Bijlage - Bestemmingsplan Helvoirt, Molenstraat 24-26_v2
Tekst van het document
58
4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken. De locatie is niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen gelegen.Gezien de locatie niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen is gelegen zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van deze gebieden onevenredig worden aangetast. Tevens is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een aanzienlijke afname van de uitstoot van ammoniak van het bedrijf. Hiermee zal voor wat betreft de Wav-gebieden sprake zijn van een aanzienlijk verbeterde situatie.
4.3
Archeologie en cultuurhistorie
4.3.1 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op. De gemeente Vught heeft de archeologische verwachtingswaarden vastgelegd in een bestemmingsplan aan de hand van dubbelbestemmingen. Vanuit het bestemmingsplan "Parapluplan Archeologie" is de locatie gelegen in een gebied met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'.
Over een deel van de locatie (het zuidwestelijk deel van de locatie) is de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 3' gelegen. Ten aanzien van de gebieden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 50 m² en dieper dan 30 centimeter onder maaiveld. Voor gebieden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' geldt deze onderzoeksplicht bij ingrepen van meer dan 100 m² en dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van bouwwerkzaamheden. De gewenste activiteiten vinden in zijn geheel plaats in bestaande bebouwing. Wel is sprake van sloop van bebouwing. Voor werkzaamheden binnen een bouwvlak geldt een uitzondering op de onderzoeksplicht, mits deze op niet meer dan 2,5 meter van de bestaande fundering van de aanwezige bebouwing plaatsvindt, omdat deze gronden al verstoord zijn door de bouw van de aanwezige bebouwing. De ingrepen op de locatie vinden niet plaats op een afstand van meer dan 2,5 meter van de bestaande bebouwing, waarmee nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Daarnaast is de te slopen bebouwing reeds gesloopt. Voor de sloop is een vergunning verkregen. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake meer van bodemverstorende activiteiten.
Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische resten zullen worden geschaad.
59
4.3.2 Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd. Zoals te zien in de volgende figuur zijn nabij de locatie verschillende cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.
Uitsnede cultuurhistorische waardenk aart. Bron: Provincie Noord-Brabant. De locatie is in een lint gelegen dat is aangemerkt als historische stedenbouw. Het is daarbij van belang dat de structuur van het historische lint niet onevenredig zal worden aangetast. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een kleinschalige ontwikkeling. Het intensieve veehouderijbedrijf ter plaatse zal worden beëindigd. De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats binnen het huidige aanwezige bouwvlak en op het bestaande erf. Er is daarmee geen sprake van een aantasting van het historische lint en/of de structuur ervan. Op het erf zelf zal de bebouwing afnemen, waarmee een verbeterd doorzicht ontstaat naar het achterliggende open agrarische landschap. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee bijdragen aan de beleving van het gebied. Er zal daarmee geen sprake zijn van een aantasting van het historische lint. Nabij de locatie zijn enkele historisch waardevolle panden gelegen. De voorgenomen ontwikkeling zal echter geen betrekking hebben op deze panden en zal geen invloed hebben op deze panden. De betreffende historische panden zullen daarmee niet worden geschaad. Verschillende wegen in de omgeving, waaronder de Molenstraat, zijn aangemerkt als historisch geografische lijnen in het landschap met een redelijk hoge waarde.
Het is van belang dat de structuren van deze lijnen en het landschap niet worden aangetast. De voorgenomen ontwikkeling is relatief kleinschalig van aard en zal geheel binnen het bestaande bouwvlak en op het bestaande erf plaatsvinden. Er zullen geen wijzigingen plaatsvinden aan de wegen en/of de lijnen in het landschap. Op de locatie zal de bebouwing als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling afnemen, waarmee verbeterde zichtlijnen naar het 60
achterliggende landschap ontstaan. Deze zullen de historisch geografische lijnen alleen maar versterken. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een aantasting van de betreffende historisch geografische lijnen. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen.
4.3.3 Aardkundig waardevolle gebieden Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. De locatie is niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen. Gezien de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.
4.4
Verkeer en parkeren
4.4.1 Infrastructuur en parkeren Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Molenstraat. De locatie is voorzien van meerdere inritten welke aansluiten op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's en vrachtwagens om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur. In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal worden voorzien in een bedrijfsverzamelgebouw.
De indeling van het gebouw zal afhankelijk zijn van het soort en de grootte van de bedrijven die zich in het gebouw willen vestigen. In de worst-case situatie zullen maximaal 8 kleinschalige bedrijven in het bedrijfsverzamelgebouw actief zijn. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de parkeerkencijfers uit de publicatie "Toekomstbestendig parkeren" van het kennisplatform CROW. Voor bedrijfsgebouwen in het buitengebied geldt een parkeernorm van 1,7 parkeerplaatsen per 100 m² bruto vloeroppervlakte. Het bedrijfsverzamelgebouw heeft een oppervlakte van 594 m², waarmee voor het bedrijfsverzamelgebouw 10,098 (afgerond 10) parkeerplaatsen nodig zijn. Daarnaast zal een voorziening voor statische opslag worden opgericht. Voor statische opslag in het buitengebied geldt vanuit de publicatie van het CROW een parkeernorm van 0,8 per 100 m² bruto vloeroppervlak. De statische opslag heeft een oppervlakte van 1.125 m², waarmee voor de statische opslag 9 parkeerplaatsen nodig zijn. Ten behoeve van de pensionstalling en paardenhouderij zal ruimte worden geboden aan maximaal 10 paarden. Het halen, brengen en/of verzorgen van de paarden zal uitsluitend op afspraak plaatsvinden, waarmee het aantal aanwezige personen gedoseerd kan worden. In de worst-case situatie zullen maximaal 4 personen aanwezig zijn ten behoeve van de fokkerij en de pensionstalling voor paarden.
