CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Passende Beoordeling

Raadsvergadering 16 december 2021, gemeente VughtBij agendapunt: Besluit tot het nemen van een M.E.R.-beoordelingsbesluit38.193 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

6.2

Rol van stikstof in het systeem

6.2.1

Stikstofkringloop

Stikstof is op aarde in aanzienlijke hoeveelheden aanwezig en is noodzakelijk voor alle levende organismen omdat stikstof aanwezig is in eiwitten, DNA en chlorofyl. Stikstof is in verschillende vormen aanwezig maar niet alle vormen zijn beschikbaar voor organismen. De stikstofcyclus is weergegeven in Figuur 6-1. De transformatie van stikstof in verschillende geoxideerde vormen is van belang omdat deze vormen wel door verschillende organismen opgenomen kunnen worden (Bernard, 2010). De geoxideerde vormen zijn namelijk in wateroplosbaar en kunnen in opgeloste vorm door planten worden opgenomen. Stikstof hecht niet aan bodemdeeltjes (zand of klei) en wordt niet gebonden door andere stoffen als calcium. Het blijft opgelost in regen– of bodemwater. Van alle stikstof die in de vorm van atmosferische depositie de bodem bereikt, wordt slechts een deel opgenomen door plantenwortels (alleen in het groeiseizoen) en verdwijnt de rest met in de bodem infiltrerend regenwater naar het grondwater. Dit betekent dus dat stikstof ook uitspoelt en niet alleen ten behoeve van de planten wordt opgenomen (Buro Bakker, 2014).

Figuur 6-1: Schematische weergave van de stikstofkringloop. Bron: https://en.wikipedia.org/wiki/Nitrogen_cycle.

29

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

6.2.2

Problematiek

Hoewel stikstofdepositie een rol speelt in het systeem, is het niet de enige factor die een rol heeft bij de ontwikkeling van habitattypen en leefgebieden. In Natura 2000-gebieden spelen bij het behalen van instandhoudingsdoelstellingen verschillende knelpunten een rol. Voorbeelden van knelpunten zijn inadequaat en/of onvoldoende beheer, verdroging, ongewenste soortensamenstelling door bijvoorbeeld aanwezigheid van invasieve exoten en een hoge recreatiedruk. Als in de vorige paragraaf beschreven is stikstofdepositie noodzakelijk voor de groei van planten en is het met name de overmaat van stikstof in het systeem die een probleem vormt, maar andere knelpunten spelen ook mee. In deze beoordeling wordt nader ingegaan op verschillende knelpunten en in hoeverre stikstofdepositie een bepalend knelpunt vormt. De volgende tekst is overgenomen uit Smits et al., 2014: “De beschikbaarheid van plantenvoedingsstoffen is een factor die erg belangrijk is voor de samenstelling van de vegetatie. Stikstofverbindingen zijn in veel halfnatuurlijke en natuurlijke ecosystemen in de gematigde en boreale zone van Europa beperkend voor de plantengroei. Nogal wat plantensoorten zijn aangepast aan nutriëntenarme omstandigheden en kunnen alleen succesvol voortbestaan op bodems met lage N-niveaus.

De effecten van een excessieve toevoer van stikstofverbindingen op ecosystemen zijn veelzijdig en complex [zie Figuur 6-2]. De gevolgen die kunnen optreden betreffen 1) Directe toxiciteit van hoge concentraties van gassen op individuele plantensoorten; 2) Eutrofiëring door geleidelijke toename van de N-beschikbaarheid; 3) Verzuring van bodem en water; 4) Negatieve effecten van de verhoogde beschikbaarheid van gereduceerd N (ammonium); 5) Toegenomen gevoeligheid voor secundaire stressfactoren, zoals schimmelinfecties en insectenplagen en vorst- of droogteschade; en tenslotte 6) Verschuivingen in de chemische samenstelling (bijv. aminozuursamenstelling) van planten onder invloed van een grotere N-beschikbaarheid. Daardoor verandert de kwaliteit van de planten als voedsel voor herbivoren met allerlei gevolgen hoger in de voedselketen.” Bovenstaande gevolgen hebben ook een wisselwerking met bijvoorbeeld verdroging, beheer en aanvoer van buffering.

Figuur 6-2: Schema met een overzicht van de ecologische gevolgen van stikstofdepositie. Figuur 1.1 uit Smits et al., 2014.

6.2.3

Wat betekent dit?

Uit voorgaande blijkt dat de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden van meer dan alleen stikstofdepositie afhankelijk is. Stikstof is één van de factoren die bepaald of een groeiplaats geschikt is of niet. Het is echter belangrijk om ook andere factoren te betrekken in het oordeel of de verandering van de stikstofdepositie door Reconstructie N65 daadwerkelijk significante gevolgen heeft. In de volgende paragrafen is beschreven 30

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

wat de effecten zijn van kleine toenames van stikstofdepositie in algemene zin (paragraaf 6.3) en is beschreven wat de effecten zijn van de verandering in de stikstofdepositie als gevolg van de Reconstructie N65 (paragraaf 6.4 en verder).

6.3

Geringe toename stikstofdepositie in perspectief

In deze paragraaf wordt de toename van stikstof door realisatie en gebruik van de Reconstructie N65 in perspectief geplaatst. Uit de berekeningen met Aerius Calculator (zie Bijlage B en Tabel 4-1) blijkt dat de maximale toename van de stikstofdepositie op een overbelaste situatie 3,47 mol/ha in de realisatiefase en 2,20 mol/ha/jaar in de gebruiksfase bedraagt (in de Loonse en Drunense Duinen) en dat de toename in zowel de realisatiefase als de gebruiksfase op de meeste plaatsen veel lager is dan deze maximale waarden. Alvorens in de volgende paragrafen in te gaan op de locatie-specifieke beoordelingen voor de afzonderlijke habitat- en leefgebiedtypen per Natura 200-gebied, zijn in deze paragraaf de lage toenames van de stikstofdepositie in ecologisch perspectief geplaatst. De volgende zaken zijn daarbij relevant: • Een toename van stikstofdepositie van enkele molen leidt niet tot directe fysiologische schade aan planten en dieren. In paragraaf 1.2.1 van Smits et al. (2014) is beschreven “bij hoge concentraties luchtverontreiniging kunnen gasvormige componenten directe toxische effecten hebben op planten. Maar de huidige concentraties van NH3, NOx en SO2 zijn in Nederland zo laag dat dit bijna niet meer voorkomt [.]. Met name cryptogame planten, in het bijzonder korstmossen en mossen, zijn zeer gevoelig voor directe toxiciteit van SO2 en wellicht ook NOx.

De daling van de concentraties van deze stoffen gedurende de laatste decennia heeft geleid tot een aanzienlijk herstel van de diversiteit van met name op bomen groeiende korstmossen”. • Niet alle stikstof die als gevolg van het project in een natuurgebied terecht komt, staat daadwerkelijk ter beschikking aan de vegetatie. Nitraat (NO3-) en ammonium (NH4+) zijn stikstofverbindingen die oplossen in water en zo via de bodem door plantenwortels kunnen worden opgenomen. Nitraat wordt vrijwel niet geabsorbeerd aan bodemdeeltjes en is direct beschikbaar voor planten, voor ammonium geldt dit in mindere mate (Mengel, 1991). Als de hoeveelheid opgelost stikstof in de bodem hoog is, en deze niet door planten wordt opgenomen, dan kan een deel van de stikstof uitspoelen. In terrestrische systemen spoelt stikstof bijna altijd uit in de vorm van nitraat, aangezien ammonium voor een deel gehecht is aan bodemdeeltjes. Alleen in natte systemen, waaronder veengronden, kan ammoniumuitspoeling naar het grondwater ook kwantitatief van belang zijn (Kros et al. 2008). Uitspoeling is afhankelijk van het soort bodem: van meeste naar minste uitspoeling is het zand, klei en veen, waarbij met name in zandgronden de grondwatertrap een belangrijke rol speelt (RIVM, 2007). Daarbij geldt dat hoe droger de bodem, hoe groter de concentratie uitspoeling is (RIVM, 2007; Schoumans et al., 2008).

