CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

7. Raadsinformatiebrief Koersdocument groenblauwe gebiedsgerichte aanpak (GGA) Vlijmens Ven, Moerputten, Bossche Broek

Raadsvergadering 9 oktober 2025, gemeente VughtBij agendapunt: Categorie I-B Schriftelijke mededelingen van college of griffie27.139 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

grondwaterdynamiek die van belang is voor de natuurtypen in het gebied.

actuele en de optimale hydrologische situatie. Het onderste kaartje in figuur

Door toename van neerslag in de winter, droogte in de zomer en in droge

21 toont de voorjaars grondwaterstand (GVG), die over het algemeen in orde

jaren zal de dynamiek in (grond) waterstanden toenemen. Dat is nadelig voor

is.

de aanwezige habitats. Om deze habitattypen en doelsoorten in het N2000-

Daarnaast zijn er aandachtspunten benoemd zoals het niet goed doorwerken

gebied te beschermen en herstellen is herstel van het hydrologisch systeem

van de grondwaterbuffering in de bodem in het centrale en oostelijk deel van

belangrijk. Klimaatverandering en droogte zijn hier, naast het huidige

Vlijmens Ven en aandachtspunten voor grond- en oppervlaktewaterkwaliteit. 31

Figuur 204 Conclusies vanuit de EHSA (Ecohydrologische Systeemanalyse. Onder voorbehoud dat effecten van klimaatsverandering niet zijn onderzocht.

32

Gevoeligheidsanalyse .

In het tweede gedeelte van de Ecohydrologische Systeemanalyse zijn 4 indicatieve maatregelenpakketten doorgerekend, op basis van modellen, om risico’s in beeld te brengen: •

Indicatief maatregelpakket 1: Focus op maatregelen binnen GGA-gebied, gericht op hydrologisch herstel en zoveel mogelijk aansluitend bij geplande ontwikkelingen;

•

Indicatief maatregelpakket 2: Een intensievere uitwerking van hydrologische herstelmaatregelen ten opzichte van pakket 1, met meer maatregelen buiten GGA-gebied;

•

Indicatief maatregelpakket 3: Een intensievere uitwerking van hydrologische herstelmaatregelen ten opzichte van pakket 2. In dit pakket zijn grondwateronttrekkingen in het 1e watervoerend pakket verminderd;

•

Indicatief maatregelpakket 4: Zeer nat scenario.

Voor

de

duidelijkheid:

het

gaat

hier

niet

om

daadwerkelijke

maatregelenpakketten. De pakketten zijn modelmatig en ter indicatie. Doorberekening van effecten geeft inzicht in de werking van het hydrologisch systeem.

Figuur 21 doelgaten GLG en GVG (EHSA). Een kanttekening bij de kaart over doelgaten GLG is dat model en metingen in Honderd Morgen niet overeenkomen; het oordeel op basis van metingen is dat GLG iets te droog is en dus een minder groot doelgat dan op de kaart. Daarnaast is het effect van droge jaren waarin een extra verlaging van GLG te zien is, hierin niet verbeeld.

33

Het doorrekenen van de indicatieve pakketten geeft een aantal conclusies:

Voor de specifieke gebieden komen de volgende conclusies uit de EHSA.

•

De inidcatieve maatregelpakketten zorgen over het algemeen voor een

Bedenk hierbij dat de GVG in het algemeen al goed is en voldoet aan de

toename van de kwelflux in het Natura 2000-gebied. Dit heeft als

hydrologische vereisten van de habitattypen.:

neveneffect kwaliteitsverbetering van het grondwater in de wortelzone

•

• •

•

van kwelafhankelijke vegetaties. De veranderingen zijn het grootst bij

grondwaterstanden en het peilbeheer in het gebied hebben de

maatregelpakket 3 in de GLG situatie

maatregelen een relatief beperkt effect op de GVG en GLG. Wel is er een

Een samenhangend pakket van maatregelen heeft een groter effect in

duidelijk positief effect op de kwelflux. Een hogere kwelflux zorgt voor

het Natura 2000-gebied dan een individuele maatregel;

meer kwel in het maaiveld, het opladen van het bodemsysteem met

Maatregelen die in of direct rondom het Natura 2000-gebied genomen

essentiële mineralen en het geeft tegendruk tegen zuur regenwater.

worden, lijken op korte termijn relatief meer effect te sorteren dan

Daarnaast kan extra kwelwater naar het infiltratiegebied Rijskampen/De

maatregelen die op grotere afstand worden genomen;

Ham worden geleid, zodat het daar inzijgt en de kwelstroom richting

Maatregelen blijken ook positieve (grondwaterstand verhogende)

Moerputten wordt vergroot;

effecten voor het Natura 2000-gebied Loonse-en Drunense Duinen te •

Vlijmens Ven en de Ham-West: Als gevolg van de huidige ondiepe

•

Moerputten en de Ham-Oost: De maatregelen hebben een beperkt

hebben;

effect op de GVG. Voor de GLG-situatie zijn grondwaterstand-stijgingen

De effecten voor de omgeving kunnen - afhankelijk van de zwaarte van

berekend in maatregelpakket 2 en 3 waarmee het grondwatersysteem

het maatregelenpakket - ingrijpend zijn, waarbij zowel de kans toeneemt

beter voldoet aan de ecologische vereisten. Deze vereisten worden

op grondwateroverlast in bebouwd gebied, als de kans op wateroverlast

echter ook bij pakket 3 niet volledig gehaald. De maatregelen hebben

(piekbuien en grondwater) voor de landbouw (natschade). Ook kan een

een positief effect op de kwelflux;

negatief effect voor weidevogels optreden. Door het vele water op de

•

op de GVG. Wel is er voor De Maij een positief effect op de kwelflux;

graslanden ontstaat de kans op verzopen eieren en kuikens. Uit verder onderzoek moet blijken welke lange termijn maatregelen zorgen voor overlast, wat daarvan de oorzaken zijn en of dat op te lossen is;

Rijskampen en de Maij: De maatregelen hebben een zeer beperkt effect

•

Honderd Morgen: De maatregelen hebben een beperkt effect op de GVG. Voor de GLG-situatie zijn grondwaterstand-stijgingen berekend waarmee het grondwatersysteem beter voldoet aan de doelen. De kwelflux in Honderd Morgen is plaatselijk substantieel, vooral in percelen langs de Maysteeg;

34

•

Bossche Broek: De maatregelen hebben een beperkt effect op de GVG. De stijging van de GLG is nog onvoldoende om overal het doelgat voor de hier aanwezige habitattypen te dichten. De maatregelen hebben een duidelijk positief effect op de kwelflux. Vooral bij maatregelpakket 2 en 3 neemt het areaal met substantiële en sterke kwel verder toe. Er ontstaat hiermee een grotere buffering en verzuring treedt minder op. Meer informatie over de conclusies en bijbehorend kaartmateriaal is te vinden in de EHSA (resultaten maatregelpakketten EHSA Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek). Maatregelpakketten Het derde deel van de EHSA is gericht op de maatregelpakketten. Met de projectgroep EHSA zijn maatregelpakketten voor de korte en lange termijn opgesteld en doorgerekend met de modellen. In hoofdstuk 6 wordt hier verder op ingegaan.

35

4.3 HoWaBo (Hoogwater Aanpak Brabant Oost) Waterschappen Aa en Maas en De Dommel, gemeenten, provincie Noord-

• Bossche Broek Noord. Optimalisatie van bestaande bergingen van

Brabant en Rijkswaterstaat werken al een aantal jaren samen aan de

HoWaBo 1. Het gaat om de inlaatwerken en de hoogte van de kaden.

