CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Passende Beoordeling

Raadsvergadering 16 december 2021, gemeente VughtBij agendapunt: Besluit tot het nemen van een M.E.R.-beoordelingsbesluit38.193 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

6.4.11

H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen

Beschrijving van het habitattype In het profieldocument is de volgende beschrijving van het habitattype opgenomen 50: “Dit habitattype betreft pioniergemeenschappen op kale zandgrond in natte heiden. De kale plekken waar de pioniervegetaties met snavelbiezen kunnen ontwikkelen, ontstaan in natte heide op natuurlijke wijze door langdurige waterstagnatie in laagten. Dat gebeurt tegenwoordig nog maar zelden. Meestal ontstaan ze onder invloed van menselijk handelen, bijvoorbeeld na het steken van plaggen of na intensieve betreding. Op geplagde plekken en heidepaadjes zijn de pioniervegetaties van het habitattype doorgaans slechts kortstondig aanwezig. Ze gaan daar al snel over in gesloten vochtige heidebegroeiingen, die deel uitmaken van habitattype H4010. In de internationale literatuur worden deze pionierbegroeiingen meestal beschouwd als behorend tot één plantensociologisch verbond dat de veenslenken beschrijft, het Rhynchosporion albae. In ons land wordt een deel van de begroeiingen, de gemeenschappen van de plagplekken in de natte heide, gerekend tot het verbond dat de natte heide beschrijft, het Ericion tetralicis. Pioniergemeenschappen in natte heiden zijn gebonden aan open, minerale grond. Die komt op natuurlijke wijze beschikbaar na langdurige stagnatie van regenwater.

In ons land ontwikkelen deze pioniergemeenschappen zich echter meestal op de natte minerale zandbodem die blootgelegd wordt door het steken van plaggen of die ontstaat als gevolg van intensieve betreding. De pioniervegetaties met snavelbiezen komen voor op zeer natte tot vochtige bodems die zuur tot matig zuur zijn en die zeer voedselarm tot voedselarm (oligotroof tot mesotroof) zijn.” Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling van het habitattype H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen is “uitbreiding oppervlakte en behoud kwaliteit”. Verspreiding in het Natura 2000-gebied Figuur 6-32 geeft de ligging van het habitattype H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen in het Natura 2000-gebied. De figuur laat zien dat het habitattype verspreid in het hart van het oostelijk deel van het Natura 2000-gebied voorkomt. Het grootste deel van het habitattype bevindt zich niet in een overbelaste situatie. Op drie locaties is sprake van een overbelaste situatie.

Figuur 6-32: Ligging van het habitattype H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven. Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister en zijn gelijk aan de kaarten opgenomen in Aerius (versie 2020).51

50 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_7150.pdf, geraadpleegd p 29-03-

2021. 51 AERIUS relevante habitatkartering: bron identificatie a4d666fb-aff5-4772-9e9b-85bc533aafc0, metadata datum: 15-10-2020. AERIUS totale stikstofdepositie: bron identificatie: 5dbc4e3c-324f-4fcd-9652-04edcd84ea43, metadata datum: 15-10-2020.

72

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Huidig beheer In het algemeen geldt dat het habitattype alleen in stand blijft bij plaggen of betreden of langs oevers van vennen met waterschommelingen. Door successie gaat dit habitattype uiteindelijk over naar H4010A Vochtige heide52. In het beheerplan is niet expliciet aangegeven welk huidig beheer plaatsvindt (Provincie Noord-Brabant, 2017c). Dit betekent overigens niet dat geen beheer wordt uitgevoerd, het exacte beheer is echter niet bekend. Huidige kwaliteit Het habitattype is volgens het beheerplan goed tot matig ontwikkeld met een positieve trend (Provincie Noord-Brabant, 2017c). In de gebiedsanalyse is aangegeven dat het habitattype een goede kwaliteit heeft en dat de trend voor oppervlakte positief is en voor kwaliteit stabiel (Provincie Noord-Brabant, 2017a). Op 5 juli 2019 en 13 mei 2021 zijn locaties met het habitattype in het Natura 2000-gebied bezocht. In 2019 waren locaties met het habitattype verdroogd. Hoewel in 2021 de waterpeilen hoger leken dan in 2019, speelt hier mogelijk nog steeds een effect van verdroging. Verder zijn de vegetaties tussen vergrassing, natte en droge heide niet altijd herkenbaar als pioniervegetaties. Op verschillende plaatsen zijn wel recente plagplekken waargenomen. Voor de natte delen van de plagplekken bestaat de mogelijkheid dat dit habitattype kan uitbreiden.

Kwantificering van effect van Reconstructie N65 De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 1.429 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Op slechts minder dan een kwart van het oppervlak treedt een overbelasting op, zie Tabel 6-20. Tabel 6-20: Totale oppervlakte van het habitattype H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen en welk deel overbelast is. De informatie is afkomstig uit de bronnen die ook gebruikt zijn voor de kaarten.

Totale oppervlakte (ha) 14,10

Overbelast (ha) 1,89

Niet overbelast (ha) 12,21

% Overbelast

% Niet overbelast

13,4%

86,6%

Tabel 6-21 geeft de veranderingen van de stikstofdepositie in de overbelaste delen voor het habitattype in het Natura 2000-gebied gedurende de realisatiefase en gebruiksfase van de Reconstructie N65. Uit onderstaande tabel blijkt dat in de realisatiefase sprake is van kleine toename van de depositie op een klein deel van het totale overbelaste oppervlak binnen de reikwijdte. In de gebruiksfase is over het gehele overbelaste oppervlak sprake van een toename. Tabel 6-21: Verandering stikstofdepositie op het habitattype H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen door Reconstructie N65.

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

14,08

13,3%

18,2%

0,03

-0,11

14,10

13,4% 100,0% 0,25

0,08

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

Natura 2000-gebied en habitattypen/leefgebieden H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen

GEBRUIKSFASE

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

REALISATIEFASE

52 https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-slenken-en-plagplekken-op-vochtige-bodems-de-heide-7150, geraadpleegd op 08-

04-2021.

73

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

De depositietoenames op de overbelaste delen zijn op kaart weergegeven in Figuur 6-33 voor de realisatiefase en Figuur 6-34 voor de gebruiksfase (en geven de ruimtelijke verdeling van de stikstofdeposities die zijn samengevat in Tabel 6-21). De figuren laten zien dat in de realisatiefase sprake is van een toename van maximaal 0,03 mol N/ha op een klein deel van het oppervlak. Tijdens de gebruiksfase is sprake van een toename op het totale oppervlak van maximaal 0,25 mol N/ha/jaar.

Figuur 6-33: Projecteffect in de realisatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.

74

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Figuur 6-34: Projecteffect in de gebruiksfase op het overbelaste deel van het habitattype H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Er is alleen sprake van een toename op een klein oppervlak dat linksboven in de figuur zichtbaar is.