De jaarlijkse nutriëntenvrachten van het uit- en afspoelende water uit natuurgebieden in zandgebieden varieert naar verwachting in de periode 2016-2030 tussen ongeveer 4 en 16 kg N/ha/jaar (Schoumans et al., 2008). Hoewel het niet mogelijk is om betrouwbare kwantitatieve onderbouwingen te geven voor de mate waarin stikstof die als gevolg van atmosferische depositie in een natuurgebied terecht komt weer uitspoelt, en daarom niet ter beschikking komt aan de vegetatie, geldt ook voor bijvoorbeeld Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, Kampina & Oisterwijkse Vennen en een deel van de Langstraat (gelegen op zandgronden9), dat een deel van de stikstofdepositie uitspoelt. • Een depositietoename van enkele molen per hectare per jaar is te beperkt om te leiden tot een merkbare (meetbare) verandering in de plantengroei en daarmee in de concurrentiepositie van afzonderlijke plantensoorten in een ecosysteem. Verandering van soortensamenstelling en concurrentieverhoudingen als gevolg van vermesting en verzuring treedt pas op bij veranderingen van de depositiehoeveelheden die vele malen meer zijn dan enkele molen per hectare per jaar.

Om een beeld te krijgen van de vermestende invloed van een depositie van enkele molen mol is de volgende berekening illustratief (waarbij is uitgegaan van een depositietoename van 3 mol N/ha/jr.): – Een depositie van 3 mol N komt overeen met ongeveer 42 gram N (1 mol stikstof is 14 gram). – De productie van natuurlijke habitattypen loopt uiteen tussen 1000 en 6000 kg droge stof/ha/jaar (Tolkamp et al., 2006). – Het aandeel in stikstof varieert tussen plantensoorten en omstandigheden: het drooggewicht van een plant bestaat gemiddeld voor 1,5% uit stikstof. 10

9 Zie https://www.landschapsleutel.wur.nl/doc_Hz.html, geraadpleegd op 03-03-2021. 10 https://www.nutrinorm.nl/nl-nl/Paginas/Hoofdelementen-Waarom-heeft-een-plant-stikstof-nodig.aspx#.XR4CmGaP6fg, geraadpleegd

op 03-03-2021.

31

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

•

•

•

– Voor de biomassaproductie van natuurlijke habitattypen is uitgaande van vorige punten gemiddeld 1590 kg N/ha/jaar nodig. – Een depositie van 3 mol N/ha komt overeen met maximaal 0,3% van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats. Een geringe toename van de depositie met enkele molen stikstof per hectare pr jaar leidt niet tot meetbare verschillen in groeisnelheid van individuele planten. Daardoor ontstaan geen meetbare verschuivingen in concurrentiepositie en ook geen veranderingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen. Smits et al. (2014) laten zien dat de concurrentiepositie bij planten pas verandert bij een (tijdelijke en permanente) depositie die aanzienlijk hoger zijn dan veroorzaakt door Reconstructie N65. Een kleine depositietoename van enkele molen heeft een verwaarloosbare bijdrage aan de totale stikstofdepositie in een Natura 2000-gebied. Voor de meeste Natura 2000-gebieden ligt de achtergronddepositie tussen 1000 en 3000 mol N per hectare per jaar. Een toename van enkele molen (in dit rekenvoorbeeld wordt uitgegaan van 3 mol) is slechts 0,1 – 0,3% van de achtergronddepositie. Dit is verwaarloosbaar weinig. Overigens heeft de bestaande achtergronddepositie een marge van 10% als gevolg van meteorologische omstandigheden (Velders et al., 2015). De beperkte stikstofdepositie valt ruim binnen deze marge weg.

De geringe depositie is verwaarloosbaar ten opzichte van bestaande aanvoer en afvoer van stikstof uit ecosystemen. Naast uitspoeling van stikstof (zie ook hiervoor) en natuurlijke denitrificatie en immobilisatie van stikstof in organisch materiaal, speelt ook beheer een rol. Voor een deel van deze Natura 2000gebieden geldt dat deze beheerd worden, omdat deze habitattypen anders door successie overgaan naar het eindstadium bos. Met beheer wordt een deel van de stikstofdepositie ook weer verwijderd. Ter vergelijking: daar waar beheer met begrazing plaatsvindt geldt het volgende: – Een plant heeft voor de aangroei van 1 gram ongeveer 0,2 gram stikstof nodig (Ter Steege, 1996). Een mol stikstof is 14 gram. Een depositie van enkele molen (we gaan in dit rekenvoorbeeld weer uit van 3 mol, 42 gram/ha) leidt dus, ervan uitgaande dat de helft van de stikstof ook daadwerkelijk wordt benut en de andere helft uitspoelt, tot een aanwas van ongeveer 100 gram (= (42/2)/0,2) vegetatie van het habitattype per hectare per jaar. – Een schaap heeft een voedselbehoefte van 1,7 kg droge stof per dag (WUR, 2001). Uitgaande van een drogestofgehalte van de graslandvegetatie van maximaal 50% eet een schaap per dag 3,4 kg vegetatie. Uitgedrukt in schaapdagen (hoeveelheid vegetatie die één schaap op één dag graast) is 3,4 kg dus 1 schaapdag.

Om de extra aanwas van 100 gram vegetatie uit het systeem te halen, is dus (121,5/3.400 =) 0,03 schaapdag nodig. Uitgaande van een graasduur van 8 uur per dag (gescheperde kudde), moet om het gehele effect van de extra depositie af te voeren door één schaap op jaarbasis minder dan 20 minuten worden gegraasd. Een dergelijke kleine extra beheerinspanning is verwaarloosbaar en leidt niet tot enig effect op het habitattype. – Een vergelijkbare berekening kan worden gemaakt met maaibeheer. Een aanwas van 100 gram vegetatie per hectare valt weg tegen de gemiddelde oogst van matig voedselarme graslanden van 3,5 ton per hectare (Elbersen & Spijker, 2018). Een dergelijke geringe bijdrage van 0,003% betekent geen wezenlijke vergroting van de beheeropgave en vergroot ook niet wezenlijk het probleem van onvoldoende beheer. Uit § 6.2 en voorgaande punten blijkt dat geringe veranderingen in de depositie niet leiden tot effecten op de natuurlijke habitats. pas bij grote toe- of afnames van de omvang van de depositie kan sprake zijn van zichtbare effecten. Desondanks is in het vervolg van dit hoofdstuk een uitgebreide beoordeling van de depositietoename als gevolg van de reconstructie opgenomen. Daarbij is voor alle relevante Natura 2000-gebieden een beoordeling voor ieder habitat- en leefgebiedtype uitgewerkt.

