CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Passende Beoordeling

Raadsvergadering 16 december 2021, gemeente VughtBij agendapunt: Besluit tot het nemen van een M.E.R.-beoordelingsbesluit38.193 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

De maatregelen om effecten van stikstofdepositie tegen te gaan bestaan niet alleen uit maatregelen om stikstof uit het systeem te onttrekken (plaggen, chopperen, baggeren / verwijderen organisch sediment, opslag verwijderen), maar zijn ook gericht op het vergroten van het oppervlak en vergroten aanvoer gebufferd water (Provincie Noord-Brabant, 2017a). Daar waar beheer heeft plaatsgevonden zijn de resultaten positief (Provincie Noord-Brabant, 2017c) ondanks de overbelasting. Beoordeling gevolgen voor areaal en kwaliteit Als hiervoor beschreven is in de realisatiefase als sprake van een toename op een zeer klein deel van het habitattype en in de gebruiksfase sprake van een toename op de gehele oppervlakte van het habitattype binnen de reikwijdte van het effect. Voor het habitattype is ondanks de overbelaste situatie voor delen sprake van een goede kwaliteit en een stabiele ontwikkeling en er is potentie voor herstel in een overbelaste situatie bij het nemen van maatregelen. Hoewel stikstofdepositie een knelpunt vormt, zijn de ligging van de vennen in de bossen en de beperkte aanvoer van beekwater waarin de concentratie van voedingsstoffen hoog is, de belangrijkste knelpunten.

Gezien de potentie voor herstel en voorgenoemde, meer bepalende knelpunten, zorgt de geringe projectbijdrage van maximaal 0,22 mol N/ha eenmalig en 0,49 mol N/ha/jaar permanent niet voor een meetbare verandering van de vegetaties van dit habitattype. Significante gevolgen zijn uitgesloten. De verandering van de stikstofdepositie door de Reconstructie N65 belemmert de realisatie van de uitbreidings- en verbeteropgave van dit habitattype niet.

6.4.6

H3160 Zure vennen

Beschrijving van het habitattype In het profieldocument is de volgende beschrijving van het habitattype opgenomen28: “Dit habitattype omvat natuurlijke poelen en meren met zuur water en veenmodder op de bodem. In ons land betreft het zo goed als uitsluitend door regenwater gevoede heidevennen en vennen in de randzone van hoogveengebieden. In die vennen kan lokaal invloed van grondwater doordringen en van essentieel belang zijn voor de variatie van levensgemeenschappen, maar de regenwaterinvloed is zo groot dat men meestal spreekt van ‘uitsluitend door regenwater gevoed’. Daarbij gaat het zowel om de open waterbegroeiingen als om jonge verlandingsstadia, drijvend of op de oever. Het water van deze poelen en meren is van nature zeer voedselarm en kan door humuszuren bruin gekleurd zijn. Zulk een milieu heet dystroof. In de randzones van deze poelen kunnen ijle begroeiingen van wat hogere schijngrassen zoals Snavel- en Draadzegge of Veenpluis het aanzien bepalen. Deze begroeiingen maken deel uit van habitattype H3160. In sommige gevallen vormt koolzuur (CO2) een beperkende factor. De vegetatie ontbreekt dan (habitattype matig ontwikkeld) of bestaat voornamelijk uit aan de oppervlakte zwevende of drijvende waterplanten. In heldere vennen waar wel voldoende CO2 aanwezig is, kan de gehele waterlaag gevuld zijn met zwevende planten, vooral in ondiepe zones.

Wanneer de veenmoslaag zich sluit, vormt zich een dichte vegetatiemat met op den duur een hoogveenachtig patroon van bulten en slenken. Venbegroeiingen waarin deze latere successiestadia domineren, worden gerekend tot habitattype H7110 (actief hoogveen). Bij degradatie worden de begroeiingen zeer soortenarm en gaan in de zure vennen soorten overheersen zoals Waterveenmos (Sphagnum cuspidatum), Geoord veenmos (S. denticulatum), Pijpenstrootje (Molinia caerulea) en bij fosfaataanrijking Pitrus (Juncus effusus). Vennen waarin zulke begroeiingen domineren,

27 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_3130.pdf, geraadpleegd op 27-04-

2021. 28 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_3160.pdf, geraadpleegd op 29-032021.

49

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

zonder aanwezigheid van méér veensoorten dan alleen waterveenmos en voor zure vennen kenmerkende gemeenschappen worden niet tot het habitattype gerekend.” Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling van het habitattype H3160 Zure vennen is “behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit. Enige achteruitgang in oppervlakte ten gunste van habitattypen zwakgebufferde vennen (H3130) of actieve hoogvenen, heideveentjes (H7110B) is toegestaan”. Verspreiding in het Natura 2000-gebied Figuur 6-15 geeft de ligging van het habitattype H3160 Zure vennen in het Natura 2000-gebied. De figuur laat zien dat het habitattype verspreid in het Natura 2000-gebied voorkomt en zich in een overbelaste situatie bevindt.

Figuur 6-15: Ligging van het habitattype H3160 Zure vennen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven. Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister en zijn gelijk aan de kaarten opgenomen in Aerius (versie 2020). 29

Huidig beheer In het algemeen geldt voor het habitattype dat het plaatselijke beheer bestaat uit het vermijden van verdroging en eutrofiëring. Opslag van struwelen en bomen langs de oever moet vermeden worden. Bij sterke verlanding kan uitvening overwogen worden. 30 In het beheerplan is niet expliciet aangegeven welk huidig beheer plaatsvindt (Provincie Noord-Brabant, 2017c). Dit betekent overigens niet dat geen beheer wordt uitgevoerd, het exacte beheer is echter niet bekend. Huidige kwaliteit Het habitattype is volgens het beheerplan goed tot matig ontwikkeld met een positieve trend (Provincie Noord-Brabant, 2017c). In de gebiedsanalyse is aangegeven dat het habitattype een matig tot goede kwaliteit heeft en dat de trend voor oppervlakte stabiel en voor kwaliteit positief is (Provincie Noord-Brabant, 2017a).

29 AERIUS relevante habitatkartering: bron identificatie a4d666fb-aff5-4772-9e9b-85bc533aafc0, metadata datum: 15-10-2020.

AERIUS totale stikstofdepositie: bron identificatie: 5dbc4e3c-324f-4fcd-9652-04edcd84ea43, metadata datum: 15-10-2020. 30 https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-zure-bruingekleurde-vennen-3160, geraadpleegd op 08-04-2021.

50

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Op 5 juli 2019 en 13 mei 2021 zijn locaties met het habitattype in het Natura 2000-gebied bezocht. In 2019 zijn de vennen aan de noordkant van de Kampina bezocht. Opvallend waren de lokale verschillen tussen de vennen. De vegetatie van sommige vennen duidde op een hogere voedselrijkdom. Verder waren delen van de vennen ook drooggevallen. Tijdens het bezoek zijn ook broedende en ruiende ganzen waargenomen. In 2021 is het ven aan de westkant van de Oisterwijkse vennen bezocht. De oever die kwalificeert was grotendeels kaal, maar langs de randen was sprake van vergrassing. De ligging van het bos is niet ideaal, dit beperkt de aanvoer van water en bovendien valt materiaal vanuit de bomen in het ven. Kwantificering van effect van Reconstructie N65 De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 714 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Op het volledige oppervlak treedt momenteel een overschrijding van de KDW op, zie Tabel 6-10. Tabel 6-10: Totale oppervlakte van het habitattype H3160 Zure vennen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen en welk deel overbelast is. De informatie is afkomstig uit de bronnen die ook gebruikt zijn voor de kaarten.