Knelpunten en stikstof De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 1.429 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Op slechts een kwart van het oppervlak treedt een overbelasting op, zie Tabel 6-20. Dit habitattype zijn pioniergemeenschappen op kale zandgrond in natte heiden. Kale plekken ontstaan op natuurlijke wijze door langdurige waterstagnatie, maar tegenwoordig vaker door plaggen of intensieve betreding. De groeiplaatsen zijn nat, voedselarm en zuur en invloed van regenwater is groot. Het habitattype is gevoelig voor stikstofdepositie omdat deze de natuurlijke successie (die overigens ook in niet-overbelaste situaties plaatsvindt) versnelt.53 Stikstofdepositie is in dit Natura 2000-gebied als knelpunt benoemd (Provincie Noord-Brabant, 2017a; 2017c), maar als eerder aangegeven gaat het hier om pioniersvegetatie die afhankelijk is van ingrijpen, als geen sprake is van voldoende waterstagnatie. Hoewel bodemuitputting54 ook als knelpunt benoemd is (Provincie Noord-Brabant, 2017a), lijkt dit een beperkt knelpunt omdat dit habitattype ook juist afhankelijk is van minerale ondergrond 53, waarvoor het juist nodig is om tot de minerale ondergrond te gaan met bijvoorbeeld plaggen. Leidend voor het habitattype is dat voldoende omstandigheden aanwezig zijn om deze pioniersvegetatie structureel een plaats te geven.

Beoordeling gevolgen voor areaal en kwaliteit Als hiervoor beschreven is slechts voor een gering deel van het oppervlak sprake van overbelasting. Dit effect beperkt zich grotendeels tot de gebruiksfase. In de realisatiefase is vrijwel geen sprake van toenames op de overbelaste delen van het habitattype. Voor dit habitattype is voor delen sprake van een goede kwaliteit en een positieve ontwikkeling, ondanks de overbelaste situatie. Het grootste knelpunt is vooral dat voortdurend pioniersomstandigheden aanwezig moeten zijn, om het habitattype duurzaam in stand te houden. Gezien de goede kwaliteit ondanks overbelasting en dat het meer bepalende knelpunt vooral de beschikbaarheid van pioniersomstandigheden is, zorgt de geringe projectbijdrage van maximaal 0,03 mol N/ha eenmalig en 0,25 mol N/ha/jaar permanent niet voor een meetbare verandering van de vegetaties van

53 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_7150.pdf, geraadpleegd op 27-04-

2021. 54 Bodemuitputting is het proces waarbij de bodem uitgeput raakt omdat door bijvoorbeeld herhaaldelijk plaggen niet alleen een ongewenste overmaat aan stoffen (als stikstof) uit de bodem wordt gehaald, maar ook andere voor planten noodzakelijke stoffen.

75

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

dit habitattype. Significante gevolgen zijn uitgesloten. De verandering van de stikstofdepositie door de Reconstructie N65 belemmert de realisatie van de uitbreidingsopgave en behoudsopgave voor kwaliteit niet.

6.4.12

H7210 Galigaanmoerassen

Beschrijving van het habitattype In het profieldocument is de volgende beschrijving van het habitattype opgenomen55: “Het habitattype betreft alle door Galigaan (Cladium mariscus) gedomineerde moerassen in ons land, behalve die onderdeel uitmaken van een hoogveenlandschap (H7110_A). Galigaan kan zich in basenrijke, niet te zuurstofarme milieus vestigen in lage open moeras- of oeverbegroeiingen. Deze vlijmscherpe, grote moerasplant kan uitgestrekte begroeiingen vormen aan de oevers van laagveenplassen, duinplassen en heidevennen. Galigaan is in Nederland een zeldzame soort maar gaat, na geslaagde vestiging in de regel in de vegetatie overheersen, terwijl de kleine moeras- en oeversoorten verdwijnen en op den duur een soortenarm galigaanmoeras ontstaat. Deze galigaanbegroeiingen kunnen zich vervolgens vele decennia handhaven.” Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling van het habitattype H7210 Galigaanmoerassen is “behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit”. Verspreiding in het Natura 2000-gebied Figuur 6-32 geeft de ligging van het habitattype H7210 Galigaanmoerassen in het Natura 2000-gebied. Het figuur laat zien dat het habitattype slechts op één locatie nabij een ven voorkomt. Het meest zuidelijke deel van het habitattype bevindt zich in een overbelaste situatie.

Figuur 6-35: Ligging van het habitattype H7210 Galigaanmoerassen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven. Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister en zijn gelijk aan de kaarten opgenomen in Aerius (versie 2020) 56.

55 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_7210.pdf, geraadpleegd op 29-03-

2021. 56 AERIUS relevante habitatkartering: bron identificatie a4d666fb-aff5-4772-9e9b-85bc533aafc0, metadata datum: 15-10-2020. AERIUS totale stikstofdepositie: bron identificatie: 5dbc4e3c-324f-4fcd-9652-04edcd84ea43, metadata datum: 15-10-2020.

76

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Huidig beheer In het algemeen geldt dat voor het habitattype zelf in principe geen beheer nodig is. Als een soortenrijkere vegetatie wordt nagestreefd is incidenteel maaibeheer mogelijk. Een gunstig waterbeheer en tegengaan van eutrofiëring zijn wel belangrijk voor behoud van het habitattype 57. In het beheerplan is niet expliciet aangegeven welk huidig beheer plaatsvindt (Provincie Noord-Brabant, 2017c). Dit betekent overigens niet dat geen beheer wordt uitgevoerd, het exacte beheer is echter niet bekend. Huidige kwaliteit Het habitattype is volgens het beheerplan beperkt aanwezig, maar goed ontwikkeld en stabiel. Uitbreiding is mogelijk (Provincie Noord-Brabant, 2017c). In de gebiedsanalyse is aangegeven dat de kwaliteit goed is en dat na het nemen van maatregelen de mogelijkheden voor uitbreiding aanwezig zijn (Provincie NoordBrabant, 2017a). Kwantificering van effect van Reconstructie N65 De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 1.571 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Voor slechts een kwart van het habitattype is sprake van een overbelaste situatie, zie Tabel 6-22. Tabel 6-22: Totale oppervlakte van het habitattype H7210 Galigaanmoerassen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen en welk deel overbelast is. De informatie is afkomstig uit de bronnen die ook gebruikt zijn voor de kaarten.

Totale oppervlakte (ha) 1,44

Overbelast (ha)

Niet overbelast (ha) 1,24

0,20

% Overbelast

% Niet overbelast

13,7%

86,3%

Tabel 6-23 geeft de veranderingen van de stikstofdepositie in de overbelaste delen voor het habitattype in het Natura 2000-gebied gedurende de realisatiefase en gebruiksfase van de Reconstructie N65. Uit onderstaande tabel blijkt dat in de realisatiefase geen sprake is van een toename op het oppervlak binnen de reikwijdte (100%). In de gebruiksfase is sprake van een toename op het gehele oppervlak van maximaal 0,08 mol N/ha/jr. Tabel 6-23: Verandering Stikstofdepositie op het habitattype H7210 Galigaanmoerassen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen door Reconstructie N65.