6.4

Kampina & Oisterwijkse Vennen

6.4.1

Inleiding

Tabel 6-1 geeft de habitattypen en leefgebieden van het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen waarvoor een nadere beoordeling nodig is. In de volgende paragrafen vindt een nadere beoordeling plaats van die habitattypen waarvoor de tabel aangeeft dat een nadere beoordeling nodig is (conclusie in oranje). Voor effecten die op voorhand kunnen worden uitgesloten (conclusie in groen) vindt geen nadere beoordeling plaats. De beoordeling vindt alleen plaats voor het deel van het Natura 2000-gebied dat binnen de reikwijdte van het effect ligt: dat wil zeggen alleen voor de delen van het Natura 2000-gebied waar als gevolg van de reconstructie de stikstofdepositie toe- of afneemt. 32

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Tabel 6-1: Samenvatting uit Tabel 4-1 voor het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Conclusie over vervolg Natura 2000-gebied en habitattypen/leefgebieden H2310 Stuifzandheiden met struikhei H2330 Zandverstuivingen

H3110 Zeer zwakgebufferde vennen

H3130 Zwakgebufferde vennen H3160 Zure vennen

ZGH3160 Zure vennen

H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) H4030 Droge heiden

H6410 Blauwgraslanden

H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes) H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen

H7210 Galigaanmoerassen

H9190 Oude eikenbossen

H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) L4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) L4030 Droge heiden

Lg02 Geïsoleerde meander en petgat

Lg03 Zwakgebufferde sloot Lg04 Zuur ven Lg09 Droog struisgrasland

6.4.2

REALISATIE GEBRUIK Voor dit habitattype is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in § 6.4.2 beoordeeld. Voor dit habitattype is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in § 6.4.3 beoordeeld. Tijdens de realisatie is geen sprake van een toename in een overbelaste Voor dit habitattype is sprake van een situatie, effecten als gevolg van een toename in een overbelaste situatie. toename van stikstofdepositie zijn bij Dit effect wordt in § 6.4.4 beoordeeld. voorbaat uitgesloten. Voor dit habitattype is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in § 6.4.5 beoordeeld. Voor dit habitattype is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in § 6.4.6 beoordeeld. Tijdens de realisatie is geen sprake van een toename in een overbelaste Voor dit habitattype is sprake van een situatie, effecten als gevolg van een toename in een overbelaste situatie. toename van stikstofdepositie zijn bij Dit effect wordt in § 6.4.6 beoordeeld. voorbaat uitgesloten. Voor dit habitattype is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in § 6.4.7 beoordeeld. Voor dit habitattype is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in deze § 6.4.8 beoordeeld.

Tijdens de realisatie is geen sprake van een toename in een overbelaste Voor dit habitattype is sprake van een situatie, effecten als gevolg van een toename in een overbelaste situatie. toename van stikstofdepositie zijn bij Dit effect wordt in § 6.4.9 beoordeeld. voorbaat uitgesloten. Voor dit habitattype is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in § 6.4.10 beoordeeld. Voor dit habitattype is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in § 6.4.11 beoordeeld. Tijdens de realisatie is geen sprake Tijdens de genuiksfase is sprake van van een toename in een overbelaste een toename in een overbelaste situatie, effecten als gevolg van een situatie. Dit effect wordt in § 6.4.12 toename van stikstofdepositie zijn bij beoordeeld. voorbaat uitgesloten. Tijdens de realisatie is geen sprake Tijdens de gebruiksfase is sprake van van een toename in een overbelaste een toename in een overbelaste situatie, effecten als gevolg van een situatie. Dit effect wordt in § 6.4.13 toename van stikstofdepositie zijn bij beoordeeld. voorbaat uitgesloten. Voor dit habitattype is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in § 6.4.14 beoordeeld. Voor dit habitattype is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in § 6.4.15 beoordeeld.

Voor dit leefgebied is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in § 6.4.15 beoordeeld. Voor dit leefgebied is geen sprake van Voor dit leefgebied is sprake van een overbelasting, effecten als gevolg van toename in een overbelaste situatie. een toename van stikstofdepositie zijn Dit effect wordt in § 6.4.15 beoordeeld. bij voorbaat uitgesloten. Voor dit leefgebied is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in § 6.4.15 beoordeeld. Voor dit leefgebied is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in § 6.4.15 beoordeeld. Voor dit leefgebied is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in § 6.4.15 beoordeeld.

H2310 Stuifzandheiden met struikhei

Beschrijving van het habitattype In het profieldocument is de volgende beschrijving van het habitattype opgenomen 11: “Stuifzandheiden met struikhei omvat begroeiingen met dwergstruiken op droge zandgrond in binnenlandse stuifzandgebieden. Deze stuifzanden zijn gevormd door herverstuiving van dekzanden, met name na de late Middeleeuwen. De

11 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_2310.pdf, geraadpleegd op 29-03-

2021.

33

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

bodems zijn droog, zuur en zeer voedsel- en kalkarm. Ze behoren tot de zogenoemde duinvaaggronden en vlakvaaggronden. Er hebben zich nog nauwelijks of geen podzolprofielen ontwikkeld en de bodem is nog niet of slechts oppervlakkig ontijzerd. In de stuifzandheiden overheerst doorgaans struikhei (Calluna vulgaris). Andere dwergstruiken kunnen ook een belangrijke rol spelen, bijvoorbeeld blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus) of, op noordhellingen, rode bosbes (Vaccinium vitis-idaea). Zelfs plekken waar gewone dophei (Erica tetralix) domineert over struikhei kunnen onder dit habitattype vallen […]. Door grassen (bochtige smele) of struwelen (brem, gaspeldoorn) gedomineerde begroeiingen kunnen afwisselen met de dwergstruikbegroeiingen en daarmee kleinschalige mozaïeken vormen. Op steile noordhellingen met een vochtiger microklimaat kan een mosrijke heidevorm voorkomen, terwijl op geëxponeerde hellingen juist een korstmosrijke variant kan voorkomen.” Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling van het habitattype H2310 Stuifzandheiden met struikhei is “uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit”. Verspreiding in het Natura 2000-gebied Figuur 6-3 geeft de ligging van het habitattype H2310 Stuifzandheiden met struikhei in het Natura 2000gebied weer. Het gehele oppervlak is in meer of mindere mate overbelast.

Figuur 6-3: Ligging van het habitattype H2310 Stuifzandheiden met struikhei in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven. Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister en zijn gelijk aan de kaarten opgenomen in Aerius (versie 2020)12.

Huidig beheer In het algemeen geldt voor het habitattype dat behoud van verstoring door wind of begrazing nodig zijn om het in stand te houden. Als natuurlijke dynamiek niet mogelijk is, moet gedacht worden aan cyclisch kapbeheer, aangevuld met plaggen 13. In het beheerplan is niet expliciet aangegeven welk huidig beheer plaatsvindt, maar in het document is wel aangegeven dat gezocht wordt naar extra mogelijkheden voor begrazing, plaggen en maaien (Provincie Noord-Brabant, 2017c). “Extra” impliceert dat deze vormen van

12 AERIUS relevante habitatkartering: bron identificatie a4d666fb-aff5-4772-9e9b-85bc533aafc0, metadata datum: 15-10-2020.