Hoogwater Aanpak Brabant Oost (HoWaBo) om ’s-Hertogenbosch en

De Dungense polder ligt buiten het focusgebied maar onderzochte

omgeving te beschermen tegen hoogwater.

maatregelen zoals peilopzet van de Dungense sloot hebben effect op dit gebied en de HoWaBo-oplossing.

Er is de afgelopen jaren – met maatregelen uit het programma HoWaBo I - al veel ruimte gemaakt voor water en waterberging. Voor noodgevallen

Overigens kunnen ook met maatregelen uit andere oplossingen positieve

(uitgangspunt nu is 1 x per 150 jaar) moet er nog zeker 36 miljoen kubieke

effecten voor het focusgebied behaald worden. Duidelijk is dat een

meter extra water in de regio opvangen kunnen worden, bovenop de al

combinatie van natuurlijke en technische maatregelen nodig zal zijn om het

bestaande 14 miljoen m3. Deze hoeveelheid zal in de toekomst waarschijnlijk

hoogwaterprobleem voor nu en in de toekomst aan te pakken.

nog groter worden onder invloed van de klimaatverandering. Gedurende het gebiedsproces is er maandelijks ambtelijke afstemming De komende twee jaar worden 11 mogelijke oplossingsrichtingen (zie figuur

geweest tussen een vertegenwoordiger van het gebiedsproces en HoWaBo,

22) met mogelijke maatregelen en locaties verder onderzocht, op

met name om proces en communicatie af te stemmen. Ook op bestuurlijk

bijvoorbeeld haalbaarheid en maakbaarheid. Deze oplossingen vallen in vier

niveau zijn er korte lijnen tussen het gebiedsproces en HoWaBo, via de

adaptieve strategieën: (bovenstrooms) vasthouden, hoger peil, bergen en

bestuurders van Waterschap Aa en Maas en Waterschap De Dommel.

afvoeren. Drie van die oplossingen liggen in het focusgebied:

Afgesproken is dat maatregelen over en weer elkaar niet mogen bijten.

• Vergroten Drongelens Kanaal. Vergroten van de afvoercapaciteit van het

Hierdoor worden communicatie en participatie op belangen- en

kanaal door profielverruiming, hoger peil, of een meestromende waterberging; • Baardwijkse Overlaat. Verschillende delen van de voormalige Baardwijkse Overlaat kunnen ingezet worden voor waterberging. Het water kan

keukentafelniveau belangrijker naarmate de concreetheid van maatregelen vordert. De trajecten van het gebiedsproces en HoWaBo zullen nauw met elkaar in

worden ingelaten via de berging Vughtse Gement, of rechtstreeks vanuit

contact blijven en vooral op het niveau van uitvoeringsprogramma’s op

één of meerdere nieuwe inlaten langs het Drongelens Kanaal;

onderdelen in elkaar verweven worden.

36

37 Figuur 22 Oplossingsrichtingen uit werkboek Hoogwateraanpak Brabant Oost 2023

4.4 Stikstofonderzoek Opgave De doelstelling voor de natuur in het N2000 gebied met betrekking tot stikstof staat omschreven in de Natuurdoelanalyse (knelpunt 3.5.2.4) en komt vanuit de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering (2021), tegenwoordig onderdeel van de omgevingswet. De wet streeft naar een gezondere natuur door natuurherstel en door de stikstofdepositie in gevoelige habitats te verminderen. De wet vereist dat door natuurherstel in 2025 minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde N2000 gebieden een gezond stikstofniveau heeft waarbij de kritische depositiewaarde niet overschreden wordt; in 2030 moet dit minimaal de helft zijn en in 2035 minimaal 74% van areaal van stikstofgevoelige habitats in 2025 in Natura 2000- gebieden onder de kritische depositiewaarde ligt.

Voor het Natura 2000-gebied Vlijmens Ven Moerputten en Bossche Broek is gemiddelde stikstofdepositie in 2021 1183 mol/ha/jaar. Het overgrote deel komt uit het stikstofdeken (>10 km, zie figuur 24). Op basis van een doorrekening vanuit de Klimaat- en Energieverkenning (KEV2021) is de verwachte depositie in 2030 965-930 mol/ha/jaar. Het stikstofdepositiedoel voor 2030 is 880 mol/ha/jaar. Dit is de gemiddelde stikstofdepositie, maar uiteraard gaat het om de depositie in de gevoelige habitattypen. In onderstaande kaart is de overbelasting van stikstof de habitattypen weergegeven op basis van de overschrijding van de kritische depositiewaarde. Inzoomend op habitattypen zijn de Kranswierwateren sterk overbelast en geldt een matige overbelasting voor Heischrale graslanden, Blauwgraslanden en Glanshaver- en vossenstaarthooilanden.

Figuur 23: overbelasting op basis van de overschrijding Kritische Depositiewaarde bron: Brabants overzicht stikstofdata

38

Proces Om de huidige stand van zaken rond de invloed van de stikstofdepositie, bronnen en mogelijke maatregelen per N2000-gebied in Noord-Brabant in kaart te brengen, is in opdracht van Provincie Noord-Brabant een onderzoek door een consortium van verschillende bureaus uitgevoerd. Dit onderzoek bestaat uit twee fasen: 1) Het in beeld brengen van de huidige situatie en herkomst 2) Doorrekening van scenario’s en maatregelen voor de GGA-gebieden in Brabant, waaronder het focusgebied voor GGA Vlijmens Ven Moerputten en Bossche Broek. Daarnaast is er ook gerekend aan de Brabantse Ontwikkelaanpak stikstof (BOS 2.0) Fase één is uitgevoerd begin 2024. De resultaten hiervan: ‘welk inzicht levert dit op’ zijn op de volgende pagina omschreven. De resultaten van deze fase zijn destijds gepresenteerd aan de gebiedspartners reacties zijn meegenomen in fase twee van het onderzoek. Voor fase twee van het stikstofonderzoek zijn door het consortium begin 2025 factsheets opgeleverd voor de volgende thema’s/onderwerpen. Deze factsheets geven inzicht in het effect van maatregelen op de stikstofdepositie. 1. Informatieblad – Deelname Brabantse veehouderijen aan landelijke regelingen LBV-plus en LBV; 2. Informatieblad – Verminderen aanwending mest op agrarische percelen nabij Natura 2000-gebieden; 3. Informatieblad – Extensivering melkveehouderij (graslandnormen);

4. Informatieblad – Effecten van landschapselementen op stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden; 5. Informatieblad – Verduurzamen woningen; 6. Informatieblad – Voer- en managementmaatregelen in de landbouwsector Noord-Brabant. Daarnaast zijn gebiedsspecifieke maatregelen doorgerekend. Voor het N2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek zijn dat: • Minder aanwending van mest op agrarische percelen (veldemissies) in een aantal scenario’s • Bijdrage gasloos maken woonwijk • Aanpassen snelheden wegverkeer snelwegen • Effect wegnemen van piekbelaster(s) De resultaten ‘welk inzicht levert dit op’ van deze doorrekening zullen bij ‘Fase 2’ worden getoond. Daarnaast wordt omschreven welke conclusie aan dit scenario of maatregel kan worden verbonden. Inzicht fase 1, huidige situatie en herkomst Voor het eerste gedeelte van het stikstofonderzoek is een aantal kanttekeningen van belang: • Er is nog geen specifieke begrenzing bepaald. Er is uitgegaan van een 3 kilometerzone rond het N2000-gebied; • Voor de landbouw moet rekening worden gehouden met de latente ruimte in de vergunningen (mogelijke ‘opvulling’ van de vergunning); nu is gerekend met het werkelijk aantal dieren dat volgens dierregistraties aanwezig is en niet met het aantal dieren dat vergund is. 39

