Bijlage 4 - Passende Beoordeling
Tekst van het document
Passende Beoordeling Reconstructie N65 Gemeente Vught 13 september 2021
PASSENDE BEOORDELING
2
Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021
PASSENDE BEOORDELING
Inhoudsopgave 1
2
3
4
3
Inleiding
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Leeswijzer
6
Planbeschrijving
7
2.1
Ligging plangebied
7
2.2
Reconstructie N65
8
2.2.1
Aanpassingen en tijdelijke N65
8
2.2.2
Gebruiksfase
9
Wettelijk kader
10
3.1
Aanwijzing en beheer van Natura 2000-gebieden
10
3.2
Bescherming van Natura 2000-gebieden
10
3.3
Ligging Natura 2000-gebieden
11
Afbakening van effecten
12
4.1
Inleiding
12
4.2
Aard en reikwijdte van mogelijke effecten
12
4.2.1
Oppervlakteverlies en versnippering
12
4.2.2
Stikstofdepositie
13
4.2.3
Luchtverontreiniging
21
4.2.4
Verdroging
21
4.2.5
Verstoring
21
4.2.6
Verandering van de populatiedynamiek
24
4.3
Samenvatting
24
5
Aanwezigheid relevante natuurwaarden
25
6
Effectbeschrijving
29
6.1
Inleiding
29
6.2
Rol van stikstof in het systeem
29
6.2.1
Stikstofkringloop
29
6.2.2
Problematiek
30
Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021
PASSENDE BEOORDELING
4
6.2.3
Wat betekent dit?
30
6.3
Geringe toename stikstofdepositie in perspectief
31
6.4
Kampina & Oisterwijkse Vennen
32
6.4.1
Inleiding
32
6.4.2
H2310 Stuifzandheiden met struikhei
33
6.4.3
H2330 Zandverstuivingen
37
6.4.4
H3110 Zeer zwakgebufferde vennen
41
6.4.5
H3130 Zwakgebufferde vennen
45
6.4.6
H3160 Zure vennen
49
6.4.7
H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden)
54
6.4.8
H4030 Droge heiden
59
6.4.9
H6410 Blauwgraslanden
63
6.4.10
H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes)
67
6.4.11
H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen
72
6.4.12
H7210 Galigaanmoerassen
76
6.4.13
H9190 Oude eikenbossen
79
6.4.14
H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
83
6.4.15
Leefgebieden
87
6.5
Langstraat
89
6.5.1
Inleiding
89
6.5.2
H3140 Kranswierwateren
89
6.5.3
H6410 Blauwgraslanden
93
6.5.4
H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen)
97
6.5.5
H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden)
101
6.5.6
H7230 Kalkmoerassen
105
6.6
Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen
109
6.6.1
Inleiding
109
6.6.2
H2310 Stuifzandheiden met struikhei
110
6.6.3
H2330 Zandverstuivingen
114
6.6.4
H3130 Zwakgebufferde vennen
118
6.6.5
H6410 Blauwgraslanden
123
6.6.6
H9160A Eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden)
127
6.6.7
H9190 Oude eikenbossen
131
6.6.8
H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
135
6.6.9
Leefgebieden
139
6.7
Regte Heide & Riels Laag
140
6.7.1
Inleiding
140
6.7.2
H3130 Zwakgebufferde vennen
140
6.7.3
H3160 Zure vennen
144
6.7.4
H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden)
148
Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021
PASSENDE BEOORDELING
7
8
6.7.5
H4030 Droge heiden
151
6.7.6
H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen
155
6.7.7
H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
158
6.8
Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek
162
6.8.1
Inleiding
162
6.8.2
H3140hz Kranswierwateren, op hogere zandgronden
163
6.8.3
H6410 Blauwgraslanden
167
6.8.4
H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)
171
6.8.5
H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen)
175
6.9
Gebieden op een afstand tussen 5 en 25 km
179
6.9.1
Inleiding
179
6.9.2
Uitgangspunten en resultaten berekening OPS
179
6.9.3
Beoordeling depositie op 5 – 25 km van het wegennetwerk
182
Toetsing aan de Wet natuurbescherming
190
7.1
Aantasting natuurlijke kenmerken
190
7.2
Cumulatietoets
190
Conclusies
Geraadpleegde bronnen
197 199
Bijlagen
5
Bijlage A : Kritische depositiewaarden
202
Bijlage B : Uitgangspunten en berekeningen stikstofdepositie
203
Bijlage C : Instandhoudingsdoelstellingen
204
Colofon
208
Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021
PASSENDE BEOORDELING
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
De A65/N65 is de rijksweg die loopt van de A58 bij Tilburg (knooppunt De Baars) naar de A2 bij ’s-Hertogenbosch (knooppunt Vught). De weg heeft een (boven)regionale verkeersfunctie en is een belangrijke ontsluitingsweg voor de gemeenten Vught en Oisterwijk. In de huidige situatie staan, gezien de toenemende verkeersintensiteit, de leefbaarheid langs, de doorstroming over en de verkeersveiligheid op de N65 onder druk. Om deze knelpunten te verminderen wordt gewerkt aan de reconstructie van de N65. Hiervoor zijn inmiddels twee bestemmingsplannen vastgesteld, te weten op 14 mei 2020 het bestemmingsplan ‘N65 Vught’ en op 2 juli 2020 het bestemmingsplan ‘N65 Helvoirt 2020’. In de omgeving van het plangebied liggen verschillende Natura 2000-gebieden. Vanwege de mogelijke negatieve gevolgen die realisatie en gebruik van de Reconstructie N65 kan hebben op deze gebieden is voor het bestemmingsplan een toetsing vereist aan de Wet natuurbescherming. Uit de toetsing in dit rapport moet blijken of realisatie en gebruik van de N65 leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden. In 2020 hebben al een beoordeling plaatsgevonden (Arcadis, 2020a;2020b), maar achteraf is gebleken dat in deze beoordeling is uitgegaan van onjuiste berekeningen van de stikstofdepositie. Op basis van de juiste berekeningen bleek het noodzakelijk om een passende beoordeling op te stellen.
1.2
Leeswijzer
Dit rapport bestaat uit acht hoofdstukken en drie bijlages. Het rapport is als volgt opgebouwd: • Hoofdstuk 2 vormt de planbeschrijving die getoetst is. • Hoofdstuk 3 is het wettelijk kader van deze passende beoordeling • Hoofdstuk 4 is de afbakening van effecten. Op basis van de planbeschrijving in hoofdstuk 2 wordt beschreven welke effecten relevant zijn en wat de reikwijdte van de effecten is. • Hoofdstuk 5 is de aanwezigheid van relevante natuurwaarden binnen de reikwijdte van relevante effecten. • Hoofdstuk 6 vormt de effectbeschrijving- en beoordeling. Per Natura 2000-gebied wordt per relevante, kwalificerende natuurwaarde ingegaan op de effecten. • Hoofdstuk 7 is de toetsing waarbij ook ingegaan wordt op de cumulatieve effecten. • Hoofdstuk 8 vormt de conclusie. • Na hoofdstuk 8 zijn de geraadpleegde bronnen opgenomen. • Bijlage A geeft informatie over de kritische depositiewaarden. • Bijlage B geeft de uitgangspunten en berekeningen van de stikstofdepositie. • Bijlage C is een overzicht van de instandhoudingsdoelstellingen van de relevante Natura 2000-gebieden.
6
Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021
PASSENDE BEOORDELING
2
Planbeschrijving
2.1
Ligging plangebied
Het plangebied bestaat uit twee aansluitende delen: • Deel bij Vught: Het plangebied wordt aan de westelijke zijde begrensd door de gemeentegrens van Vught en loopt in oostelijke richting tot circa 300 meter voorbij de aansluiting Helvoirtseweg/ John F. Kennedylaan (hectometerpaal 4.18). In Figuur 2-1 is het plangebied in zijn context weergegeven. • Deel bij Helvoirt: Het plangebied wordt aan de oostelijke zijde begrensd door de voormalige gemeentegrens van Haaren en loopt in westelijke richting tot de Kreitestraat/Hoge Raam (hectometerpaal 11.0). In Figuur 2-2 is het plangebied in zijn context weergegeven.