AERIUS totale stikstofdepositie: bron identificatie: 5dbc4e3c-324f-4fcd-9652-04edcd84ea43, metadata datum: 15-10-2020. 13 https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-droge-heide-op-jonge-zandafzettingen-2310, geraadpleegd op 01-04-2021.

34

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

beheer reeds in het gebied plaatsvinden. Tijdens veldbezoeken op 5 juli 2019 en 13 mei 2021 leek de begrazingsdruk in het gebied niet bijzonder hoog, tijdens de bezoeken zijn grazers amper waargenomen. Met name de beperkte oppervlaktes in het bos en het beperkte beheer lijken een belemmering te vormen voor de ontwikkeling van het habitattype, dynamiek is vereist voor behoud van het habitattype. Huidige kwaliteit In de gebiedsanalyse is aangegeven dat het habitattype een matige kwaliteit heeft en dat de trend voor oppervlakte en kwaliteit stabiel is (Provincie Noord-Brabant, 2017a). Het habitattype is volgens het beheerplan matig ontwikkeld onder druk van vergrassing, verbossing en betreding (Provincie Noord-Brabant, 2017c). Op 5 juli 2019 en 13 mei 2021 is het Natura 2000-gebied bezocht. Tijdens deze veldbezoeken is waargenomen ter hoogte van het habitattype dat het aandeel aan struikheide beperkt was. Verder was plaatselijk de betredingsdruk hoog. Verder viel het op dat het habitattype voorkomt in de delen van het Natura 2000-gebied met veel bomen. Kwantificering van effect van Reconstructie N65 De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 1.071 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Op het volledige oppervlak van het habitattype is sprake van een overbelaste situatie, zie Tabel 6-2.

Tabel 6-2: Totale oppervlakte van het habitattype H2310 Stuifzandheiden met struikheiden in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen en welk deel overbelast is. De informatie is afkomstig uit de bronnen die ook gebruikt zijn voor de kaarten.

Totale oppervlakte (ha) 12,92

Overbelast (ha) 12,92

Niet overbelast (ha) 0

% Overbelast

% Niet overbelast

100,0%

0,0%

Tabel 6-3 geeft de veranderingen van de stikstofdepositie in de overbelaste delen voor het habitattype in het Natura 2000-gebied gedurende de realisatiefase en gebruiksfase van de Reconstructie N65. Uit onderstaande tabel blijkt dat in de realisatiefase sprake is van een toename op een deel (36 %) van het totale overbelaste oppervlak binnen de reikwijdte. In de gebruiksfase is sprake van een toename op de gehele oppervlakte binnen de reikwijdte (100%). Tabel 6-3: Verandering stikstofdepositie op het habitattype H2310 Stuifzanden met struikhei in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen door Reconstructie N65

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

Natura 2000-gebied en habitattypen/leefgebieden H2310 Stuifzandheiden met struikhei

GEBRUIKSFASE

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

REALISATIEFASE

12,92

100,0%

36,1%

0,12

-0,08

12,92

100,0%

100,0%

0,17

0,08

De depositietoenames op de overbelaste delen zijn op kaart weergegeven in Figuur 6-4 voor de realisatiefase en Figuur 6-5 voor de gebruiksfase (en geven de ruimtelijke verdeling van de stikstofdeposities die zijn samengevat in Tabel 6-3). De figuren laten zien dat voor een deel van het oppervlak van het habitattype sprake is van een toename van de stikstofdepositie (van maximaal 0,12 mol N/ha) in de realisatiefase. In de gebruiksfase is sprake van een toename (van maximaal 0,17 mol N/ha/jaar) op de gehele oppervlakte van het habitattype. 35

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Figuur 6-4: Projecteffect in de realisatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H2310 Stuifzandheiden met struikhei in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.

Figuur 6-5: Projecteffect in de gebruiksfase op het overbelaste deel van het habitattype H2310 Stuifzandheiden met struikhei in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.

36

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Knelpunten en stikstof De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 1.071 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Op het volledige oppervlak van het habitattype is sprake van een overbelaste situatie, zie Tabel 6-2. Droge heide is ontstaan vanaf de Middeleeuwen door houtkap, branden en begrazing in de aanwezige bossen. Intensief beheer zorgde voor instandhouding van droge heiden. De ineenstorting van wolindustrie, uitvinding van kunstmest (zodat landbouw mogelijk werd op schrale gronden) en aanplant van bos zorgden voor afname van het oppervlak. Uit voorgaande volgt dat niet alleen stikstofdepositie een knelpunt is maar juist het wegvallen van traditionele gebruiksvormen. 14 Voor Kampina & Oisterwijkse Vennen geldt dat voor aanwezige zandverstuivingen sprake is van een geringe verspreiding en een beperkt oppervlak. Hierdoor is de rol van wind beperkt en treedt weinig verstuiving op. Het aanwezige oppervlakte is dan ook te klein om goed te functioneren.14 Dit blijkt ook uit verschillende knelpunten: inkrimping van stuifzandareaal ten gunste van bosbouw en de beperkte hoeveelheid verstuifbaar zand zijn knelpunten die samenhangen met de beperkte omvang. Daarnaast is het beheer ook niet voldoende (Provincie Noord-Brabant, 2017c).

Voorgaande zaken leiden tot omstandigheden die vergrassing mogelijk maken en stikstofdepositie stimuleert dit (Provincie Noord-Brabant, 2017a; 2017c). Verder zijn extreme schraalheid (te voedselarm) en vergrassing (te voedselrijk) twee knelpunten die tegengesteld van aard zijn. Het is niet duidelijk hoe dit zit (Provincie Noord-Brabant, 2017c). Maatregelen in de gebiedsanalyse zijn voornamelijk gericht op vergroten van het areaal en intensiveren van beheer (begrazen, plaggen, chopperen, opslag verwijderen en bos/bomen kappen voor oppervlaktevergroting of dynamiekvergroting volgens Provincie Noord-Brabant, 2017a). Uit bovenstaande volgt dat hoewel stikstofdepositie de problematiek vergroot, de grootste knelpunten voor het ontwikkelen van het habitattype het beperkte oppervlak (in samenhang met verstuiving) en het beperkte beheer zijn. Beoordeling gevolgen voor areaal en kwaliteit Als hiervoor beschreven is sprake van een geringe toename in de realisatiefase en gebruiksfase. Het effect beperkt zich grotendeels tot de realisatiefase, slechts voor een klein deel van het oppervlak is sprake van een geringe permanente toename. Bovendien is sprake van een stabiele situatie, ondanks de overbelaste situatie. Hoewel stikstofdepositie een knelpunt vormt, zijn de daadwerkelijke knelpunten van het Natura 2000-gebied het ontbreken van stuifzand door beperkte omvang en het beperkte beheer.

Mede gezien deze meer bepalende knelpunten, zorgt de geringe projectbijdrage van maximaal 0,12 mol N/ha eenmalig en 0,17 mol N/ha/jaar permanent niet voor een meetbare verandering van de vegetaties van dit habitattype. Significante gevolgen zijn uitgesloten. De toename van de stikstofdepositie door de Reconstructie N65 belemmert de realisatie van de uitbreidings- en verbeteropgave van dit habitattype niet.