De bed & breakfast voorziening voorziet in 1 kamer. Dit betekent dat wanneer de bed & breakfast voorziening in gebruik is er maximaal één auto aanwezig zal zijn ten behoeve van deze voorziening. In zeer uitzonderlijke situaties zal mogelijk sprake zijn van 2 auto's ten behoeve van de bed & breakfast. Het verkooppunt is met name bedoeld voor gebruikers van de pensionstalling en paardenfokkerij. Daarbij 61
zal geen sprake zijn van een grote publieksaantrekkende werking. In de worst-case situatie zullen, naast de overige activiteiten, maximaal 2 auto's aanwezig zijn ten behoeve van het verkooppunt. In totaal zal in de worst-case situatie sprake zijn van maximaal 30 voertuigen op het perceel die een parkeerplaats nodig zullen hebben. Daarvan zullen er maximaal vijf vrachtwagens op het bedrijf aanwezig zijn. De voertuigen zullen echter niet gelijktijdig op het bedrijf aanwezig zijn. Wel is rekening gehouden met de worst-case situatie bij de parkeerbehoefte. Op het bedrijf wordt daarom voorzien in voldoende ruimte voor 27 parkeerplaatsen, waarvan 5 geschikt voor vrachtwagens. Hiermee zal het parkeren, ook na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer, geheel op eigen terrein plaatsvinden en zal geen sprake zijn van een toenemende parkeerdruk en parkeerbehoefte in de openbare ruimte.
4.4.2 Verkeersbewegingen Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij. De huidige aanwezige agrarische bedrijfswoning met nummer 24 zal daarbij worden afgesplitst van het bedrijf en worden omgeschakeld naar een burgerwoning. Het gebruik van de woning zal niet wijzigen. Het is momenteel een woning en blijft een woning. Het aantal verkeersbewegingen ten behoeve van de woning met nummer 24 zal daarmee niet wijzigen ten opzichte van de huidige situatie. De huidige aanwezige agrarische bedrijfswoning met nummer 26 zal worden omgeschakeld naar een niet-agrarische bedrijfswoning. Ook deze woning is reeds in gebruik als bedrijfswoning. Dat zal na omschakeling eveneens niet veranderen. Het aantal verkeersbewegingen ten behoeve van de bedrijfswoning met nummer 26 zal daarmee eveneens niet wijzigen. In de huidige situatie is sprake van een volwaardig intensief veehouderijbedrijf, zijnde een varkenshouderij. Ten behoeve van het bedrijf vinden in de huidige situatie de volgende verkeersbewegingen plaats: Leveren van dieren: 2 vrachtwagens per week, leidt tot 4 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer. Afvoeren van dieren: 2 vrachtwagens per week, leidt tot 4 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer. Leveren van voer: 1 vrachtwagen per week, leidt tot 2 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer.
Afvoeren van mest: 1 vrachtwagen per week, leidt tot 2 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer. Controle/bezoek dierenarts: 1 bestelauto of personenauto per week, leidt tot 2 verkeersbewegingen per week met personenvervoer. Levering van overige diensten en goederen: 2 bestelauto's en/of personenauto's per week, leidt tot 4 verkeersbewegingen per week met personenvervoer. Totaal: gemiddeld 18 verkeersbewegingen per week, waarvan 12 met vrachtverkeer. Deze verkeersbewegingen komen in zijn geheel te vervallen. In de gewenste situatie wordt voorzien in verschillende functies. Ter plaatse zal een bedrijfsverzamelgebouw worden uitgevoerd. Vanuit de kencijfers voor verkeersgeneratie uit de publicatie "Toekomstbestendig parkeren" van het kennisplatform CROW geldt voor bedrijfsverzamelgebouwen in het buitengebied een verkeersgeneratie van 7 verkeersbewegingen per 100 m² bruto vloeroppervlakte per dag. Het bedrijfsverzamelgebouw heeft een oppervlakte van 594 m², waarmee sprake is van 41,58 (afgerond 42) verkeersbewegingen per dag. Het bedrijfsverzamelgebouw zal gemiddeld 6 dagen per week in gebruik zijn, waarmee sprake is van gemiddeld 252 verkeersbewegingen per week in de worst-case situatie voor het bedrijfsverzamelgebouw. Verder wordt voorzien in statische opslag. De opslag is uitsluitend op afspraak beschikbaar en is daarmee beperkt in het aantal haal- en brengmomenten.
Gemiddeld zullen in de worst-case situatie 4 haal- en brengmomenten per dag plaatsvinden. Dit leidt tot gemiddeld 8 verkeersbewegingen per dag ten behoeve van de statische opslag. De statische opslag zal gemiddeld 5 dagen per week geopend zijn, waarmee sprake is van gemiddeld 40 verkeersbewegingen per week in de worst-case situatie voor de statische opslag. 62
Daarnaast is sprake van een paardenfokkerij. Daarbij worden gemiddeld 1 keer per maand dieren aan- en afgevoerd. Tevens wordt gemiddeld 1 keer per maand voer en stro geleverd en wordt 1 keer per maand mest afgevoerd. Iedere levering of afvoer van dieren, voer, stro en mest leidt tot 2 verkeersbewegingen, waarmee sprake is van gemiddeld 6 verkeersbewegingen per maand voor de paardenfokkerij. Gemiddeld genomen betreft dit 1,5 (afgerond 2) verkeersbewegingen per week in de worst-case situatie voor de paardenfokkerij. Op de locatie zal daarnaast pensionstalling van paarden plaatsvinden. Hiervoor zullen gemiddeld 2 bezoekers/gebruikers per dag in de stalling aanwezig zijn. Dit leidt tot gemiddeld 4 verkeersbewegingen per dag ten behoeve van de pensionstalling voor paarden. De pensionstalling zal 7 dagen per week geopend zijn, wat leidt tot gemiddeld 28 verkeersbewegingen per week in de worst-case situatie voor de pensionstalling. Verder is sprake van een bed & breakfast voorziening op de locatie. Deze beschikt over 1 kamer. Gemiddeld genomen zal de bed & breakfast voorziening in de worst-case situatie slechts 1 keer per week in gebruik zijn, wat leidt tot 2 verkeersbewegingen per week voor de aankomst en het vertrek vanuit de bed & breakfast voorziening. Verder zal sprake zijn van enkele verkeersbewegingen per verblijf voor uitstapjes.