Habitattype Zoekgebied

Totale oppervlakte (ha) 47,72 1,77

Overbelast (ha) 47,72 1,77

Niet overbelast (ha) 0,00 0,00

% Overbelast

% Niet overbelast

100,0% 100,0%

0,0% 0,0%

Tabel 6-11 geeft de veranderingen van de stikstofdepositie in de overbelaste delen voor het habitattype in het Natura 2000-gebied gedurende de realisatiefase en gebruiksfase van de Reconstructie N65. Uit onderstaande tabel blijkt dat in de realisatiefase sprake is van een toename op een deel van het overbelaste oppervlak van het habitattype binnen de reikwijdte (20%) en geen sprake is van een toename op het zoekgebied. In de gebruiksfase is sprake van depositie op het totale oppervlak binnen de reikwijdte voor zowel het habitattype als het zoekgebied. Tabel 6-11: Verandering stikstofdepositie op het habitattype H3160 Zure vennen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen door Reconstructie N65.

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

44,94 1,77

100,0% 100,0%

19,5% 0,0%

0,28 -0,51

-0,65 -0,77

47,72 1,77

100,0% 100,0%

100,0% 100,0%

0,47 44,94 0,49 1,77

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

Natura 2000-gebied en habitattypen/leefgebieden H3160 - Zure vennen ZGH3160 - Zure vennen

GEBRUIKSFASE

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

REALISATIEFASE

De depositietoenames op de overbelaste delen zijn op kaart weergegeven in Figuur 6-16 en Figuur 6-17 voor de realisatiefase en Figuur 6-18 en Figuur 6-19 voor de gebruiksfase (en geven de ruimtelijke verdeling van de stikstofdeposities die zijn samengevat in Tabel 6-11). In de realisatiefase is op sprake van een toename van de depositie in alleen het noordelijk deel van het gebied, van maximaal 0,28 mol/ha voor het habitattype en alleen een daling op het zoekgebied. In de gebruiksfase is overal (habitattype en zoekgebied) sprake van een toename, van maximaal 0,49 mol N/ha/jaar.

51

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Figuur 6-16: Projecteffect in de realisatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H3160 Zure vennen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.

Figuur 6-17: Projecteffect in de realisatiefase op het overbelaste deel van het habitattype ZGH3160 Zure vennen (zoekgebied) in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. 52

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Figuur 6-18: Projecteffect in de gebruiksfase op het overbelaste deel van het habitattype H3160 Zure vennen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.

Figuur 6-19: Projecteffect in de gebruiksfase op het overbelaste deel van het habitattype ZGH3160 Zure vennen (zoekgebied) in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.

53

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Knelpunten en stikstof De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 714 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Op het volledige oppervlak treedt momenteel een overschrijding van de KDW op, zie Tabel 6-10. Zure vennen zijn natuurlijke poelen en meren met zuur water en veenmodder op de bodem. Dit zijn door regenwater gevoede heidevennen en vennen in hoogveengebieden 31. Het onderscheid met H3110 Zeer zwak gebufferde vennen en H3130 Zwak gebufferde vennen is dat er geen sprake is van aanvoer van gebufferd water32. De aanvoer van overige noodzakelijke stoffen vindt plaats vanuit de omgeving door water en vanuit de atmosfeer. Een groot deel van de vennen is door ontginningen van de natte heide in het verleden verdwenen.31 Stikstofdepositie is als knelpunt voor dit habitattype in het Natura 2000-gebied aangemerkt en leidt ook tot opeenhoping van organisch materieel en ammonium (Provincie Noord-Brabant, 2017a; 2017c). Stikstof wordt in dit Natura 2000-gebied ook aangevoerd door ganzen, die periodiek in aanzienlijke aantallen in de plassen aanwezig zijn (Provincie Noord-Brabant, 2017a). Ter vergelijking: de dagelijkse bijdrage aan stikstof van één Canadese gans in Wintergreen Lake is 1,57 gram stikstof (0,11 mol) (Manny et al., 1994).

Een hoeveelheid stikstofdepositie van 0,49 mol N/ha/jaar (zie Tabel 6-11, 0,49 is de maximale toename) is qua hoeveelheid stikstof vergelijkbaar is met het verblijf van vier ganzen gedurende iets meer dan één dag. Maatregelen om de effecten tegen te gaan richten zich niet alleen op het verwijderen van stikstof uit het systeem (plaggen, chopperen, maaien, opslag verwijderen), maar ook op verbeteren van de hydrologie en aantalsreductie van overzomerende ganzen (Provincie Noord-Brabant, 2017a). Ondanks de stikstofdepositie is sprake van een positieve trend. Beheer heeft ook positieve effecten gehad (Provincie Noord-Brabant, 2017c), ondanks de overbelaste situatie. Beoordeling gevolgen voor areaal en kwaliteit Als hiervoor beschreven is sprake van een geringe toename in de realisatie- en gebruiksfase. In de realisatie is de toename beperkt tot een deel van het overbelaste oppervlak. Voor het habitattype is ondanks de overbelasting voor delen sprake van een goede kwaliteit en is de trend positief. Gezien de voor delen goede kwaliteit en de positieve trend, zorgt de geringe projectbijdrage van maximaal 0,28 mol N/ha tijdelijk en 0,49 mol N/ha/jaar permanent niet voor een meetbare verandering van de vegetaties van dit habitattype. Significante gevolgen zijn uitgesloten.

De verandering van de stikstofdepositie door de Reconstructie N65 belemmert de realisatie van de behoudsopgave voor omvang en verbeteropgave van dit habitattype niet.

6.4.7

H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden)

Beschrijving van het habitattype In het profieldocument is de volgende beschrijving van het habitattype opgenomen33: “Vochtige heiden komen voor op voedselarme, zeer natte tot zeer vochtige, matig zure tot zure standplaatsen op de hogere zandgronden en in het heuvelland en het laagveengebied. Kenmerkend is de hoge bedekking van gewone dophei. Vochtige heide komt in ons land zowel op zandgronden voor als in het laagveen. Kwalitatief goede vochtige heiden kunnen goed samen voorkomen met rompgemeenschap met Pijpenstrootje en Veenmos. Deze grazige delen mogen echter niet overheersen en komen alleen in een mozaïekvorm voor. De begroeiingen van het subtype vochtige heide op zandgronden (H4010A) variëren afhankelijk van de waterhuishouding, de ouderdom en het leemgehalte van de bodem. Landschappelijk gezien komen natte heiden op zandgrond o.a. voor op de oevers van vennen, op beekdalflanken, in laagten met een ondoorlaatbare ondergrond en in tot op het zand afgegraven voormalige hoogveengebieden. In laagveengebieden vormt het subtype H4010B het eindstadium in de verlanding. Vochtige heide ontwikkelt zich uit eerdere successiestadia (trilveen en veenmosrietland) doordat bij het dikker worden van de kragge geleidelijk een dikkere regenwaterlens ontstaat en de bereikbaarheid van de bovengrond voor basenrijker water onder de kragge afneemt.