Figuur 2-1: Luchtfoto met plangebied Reconstructie N65 Vught.
Figuur 2-2: Luchtfoto met plangebied Reconstructie N65 Helvoirt. De delen van het plangebied buiten de N65 betreffen een compensatiegebied voor het Natuurnetwerk Brabant (noordzijde) een als onderdeel van de reconstructie op te waarderen half-verharde weg (zuidzijde).
7
Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021
PASSENDE BEOORDELING
2.2
Reconstructie N65
2.2.1
Aanpassingen en tijdelijke N65
De bouwstenen, aanpassingen en de tijdelijke N65 zijn beschreven in hoofdstuk 3 van de toelichting het vastgestelde bestemmingsplan (N65 Vught, vastgestelde bestemmingsplan, IMRO-idn: NL.IMRO.0865.vghBPN65-VG01) en hoofdstuk 3 van de toelichting het vastgestelde bestemmingsplan (N65 Helvoirt 2020, vastgestelde bestemmingsplan, IMRO-idn: NL.IMRO.0788.BPN65Helvoirt-ON01). De wijziging van de verkeersstromen tijdens de werkzaamheden is weergegeven in Figuur 2-3.
1 2
3
4
5
6
Figuur 2-3: Netwerk omrijdend verkeer tijdens realisatiefase. Rode wegen neemt het verkeer toe, op groene wegen neemt het verkeer af. Met getallen is de verandering van het aantal auto’s per etmaal opgenomen. Met paars is de ligging van Natura 2000-gebieden weergegeven. 1: Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem, 2: Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek, 3: Langstraat, 4: Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, 5: Kampina & Oisterwijkse Vennen, 6: Regte Heide & Riels Laag.
8
Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021
PASSENDE BEOORDELING
2.2.2
Gebruiksfase
Het gevolg van Reconstructie N65 is dat de huidige verkeersstromen wijzigen. De wijzigingen van de verkeerstromen als gevolg van het gebruik zijn weergegeven in Figuur 2-4.
1 2
3
4
5
6
Figuur 2-4: Netwerk veranderde verkeerbewegingen tijdens gebruiksfase. Rode wegen neemt het verkeer toe, op groene wegen neemt het verkeer af. Met getallen is de verandering van het aantal auto’s per etmaal opgenomen. Met paars is de ligging van Natura 2000-gebieden weergegeven. 1: Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem, 2: Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek, 3: Langstraat, 4: Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, 5: Kampina & Oisterwijkse Vennen, 6: Regte Heide & Riels Laag.
9
Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021
PASSENDE BEOORDELING
3
Wettelijk kader
3.1
Aanwijzing en beheer van Natura 2000-gebieden
In hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming is de bescherming van gebieden geregeld. De Wnb maakt het mogelijk gebieden aan te wijzen als beschermde natuurgebieden, waaronder Natura 2000-gebieden. Deze gebieden worden aangewezen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de Europese Vogelen Habitatrichtlijn. In ieder besluit tot aanwijzing van een Natura 2000-gebied zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende gebied beschreven. Daarbij gaat het in ieder geval om instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogels, voor zover nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn, en/of voor vegetaties en habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn. Gedeputeerde Staten zijn verplicht zorg te dragen voor het treffen van instandhoudingsmaatregelen voor de in de provincie gelegen Natura 2000-gebieden en moeten ook - als daar aanleiding voor bestaat - passende maatregelen nemen om verslechtering van de kwaliteit van Natura 2000-gebieden te voorkomen. Voor de Natura 2000-gebieden in de Rijkswateren, waaronder de Waddenzee, is Rijkswaterstaat verantwoordelijk. Voor ieder Natura 2000-gebied wordt een beheerplan opgesteld, dat elke 6 jaar wordt geactualiseerd.
In dit plan zijn de instandhoudingsdoelen nader uitgewerkt, zijn maatregelen beschreven die nodig zijn om deze doelen te realiseren en zijn kaders voor vergunningverlening voor menselijke activiteiten binnen de Natura 2000-gebieden aangegeven.
3.2
Bescherming van Natura 2000-gebieden
De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000 ten aanzien van plannen en projecten, die mogelijke effecten hebben op de natuurlijke kenmerken van deze gebieden, gelet op de instandhoudingsdoelen die er van kracht zijn. De Wnb maakt daarbij onderscheid in enerzijds plannen en anderzijds projecten. In dit geval is sprake van een plan (bestemmingsplan). Voor de vaststelling van plannen geeft de Wnb een toetsingsplicht. De Wnb stelt dat een bestuursorgaan een plan, dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend mag vaststellen als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Wanneer de zekerheid dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast niet is verkregen in de passende beoordeling, kan een plan alleen worden vastgesteld c.q. vergunning alleen worden verleend wanneer aan de ADC-criteria wordt voldaan. Dit laatste betekent dat voor het project geen Alternatieve oplossingen beschikbaar zijn, het project Dwingende redenen van groot openbaar belang dient en Compensatie van de schade aan de natuurlijke kenmerken van het gebied plaatsvindt.
10
Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021
PASSENDE BEOORDELING
3.3
Ligging Natura 2000-gebieden
In de omgeving van het plangebied van de Reconstructie N65 liggen verschillende Natura 2000-gebieden, zie Figuur 3-1.
Langstraat
Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek
Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen
Kampina & Oisterwijkse Vennen
Regte Heide & Riels Laag Figuur 3-1: Ligging van Natura 2000-gebieden (groen) in de omgeving van het plangebied (binnen cirkel). Bron: https://geocontent.rvo.nl/Natura2000/Overzichtskaart/index.html?provincie=1, geraadpleegd op 25-02-2021.
Bovenstaand figuur laat zien dat het plangebied nabij “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek” en “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen” is gelegen. Dit betekent niet dat de reikwijdte van de Reconstructie N65 zich beperkt tot deze gebieden. In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op de reikwijdte van effecten en welke Natura 2000-gebieden binnen de reikwijdte van mogelijke effecten zijn gelegen.
11
Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021
PASSENDE BEOORDELING
4
Afbakening van effecten
4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk is beoordeeld welk type effecten in het plangebied kunnen optreden door de realisatie en gebruik van de Reconstructie N65 en welke typen effecten op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, en daarom niet passend beoordeeld hoeven te worden. In de beoordeling is uitgegaan van de verschillende veranderingen in het natuurlijk milieu die kunnen worden veroorzaakt door realisatie en gebruik van de Reconstructie N65. Deze milieuveranderingen hebben mogelijk invloed op de kenmerken van de leefgebieden van planten en dieren, en kunnen daarmee de fysiologische toestand van planten en dieren, het gedrag van dieren en ecologische relaties en processen verstoren. In veel gevallen is binnen ecosystemen sprake van een complex stelsel van relaties, waarbij meerdere milieuveranderingen tegelijkertijd invloed uitoefenen op habitats en soorten. Bovendien hebben die veranderingen in habitats en soorten zelf ook weer invloed op de toestand van het milieu. Uit de effectindicator blijkt dat voor de zeven nabijgelegen Natura 2000-gebieden (“Kampina & Oisterwijkse Vennen”, “Kempenland-West”, “Langstraat”, “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen”, “Rijntakken”, “Regte Heide & Riels Laag”, Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek”) dat bij de categorie “weg” de volgende mogelijke effecten van belang zijn: • • • • • • • • • • •
Oppervlakteverlies Versnippering Verzuring door stikstofdepositie uit de lucht Vermesting door stikstofdepositie uit de lucht Verontreiniging van de lucht Verdroging Verstoring door geluid Verstoring door licht Verstoring door trilling Optische verstoring Verandering in populatiedynamiek
Wanneer een effect op een Natura 2000-gebied niet is uit te sluiten, is in dit hoofdstuk aangegeven wat de verwachte ruimtelijke reikwijdte is van het mogelijke effect. Het resultaat van deze afbakening bepaalt de onderzoeksopgave. De afbakening heeft twee doelen: 1) vaststellen van de milieufactoren die mogelijk leiden tot effecten op Natura 2000-gebieden en 2) de reikwijdte van deze effecten, omdat die bepaalt welke kwalificerende natuurwaarden mogelijk aangepast worden. De maximaal mogelijke reikwijdte is bepalend voor de omvang van het studiegebied voor de effectbeschrijvingen in hoofdstuk 5 en 6.
