de omgevingsdienst kan dus geconcludeerd worden dat het plangebied deel uitmaakt van een gebied met dekzandruggen, die mogelijk later verstoord zijn. Het plangebied maakt volgens de beleidskaart van de omgevingsdienst geen deel uit van de zone waarin militaire relicten uit de 17e-19e eeuw verwacht worden (bijlage 8).
Bekende waarden Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status en is ook niet opgenomen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK; bijlage 9). Het plangebied valt geheel binnen een gebied dat eerder middels een bureauonderzoek onderzocht is, in het kader van het opstellen van het bestemmingsplan Voorburg (onderzoeksmelding 2337403100 in bijlage 9; de Boer, 2012). De dubbelbestemming archeologie die op het onderhavige plangebied ligt is dus gebaseerd op deze rapportage. Volgens de Boer (2012) heeft het onderhavige plangebied een hoge archeologische verwachting. De hoge verwachting is toegekend aan de hogere delen van het landschap, die in de negentiende eeuw in gebruik waren als bouwland. Volgens de verwachtingskaart van de Boer (2012) is in het onderhavige plangebied een gracht aanwezig, die het restant van een buitenplaats is. Er geldt geen specifieke hoge verwachting op nederzettingen uit de LateMiddeleeuwen-Nieuwe Tijd vanwege het ontbreken van historische bebouwing ter plaatse van het onderhavige plangebied. Om zicht te krijgen op de potentie van een gebied en de typering van een eventuele vindplaats in het plangebied, is gebruik gemaakt van reeds gedane vondsten en reeds uitgevoerd onderzoek in de omgeving van het plangebied.
Door deze te inventariseren en de aangetroffen vindplaatsen te karakteriseren en typeren, wordt inzicht verkregen in de aard en de uiterlijke kenmerken van en mogelijke vindplaats in het plangebied: Vondsten in de omgeving van het plangebied Binnen een straal van 500 m van het plangebied zijn geen archeologische vondsten bekend. De dichtstbijzijnde vondst in de omgeving van het plangebied is een gouden munt (aureus) uit de LaatRomeinse Tijd A (vondstmelding 3137124100 in bijlage 9). Nadere informatie over de context van de vondst is niet gepubliceerd in Archis3. Nog verder van het plangebied verwijderd zijn op een 13
dekzandrug fragmenten aardewerk uit de Bronstijd, IJzertijd, Romeinse Tijd en Late-Middeleeuwen bekend (vondstmelding 2954576100 en 3094673100, ca. 680 m ten noorden van het plangebied). Onderzoeken in de omgeving van het plangebied • Volgens Archis3 maakt een groot gedeelte van het plangebied deel uit van een booronderzoek dat is uitgevoerd langs de A2 tussen Vught en Best (2317745100; Holl, 2011). Wanneer de kaarten in de rapportage bekeken worden, blijkt echter dat binnen het onderhavige plangebied geen boringen zijn uitgevoerd. De boringen die het dichtst bij het onderhavige plangebied zijn gezet liggen ongeveer 130 m ten oosten van het plangebied. Daar zijn zowel verstoorde bodemprofielen (tot 190 cm –Mv) aangetroffen als hoge enkeerdgronden met intacte podzolbodems eronder. Boven de hoge enkeerdgronden is nog een opgebracht en recent vergraven pakket aanwezig, waardoor de begraven A-horizont vanaf 1 m –Mv is aangetroffen en de B-horizont vanaf 150 cm – Mv (Holl, 2011). Later is hier een archeologische begeleiding uitgevoerd (onderzoeksmelding 2393845100; de Ridder, 2013). Deze is ongeveer 45 m ten oosten van het onderhavige plangebied gesitueerd. De sleuven die het dichtst bij het onderhavige plangebied liggen geven een verstoord profiel tot 1 m –Mv. Verder van het plangebied af zijn vondsten gedaan.