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

1,44

13,7%

0,0%

-0,04

-0,05

1,44

13,7% 100,0% 0,08

0,07

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

Natura 2000-gebied en habitattypen/leefgebieden H7210 Galigaanmoerassen

GEBRUIKSFASE

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

REALISATIEFASE

De depositietoenames op de overbelaste delen is op kaart weergegeven in Figuur 6-36 en Figuur 6-37 voor de realisatiefase (en geven de ruimtelijke verdeling van de stikstofdeposities die zijn samengevat in Tabel 6-22). Voor de realisatiefase is er geen sprake van een toename.

57 https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-galigaanvegetaties-7210, geraadpleegd op 08-04-2021.

77

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Figuur 6-36: Projecteffect in de realisatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H7210 Galigaanmoerassen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.

Figuur 6-37: Projecteffect in de gebruiksfase op het overbelaste deel van het habitattype H7210 Galigaanmoerassen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen 78

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Knelpunten en stikstof De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 1.571 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Voor slechts een kwart van het habitattype is sprake van een overbelaste situatie, zie Tabel 6-22. Galigaanmoerassen zijn door galigaan gedomineerde moerassen. Galigaan komt voor in basenrijke, niet te zuurstofarme milieus in lage open moeras- en oeverbegroeiingen in laagveenplassen, duinplassen en heidevennen. De aanvoer van basenrijk grond- en/of oppervlaktewater is belangrijk. Galigaan kan snel de vegetatie domineren en heeft de neiging tot het vormen van een dikke, zure strooisellaag die alleen met beheer kan worden tegengegaan. Jaarlijks maaien leidt echter tot verdwijnen van de vegetatie. Galigaanbegroeiingen kunnen zich als ze eenmaal aanwezig zijn, vele decennia handhaven 58. In het beheerplan zijn geen knelpunten voor galigaanmoerassen opgenomen. Op de groeiplaats is sprake van aanvoer van gebufferd water (Provincie Noord-Brabant, 2017c). In de gebiedsanalyse is aangegeven dat het gebrek aan aanvoer van gebufferd water een knelpunt vormt. Dit versterkt het risico op verzuring en vermesting door atmosferische depositie (Provincie Noord-Brabant, 2017a). Uit bovenstaande volgt dat de aanvoer van gebufferd water leidend is voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen.

Beoordeling gevolgen voor areaal en kwaliteit Als hiervoor beschreven is alleen sprake van een geringe, toename van de stikstofdepositie in de gebruiksfase. Niet het volledige oppervlak van het habitattype is overbelast. Voor het habitattype is sprake van een goede kwaliteit en een stabiele situatie, ondanks de overbelaste situatie. Hoewel stikstofdepositie een knelpunt vormt, is de aanvoer van gebufferd water bepalend voor aanwezigheid van het habitattype. Gezien de goede kwaliteit ondanks de overbelasting en het andere, meer bepalende knelpunt, zorgt de geringe projectbijdrage van maximaal 0,08 mol N/ha/jr. in de gebruiksfase niet voor een meetbare verandering van de vegetaties van dit habitattype. Significante gevolgen zijn uitgesloten. De verandering van de stikstofdepositie door de Reconstructie N65 belemmert de realisatie van de behoudsopgave voor omvang en verbeteropgave van dit habitattype niet.

6.4.13

H9190 Oude eikenbossen

Beschrijving van het habitattype In het profieldocument is de volgende beschrijving van het habitattype opgenomen 59: “het habitattype betreft eiken-berkenbossen op leemarme zandbodems, waarvan de boomlaag en/of de bosgroeiplaats oud is. Het habitattype komt voor op kalkarme, zeer voedselarme, vochtige tot droge zandgronden, vaak met een duidelijk podzolprofiel. Het zijn stuif- en dekzanden die door de wind zijn afgezet of in het verre verleden door gletsjerijs opgestuwde en verspoelde zanden. De bodem wordt enkel gevoed door regenwater, waardoor uitspoeling van mineralen naar de diepere ondergrond optreedt. In de boomlaag van Oude eikenbossen domineren zomereik (Quercus robur) en ruwe berk (Betula pendula). In de ijle struiklaag vallen vooral wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia), sporkehout (Rhamnus frangula) en ratelpopulier (Populus tremula) op. De ondergroei is door de arme bodem doorgaans soortenarm en bestaat vooral uit zuurminnende dwergstruiken, grassen, mossen en paddenstoelen. Daaronder zijn een aantal typische soorten die vooral op oude boslocaties groeien. De mantel- en zoomgemeenschappen van dit bostype zijn van wezenlijk belang voor de soortensamenstelling van het habitattype. De Oude eikenbossen zijn in het algemeen ontstaan in het heide- en stuifzandlandschap en hebben nu vaak de vorm van strubbenbossen.

Zij onderscheiden zich daarmee van de bossen op de wat rijkere zandgronden (habitattype H9120), die overigens ook oud zijn en een boomlaag van eiken kunnen hebben”. Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling van het habitattype H9190 Oude eikenbossen is “behoud van oppervlakte en verbetering kwaliteit”. Verspreiding in het Natura 2000-gebied Figuur 6-38 geeft de ligging van het habitattype H9190 Oude eikenbossen in het Natura 2000-gebied. Het habitattype komt verspreid over een aantal locaties voor, waarbij het zwaartepunt aan de zuidoostkant van het Natura 2000-gebied is gelegen.

58 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_7210.pdf, geraadpleegd op 27-04-

2021. 59 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_9190.pdf, geraadpleegd op 25-032021.

79

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Figuur 6-38: Ligging van het habitattype H9190 Oude eikenbossen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven. Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister en zijn gelijk aan de kaarten opgenomen in Aerius (versie 2020) 60.

Huidig beheer In het algemeen zijn voor instandhouding van het habitattype de volgende beheermaatregelen mogelijk: zoom- en mantelbeheer, creëren open plekken, exotenbestrijding, omvormen met name op locaties met veel naaldhout en Amerikaanse eik en behoud van dikke bomen en dood hout 61. In het beheerplan is niet expliciet aangegeven welk huidig beheer plaatsvindt (Provincie Noord-Brabant, 2017c). Dit betekent overigens niet dat geen beheer wordt uitgevoerd, het exacte beheer is echter niet bekend. Huidige kwaliteit De kwaliteit van het habitattype staat onder druk door de opslag van naaldbomen (Provincie Noord-Brabant, 2017c). In de gebiedsanalyse is aangegeven dat het habitattype een matige kwaliteit heeft en dat de trend voor oppervlakte stabiel is en voor kwaliteit stabiel tot negatief (Provincie Noord-Brabant, 2017a). Op 5 juli 2019 zijn in het Natura 2000-gebied locaties met het habitattype bezocht aan de zuidkant van het Natura 2000-gebied. Het perceel aan de noordkant is niet bezocht: de geïsoleerde ligging maakte duidelijk dat het knelpunt hier vooral is dat het hier slechts een klein relict betreft op oude bosbodem. De bezochte percelen zijn bosgebieden met zomereik. In de ondergroei stonden geen bijzondere soorten.