4.2
Aard en reikwijdte van mogelijke effecten
4.2.1
Oppervlakteverlies en versnippering
Ingreep-effectrelaties Oppervlakteverlies door tijdelijk- of permanent ruimtegebruik bij de realisatie en aanwezigheid van de N65 met bijbehorende voorzieningen kan leiden tot verkleining en/of versnippering van habitats en/of leefgebieden van dieren. Verkleining van de omvang van habitattypen leidt ook tot verkleining van leefgebieden voor specifieke soorten. Hierdoor worden populaties kwetsbaar voor gevolgen van bijvoorbeeld predatie, extreme seizoensinvloeden of ziekten. Het is belangrijk dat functionele eenheden intact blijven: voor habitattypen zijn ondergrenzen voor een duurzame oppervlakte bekend (Broekmeyer, 2005). Ter plekke van de locaties waar oppervlakteverlies plaatsvindt wordt (indien aanwezig) het betreffende habitattype of leef- en/of verspreidingsgebied van een soort als verloren beschouwd.
Aard en potentiële reikwijdte van het effect Oppervlakteverlies vindt plaats op die delen waar ingrepen binnen het plangebied overlappen met habitattypen en leefgebieden van voor binnen Natura 2000-gebieden beschermde soorten. De reikwijdte van het effect is direct gerelateerd aan het gebied waar fysieke ingrepen plaatsvinden in de realisatiefase. 12
Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021
PASSENDE BEOORDELING
Reconstructie N65 vindt uitsluitend plaats buiten Natura 2000-gebied en bij de locatie van de bestaande weg. Effecten van oppervlakteverlies op Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Voor oppervlakteverlies en versnippering is geen sprake van een onderzoeksopgave.
4.2.2
Stikstofdepositie
Ingreep-effectrelaties Zowel in de realisatiefase als gebruiksfase worden verzurende en vermestende stoffen (vooral NOx) geëmitteerd door voertuigen, mobiele werktuigen en installaties. Over atmosferische depositie van stikstof is in Smits et al., 2014 het volgende beschreven: “Een toename van de atmosferische stikstofdepositie in een voorheen onbelast gebied1 leidt in eerste instantie tot een toename van de beschikbaarheid van stikstof in bodem of water en aldus tot een verhoogde opname van stikstofverbindingen door de vegetatie. Dit proces wordt eutrofiëring genoemd. Door verhoogde toevoer en accumulatie van N-verbindingen zal de beschikbaarheid van stikstof geleidelijk toenemen. Dit leidt tot verdringing van minder concurrentiekrachtige soorten door stikstof minnende (nitrofiele) soorten. Veelal gaat dit ten koste van karakteristieke soorten, aangezien een groot deel van de soorten in halfnatuurlijke en natuurlijke ecosystemen juist is aangepast aan een lage stikstofbeschikbaarheid in de bodem. Verhoogde toevoer van stikstof kan vooral in voedselarme tot matig voedselrijke systemen een sterke afname in soortendiversiteit veroorzaken […].
Het aantal soorten kan op extreem voedselarme bodems bij een verhoogde toevoer van stikstof wel iets toenemen, maar de oorspronkelijke en karakteristieke vegetatie die aan de extreme situatie was aangepast, verdwijnt.” “Verzuring, oftewel afname van de buffercapaciteit, is een langetermijnproces dat ook van nature plaatsvindt door carbonzuur of organische zuren maar wat (zeer sterk) versneld kan worden door de toevoer van zure of verzurende stoffen uit de atmosfeer. Afhankelijk van de bodemsamenstelling kan dit complexe proces leiden tot een lagere pH, verhoogde uitspoeling van kationen (calcium, magnesium of kalium), verhoogde concentraties aan toxische metalen (vooral van aluminium) en veranderingen in de verhouding tussen nitraat en ammonium in de bodem [.]. In deze situatie kunnen plantensoorten die resistent zijn tegen dergelijke zure omstandigheden gaan overheersen en verdwijnen veel soorten uit een milieu met een meer neutrale pH.” Een risico op effecten is met name aanwezig als de situatie overbelast is. Van overbelasting is sprake als de achtergronddepositie hoger dan de kritische depositiewaarde (KDW) van een specifiek habitattype (zie voor meer informatie Bijlage A). De KDW is geen absolute grenswaarde, maar wel een indicatie of extra depositie mogelijk leidt tot een significant gevolg voor dat habitattype2.
Bij een totale stikstofdepositie (achtergrondwaarde plus depositie als gevolg van het project) die lager is dan de KDW is een significant gevolg voor dat habitattype bij voorbaat uitgesloten.
Aard en potentiële reikwijdte van het effect Voor realisatiefase en gebruiksfase van de Reconstructie N65 zijn berekeningen van de stikstofdepositie gemaakt. In Bijlage B zijn de uitgangspunten voor en resultaten van deze berekeningen opgenomen. Relevant voor de reikwijdte van de effecten zijn de habitattypen waar sprake is van: 1. een toename van de stikstofdepositie in de realisatie- en/of gebruiksfase van de Reconstructie N65 en 2. een overbelaste situatie (achtergronddepositie plus projecteffect is hoger dan de kritische depositiewaarde van het habitattype). In Tabel 4-1 zijn de resultaten van deze berekening voor omliggende Natura 2000-gebieden in de realisatiefase en gebruiksfase weergegeven en voor welke habitattypen en leefgebieden een beoordeling in het kader van stikstof nodig is.
1 Ten aanzien van voorheen onbelaste gebieden is het belangrijk om te vermelden dat overbelasting door atmosferische depositie niet
recent is: al in de periode 1950-1970 is sprake van een overbelaste situatie. De piek lag in de jaren ’80 en de achtergronddepositie is sinds die tijd afgenomen. Op de website https://www.clo.nl/indicatoren/nl0189-vermestende-depositie is aangegeven dat alleen al sinds 1990 de emissie van stikstof met 64% is afgenomen. 2 ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 14.5 (ABRvS 29 mei 2019), o.a. "Anders dan de Werkgroep ziet de Afdeling in het arrest geen aanknopingspunt dat de kritische depositiewaarde als een absolute grenswaarde zou gelden voor het bepalen van de gunstige staat van instandhouding van stikstofgevoelige habitattypen. De mate en duur van de overschrijding van de kritische depositiewaarde zijn naar het oordeel van de Afdeling wel belangrijke indicatoren voor de beoordeling of de daling van de depositie door de PASbronmaatregelen en de effecten van de herstelmaatregelen in de gebieden al dan niet nodig zijn voor het behoud en het voorkomen van verslechtering van de stikstofgevoelige natuurwaarden. "
13
Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021
PASSENDE BEOORDELING
Zowel de realisatie als het gebruik3 van de Reconstructie N65 leidt tot een toename van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Bij een toename van de depositie in een reeds overbelaste situatie bestaat het risico op een significant negatieve gevolgen voor de betrokken habitattypen. Dit is niet van toepassing op alle habitattypen en leefgebieden: sommige habitattypen en leefgebieden zijn niet overbelast en/of er is geen sprake van een toename en dit kan ook verschillen voor realisatiefase en gebruiksfase. In hoofdstuk 6 worden de ecologische effecten van de toename van de stikstofdepositie op overbelaste habitattypen beschreven. Omdat de berekeningen al waren uitgevoerd voordat de tussenuitspraak werd gedaan in de zaak ViA15, is in deze passende beoordeling het effect van stikstofdepositie beschreven voor de Natura 2000-gebieden die binnen een afstand van 5 km van de weg liggen eerst beschreven. In paragraaf 6.9 zijn de effecten op Natura 2000-gebieden beschreven die op een afstand van 5 – 25 km van de weg liggen. De depositieberekening waarop deze beoordeling is gebaseerd, is een berekening met AERIUS, waarbij de “gewone” berekening tot 5 km met SRM-2 is gecombineerd met een berekening met behulp van de module OPS_ROAD in AERIUS Connect.