Ook op vast veen kan verzuring door regenwaterlenzen leiden tot ontwikkeling van Moerasheide, bijvoorbeeld vanuit voorheen bevloeide rietlanden. De vegetatie wordt gedomineerd door ondiep wortelende zuurminnende soorten. De spaarzaam voorkomende basenminnende soorten, zoals Riet en Paddenrus, bevinden zich met hun wortelstelsel in diepere veenlagen die (nog) voldoende basenrijk zijn. [Het subtype A van hogere zandgronden] komt voor op voedselarme, zeer natte tot zeer vochtige, matig zure

31 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_3160.pdf, geraadpleegd op 27-04-

2021. 32 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_3130.pdf, geraadpleegd op 27-042021. 33 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_4010.pdf, geraadpleegd op 29-032021.

54

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

tot zure standplaatsen op de hogere zandgronden en in het heuvelland. De meest zure en natte heiden tenderen naar hoogveen. Open begroeiingen zijn vaak rijk aan korstmossen. Op leemhoudende standplaatsen bevatten de natte heidebegroeiingen veelal soorten van blauwgraslanden en heischraal grasland (zie habitattypen H6410 en *H6230). In gedegradeerde vochtige heide gaan grassen zoals pijpenstrootje (Molinia caerulea) domineren of treden struiken zoals gagel (Myrica gale) op de voorgrond. Begroeiingen met gagel (11RG3) worden tot het habitattype gerekend, indien deze met de bovengenoemde plantengemeenschappen kleinschalige mozaïeken vormen, maar niet domineren. De subassociatie met Gevlekte orchis is gebonden aan bodems met een wat hogere pH, die wordt gebufferd door basenrijk water, afkomstig uit kalkhoudende leem of door lokale kwel vanuit omliggende hogere zandruggen. De subassociatie met Korstmos wordt gekenmerkt door de open dwergstruiklaag, waartussen de korstmossen groeien. Vaak ontstaan de open plekken door afstervende en uiteenvallende oude struikheiplanten.

De subassociatie met Rode en Blauwe bosbes komt voor bij een relatief vochtig microklimaat, zoals noordhellingen en beschaduwde heiden.” Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling van het habitattype H4010 Vochtige heiden is “uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit vochtige heiden, hogere zandgronden (subtype A)”. Verspreiding in het Natura 2000-gebied Figuur 6-20 geeft de ligging van het habitattype H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) in het Natura 2000-gebied. Het habitattype komt verspreid voor in het Natura 2000-gebied maar vooral aan de oostkant van het Natura 2000-gebied. Niet het volledige oppervlak van het habitattype bevindt zich in een overbelaste situatie. Opvallend is dat overbelaste en niet-overbelaste delen van het habitattype door elkaar liggen.

Figuur 6-20: Ligging van het habitattype H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven. Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister en zijn gelijk aan de kaarten opgenomen in Aerius (versie 2020)34.

34 AERIUS relevante habitatkartering: bron identificatie a4d666fb-aff5-4772-9e9b-85bc533aafc0, metadata datum: 15-10-2020.

AERIUS totale stikstofdepositie: bron identificatie: 5dbc4e3c-324f-4fcd-9652-04edcd84ea43, metadata datum: 15-10-2020.

55

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Huidig beheer In het algemeen geldt dat wanneer het waterpeil voldoende hoog is, nagenoeg geen beheer nodig is vanwege een langzaam verlopende successie. Anders is een intensiever beheer in de vorm van plaggen, maaien en/of extensieve begrazing nodig 35. In het beheerplan is niet expliciet aangegeven welk huidig beheer plaatsvindt (Provincie Noord-Brabant, 2017c). Tijdens veldbezoeken is waargenomen dat de heide begraasd wordt, maar dat de begrazingsdruk laag is. Huidige kwaliteit Het habitattype is volgens het beheerplan matig ontwikkeld maar wel stabiel. Kwaliteitsverbetering onder invloed van beheer is aannemelijk (Provincie Noord-Brabant, 2017c). In de gebiedsanalyse is aangegeven dat het habitattype een matig tot goede kwaliteit heeft en dat de trend voor oppervlakte en kwaliteit stabiel is (Provincie Noord-Brabant, 2017a). Op 5 juli 2019 en 13 mei 2021 zijn locaties met het habitattype in het Natura 2000-gebied bezocht. Vochtige heide kwam in verschillende vormen voor en was niet altijd duidelijk te onderscheiden van omliggende vegetatie. Plaatselijk was duidelijk sprake van delen met veel dopheide, terwijl andere delen vergrast waren. Een duidelijk verschil tussen vergraste en niet-vergraste delen is niet waargenomen. Wel is waargenomen dat waar geplagd is, vochtige heide weer goed kan ontwikkelen.

In het algemeen leek de situatie met name in 2019 behoorlijk verdroogd te zijn. Natte delen in de heide zijn buiten vennen maar beperkt waargenomen. Kwantificering van effect van Reconstructie N65 De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 1.214 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Niet voor het volledige oppervlak van het habitattype vindt overbelasting plaats, zie Tabel 6-12. Tabel 6-12: Totale oppervlakte van het habitattype H4010 Vochtige heiden (hogere zandgronden) in het Natura 2000gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen en welk deel overbelast is. De informatie is afkomstig uit de bronnen die ook gebruikt zijn voor de kaarten.

Totale oppervlakte (ha) 61,54

Overbelast (ha)

Niet overbelast (ha) 11,71

49,83

% Overbelast 81,0%

% Niet overbelast 19,0%

Tabel 6-13 geeft de veranderingen van de stikstofdepositie in de overbelaste delen voor het habitattype in het Natura 2000-gebied gedurende de realisatiefase en gebruiksfase van de Reconstructie N65. Uit onderstaande tabel blijkt dat in de realisatiefase sprake is van een toename op een klein deel van het overbelaste oppervlak binnen de reikwijdte (3%). In de gebruiksfase is sprake van een toename op het totale oppervlak van het overbelaste oppervlak binnen de (beperktere) reikwijdte. Tabel 6-13: Verandering stikstofdepositie op het habitattype H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen door Reconstructie N65.

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

60,28

80,6%

2,7%

0,06

-0,27

61,54

81,0% 100,0% 0,24

0,05

35 https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-vochtige-tot-natte-heide-4010, geraadpleegd op 08-04-2021.