• Tot slot is van belang om te noemen dat NH3 (ammoniak) veel sneller en ‘beter’ neerslaat op de natuur dan NOx (stikstofoxide). Daarnaast heeft NH3 een verzurend en vermestend effect, NOx heeft enkel een verzurend effect. Bij het afwegen van lokale maatregelen heeft een afname van NH3, zoals ammoniakemissies vanuit landbouw, meer effect dan maatregelen ter verminderen van NOx, zoals emissies vanuit industrie en infrastructuur. Kijkend naar de bijdrage per bron kan worden geconcludeerd dat emissies uit landbouw, wegverkeer en huishoudens in de woonkernen de grootste bijdrage leveren aan de depositie vanuit de zones rondom het focusgebied. Hierin is de bijdrage van activiteit vanuit de 1km zone en de >10km zone het grootst. Nederlandse depositie vanuit bufferzones rondom het N2000-gebied. Bron:

Als we kijken naar de >10 km zone is depositie van de stikstofdeken het grootst. Deze aanpak van de stikstofdeken zit in generieke maatregelen die worden uitgewerkt in de Brabantse Ontwikkelaanpak Stikstof (BOS 2.0) en vanuit het Rijk. Vanuit Brabant is de totale depositie in het focusgebied voor een groot gedeelte vanuit de landbouw afkomstig. Hoewel de emissies van wegverkeer aanzienlijk hoog zijn rondom het gebied, geeft het een kleine bijbehorende depositievracht. Dit is wel relevant voor de landelijke aanpak van de stikstofdeken. Voor het focusgebied is de depositie vanuit de <1 kmzone van belang. Het grootste aandeel hierin hebben landbouw en overige sectoren (waaronder huishoudens en emissies uit woonkernen). Hierbij is er een grote bijdrage van aanwending van mest en rundveestallen in de <1kmzone. Binnen het aandeel van de landbouw ligt de relatieve bijdrage van emissies uit varkens/pluimveestallen wat hoger op grotere afstand (per kmzonering). De onderstaande staafdiagrammen laten deze resultaten zien.

DASH23, Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek, 02-02-2024

40 Figuur 24: Nederlandse depositie vanuit bufferzones rondom het N2000-gebied. Bron: DASH23, Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek, 02-02-2024

Bos 2.0 Vanuit de analyse in stap 1 blijkt dat het merendeel van de stikstof komt uit de zogenaamde ‘stikstofdeken’ vanuit Brabant, de rest van Nederland én Europa. Hiervoor heeft Provincie Noord-Brabant de Brabantse Ontwikkelaanpak Stikstof (BOS) 2.0 opgesteld. Hiervoor wordt verwezen naar de rapportage BOS 2.0 en de doorrekening hiervan door het consortium. (Nov. 2024, doorrekening door consortium i.o.v. Provincie Noord Brabant). Voor het gebied Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek betekent scenario KEV2021 een depositieafname van 19%. Dit scenario is gebaseerd op landelijke emissieramingen voor 2030 die tweejaarlijks gemaakt worden voor de Klimaat- en Energieverkenning (KEV). De ontwikkeling volgens scenario KEV2021 heeft een grote bijdrage maar is niet toereikend voor bereik van de doelen.

Figuur 25: Gemiddelde depositie in 2021 en de afname in 2030 ten opzichte van 2021 op basis van scenario KEV 2021 (nov. 2024, doorrekening door consortium i.o.v. Provincie Noord Brabant)

Inzicht: Onderzoek Fase 2 Doorrekening scenario’s en maatregelen Fase twee van het stikstofonderzoek biedt inzicht in het effect van de samen met de gebiedspartners gedefinieerde scenario’s en maatregelen. Deze scenario’s zijn gebiedsspecifiek voor GGA Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek opgesteld en doorgerekend en worden hieronder kort toegelicht. Allereerst 5 scenario’s voor minder aanwending mest en daarna de overige maatregelen. Scenario 1: Recentelijk uit bemesting genomen percelen, huidige situatie In het eerste scenario zijn gronden geheel uit de bemesting gehaald die reeds in eigendom zijn gekomen van TBO’s en nog niet in de berekeningen in stap 1 zaten. De gewogen gemiddelde depositieafname is 12 mol/ha/jaar. Maar hierbij valt op dat de grootste afnames aan de randen zitten. Ten opzichte van gevoelige habitattypen rond de Moerputten betekent dit scenario een aanzienlijke afname van 10-25 mol/ha/jaar.

Inzicht: dit scenario is al uitgevoerd en heeft een groot positief effect op de stikstofdepositie in de gevoelige habitattypen.

41

Scenario 2: Staking van bemesting op gronden nog te realiseren NNB Het tweede scenario wat is doorgerekend is de staking van bemesting op nog te realiseren NNB gronden. Om welke gronden dit gaat is weergegeven in het blauw op onderstaande kaart: Vlijmens Ven west en Bossche Broek zuid. De gewogen gemiddelde depositieafname van 0,34 mol/ha/jaar is verwaarloosbaar maar op enkele gevoelige habitattypen zoals kranswierwateren groter, namelijk 1-2,5 mol/ha/jaar

Scenario 3: Staking van bemesting op gronden met hydrologische korte termijn maatregelen In aansluiting bij de korte termijn maatregelen vanuit de Ecohydrologische Systeemanalyse is een scenario doorgerekend waarop de gronden (blauw omkaderd op onderstaande kaart) geheel uit de bemesting zijn gehaald. Dit geeft een gewogen gemiddelde depositieafname van 4,45 mol/ha/jaar en een afname van 10-25 mol/ha/jaar enkele gevoelige habitattypen. Echter is het volledig uit bemesting halen van deze gronden mogelijk niet realistisch omdat dit afhankelijk is van de balans in bemesting voor het agrarisch gebruik en het instrumentarium dat het (financieel) mogelijk maakt. Vanuit hydrologie is volledige staking van bemesting op deze gronden niet het doel maar wordt er gezocht naar een ‘boer-boswachterpeil’. Als na de eerste gesprekken blijkt wat voor dit scenario realistisch is, kan een mogelijke nieuwe doorrekening extra inzicht bieden.

Inzicht: de te realiseren NNB gronden komen voort uit hydrologische doelen en niet vanuit stikstof. Het effect van het uit de bemesting nemen van deze gronden op de stikstofdepositie in gevoelige habitattypen is klein maar zeker op het westen van Vlijmens Ven waardevol. Daarnaast staan (financiële) middelen klaar om deze maatregel uit te voeren. Inzicht: de korte termijn maatregelen hebben als doel het optimaliseren van het hydrologisch herstel en stikstof kan een aanzienlijke bijvangst zijn. Verdieping is nodig bij de uitwerking van deze maatregelen om tot een realistisch scenario te komen. 42

Scenario 4: 50% Minder mestaanwending binnen 250 meter en 500 meter rondom N2000 Het vierde scenario laat zien wat 50% minder mestaanwending in de schil/overgangszone betekent voor de depositie. Daarbij dient te worden meegenomen dat een afname van 50% grote consequenties heeft voor de landbouw en verdieping noodzakelijk is wat er dan nog mogelijk is. De effecten voor een afname van mestaanwending in een zone van 0-250 zijn het grootst: een gewogen gemiddelde van 3,31 mol/ha/jaar en een afname van 5-10 mol/ha/jaar op gevoelige habitats (zie onderstaande kaart). Het effect de maatregel in de zone van 250-500 meter is een stuk kleiner: een gewogen gemiddelde van 1,49 mol/ha/jaar en een afname van 1-2,5 mol/ha/jaar op gevoelige habitats. Daarnaast is er overlap van dit scenario met scenario 3 en hangt het nauw samen met de ontwikkeling van de overgangszones vanuit de provincie.