Uit het gecombineerde resultaat van beide berekeningen zijn vervolgens alle rekenresultaten tot op een afstand van 25 km van het netwerk van wegen met een relevante verandering in de verkeersbewegingen gebruikt bij de beoordeling. In Tabel 4-1 is de depositie opgenomen voor alle Natura 2000-gebieden die binnen 5 km van het netwerk van wegen liggen (berekend met SRM-2 in combinatie met OPR_ROAD). De met OPS_ROAD berekende depositie op de gebieden die tussen 5 en 25 km van het netwerk van wegen 4 liggen is opgenomen in paragraaf 6.9.
3 Bij het permanente effect is nog een kanttekening te plaatsen. De stikstofdepositie als gevolg van verkeer neemt af vanwege inzet van
steeds schonere technieken, zo moeten alleen nieuwe personenauto’s in 2030 elektrisch zijn. Dit effect is niet te kwantificeren, maar geeft wel aan dat permanente depositie veroorzaakt door verkeer naar de toekomst toe nog daalt. Bron: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/auto/overheid-stimuleert-milieuvriendelijker-rijden, geraadpleegd op 28-04-2021. 4 Met het “netwerk van wegen” wordt in deze passende beoordeling bedoeld: het deel van de N65 en het omliggend wegennet waarop een relevante verandering in het aantal vervoersbewegingen optreedt als gevolg van de reconstructie.
14
Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021
PASSENDE BEOORDELING
Tabel 4-1: Overzicht van oppervlaktes, overbelasting en de maximale en minimale van stikstofdepositie op overbelaste delen in Natura 2000-gebieden gedurende de realisatiefase en gebruiksfase van de Reconstructie N65 (in mol N/ha/jaar) volgens de Aerius-berekening (zie Bijlage B voor de berekeningen en de uitgangspunten). Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]
Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]
% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect
% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename
Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]
Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]
100,0%
36,1%
0,12
-0,08
12,92
100,0%
100,0%
0,17
0,08
100,0% 100,0%
100,0% 0,0%
0,10 -0,14
0,05 -0,18
0,16 5,17
100,0% 100,0%
100,0% 100,0%
0,15 0,24
30,38
100,0%
2,3%
0,22
-0,73
30,38
100,0%
100,0%
0,49
44,94 1,77
100,0% 100,0%
19,5% 0,0%
0,28 -0,51
-0,65 -0,77
47,72 1,77
100,0% 100,0%
100,0% 100,0%
0,47 0,49
60,28
80,6%
2,7%
0,06
-0,27
61,54
81,0%
100,0%
0,24
149,82
100,0%
0,0%
0,02
-0,27
150,59
100,0%
100,0%
0,25
2,30
100,0%
0,0%
-0,01
-0,02
2,31
100,0%
100,0%
0,10
0,13 0,14 Tijdens de realisatie is geen sprake Voor dit habitattype is sprake van een van een toename in een overbelaste toename in een overbelaste situatie. situatie, effecten als gevolg van een Dit effect wordt in hoofdstuk 6 toename van stikstofdepositie zijn bij beoordeeld. voorbaat uitgesloten. 0,06 Voor dit habitattype is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in hoofdstuk 6 beoordeeld. 0,07 0,36 Tijdens de realisatie is geen sprake Voor dit habitattype is sprake van een van een toename in een overbelaste toename in een overbelaste situatie. situatie, effecten als gevolg van een Dit effect wordt in hoofdstuk 6 toename van stikstofdepositie zijn bij beoordeeld. voorbaat uitgesloten. 0,05 Voor dit habitattype is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in hoofdstuk 6 beoordeeld. 0,05 Voor dit habitattype is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in hoofdstuk 6 beoordeeld. 0,08 Tijdens de realisatie is geen sprake Voor dit habitattype is sprake van een van een toename in een overbelaste toename in een overbelaste situatie. situatie, effecten als gevolg van een
Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]
Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]
Conclusie over vervolg
% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename
GEBRUIKSFASE
% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect
REALISATIEFASE
Natura 2000-gebied en habitattypen/leefgebieden Kampina & Oisterwijkse Vennen H2310 Stuifzandheiden met 12,92 struikhei H2330 Zandverstuivingen 0,16 5,17 H3110 Zeer zwakgebufferde vennen H3130 Zwakgebufferde vennen H3160 Zure vennen
ZGH3160 Zure vennen
H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) H4030 Droge heiden H6410 Blauwgraslanden
Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021 15
REALISATIE
GEBRUIK
Voor dit habitattype is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in hoofdstuk 6 beoordeeld.
PASSENDE BEOORDELING
Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]
Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]
Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]
% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect
% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename
Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]
Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]
H7210 Galigaanmoerassen
% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename
H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes) H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen
Conclusie over vervolg
% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect
Natura 2000-gebied en habitattypen/leefgebieden
GEBRUIKSFASE
Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]
REALISATIEFASE
1,96
100,0%
8,1%
0,09
-0,06
2,14
100,0%
100,0%
0,23
0,09
14,08
13,3%
18,2%
0,03
-0,11
14,10
13,4%
100,0%
0,25
0,08
1,44
13,7%
0,0%
-0,04
-0,05
1,44
13,7%
100,0%
0,08
0,07
4,46
100,0%
0,0%
-0,01
-0,16
4,46
100,0%
100,0%
0,18
0,07
20,33
84,5%
0,2%
0,04
-0,48
21,69
83,6%
100,0%
0,34
0,08
2,38
100,0%
100,0%
0,03
0,01
3,92
100,0%
100,0%
0,12
87,97
100,0%
0,9%
0,12
-0,15
88,49
100,0%
100,0%
0,19
0,53
0,0%
0,0%
0,00
0,00
0,53
0,0%
0,0%
0,00
1,91
59,0%
13,9%
0,22
-0,49
2,05
59,8%
100,0%
0,36
0,07 Tijdens de realisatie is sprake van een Voor dit habitattype is sprake van een toename in een overbelaste situatie. toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in hoofdstuk 6 Dit effect wordt in hoofdstuk 6 beoordeeld. beoordeeld. 0,07 Voor dit leefgebied is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in hoofdstuk 6 beoordeeld. 0,00 Voor dit leefgebied is geen sprake van Voor dit habitattype is sprake van een overbelasting, effecten als gevolg van toename in een overbelaste situatie. een toename van stikstofdepositie zijn Dit effect wordt in hoofdstuk 6 bij voorbaat uitgesloten. beoordeeld. 0,08 Voor dit leefgebied is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in hoofdstuk 6 beoordeeld.
H9190 Oude eikenbossen H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) L4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) L4030 Droge heiden Lg02 Geïsoleerde meander en petgat Lg03 Zwakgebufferde sloot
Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021 16
REALISATIE GEBRUIK toename van stikstofdepositie zijn bij Dit effect wordt in hoofdstuk 6 voorbaat uitgesloten. beoordeeld. Voor dit habitattype is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in hoofdstuk 6 beoordeeld. Voor dit habitattype is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in hoofdstuk 6 beoordeeld. Tijdens de realisatie is geen sprake Voor dit habitattype is sprake van een van een toename in een overbelaste toename in een overbelaste situatie. situatie, effecten als gevolg van een Dit effect wordt in hoofdstuk 6 toename van stikstofdepositie zijn bij beoordeeld. voorbaat uitgesloten. Voor dit habitattype is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in hoofdstuk 6 beoordeeld.