56

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

Natura 2000-gebied en habitattypen/leefgebieden H4010A - Vochtige heiden (hogere zandgronden)

GEBRUIKSFASE

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

REALISATIEFASE

PASSENDE BEOORDELING

De depositietoenames op de overbelaste delen zijn op kaart weergegeven in Figuur 6-21 voor de realisatiefase en Figuur 6-22 voor de gebruiksfase (en geven de ruimtelijke verdeling van de stikstofdeposities die zijn samengevat in Tabel 6-13). In de realisatiefase is sprake van een toename (van maximaal 0,06 mol N/ha) aan de oostkant van het gebied en een afname (van maximaal 0,27 mol N/ha) aan de westkant van het gebied. In de realisatiefase is overal sprake van een toename, en deze is met maximaal 0,24 mol N/ha/jaar) het hoogst aan de westkant van het gebied.

Figuur 6-21: Projecteffect in de realisatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.

57

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Figuur 6-22: Projecteffect in de gebruiksfase op het overbelaste deel van het habitattype H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.

Knelpunten en stikstof De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 1.214 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Niet voor het volledige oppervlak van het habitattype vindt overbelasting plaats, zie Tabel 6-12. Vochtige heiden komen voor op voedselarme, natte, zure standplaatsen op de hogere zandgronden. Het habitattype wordt gevonden op de oevers van vennen, beekdalflanken, laagtes met ondoorlaatbare ondergrond en tot op het zand afgegraven voormalige hoogveengebieden. De vegetatie is gevoelig voor verlaging van de grondwaterstand en schommelingen in de waterhuishouding. Verdroging leidt tot vergrassing en het habitattype is afhankelijk van beheer voor het voortbestaan. De optimale omvang is vanaf tientallen hectares.36 Hoewel stikstofdepositie als knelpunt is genoemd (Provincie Noord-Brabant, 2017a; 2017c), spelen andere factoren hier ook een rol. Zo is aangegeven dat het beheer mogelijk niet intensief genoeg is (Provincie Noord-Brabant, 2017a), terwijl hiervoor is aangegeven dat beheer noodzakelijk is. Verder is de waterhuishouding niet op orde (Provincie Noord-Brabant, 2017a), waarvan ook is aangegeven dat dit essentieel is.36 Tot slot maakt de recreatiedruk dat de kwaliteit niet op orde is (Provincie NoordBrabant, 2017a; 2017c).

Maatregelen zijn naast intensivering van beheer (begrazen, plaggen, chopperen, opslag verwijderen), gericht op het vergroten van het oppervlak door kap, bekalken en belemen om verzuring tegen te gaan en verbetering van de hydrologie (Provincie Noord-Brabant, 2017a). Beoordeling gevolgen voor areaal en kwaliteit Als hiervoor beschreven is sprake van een geringe toename in de realisatie- en gebruiksfase. Dit geldt voor de realisatiefase niet voor het volledige oppervlak en daarbij is niet overal sprake van een overbelaste situatie. Voor het habitattype is ondanks de overbelasting voor delen sprake van een goede kwaliteit en is de ontwikkeling stabiel geweest: er zijn ook mogelijkheden voor verbetering in een overbelaste situatie. Hoewel stikstofdepositie een knelpunt vormt, vormen met name verdroging en beperkt beheer hier de knelpunten. Gezien de mogelijkheden voor verbetering in een overbelaste situatie en de andere, meer bepalende knelpunten, zorgt de geringe projectbijdrage van maximaal 0,06 mol N/ha eenmalig en 0,24 mol N/ha/jaar permanent niet voor een meetbare verandering van de vegetaties van dit habitattype. Significante gevolgen

36 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_4010.pdf, geraadpleegd op 27-04-

2021.

58

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

zijn uitgesloten. De verandering van de stikstofdepositie door de Reconstructie N65 belemmert de realisatie van de uitbreidings- en verbeteropgave van dit habitattype niet.

6.4.8

H4030 Droge heiden

Beschrijving van het habitattype In het profieldocument is de volgende beschrijving van het habitattype opgenomen 37: “Het habitattype betreft struikheibegroeiingen in het laagland en gebergte van Europa. Ze worden gedomineerd door struikhei al dan niet in combinatie met andere dwergstruiken, grassen en mossen. Droge heides komen in Nederland voor op matig droge tot droge, kalkarme zure bodems waarin zich meestal een podzolprofiel heeft gevormd. Het meest komt het type voor op – al dan niet lemige - dekzanden en op stuwwallen, maar ze strekken zich ook uit op stuwwallen, rivierterrassen en tertiaire (mariene) zandafzettingen. In de stuifzandheiden overheerst doorgaans struikhei (Calluna vulgaris). Andere dwergstruiken kunnen ook een belangrijke rol spelen, bijvoorbeeld blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus) of rode bosbes (Vaccinium vitis-idaea). Zelfs plekken waar gewone dophei (Erica tetralix) domineert over struikhei kunnen onder dit habitattype vallen […]. Andere soorten die algemeen voorkomen zijn fijn schapegras (Festuca filiformis) en de mossen heide-klauwtjesmos (Hypnum jutlandicum), gewoon gaffeltandmos (Dicranum scoparium) en bronsmos (Pleurozium schreberi).

Struwelen met brem (Cytisus scoparius), solitaire jeneverbes (Juniperus oxycedrus) of gaspeldoorn (Ulex europaeus) maken in veel gebieden deel uit van het heidelandschap en worden dan ook bij dit habitattype gerekend. Plaatselijk komen grasrijke delen voor met grassen zoals ruwe smele (Deschampsia flexuosa), bochtige smele en pijpenstrootje. Zolang de door grassen gedomineerde verarmde vegetaties niet domineren, worden ze als deel van het habitattype beschouwd […]. De subassociatie met tandjesgras komt voor op iets voedsel- en basenrijkere standplaatsen, bijvoorbeeld op plekken waar de bodem is omgewoeld of waar de bodem iets lemiger is. De mosrijke subassociatie komt voor op noordhellingen van stuwwallen, met een iets vochtiger microklimaat. Vormen met veel dophei komen vooral voor op de meer lemige zandgronden.” Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling van het habitattype H4030 Droge heiden is “uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit”. Verspreiding in het Natura 2000-gebied Figuur 6-23 geeft de ligging van het habitattype H4030 Droge heiden in het Natura 2000-gebied. De figuur laat zien dat het habitattype in aanzienlijke oppervlaktes voorkomt, met name in het hart van het oostelijke deel van het Natura 2000-gebied. Het habitattype is over het volledige oppervlak overbelast, waarbij aanzienlijke verschillen zijn in de mate van overbelasting.

37 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_4030.pdf, geraadpleegd op 29-03-

2021.