6.4.3

H2330 Zandverstuivingen

Beschrijving van het habitattype In het profieldocument is de volgende beschrijving van het habitattype opgenomen15: “het habitattype betreft pionierbegroeiingen in afwisseling met onbegroeid zand op droge, zeer voedselarme zandgrond in binnenlandse stuifzandgebieden. Het habitattype kan op kleine schaal voorkomen in heidelandschappen, maar ook zo grootschalig zijn ontwikkeld dat van een zandverstuivingslandschap sprake is. In het eerste geval komt het meestal voor op plekken die zijn omgeven door het habitattype Stuifzandheiden met struikhei (H2310). Zonder periodiek actief herstel van de pionieromstandigheden groeien deze kleine plekken dicht. In het tweede geval gaat het om een afwisseling van veelal geheel of gedeeltelijk begroeide duinen, waar vegetatie het zand invangt en vasthoudt, en vlakkere, onbegroeide of spaarzaam begroeide laagten waar het zand wegstuift. Van een uitgestoven laagte spreekt men als verdere uitstuiving niet mogelijk is omdat de verstuiving tot op het natte zand is gekomen (tot aan het grondwater) of een niet verstuifbare grindlaag of (kei)leemlaag bereikt heeft. In tot het grondwater uitgestoven laagten kunnen zich lokaal ook vochtige pioniervegetaties ontwikkelen die een waardevolle bijdrage leveren aan de diversiteit in het gebied. Bij verdere uitstuiving en/of bij grondwaterstandstijging kunnen zich hier ook vennen ontwikkelen.

De vastlegging van het zand vindt gedurende de vegetatiesuccessie plaats door respectievelijk buntgras en algen, mossen, korstmossen en ten slotte grassen (die met name op de overgang naar omringende heiden en bossen domineren). Duurzame instandhouding van het habitattype kan vooral plaatsvinden in grootschalige gebieden waar de wind vrij spel heeft en een voortdurend wisselend mozaïek van

14 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_2310.pdf, geraadpleegd op 27-04-

2021. 15 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_2330.pdf, geraadpleegd op 29-032021.

37

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

successiestadia kan voortbestaan. Naast winderosie kan watererosie op de begroeide hellingen een grote invloed hebben op zowel bodem- als vegetatieontwikkeling en voor steilwandjes zorgen. Het stuifzandmilieu is extreem arm aan soorten vaatplanten, maar vooral rijk aan korstmossen. Er zijn maar weinig vaatplanten die de extreme droogte en de afwisseling tussen de soms hoge dagtemperaturen en lage nachttemperaturen kunnen overleven. Ook de fauna is soortenarm, maar omvat wel enkele soorten die juist aan deze extreme omstandigheden zijn aangepast. Als het habitattype op landschapsschaal voorkomt, bij voorkeur in aansluiting op habitattypen van het heidelandschap, kan het beduidend soortenrijker worden dan wanneer het op kleine plekjes voorkomt.” Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling van het habitattype H2330 Zandverstuivingen is “uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit”. Verspreiding in het Natura 2000-gebied Figuur 6-6 geeft de ligging van het habitattype H2330 Zandverstuivingen in het Natura 2000-gebied. Uit de figuur blijkt dat het habitattype slechts in een klein oppervlakte aanwezig is aan de oostkant van het Natura 2000-gebied, waarbij het opvallend is dat (nog) niet al het open zand volgens de habitattypenkaart kwalificeert als het habitattype. Het habitattype bevindt zich in een overbelaste situatie.

Figuur 6-6: Ligging van het habitattype H2330 Zandverstuivingen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven. Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister en zijn gelijk aan de kaarten opgenomen in Aerius (versie 2020). 16

Huidig beheer In het algemeen geldt voor dit habitattype dat om de afwisseling in de vegetatiestructuur te behouden, behoud van natuurlijke vormen van verstoring door wind of begrazing noodzakelijk is. Wanneer dit niet gebeurt, gaat het habitattype over naar heide, struisgrasvegetaties en bos. Voor instandhouding zijn grote oppervlaktes stuifzand nodig, minimaal 500 ha. 17 In het beheerplan is niet expliciet aangegeven welk huidig beheer plaatsvindt, maar voor het habitattype H2310 Zandverstuivingen vinden vermoedelijk wel verschillende vormen van beheer plaats (Provincie Noord-Brabant, 2017c).

16 AERIUS relevante habitatkartering: bron identificatie a4d666fb-aff5-4772-9e9b-85bc533aafc0, metadata datum: 15-10-2020.

AERIUS totale stikstofdepositie: bron identificatie: 5dbc4e3c-324f-4fcd-9652-04edcd84ea43, metadata datum: 15-10-2020. 17 https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-open-graslanden-op-landduinen-2330, geraadpleegd op 01-04-2021.

38

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Huidige kwaliteit In de gebiedsanalyse is aangegeven dat het habitattype een matige kwaliteit heeft en dat de trend voor oppervlakte en kwaliteit stabiel is (Provincie Noord-Brabant, 2017a). Het habitattype is volgens het beheerplan matig ontwikkeld in een klein oppervlakte door bosaanplant, opslag en vergrassing (Provincie Noord-Brabant, 2017c). Op 5 juli 2019 zijn in het Natura 2000-gebied locaties met het habitattype bezocht. Hierbij viel vooral de geringe omvang van het habitattype op. Verder was opvallend dat het habitattype voorkwam in de delen van het gebied met veel bomen. Verder leek de begrazingsdruk in het gebied niet bijzonder hoog, tijdens de bezoeken zijn grazers amper waargenomen. Met name de beperkte oppervlaktes in het bos en het beperkte beheer leken een belemmering te vormen voor de ontwikkeling van het habitattype. Dynamiek is namelijk vereist voor behoud van het habitattype. Kwantificering van effect van Reconstructie N65 De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 714 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Op het volledige oppervlak treedt momenteel een overschrijding van de KDW op, zie Tabel 6-4. Tabel 6-4: Totale oppervlakte van het habitattype H2330 Zandverstuivingen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen en welk deel overbelast is. De informatie is afkomstig uit de bronnen die ook gebruikt zijn voor de kaarten.

Totale oppervlakte (ha) 0,16

Overbelast (ha) 0,16

Niet overbelast (ha) 0

% Overbelast

% Niet overbelast

100,0%

0,0%

Tabel 6-5 geeft de veranderingen van de stikstofdepositie in de overbelaste delen voor het habitattype in het Natura 2000-gebied gedurende de realisatiefase en gebruiksfase van de Reconstructie N65. Uit onderstaande tabel blijkt dat in de realisatiefase en gebruiksfase sprake is van een toename op het totale, overbelaste oppervlak binnen de reikwijdte (100%). Tabel 6-5: Verandering stikstofdepositie op het habitattype H2330 Zandverstuivingen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen door Reconstructie N65. Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

100,0%

0,10

0,05

0,16

100,0% 100,0%

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

100%

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

0,16

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

Natura 2000-gebied en habitattypen/leefgebieden H2330 Zandverstuivingen

GEBRUIKSFASE

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

REALISATIEFASE

0,15

0,13

De depositietoenames op de overbelaste delen zijn op kaart weergegeven in Figuur 6-7 voor de realisatiefase en Figuur 6-8 voor de gebruiksfase (en geven de ruimtelijke verdeling van de stikstofdeposities die zijn samengevat in Tabel 6-5). Uit de figuren blijkt dat in de realisatiefase sprake is van een toename van de stikstofdepositie op het habitattype (van maximaal 0,10 mol N/ha). Tijdens de gebruiksfase is sprake van een toename van maximaal 0,15 mol N/ha/jaar.