PASSENDE BEOORDELING
Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]
Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]
Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]
% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect
% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename
Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]
15,47
67,2%
21,1%
0,43
-0,15
15,66
67,6%
100,0%
0,24
43,35
100,0%
0,8%
0,20
-0,09
43,35
100,0%
100,0%
0,19
1,29
100,0%
100,0%
1,05
0,02
1,29
100,0%
0,0%
0,29
0,0%
0,0%
0,00
0,00
0,29
0,0%
0,0%
H6410 Blauwgraslanden
0,26
100,0%
100,0%
0,69
0,03
0,26
100,0%
0,0%
H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden)
2,86
100,0%
100,0%
0,73
0,03
2,86
100,0%
0,0%
0,01
100,0%
100,0%
0,28
0,21
0,01
100,0%
0,0%
-0,02 -0,47 Tijdens de realisatie is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in hoofdstuk 6 beoordeeld. 0,00 0,00 Voor dit habitattype is geen sprake van overbelasting, effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie Tijdens het gebruik is geen sprake van een toename in een overbelaste zijn bij voorbaat uitgesloten. situatie, effecten als gevolg van een -0,03 -0,29 toename van stikstofdepositie zijn bij voorbaat uitgesloten. -0,03 -0,29 Tijdens de realisatie is sprake van een toename in een overbelaste situatie. -0,05 -0,06 Dit effect wordt in hoofdstuk 6 beoordeeld.
H7230 Kalkmoerassen
2,52
100,0%
100,0%
1,05
0,40
2,52
100,0%
0,0%
-0,13 -0,47
94,0%
1,61
-0,82
90,65
96,4%
5,9%
0,13
Natura 2000-gebied en habitattypen/leefgebieden Lg04 Zuur ven Lg09 Droog struisgrasland
Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]
% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename
Conclusie over vervolg
% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect
GEBRUIKSFASE
Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]
REALISATIEFASE
REALISATIE GEBRUIK 0,07 Voor dit leefgebied is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in hoofdstuk 6 beoordeeld. 0,07 Voor dit leefgebied is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in hoofdstuk 6 beoordeeld.
Langstraat H3140hz Kranswierwateren, op hogere zandgronden H3140lv Kranswierwateren, in laagveengebieden
Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen H2310 Stuifzandheiden met struikhei
88,37
97,0%
Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021 17
-0,67 Voor dit habitattype is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in hoofdstuk 6 beoordeeld.
PASSENDE BEOORDELING
Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]
Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]
% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect
% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename
Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]
91,75
100,0%
81,4%
1,25
-2,78
93,93
100,0%
18,2%
0,33
5,78
100,0%
28,1%
3,01
-4,75
5,78
100,0%
71,9%
2,24
0,10
100,0%
0,0%
-0,37
-0,41
0,10
100,0%
100,0%
0,05
13,66
100,0%
6,5%
1,15
-4,93
13,66
100,0%
100,0%
0,20
103,30
99,7%
24,5%
3,52
-9,87
103,52
99,5%
75,6%
0,88
116,34
70,2%
0,8%
0,53
-9,87
116,34
70,2%
100,0%
0,20
2,61
2,5%
0,0%
-0,21
-0,21
2,61
2,5%
100,0%
0,13
0,13 Tijdens de realisatie is geen sprake van een toename in een overbelaste situatie, effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn bij voorbaat uitgesloten.
Tijdens het gebruik is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in hoofdstuk 6 beoordeeld.
3,41
100,0%
0,0%
-0,04
-0,08
3,41
100,0%
100,0%
0,05
0,03 Tijdens de realisatie is geen sprake van een toename in een overbelaste
Tijdens het gebruik is sprake van een toename in een overbelaste situatie.
H6410 Blauwgraslanden
H9160A Eikenhaagbeukenbossen (hogere zandgronden) H9190 Oude eikenbossen H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) Lg02 Geïsoleerde meander en petgat
Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]
Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]
H3130 Zwakgebufferde vennen
% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename
H2330 Zandverstuivingen
Conclusie over vervolg
% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect
Natura 2000-gebied en habitattypen/leefgebieden
GEBRUIKSFASE
Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]
REALISATIEFASE
REALISATIE GEBRUIK -0,45 Voor dit habitattype is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in hoofdstuk 6 beoordeeld. -2,08 Voor dit habitattype is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in hoofdstuk 6 beoordeeld. 0,03 Tijdens de realisatie is geen sprake Tijdens het gebruik is sprake van een van een toename in een overbelaste toename in een overbelaste situatie. situatie, effecten als gevolg van een Dit effect wordt in hoofdstuk 6 toename van stikstofdepositie zijn bij beoordeeld. voorbaat uitgesloten. 0,05 Voor dit habitattype is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in hoofdstuk 6 beoordeeld. -0,88 Voor dit habitattype is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in hoofdstuk 6 beoordeeld. 0,01 Voor dit habitattype is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in hoofdstuk 6 beoordeeld.
Regte Heide & Riels Laag H3130 Zwakgebufferde vennen
Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021 18
PASSENDE BEOORDELING
Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]
Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]
Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]
% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect
% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename
Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]
H3160 Zure vennen
1,24
100,0%
0,0%
-0,05
-0,08
1,24
100,0%
100,0%
0,05
H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden)
9,95
100,0%
0,0%
-0,04
-0,10
9,95
100,0%
100,0%
0,06
REALISATIE 0,03 situatie, effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn bij 0,03 voorbaat uitgesloten.
H4030 Droge heiden
133,12
100,0%
0,0%
-0,04
-0,23
133,12
100,0%
100,0%
0,09
0,03
H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
7,54
24,8%
0,0%
-0,04
-0,09
7,54
24,8%
100,0%
0,05
0,04
2,36
66,7%
0,0%
-0,04
-0,06
2,36
66,7%
100,0%
0,04
0,04
Natura 2000-gebied en habitattypen/leefgebieden
Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]
% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename
Conclusie over vervolg
% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect
GEBRUIKSFASE
Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]
REALISATIEFASE
GEBRUIK Dit effect wordt in hoofdstuk 6 beoordeeld.
Rijntakken (alleen het deel van het Natura-gebied binnen 5 km van het wegennetwerk is in deze tabel opgenomen, het resterende deel tot 20 km is beschreven in paragraaf 6.9 ZGLg02 - Geïsoleerde 1,62 0 meander en petgat Lg08 - Nat, matig 2,89 0 voedselrijk grasland ZGLg11 - Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van 0,16 0 het rivieren- en zeekleigebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek H3140hz Kranswierwateren, op hogere zandgronden
0,19
100,0%
0
0,00
0,00
1,62
0
0
0,00
0,00
0
0,00
0,00
2,89
0
0
0,00
0,00
0
0,00
0,00
0,16
0
0
0,00
0,00
100,0%
0,63
0,28
0,19
100,0%
0,0%
Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021 19
Tijdens de realisatiefase en gebruiksfase is geen sprake van een toename in een overbelaste situatie, effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn bij voorbaat uitgesloten.
-0,04 -0,17 Tijdens de realisatie is sprake van een Tijdens het gebruik is geen sprake van toename in een overbelaste situatie. een toename in een overbelaste Dit effect wordt in hoofdstuk 6 situatie, effecten als gevolg van een beoordeeld.