59

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Figuur 6-23: Ligging van het habitattype H4030 Droge heiden in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven. Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister en zijn gelijk aan de kaarten opgenomen in Aerius (versie 2020). 38

Huidig beheer In het algemeen is het voor het habitattype nodig om actief, cyclisch beheer te voeren om verbossing tegen te gaan. Mogelijkheden zijn maaien, begrazen, branden en plaggen. Deze laatste twee vooral op kleine schaal en gefaseerd in tijd39. In het beheerplan is niet expliciet aangegeven welk huidig beheer plaatsvindt (Provincie Noord-Brabant, 2017c). Tijdens een veldbezoek in 2019 is waargenomen dat de heide begraasd werd met runderen en schapen. Huidige kwaliteit Het habitattype is volgens het beheerplan deels goed en deels matig ontwikkeld. De trend is positief en een kwaliteitsverbetering door beheer en maatregelen is aannemelijk (Provincie Noord-Brabant, 2017c). In de gebiedsanalyse is aangegeven dat het habitattype een matige kwaliteit heeft en dat de trend voor oppervlakte positief is en voor kwaliteit stabiel (Provincie Noord-Brabant, 2017a). Op 5 juli 2019 en 13 mei 2021 zijn locaties met het habitattype in het Natura 2000-gebied bezocht. In 2019 is de Logt (aan de zuidwestkant) bezocht en het centrale deel van de Kampina vanaf de zuidkant. In 2021 is het centrale deel van de Kampina bezocht aan de noordkant. De kleine oppervlaktes in de Oisterwijkse vennen zijn niet bezocht. Over grote oppervlaktes was sprake van vergrassing, maar er waren ook delen met nauwelijks vergrassing. Met name op de hogere delen in de heide leek vergrassing beperkt.

In het veld is waargenomen dat op verschillende delen de heide geplagd is, plaatselijk waren ook de positieve gevolgen te zien (minder vergrassing). Qua begrazing leek de begrazingsdruk in het gebied laag: tijdens de bezoeken zijn maar een beperkt aantal grazers waargenomen. Het habitattype bij De Logt was voor een groot deel recent geplagd ten tijde van het bezoek en de ontwikkeling was nog gaande. In de niet-geplagde delen langs de bosranden stonden soorten die duidden op enige mate van eutrofiëring: pijpenstrootje, pitrus en bochtige smele. Langs de bosranden waren met name langs landbouwpercelen duidelijke randeffecten zichtbaar in

38 AERIUS relevante habitatkartering: bron identificatie a4d666fb-aff5-4772-9e9b-85bc533aafc0, metadata datum: 15-10-2020.

AERIUS totale stikstofdepositie: bron identificatie: 5dbc4e3c-324f-4fcd-9652-04edcd84ea43, metadata datum: 15-10-2020. 39 https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-droge-heide-4030, geraadpleegd op 08-04-2021.

60

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

de vorm van braam, brandnetel en andere soorten die duiden op een verstoorde, verrijkte bodem als gevolg van agrarisch landgebruik. Kwantificering van effect van Reconstructie N65 De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 1.071 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Op het volledige oppervlak treedt momenteel een overschrijding van de KDW op, zie Tabel 6-14. Tabel 6-14: Totale oppervlakte van het habitattype H4030 Droge heiden in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen en welk deel overbelast is. De informatie is afkomstig uit de bronnen die ook gebruikt zijn voor de kaarten.

Totale oppervlakte (ha) 150,95

Overbelast (ha) 150,95

Niet overbelast (ha) 0

% Overbelast

% Niet overbelast

100,0

0,00

Tabel 6-15 geeft de veranderingen van de stikstofdepositie in de overbelaste delen voor het habitattype in het Natura 2000-gebied gedurende de realisatiefase en gebruiksfase van de Reconstructie N65. Uit onderstaande tabel blijkt dat in de realisatiefase sprake is van een toename op een zeer klein deel van het overbelaste oppervlak binnen de reikwijdte (0,0%40) en dat de toename daar maximaal 0,02 mol N/ha bedraagt. In de gebruiksfase is sprake van een toename op het totale oppervlak binnen de reikwijdte van het effect, met een maximum van 0,25 mol N/ha/jr. Tabel 6-15: Verandering Stikstofdepositie op het habitattype H4030 Droge heiden in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen door Reconstructie N65.

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

Natura 2000-gebied en habitattypen/leefgebieden H4030 Droge heiden

GEBRUIKSFASE

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

REALISATIEFASE

149,82

100,0%

0,0%

0,02

-0,27

150,59

100,0%

100,0%

0,25

0,05

De depositietoenames op de overbelaste delen zijn op kaart weergegeven in Figuur 6-24 voor de realisatiefase en Figuur 6-25 voor de gebruiksfase (en geven de ruimtelijke verdeling van de stikstofdeposities die zijn samengevat in Tabel 6-15). In de realisatiefase is sprake van een toename (van maximaal 0,02 mol N/ha) op minder dan 0,5% van de oppervlakte van het habitattype binnen de reikwijdte van het effect. In de realisatiefase is sprake van een depositie op het gehele oppervlak van maximaal 0,25 mol N/ha/jaar op.

40 Het gaat om een oppervlak van 226 m2 waarop sprake is van een toename. Dit is 0,02%, dus afgerond 0,0% van het totaal.

61

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Figuur 6-24: Projecteffect in de realisatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H4030 Droge heiden in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Het oppervlak waarop de toename plaatsvindt (minder dan 0,5% van het totaal) is te klein om zichtbaar te zijn in de afbeelding.

Figuur 6-25: Projecteffect in de gebruiksfase op het overbelaste deel van het habitattype H4030 Droge heiden in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.

62

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Knelpunten en stikstof De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 1.071 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Op het volledige oppervlak treedt momenteel een overschrijding van de KDW op, zie Tabel 6-14. Droge heide zijn begroeiingen gedomineerd door struikhei in combinatie met andere dwergstruiken, grassen en mossen. Droge heide is ontstaan vanaf de Middeleeuwen door houtkap, branden en begrazing in de aanwezige bossen. Intensief beheer zorgde voor instandhouding van droge heiden. De ineenstorting van wolindustrie, uitvinding van kunstmest (zodat landbouw mogelijk werd op schrale gronden) en aanplant van bos zorgden voor afname van het oppervlak. Uit voorgaande volgt dat niet alleen stikstofdepositie een knelpunt is maar juist het wegvallen van traditionele gebruiksvormen 41. Naast depositie van de stikstofdepositie (Provincie Noord-Brabant, 2017a; 2017c) zijn ook andere knelpunten bekend. Zo blijft intensief beheer nodig om het habitattype in stand te houden (Provincie Noord-Brabant, 2017a), maar dat hoort als hiervoor beschreven ook bij het habitattype. Daarnaast krijgen door de afgenomen vitaliteit van de heide plaagsoorten meer kans (Provincie Noord-Brabant, 2017a) en de hoge recreatiedruk (Provincie NoordBrabant, 2017a; 2017c).

Maatregelen om effecten van stikstofdepositie tegen te gaan zijn intensivering van beheer (begrazen, plaggen, chopperen, opslag verwijderen), maar ook het vergroten van oppervlakte door kappen, bekalken en belemen om verzuring tegen te gaan (Provincie Noord-Brabant, 2017a). Beoordeling gevolgen voor areaal en kwaliteit Als hiervoor beschreven is in de realisatiefase sprake van een geringe tijdelijke toename voor een zeer klein deel van het habitattype. In de gebruiksfase is op het gehele oppervlak sprake van een geringe toename. Voor het habitattype is ondanks de overbelasting voor delen sprake van een goede kwaliteit, een positieve trend en een verbetering bij het nemen van maatregelen. Hoewel stikstofdepositie een knelpunt vormt, zijn met name het beperkte beheer en de hoge recreatiedruk knelpunten. Gezien de goede kwaliteit, positieve trend, mogelijkheden voor verbetering en andere, meer bepalende knelpunten, zorgt de geringe projectbijdrage van maximaal 0,02 mol N/ha eenmalig en 0,25 mol N/ha/jaar permanent niet voor een meetbare verandering van de vegetaties van dit habitattype. Significante gevolgen zijn uitgesloten. De verandering van de stikstofdepositie door de Reconstructie N65 belemmert de realisatie van de uitbreidingsen verbeteropgave van dit habitattype niet.