In de worst-case situatie zal gemiddeld genomen sprake zijn van 4 uitstapjes per verblijf, wat in totaal leidt tot gemiddeld 10 verkeersbewegingen per week in de worst-case situatie voor de bed & breakfast voorziening. Ten slotte is er sprake van een verkooppunt voor bedrijfsgerelateerde producten. De meeste gebruikers van het verkooppunt zijn echter gasten of gebruikers op de locatie en komen niet apart voor het verkooppunt. Echter zal incidenteel een bezoeker van buitenaf gebruik maken van het verkooppunt. In de worst-case situatie zal daarbij sprake zijn van 2 extra bezoekers per dag, wat leidt tot gemiddeld 4 verkeersbewegingen per dag voor het verkooppunt. Het verkooppunt zal maximaal 5 dagen per week geopend zijn, waarmee sprake is van gemiddeld 20 verkeersbewegingen per week in de worst-case situatie voor het verkooppunt. In de gewenste situatie zal daarmee in de worst-case situatie sprake zijn van de volgende verkeersbewegingen: Bedrijfsverzamelgebouw: gemiddeld 252 verkeersbewegingen per week. Statische opslag: gemiddeld 40 verkeersbewegingen per week. Paardenfokkerij: gemiddeld 2 verkeersbewegingen per week. Pensionstalling: gemiddeld 28 verkeersbewegingen per week. Bed & breakfast: gemiddeld 10 verkeersbewegingen per week. Verkooppunt: gemiddeld 20 verkeersbewegingen per week. Totaal: gemiddeld 352 verkeersbewegingen per week, waarvan gemiddeld 27 met vrachtverkeer.
Bij het bepalen van het gemiddelde aantal verkeersbewegingen per week is uitgegaan van de volgende uitgangspunten: Het bedrijfsverzamelgebouw zal gemiddeld 6 dagen per week in gebruik zijn. De pensionstalling zal 7 dagen per week geopend en in gebruik zijn. De statische opslag zal maximaal 5 dagen per week geopend zijn. Het verkooppunt zal gemiddeld 5 dagen per week geopend zijn. Tevens is uitgegaan van de worst-case situatie. In de praktijk zal het aantal verkeersbewegingen in de gewenste situatie vele malen lager zijn. De worst-case situatie zal slechts incidenteel plaatsvinden (waarschijnlijk zelfs nooit). Met de gewenste ontwikkeling zal, in de worst-case situatie sprake zijn van een toename van ongeveer 334 verkeersbewegingen per week, waarvan 15 met vrachtverkeer. Omdat het aandeel vrachtverkeer (zeer) beperkt is zal de overlast als gevolg van het verkeer niet in onevenredige mate toenemen. De toename van gemiddeld 334 verkeersbewegingen per week houdt gemiddeld genomen 48 verkeersbewegingen per dag in. Deze verkeersbewegingen zullen uitsluitend in de dagperiode (6:00 tot 19:00) plaatsvinden. Dit betekent gemiddeld genomen slechts maximaal 4 tot 5 verkeersbewegingen per uur (tijdens de periode van 11 uur gedurende de dagperiode). Omdat de verkeersbewegingen grotendeels verkeersbewegingen 63
met personenvervoer betreffen zal de overlast aan de omgeving zeer beperkt zijn en zal de capaciteit van de Molenstraat ruim voldoende zijn om deze toename te kunnen verwerken. Daarnaast zal gemiddeld 4 tot 5 verkeersbewegingen per uur (en maximaal 4 vrachtwagens per dag) niet leiden tot een onevenredige hinder aan de omgeving.
4.5
Wateraspecten
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden. De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap De Dommel (hierna: het waterschap). De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd.
Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Hiermee geven de waterschappen ook invulling aan de wens van met name de zogenaamde grensgemeentes die in het verleden te maken hadden met verschillend beleid van de waterschappen. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Bij het invullen van de compensatieopgave wordt tevens gekeken naar de mogelijke realisering van andere waterdoelen. Het gaat hierbij dus om een optimale inpassing van een plan in zijn omgeving, waarbij ook gekeken moet worden naar het huidig en toekomstig functioneren van het totale (deel)stroomgebied waar de ontwikkeling onderdeel van uitmaakt.
Naast het behoud van voldoende systeemrobuustheid, kan hiermee beter invulling worden gegeven aan de gewenste doelmatigheid. Bovendien biedt dit mogelijkheden voor waterschappen en gemeenten om ook andere dan hydrologische aspecten mee te nemen in de afweging. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het oplossen van waterkwaliteitsknelpunten of het tegengaan van verdroging. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft er toe geleid dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatie-opgave. Voor grotere plannen volstaat de rekenregel niet voor het bepalen van de compensatie-opgave, omdat de impact van dergelijke plannen op het watersysteem (veel) groter is. Voor grote plannen is daarom altijd een waterhuishoudkundig onderzoek door de initiatiefnemer noodzakelijk en dient het waterschap vroegtijdig te worden betrokken. Voor een optimale inpassing van plannen met een uitbreiding van het verhard oppervlak is het noodzakelijk het waterschap in een vroeg stadium te betrekken. Dit geldt zowel voor kleine als grote plannen.
Alleen op deze wijze kunnen waterbeheerder en initiatiefnemer gezamenlijk zorgen voor het behoud van de robuustheid van het watersysteem en kan wateroverlast in de toekomst zoveel mogelijk worden beperkt. 64
4.5.1 Voorgenomen activiteit Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van beëindiging van de intensieve veehouderij ter plaatse, waarbij een van de bedrijfswoningen wordt omgeschakeld naar een burgerwoning en de andere bedrijfswoning en een deel van de bij het bedrijf behorende bedrijfsbebouwing wordt omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf. Het overtollige deel van de aanwezige bedrijfsbebouwing zal worden gesloopt. Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap de volgende richtlijnen: Voor ontwikkelingen waarbij het verharde oppervlak niet toeneemt of met minder dan 500 m² toeneemt is geen aanvullende compensatie nodig.