PASSENDE BEOORDELING
% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename
Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]
Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]
Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]
% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect
% van overbelaste delen binnen reikwijdte waar sprake is van een toename
Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]
Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha/jaar]
H6410 Blauwgraslanden
12,87
100,0%
74,3%
2,31
-3,84
12,87
100,0%
28,8%
0,39
-1,27
H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen)
2,75
41,5%
100,0%
2,22
0,08
2,75
41,5%
42,3%
0,15
-1,62
0,70
62,9%
0,5%
0,09
-2,21
0,70
62,9%
100,0%
0,31
0,08
Lg03 Zwakgebufferde sloot
4,87
0,5%
100,0%
0,82
0,80
4,87
0,5%
0,0%
-0,20 -0,21
Lg06 Dotterbloemgrasland van beekdalen
0,04
0,0%
0,0%
0,00
0,00
0,04
0,0%
0,0%
0,00
Natura 2000-gebied en habitattypen/leefgebieden
Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021 20
Conclusie over vervolg
% oppervlakte overbelast binnen reikwijdte van effect
GEBRUIKSFASE
Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]
REALISATIEFASE
REALISATIE
GEBRUIK toename van stikstofdepositie zijn bij voorbaat uitgesloten.
Voor dit habitattype is sprake van een toename in een overbelaste situatie. Dit effect wordt in hoofdstuk 6 beoordeeld.
Voor dit leefgebied is geen sprake van overbelasting, effecten als gevolg van 0,00 een toename van stikstofdepositie zijn bij voorbaat uitgesloten.
PASSENDE BEOORDELING
4.2.3
Luchtverontreiniging
Ingreep-effectrelaties Zowel in de realisatiefase als gebruiksfase worden vervuilende stoffen geëmitteerd. Vervuilende stoffen slaan via de atmosfeer neer op land en water en kunnen negatieve effecten op habitattypen veroorzaken, waarbij het met name over toxiciteit gaat. Ook soorten die afhankelijk zijn van een bepaald habitat kunnen hierdoor nadelig beïnvloed worden, bijvoorbeeld door direct toxische effecten en door verandering van de samenstelling van de structuur van de vegetatie of een verandering van voedselaanbod.
Aard en potentiële reikwijdte van het effect In de bestemmingsplannen is aangegeven dat de grenswaarden van de luchtkwaliteit ruimschoots worden gerespecteerd. Hiermee zijn effecten als gevolg van luchtverontreiniging uitgesloten.
4.2.4
Verdroging
Ingreep-effectrelaties De plaatsing van bouwwerken en de verandering van de hoogte van het maaiveld hebben mogelijke effecten op de freatische grondwaterstromingen en grondwaterstanden. Wanneer deze veranderingen doorwerken tot in de Natura 2000-gebieden kunnen de daar aanwezige (grondwaterafhankelijke) habitattypen en leefgebieden nadelig worden beïnvloed door verhoging of verlaging van de grondwaterstand en/of verandering van de kwaliteit van toestromend grondwater. Bij afname van de grondwaterstand kunnen grondwaterafhankelijke vegetaties directe schade oplopen door vochttekort, maar kunnen ook voor de vegetatie belangrijke bodemchemische processen worden verstoord. Dat laatste treedt mogelijk ook op bij (sterke) vernatting en bij verandering van de grondwaterkwaliteit (bijvoorbeeld stijging van het chloridegehalte bij toestroming van brak grondwater). Als gevolg daarvan kan de kenmerkende soortensamenstelling van vegetaties veranderen, waardoor de kwaliteit van de habitattypen afneemt. In sommige gevallen kunnen condities voor de vegetatie ook verbeteren (bijvoorbeeld bij vernatting of kweltoename in duinvalleien). Veranderingen in de vegetatie kunnen leiden tot veranderingen in leefgebieden van (beschermde) soorten, waardoor leefgebieden minder of (soms) meer geschikt worden, en de populatieomvang verandert.
Bij extreme veranderingen in hydrologische condities kunnen ook directe gevolgen optreden voor beschermde soorten die afhankelijk zijn van natte (of juist droge) omstandigheden (zoals rugstreeppadden, en verschillende soorten waterafhankelijke insecten).
Aard en potentiële reikwijdte van het effect In de bestemmingsplannen is voor zowel het deel bij Vught als bij Helvoirt aangegeven dat de waterhuishoudkundige effecten beperkt zijn en plaatsvinden in de directe omgeving van de wegaanpassingen. De reikwijdte van deze effecten blijft beperkt tot buiten de begrenzing van Natura 2000gebieden.
4.2.5
Verstoring
Ingreep-effectrelaties Diersoorten kunnen in hun natuurlijk gedrag worden gestoord door aanwezigheid van door mensen veroorzaakte verstoringsbronnen. Geluid, trillingen, licht en visuele verstoring kunnen dan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen. Bij langdurige verstoring van natuurlijk gedrag treedt vermindering van de fitheid van dieren op (te weinig voedselopname, verhoogd energieverlies, verlaten van geschikt leefgebied) wat kan leiden tot sterfte en verminderde reproductie. Uiteindelijk kan dit nadelige gevolgen hebben voor de populatie van een soort. Ook kan gewenning optreden, wanneer dieren leren dat van de verstoringsbron geen gevaar uitgaat (Broekmeyer, 2005). Bij het beoordelen van de effecten als gevolg van verstoring kan onderscheid worden gemaakt in verstoring als gevolg van: • geluid; • trilling; • licht; • optische verstoring als gevolg van aanwezigheid en beweging van materieel en mensen.
21
Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021
PASSENDE BEOORDELING
Aard en potentiële reikwijdte van het effect Bij het optreden van verstoring en bij een reactie van dieren op niet-natuurlijke verstoringsbronnen is vaak niet goed te onderscheiden of de verstoring wordt veroorzaakt door beweging, geluid, trilling of licht, omdat deze vormen van verstoring vaak tegelijkertijd optreden. De veroorzaakte verstoring is dan ook een resultante van al deze prikkels samen, waarbij de meest verreikende of ernstigste factor als maatgevend kan worden gehanteerd. Geluid Verschillende soorten en soortgroepen reageren verschillend op een toename van geluidsniveaus. Alleen voor vogels zijn specifieke drempelwaarden beschikbaar (o.a. Reijnen & Foppen, 1991). Boven deze waarden neemt de dichtheid van vogels geleidelijk af naarmate de geluidbelasting hoger wordt. De daadwerkelijk optredende effecten zijn sterk afhankelijk van de soort en van de situatie. De gevoeligheid van verstoring van verschillende vogelsoorten verschilt sterk. Met name soorten die voorkomen in stedelijk gebied, zijn gewend aan hoge geluidniveaus. De reactie op geluidbelasting afkomstig van een specifieke bron hangt daarnaast af van de mate waarin in het leefgebied al geluidbelasting vanuit andere (al dan niet natuurlijke) bronnen optreedt. Voor andere soortgroepen zijn vrijwel geen drempelwaardes beschikbaar.
Het onderzoek naar verstoring door een toename van geluid wordt kwalitatief uitgevoerd. De werkzaamheden worden niet nabij Natura 2000-gebieden uitgevoerd. Bovendien gaat het hier om een omgeving waar al sprake is van activiteit door omliggende dorpen en wegen waaronder de N65. Het netwerkeffect is leidend voor de Natura 2000-gebieden en de locaties waar mogelijk sprake is van een toename van geluid. Uit Figuur 2-3 en Figuur 2-4 blijkt dat sprake is van toe- en afnames van verkeersbewegingen op het verkeersnetwerk gedurende de uitvoering van de reconstructie en in de gebruiksfase na afronding van de reconstructie. Met name de toenames van verkeer zijn relevant, omdat hier mogelijk sprake is van toename van effecten dor geluidverstoring. Realisatiefase: Toenames van verkeer zijn in de realisatiefase voorzien op de wegen nabij de volgende Natura 2000-gebieden: deel van “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen”, “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek”, “Langstraat”, “Kampina & Oisterwijkse Vennen”. Dit zijn de roodgekleurde wegen in Figuur 2-3. Afnames in de realisatie zijn voorzien voor een deel van “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen” en “Regte Heide & Riels Laag”. Dit zijn de groen gekleurde wegen in Figuur 2-3. Gebruiksfase: In de gebruiksfase is sprake van een toename voor een deel van “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen” en “Regte Heide & Riels Laag”.