6.4.9

H6410 Blauwgraslanden

Beschrijving van het habitattype In het profieldocument is de volgende beschrijving van het habitattype opgenomen 42: “Het habitattype betreft in ons land de zogenoemde blauwgraslanden. Het zijn soortenrijke hooilanden op voedselarme, basenhoudende bodems die ’s winters plasdras staan en ’s zomers oppervlakkig uitdrogen. De naam blauwgrasland is afgeleid van de zwak blauwgroene kleur van de soorten die het aanzien bepalen. Dat zijn bijvoorbeeld Spaanse ruiter (Cirsium dissectum), blauwe zegge (Carex panicea) en tandjesgras (Danthonia decumbens). De blauwgraslanden worden plantensociologisch gerekend tot het verbond Junco-Molinion. De begroeiingen kennen een grote variatie in soortensamenstelling, afhankelijk van bodem, hydrologie en geografische ligging. Zo kunnen in het laagveengebied plaatselijk riet (Phragmites australis) en melkeppe (Peucedanum palustris) talrijk zijn, terwijl op de hogere zandgronden soorten uit de heischrale graslanden opvallend aanwezig zijn. In sommige geografische regio’s zijn bepaalde soorten kenmerkend, zoals Grote pimpernel (Sanguisorba officinalis) in noordelijk Noord-Brabant […]. Schrale hooilanden met veel Veldrus worden eveneens tot het habitattype H6410 gerekend, wanneer ze veel soorten van het verbond JuncoMolinion bevatten (tenminste drie typische soorten aanwezig).

Op relatief basenrijke natte plekken kunnen bepaalde basenminnende soorten naar voren treden zoals Parnassia (Parnassia palustris). Basenrijke kwelmoerassen, waarin de typische blauwgraslandsoorten ontbreken en kleine zeggen domineren, worden echter gerekend tot het habitattype ‘Alkalisch laagveen’ (habitattype H7230 […]).” Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling van het habitattype H6410 Blauwgraslanden is “behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit”.

41 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_4030.pdf en

https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_2310.pdf, geraadpleegd op 27-042021. 42 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_6410.pdf, geraadpleegd op 29-032021.

63

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Verspreiding in het Natura 2000-gebied Figuur 6-26 geeft de ligging van het habitattype H6410 Blauwgraslanden in het Natura 2000-gebied. Het habitattype is beperkt tot een aantal locaties aan de zuidoostkant van het Natura 2000-gebied.

Figuur 6-26: Ligging van het habitattype H6410 Blauwgraslanden in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven. Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister en zijn gelijk aan de kaarten opgenomen in Aerius (versie 2020) 43.

Huidig beheer In het algemeen vindt instandhouding van het habitattype plaats door jaarlijks maaibeheer en een gunstige waterhuishouding onder invloed van basenrijk grondwater. Oppervlakkige drainage om stagnerend regenwater (verzuring) tegen te gaan is belangrijk. Extensieve begrazing kan alleen worden ingezet als blauwgraslanden in mozaïek met andere vegetaties voorkomen.44 In het beheerplan is niet expliciet aangegeven welk huidig beheer plaatsvindt, maar in de bijgevoegde herstelstrategie is wel aangegeven dat het habitattype extra gemaaid kan worden (Provincie Noord-Brabant, 2017c). “Extra” impliceert dat in de huidige situatie ook reguliere maaiwerkzaamheden plaatsvinden. Huidige kwaliteit Het habitattype is volgens het beheerplan niet stabiel. Het oppervlak is klein, er is sprake van boomopslag en mogelijk ook verzuring (Provincie Noord-Brabant, 2017c). In de gebiedsanalyse is beschreven dat de samenstelling van de jaren zestig van de vorige eeuw niet wezenlijk veranderd is en dat de trend stabiel is (Provincie Noord-Brabant, 2017a). Kwantificering van effect van Reconstructie N65 De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 1.071 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Op het volledige oppervlak treedt momenteel een overschrijding van de KDW op, zie Tabel 6-16.

43 AERIUS relevante habitatkartering: bron identificatie a4d666fb-aff5-4772-9e9b-85bc533aafc0, metadata datum: 15-10-2020.

AERIUS totale stikstofdepositie: bron identificatie: 5dbc4e3c-324f-4fcd-9652-04edcd84ea43, metadata datum: 15-10-2020. 44 https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-blauwgraslanden-6410, geraadpleegd op 08-04-2021.

64

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Tabel 6-16: Totale oppervlakte van het habitattype H6410 Blauwgraslanden in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen en welk deel overbelast is. De informatie is afkomstig uit de bronnen die ook gebruikt zijn voor de kaarten.

Totale oppervlakte (ha) 2,31

Overbelast (ha)

Niet overbelast (ha) 0

2,31

% Overbelast

% Niet overbelast

100,0

0,00

Tabel 6-17 geeft de veranderingen van de stikstofdepositie in de overbelaste delen voor het habitattype in het Natura 2000-gebied gedurende de realisatiefase en gebruiksfase van de Reconstructie N65. Uit onderstaande tabel blijkt dat in de realisatiefase geen sprake is van een toename op een overbelast oppervlak. In de gebruiksfase is sprake van een toename op het totale, overbelaste oppervlak binnen de reikwijdte (100%). Tabel 6-17: Verandering Stikstofdepositie op het habitattype H6410 Blauwgraslanden) in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen door Reconstructie N65.

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

Natura 2000-gebied en habitattypen/leefgebieden H6410 - Blauwgraslanden

GEBRUIKSFASE

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

REALISATIEFASE

2,30

100,0%

0,0%

-0,01

-0,02

2,31

100,0%

100,0%

0,10

0,08

De depositietoenames op de overbelaste delen zijn op kaart weergegeven in Figuur 6-27 voor de realisatiefase en Figuur 6-28 voor de gebruiksfase (en geven de ruimtelijke verdeling van de stikstofdeposities die zijn samengevat in Tabel 6-17). De figuren laten zien dat in de realisatiefase geen sprake is van een toename. In de gebruiksfase is sprake van een toename van de stikstofdepositie met maximaal 0,10 mol N/ha/jr.

65

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Figuur 6-27: Projecteffect in de realisatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H6410 Blauwgraslanden in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.

Figuur 6-28: Projecteffect in de gebruiksfase op het overbelaste deel van het habitattype H6410 Blauwgraslanden in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.