In de ondergroei stond vooral pijpenstrootje en langs de randen, nabij paden, soorten die duiden op verstoring van de bodem en eutrofiëring (zoals braam of brandnetel). Opvallend is dat de bomen nog niet bijzonder oud waren en de leeftijdsopbouw van het bos was meestal homogeen. De dichte en weinig afwisselende beplanting maakt ook dat de ondergroei niet noemenswaardig was. Kwantificering van effect van Reconstructie N65 De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 1.091 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Op het volledige oppervlak treedt momenteel een overschrijding van de KDW op, zie Tabel 6-24.

60 AERIUS relevante habitatkartering: bron identificatie a4d666fb-aff5-4772-9e9b-85bc533aafc0, metadata datum: 15-10-2020.

AERIUS totale stikstofdepositie: bron identificatie: 5dbc4e3c-324f-4fcd-9652-04edcd84ea43, metadata datum: 15-10-2020. 61 https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-oude-eiken-berkenbossen-op-zeer-voedselarm-zand-9190, geraadpleegd op 0804-2021.

80

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Tabel 6-24: Totale oppervlakte van het habitattype H9190 Oude eikenbossen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen en welk deel overbelast is. De informatie is afkomstig uit de bronnen die ook gebruikt zijn voor de kaarten.

Totale oppervlakte (ha) 4,46

Overbelast (ha)

Niet overbelast (ha) 0

4,46

% Overbelast

% Niet overbelast

100,0

0,0

Tabel 6-25 geeft de veranderingen van de stikstofdepositie in de overbelaste delen voor het habitattype in het Natura 2000-gebied gedurende de realisatiefase en gebruiksfase van de Reconstructie N65. Uit onderstaande tabel blijkt dat in de realisatiefase geen sprake is van een toename op het overbelaste oppervlak binnen de reikwijdte. In de gebruiksfase is overal sprake van een toename op het overbelaste oppervlak binnen de reikwijdte. Tabel 6-25: Verandering stikstofdepositie op het habitattype H9190 Oude eikenbossen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen door Reconstructie N65.

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

Natura 2000-gebied en habitattypen/leefgebieden H9190 Oude eikenbossen

GEBRUIKSFASE

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

REALISATIEFASE

4,46

100,0%

0,0%

-0,01

-0,16

4,46

100,0%

100,0%

0,18

0,07

De depositietoenames op de overbelaste delen zijn op kaart weergegeven in Figuur 6-39 voor de realisatiefase en Figuur 6-40 voor de gebruiksfase (en geven de ruimtelijke verdeling van de stikstofdeposities die zijn samengevat in Tabel 6-25). Uit de figuren blijkt dat in de realisatiefase sprake is van een afname van de stikstofdepositie (met maximaal 0,16 mol N/ha). In de gebruiksfase is sprake van een toename van maximaal 0,18 mol.

81

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Figuur 6-39: Projecteffect in de realisatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H9190 Oude eikenbossen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.

Figuur 6-40: Projecteffect in de gebruiksfase op het overbelaste deel van het habitattype H9190 Oude eikenbossen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.

82

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Knelpunten en stikstof De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 1.091 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Op het volledige oppervlak treedt momenteel een overschrijding van de KDW op, zie Tabel 6-24. Oude eikenbossen zijn eiken-berkenbossen op leemarme zandbodems, waarvan de boomlaag en/of de bosgroeiplaats oud is. Het habitattype komt voor op kalkarm, zeer voedselarme, vochtige tot droge zandgronden. Vaak zijn de bossen ontstaan in het heide- en stuifzandlandschap. Aan het begin van de vorige eeuw zijn veel naaldbossen aangeplant, wat ten koste ging van dit habitattype. De kwaliteit van het resterende deel is achteruitgegaan door stikstofdepositie, maar ook door aanplant van Amerikaanse vogelkers en Amerikaanse krentenboompje en het stoppen van traditionele beheervormen62. In het beheerplan is opgenomen dat er voor dit habitattype geen knelpunten zijn (Provincie Noord-Brabant, 2017c). In de gebiedsanalyse is aangegeven dat tijd nodig is voor de ontwikkeling van het habitattype en dat recreatie en verstuiving de gewenste bodemvorming belemmeren. Verzuring en vermesting door atmosferische risico leiden tot uitbreiding van ongewenste soorten (Provincie Noord-Brabant, 2017a). Beoordeling gevolgen voor areaal en kwaliteit Als hiervoor beschreven is sprake van een geringe toename van de stikstofdepositie.

De overbelasting draagt bij aan de bestaande problematiek, die vooral te maken heeft met de aanwezigheid van naaldbomen, recreatie en eventuele verstuiving. Volgens het beheerplan is het goed mogelijk om het habitattype te laten ontwikkelen ondanks de overbelaste situatie. Gezien de andere, meer bepalende knelpunten en dat het mogelijk is om het habitattype ondanks de overbelasting te ontwikkelen, zorgt de geringe projectbijdrage van maximaal 0,18 mol N/ha/jr. permanent niet voor een meetbare verandering van de vegetaties van dit habitattype. Significante gevolgen zijn uitgesloten. De verandering van de stikstofdepositie door de Reconstructie N65 belemmert de realisatie van de behoudsopgave voor omvang en verbeteropgave van dit habitattype niet.

6.4.14

H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

Beschrijving van het habitattype In het profieldocument is de volgende beschrijving van het habitattype opgenomen 63: “Dit habitattype omvat bossen die groeien op beek- of rivierafzettingen (van het zogenoemde alluvium of alluviaal) en die direct of indirect onder invloed staan van beek- of rivierwater. De verschijningsvorm loopt sterk uiteen. Ze kunnen zeer soortenrijk zijn en zeldzame typische soorten bevatten. [Voor het subtype C van beekbegeleidende bossen geldt het volgende:] De beekbegeleidende essenbossen in beekdalen en langs kleinere rivieren van de hogere zandgronden en het heuvelland vertonen veel overeenkomst met het vochtige hardhoutooibos. Ze bezitten echter een typische ondergroei met een bijzonder uitbundig voorjaarsaspect. In het rivierengebied komt dit subtype (ondanks wat de verkorte naam kan suggereren) soms ook voor, in de vorm van Vogelkers-Essenbos. In brongebieden van beekdalen wisselen deze bossen af met natte bossen waarin zwarte els op de voorgrond treedt. Ook deze zogenoemde elzenbroekbossen worden tot dit habitattype H91E0 gerekend.” Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling van het habitattype H91E0 Vochtige alluviale bossen is “behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit vochtige alluviale bossen, beekbegeleidende bossen (subtype C)”.