Inzicht: voor de vermindering van stikstofdepositie heeft minder mestaanwending in de zone tot 250 m van N2000 redelijk effect en sluit het aan bij de maatregelen vanuit hydrologie (zie ook scenario 3) en het programma Overgangsgebieden van de provincie Noord-Brabant. Deze

maatregel lijdt tot meer vragen en vervolgonderzoek, zoals het in beeld brengen van het effect van de afschaffing van de derogatie en de invoer van bufferstroken waardoor boeren al minder stikstof mogen uitrijden. Scenario 5: Duurzame pacht over alle gronden 1 km rondom N2000 In het vijfde scenario is gekeken naar duurzame pacht over alle gronden tot 1 km die in eigendom zijn van gemeente of provincie (in totaal 790 ha). De uitganspunten hiervoor zijn o.a. geen kunstmest, maximaal 2,0 GVE en beweiden tussen april en oktober. Met dit scenario wordt niet de aanwending van mest doorgerekend maar mest uit beweiding. Dit leidt tot een gewogen gemiddelde depositieafname van 2,9 mol/ha/jaar. Inzicht: dit scenario hangt nauw samen met korte termijn maatregelen vanuit hydrologie. Hier wordt gekeken naar kavelruil en omzetten naar duurzamere pachttypen vanuit de hydrologische doelen. Hieruit blijkt dat ook stikstof een aanzienlijke bijvangst kan zijn, hoewel het effect pas echt duidelijk gemaakt kan worden als een realistisch scenario op tafel ligt en het effect op gevoelige habitattypen berekend kan worden. Dan kan bepaald worden of compensatie (van boekwaarden grond en pachtprijs) opweegt tegen de doelen. Effect stoppers Het effect van deelname van Brabantse veehouderijen aan landelijke LBVplus en LBV regeling is in een factsheet door het consortium doorgerekend.

Hierbij is een correctie van 35% naar beneden gehanteerd voor de latente ruimte. In het meest gunstige geval (100% deelname) betekent dit een afname van gemiddeld 8 mol/ha/jaar, bij 50% deelname gemiddeld 4 mol/ha/jaar en bij 25% deelname gemiddeld 2 mol/ha/jaar. In deze hoeveelheid heeft het ook effect op gevoelige habitattypen. Gezien twee mogelijke stoppers waarmee is gerekend voor dit gebied is het effect op 43

bijvoorbeeld stikstofgevoelige kranswierwateren ruim 10 mol/ha/jaar. Omdat dit samen hangt met prognose voor o.a. verduurzaming van stallen is bovenstaande mogelijk een te optimistische inschatting. Inzicht: hoewel het effect op de stikstofdepositie groot is, is het voornamelijk een maatregel die elders speelt (in dit gebied is gerekend met twee mogelijke stoppers). Hiervoor staan gemeenten en provincie, ook binnen dit gebied, aan de lat om de potentiële stoppers maximaal te motiveren en te begeleiden. Effect woonwijken gasloos Het gasloos maken van woningen leidt tot een permanente vermindering van NOx-uitstoot en de impact op het natuurgebied en is afhankelijk van de ligging van de woonwijk. Het effect is in een best-case-rekenmethode vanuit het Ulvenhoutse Bos, waar gerekend is met 100 woningen tegen N2000 aan gasloos maken een afname van de depositie geeft van 1,55 mol/ha/jaar. Kijk je naar een wijk als de Kruiskamp ten opzichte van de gevoelige habitats van rond de Moerputten heeft het een depositieafname van slechts ca. 0,17 mol/ha/jaar. Inzicht: het effect van het verduurzamen van de woningen op stikstof is klein en is een landelijke gewenst ontwikkeling vanuit klimaat waarbij stikstof een kleine bijvangst is. Voor de GGA en vanuit stikstof gezien ligt hier geen prioriteit.

Effect verlagen snelheid wegverkeer Een andere doorrekening die is gedaan om meer gevoel te krijgen bij nietlandbouw maatregelen zoals mobiliteit, is de doorrekening van het verlagen van snelheid voor wegverkeer op de A59, A2 en A65. Hierbij is uitgegaan van een verlaging van 100 km/u naar 80 km/u en geen rekening gehouden met

stagnatie en omrijden. Dit geeft een gewogen gemiddelde depositieafname van 1,1mol/ha/jaar. Het effect op ieder habitattype is niet doorgerekend maar op blauwgraslanden geeft het de hoogste afname van 1,24 mol/ha/jaar. Inzicht: het effect van het verlagen van de snelheid op snelwegen rond het N2000-gebied is gering. Daarnaast is er geen win-win situatie voor andere doelen en daarmee geen maatregel die binnen GGA vervolg moet krijgen. Deze maatregel leidt tot meer vragen en vervolgonderzoek zoals: - Het is de vraag of het verlagen van snelheid tot minder congestie leidt en mogelijk minder NOx. - En wat is het effect van verlaging naar bijvoorbeeld 60 km/u? En wat betekend het als de snelheid wordt verhoogd naar 130 km/u? - Wat is het effect van sluipverkeer door natuur? Effect piekbelaster Vanwege onbekende gegevens is een piekbelaster in het focusgebied niet meegenomen in de eerste fase van het stikstofonderzoek. Echter heeft deze piekbelaster wel degelijk een grote negatieve invloed op de natuur in het Natura-2000 gebied, maar is de exacte omvang niet bekend. De exacte vermindering van stikstofdepositie die behaald kan worden ten opzichte van de huidige situatie is niet te berekenen omdat de gegevens niet mee zijn genomen in de ‘huidige situatie’. De depositie die voortkomt vanuit deze piekbelaster komt er nog bij.

Kijkend naar vergunningen is deze uitstoot dusdanig dat vanuit de GGA hier prioriteit op is gegeven en momenteel aan wordt gewerkt. Inzicht: de uitstoot van emissies door de piekbelaster zijn zodanig dat voor stikstof prioriteit is gegeven aan de aanpak en dit proces loopt. 44

Conclusies en vervolg Vanuit de bovengenoemde drie onderzoeken kunnen de volgende conclusies worden getrokken. Daarbij zijn vervolgstappen omschreven. • Kijk naar het effect op gevoelige habitattypen, niet naar het gewogen gemiddelde depositieafname. Een maatregel kan op de ene locatie effectiever zijn dan op een andere. Daardoor kan worden geconcludeerd dat voor de veel stikstofgevoelige habitattypen doelen kunnen worden gehaald. Er zijn ook stikstofgevoelige habitattypen, zoals de kranswierwateren, waar het volledig terug brengen van de overbelasting op basis van de huidige inzichten op korte termijn moeilijk is en waar kwelherstel onmisbaar is voor de buffercapaciteit van de wateren. Ook met het oog op een toekomstbestendig landbouwkundig gebruik is volledig terug brengen van de overbelasting niet realistisch. • Kijk integraal naar de stikstofmaatregelen. Veel van de genoemde maatregelen zullen niet vanuit stikstof worden opgepakt. Vermindering van stikstofdepositie is deels een ‘bijvangst’ en zal daarom nooit als compleet scenario (zoals in fase twee doorgerekend) worden uitgevoerd. Het doel is om met elkaar gebiedsgericht afspraken te maken en kansen op het gebied van hydrologie, stikstof, perspectief voor agrarische ondernemers en recreatie met een integrale bril te bekijken.