66

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Knelpunten en stikstof De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 1.071 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Op het volledige oppervlak treedt momenteel een overschrijding van de KDW op, zie Tabel 6-16. Blauwgraslanden zijn soortenrijke hooilanden op voedselarme, basenhoudende bodems die in de winter onder water staan en in de zomer oppervlakkig uitdrogen. Essentieel is de buffering door aanvoer van basen in grond- en/of oppervlaktewater (waarbij de aanvoer van voedingsstoffen beperkt moet blijven). Deze graslanden ontstonden in het verleden door gebrekkige bemaling, maar bemaling is verbeterd, wat de bodem gevoelig heeft gemaakt voor verzuring. Verlaging van de grondwaterstanden is in ieder geval een grote bedreiging voor het habitattype omdat dit het meest belangrijke sturende proces is. De functionele omvang is enkele hectares.45 Van dat laatste is geen sprake omdat het habitattype versnipperd in kleinere oppervlaktes in het bos ligt. Volgens het beheerplan is de waterhuishouding een knelpunt omdat overstroming niet meer mogelijk is. De aanvoer van gebufferd water is noodzakelijk voor behoud van het habitattype. Verder vormt stikstofdepositie een knelpunt (Provincie Noord-Brabant, 2017c). In de gebiedsanalyse is verzuring vanwege het ontbreken van kalkhoudend grond- of oppervlaktewater een knelpunt.

Stikstofdepositie vormt daarbij een risico omdat dit het proces van verzuring (wat overigens ook bij lage depositieniveaus optreedt) versnelt (Provincie Noord-Brabant, 2017a). Een goede waterhuishouding is echter bepalend voor behoud van het habitattype. Beoordeling gevolgen voor areaal en kwaliteit Als hiervoor beschreven is alleen sprake van een geringe toename van de stikstofdepositie in de gebruiksfase. Voor het habitattype is sprake van een stabiele situatie, ondanks de overbelaste situatie. Hoewel stikstofdepositie een knelpunt vormt, zijn de waterhuishouding en de ligging in het bos ook knelpunten, waarbij de waterhuishouding bepalend is. Gezien de stabiele situatie ondanks overbelasting en de andere, meer bepalende knelpunten dan stikstof, zorgt de geringe projectbijdrage in de gebruiksfase van maximaal 0,10 mol N/ha/jr. niet voor een meetbare verandering van de vegetaties van dit habitattype. Significante gevolgen zijn uitgesloten. De verandering van de stikstofdepositie door de Reconstructie N65 belemmert de realisatie van de behoudsopgave voor omvang en verbeteropgave voor dit habitattype niet.

6.4.10

H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes)

Beschrijving van het habitattype In het profieldocument is de volgende beschrijving van het habitattype opgenomen 46: “het habitattype betreft hoogveensystemen waar sprake is van een goed functionerende toplaag (acrotelm) met actieve hoogveenvorming. Actieve hoogveenvorming houdt in dat de door veenmossen gedomineerde vegetatie meer organisch materiaal vormt dan er wordt afgebroken. Het levende hoogveen houdt veel regenwater vast en in het natte, zure hoogveenmilieu verteren afgestorven plantendelen heel erg langzaam, waardoor deze ophopen. Het systeem groeit dus omhoog en houdt als een spons water vast. Kenmerkend zijn dominantie van veenmossen, een microreliëf met tot circa 50cm hoge bulten en slenken en permanent hoge waterstanden. De veenmossen domineren zowel in de slenken als op de bulten. De bulten vallen extra op doordat ze meestal zijn getooid met een begroeiing van dwergstruiken zoals gewone dophei (Erica tetralix) of struikhei (Calluna vulgaris). De begroeiingen van de bulten maken deel uit van het verbond OxycoccoEricion, die van de slenken worden tot het Rhynchosporion gerekend. De ecologische omstandigheden veranderen langs de laag-hoog gradiënt van het open water, via de natte slenken en veenmostapijten naar de hoge bulten. In sommige hoogvenen is het onderscheid tussen slenken en bulten minder uitgesproken.

Van de bultbewonende dwergstruiken kan vooral kleine veenbes (Oxycoccus palustris) ver omlaag doordringen tot in de slenken, terwijl een in beginsel slenkbewonende plant als de witte snavelbies (Rhynchospora alba) tot hoog in de bulten weet stand te houden. Een actief hoogveen onderscheidt zich van een aangetast hoogveen (habitattype H7120), doordat er een goed functionerende veenmoslaag aanwezig is (de acrotelm) die ervoor zorgt dat het hoogveensysteem functioneert. De veenmoslaag draagt sterk bij aan de stabiliteit van de waterhuishouding. […] De actieve hoogvenen van het habitattype kunnen voorkomen op landschapsschaal of op kleinere schaal. Een compleet levend hoogveen is een groot systeem met een stabiele waterhuishouding in een hoogveenlandschap. Hoogvenen hebben een markante lensvorm met aan de randen vaak een zogenoemde lagg-zone met open water, die de overgang vormt met het omringende minerale landschap. Op overgangen naar laagveen, meren of rivieren kunnen van nature broekbossen of tril- of overgangsvenen (H7140) voorkomen, of natte schraallanden wanneer de zone als

45 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_6410.pdf, geraadpleegd op 27-04-

2021. 46 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_7110.pdf, geraadpleegd op 09-042021.

67

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

hooiland wordt gebruikt. Naast het patroon van bulten en slenken kan het hoogveensysteem gekenmerkt worden door dystrofe, d.w.z. door humuszuren gekleurde poelen (meerstallen) en complexe patronen van geulen en laagten die water vanuit de hoogveenkern afvoeren naar de rand van het systeem. In de laggzone en het overgangsveen domineren schijngrassen en de begroeiing bevat kenmerkende bijzondere soorten zoals Veenbloembies (Scheuchzeria palustris). Op kleinere schaal komt actief hoogveen voor in laagten in het heidelandschap, als heideveentjes en hellingveentjes. Bij veen langs hellingen spreekt men ook van ‘rheotroof hoogveen’. Beide soorten van veentjes vertonen doorgaans de structuur van bulten en slenken. Een lensvorm en lagg-zones ontbreken echter. Tenslotte komt hoogveenontwikkeling voor in het laagveenlandschap, maar voorlopig alleen in de vorm van vochtige heide (H4010B). Mogelijk vormt zich hieruit op lange termijn actief hoogveen (H7110). [Het subtype B van heideveentjes] komen voor als hoogveenkernen in verlande vennen en als hellinghoogveen. De eerste verlandingsstadia in vennen, bestaande uit drijvende of ondergedoken veenmospakketten (behorende tot de Associaties van Waterveenmos en de Associatie van veenmos en Witte snavelbies) worden nog tot de zure vennen (H3160) gerekend.

Bij voortgaande successie kunnen hoogveenvegetaties ontstaan die behoren tot de Associatie van Gewone dophei en veenmos en die samen met de Associatie van veenmos en Witte snavelbies gerekend worden tot actief hoogveen (H7110B).” Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling van het habitattype H7110 Actieve hoogvenen is “uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit actieve hoogvenen, heideveentjes (subtype B)”. Verspreiding in het Natura 2000-gebied Figuur 6-29 geeft de ligging van het habitattype H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes) in het Natura 2000-gebied. Het habitattype bevindt zich op enkele locaties in het oostelijke deel van het Natura 2000gebied. Het volledige oppervlak bevindt zich in een overbelaste situatie.