39

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Figuur 6-7: Projecteffect in de realisatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H2330 Zandverstuivingen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.

Figuur 6-8: Projecteffect in de gebruiksfase op het overbelaste deel van het habitattype H2330 Zandverstuivingen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.

40

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Knelpunten en stikstof De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 714 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Op het volledige oppervlak treedt momenteel een overschrijding van de KDW op, zie Tabel 6-4. Zandverstuivingen zijn in Nederland ontstaan in de late Middeleeuwen door het open karakter van het landschap, de extreme klimaatomstandigheden en intensivering van landgebruik (overbeweiding en branden). Zandverstuivingen zijn gebonden aan de heidelandschappen 18. De ineenstorting van wolindustrie, uitvinding van kunstmest (zodat landbouw mogelijk werd op schrale gronden) en aanplant van bos zorgden voor afname van het oppervlak.19 Stikstofdepositie is wel een knelpunt, maar een open landschap waarin verstuiving mogelijk is, is essentieel voor instandhouding van het habitattype. Dit blijkt ook wel uit het gegeven dat de functionele omvang enkele honderden ha moet zijn.18 Dit is dan ook het grootste knelpunt voor dit Natura 2000-gebied. Hoewel stikstofdepositie leidt tot vermesting en verzuring en daarmee tot vergrassing en uitbreiding van mos (Provincie Noord-Brabant, 2017a), is de beperkte omvang waardoor niet voldoende sprake is van stuivend zand, het grootste knelpunt (Provincie Noord-Brabant, 2017a; 2017c).

De maatregelen in de gebiedsanalyse zijn begrazen / extra begrazen, opslag verwijderen, bos/bomen kappen voor oppervlaktevergroting of dynamiekvergroting en zeven, frezen, eggen (Provincie NoordBrabant, 2017a). Met voorgaande maatregelen wordt verzuring niet tegengegaan en vergrassing maar in beperkte mate. De maatregelen richten zich vooral op het vergroten van het oppervlak, het vergroten van de dynamiek en daarmee ook de verstuiving van zand. Dit bevestigt wederom dat de beperkte omvang het grootste knelpunt is voor de ontwikkeling en langdurige instandhouding van dit habitattype. Beoordeling gevolgen voor areaal en kwaliteit Voor dit habitattype is sprake van een stabiele situatie, ondanks de overbelaste situatie. Hoewel stikstofdepositie een knelpunt vormt, is hier met name de beperkte omvang van het stuifzand het grote knelpunt voor de instandhouding van het habitattype. Mede gezien de stabiele situatie in een overbelaste situatie en het bepalende knelpunt van onvoldoende stuifzand, zorgt de geringe projectbijdrage van maximaal 0,10 mol N/ha eenmalig en 0,15 mol N/ha/jaar permanent niet voor een meetbare verandering van de vegetaties van dit habitattype. Significante gevolgen zijn uitgesloten. De verandering van de stikstofdepositie door de Reconstructie N65 belemmert de realisatie van de uitbreidings- en verbeteropgave van dit habitattype niet.

6.4.4

H3110 Zeer zwakgebufferde vennen

Beschrijving van het habitattype In het profieldocument is de volgende beschrijving van het habitattype opgenomen 20: “Dit habitattype heeft betrekking op zeer voedsel- en mineraalarme vennen. Het gaat om heideplassen met een zandbodem en soortenarme begroeiingen van een brede oeverzone waarin planten met een zogenoemde isoëtide groeivorm een belangrijke rol spelen. De isoëtide planten zijn gekenmerkt door een rozet van stevige, holle, lijn- of priemvormige bladeren. De meeste soorten zijn aangepast aan wisselende waterstanden op standplaatsen die een groot deel van het jaar onder water staan en zo nu en dan bijna droogvallen of droogvallen. Het zijn zeldzame soorten. Naar Oeverkruid (Littorella uniflora), de nog het meest voorkomende soort, noemt men deze vennen ook wel oeverkruidvennen. De zeer zwak gebufferde vennen van habitattype H3110 groeien slechts langzaam dicht en er treedt nauwelijks of geen verlanding op. Een organische laag ontwikkelt zich nauwelijks. Een van de oorzaken is een gebrek aan koolstof. Andere oorzaken zijn sterk wisselende waterstanden en golfslag door windwerking. Sterke windwerking treedt vooral op in vennen met een grote omvang die in een open landschap liggen. Naast zeer zwak gebufferde vennen bestaan er ook zwak gebufferde vennen van type H3130 en zure vennen van type H3160.

De eerste twee typen onderscheiden zich van elkaar doordat ze een lager gehalte aan koolstof hebben. In de naamgeving komt dit helaas niet tot uitdrukking. Zeer zwak gebufferde vennen hebben doorgaans flauw aflopende oeverzones. Het centrale gedeelte valt maar heel zelden ’s zomers droog. Bij degradatie door verzuring en atmosferische vermesting gaan soorten overheersen zoals Knolrus

18 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_2330.pdf, geraadpleegd op 27-04-

2021. 19 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_2310.pdf, geraadpleegd op 27-042021. 20 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_3110.pdf, geraadpleegd op 29-032021.

41

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

(Juncus bulbosus), Pijpenstrootje (Molinia caerulea) en/of veenmossen. Vennen met zulke begroeiingen maar zonder aanwezigheid van oeverkruid of andere isoëtiden worden niet tot het habitattype gerekend.” Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling van het habitattype H3110 Zeer zwakgebufferde vennen is “uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit”. Verspreiding in het Natura 2000-gebied Figuur 6-9 geeft de ligging van het habitattype H3110 Zeer zwakgebufferde vennen in het Natura 2000gebied. De figuur laat zien dat het habitattype op één locatie in het Natura 2000-gebied ligt en zich in een overbelaste situatie bevindt.

Figuur 6-9: Ligging van het habitattype H3110 Zeer zwakgebufferde vennen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven. Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister en zijn gelijk aan de kaarten opgenomen in Aerius (versie 2020).21

Huidig beheer In het algemeen geldt voor het habitattype dat bij een goede waterkwaliteit het beheer bestaat uit het in stand houden van de natuurlijke waterhuishouding, een voldoende hoog waterpeil en voldoende dynamiek. Opslag van struweel en bomen is onwenselijk.22 In het beheerplan is niet expliciet aangegeven welk huidig beheer plaatsvindt (Provincie Noord-Brabant, 2017c). Dit betekent overigens niet dat geen beheer wordt uitgevoerd, het exacte beheer is echter niet bekend. Huidige kwaliteit Het habitattype is volgens het beheerplan goed ontwikkeld, afhankelijk van de aanvoer van gebufferd water. De potentie voor herstel is aanwezig (Provincie Noord-Brabant, 2017c). In de gebiedsanalyse is aangegeven

21 AERIUS relevante habitatkartering: bron identificatie a4d666fb-aff5-4772-9e9b-85bc533aafc0, metadata datum: 15-10-2020.

AERIUS totale stikstofdepositie: bron identificatie: 5dbc4e3c-324f-4fcd-9652-04edcd84ea43, metadata datum: 15-10-2020. 22 https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-voedselarme-zwak-gebufferde-vennen-die-niet-vaak-droogvallen-3110, geraadpleegd op 08-04-2021.