Voor ontwikkelingen waarbij het verharde oppervlak toeneemt met meer dan 500 m², maar minder dan 10.000 m², dient compenserende waterberging te worden toegepast. Hiervoor dient gebruik te worden gemaakt van de rekenregel. Voor ontwikkelingen waarbij het verharde oppervlak toeneemt met 10.000 m² of meer dient in overleg met het waterschap maatwerk te worden toegepast. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal ongeveer 1.742 m² aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing (gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde) worden gesloopt. Tevens zal een spoelplaats van ongeveer 60 m² worden verwijderd. Er zal ongeveer 147 m² aan nieuwe bebouwing worden opgericht. Verder zal nog een rangeerterrein van ongeveer 1.612 m² worden aangelegd. Het rangeerterrein wordt echter aangelegd met halfverharding, waarmee dit niet wordt beschouwd als niet verhard oppervlak. Het verhard oppervlak zal daarmee (aanzienlijk) afnemen op de locatie. Zelfs wanneer het rangeerterrein wordt meegenomen dan nog is sprake van een afname van het verhard oppervlak ter plaatse. Aanvullende compensatie is daarmee niet noodzakelijk.
Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden: zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen; duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast; De locatie is voorzien van riolering, waar het afvalwater van de bedrijfswoning op wordt geloosd. Het bedrijfsafvalwater wordt middels een gescheiden stelsel afgevoerd. Hemelwater wordt hierbij niet afgevoerd op het rioleringssysteem, maar wordt middels dakgoten en straatkolken opgevangen in een bergingsvoorziening. Hiermee is geen sprake van afkoppeling van hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallaties. Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.
4.5.2 Compenserende waterberging Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen dient compenserende waterberging plaats te vinden om wateroverlast te voorkomen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Voorgenomen activiteit" (paragraaf 4.5.1) is voor de voorgenomen ontwikkeling geen compenserende waterberging nodig. 65
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven: "Artikel 6.2.1 Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e.
de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte." Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een in het betreffende artikel genoemde bouwplan, waarmee geen exploitatieplan nodig is. Kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure zijn daarnaast voor rekening van de initiatiefnemer. Gemaakte kosten door de gemeente worden middels het heffen van leges op de initiatiefnemer verhaald, zoals is opgenomen in de legesverordening van de gemeente Vught. Hiermee kan worden gesteld dat het project financieel haalbaar wordt geacht.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het voorliggend plan betreft een herziening op het bestemmingsplan "Buitengebied Vught 2022" van gemeente Vught en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen, op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl.
5.2.1 Zienswijzen In het kader van de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het ontwerp van dit bestemmingsplan ter inzage gelegen van 9 november 2023 tot en met 20 december 2023. Tijdens deze termijn is door de provincie Noord-Brabant een zienswijze ingediend. Kort samengevat heeft de zienswijze betrekking op de volgende punten: 1. Ten behoeve van de ontwikkeling is een berekening gemaakt over de investering die moet worden gedaan in de ruimtelijke kwaliteit. De provincie vindt dat uit de berekening onvoldoende duidelijk is of wordt gerekend met de netto vierkante meters te slopen bebouwing en te verwijderen verharding en 66
verzoeken het plan hierop aan te vullen. 2. Een deel van het erf wordt ingericht als groen voor landschappelijke inpassing en is in de berekening voor de investering die moet worden gedaan in de ruimtelijke kwaliteit ook als zodanig afgewaardeerd. De provincie is van mening dat dit uitmaakt van het bouwperceel (erfinrichting) en dat dit dus niet meegenomen mag worden in de berekening. Het betreft dan het deel dat is ingesloten tussen de bedrijfsbebouwing. 3. De provincie is van mening dat ook het groen tussen de woning met nummer 24 en de paardenbak niet meegenomen mag worden als kwaliteitsverbetering omdat dit een functionele inrichting van het woonperceel betreft. 4. De provincie vindt dat in het landschappelijk inrichtingsplan dat is opgesteld voor de ontwikkeling een goede landschapsanalyse is gemaakt en ziet kansen om deze door te vertalen in de landschappelijke inpassing op de locatie. 5. De provincie verzoekt de regels voor boringsvrije zones zoals zijn opgenomen in artikel 3.12, lid 2 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant op te nemen in de planregels van het plan. Met de zienswijze van de provincie Noord-Brabant is als volgt omgegaan: 1. Er is gerekend met de netto vierkante meters te slopen bebouwing en te verwijderen verharding.
In de paragraaf "Regeling kwaliteitsverbetering van het landschap gemeente Vught" (paragraaf 3.3.3) van de toelichting en de berekening is dit verder verduidelijkt. 2. Het middendeel van het erf dat is ingesloten is herbestemd naar een agrarische bestemming. Dit is ook als dusdanig verwerkt in de berekening, op de tekeningen en in het landschappelijk inrichtingsplan. Het landschappelijk inrichtingsplan is daarnaast aangepast waarbij elders op het terrein aanvullende landschappelijke elementen zijn aangebracht. 3. Het betreffende groen is meegenomen in de woonbestemming. De berekening voor investering in de ruimtelijke kwaliteit is hierop aangepast. 4. Het landschappelijk inrichtingsplan is aangevuld en er wordt waar mogelijk voorzien in extra landschappelijke elementen. Echter is vanuit de omgevingsdialoog met de omwonenden naar voren gekomen dat het niet wenselijk is meer beplanting, en dan vooral opgaande beplanting, te planten aan de randen van het perceel van de initiatiefnemer. In het aangepaste landschappelijk inrichtingsplan is dit nader toegelicht. 5. De regels met betrekking tot de boringsvrije zone zijn op de juiste manier opgenomen in artikel 12.1 van de planregels behorende bij dit plan. Op basis van het voorgaande is in voldoende mate tegemoet gekomen aan de zienswijze van de provincie Noord-Brabant.