Dit zijn de roodgekleurde wegen in Figuur 2-4. Afnames zijn voorzien voor een deel van “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen”, “Langstraat”, “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek” en “Langstraat”. Dit zijn de groen gekleurde wegen in Figuur 2-4. Trillingen Trillingen als gevolg van de Reconstructie N65 kunnen op twee manieren ontstaan: 1) tijdens de realisatie door zwaar materieel en 2) tijdens realisatie en gebruik door veranderend verkeer. Deze trillingen zijn over een beperkte afstand waarneembaar (maximaal enkele tientallen meters). De trillingen als gevolg van zwaar materieel tijdens de realisatie vinden op een te grote afstand van Natura 2000-gebieden plaats om gevolgen te hebben (meer dan 2 km). Trillingen als gevolg van veranderend verkeer zijn beperkt, omdat het hier om bestaande wegen gaat waar al verkeer (waaronder zwaarder landbouwverkeer) overheen gaat. Effecten van trillingen zijn daarom niet aan de orde ter hoogte van de Natura 2000-gebieden, geluid is in dit geval meer leidend en treedt tegelijk met trillingen op. Licht In het verleden is onderzoek gedaan naar het effect van kunstlicht (wegverlichting) op fauna (De Molenaar, 2003). In dit onderzoek werd een grenswaarde van 0,1 lux vastgesteld als referentiewaarde voor nietverlichte situaties waarbij er geen effecten zijn voor zoogdieren, die als meest gevoelig voor licht kunnen worden beschouwd.
Veranderingen van licht door veranderend verkeer zijn beperkt, omdat het hier om bestaande wegen gaat waar al verkeer overheen gaat. Effecten van licht treden altijd op samen met effecten van geluid (en ook trilling en visuele verstoring). Het effect van licht wordt beoordeeld maar treedt tegelijkertijd op met geluid. Visuele verstoring Visuele verstoring door activiteiten van de realisatie is het gevolg van de aanwezigheid en bewegingen van mensen en materieel in het plangebied. De werkzaamheden vinden op een dusdanige afstand van Natura
22
Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021
PASSENDE BEOORDELING
2000-gebieden plaats (meer dan 2 km), in een omgeving met bebouwing en bos, dat directe effecten van visuele verstoring door de werkzaamheden zijn uitgesloten. Zowel tijdens de realisatiefase als in de gebruiksfase is sprake van veranderend verkeer buiten het plangebied. Hierbij gaat het echter om verkeer op bestaande wegen langs de Natura 2000-gebieden, die al een bron vormen van verstoring in de huidige situatie. Visuele prikkels treden vrijwel altijd in combinatie op met geluid en licht. De reikwijdte van geluid is groter dan die van visuele prikkels. Afbakening en beoordeling Uit het voorgaande blijkt dat verstoring door geluid, trilling, licht en visuele verstoring relevant zijn. Deze effecten treden echter tegelijk op waardoor het niet goed mogelijk is om onderscheid te maken in de bijdrage van de afzonderlijke componenten in de totale verstoring. Daarom worden de effecten van verstoring door geluid, licht, trilling en visuele verstoring als geheel hieronder per Natura 2000-gebied behandeld. Als aangegeven hiervoor strekt het netwerkeffect van verkeer zich in de realisatie- en gebruiksfase uit tot de Natura 2000-gebieden “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen”, “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek”, “Langstraat”, “Kampina & Oisterwijkse Vennen” en “Regte Heide & Riels Laag”.
In de volgende punten wordt nader ingegaan op de onderzoeksopgave per Natura 2000-gebied: • Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen: zowel in de realisatiefase als gebruiksfase is aan de noordkant van het van het Natura 2000-gebied een toename van verkeer verwacht. Dit Natura 2000gebied is naast habitattypen aangewezen voor de kamsalamander en drijvende waterweegbree (Ministerie van EZ, 2013a). Deze soorten zijn niet gevoelig voor verstoring door geluid en licht5. Effecten als gevolg van verstoring, zeker gezien het hier om reeds bestaande wegen gaat, zijn bij voorbaat uitgesloten. De mate waarin het aantal verkeersbewegingen toeneemt is -zowel in de realisatiefase als in de gebruiksfase- beperkt ten opzichte van het huidige verkeersaanbod. • Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek: Alleen in de realisatiefase is een toename van verkeer verwacht en eventuele verstoring is dus tijdelijk. Deze toenames vinden plaats op de A59 (waar het verstoringsniveau al hoog van is waardoor de relatieve toename zeer beperkt is) en de Gementweg (die op 400 meter afstand van het Natura 2000-gebied is gelegen). Dit Natura 2000-gebied is naast habitattypen aangewezen voor pimpernelblauwtje, donker pimpernelblauwtje, grote modderkruiper, kleine modderkruiper en drijvende waterweegbree (Ministerie van EZ, 2013b).
De meeste soorten zijn niet gevoelig voor verstoring door geluid of licht.6 Van de vissoorten is aangegeven dat deze wel gevoelig zijn, maar aangezien het hier om verstoring door bestaande wegen gaat en vissen onder water leven, zijn effecten als gevolg van een toename van verkeer bij voorbaat uitgesloten. • Langstraat: Alleen in de realisatiefase is een toename van verkeer verwacht en eventuele verstoring is dus tijdelijk. Deze toenames vinden plaats op de A59 en N261 (waar de verstoringsniveaus al hoog van zijn en de toename relatief beperkt is). Dit Natura 2000-gebied is naast habitattypen aangewezen voor grote modderkruiper en kleine modderkruiper (Ministerie van EZ, 2013c). Hoewel deze vissoorten wel gevoelig zijn voor verstoring door geluid en licht7, gaat het hier verstoring door om bestaande wegen en leven vissen onder water. Effecten door verstoring als gevolg van een tijdelijke toename van verkeer in de realisatiefase zijn bij voorbaat uitgesloten. • Kampina & Oisterwijkse Vennen: Alleen in de realisatiefase is een toename van verkeer verwacht en eventuele verstoring is dus tijdelijk. Deze toenames vinden plaats op de A58 (waar het verstoringsniveau al hoog is en de toename relatief beperkt is) en de Kapelweg (die van het Natura 2000-gebied gescheiden wordt door een spoorweg).
Dit Natura 2000-gebied is naast habitattypen aangewezen voor drijvende waterweegbree, gestreepte waterroofkever, gevlekte witsnuitlibel, kamsalamander, kleine modderkruiper, rivierdonderpad, dodaars (niet-broedvogel en broedvogel), roodborsttapuit (broedvogel) en taigarietgans (niet-broedvogel) (Ministerie van EZ, 2013d). Deze soorten zijn gevoelig voor verstoring van geluid en/of licht door wegen.8. Uit Figuur 2-3 blijkt dat de tijdelijke verkeerstoename in de
5 Zie effectenindicator:
https://www.synbiosys.alterra.nl/bij12/effectenindicatorappl.aspx?selectGebied=131&selectActiviteit=Weg&submit=Toon+effecten&subj =effectenmatrix, geraadpleegd op 01-03-2021. 6 Zie effectenindicator: https://www.synbiosys.alterra.nl/bij12/effectenindicatorappl.aspx?selectGebied=132&selectActiviteit=Weg&submit=Toon+effecten&subj =effectenmatrix, geraadpleegd op 01-03-2021. 7 Zie effectenindicator: https://www.synbiosys.alterra.nl/bij12/effectenindicatorappl.aspx?selectGebied=130&selectActiviteit=Weg&submit=Toon+effecten&subj =effectenmatrix, geraadpleegd op 01-03-2021. 8 Zie effectenindicator: https://www.synbiosys.alterra.nl/bij12/effectenindicatorappl.aspx?selectGebied=133&selectActiviteit=Weg&submit=Toon+effecten&subj =effectenmatrix, geraadpleegd op 01-03-2021.