42

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

dat het habitattype goed ontwikkeld is in het Staalbergsven, in Galgeven en Groot Huisven is het habitattype verdwenen. De trend voor omvang is stabiel en voor kwaliteit wisselend (Provincie Noord-Brabant, 2017a). Op 13 mei 2021 is het Staalbergsven (locatie in het Natura 2000-gebied met het habitattype) bezocht. Tijdens het veldbezoek is waargenomen dat de oostoever recent was vrijgemaakt van vegetatie (bomen), zodat langzaam, aflopende zandige oevers zijn ontstaan. De oever werd echter wel betreden. Opvallend was dat het ven midden in het bos is gelegen en de aanwezigheid van recreatievoorzieningen (zwemplas), terwijl in een ideale situatie sprake is van ligging in een meer open landschap en geen recreatievoorzieningen. Kwantificering van effect van Reconstructie N65 De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 429 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Op het volledige oppervlak treedt momenteel een overschrijding van de KDW op, zie Tabel 6-6. Tabel 6-6: Totale oppervlakte van het habitattype H3110 Zeer zwakgebufferde vennen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen en welk deel overbelast is. De informatie is afkomstig uit de bronnen die ook gebruikt zijn voor de kaarten.

Totale oppervlakte (ha) 5,17

Overbelast (ha) 5,17

Niet overbelast (ha) 0

% Overbelast

% Niet overbelast

100,0%

0,0%

Tabel 6-7 geeft de veranderingen van de stikstofdepositie in de overbelaste delen voor het habitattype in het Natura 2000-gebied gedurende de realisatiefase en gebruiksfase van de Reconstructie N65. Uit onderstaande tabel blijkt dat in de realisatiefase geen sprake is van een toename op het overbelaste oppervlak binnen de reikwijdte (0%). In de gebruiksfase is er een toename op het totale, overbelaste oppervlak binnen de reikwijdte (100%). Tabel 6-7: Verandering stikstofdepositie op het habitattype H3110 Zeer zwakgebufferde vennen in het Natura 2000gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen door Reconstructie N65.

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

Natura 2000-gebied en habitattypen/leefgebieden H3110 - Zeer zwakgebufferde vennen

GEBRUIKSFASE

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

REALISATIEFASE

5,17

100,0%

0,0%

-0,14

-0,18

5,17

100,0%

100,0%

0,24

0,14

De depositietoenames op de overbelaste delen zijn op kaart weergegeven in Figuur 6-10 voor de realisatiefase en Figuur 6-11 voor de gebruiksfase (en geven de ruimtelijke verdeling van de stikstofdeposities die zijn samengevat in Tabel 6-7). Het eerste figuur laat zien dat in de realisatiefase sprake is van een afname van de stikstofdepositie (van maximaal 0,18 mol N/ha). In de gebruiksfase (zie Figuur 6-11) is sprake van een toename (van maximaal 0,24 mol N/ha/jaar).

43

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Figuur 6-10: Projecteffect in de realisatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H3110 Zeer zwakgebufferde vennen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.

Figuur 6-11: Projecteffect in de gebruiksfase op het overbelaste deel van het habitattype H3110 Zeer zwakgebufferde vennen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.

44

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Knelpunten en stikstof De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 429 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Op het volledige oppervlak treedt momenteel een overschrijding van de KDW op, zie Tabel 6-6. Dit habitattype zijn zeer voedsel- en mineraalarme vennen in de vorm van heideplassen met een zandbodem en soortenarme begroeiingen van een brede oeverzone. Deze vennen groeien langzaam dicht en verlanding is beperkt. Het habitattype heeft een relatie met de habitattypen H3130 Zwak gebufferde vennen en H3160 Zure vennen. Het habitattype onderscheidt zich van de andere habitattypen door een gebrek aan koolstof (van H3130) en aanwezigheid van buffering (van H3160). Essentieel is een laag gehalte aan organische stoffen. De organische stof die aanwezig is, breekt af en verdwijnt als CO 2 in de lucht of wordt naar één zijde van het meer geblazen. Derhalve is enige omvang van een ven vereist. Voor duurzame instandhouding is een beperkte aanvoer van basen door lokaal grondwater, gebufferd oppervlaktewater of contact met verweerbare mineralen in bijvoorbeeld leemlagen nodig. Voor deze aanvoer is een goed functionerend geohydrologisch systeem essentieel. Bomen en struikgewas in de directe omgeving bieden over het algemeen een minder gunstig milieu. 23 Dit laatste is het geval in dit Natura 2000-gebied, waardoor sprake is van een minder gunstig milieu.

Beheer heeft positieve effecten gehad maar is nog niet overal doorgevoerd. Hierbij gaat het om tegengaan van opgaande begroeiing (Provincie Noord-Brabant, 2017c). In de gebiedsanalyse is onder knelpunten stikstofdepositie opgenomen, maar dit hangt samen met aanvoer van bufferend grondwater. Het habitattype is namelijk in stand te houden met voldoende aanvoer van bufferend grondwater (Provincie Noord-Brabant, 2017a). Beoordeling gevolgen voor areaal en kwaliteit Als hiervoor beschreven is sprake van een geringe toename in de gebruiksfase, na een tijdelijke afname in de realisatiefase. Voor het habitattype is sprake van goede kwaliteit en een stabiele situatie, ondanks de overbelaste situatie. Hoewel stikstofdepositie een knelpunt vormt, is de ligging in het bos niet optimaal en is met name de aanvoer van gebufferd water bepalend voor het habitattype. Gezien de goede kwaliteit en andere, meer bepalende knelpunten, zorgt de geringe projectbijdrage van maximaal 0,24 mol N/ha/jaar permanent niet voor een meetbare verandering van de vegetaties van dit habitattype. Significante gevolgen zijn uitgesloten. De verandering van de stikstofdepositie door de Reconstructie N65 belemmert de realisatie van de uitbreidings- en verbeteropgave van dit habitattype niet.

6.4.5

H3130 Zwakgebufferde vennen

Beschrijving van het habitattype In het profieldocument is de volgende beschrijving van het habitattype opgenomen 24: “Dit habitattype betreft begroeiingen van zwakgebufferde vennen. […] Zwakgebufferde vennen […] zijn niet koolstofgelimiteerd en kunnen –hoewel de naamgeving hierover verwarring wekt- zowel zwak gebufferd als zeer zwak gebufferd zijn. Kenmerkend voor deze vennen is een groot aantal soorten, waaronder veel pioniersoorten van kale oevers en open water. En toch zijn de meeste van de vennen van dit habitattype niet meer dan enkele tientallen meters lang en breed. De leefgemeenschappen van deze vensystemen – de plassen plus de oeverzones - vertonen een grote variatie binnen een klein oppervlak. Dat komt door allerlei milieuverschillen binnen het systeem en overgangssituaties (gradiënten) in zones en fijnschalige mozaïeken. De standplaatscondities variëren van zeer voedselarm (oligotroof) tot voedselarm (mesotroof), van aquatisch tot vochtig, [van] langdurig tot zeer kortstondig overstroomd enzovoort. Voor een deel betreft het systemen die zijn ontstaan uit uitgeveende hoogveenvennen. Sommige van de pioniergemeenschappen komen binnen vensystemen alleen voor op kale vochtige plekjes in het hogere gedeelte van de oeverzone.