Ongeveer 200 m ten zuidoosten van het plangebied is een fragment steengoed uit de 15e of 16e eeuw aangetroffen in een paalkuil onder het eerddek. Ongeveer 450 m ten zuidoosten van het plangebied is een fragment steengoed uit de 14e of 15e eeuw aangetroffen in een recente greppel (de Ridder, 2013). • Ongeveer 450 m ten zuiden van het plangebied is een booronderzoek uitgevoerd (2127695100; Smit, 2006). Geconcludeerd is dat ter plaatse een deels afgegraven dekzandrug aanwezig is. Tijdens het verkennende booronderzoek zijn geen vondsten aangetroffen. Grote delen van het onderzochte gebied zijn verstoord. In een aantal boringen zijn nog B-horizonten aangetroffen. Hier blijft de archeologische verwachting dus hoog (Smit, 2006). • Op een dekzandrug ongeveer 450 m ten noorden van het plangebied is een booronderzoek uitgevoerd (onderzoeksmelding 2480400100; Roggen, 2015). Tijdens het booronderzoek is een esdek van 70 cm dikte op de C-horizont aangetroffen. Plaatselijk is de bodem tot in de C-horizont verstoord. • De overige onderzoeken in de omgeving van het plangebied zijn bureauonderzoeken, die een theoretische verwachting voor de desbetreffende gebieden geven maar geen informatie over de daadwerkelijke bodemopbouw en vondsten ter plekke. Samenvattend kan worden gesteld dat in de omgeving van het plangebied vondsten uit de Romeinse Tijd, Late-Middeleeuwen en Nieuwe Tijd bekend zijn.
Verder van het plangebied verwijderd zijn op dekzandruggen ook vondsten uit oudere periodes bekend. In de omgeving van het plangebied zijn onder het eerddek sporen en vondsten bekend uit de Late-Middeleeuwen-Nieuwe Tijd, die waarschijnlijk betrekking hebben op nederzettingen ter plaatse. Van de vondst uit de Romeinse Tijd is de context niet bekend. Bovenstaande bevestigt ook dat waarschijnlijk enkeerdgronden in het plangebied aanwezig zijn, waaronder mogelijk nog restanten van podzolprofielen aanwezig zijn. Hierdoor zijn mogelijke archeologische vondsten waarschijnlijk goed geconserveerd, waardoor in theorie archeologische vondsten en/of sporen uit alle periodes in het plangebied aanwezig kunnen zijn.
14
8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Historisch gebruik
Moestuin en gracht
Huidig gebruik
Bebouwing, depot, gras, bomen
Bekende verstoringen
Huidige bebouwing
Historische achtergrond en situatie Het plangebied maakt deel uit van de buitenplaats Voorburg. De oorsprong van deze buitenplaats gaat terug tot in de 16e eeuw. Het huis Voorburg is in 1772 gebouwd en lag langs De Straat Weg (de huidige Boxtelseweg). Deze weg is volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie NoordBrabant een historisch geografische lijn van redelijk hoge waarde. Ten noorden van het huis Voorburg bevond zich een bijgebouw (de Boer, 2012). De bebouwing van het landgoed bevond zich ongeveer 60 m ten noorden van het onderhavige plangebied (figuur 2). Ten oosten en ten zuiden van het huis Voorburg lag een omgracht terrein. Het onderhavige plangebied valt binnen dit zuidelijke omgrachte terrein. Binnen het omgrachte terrein is geen bebouwing aanwezig. Tegen het einde van de 19e eeuw is de buitenplaats omgevormd tot zorgpark. Een goed beeld van de historische ontwikkeling kan worden verkregen aan de hand van historisch kaartmateriaal. Op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 zijn de grachten van de buitenplaats nog steeds aanwezig (figuur 3).Volgens de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafelen is het terrein binnen de grachten in gebruik als moestuin. Rond 1866 is het perceel onderverdeeld in verschillende vlakken moestuin, maar rond 1900 zijn deze kleine paden die de moestuin onderverdelen weer verdwenen (figuur 4 en 5).