23
Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021
PASSENDE BEOORDELING
•
realisatiefase zeer beperkt is. Bij de A59 gaat het om 206 extra verkeersbewegingen per etmaal, op een totaal van meer dan 80.000 verkeersbewegingen per etmaal. Een dergelijk kleine en tijdelijke toename kan niet leiden tot effecten van een toename door verstoring. Bij de Kapelweg gaat het ook om een beperkte toename, van maximaal 230 verkeersbewegingen per etmaal, op een totaal van ongeveer 10.000 verkeersbewegingen per etmaal. Ook voor de Kapelweg geldt dat deze tijdelijke en beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen niet kan leiden tot effecten van een toename door verstoring, mede ook gezien de drukke spoorverbinding Tilburg – Eindhoven die tussen de Kapelweg en het Natura 2000-gebied ligt. Regte Heide & Riels Laag: Alleen in de gebruiksfase is een toename van verkeer verwacht. Deze toename vindt plaats op de A58 (waar het verstoringsniveau hoog is en die op een afstand van meer dan 1 km van het Natura 2000-gebieden is gelegen). Dit Natura 2000-gebied is alleen aangewezen voor habitattypen (Ministerie van LNV, 2013e). Kwalificerende natuurwaarden die gevoelig zijn voor verstoring komen niet voor. Effecten door verstoring als gevolg van een toename van verkeer zijn bij voorbaat uitgesloten.
4.2.6
Verandering van de populatiedynamiek
Ingreep-effectrelaties Populatiedynamiek wordt bepaald door factoren die invloed hebben op reproductie en sterfte. In de context van dit plan hangen deze factoren vooral samen met een toename van verkeer en een daardoor een toename van de aanrijdkans. Hierdoor kan sterfte toenemen en dit beïnvloedt de populatie. Verder kunnen andere effecten ook invloed hebben op de populatie (als verstoring) maar deze worden al behandeld onder de factoren. Hieronder gaat het alleen om de toename van de sterftekans door het project.
Aard en potentiële reikwijdte van het effect Een toename van de sterftekans is relevant voor die Natura 2000-gebieden waar nabij het verkeer toeneemt. In § 4.2.5 wordt gekeken naar de soorten die aanwezig zijn in die Natura 2000-gebieden, dan zijn het soorten die gebonden zijn aan de Natura 2000-gebieden en niet afhankelijk zijn van leefgebieden die in de omgeving liggen. Verkeersstromen veranderen, maar het gaat hier om reeds bestaande wegen die langs de Natura 2000-gebieden lopen en die niet structureel overgestoken worden door kwalificerende diersoorten. De Reconstructie N65 zorgt niet voor een wezenlijke toename van de sterftekans. Daarnaast voorziet het plan ook in een ecopassage, wat mogelijk voor een aantal soorten leidt tot een verbetering van de situatie. Effecten op de populaties door een toename van de sterftekans zijn bij voorbaat uitgesloten.
4.3
Samenvatting
Tabel 4-2 geeft een samenvatting van de afbakening. Uit de tabel blijkt welke effecten relevant zijn, wat de reikwijdte van deze effecten is en welke Natura 2000-gebieden binnen die reikwijdte vallen. Tabel 4-2 Samenvatting van effecten en reikwijdte en de relevante Natura 2000-gebieden.
Effect Oppervlakteverlies en versnippering
Reikwijdte Werkgrenzen.
Relevante Natura 2000-gebieden Geen: effect is op voorhand uitgesloten.
Stikstofdepositie
Reikwijdte volgt uit stikstofberekeningen die zijn opgenomen in Bijlage B.
• • • • •
Verdroging
Nabij waar de weg wordt aangepast.
Geen: effect is op voorhand uitgesloten.
Verstoring
Directe omgeving van de weg. Er is niet alleen sprake van toename van geluid maar ook van afnames. Natura 2000-gebieden waar verkeer toeneemt.
Geen: effect is op voorhand uitgesloten.
Verandering populatiedynamiek 24
Kampina & Oisterwijkse Vennen Langstraat Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen Regte Heide & Riels Laag Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek
Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021
Geen: effect is op voorhand uitgesloten.
PASSENDE BEOORDELING
5
Aanwezigheid relevante natuurwaarden
Uit het vorige hoofdstuk blijkt dat stikstofdepositie een relevant effect is van de Reconstructie N65. De gebieden die binnen een afstand van 5 kilometer van het netwerk van wegen liggen en waar in de realisatieen/of gebruiksfase sprake is van een toename van de stikstofdepositie zijn “Kampina & Oisterwijkse Vennen”, “Kempenland-West”, “Langstraat”, “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen”, “Regte Heide & Riels Laag” en “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek”. De relevante natuurwaarden van voorgenoemde Natura 2000-gebieden zijn de stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Deze zijn weergegeven in Figuur 5-1 t/m Figuur 5-5. Op grotere afstand van de weg, op een afstand van 5-25 km liggen, nog de gebieden “Biesbosch”, “Kempenland-West”, “Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux”, “Lingegebied & Diefdijk-Zuid”, “Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem”, “Rijntakken”, “Strabrechtse Heide & Beuven” en “Ulvenhoutse Bos”. In Figuur 5-6 zijn alle gebieden getoond die binnen 25 km van het netwerk van wegen liggen.
Figuur 5-1: Habitattypen- en leefgebiedenkaart van het Natura 2000-gebied “Kampina & Oisterwijkse Vennen”. Bron: AERIUS relevante habitatkartering: bron identificatie a4d666fb-aff5-4772-9e9b-85bc533aafc0, metadata datum: 15-10-2020.
25
Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021
PASSENDE BEOORDELING
Figuur 5-2: Habitattypen- en leefgebiedenkaart van het Natura 2000-gebied “Langstraat”. Bron: AERIUS relevante habitatkartering: bron identificatie a4d666fb-aff5-4772-9e9b-85bc533aafc0, metadata datum: 15-10-2020.
Figuur 5-3: Habitattypen- en leefgebiedenkaart van het Natura 2000-gebied “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen”. Bron: AERIUS relevante habitatkartering: bron identificatie a4d666fb-aff5-4772-9e9b-85bc533aafc0, metadata datum: 15-10-2020.
26
Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021
PASSENDE BEOORDELING
Figuur 5-4: Habitattypen- en leefgebiedenkaart van het Natura 2000-gebied “Regte Heide & Riels Laag”. Bron: AERIUS relevante habitatkartering: bron identificatie a4d666fb-aff5-4772-9e9b-85bc533aafc0, metadata datum: 15-10-2020.
Figuur 5-5: Habitattypen- en leefgebiedenkaart van het Natura 2000-gebied “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek”. Bron: AERIUS relevante habitatkartering: bron identificatie a4d666fb-aff5-4772-9e9b-85bc533aafc0, metadata datum: 15-10-2020.
27
Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021
PASSENDE BEOORDELING
Figuur 5-6: Natura 2000-gebieden die binnen een afstand van 25 km van het netwerk van wegen liggen.
28
Onze referentie: D10034287:42 - Datum: 13 september 2021
PASSENDE BEOORDELING
6
Effectbeschrijving
6.1
Inleiding
In dit hoofdstuk is voor een aantal habitattypen en leefgebieden een beoordeling gemaakt van de effecten van de toename van stikstofdepositie op de in Natura 2000-gebieden aanwezige stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Het gaat hier om habitattypen en leefgebieden waar sprake is van: 1. een toename van de stikstofdepositie in de realisatie- en/of gebruiksfase van de Reconstructie N65 en: 2. een overbelaste situatie op minimaal één hexagoon binnen het betreffende Natura 2000-gebied (de achtergronddepositie is in dat geval hoger dan de kritische depositiewaarde van het habitattype, zie ook Bijlage A).