Een voorbeeld hiervan is het boer-boswachterpeil, waar met het gebied de korte termijn maatregelen vanuit hydrologie worden verkend en stikstof, op basis van de scenario’s uit fase 2 van het onderzoek, mee kan liften. Als naar aanleiding van de eerste resultaten van deze verkenning een realistisch scenario ontstaat is het zinvol om deze door te laten rekenen voor meer duidelijk over het effect op de stikstofdepositie. • Het is van belang om naar de werkelijke staat van de natuur te kijken, niet enkel vanuit modellen zoals Aerius. Omdat veel maatregelen niet (enkel)

vanuit stikstof genomen worden maar vanuit hydrologie of recreatie, gaat het om het gezamenlijk effect van deze maatregelen op de daadwerkelijke staat van de natuur. Een goed monitoringsplan is hierbij van belang. Dit start met het in kaart brengen van de 0-situatie en hier is en wordt door de provincie Noord-Brabant, is samenwerking met de TBO’s, aan gewerkt (o.a. herijking NDA’s). De eerste stap is het delen met de betrokken gebiedspartners van deze 0-situatie bij aanvang van maatregelen waarna gedurende de uitvoering in een cyclus deze situatie wordt aangepast. • Het is opvallend dat emissies uit landbouw, wegverkeer en huishoudens in de woonkernen de grootste bijdrage leveren aan de depositie vanuit de 1km zone, maar dat uit de scenario's blijkt dat de aanpak met de doorgerekende maatregelen van emissies vanuit wegverkeer en huishoudens nauwelijks iets oplevert. • In de aanpak van de stikstofdeken (BOS 2.0) zit voor het gebied de grootste winst en heeft prioriteit. • Daarnaast zit op het gebied van stikstof prioriteit bij de aanpak van de piekbelaster in het focusgebied. • Er zijn enkele maatregelen vanuit het thema’s recreatie en mobiliteit niet meegenomen in het onderzoek, zoals het effect van verkeer in de Vendreef en Deutersestraat. Bij uitwerking van deze maatregelen is het zinvol om ook het effect op de stikstofdepositie in de analyse mee te nemen.

Nieuw onderzoek laat zien dat de koude start van voertuigen een groot effect heeft, wat van belang is voor de ontwikkeling van recreatieve hubs. • Er zal gekeken moeten worden naar het instrumentarium wat voor het thema stikstof is in te zetten voor dit gebied. Hoe zijn deze middelen effectief in te zetten en hoe valt dit samen met middelen vanuit andere doelen? 45

weidevogelbeheer en natuurbeheer in het N2000-gebied. Enkele

4.5 Agrarische Visie

melkveehouders nemen deel aan de Brabantse Biodiversiteitsmonitor en aan

In september 2023 is een Agrarische Visie ‘Vlijmens Ven’ opgesteld door 23

BodemUP. Ook wekken bedrijven duurzame energie op met zonnepanelen.

agrarische ondernemers in de omgeving van het Natura 2000-gebied. ZLTO had hierbij een rol als facilitator. De visie geeft de blik van de ondernemers op de toekomst van het gebied en op de toekomstbestendigheid van hun bedrijven. Belangrijke onderliggende boodschap van deze visie (zoals ook al door ondernemers verwoord in de Verkenning): ondernemers geven hiermee aan zelf de sleutel naar oplossingen in de hand te hebben en in gesprek te willen met andere gebiedspartners over (letterlijke en figuurlijke) ruimte voor deze oplossingsrichtingen.

Ondernemers benoemen in de agrarische visie een aantal ideeën voor projecten en maatregelen die verder uitgewerkt kunnen worden met andere gebiedspartners. Deze ideeën laten zien dat er op diverse thema’s een bijdrage kan zijn aan de gebiedsopgaven mét perspectief voor ondernemers. Denk aan (uitbreiding van) landschaps- en natuurbeheer, diverse programma’s om biodiversiteit en bodem te versterken, watermaatregelen, (be)leefbaarheid, educatie en het kleinschalig opwekken van duurzame energie (zon en wind op het erf).

De proactieve opstelling van agrarische ondernemers wordt gewaardeerd door de andere gebiedspartners en biedt aanknopingspunten voor de gebiedskoers. Ondernemers geven aan bij te willen en kunnen dragen aan

De volgende gedeelde belangen beschreven in de agrarische visie sluiten aan bij onderzoek naar de optimalisatie van het watersysteem en grondgebruik: •

Agrarisch medebeheer natuur

•

Uitbreiding agrarisch natuurbeheer

•

Peilbeheer (optimalisering waterhuishouding)

•

Reductie ammoniak/methaan emissie

een integrale opgave waarvoor de gebiedspartners samen tot slimme

•

Kringloop sluiting

oplossingen moeten komen.

•

Grondbank/grondruil

(nieuwe) maatschappelijke waarden in het gebied. Voorwaarde daarbij is o.a. dat er voldoende grond beschikbaar blijft, bijvoorbeeld voor de extensiveringsopgave. Een uitdaging omdat de meeste bedrijven in het gebied aangeven de komende 10 jaar actief te zullen blijven. Dit is bij uitstek

De gemiddelde veebezetting per hectare is relatief al behoorlijk extensief in dit gebied. Veel bedrijven hebben nevenactiviteiten zoals zorg, recreatie, educatie en verkoop aan huis. Diverse bedrijven dragen bij aan biodiversiteit door

kruidenrijk

grasland,

beheer

van

landschapselementen, 46

4.6 Recreatie, cultuurhistorie en duurzame energie

•

Weidevogelgebied: recreatie werkt verstorend (door veel bezoekers,

In een werksessie hebben de gebiedspartners met elkaar besproken of en

honden). De mate van verstoring voor weidevogels is in dit gebied is

hoe de thema’s recreatie, cultuurhistorie en duurzame energie in de

overigens

gebiedskoers opgenomen worden. Conclusie was dat voor deze thema’s

Natuurmonumenten

knelpunten en kansen gesignaleerd worden, met randvoorwaarden en

onderverdeling van gebruikers, het gedrag, leefsituatie volgens de

aanbevelingen.

leefstijlenatlas (Smartagent.nl). Voor de Moerputten en Vlijmens Ven

In dit hoofdstuk staat een korte omschrijving van de huidige situatie voor elk

komt hieruit naar voren dat het merendeel bestaat uit gezinnen met

thema. Inzichten worden benoemd in hoofdstuk 5.1 en korte termijn

oudere kinderen en oudere 1- en 2- persoonshuishouden. Dit zijn

maatregelen in hoofdstuk 5.3.

vaak mensen uit de directe omgeving en dagrecreanten. Deze laatste

niet

bekend;

wel

is

bekend

in de

visie

van

en Staatsbosbeheer

gekeken

naar

een

groep vraagt om voorzieningen zoals horeca, ligweiden en parkeerplaatsen en pas volgens de visie van Natuurmonumenten en