Verspreiding in het Natura 2000-gebied Figuur 6-41 geeft de ligging van het habitattype H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) in het Natura 2000-gebied. Uit het figuur blijkt dat het habitattype op een aantal plaatsen in het Natura 2000-gebied voorkomt maar dat het zwaartepunt aan de zuidoostkant van het gebied is gelegen. Hoewel het grootste deel van het oppervlak overbelast is, liggen verspreid in het Natura 2000-gebieden delen die niet overbelast zijn.

62 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_9190.pdf, geraadpleegd op 27-04-

2021. 63 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_91E0.pdf, geraadpleegd op 29-032021.

83

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Figuur 6-41: Ligging van het habitattype H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven. Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister en zijn gelijk aan de kaarten opgenomen in Aerius (versie 2020).64

Huidig beheer In het algemeen is het voor dit habitattype met name belangrijk dat het grond- en oppervlaktewater, natuurlijke grondwaterpeilen en overstromingsdynamiek op orde zijn. In het bos zelf bestaat het beheer uit niets doen of kleinschalig hakhoutbeheer 65. In het beheerplan is niet expliciet aangegeven welk huidig beheer plaatsvindt (Provincie Noord-Brabant, 2017c). Dit betekent overigens niet dat geen beheer wordt uitgevoerd, het exacte beheer is echter niet bekend. Huidige kwaliteit Het habitattype is volgens het beheerplan matig ontwikkeld maar stabiel (Provincie Noord-Brabant, 2017c). In de gebiedsanalyse is aangegeven dat de kwaliteit matig is (Provincie Noord-Brabant, 2017a). Kwantificering van effect van Reconstructie N65 De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 1.857 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Voor het grootste deel van het habitattype is sprake van een overbelaste situatie, zie Tabel 6-26. Tabel 6-26: Totale oppervlakte van het habitattype H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen en welk deel overbelast is. De informatie is afkomstig uit de bronnen die ook gebruikt zijn voor de kaarten.

Totale oppervlakte (ha) 51,33

Overbelast (ha) 50,56

Niet overbelast (ha) 0,77

% Overbelast

% Niet overbelast

98,5%

1,5%

64 AERIUS relevante habitatkartering: bron identificatie a4d666fb-aff5-4772-9e9b-85bc533aafc0, metadata datum: 15-10-2020.

AERIUS totale stikstofdepositie: bron identificatie: 5dbc4e3c-324f-4fcd-9652-04edcd84ea43, metadata datum: 15-10-2020. 65 https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-valleibossen-elzenbroekbossen-en-zachthoutooibossen-91e0, geraadpleegd op 08-04-2021.

84

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Tabel 6-27 geeft de veranderingen van de stikstofdepositie in de overbelaste delen voor het habitattype in het Natura 2000-gebied gedurende de realisatiefase en gebruiksfase van de Reconstructie N65. Uit onderstaande tabel blijkt dat in de realisatiefase nergens sprake is van een toename op overbelaste oppervlak binnen de reikwijdte. In de gebruiksfase is op het gehele overbelaste oppervlak binnen de reikwijdte sprake van een toename. Tabel 6-27: Verandering stikstofdepositie op het habitattype H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen door Reconstructie N65.

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

44,71

98,5%

0,0%

-0,01

-0,05

51,33

98,5% 100,0% 0,05

0,02

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

Natura 2000-gebied en habitattypen/leefgebieden H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

GEBRUIKSFASE

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

REALISATIEFASE

De depositietoenames op de overbelaste delen zijn op kaart weergegeven in Figuur 6-42 voor de realisatiefase en Figuur 6-43 voor de gebruiksfase (en geven de ruimtelijke verdeling van de stikstofdeposities die zijn samengevat in Tabel 6-27). Voor de realisatiefase is nergens een toename van de depositie. In de gebruiksfase is sprake van effect op het gehele overbelaste oppervlak binnen de reikwijdte. van maximaal 0,05 mol N/ha/jr.

85

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Figuur 6-42: Projecteffect in de realisatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.

Figuur 6-43: Projecteffect in de gebruiksfase op het overbelaste deel van het habitattype H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.

86

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Knelpunten en stikstof De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 1.857 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Voor het grootste deel van het habitattype is sprake van een overbelaste situatie, zie Tabel 6-26. Beekbegeleidende bossen komen voor in beekdalen en langs kleinere rivieren van hogere zandgronden. Deze plekken staan onder invloed van overstromend beekwater en/of worden gevoed door grondwater. Deze groeiplaatsen zijn relatief rijk een basen en nutriënten. 66 In het beheerplan is opgenomen dat er voor dit habitattype geen knelpunten zijn (Provincie Noord-Brabant, 2017c). Dat de hoeveelheid stikstofdepositie niet het grootste knelpunt is, blijkt uit het gegeven dat in de gebiedsanalyse geen maatregelen zijn opgenomen (Provincie Noord-Brabant, 2017a). Beoordeling gevolgen voor areaal en kwaliteit Als hiervoor beschreven is geen sprake van een toename in de realisatiefase. In de gebruiksfase is sprake van een beperkte toename op het gehele overbelaste oppervlak van het habitattype. Voor het habitattype is sprake van een stabiele situatie, ondanks de overbelaste situatie. Stikstofdepositie is uitgesloten als knelpunt in het beheerplan en gebiedsanalyse. Gezien de stabiele situatie en dat stikstof geen knelpunt vormt, zorgt de geringe projectbijdrage van 0,05 mol N/ha/jaar permanent niet voor een meetbare verandering van de vegetaties van dit habitattype.

Significante gevolgen zijn uitgesloten. De verandering van de stikstofdepositie door de Reconstructie N65 belemmert de realisatie van de uitbreidings- en verbeteropgave van dit habitattype niet.

6.4.15

Leefgebieden

Tabel 6-28 geeft de stikstofdepositie op de relevante leefgebieden voor het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Tabel 6-28: Verandering Stikstofdepositie op relevante leefgebieden (in dit geval stikstofgevoelig, overbelast en een toename van de stikstofdepositie door Reconstructie N65 in realisatie en/of gebruiksfase) in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

Natura 2000-gebied en habitattypen/leefgebieden L4010A - Vochtige heiden (hogere zandgronden) L4030 - Droge heiden Lg02 - Geïsoleerde meander en petgat Lg03 - Zwakgebufferde sloot Lg04 - Zuur ven Lg09 - Droog struisgrasland

GEBRUIKSFASE

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

REALISATIEFASE

2,38

100,0%

100,0%

0,03

0,01

3,92

100,0%

100,0%

0,12

0,07

87,97 0,53 1,91 15,47 43,35

100,0% 0,0% 59,0% 67,2% 100,0%

0,9% 0,0% 13,9% 21,1% 0,8%

0,12 0,00 0,22 0,43 0,20

-0,15 0,00 -0,49 -0,15 -0,09

88,49 0,53 2,05 15,66 43,35

100,0% 0,0% 59,8% 67,6% 100,0%

100,0% 0,0% 100,0% 100,0% 100,0%

0,19 0,00 0,36 0,24 0,19

0,07 0,00 0,08 0,07 0,07

Voor leefgebieden gelden geen instandhoudingsdoelstellingen, maar deze zijn wel relevant voor de kwalificerende soorten. Hieronder wordt ingegaan op deze leefgebieden en de consequentie voor kwalificerende soorten: • Voor L4010A en L4030 geldt het volgende:

66 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_91E0.pdf, geraadpleegd op 27-04-

2021.

