Bijlage - Bestemmingsplan Helvoirt, Molenstraat 24-26_v2
Tekst van het document
Aan de richtafstanden voor geur ten aanzien van deze bedrijven wordt echter niet voldaan. Voor het aspect geur is daarmee een aanvullende motivatie nodig. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2) wordt aan de wettelijke normen voor geur voldaan. Tevens is aangetoond dat ter plaatse en in de omgeving sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur. Daarmee is voldoende gemotiveerd van de richtafstanden voor geur af te wijken. Daarnaast wordt de bedrijfswoning met nummer 26 en een deel van de bedrijfsbebouwing omgeschakeld naar een niet-agrarische bedrijfsbestemming. De om te schakelen bedrijfswoning moet, net als de om te schakelen woning met nummer 24, worden beschouwd als een nieuw gevoelig object. Nabij de locatie zijn de veehouderijen aan de Molenstraat 22 en 26 gelegen. De woning met nummer 26 is buiten de richtafstanden voor deze bedrijven op het gebied van fijnstof en gevaar gelegen. Wel is de locatie binnen de richtafstanden voor geur en geluid van deze bedrijven gelegen, waarmee een nadere motivatie voor de aspecten geur en geluid nodig is. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2) wordt aan de wettelijke normen voor geur voldaan. Tevens is aangetoond dat ter plaatse en in de omgeving sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur.
Daarmee is voldoende gemotiveerd van de richtafstanden voor geur af te wijken. Ten slotte wordt, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 4.1.4), voldaan aan de wettelijke normen voor geluid. Tevens is aangetoond dat ter plaatse en in de omgeving sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geluid. Daarmee is voldoende gemotiveerd van de richtafstanden voor geluid af te wijken. Gezien de wettelijke normen voor geur en geluid nergens worden overschreden zal geen sprake zijn van een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van de nabijgelegen veehouderijbedrijven. Daarmee zal geen sprake zijn van een mogelijke belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies en bedrijven.
4.1.2 Geur De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de beëindiging van een intensieve veehouderij. Daarbij zal de huidige bedrijfswoning met nummer 24 worden afgesplitst van het bedrijf en worden omgeschakeld naar een burgerwoning. Tevens zal de bedrijfswoning met nummer 26 en een deel van de bij het bedrijf behorende bedrijfsbebouwing worden omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf. Zowel de burgerwoning als het gewenste niet-agrarische bedrijf zullen niet leiden tot een geurhinder aan de omgeving. De beëindiging van de veehouderij ter plaatse zal juist leiden tot een aanzienlijke afname van de 40
geurhinder aan de omgeving. Wel zullen ter plaatse, als nevenactiviteit bij het niet-agrarisch bedrijf, paarden worden gehouden en gefokt. Voor het houden en fokken van paarden geldt vanuit de Wet geurhinder dat, omdat voor paarden geen geuremissiefactoren zijn opgenomen, aan de vaste afstanden moet worden voldaan. Deze zijn als volgt: Afstand emissiepunt dierenverblijf tot gevel gevoelig object binnen bebouwde kom: 100 meter; Afstand gevel dierenverblijf tot gevel gevoelig object binnen bebouwde kom: 50 meter; Afstand emissiepunt dierenverblijf tot gevel gevoelig object buiten bebouwde kom: 50 meter; Afstand gevel dierenverblijf tot gevel gevoelig object buiten bebouwde kom: 25 meter. De nabijgelegen gevoelige objecten zijn allen buiten de bebouwde kom gelegen, waarmee de vaste afstanden van 50 meter van het emissiepunt van een dierenverblijf tot aan de gevel van de gevoelige objecten en 25 meter van de gevel van een dierenverblijf tot aan de gevel van de gevoelige objecten van toepassing zijn. Zoals nader aangegeven op de situatietekening op schaal die ten behoeve van het voorliggende plan is opgesteld, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 1 van deze toelichting, zullen de emissiepunten van de dierenverblijven voor het houden van paarden niet binnen 50 meter van omliggende gevoelige objecten gelegen zijn.
Tevens zijn de gevels van de dierenverblijven voor het houden van paarden niet binnen 25 meter van de omliggende gevoelige objecten gelegen. Daarmee wordt aan de wettelijke vaste afstanden ten aanzien van de woningen in de omgeving voldaan. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige geurhinder aan de omgeving. Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige geurhinder aan de omgeving dient eveneens, wanneer sprake is van gevoelige objecten, te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur kan worden geborgd. De af te splitsen woning met nummer 24 betreft een woning die op of na 19 maart 2000 heeft behoord tot een veehouderijbedrijf. Voor dergelijke woningen geldt een aangepast beschermingsregime op het gebied van geur. Bij dergelijke woningen wordt niet uitgegaan van de feitelijke geurbelasting, maar dient te worden voldaan aan de wettelijke vaste afstanden. De af te splitsen woning is gelegen buiten de bebouwde kom, waarmee de vaste afstanden van 50 meter van het emissiepunt van een dierenverblijf tot aan de gevel van de gevoelige objecten en 25 meter van de gevel van een dierenverblijf tot aan de gevel van de gevoelige objecten van toepassing zijn.