Recreatie • Delen van het gebied zijn druk bezocht, zoals de Moerputtenbrug en

Staatsbosbeheer niet in het landschap. Het gebied leent zich meer

Bossche Broek noord; •

Met de toenemende bevolking rondom het focusgebied, met name

voor bezoekers die geïnteresseerd zijn in cultuur en natuur. •

aan de westkant van ’s-Hertogenbosch, zal de recreatiebehoefte toenemen; •

Voor het Bossche Broek heeft Staatsbosbeheer uitgangspunten voor recreatie opgenomen in het beheerplan voor het gebied;

•

Verlichten van recreatiedruk op sommige plekken (bijvoorbeeld met

Er zijn overlast gevende ‘activiteiten’ in het buitengebied, zoals afvaldumping.

kwetsbare natuur) heeft de aandacht van Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer; •

Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer geven aan dat hun

Cultuurhistorie • Open landschap. Alleen de twee eendenkooien zijn ‘gesloten’ en het bos in de Moerputten. Binnen de kooicirkels van de eendenkooien is

gezamenlijke visie uit 2017 ‘Beleef de bloemenpracht en historie, Visie op natuurbeleving en maatregelenplan voor Vughtse Gement, Moerputten en Vlijmens Ven’ nog steeds actueel en leidend is, alsook de zonering die in deze visie is opgenomen. Deze visie geldt voor Moerputten en Vlijmens Ven;

verstoring niet toegestaan; •

Moerputten: laagveenlandschap met petgaten en het Halve Zolenlijntje;

•

Van oudsher een militair inundatiegebied ter verdediging van ’s-Hertogenbosch en een overlaatgebied. In Bossche Broek 47

Honderdmorgen/Maij lagen schootsvelden. Dit verklaart de openheid van het landschap. Ook nu fungeert het gebied nog als een waterbergingsgebied; •

Linie 1629, deels zichtbaar en beleefbaar, bijvoorbeeld Hollandsche Dijk . In 2029 wordt het 400-jarig bestaan van de Linie herdacht.

Duurzame energie In het focusgebied ligt een zoekgebied voor zon- en windenergie benoemd in de RES (Regionale Energie Strategie) Noordoost Brabant. Op dit moment loopt hiervoor een plan-MER. Het zoekgebied is ook opgenomen in de gemeentelijke omgevingsvisies. Op het onderwerp duurzame energie zit op diverse aspecten spanning: •

De extra ruimtevraag van landbouw voor extensivering staat op gespannen voet met zonnevelden op landbouwgrond;

•

Mogelijke vernatting van het gebied verkleint de mogelijkheden voor zonneparken;

•

Zon- en windenergie staat op gespannen voet met behoud van de openheid van het landschap en zicht op een ongeschonden horizon;

•

Invloed

van

Weidevogelconvenant

en

VHR

(Vogel-

en

Habitatrichtlijnen). (Weide)vogels hebben last van windmolens en zonnevelden; •

Vanaf 1 januari 2024 zijn zonneweides en zonneparken op landbouwen natuurgronden, met enkele uitzonderingen, niet langer toegestaan.

48

HOOFDSTUK 5: Integraal streefbeeld 5.1 Inleiding

5.2 Van opgaven en aanpak naar inzichten

De in Hoofdstuk 4 beschreven bouwstenen geven elk een beeld van de

We grijpen terug naar de opgaven voor het gebied, zoals die zijn opgenomen

uitdagingen en mogelijke oplossingsrichtingen op dat specifieke onderdeel.

in paragraaf 2.3. Per opgave is aangegeven wat nodig is om aan die opgave

Zo geeft de EHSA een beeld van het watersysteem en de knoppen waaraan

te werken (aanpak) en welke inzichten de bouwstenen hebben opgeleverd.

gedraaid kan worden om de omstandigheden voor de natuurontwikkeling te

Vanuit de inzichten zijn verschillende mogelijke maatregelen in beeld

optimaliseren; de landbouwvisie zegt iets over de mogelijkheden vanuit de

gebracht. Dit zijn nog geen concrete direct uitvoerbare maatregelen; zij

agrarische ondernemers et cetera. Al die verschillende sectorale uitdagingen

dienen nog nader uitgewerkt te worden om effectiviteit en risico’s goed in

komen in het gebied samen en moeten dus ook in samenhang opgepakt

beeld te brengen. Deze mogelijke maatregelen worden besproken in

worden. In dit hoofdstuk zijn de inzichten beschreven die vanuit de

hoofdstuk 6.

bouwstenen zijn ontstaan. De inzichten voor elke opgave vormen met elkaar een integraal streefbeeld voor het gebied Vlijmens Ven, Moerputten en

Van Opgave, Aanpak, Inzicht naar Vervolg.

Bossche Broek.

OPGAVE

AANPAK

INZICHT

VERVOLG

Uit de

Wat is er nodig om

Over (positieve

Aanzet voor

Verkenning

de opgave aan te

of negatieve)

maatregelen

(zie hfst. 2.3).

pakken?

neveneffecten

(zie hfst. 6).

(zie hfst. 5.2)

op andere opgaven (zie hfst. 5.2).

49

Opgave: Herstel N2000: duurzame instandhouding en versterking habitattypen en doelsoorten Aanpak: wat is nodig?

Inzichten uit bouwstenen

Hydrologisch

Uit de modelberekeningen (EHSA) lijkt volledig systeemherstel en het volledig dichten van het doelgat niet haalbaar. Er zijn wel mogelijkheden om het doelgat te verkleinen, met mogelijk ongewenst neveneffecten voor de landbouw en het stedelijk gebied. De belangrijkste beoogde doelen zijn het herstellen van kwelstromen om het systeem in de winterperiode op te laden en het langer vasthouden van een hogere grondwaterstand om in de zomer droogtestress te voorkomen. Mogelijke maatregelen zullen nog verder moeten worden uitgewerkt. Belangrijk is verbinding te zoeken met andere gebieden zoals de Loonse en Drunense Duinen als het gaat om hydrologische maatregelen zoals het verminderen van onttrekkingen. Vanuit de EHSA komt ook de verbetering van waterkwaliteit voor kranswierwateren naar voren. Vermindering van stikstofdepositie is beperkt mogelijk door gebiedsspecifieke maatregelen binnen 1 km van N2000. De KDW's (kritische depositiewaarde) worden hiermee niet gehaald. In de provinciebrede aanpak van het stikstofdeken (BOS 2.0) zit voor het gebied de grootste winst en heeft prioriteit. Daarnaast heeft de aanpak van de piekbelaster in het focusgebied prioriteit. Kijk bij maatregelen naar het effect op de stikstofgevoelige habitattypen, hierbij is goede monitoring essentieel.