Kort samengevat heeft de zienswijze, zoals beschreven in het voorgaande, geleid tot de volgende aanpassingen: 1. In de paragraaf "Regeling kwaliteitsverbetering van het landschap gemeente Vught" (paragraaf 3.3.3) van de toelichting is een verduidelijking opgenomen dat de berekende sloop van bebouwing en verwijdering van verharding de netto afname in vierkante meters betreft. 2. Het landschappelijk inrichtingsplan (bijlage 2 van de toelichting en bijlage 2 van de planregels) is aangepast. In de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) van de toelichting is in de afbeelding(en) het aangepaste landschappelijk inrichtingsplan opgenomen. 3. De berekening kwaliteitsverbetering van het landschap (bijlage 4 van de toelichting) is aangepast. De paragraaf "Regeling kwaliteitsverbetering van het landschap gemeente Vught" (paragraaf 3.3.3) van de toelichting is hier eveneens op aangepast. 4. De situatietekeningen op schaal zijn aangepast naar aanleiding van het aangepaste landschappelijke inrichtingsplan en de aangepaste berekening kwaliteitsverbetering van het landschap. In de paragraaf "Ruimtelijke structuur" (paragraaf 2.2.1) is in de afbeelding(en) de juiste situatie opgenomen. 5. Artikel 12.1 van de planregels is aangepast.
67
5.3
Handhaving
Een bestemmingsplan en/of een omgevingsvergunning is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Vught vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van een ruimtelijk project heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van een bestemmingsplan of een vrijstelling.
68
Hoofdstuk 6 6.1
Wijze van bestemmen
Doel en reikwijdte
Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn: 1. goede ruimtelijke ordening; 2. uitvoerbaarheid. Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet. Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en; 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsregels zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en kan daarbij regels geven voor: 1. het bebouwen van de gronden; 2.
het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.
6.2
Onderdelen van een bestemmingsplan
Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart).
6.2.1 De toelichting De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht). Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid en de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effect rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). 69
Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie. Bijlagen bij de toelichting: Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar. Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument.
6.2.2 De planregels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels: In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Deze begrippen zijn soms erg belangrijk voor een goed inzicht in de gebruiksmogelijkheden. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2) bepaald; 2. Bestemmingsregels: In dit hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Als er voorlopige bestemmingen, nog uit te werken bestemmingen en/of dubbelbestemmingen zijn, worden die ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving, vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik. Ten slotte zijn (eventuele) omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden opgenomen, aangevuld met mogelijke wijzigingsbevoegdheden. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld; 3. Algemene regels: In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter die gelden voor het hele plan. Deze moeten daarom altijd goed gelezen worden voordat op basis van de bestemmingregels interpretaties worden verricht. Voorbeelden van algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, algemene procedurebepalingen maar ook regels met betrekking tot mogelijke binnenplanse afwijkingen (een binnenplanse afwijking is, zoals het woord het al zegt, een afwijkingsmogelijkheid van de regels in het bestemmingsplan zelf, dit in tegenstelling tot 'buitenplanse' afwijkingen). In de algemene regels kunnen erg belangrijke bepalingen zijn opgenomen; 4. Overgangs- en slotregels: In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel). Bijlagen bij de planregels: Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels.
6.2.3 De verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc.. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan. 70
De verbeelding wordt ook wel plankaart genoemd. Dan wordt hetzelfde bedoeld. Belangrijk te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dat digitaal bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc.. Een afgeleide van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een '.pdf-bestand' of een papieren (analoge) verbeelding. Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding geeft het digitale bestand de juridische doorslag.
6.3
Voorliggend bestemmingsplan
Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: 'Wonen', waarbij de functie wonen in een burgerwoning wordt neergelegd. 'Bedrijf', waarbij de functie beoefenen en uitvoeren van een niet-agrarisch bedrijf wordt neergelegd. 'Agrarisch', waarbij de functie uitvoeren van agrarische (bedrijfsmatige) activiteiten zonder bouwmogelijkheden wordt neergelegd. Dit plan kent de volgende noemenswaardige bijzonderheden: Het bouwvlak zal worden opgesplitst ten behoeve van de af te splitsen burgerwoning.
Het bedrijf wordt voorzien van aanduidingen die de specifieke bedrijfsactiviteiten vastleggen. De rijbak wordt voorzien van een aanduiding die de rijbak binnen de bestemming 'Agrarisch' mogelijk maakt. Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.1 van het Besluit omgevingsrecht (Bro).
71
72
Bijlagen bij de toelichting
73
Bijlage 1
Situatietekeningen op schaal
74
5
6
1 2
4
7b
3
9 2
5 7
3
1
3 8
7a 6
10
1
8 4d
4
4c
4b 4a
10 9
12
11