Zoals nader aangegeven op de situatietekening op schaal die ten behoeve van het voorliggende plan is opgesteld, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 1 van deze toelichting, is de af te splitsen woning niet binnen 50 meter van de emissiepunten en niet binnen 25 meter van de gevels van dierenverblijven van zowel de omliggende veehouderijen als van het eigen bedrijf gelegen. Daarmee wordt aan de wettelijke vaste afstanden voldaan, waarmee sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur ter plaatse van de af te splitsen woning met nummer 24. Voor de om te schakelen woning met nummer 26 geldt in feite hetzelfde als voor de af te splitsen woning met nummer 24, behalve dat de woning met nummer 26 de dierenverblijven van de gewenste paardenhouderij niet in acht hoeft te nemen omdat deze deel uitmaken van de eigen inrichting. De om te schakelen woning met nummer 26 is eveneens niet gelegen binnen een afstand van 50 meter van dierenverblijven van omliggende veehouderijbedrijven. Daarmee zal ter plaatse van de om te schakelen woning met nummer 26 eveneens sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur. Bij het gewenste niet-agrarische bedrijf zal worden voorzien in een bedrijfsverzamelgebouw voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten tot in maximaal milieucategorie 2 en in een voorziening voor statische opslag.
De voorziening voor statische opslag is, vanwege de beperkte verblijfsduur van mensen in deze ruimte, niet aan te merken als een geurgevoelig object. Het bedrijfsverzamelgebouw kan, afhankelijk van het type bedrijvigheid dat zich daarin zal vestigen, als geurgevoelig object worden beschouwd. Omdat ter plaatse sprake is van een paardenfokkerij zal de inrichting ter plaatse mede worden beschouwd 41
als een veehouderijbedrijf. Om deze reden geldt voor de gevoelige objecten binnen deze inrichting een aangepast beschermingsregime op het gebied van geur. Daarbij geldt eveneens dat niet wordt uitgegaan van de feitelijke geurbelasting, maar dient te worden voldaan aan de wettelijke vaste afstanden. Zoals nader aangegeven op de situatietekening op schaal die ten behoeve van het voorliggende plan is opgesteld, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 1 van deze toelichting, is het gedeelte van de bebouwing dat als bedrijfsverzamelgebouw zal worden gebruikt niet binnen 50 meter van een dierenverblijf van een van de omliggende veehouderijen gelegen. Voor wat betreft de omliggende veehouderijen wordt daarmee aan de wettelijke vaste afstanden voldaan. Wel is het bedrijfsverzamelgebouw binnen 50 meter van de dierenverblijven van de eigen inrichting gelegen. De toekomstige gebruikers van het bedrijfsverzamelgebouw weten dat zij een bedrijfsruimte huren op een in werking zijnde veehouderij en in de omgeving van andere veehouderijen. Het ter plaatse aanwezige woon- en leefklimaat is daarmee bekend bij aanvang van het gebruik en zal door de gebruiker als acceptabel beoordeeld worden. Daarmee is sprake van een acceptabel woon en leefklimaat voor de gebruikers van het bedrijfsverzamelgebouw.
Tevens zal de geurhinder die zal worden ondervonden vanuit de paardenhouderij van de initiatiefnemer, gezien de kleinschaligheid ervan, zeer beperkt zijn. Hiermee wordt het woon- en leefklimaat in het bedrijfsverzamelgebouw als aanvaardbaar geacht. Daarnaast zal bij het om te schakelen bedrijf als neventak worden voorzien in een voorziening voor bed & breakfast. Het is echter niet aannemelijk dat de bed & breakfast meer dan 250 dagen per jaar in gebruik zal zijn. Gezien de beperkte verblijfsduur van mensen in de voorziening en het feit dat deze niet meer dan 250 dagen per jaar in gebruik zal zijn is de bed & breakfast voorziening niet aan te merken als een geurgevoelig object. Tevens weten de gebruikers van de bed & breakfast dat zij verblijven bij een inrichting waarop paarden worden gehouden en in de omgeving van andere veehouderijen. Het ter plaatse aanwezige woon- en leefklimaat is daarmee bekend bij aanvang van het gebruik en zal door de gebruiker als acceptabel beoordeeld worden. Daarmee is sprake van een acceptabel woon en leefklimaat voor de gebruikers van de bed & breakfast voorziening. Tevens zal de geurhinder die zal worden ondervonden vanuit de paardenhouderij van de initiatiefnemer, gezien de kleinschaligheid ervan, zeer beperkt zijn. Hiermee wordt het woon- en leefklimaat in de bed & breakfast voorziening als aanvaardbaar geacht.
Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur kan worden geborgd. Het woon- en leefklimaat ten aanzien van geur in de omgeving zal, door de beëindiging van de intensieve veehouderij en het daarmee aanzienlijk afnemen van de geurhinder aan de omgeving, alleen maar worden verbeterd als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2).
Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden 42
de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. 4.1.3.1 Luchtkwaliteit vanuit de inrichting Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij ter plaatse, waarbij de huidige bedrijfswoning met nummer 24 zal worden afgesplitst van het bedrijf en zal worden omgeschakeld naar een burgerwoning. Daarnaast zal de huidige bedrijfswoning met nummer 26 en een deel van de huidige bedrijfsbebouwing worden omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf ten behoeve van een bedrijfsverzamelgebouw en een voorziening voor statische opslag. Zowel een burgerwoning als een bedrijfsverzamelgebouw (niet voor veehouderij) en een voorziening voor statische opslag leiden niet tot een onevenredige uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden en zijn daarmee aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdragen aan de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden (een zogenaamde NIBM-ontwikkeling). Als nevenactiviteit bij de niet-agrarische bedrijvigheid zal een paardenfokkerij worden opgericht. Voor paarden zijn echter geen emissienormen voor fijnstof opgenomen, waarmee paarden per definitie worden gezien als een NIBM-ontwikkeling.
Gezien de activiteiten ter plaatse aan te merken zijn als een NIBM-ontwikkeling zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit. Door de beëindiging van de intensieve veehouderij ter plaatse zal, door de aanzienlijke afname van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden, sprake zijn van een aanzienlijk mindere bijdrage aan de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden. 4.1.3.2 Luchtkwaliteit vanuit verkeersbewegingen Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden. In onderhavig geval is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2), sprake van en toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de planlocatie. Om te bepalen of de toename van het aantal verkeersbewegingen zorgt voor een in betekenende mate toenemende uitstoot van fijnstof en stikstofoxide, is met de NIBM-rekentool van InfoMil een berekening gemaakt. De grens voor een project dat als NIBM kan worden aangemerkt is 1,2 microgram per kubieke meter (µg/m³).
Zoals te zien in de volgende figuur wordt de grens van 1,2 µg/m³ met de voorgenomen ontwikkeling niet overschreden, waarmee gesteld kan worden dat ook ten aanzien van de toename van het aantal verkeersbewegingen sprake is van een NIBM-project.
Resultaten berekening NIBM-tool. 43
Bron: InfoMil. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. 4.1.3.3 Luchtkwaliteit in relatie tot het woon- en leefklimaat Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit dient, wanneer sprake is van nieuwe gevoelige objecten, te worden aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit. Vanuit landelijke wetgeving is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van fijnstof wanneer de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden niet meer dan 40 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) bedraagt. De provincie Noord-Brabant heeft deze norm echter aangescherpt. Binnen de provincie Noord-Brabant geldt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit als de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden niet meer dan 31,2 µg/m³ bedraagt.
Volgens gegevens uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin eveneens de resultaten uit de Monitoringstool van het NSL zijn opgenomen, bedragen de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden, zoals is weergegeven in de volgende figuren, ter plaatse ongeveer 18,7 µg/m³ en 19,4 µg/m³. Dit is ruimschoots onder de norm voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Gezien bij de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de voorgaande paragrafen, sprake is van een NIBM-ontwikkeling zal de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden ter plaatse en in de omgeving niet onevenredig toenemen en zal de norm voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet worden overschreden. Daarmee kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse en in de omgeving worden geborgd. Het woon- en leefklimaat ter plaatse en in de omgeving zal met de voorgenomen ontwikkeling juist worden verbeterd door het beëindigen van de intensieve veehouderij ter plaatse.
Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof. Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.
44
Uitsnede kaart achtergrondconcentratie stikstofoxiden. Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.
4.1.4 Geluid De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.. Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen: Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg. Woonwagenstandplaatsen. Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt het volgende: Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT: De geluidsbelasting ten gevolge van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT voldoet aan de normstelling uit stap 2 van het stappenplan uit de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. Ter plaatse van de woonomgeving is er zodoende sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Maximaal geluidsniveau LAmax : Het maximale geluidsniveau voldoet aan de normstelling die volgt uit stap 3 van het stappenplan uit de 45
VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. Deze normstelling komt overeen met de normstelling uit het Activiteitenbesluit en de grenswaarde die bij vergunningverlening gebruikelijk is. Ter plaatse van de woonomgeving is er zodoende sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Indirecte hinder: De geluidsbelasting ten gevolge van de indirecte hinder voldoet aan de normstelling uit stap 2 van het stappenplan uit de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. Daarom wordt geconcludeerd dat er ter plaatse van de woonomgeving sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de volledige rapportage van het uitgevoerde onderzoek wordt verwezen naar bijlage 5 van deze toelichting. Gezien het voorgaande zal geen sprake zijn van een onevenredige geluidshinder aan de omgeving en zal ter plaatse van de voorgenomen om te schakelen woningen sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geluid.