Kijk integraal naar maatregelen en koppel de doelen op het gebied van stikstof met hydrologie, bijvoorbeeld als het gaat om te realiseren NNB gronden en het komen tot een boer-boswachterpeil met minder mestaanwending in de zone rond N2000. Andere maatregelen zoals het verlagen van de snelheid van het wegverkeer en het gasloos maken van woonwijken hebben een gering effect op de stikstofdepositie. Een onbekende factor is de latente ruimte in vergunningen.

systeemherstel

Verminderen stikstofdepositie

Natuurverbindingen en kwaliteitsverbetering natuur buiten N2000

Optimalisatie natuurbeheer

De connectiviteit en robuustheid van het Natura 2000-gebied moeten verbeterd worden. Mogelijkheden voor kwalitatieve verbeteringen moeten worden onderzocht en worden meegenomen bij uitwerking van andere maatregelen. Denk aan o.a.: - Faunapassages (als Deutersestraat niet wordt afgesloten); - Graslandranden, wegbermen en stroken (t.b.v. pimpernelblauwtje en grote pimpernel); - Natte verbindingen (t.b.v. modderkruiper); - Restopgave NNB (Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer); - Realisatie NNB richting NW en verbinding onder A59 met versterking EVZ langs Voordijk/Buitendijkse Loop; verdere ontwikkeling EVZ langs Bossche Sloot; ontwikkeling verbinding langs Drongelens Kanaal/Dommel bij Vughterpoort; - kwaliteitsverbetering graslanden NNB Moerputten-Noord; - Kansen in combinatie met 10% groenblauwe dooradering, spuitvrije zones en agrarisch natuurbeheer. - Bij peilopzet mogelijke ontwikkelingen weidevogelgraslanden ten zuiden van de Ham/Rijskampen middels agrarisch natuurbeheer. De NDA benoemt maatregelen voor bereiken van de behouds- en uitbreidingsdoelstellingen van habitattype en soorten. Deze worden grotendeels uitgevoerd binnen het N2000-gebied. Een deel heeft ook betrekking op de omgeving, bijvoorbeeld: het onderhoud van sloten die niet in handen zijn van TBO's, het beheer van exoten, ganzenbeheer.

50

Opgave: De landbouw moet zodanig versterkt worden dat het perspectief biedt voor boeren die doorgaan en past bij de lange termijn beelden voor duurzame landbouw Aanpak: wat is nodig?

Inzichten uit bouwstenen

Agrarische ondernemers in

In het focusgebied blijven mogelijkheden voor (grondgebonden) agrarische ondernemers. In de Landbouwvisie dragen zij ideeën

het gebied hebben een

aan voor projecten en maatregelen die hen perspectief bieden én bijdragen aan andere maatschappelijke opgaven. Hierbij kan

Landbouwvisie opgesteld voor

koppeling worden gelegd met de EHSA-resultaten. Zo kan het verhogen van zomerpeil (GLG) in belang van ondernemers zijn én

de ontwikkeling vLanan de

optimalisatie van omstandigheden N2000 bevorderen. Ook kunnen mogelijkheden voor agrarisch natuurbeheer samen onderzocht

sector in dit gebied, met

worden.

mogelijkheden om aan te sluiten bij maatschappelijke

Ondernemers geven aan behoefte te hebben aan consistent beleid waar ze voor langere tijd op kunnen bouwen. Een bottom-up

opgaven.

aanpak is belangrijk voor draagvlak, met ruimte voor initiatief vanuit de agrarische ondernemers.

Opgave: Waterkwaliteit op orde brengen (KRW en N2000) Aanpak: wat is nodig?

Inzichten uit bouwstenen

Verbetering kwaliteit

Over de waterkwaliteit is weinig bekend, mede door het beperkt aantal meetpunten. Meer onderzoek is daarom nodig over o.a.:

oppervlaktewater (vanuit

- Mogelijke impact van riooloverstorten in Vlijmen/Vliedberg;

KRW)

- Invloed rioolkunstwerk Zuiderplas dient nog nader onderzocht te worden. - Invloed Zandleij, Bossche sloot en Loonse Vaart; - Waterkwaliteit gegevens Vlijmens Ven ontbreken; - Invloed bestrijdingsmiddelen en mestgift op de waterkwaliteit.

In het gebied liggen enkele KRW-watergangen, waarvan de inrichting grotendeels gereed is. Hierin zijn niet alle KRW-parameters op orde, met name macrofauna, waterflora, stikstof en fosfor. Dit is ook te zien in de kaartbeelden in de bijlage van de verkenning. Verbetering kwaliteit

Verbetering van waterkwaliteit is mogelijk als kwelstromen hersteld worden. Over herstel van kwelwater t.b.v. blauwgraslanden en

grondwater

schraallanden is al veel bekend, maar nog niet alles. Verder hebben oppervlakte- en grondwater invloed op elkaar. De precieze impact is

(kwelstromen)

nog onduidelijk, maar het is van belang dit mee te nemen in de uitwerking en latere monitoring van maatregelen.

51

Opgaven: verstedelijking, energietransitie, recreatie, natuurontwikkeling buiten N2000 (zie ook opgave 1), weidevogelgebied en cultuurhistorie Aanpak: wat is nodig?

Inzichten uit bouwstenen

Stikstofruimte voor

Door het stikstofoverschot zitten ruimtelijke ontwikkelingen zoals woningbouw nu op slot. Onduidelijk is nog of maatregelen die leiden

verstedelijkingsopgave

tot reducties in stikstofdepositie ook benut mogen worden voor woningbouw, als de instandhouding van natuurdoelen nog niet is

van gemeenten

bereikt. Wachten is op duidelijk hierover van het Rijk.

Ruimte voor duurzame

Het zoekgebied voor zon- en windenergie is de uitkomst van een complex en zorgvuldig regionaal en lokaal proces. Keuzes hierin worden

energie

dan ook aan die tafel gemaakt. De gebiedskoers kan overigens wel aangeven wat het zoekgebied wel/niet geschikt maakt (zie 4.5 ‘Duurzame energie’), zolang dit ook is afgestemd met uitvoerders van het lokale PlanMER onderzoek. Er is op dit moment geen consensus tussen de gebiedspartners hoe met dit zoekgebied om te gaan.

Verbeteren

Mogelijkheden voor verbeteringen (incl. benodigd instrumentarium) verder onderzoeken. Het weidevogelconvenant geeft

weidevogelgebied, o.b.v.

mogelijkheden voor agrarisch natuurbeheer.

Weidevogelconvenant Recreatie reguleren

- Verlichting van recreatiedruk is nodig en kan met recreatieve zonering met de juiste, kwalitatief goede voorzieningen op de juiste plek. Zo wordt bewaakt dat recreatiedruk niet zorgt voor meer druk op natuur én dat drukte niet ten koste gaat van natuurbeleving van bezoekers. Denk aan recreatieve poorten, doortrekken van zonering, aansluiting met omliggende recreatiegebieden; - Recreatieve ontwikkelingen moeten passen binnen de voorwaarden van het Weidevogelconvenant; - Kansen voor kleinschalige recreatie bij agrariërs, als aanvulling op agrarisch verdienmodel. Zowel dag- als verblijfsrecreatie, maar grootschalig en talrijk is niet kansrijk vanuit zowel markt- als natuurbeperkingen; - Mogelijke invloed (verstoring en depositie) van honden nog onderzoeken.

Beschermen waardevol

Binnen randvoorwaarden van natuur en landschap kan gezocht worden hoe en op welke wijze elementen van de Linie 1629 kunnen

open landschap met

worden teruggebracht. Behoud van openheid van het landschap is randvoorwaardelijk. Aandachtspunten:

cultuurhistorische

•

Respecteren van de kooirechten. Eendenkooien en cirkels eromheen mogen niet geschonden worden;

landschapselementen

•

Er mag hierdoor geen extra recreatiedruk ontstaan op kwetsbare natuurgebieden;

•

Openheid van het landschap behouden.

Hier liggen kansen vanuit het ontwikkelen van een 10% groenblauwe dooradering.