Situatie gewenst Situatie huidig 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12
Voorgesteld gebruik gebouwen De aanvrager:
Aanvraag omgevingsvergunning
1
3 4a 4b 4c 4d 8 7a 7b 9 10
Situatie Gemeente Sectie Nummer Schaal
1 2 3 4 5 6
d.d.:
Benaming:
Inrichtingstekening
Schaal:
Formaat:
Aanvraag omgevingsvergunning: activiteit milieu Situatietekening
1:2000
A3
Opdrachtgever:
Datum:
Leijten Varkenshouderij Molenstraat 26 5268 KE Helvoirt Telefoon: 0411-64 29 81 Mobiel: 06-20 01 06 11 E-mail: joostenwilmaleijten@gmail.com
DLV Advies Postbus 511 5400 AM Uden
Bouwlocatie:
Projectleider:
Molenstraat 26 5268 KE Helvoirt
Telefoon:
Telefoon: E-mail:
E-mail:
30-01-2018
HvB
Wijzigingen:
14-09-2018 02-10-2019 C 12-12-2019 D 23-03-2020 A
0413-336800 info.bmt@dlvadvies.nl
Dhr. A.J.M. de Groot 06-83905420 ajm.degroot@dlvadvies.nl
B
Klantnummer:
296229
HvB RD RD RD
15-06-2022 05-07-2022 G 12-10-2022 H 01-11-2022 E F
Werknummer:
B180103-61
RD RD RD RD Blad:
S10
21
Plangrens
23
G
A (Rbak)
24
25
A
Agrarisch
Opp.: 5.523 m2
B
Bedrijf
Opp.: 7.180 m2
G
Groen
Opp.: 1.724 m2
W
Wonen
Opp.: 1.523 m2
W
B
G
B
26
B
28
Molenstraat
27
=
3.543 m2
bouwvlak Bedrijf
=
524 m2
bouwvlak Wonen
www.dlvadvies.nl
DLV
Benaming:
Situatietekening
Schaal:
Formaat:
1:1000
A3
ADVIES &RESULTAAT
29 Opdrachtgever:
30
Leijten Varkenshouderij Molenstraat 26 5268 KE Helvoirt Telefoon: 0411-64 29 81
Datum:
DLV Advies Postbus 511 5400 AM Uden Telefoon: E-mail:
Bouwlocatie:
Projectleider:
Molenstraat 26 5268 KE Helvoirt
Telefoon: E-mail:
13-12-2022
RD
Wijzigingen:
0413-336800 info.bmt@dlvadvies.nl Dhr. K. Oostendorp 06-26544339 k.oostendorp@dlvadvies.nl
A B
05-04-2023 14-03-2024
Klantnummer:
296229
RD C AvdR D
06-05-2024
Werknummer:
B180103-91
RD
Blad:
R10
Bijlage 2
Landschappelijk inrichtingsplan
77
MOLENSTRAAT 24-26 HELVOIRT LANDSCHAPPELIJK VOORSTEL 5 AUGUSTUS 2024
COLOFON
INHOUDSOPGAVE
Titel document:
1 Inleiding
Molenstraat 24-26 Helvoirt Datum: 5 augustus 2024 Status:
Inrichtingsvoorstel Formaat:
Enkelzijdig liggend A4
Locatie: Molenstraat 24-26 Helvoirt
Auteur/Adviseur Van Dooren Landschap Derpt 15 4576 VW Vorstenbosch T: 06-26949922 M: Info@VanDoorenLandschap.nl
2
1.1 1.2 1.3
Aanleiding Locatie Leeswijzer
3 3 3 3
2 Landschap
4 4 4 6 7 8
3 Kaders en wensen
8 8 9
4 Inrichtingsvoorstel
10 10 13
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 3.1 3.2 4.1 4.2
Inleiding Huidige situatie Historie landschap Analyse bestaand erf Gemeentelijke visie Uitvoeringskader Wensen Landschappelijke inpassing Beplanting
BIJLAGE I Landschapsplan BIJLAGE II Beplantingsplan
1 Inleiding 1.1
Aanleiding
Op de locaties Molenstraat 24 en 26 te Helvoirt is een agrarisch bedrijf gevestigd met twee bedrijfswoningen. Het agrarisch wordt beëindigd door middel van de Regeling Omgevingskwaliteit. De woning met nummer 24 zal van het bedrijf worden afgesplitst en worden omgeschakeld naar een burgerwoning. Aan de Molenstraat 26 zal worden voorzien in een bedrijfsverzamelgebouw voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. Daarnaast zal ter plaatse worden voorzien in een statische opslag. De hoofdactiviteit ter plaatse zal dan ook bestaan uit niet-agrarische activiteiten. Als nevenactiviteiten bij de bedrijfsmatige activiteiten zal worden voorzien in een paardenfokkerij, een bed & breakfast voorziening en een verkoopruimte aan huis. Alle activiteiten zullen plaatsvinden in reeds bestaande bedrijfsbebouwing.
1.3
Leeswijzer
De aanleiding en huidige situatie is in hoofdstuk 1 beschreven. Hoofdstuk 2 biedt inzicht in de huidige situatie, de historische ontwikkeling van het landschap en de huidige landschappelijke kwaliteiten en kansen van het plangebied en omgeving. Daarnaast wordt de visie van de gemeente op het landelijk gebied beschreven en gekeken hoe de huidige situatie zich hiertoe verhoud. In hoofdstuk 3 is een onderbouwde landschappelijke inrichting. De inrichting wordt ondersteund met een beplantings- en beheerplan.
Aanduiding plangebied in paars in zijn omgeving (bron Topotijdreis.nl)
Gemeente heeft besloten medewerking te verlenen aan de omzetting onder voorwaarden. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een partiële herziening op het bestemmingsplan noodzakelijk. Hiervoor wordt een ruimtelijke onderbouwing opgesteld door DLV Advies uit Uden. Een onderdeel in deze onderbouwing is de landschappelijke verantwoording. In dit document wordt deze verantwoording toegelicht, gemotiveerd en onderbouwd.
5
6
1 2
7
Locatie
2
6
De planlocatie is gelegen aan de Molenstraat 24 en 26 te Helvoirt en ligt aan de zuidkant van Helvoirt in het landelijk gebied van gemeente Vught (voormalige gemeente Haaren) De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Helvoirt, sectie C, nummer(s) 1762, 2095, 2096, 2103 en 2104. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.
3
3
1
3
8
10
4
7b
9 5
1.2
HELVOIRT
7a
8
4
4d
4c
1
4b 4a
10 9
12
11
Beeld 1. De huidige bedrijfswoningen 24 en 26 met groene omhaging
3
Beoogde situatie plangebied aanvraag omgevingsvergunning DLV Advies
Situatie gewenst Situatie huidig 1
Voorgesteld gebruik gebouwen De aanvrager:
2 Landschap 2.1
Inleiding
Om inzicht te krijgen in de lokale kwaliteiten en kansen van het plangebied is een analyse uitgewerkt op verschillende niveaus. De karakteristieke kwaliteiten en kansen worden verkregen uit een historische analyse.
4.
buurman noord
Door middel van een beleidsanalyse op het gebied van landschap is inzicht verkregen in de gewenste ontwikkelingen conform de gemeentelijke visie.
inrit buurman noord
2.
1.
24
2.2
Huidige situatie
Prominent aan de Molenstraat staat binnen het plangebied een authentieke boerderij met rieten kap. Vanuit deze boerderij is de bedrijfsvoering verder uitgebouwd naar de intensieve veehouderij in de varkenssector. Met de bouw van eerst wat kleinere schuren zijn in de loop der tijd meer grotere schuren gebouwd.
7. 26 5.