4.1.5 Volksgezondheid Veehouderijen kunnen mogelijk gezondheidseffecten veroorzaken op omwonenden. Dit speelt met name bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. Effecten van veehouderijen op de volksgezondheid, kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via diercontact, via de lucht, via de mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. Besmettingsgevaar wordt geregeld in de wetgeving voor volksgezondheid. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevatten geen toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor Volksgezondheid zijn geregeld. Mensen kunnen echter in contact komen met de micro-organismen die dieren bij zich dragen door direct contact met de dieren, de mest of stof, of via inademing van de lucht. Daarom dienen de effecten en risico's op de volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht. 4.1.5.1 Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 Middels de "Handreiking veehouderij en volksgezondheid" wordt een aanpak aangedragen hoe zorgvuldig en praktisch om te gaan met het aspect volksgezondheid bij de ontwikkeling van veehouderijen of het toepassen van de omgekeerde werking. De Handreiking bevat een praktisch stappenplan waarin de afweging wordt gemaakt of de gemeente zelf de volksgezondheid beoordeelt, of dat een GGD-advies noodzakelijk wordt geacht.
Het onderhavige initiatief voldoet aan de wettelijke en gemeentelijke bepalingen die worden genoemd in de Wet geurhinder en veehouderij en de gemeentelijke geurverordening, de Wet milieubeheer, titel 5.2 luchtkwaliteitseisen en de bepalingen uit de provinciale Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant op het gebied van geur en fijnstof. Daarnaast worden er geen geiten of meerdere diersoorten gecombineerd gehouden, is er geen sprake van mestbewerking als nevenactiviteit en is geen sprake van ongerustheid bij omwonenden met betrekking tot de volksgezondheid. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij voor het houden van varkens beëindigd. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee een positief effect hebben op de volksgezondheid en eventuele ongerustheid bij omwonenden juist wegnemen, omdat de varkenshouderij wordt beëindigd. Gezien het voorgaande ontbreekt de noodzaak om de GGD om een advies te vragen. 4.1.5.2 Volksgezondheid ten aanzien van varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Hierin zijn richtafstanden opgenomen die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving.
Deze afstanden bedragen 200 meter ten aanzien van varkenshouderijen en 500 meter ten aanzien van pluimveehouderijen. De locatie is binnen de aangegeven richtafstand van een varkenshouderij gelegen. De locatie is niet binnen 46
de aangegeven richtafstand van een pluimveehouderij gelegen. Het gebruik ten aanzien van de huidige situatie zal voor wat betreft de woningen niet wijzigen. De woningen zijn en blijven in gebruik als woning. Er is daarmee geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Het bedrijfsverzamelgebouw kan mogelijk als gevoelig object worden aangemerkt. Dit is afhankelijk van de aard van de bedrijven dat zich in het gebouw zal gaan vestigen. Echter zullen de gebruikers van het bedrijfsverzamelgebouw op de hoogte zijn van het feit dat zij een bedrijfsruimte huren nabij varkenshouderijbedrijven. Het ter plaatse aanwezige woon- en leefklimaat met betrekking tot volksgezondheid is daarmee bekend bij aanvang van het gebruik en zal door de gebruiker als acceptabel beoordeeld worden. Daarmee is sprake van een acceptabel risico op de volksgezondheid voor de gebruikers van het bedrijfsverzamelgebouw. 4.1.5.3 Volksgezondheid ten aanzien van geitenhouderijen Volgens het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) en de aanvullende studies daarop (VGO 2) blijkt dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven mogelijk een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet.
Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of er een relatie is tussen de aanwezigheid van de geitenhouderijen en de gevallen van longontsteking. Tot die tijd dienen de effecten en risico's op het gebied van volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht wanneer er binnen 2 kilometer van een geitenhouderij een ontwikkeling plaatsvindt. Op ongeveer 1.100 meter van de locatie is een geitenhouderij gelegen. Dit levert mogelijk effecten op de volksgezondheid op. Echter is er bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een gewijzigd gebruik van de woningen. De bedrijfswoningen zijn al in gebruik als woning en dit zal met de voorgenomen ontwikkeling zo blijven. Voor wat betreft de woningen is daarmee geen sprake van een verhoogd risico op de volksgezondheid in relatie tot geitenhouderijen. Het bedrijfsverzamelgebouw kan mogelijk als gevoelig object worden aangemerkt. Dit is afhankelijk van de aard van de bedrijven dat zich in het gebouw zal gaan vestigen. Echter zullen de gebruikers van het bedrijfsverzamelgebouw op de hoogte zijn van het feit dat zij een bedrijfsruimte huren nabij varkenshouderijbedrijven en een geitenhouderij. Het ter plaatse aanwezige woon- en leefklimaat met betrekking tot volksgezondheid is daarmee bekend bij aanvang van het gebruik en zal door de gebruiker als acceptabel beoordeeld worden.