87

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

• •

•

•

– L4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden). Over dit leefgebied is geen verdere toelichting te vinden. Het gaat hier in ieder geval over leefgebieden die vergelijkbaar zijn met het habitattype H4010A maar niet kwalificeren als dat habitattype. Volgens Aerius Monitor (geraadpleegd op 02-042021) gaat het om de heide met bomen helemaal in het oosten van het Natura 2000-gebied. – L4030 Droge heiden: Over dit leefgebied is geen verdere toelichting te vinden. Het gaat hier in ieder geval over leefgebieden die vergelijkbaar zijn met het habitattype H4030 maar niet kwalificeren als dat habitattype. Van de kwalificerende soorten van het Natura 2000-gebied geldt dat beide leefgebieden van belang zijn voor de roodborsttapuit67. Voor de roodborsttapuit is uitgesloten dat stikstofdepositie leidt tot effecten voor deze soort. De depositie is zeer gering in de realisatiefase (maximaal 0,03 mol N/ha) en gebruiksfase (maximaal 0,12 mol N/ha/jaar). In de gebruiksfase is voor een deel van het leefgebied zelfs sprake van een geringe afname. De roodborsttapuit is een soort die juist profiteert van enige verruiging. De zeer geringe en tijdelijke stikstofdepositie door het plan leidt echter niet tot een meetbare verandering van kwaliteit of omvang van dit leefgebied. Significante gevolgen op de roodborsttapuit gebonden aan leefgebieden L4010A en L4030 zijn uitgesloten.

Lg02 Geïsoleerde meander en petgat is geen sprake van een toename op overbelast leefgebied binnen de reikwijdte van het effect. in de realisatiefase of gebruiksfase. Lg03 Zwakgebufferde sloot (van de kwalificerende soorten van het Natura 2000-gebied relevant voor drijvende waterweegbree, gevlekte witsnuitlibel, kamsalamander 67): De maximale tijdelijke toename van stikstofdepositie op zwakgebufferde sloten in een overbelaste situatie is 0,22 mol N/ha, maar voor een deel van het leefgebied is ook sprake van een tijdelijke afname. In de gebruiksfase is sprake van een maximale toename van 0,36 mol N/ha/jaar en voor een deel van het leefgebied is ook sprake van een geringe afname. De gevlekte witsnuitlibel is later toegevoegd met een wijzigingsbesluit en daarom is voor deze soort geen analyse beschikbaar, maar de soort komt voor in dezelfde leefgebieden als drijvende waterweegbree en kamsalamander. Voor de drijvende waterweegbree worden geen maatregelen tegen stikstof genomen in leefgebieden. Voor de kamsalamander geldt dat stikstof niet het meest bepalende knelpunt is en in leefgebieden geen maatregelen worden genomen. De zeer geringe en tijdelijke stikstofdepositie door het plan leidt niet tot een meetbare verandering van kwaliteit of omvang van dit leefgebied. Effecten op drijvende waterweegbree, gevlekte witsnuitlibel, kamsalamander gebonden aan Lg03 zijn uitgesloten.

Lg04 Zuur ven (van de kwalificerende soorten van het Natura 2000-gebied relevant voor dodaars67): De maximale tijdelijke toename van stikstofdepositie op zure vennen is 0,43 mol N/ha. In de gebruiksfase is sprake van een maximale toename van 0,24 mol N/ha/jaar en voor een deel van het leefgebied is ook sprake van een geringe afname. Voor de dodaars is aangegeven dat oppervlak en kwaliteit van het leefgebied stabiel is. Mogelijke knelpunten zijn de aanwezigheid van ganzen en het voedselaanbod voor jongen. Buiten habitattypen zijn geen maatregelen vereist voor de dodaars. De zeer geringe en tijdelijke stikstofdepositie door het plan leidt niet tot een meetbare verandering van kwaliteit of omvang van dit leefgebied. Effecten op dodaars gebonden aan Lg04 zijn uitgesloten. Lg09 Droog struisgrasland (van de kwalificerende soorten van het Natura 2000-gebied relevant voor roodborsttapuit67): De maximale tijdelijke toename van stikstofdepositie op droog struisgrasland in een overbelaste situatie is 0,20 mol N/ha. In de gebruiksfase is sprake van een maximale toename van 0,19 mol N/ha/jaar en voor een deel van het leefgebied is ook sprake van een geringe afname. Voor de roodborsttapuit is uitgesloten dat stikstofdepositie leidt tot effecten voor deze soort.

De soort profiteert juist van enige verruiging, omdat de soort niet specifiek voorkomt in de lage, schrale vegetatie maar juist ook in delen van heidegebieden met meer opgaande vegetatie. De zeer geringe en tijdelijke stikstofdepositie door het plan leidt echter niet tot een meetbare verandering van kwaliteit of omvang van dit leefgebied. Effecten op roodborsttapuit gebonden aan Lg09 zijn uitgesloten.

67 Zie voor de koppeling van kwalificerende Habitatrichtlijnsoorten aan leefgebieden Van den Brand et al., 2013.

88

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

6.5

Langstraat

6.5.1

Inleiding

Tabel 6-29 geeft de habitattypen van het Natura 2000-gebied Langstraat waarvoor een nadere beoordeling nodig is. In de volgende paragrafen vindt een nadere beoordeling plaats van die habitattypen waarvoor de tabel aangeeft dat een nadere beoordeling nodig is. De beoordeling vindt alleen plaats voor het deel van het Natura 2000-gebied dat binnen de reikwijdte van het effect ligt: dat wil zeggen alleen voor de delen van het Natura 2000-gebied waar als gevolg van de reconstructie de stikstofdepositie toe- of afneemt. Tabel 6-29: Samenvatting uit Tabel 4-1 voor het Natura 2000-gebied Langstraat. Conclusie over vervolg Natura 2000-gebied en habitattypen/leefgebieden H3140hz Kranswierwateren, op hogere zandgronden

H3140lv Kranswierwateren, in laagveengebieden

H6410 Blauwgraslanden H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) H7230 Kalkmoerassen

6.5.2

REALISATIE Tijdens de realisatie is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in deze paragraaf voor dit Natura 2000-gebied beoordeeld. In de realisatiefase geen toename in een overbelaste situatie, effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn bij voorbaat uitgesloten

GEBRUIK

Tijdens het gebruik is geen sprake van een toename in een overbelaste situatie, effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn bij voorbaat uitgesloten.

Tijdens de realisatie is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in deze paragraaf voor dit Natura 2000-gebied beoordeeld.