Ten noorden van de boerderij is een tweede bedrijfswoning gebouwd. Rondom deze woning staan diverse kleine bijgebouwen, ligt een tuin en aan de westzijde ligt er een paardenbak.
buurman zuid
De voortuinen van zowel 24 als 26 zijn landelijk ingepast met een afscherming van een beukenhaag. Ook de scheiding tussen de percelen bestaat uit een hoge brede beukenhaag. In de tuin staan diverse soorten boeren-beplanting (tuingroen) in combinatie met fruitbomen (laagstam) en een groentetuin. De uitstraling is groen, samenhangend en verzorgd. Ten noorden van de bedrijfswoning 24 ligt een inrit naar een achterliggend kavel van de buurman. Deze inrit wordt begeleid door een akkerbloemenmengsel. De tuin wordt afgeschermd met een beukenhaag. De paardenbak grenst direct aan de inrit van de buurman. Tussen de paardenbak en tuin van burgerwoning 24 ligt een kleine fruitboomgaard. Plangebied op luchtfoto met kadastrale ondergrond. (bron PDOK)
4
6.
Molenstraat
3.
Deze vormt een mooie afscherming van de paardenbak en vormt tevens een overgang van tuin naar ‘het landelijke gebied’ De zuidgrens van kavelnummer 26 is afgeschermd met hagen. Het eerste deel is een lage beukenhaag, die overgaat op het achtererf in een laurierhaag. Deze is goed onderhouden en staat op de perceelsgrens met de buurman. Beide willen heel graag de haag behouden als afscherming van hun achtererven en de groene uitstraling in de winter. Achter de boerderij (nummer 26) ligt nu een zeer ondiepe achtertuin. Dit komt mede door de schuren die kort op de boerderij stonden. In de achtertuin staat een markante okkernoot ( Juglans regia). De overtollige bebouwing en verharding is reeds gesloopt en afgevoerd. De bestaande schuren worden op dit moment aangepast en opgeknapt. De uitstraling wordt vriendelijker door gebruik van natuurlijke materialen, zoals potdekseldelen.
5
Beeld 2. tuinafscheiding, boomgaard en paardenbak achter nummer 24
Beeld 3. haag met buren
Beeld 4. zicht op schuur vanaf Molenstraat
Beeld 5. beeld achtererf
2.3
Historie landschap
Het plangebied vormt onderdeel van een hogere dekzandrug, parallel aan het lager gelegen beekdal van Ruijsbossche Waterloop. De hogere gronden nabij beekdalen waren van oudsher gunstige vestigingsplaatsen. Er heeft zich op deze rug een klein lint van boerderijen ontwikkeld. Als de kaarten uit ca. 1900, 1968 en heden onder elkaar worden gezet valt af te lezen dat het landschap al lang in gebruik is voor agrarische activiteiten. Op de hogere droge delen lagen de akkers. Deze gebieden waren niet tot gering omgeven door landschapselementen. De wegen en erven daarentegen werden aangezet met randbeplanting. Dit waren veelal singels, bomenrijen en hagen. De erven kenmerkte zich door kleine bosjes, hagen en fruitboomgaarden. De meer natte delen waren smal verkaveld voor de ontwatering. De randen waren beplant om het vee te keren. Het hout werd gebruikt voor gerief en de kachel.
Plangebied historische kaart 1900, plangebied in paars (bron PDOK)
Sinds de ruilverkaveling (medio jaren zestig van de vorige eeuw) heeft een schaalvergroting plaatsgevonden. Veel van de kenmerkende structuren zijn verloren gegaan. Ook de bebouwing in het landelijk gebied is toegenomen door de bouw van schuren. Enkele kenmerkende landschappelijke structuren zijn bewaard gebleven.
Plangebied historische kaart 1968, plangebied in paars
6
Plangebied historische kaart 2017, plangebied in paars (bron PDOK)
2.4
Analyse bestaand erf
In hoofdstuk 2.1 is de huidige situatie beschreven. In dit hoofdstuk zijn de bestaande kwaliteiten en kansen beschreven van de bestaande situatie. De huidige erfafscheidingen van beuken op het erf aan zijde Molenstraat, naast de inrit van buurman noord (ten noorden van woning 24) en tussen de woning 24 en 26 geven een harmonieus en landelijk beeld. Aan de voorzijde zijn de hagen laag, waardoor vanaf de Molenstraat goed zicht is op de voor- en zijkanten van de woningen. De scheiding tussen de woning is wenselijk om de individualiteit tussen de twee woningen te benadrukken. De laurierhaag tussen nummer 26 en buurman zuid is niet inheems, maar misstaat niet. Het biedt een groene uitstraling tussen beide bedrijfsterreinen, die voor de eigenaren zeer wenselijk is. De wens en het advies is deze te behouden.
De te behouden schuren liggen door de sloop van de overige bebouwing kaal in het landschap. Met name gezien vanuit woning nummer 26 en vanaf de Molenstraat ervaart men de schuur als een dominant element in het landschap. De schuur nabij de woning wordt landschappelijk aangekleed door potdekseldelen. Het advies is beide schuren landschappelijk in te passen door hoge landschapselementen, om het zicht op de harde gevels en daken te verzachten.
Beeld 6. kleine boomgaard
De huidige inrit van nummer 24 wordt ontsloten via de inrit van de buurman noord (middels recht van overpad). Voornemen is een eigen inrit te realiseren op eigen grond vanaf de Molenstraat. De bestaande bomen op het erf zijn waardevol. De twee solitaire landschapsbomen (okkernoot en berk) blijven behouden. De bestaande boomgaarden zijn aan de kleine kant, maar hebben geen mogelijkheid tot uitbreiding/ vergroting gezien de ligging. Behoud van de fruitboomgaarden is wenselijk.