Figuur 6-29: Ligging van het habitattype H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes) in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven. Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister en zijn gelijk aan de kaarten opgenomen in Aerius (versie 2020).47

47 AERIUS relevante habitatkartering: bron identificatie a4d666fb-aff5-4772-9e9b-85bc533aafc0, metadata datum: 15-10-2020.

AERIUS totale stikstofdepositie: bron identificatie: 5dbc4e3c-324f-4fcd-9652-04edcd84ea43, metadata datum: 15-10-2020.

68

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Huidig beheer In het algemeen geldt voor het habitattype dat eigenlijk geen beheer nodig is in het veen zelf. In de omgeving is het echter wel nodig om ontwatering, eutrofiëring en betreding tegen te gaan. 48 In het beheerplan is niet expliciet aangegeven welk huidig beheer plaatsvindt (Provincie Noord-Brabant, 2017c). Dit betekent overigens niet dat geen beheer wordt uitgevoerd, het exacte beheer is echter niet bekend. Huidige kwaliteit Het habitattype is volgens het beheerplan in een klein oppervlak aanwezig. Trend is onbekend maar het oppervlak lijkt stabiel (Provincie Noord-Brabant, 2017c). In de gebiedsanalyse is aangegeven dat de kwaliteit goed is en dat niet voldoende gegevens beschikbaar waren voor een trend. In de heideveentjes is het goed mogelijk om de huidige kwaliteit en oppervlakte in de komende jaren in stand te houden (Provincie NoordBrabant, 2017a). Op 13 mei 2021 is de noordkant van de Kampina bezocht, dit is de locatie waar dit habitattype voorkomt. Dit habitattype is in de bossen niet goed bereikbaar vanaf de openbare paden. Alleen het meest oostelijke oppervlakte in het bos is bekeken. Hier leek sprake te zijn van verdroging en vergrassing. Groot knelpunt in de bossen in het algemeen is de aanwezigheid van het bos zelf, vanwege de voor het habitattype ongunstige waterhuishouding en inval van materiaal uit de bomen.

Dit is niet de ideale locatie voor hoogvenen, zeker niet als het om kleine oppervlaktes gaat. Kwantificering van effect van Reconstructie N65 De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 786 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Op het volledige oppervlak treedt momenteel een overschrijding van de KDW op, zie Tabel 6-18. Tabel 6-18: Totale oppervlakte van het habitattype H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes) in het Natura 2000gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen en welk deel overbelast is. De informatie is afkomstig uit de bronnen die ook gebruikt zijn voor de kaarten.

Totale oppervlakte (ha) 2,14

Overbelast (ha) 2,14

Niet overbelast (ha) 0

% Overbelast

% Niet overbelast

100,00

0,00

Tabel 6-19 geeft de veranderingen van de stikstofdepositie in de overbelaste delen voor het habitattype in het Natura 2000-gebied gedurende de realisatiefase en gebruiksfase van de Reconstructie N65. Uit onderstaande tabel blijkt dat in de realisatiefase sprake is van een toename op een klein deel van het overbelaste oppervlak binnen de reikwijdte (8%). In de gebruiksfase is overal sprake van een toename.

48 https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-actief-hoogveen-7110, geraadpleegd op 08-04-2021.

69

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Tabel 6-19: Verandering stikstofdepositie op het habitattype H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes)in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen door Reconstructie N65.

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

Natura 2000-gebied en habitattypen/leefgebieden H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes)

GEBRUIKSFASE

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

REALISATIEFASE

1,96

100,0%

8,1%

0,09

-0,06

2,14

100,0%

100,0%

0,23

0,09

De depositietoenames op de overbelaste delen zijn op kaart weergegeven in Figuur 6-30 voor de realisatiefase en Figuur 6-31 voor de gebruiksfase (en geven de ruimtelijke verdeling van de stikstofdeposities die zijn samengevat in Tabel 6-19). Uit de figuren blijkt dat in de realisatiefase sprake is van een toename (van maximaal 0,09 mol N/ha) voor een deel van het oppervlak. Voor de resterende oppervlakte is sprake van een daling van maximaal 0,06 mol N/ha. In de gebruiksfase is sprake van een toename van maximaal 0,23 mol N/ha/jaar.

Figuur 6-30: Projecteffect in de realisatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes) in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.

70

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Figuur 6-31: Projecteffect in de gebruiksfase op het overbelaste deel van het habitattype H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes) in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.

Knelpunten en stikstof De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 786 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Op het volledige oppervlak treedt momenteel een overschrijding van de KDW op, zie Tabel 6-18. Heideveentjes zijn hoogveenkernen in verlande vennen en hellinghoogveen. Successie van de eerste verlandingstadia in het habitattype H3160 Zure vennen ontwikkelen zich tot dit habitattype. Het habitattype kan zich ontwikkelen bij geringe peilfluctuaties en zonder droogval. Ligging in het bos is voor hydrologisch geïsoleerde vennen positief door de beschutting, maar in grondwater gevoede systemen juist negatief door de aanzienlijke verdamping wat lokale kwel beperkt. Hoogveenvegetaties zijn gelimiteerd door stikstof. Hoogveenmossen nemen stikstof op totdat een bepaald niveau wordt bereikt en stikstof doorsijpelt naar de wortelzone van vaatplanten. Als het doorsijpelen optreedt, dan verandert de soortsamenstelling van de vegetatie49. Hoewel stikstofdepositie een mogelijk knelpunt is (Provincie Noord-Brabant, 2017a), spelen knelpunten in de waterhuishouding een belangrijke rol (Provincie Noord-Brabant, 2017a; 2017c).

Maatregelen om effecten van stikstofdepositie tegen te gaan (opslag verwijderen, verbeteren van hydrologie en bomen kappen in het inzijggebied, in Provincie Noord-Brabant, 2017a), zijn voornamelijk gericht op het verbeteren van de hydrologie, niet op het verminderen van de stikstof in het systeem. Beoordeling gevolgen voor areaal en kwaliteit Als hiervoor beschreven is sprake van een geringe toename in de realisatiefase op een deel van het oppervlak. In de gebruiksfase is voor de gehele oppervlakte van het habitattype sprake van een gering effect. Voor het habitattype is sprake van een stabiele situatie, ondanks de overbelaste situatie. Hoewel stikstofdepositie een knelpunt vormt, vormen verdroging en de aanwezigheid van bos met name de knelpunten. Gezien de stabiele situatie ondanks de overbelasting en de andere, meer bepalende knelpunten, zorgt de geringe projectbijdrage van maximaal 0,09 mol N/ha eenmalig en 0,23 mol N/ha/jaar permanent niet voor een meetbare verandering van de vegetaties van dit habitattype. Significante gevolgen zijn uitgesloten. De verandering van de stikstofdepositie door de Reconstructie N65 belemmert de realisatie van de uitbreidings- en verbeteropgave van dit habitattype niet.

49 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_7110.pdf, geraadpleegd op 27-04-

2021.

71

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=dfb20089-316b-415a-85aa-9de17f52ab5d