Die gemeenschappen zijn ook elders – buiten de vensystemen - op de zandgronden te vinden op plekken met vergelijkbare condities zoals op afgeplagde natte heide. De begroeiingen vormen in de zwakgebufferde vensystemen veelal patronen van smalle zones of mozaïeken of ze zijn met elkaar verweven zoals ‘schering- en inslag’. […] De begroeiingen behoren tot vier verschillende verbonden van plantengemeenschappen (het Potamion graminei, Hydrocotylo-Baldellion, Eleocharition acicularis uit de klasse Littorelletea uniflorae en het Nanocyperion flavescentis uit de klasse Isoeto-Nanojuncetea). […] Bij degradatie door onder meer verzuring en atmosferische vermesting gaan in de zwakgebufferde vennen soorten overheersen zoals Pijpenstrootje (Molinia caerulea), en/of veenmossen. Vermesting met fosfaat leidt tot toename van Pitrus (Juncus effusus). […]”.

23 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_3110.pdf, geraadpleegd op 27-04-

2021. 24 https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_3130.pdf, geraadpleegd op 25-032021.

45

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling van het habitattype H3130 Zwakgebufferde vennen is “uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit”. Verspreiding in het Natura 2000-gebied Figuur 6-12 geeft de ligging van het habitattype H3130 Zwakgebufferde vennen in het Natura 2000-gebied. De figuur laat zien dat het habitattype verspreid in het Natura 2000-gebied voorkomt en zich overal in een overbelaste situatie bevindt.

Figuur 6-12: Ligging van het habitattype H3130 Zwakgebufferde vennen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven. Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister en zijn gelijk aan de kaarten opgenomen in Aerius (versie 2020).25

Huidig beheer In het algemeen geldt voor dit habitattype dat bij een goede waterkwaliteit beheer vooral bestaat uit maatregelen gericht op een natuurlijk peilbeheer. 26 In het beheerplan is niet expliciet aangegeven welk huidig beheer plaatsvindt (Provincie Noord-Brabant, 2017c). Dit betekent overigens niet dat geen beheer wordt uitgevoerd, het exacte beheer is echter niet bekend. Huidige kwaliteit Het habitattype is volgens het beheerplan goed tot matig ontwikkeld met een positieve trend en potentie voor verder herstel (Provincie Noord-Brabant, 2017c). In de gebiedsanalyse is aangegeven dat het habitattype een matig tot goede kwaliteit heeft en dat de trend voor oppervlakte positief is en voor kwaliteit stabiel (Provincie Noord-Brabant, 2017a). Op 5 juli 2019 en 13 mei 2021 zijn locaties met het habitattype in het Natura 2000-gebied bezocht. In 2019 zijn de vennen aan de zuidkant van de Kampina bezocht en opvallend was dat de oevers weinig begroeid waren met soorten die voedselrijkere omstandigheden indiceren. Opvallend was ook dat delen van vennen

25 AERIUS relevante habitatkartering: bron identificatie a4d666fb-aff5-4772-9e9b-85bc533aafc0, metadata datum: 15-10-2020.

AERIUS totale stikstofdepositie: bron identificatie: 5dbc4e3c-324f-4fcd-9652-04edcd84ea43, metadata datum: 15-10-2020. 26 https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-voedselarme-tot-matig-voedselarme-wateren-met-droogvallende-oevers-3130, geraadpleegd op 01-04-2021.

46

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

droog waren gevallen. De vennen aan de noordkant van de Kampina en de oostkant van de Oisterwijkse Vennen zijn in 2021 bezocht. Deze vennen waren in de bossen gelegen, wat niet een ideale locatie is. Een meer open landschap is beter voor ontwikkeling van vennen. Tijdens het veldbezoek is waargenomen dat in verschillende vennen veel materiaal uit de omliggende bomen (stuifmeel, bloemen, stuifmeel) aanwezig was. Kwantificering van effect van Reconstructie N65 De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 571 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Op het volledige oppervlak treedt momenteel een overschrijding van de KDW op, zie Tabel 6-8. Tabel 6-8: Totale oppervlakte van het habitattype H3130 Zwakgebufferde vennen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen en welk deel overbelast is. De informatie is afkomstig uit de bronnen die ook gebruikt zijn voor de kaarten.

Totale oppervlakte (ha) 30,38

Overbelast (ha)

Niet overbelast (ha) 0

30,38

% Overbelast

% Niet overbelast

100,0

0,0

Tabel 6-9 geeft de veranderingen van de stikstofdepositie in de overbelaste delen voor het habitattype in het Natura 2000-gebied gedurende de realisatiefase en gebruiksfase van de Reconstructie N65. In de realisatiefase is sprake van een toename van depositie op slechts een zeer klein deel van het habitattype, namelijk 2%. In de gebruiksfase is er depositie op het totale voorkomen van het habitattype binnen de reikwijdte van het effect. Tabel 6-9: Verandering stikstofdepositie op het habitattype H3130 Zwakgebufferde vennen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen door Reconstructie N65.

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect

% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]

Natura 2000-gebied en habitattypen/leefgebieden H3130 Zwakgebufferde vennen

GEBRUIKSFASE

Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]

REALISATIEFASE

30,38

100,0%

2,3%

0,22

-0,73

30,38

100,0%

100,0%

0,49

0,06

De depositietoenames op de overbelaste delen zijn op kaart weergegeven in Figuur 6-13 voor de realisatiefase en Figuur 6-14 voor de gebruiksfase (en geven de ruimtelijke verdeling van de stikstofdeposities die zijn samengevat in Tabel 6-9). De figuur van de realisatiefase laat een tweedeling van effecten zien. In de realisatiefase is sprake van een toename (van maximaal 0,22 mol N/ha) op een zeer kleine oppervlakte aan de noordzijde van het gebied en een afname (van maximaal 0,73 mol N/ha) aan de zuidzijde van het gebied. In de realisatiefase is sprake een toename op het gehele oppervlak van het habitattype, met een maximum van 0,49 mol N/ha/jr.

47

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Figuur 6-13: Projecteffect in de realisatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H3130 Zwakgebufferde vennen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.

Figuur 6-14: Projecteffect in de gebruiksfase op het overbelaste deel van het habitattype H3130 Zwakgebufferde vennen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.

48

Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021

PASSENDE BEOORDELING

Knelpunten en stikstof De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 571 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Op het volledige oppervlak treedt momenteel een overschrijding van de KDW op, zie Tabel 6-8. Zwakgebufferde vennen zijn (heide)vennen en onderlopende slenken in de hogere zandgronden. Kenmerkend is enige mate van buffering (verschil met H3160 Zure vennen) en een niet door koolstof gelimiteerd systeem (verschil met H3110 Zeer zwak gebufferde vennen). Verder is de grote variatie op een klein oppervlak door allerlei milieuverschillen kenmerkend. Voor duurzame instandhouding is de aanvoer van gebufferd, schoon water via kwel noodzakelijk. De optimale omvang is enkele hectares. 27 Het habitattype komt versnipperd in het Natura 2000-gebied voor en niet overal is de omvang optimaal. Stikstof is één van de knelpunten (Provincie Noord-Brabant, 2017a; 2017c), maar de hengelsportvereniging en de ophoping van organisch materieel in de bodem zijn ook knelpunten (Provincie Noord-Brabant, 2017c). Dat hydrologie hier ook een belangrijk knelpunt is, blijkt uit dat de toestroom van noodzakelijk beekwater is verminderd, maar de concentratie van voedingsstoffen in dat water wel is toegenomen (Provincie Noord-Brabant, 2017a).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=dfb20089-316b-415a-85aa-9de17f52ab5d