Beeld 7. hoge afscheiding met beuken tussen nummer 24 en 26
7
3 Kaders en wensen 2.5
Gemeentelijke visie
Op 22 januari 2015 heeft de raad van de voormalige gemeente Haaren besloten de Structuurvisie Haaren 2013 vast te stellen. De structuurvisie zorgt voor een duidelijke koers, waarbij actuele ontwikkelingen zijn meegenomen. Het dient als inspiratiekader voor initiatieven, geeft de gemeente een handvat voor de beoordeling van plannen van inwoners en initiatiefnemers en het zorgt voor houvast bij het bepalen van uitgangspunten voor regionale opgaven. De omgevingsvisie is een beleidsdocument dat naar de toekomst kijkt waarbij de gemeente (bestuurlijk en ambtelijk) en inwoners hun input hebben geleverd en in de toekomst samen verantwoordelijk zijn voor het verwezenlijken van hun ambities. Doordat zich te focussen op een aantal gebieden (dorpskernen, buitengebied) kunnen lokale omstandigheden en behoeften optimaal worden afgestemd. Daarnaast focust de omgevingsvisie zich op een aantal thema’s: • Wonen en woonomgeving • Werken en economie • Welzijn en voorzieningen • Omgevingskwaliteit • Mobiliteit De structuurvisie is opgebouwd uit deel A, B en C: • Deel A: De Visie • Deel B: Het uitvoeringskader • Deel C: De Atlas (natuurlijke, sociaal-culturele geschiedenis) De ontwikkeling is afgewogen in relatie tot de relevante visie zoals genoemd in: Deel A: Visie Het plangebied vormt onderdeel van het Agrarisch landschap ‘De Groene Kamers’, aan de rand van ‘het Beekdal Rijsbossche Waterloop’.
8
3.1
Uitvoeringskader
Tussen de hiervoor beschreven gebieden ligt centraal in de voormalige gemeente Haaren het gebied dat in deze structuur¬visie is aangeduid als De Groene Kamers. Dit gebied valt grotendeels samen met het boomteeltontwikkelingsgebied, zoals dat is opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied. De voor het landschap beeldbepalende boomteeltsector krijgt hier ruimere mogelijkheden dan elders in de gemeente. Kenmerkend voor het uitgestrekte gebied is de kleinschalige openheid ofwel het halfopen landschap met groene kamers. Deze groene kamers worden gevormd door de laanbeplantingen langs de wegen in dit deel van het buitengebied.
Ze bieden een ruimtelijk casco, waarbinnen ruimtelijke ontwikkelingen kunnen worden ingepast • Kleinschalige openheid / half open landschap met groene kamers • Gevarieerd landschaps- en bebouwingsbeeld met een afwisseling landschap van open en besloten delen; • Het casco van de groene kamers wordt gevormd door wegen met tweezijdige laanbeplanting; • Binnen het casco een verfijning met landschapselementen als houtwallen, bospercelen, boomteelt-percelen en erven met beplanting; • Gemengd gebruik agrarische gronden als weiland, akker en voor de boomteelt; • Bebouwing geclusterd per perceel met wisselende groene erfinrichting (open erven, hagen en heggen, bossages en bomen); • Bebouwing gesitueerd aan oude ontsluitingswegen in linten, geclusterd in kleine buurtschappen en solitair; • Aanleg van nieuwe lineaire beplantingselementen / laanbeplanting ter versterking van het casco van de groene kamers; Structuurvisiekaart uit Structuurvisie gemeente Haaren
• • • • • •
Ontwikkelingen per groene kamer landschappelijk inpassen met landschapselementen als bomenlanen, houtwallen, heggen en boomteeltpercelen; Afwisseling in het landschap van open en besloten delen en zichtlijnen versterken; Waterlopen en beekdalen herkenbaar in het landschap opnemen; Het gebied is geschikt voor de ontwikkeling van functies gericht op agrarisch gebruik (o.a. boomteelt), natuur, water, recreatie en buitensporten; Schaalvergroting in agrarische bebouwing en kassen is enkel mogelijk indien er sprake is van een landschappelijke inpassing; Kernrandzone rond de dorpen is geschikt voor meer stedelijke functies en (beperkte) dorpsuitbreiding mits landschappelijk ingepast.
3.2
•
Uit de omgevingsdialoog is gebleken dat buurman noord absoluut geen houtige landschapselementen parallel aan inrit en weide wil ivm wortelopdruk, schaduw en blad.
Wensen
Ten aanzien van de ruimtelijke inrichting zijn de volgende wensen relevant: • De weides worden intensief belopen en begraasd door paarden. Geen giftige planten voor paarden voorstellen; • Rondom de bedrijfsbebouwing voldoende ruimte om het inrijden van auto’s/bedrijfsbusjes mogelijk te maken; • Waardevolle landschapsbomen en -elementen zoveel mogelijk behouden in de landschappelijke inrichting; • Vanuit de woning en tuin Molenstraat 26 moet zicht behouden blijven op weide met paarden (toezicht gevoelige paarden noodzakelijk). Obstakels zoals een boomgaard of dergelijk niet wenselijk; • De laurierhaag tussen buurman zuid en nummer 26 moet behouden blijven; • Minimale bomen tussen weides met buurman zuid en nummer 26 en als ze er komen, minimaal 2m uit de kavelgrens. Samenhangend landschapsbeeld Structuurvisie voormalige gemeente Haaren
9
4 Inrichtingsvoorstel 4.1
Concept
Binnen de bestaande bebouwing en structuren worden de twee wooneenheden ingepast. Aan de voorzijde worden het erf en tuin traditioneel ingericht met hagen en boerenplanten. De achterzijde is landelijk ingericht met typische coulisselandschapselementen. Ondanks deze groenstructuren is doorzicht op het achterland belangrijk. De schuren achter Molenstraat 26 worden groen omzoomd om het stenen- en dakvlak te verzachten. Voorkeur is de individualiteit te versterken door een scheiding tussen beide percelen groen aan te zetten. De tuinen van de twee wooneenheden worden laag omhaagd. Zicht op de woning en bijgebouwen zoveel mogelijk behouden. Begeleiding eigen inrit met een haag in overeenstemming met voortuin (eenheid). De zakelijke inrit wordt begeleid door een hoge landelijke haag en vormt tevens de scheiding met buurman zuid. De grote schuren worden aan alle zijden afgeschermd met robuuste landschapselementen om het zicht vanaf de Molenstraat en vanuit de tuin op het dakvlak te verzachten. Het coulisselandschap wordt versterkt door de aanleg van een landschapsstructuur op de kavelgrens.