Daarmee is sprake van een acceptabel risico op de volksgezondheid voor de gebruikers van het bedrijfsverzamelgebouw.
4.1.6 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. In de navolgende paragraaf worden beide begrippen verder uitgewerkt. 4.1.6.1 Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Deze begrippen zijn als volgt nader te omschrijven: Plaatsgebonden risico: Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met 47
zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico: Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. 4.1.6.2 Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes.
Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.
Tabel wanneer verantwoording van het groepsrisico. Bron: Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN). Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.
48
4.1.6.3 Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enz.. 4.1.6.4 Werkdocument Verantwoording Groepsrisico Haaren De voormalige gemeente Haaren heeft met het werkdocument "Verantwoording Groepsrisico Haaren" beschreven hoe de gemeente omgaat met externe veiligheidsvraagstukken binnen haar gemeente. Dit werkdocument dient aanvullend op de landelijke wetgeving betrokken te worden bij de beoordeling van de externe veiligheidsrisico's. 4.1.6.5 Inventarisatie risicobronnen De externe veiligheidsrisico's voor het plangebied zijn met behulp van de nationale risicokaart geïnventariseerd (zie hiervoor de volgende figuur).
Uitsnede Risicokaart. Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO). Nabij de locatie zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. Op de locatie zelf zijn ook geen risicovolle elementen aanwezig. Bij de gewenste ontwikkeling zal ook geen sprake zijn van het oprichten van een Bevi-inrichting en/of -installatie. Wel is de locatie nabij de provinciale weg N65 gelegen. 4.1.6.6 Toetsing Risicobronnen: Ten noorden van het plangebied (op ongeveer 700 meter) loopt de provinciale weg N65. Over deze weg worden stoffen van de categorieën LF1, LF2, LTl en LT2 vervoerd. De stof LT2 heeft het grootste invloedsgebied met 880 meter. Het plangebied is daarmee binnen het invloedsgebied van de provinciale weg N65 gelegen. Tevens is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Tilburg-'s-Hertogenbosch. Het 49
betreft het invloedsgebied van het rampscenario 'Toxische wolk' (stofcategorie D4 = zeer toxische vloeistof, invloedsgebied >4.000 meter). Het groepsrisico dient, conform art. 7 Bevt, verantwoord te worden. Ook dient de veiligheidsregio om advies gevraagd te worden (art. 9 Bevt). Het plangebied valt niet binnen de 200 meter contour van de transportroutes. Het groepsrisico hoeft daarom maar beperkt verantwoord te worden (art. 8, lid 1 Bevt). Dat wil zeggen dat er enkel ingegaan dient te worden op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Werkdocument Verantwoording Groepsrisico Haaren: De voormalige gemeente Haaren heeft beschikt over een werkdocument "Verantwoording groepsrisico Haaren". De gemeente Vught heeft voor het grondgebied van de voormalige gemeente Haaren nog geen nieuw werkdocument opgesteld, waarmee het document van de voormalige gemeente Haaren vooralsnog van toepassing blijft. In dit document worden zones langs transportroutes benoemd. Voor de spoorwegen en de N65 zijn drie zones gegeven. Deze zijn weergegeven in de volgende figuur.
Tabel zones groepsrisico spoorwegen en N65. Bron: Gemeente Vught. Het plangebied valt in zone 3. Het werkdocument zegt het volgende over deze zone: "Zone 3: 200-1500 meter Vanaf 200 meter zijn mensen binnenshuis in principe voldoende veilig voor een BLEVE. Vanaf 200 meter wordt daarom alleen nog rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk. In dit gebied kan bescherming wordt geboden door ramen en deuren te sluiten. Voor alle objecten geldt verantwoordingsniveau 3." De locatie is niet gelegen binnen de 100% en 1% letaliteitsgrens van een hogedruk-aardgastransportleiding gelegen. Verantwoordingsniveau 3a is van toepassing op onderhavig plan. De voorwaarden uit deze verantwoording niveau 3a zijn meegenomen in de paragraaf "(Beperkte) Verantwoording groepsrisico" (paragraaf 4.1.6.7).
50
4.1.6.7 (Beperkte) Verantwoording groepsrisico Vanwege de ligging van de locatie in het invloedsgebied van de provinciale weg N65 en de spoorlijn Tilburg - 's-Hertogenbosch dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij is de Veiligheidsregio conform artikel 9 van het Bevt om advies gevraagd. Het advies is verwerkt in deze verantwoording. Scenario('s): Het relevante scenario voor het plangebied in relatie tot het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreidt. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Personendichtheid en hoogte van het groepsrisico: De locatie is gelegen op grote afstand van de risicobron. De toename van het aantal personen door het plan binnen het invloedsgebied van de risicobron is zeer beperkt. Dit zorgt ervoor, dat de toename van het groepsrisico niet zichtbaar zal doorwerken in de rekenkundige hoogte van het groepsrisico.
Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico: De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze grote afstand tot de risicobron geen item. Zoals gesteld heeft op deze afstand een toe- of afname van personendichtheid geen invloed op het groepsrisico. Verder is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. Veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch. Mogelijkheden bestrijdbaarheid van een calamiteit: De bestrijdbaarheid wordt op twee aspecten beoordeeld: 1. Is het rampscenario te bestrijden? Gezien de afstand van het plangebied tot de provinciale weg N65 is het vrijkomen van een toxische wolk het maatgevende scenario. Bij (zeer) toxisch gas is het scenario dat ten gevolge van een ongeval een gat in de tankwagen ontstaat. Het giftige gas verdampt direct en er ontstaat een gaswolk die zich snel met de wind mee verspreidt. Bij een percentage aanwezige personen binnen het invloedsgebied van de toxische stof zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel.
De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Effectbestrijding is mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. 2. Is de omgeving voldoende ingericht om bestrijding te faciliteren? Rond de locatie zijn voldoende aan- en afvoerroutes beschikbaar voor de inzet van hulpdiensten. Er is in de directe omgeving van het plangebied onvoldoende bluswatercapaciteit aanwezig voor het blussen van secundaire branden. Zelfredzaamheid: Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario. De mogelijkheden ten aanzien van zelfredzaamheid zijn redelijk.
Er zijn geen aanwijzingen dat een grotere groep niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied woonachtig zijn. De aanwezigen zijn naar 51
verwachting voldoende mobiel om zelfstandig te kunnen vluchten. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt, en verandert niet in onevenredige mate. Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang dat het plangebied: 1. goed te alarmeren is: In geval van een calamiteit kan NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat men op dat moment het beste kan doen. 2. goed te schuilen is: Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. 3.
goed te ontvluchten is: Bij het plangebied zijn voldoende vluchtwegen gelegen, zodat bij een calamiteit van de risicobron afgevlucht kan worden. 4.1.6.8 Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. De locatie ligt binnen het invloedsgebied van de provinciale weg N65. Het groepsrisico is beperkt verantwoord en wordt aanvaardbaar geacht. De volgende overwegingen spelen daarbij een rol: Binnen het plangebied zijn alleen voldoende zelfredzame personen aanwezig; Het aantal personen binnen het plangebied zal beperkt toenemen; De mogelijkheid tot zelfredzaamheid (schuilen) wordt voldoende geacht in geval van een toxische wolk. Het plan voldoet aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in het werkdocument "Verantwoording Groepsrisico Haaren" van de voormalige gemeente Haaren. De veiligheidsregio ziet geen aanleiding tot het geven van een nader advies ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en bestrijdbaarheid van een ramp op de spoorlijn. De veiligheidsregio is hierover om advies gevraagd. De veiligheidsregio stelt dat de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed zal hebben op de zelfredzaamheid en/of bestrijdbaarheid in geval van een mogelijk incident. Er is derhalve volgens de veiligheidsregio geen reden tot nader advies.
Er zijn derhalve geen (wettelijke) belemmeringen ten aanzien van het aspect externe veiligheid voor het plan.
4.1.7 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. De woningen zijn momenteel reeds in gebruik als woningen. Derhalve is geen sprake van een wijziging van de functie. Voor wat betreft de gewenste bedrijfsactiviteiten dient te worden aangetoond dat de bodemgesteldheid de voorgenomen wijziging niet in de weg zal staan. Gezien de aard van de bedrijvigheid en de ondergrondconcentraties worden geen belemmeringen verwacht voor de voorgenomen 52
bestemmingswijziging. De te slopen bebouwing is voorzien van asbest. De sloopvergunning voor het slopen van de bebouwing is echter reeds verleend. Daarbij is een asbestinventarisatie gedaan en is een financiële afweging gemaakt van de sloop. De sloop heeft reeds plaatsgevonden en de asbest is op juiste wijze gesaneerd. Er is daarbij geen sprake geweest van het verontreinigen van de bodem met asbest. Er is daarmee geen sprake van een te verwachten verontreiniging. Hiermee kan worden gesteld dat de bodemgesteldheid ter plaatse de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging niet in de weg zal staan.
4.1.8 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen In de bomenteelt en, in sommige gevallen, akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden is een spuitzone opgenomen, waarbinnen geen nieuwe gevoelige objecten worden toegestaan. In de omgeving kan mogelijk bomenteelt plaatsvinden. De locatie is immers gelegen in een gebied dat is aangemerkt als boomteeltontwikkelingsgebied. Om deze reden dient rekening gehouden te worden met de spuitzones van de betreffende gewassen. Echter is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Het gebruik van de woning zal met de voorgenomen ontwikkeling niet wijzigen. De bestaande feitelijke situatie zal met de gewenste ontwikkeling niet wijzigen. Ten aanzien van de mogelijke gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen op gevoelige objecten is door de Gezondheidsraad op 29 januari 2014 het rapport "Gewasbescherming en omwonenden" gepubliceerd. Dit rapport bevat de resultaten van het door de gezondheidsraad uitgevoerde onderzoek naar mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid. Uit dit rapport blijkt dat op dit moment nog geen toereikend onderzoek voorhanden is waaruit de effecten blijken van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden.