H3140 Kranswierwateren

Beschrijving van het habitattype In het profieldocument is de volgende beschrijving van het habitattype opgenomen 68: “Dit habitattype omvat kranswierbegroeiingen in matig voedselrijke wateren. Het water is helder, voedselarm tot matig voedselrijk en onvervuild. Doorgaans is het basenrijk. De begroeiing bestaat uit ondergedoken waterplanten met fijne bladeren. In de randmeren kunnen zich uitgestrekte velden met kranswieren vormen.” In het Natura 2000-gebied komt dit habitattype in twee subtypen voor: H3140hz, het type van hogere zandgronden, en H3140lv, het type van het laagveengebied. Omdat alleen het subtype van de hogere zandgronden overbelast is, wordt verder niet ingegaan op het subtype van het laagveengebied. Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype H3140 Kranswierwateren is “behoud oppervlakte en kwaliteit”. Verspreiding in het Natura 2000-gebied Figuur 6-44 geeft de ligging van het habitattype H3140hz Kranswierwateren, op hogere zandgronden in het Natura 2000-gebied. Het habitattype komt verspreid in het Natura 2000-gebied voor in de sloten. Verder blijkt dat het volledige oppervlak van dit specifieke subtype overbelast is.

68 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_3140.pdf, geraadpleegd op 29-03-

2021.

89

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Figuur 6-44: Ligging van het habitattype H3140hz Kranswierwateren, op hogere zandgronden in het Natura 2000-gebied Langstraat. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven. Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister en zijn gelijk aan de kaarten opgenomen in Aerius (versie 2020) 69.

Huidig beheer In het algemeen moet het beheer van dit habitattype zich richten op behoud van een optimale waterkwaliteit door beperken verontreiniging en vermesting van grond- en oppervlaktewater, oevers vrijhouden van boomopslag, periodiek slib verwijderen, stimuleren windwerking, inlaten van gebufferd water en opschonen70. In het beheerplan zijn geen reguliere beheermaatregelen voor dit habitattype opgenomen (Provincie Noord-Brabant, 2017g). Dit betekent overigens niet dat geen beheer wordt uitgevoerd, het exacte beheer is echter niet bekend. Huidige kwaliteit Volgens het beheerplan is de huidige trend voor zowel omvang als kwaliteit stabiel (Provincie NoordBrabant, 2017g). In de gebiedsanalyse is opgenomen dat de kwaliteit grotendeels goed is en dat de ontwikkeling van het habitattype positief is geweest door verbetering van de waterkwaliteit. De populaties van kranswieren zijn echter niet stabiel door eutrofiëring, verzuring en vertroebeling (Provincie NoordBrabant, 2017h). Kwantificering van effect van Reconstructie N65 De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 571 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Het oppervlak van het subtype van hogere zandgronden is volledig overbelast, het type van laagveengebieden is niet overbelast (de kritische depositiewaarde van dit subtype ligt ook hoger), zie Tabel 6-30.

69 AERIUS relevante habitatkartering: bron identificatie a4d666fb-aff5-4772-9e9b-85bc533aafc0, metadata datum: 15-10-2020.

AERIUS totale stikstofdepositie: bron identificatie: 5dbc4e3c-324f-4fcd-9652-04edcd84ea43, metadata datum: 15-10-2020. 70 https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-wateren-met-kranswiervegetaties-3140, geraadpleegd op 02-04-2021.

90

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Tabel 6-30: Totale oppervlakte van het habitattype H3140 Kranswierwateren in het Natura 2000-gebied Langstraat en welk deel overbelast is. De informatie is afkomstig uit de bronnen die ook gebruikt zijn voor de kaarten.

Habitattype

H3140hz

Totale oppervlakte (ha) 1,35

Overbelast (ha)

Niet overbelast (ha) 0

1,35

% Overbelast

% Niet overbelast

100,00

0,00

Tabel 6-31 geeft de veranderingen van de stikstofdepositie in de overbelaste delen voor het habitattype in het Natura 2000-gebied gedurende de realisatiefase en gebruiksfase van de Reconstructie N65. Uit onderstaande tabel blijkt dat in de realisatiefase sprake is van een toename op het totale, overbelaste oppervlak van het subtype van de hogere zandgronden binnen de reikwijdte (100%). In de gebruiksfase is geen sprake van een toename op het overbelaste oppervlak binnen de reikwijdte (0%). De toename van de stikstofdepositie voor dit habitattype is dus tijdelijk. Tabel 6-31: Verandering stikstofdepositie op het habitattype H3140hz Kranswierwateren, op hogere zandgronden in het Natura 2000-gebied Langstraat door Reconstructie N65.

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

Natura 2000-gebied en habitattypen/leefgebieden H3140hz Kranswierwateren, op hogere zandgronden

GEBRUIKSFASE

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

REALISATIEFASE

1,29

100,0%

100,0%

1,05

0,02

1,29

100,0%

0,0%

-0,02

-0,47

De depositietoenames op de overbelaste delen zijn op kaart weergegeven in Figuur 6-45 voor de realisatiefase en Figuur 6-46 voor de gebruiksfase (en geven de ruimtelijke verdeling van de stikstofdeposities die zijn samengevat in Tabel 6-31). Uit de figuren blijkt dat alleen in de realisatiefase sprake is van een toename van stikstofdepositie (tot maximaal 1,05 mol N/ha). In de gebruiksfase is sprake van een afname (van maximaal 0,47 mol N/ha/jaar).

91

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Figuur 6-45: Projecteffect in de realisatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H3140hz Kranswierwateren, op hogere zandgronden in het Natura 2000-gebied Langstraat.

Figuur 6-46: Projecteffect in de gebruiksfase op het overbelaste deel van het habitattype H3140hz Kranswierwateren, op hogere zandgronden in het Natura 2000-gebied Langstraat.

92

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Knelpunten en stikstof De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 571 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Het oppervlak van het subtype van hogere zandgronden is volledig overbelast, het type van laagveengebieden is niet overbelast (de kritische depositiewaarde van dit subtype ligt ook hoger), zie Tabel 6-30. Kranswierwateren zijn kranswierbegroeiingen in matig voedselrijk water. Doorgaans is het water basenrijk. Het habitattype is zeer gevoelig voor vermesting door inlaat van voedselrijk water en vertroebeling van het water. Het habitattype is in het verleden achteruitgegaan door verslechtering van waterkwaliteit, verlagingen van het waterpeil en vertroebeling van water. Bij verbetering van de omstandigheden is het habitattype teruggekomen. Op de hogere zandgronden is dit type begroeiing altijd zeldzaam geweest: door eutrofiëring, verzuring en vertroebeling zijn groeiplaatsen weinig stabiel geweest 71. Volgens het beheerplan is het belangrijkste knelpunt de waterkwaliteit. Dit komt vooral door zware bemesting van agrarische percelen. Kwel van goede kwaliteit is van belang. Nieuwe petgaten, voldoende brede watergangen, herstel van het hydrologisch systeem, baggeren van sloten en beperken invloed van fosfaat- en stikstofrijk oppervlaktewater kunnen snel leiden tot een verbetering (Provincie Noord-Brabant, 2017g).