Ook blijkt uit het rapport geen noodzaak tot een vaste spuitzone (van bijvoorbeeld 50 meter). In het rapport wordt opgemerkt dat wetenschappelijk niet is aan te geven hoe groot de afstand zou moeten zijn tussen een perceel waarop gespoten wordt en gevoelige objecten. De precieze relatie tussen de afstand en de blootstelling en het hiermee mogelijk samenhangende risico is onbekend. Wel dient een afweging te worden gemaakt of bij een perceel waarop (mogelijk) bomenteelt plaatsvindt een spuitzone nodig is. Daarbij zijn de volgende aspecten van belang: de aard van het bestrijdingsmiddel (biologische of juist giftige middelen); de toedieningswijze (handmatig of machinaal spuiten, in druppel- of dampvorm spuiten, of op- en zijwaarts of neerwaarts spuiten).
Een voorbeeld hiervan is dat de rechter van oordeel was dat een spuitzone van 30 meter voor een bloembollenkwekerij onvoldoende was onderbouwd, omdat uit onderzoek was gebleken dat door de manier van spuiten van bloembollen (in neerwaartse richting) het aanhouden van een spuitzone niet noodzakelijk was vanuit het oogpunt van volksgezondheid; de frequentie van het spuiten; de weersomstandigheden (bijvoorbeeld aan de windrichting); de inrichting van het landschap (zo is van belang of er een (winterharde) groenhaag aanwezig is (of zal worden aangebracht op grond van een verplichting in de planregels) tussen een perceel waarop gespoten wordt en een gevoelige object. In dat geval blijkt wegens de reductie van drift (afhankelijk van de dikte, hoogte en type groenhaag) een (veel) kortere afstand aanvaardbaar (dan 50 meter). De omliggende percelen van de locatie worden, ondanks dat het gebied is aangemerkt als boomteeltontwikkelingsgebied, niet gebruikt ten behoeve van de bomenteelt. Er is nabij de locatie ook geen boomkwekerij gelegen. De gronden op de omliggende percelen zijn in gebruik ten behoeve van de akkerbouw. Er vindt dus geen bomenteelt plaats in de directe omgeving van de locatie. De initiatiefnemer heeft overleg gehad met de eigenaar van omliggende gronden en diens plannen kenbaar gemaakt.
Daarbij heeft de initiatiefnemer verzocht of de eigenaar van de omliggende gronden een verklaring wilde tekenen dat deze binnen 50 meter van de naar burgerwoning om te schakelen woning geen gebruik wil maken van gewasbeschermingsmiddelen of, wanneer er binnen 50 meter toch gebruik 53
wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen, driftbeperkende maatregelen wil treffen om drift van gewasbeschermingsmiddelen op de betreffende woning te voorkomen. De eigenaar van de omliggende gronden heeft deze verklaring getekend. Er is daarmee voldoende geborgd dat binnen 50 meter van de woningen geen gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. De getekende verklaring is vanwege privacy overwegingen niet als bijlage bij dit plan gevoegd, maar is bij de gemeente bekend. Er is daarmee geen sprake van een verhoogd risico ten aanzien van spuitzones voor gewasbeschermingsmiddelen.
4.1.9 Hoogspanningsverbindingen In de directe omgeving van de locatie zijn geen hoogspanningsverbindingen gelegen. Er is daarmee geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van een hoogspanningsverbinding. Tevens zal het gebruik van de woning niet wijzigen ten aanzien van de huidige situatie. Er is daarmee geen sprake van een verhoogd risico ten aanzien van hoogspanningsverbindingen in vergelijking met de huidige situatie.
4.1.10 Voortoets MER-beoordeling Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. De gewenste activiteiten komen niet voor in de C-lijst en/of de D-lijst in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Daarnaast is, zoals eveneens nader is omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3), geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. Een aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling is daarmee dan ook niet nodig.
4.2
Ecologie
4.2.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten. Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming.
54
4.2.1.1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Loonse en Drunense Duinen) is gelegen op een afstand van ongeveer 3 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied.
Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden. Bron: Aerius Calculator. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd en zal de locatie worden voorzien van een passende herbestemming. De woning met nummer 24 zal van het bedrijf worden afgesplitst en worden omgeschakeld naar een burgerwoning. Hierbij zal alleen de functie wijzigen. Er zal geen sprake zijn van bouw- en/of sloopwerkzaamheden ten behoeve van deze woning. Ook zal het feitelijk gebruik niet wijzigen. Er is voor wat betreft de woning met nummer 24 geen verschil ten aanzien van de huidige situatie. De woning met nummer 26 en een deel van de bij het huidige bedrijf behorende bedrijfsbebouwing zal worden omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf ten behoeve van een bedrijfsverzamelgebouw en een voorziening voor statische opslag. Beiden hebben geen uitstoot van ammoniak, waarmee geen sprake zal zijn van een toenemende uitstoot van stikstof als gevolg van ammoniak. Wel zal ter plaatse als nevenactiviteit worden voorzien in een paardenfokkerij met pensionstalling. Deze is 55
echter kleinschalig van aard en biedt plaats aan maximaal 10 paarden. De ammoniakuitstoot van de gehouden en gefokte paarden is vele malen lager dan die van de huidige intensieve veehouderij, waarmee de uitstoot van ammoniak in grote mate zal afnemen (de afname bedraagt 4.136,02 kilogram per jaar). Hiermee zal de depositie op de betreffende gebieden vanwege de uitstoot van ammoniak eveneens aanzienlijk afnemen. Op 7 mei 2019 is voor de gewenste situatie reeds een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming verkregen (kenmerk Z/084311-ESH). De gewenste bedrijfsactiviteiten worden uitgevoerd volgens de voorschriften uit de verkregen vergunning. Een dergelijke vergunning kan alleen worden verkregen als vooraf is aangetoond dat er geen nadelige effecten zullen zijn op de betreffende gebieden. Met de betreffende vergunning is daarmee in voldoende aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot een aantasting van de betreffende gebieden. Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad. 4.2.1.2 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden.
Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: buiten de bebouwde kom-boswet liggen; een oppervlakte hebben van 10 are of meer; rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen; Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.1.3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde.
De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben. Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort). Habitarichtlijn: 56
Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.
Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Zorplicht: Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren. Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd.
De grond op de locatie bestaat voornamelijk uit agrarische gronden bij een erf en is regelmatig in beroering. Hiermee is het aannemelijk dat zich binnen het projectgebied geen beschermde soorten planten bevinden. Binnen het projectgebied is weinig tot geen opgaande beplanting aanwezig. Hiermee is ter plaatse onvoldoende gelegenheid voor dieren om zich te verschuilen en zijn onvoldoende voedselbronnen aanwezig. Hiermee is het aannemelijk dat zich binnen het projectgebied geen beschermde diersoorten zullen bevinden. Binnen het projectgebied zijn geen broedplaatsen van vogels aanwezig. De werkzaamheden zullen daarnaast buiten het broedseizoen plaatsvinden. Er zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van het dempen van sloten. Het is daarmee niet aannemelijk dat soorten worden geschaad die zich in sloten hebben gevestigd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de sloop van bebouwing. Deze is echter geheel gesloopt. Voor de sloop is destijds een vergunning afgegeven. De toetsing aan flora en fauna heeft voor de sloop van de bebouwing tijdens de toetsing aan de voorwaarden van de vergunning voor de sloop al plaatsgevonden. Gezien de vergunningen voor de sloop van de bebouwingen zijn verleend is het niet aannemelijk dat met de sloop van de bebouwing mogelijk beschermde soorten zijn aangetast. Daarnaast heeft de sloop betrekking op voormalige varkensstallen.
Varkensstallen zijn vanwege hygiëne-eisen en ter voorkoming van de verspreiding van ziektes ongediertevrij opgericht. Dat houdt in dat de stallen niet toegankelijk zijn voor soorten flora en/of fauna. De openingen zijn afgedicht met zeer fijnmazig gaas en deuren blijven zoveel mogelijk gesloten. Tevens zorgt de ammoniaklucht in de stallen voor een onaangenaam leefklimaat voor mogelijke soorten, waarmee soorten flora en fauna zich niet in de stallen hebben kunnen vestigen. Daarmee is het niet aannemelijk dat zich in de gesloopte stallen mogelijk beschermde soorten hebben bevonden. Op basis hiervan kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een 57
mogelijke aantasting van (leefgebieden van) beschermde soorten flora en fauna.
4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen. Het beheer van het NNN wordt in handen gegeven van de provincies. De provincies stellen in het ruimtelijk beleid regels vast ter bescherming van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft het NNN opgenomen in het Natuurnetwerk Brabant (NNB).
In het provinciale ruimtelijke beleid heeft de provincie specifieke regels opgenomen ter bescherming van het NNB, waaraan moet worden voldaan wanneer een ontwikkeling plaatsvindt in het NNB. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN/NNB gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN/NNB-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 340 meter.
Uitsnede kaart NNN. Bron: Provincie Noord-Brabant. Gezien de locatie niet in het NNN/NNB is gelegen en de relatief grote afstand tot het dichtstbijzijnde NNN/NNB-gebied zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.