In de gebiedsanalyse is ook aangegeven dat de waterkwaliteit het belangrijkste knelpunt is. De waterkwaliteit wordt bepaald door kwel en de aanvoer van fosfaat- en stikstofrijk oppervlaktewater. Dit wordt ook bevestigd door de maatregelen die voorzien zijn; deze zijn alleen gericht op het verbeteren van de hydrologie (Provincie Noord-Brabant, 2017h). Beoordeling gevolgen voor areaal en kwaliteit Als hiervoor beschreven is alleen sprake van een geringe tijdelijke toename. Van een permanente toename is geen sprake en voor delen van het habitattype neemt de stikstofdepositie zelfs permanent af. Voor het habitattype is sprake van een situatie waarin een goede kwaliteit te behalen is en verbetering mogelijk is in een overbelaste situatie. Met name de waterkwaliteit onder invloed van kwel en slechte waterkwaliteit door bemesting van agrarische percelen vormen een knelpunt. Gezien in de gebruiksfase geen sprake is van een toename en zelfs voor een deel van het habitattype een afname door de Reconstructie N65, een goede kwaliteit te ontwikkelen is in een overbelaste situatie en de andere, meer bepalende knelpunten, zorgt de geringe projectbijdrage van maximaal 1,05 mol N/ha eenmalig niet voor een meetbare verandering van de vegetaties van dit habitattype. Significante gevolgen zijn uitgesloten.

De verandering van de stikstofdepositie door de Reconstructie N65 belemmert de realisatie van de behoudsopgave voor omvang en kwaliteit van dit habitattype niet.

6.5.3

H6410 Blauwgraslanden

Beschrijving van het habitattype Zie voor beschrijving § 6.4.9. Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype H6410 Blauwgraslanden is “uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit”. Verspreiding in het Natura 2000-gebied Figuur 6-47 geeft de ligging van het habitattype H6410 Blauwgraslanden in het Natura 2000-gebied. Het habitattype ligt verspreid door het Natura 2000-gebied op enkele percelen. Verder blijkt uit de figuur dat het volledige habitattype overbelast is.

71 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_3140.pdf, geraadpleegd op 27-04-

2021.

93

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Figuur 6-47: Ligging van het habitattype H6410 Blauwgraslanden in het Natura 2000-gebied Langstraat. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven. Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister en zijn gelijk aan de kaarten opgenomen in Aerius (versie 2020)72.

Huidig beheer In het algemeen vindt instandhouding van het habitattype plaats door jaarlijks maaibeheer en een gunstige waterhuishouding onder invloed van basenrijk grondwater. Oppervlakkige drainage om stagnerend regenwater (verzuring) tegen te gaan is belangrijk. In mozaïek met andere vegetaties kan ook extensieve begrazing worden ingezet73. In het beheerplan zijn geen reguliere beheermaatregelen voor dit habitattype opgenomen (Provincie Noord-Brabant, 2017g). Dit betekent overigens niet dat geen beheer wordt uitgevoerd, het exacte beheer is echter niet bekend. Bij een veldbezoek in 2019 is waargenomen dat maaiwerkzaamheden plaatsvinden en dat ook opslag verwijderd wordt. Huidige kwaliteit Volgens het beheerplan is de trend van omvang stabiel en van kwaliteit negatief (Provincie Noord-Brabant, 2017g). In de gebiedsanalyse is aangegeven dat het habitattype een matige/redelijke kwaliteit heeft en dat de trend voor oppervlakte stabiel is en voor kwaliteit negatief (Provincie Noord-Brabant, 2017h). Op 5 november 2019 zijn locaties met dit habitattype in het Natura 2000-gebied bezocht. Blauwgraslanden in het Natura 2000-gebied waren niet goed bereikbaar vanaf de openbare paden en derhalve is alleen het perceel in het noordoostelijke deel van het gebied van een afstand bekeken. Tijdens het veldbezoek is ter plaatse van het perceel korte vegetatie waargenomen en hoge waterpeilen.

Verder zijn tekenen van basenaanvoer waargenomen (in de vorm van groeiplaatsen met waterviolier). Verder leek isolatie hier een knelpunt te zijn: de verschillende delen van het habitattype lagen op grote afstand van elkaar, gescheiden door wegen, bossen en bebouwing. Dit beperkte de mogelijkheden voor soorten van blauwgraslanden om zich tussen leefgebieden te bewegen. Kwantificering van effect van Reconstructie N65 De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 1.071 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Op het volledige oppervlak treedt momenteel een overschrijding van de KDW op, zie Tabel 6-32.

72 AERIUS relevante habitatkartering: bron identificatie a4d666fb-aff5-4772-9e9b-85bc533aafc0, metadata datum: 15-10-2020.

AERIUS totale stikstofdepositie: bron identificatie: 5dbc4e3c-324f-4fcd-9652-04edcd84ea43, metadata datum: 15-10-2020. 73 https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-blauwgraslanden-6410, geraadpleegd op 08-04-2021.

94

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Tabel 6-32: Totale oppervlakte van het habitattype H6410 Blauwgraslanden in het Natura 2000-gebied Langstraat en welk deel overbelast is. De informatie is afkomstig uit de bronnen die ook gebruikt zijn voor de kaarten.

Totale oppervlakte (ha) 0,26

Overbelast (ha) 0,26

Niet overbelast (ha) 0,00

% Overbelast

% Niet overbelast

100,0%

0,0%

Tabel 6-33 geeft de veranderingen van de stikstofdepositie in de overbelaste delen voor het habitattype in het Natura 2000-gebied gedurende de realisatiefase en gebruiksfase van de Reconstructie N65. Uit onderstaande tabel blijkt dat in de realisatiefase sprake is van een toename op het totale, overbelaste oppervlak binnen de reikwijdte (100%). In de gebruiksfase is geen sprake van een toename op het overbelaste oppervlak binnen de reikwijdte (0%). De toename van de stikstofdepositie voor dit habitattype is dus tijdelijk. Tabel 6-33: Verandering stikstofdepositie op het habitattype H6410 Blauwgraslanden in het Natura 2000-gebied Langstraat door Reconstructie N65.

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

Natura 2000-gebied en habitattypen/leefgebieden H6410 - Blauwgraslanden

GEBRUIKSFASE

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

REALISATIEFASE

0,26

100,0%

100,0%

0,69

0,03

0,26

100,0%

0,0%

-0,03

-0,29

De depositietoenames op de overbelaste delen zijn op kaart weergegeven in Figuur 6-48 voor de realisatiefase en Figuur 6-49 voor de gebruiksfase (en geven de ruimtelijke verdeling van de stikstofdeposities die zijn samengevat in Tabel 6-33). Uit de figuren blijkt dat alleen in de realisatiefase sprake is van een toename van stikstofdepositie (tot maximaal 0,69 mol N/ha). In de gebruiksfase is sprake van een afname (van maximaal 0,29 mol N/ha/jaar).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=dfb20089-316b-415a-85aa-9de17f52ab5d