52

Opgave: Er is vanuit Aanpak Hoogwater ’s-Hertogenbosch e.o een grote waterbergingsopgave, die voor een groot deel in en nabij dit focusgebied moet worden opgelost. Aanpak: wat is nodig?

Inzichten uit bouwstenen

Programma HoWaBo

•

Uitgangspunt: HoWaBo-maatregelen mogen niet voor verslechtering van de staat van instandhouding zorgen en indien mogelijk bijdragen aan herstel;

•

Bovenstroomse maatregelen uit het HoWaBo-programma kunnen positief effect hebben voor focusgebied;

•

Overstromingen kunnen ook kansen bieden voor de natuur in dit gebied. Echter de manier waarop is hiervoor bepalend. De waterkwaliteit is nu nog beperkend voor natuurdoelen. Daarnaast kan HoWaBo risico's geven voor de staat van instandhouding voor diverse habitattypen en -soorten, als de overstroming in het verkeerde seizoen valt (lente, zomer), te lang duurt, of een te hoge waterkolom heeft;

•

Maatregelen en bouwstenen kunnen negatieve hebben invloed op elkaar, zoals effect op het waterbergend vermogen.

HoWaBo-oplossing

Aanpassingen aan het Drongelens kanaal zijn mogelijk conflicterend voor herstel van de kwelstromen. Qua planning en impact moet

Drongelens Kanaal

dit gezamenlijk worden uitgewerkt.

HoWaBo-oplossing

Dit is mogelijk conflicterend met peilopzet in het gebied, maar biedt ook kansen. Qua planning en impact moet dit gezamenlijk worden

Baardwijkse Overlaat

uitgewerkt.

HoWaBo-oplossing

De directe impact van deze oplossing op het focusgebied is wellicht beperkt omdat het waarschijnlijk 'alleen' de inlaatwerken en de

Bossche Broek Noord

hoogte van de kaden betreft.

53

5.3 Van inzichten naar een integraal streefbeeld

Met een realistische blik op de toekomst willen de gebiedspartners stappen

We streven naar een gebied in balans. Dat betekent ruimte voor natuur,

zetten in de goede richting. Er zit voldoende energie in het gebiedsproces en

landbouw en water met aandacht voor mogelijkheden voor recreatie,

vertrouwen tussen de partners om door te gaan op de ingeslagen weg.

duurzame energie, wonen en cultuurhistorie. De opgaven moeten daarvoor in samenhang bekeken worden.

Vanwege de samenhang van de opgaven en de behoefte van de gebiedspartners aan win-win situaties (rendement op alle opgaven), zetten

Het watersysteem is een belangrijk sturend element in het gebied, omdat het

we in de gebiedsgerichte aanpak in op gerichte lokale maatregelen,

invloed heeft op alle opgaven. Vanuit de natuuropgaven is stikstof, naast het

gekoppeld aan een goede monitoring. Vanuit deze koers is al een aanzet

watersysteem, een belangrijke bepalende factor. Er moet meer (kwel)water

gemaakt voor een uitvoeringsprogramma, met voorstellen voor verder uit te

in het gebied terechtkomen en het water moet - zeker in de zomer- langer

werken maatregelen op korte en lange termijn. Meer daarover in hoofdstuk

vastgehouden worden. De modelstudie laat zien dat het nemen van

5.3 en 5.4. Naast lokale maatregelen zullen generieke maatregelen buiten het

hydrologische maatregelen het doelgat voor de waterstanden in de zomer en

focusgebied worden uitgevoerd, zoals het terugdringen van het stikstofdeken

in droge jaren duidelijk kan verkleinen, maar niet kan dichten. Hierbij dient

en het herstel van het watersysteem op de hogere gronden.

rekening gehouden te worden met aanzienlijke maatschappelijke consequenties door ongewenste neveneffecten voor bijvoorbeeld landbouw of de bebouwde omgeving. De gebiedspartners gaan gezamenlijk bepalen

Dit alles vertalend naar een integraal streefbeeld voor het gebied in 2035 ontstaat er door de oogharen het volgende beeld:

wat acceptabel is, belangen nauwkeurig afwegen, onderzoeken welke

Bebouwd gebied (behoort niet tot het focusgebied, ligt meteen ten

mitigerende maatregelen mogelijk zijn en ook vaststellen wat simpelweg niet

noorden, oosten en zuidoost daarvan). Dit betreft de dorpskernen van

haalbaar is. Voor stikstof geldt dat vermindering van de depositie haalbaar is,

Drunen, Nieuwkuijk, Vlijmen, Vught en (een deel van) de stad ’s-

mede door aanpak van het stikstofdeken. Maar ook zijn maatregelen in het

Hertogenbosch. Het bebouwd gebied kan een rol spelen in de groenblauwe

gebied relevant en haalbaar, met name als doelen op het gebied van

opgave die er is, bijvoorbeeld met het aanpakken van de harde grens met de

hydrologie en stikstof worden gekoppeld. Kijk hierbij naar de optimalisatie

stad, ontstening en meer groen. Het nemen van hydrologische maatregelen

voor de habitatypen waarvoor verbetering nodig is. Het ene habitattype

elders in het focusgebied kan hier echter wel leiden tot negatieve

vraagt meer hydrologische optimalisatie terwijl bij een andere de

maatschappelijke consequenties, zoals wateroverlast in kelders/kruipruimtes

vermindering van de stikstofdepositie prioriteit heeft. Om te komen tot deze

en het verminderen van de huidige hemelwaterbergingscapaciteit. De

balans is goede monitoring essentieel.

gebiedspartners moeten met elkaar afwegen wat aanvaardbaar is en wat 54

niet, en of technische mitigerende maatregelen mogelijk zijn (en wat de

liggen er mogelijkheden om de peilopzet te koppelen aan andere doelen

kosten daarvan zijn). Aandachtspunten zijn het afkoppelen van regenwater,

zoals weidevogelbeheer, natuurverbindingen, waterkwaliteit en extensieve

meer inzicht in het functioneren van riooloverstorten, het klimaatadaptief

recreatie. Op het vlak van recreatie is het om goed te kijken naar het

maken van de bebouwde omgeving en inzicht in waterpeilen bij gebruik van

bevorderen van ommetjes, waarbij ook het agrarische gebied een

HoWaBO bergingsgebieden (met name relevant voor de riooloverstort

verbindende functie vervult. Dit heeft als bijkomend voordeel het

Vliedberg).

verminderen van recreatiedruk in en nabij N2000. Om autoverkeer te ontmoedigen zal er gekeken worden naar versterking van

Natura 2000-gebieden Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek.

wandel- en fietspaden ten koste van doorgaand (sluip)verkeer. Het open

Hier staan de natuurdoelen centraal en kunnen interne (water)maatregelen

landschap van de voormalige overlaat moet behouden blijven.

van de TBO’s Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer nog verbeteringen opleveren voor de staat van de habitattypen en doelsoorten.

De HoWaBo-oplossing Baardwijkse Overlaat die noodzakelijk is voor de waterbergingsopgave moet ingepast worden in bovenstaande opgaven.

Agrarisch gebied. Het is de inzet dat het gebied grenzend aan het N2000-

In het agrarisch gebied tussen Vlijmens Ven en Moerputten en het

gebied in agrarisch gebruik blijft. Wel zal het gebruik veranderen. Vooral dicht

Drongelens Kanaal zou een geleidelijke overgang kunnen komen van

bij het N2000-gebied zal het grondgebruik extensiever moeten. In dit gebied

extensief grondgebruik op laaggelegen gronden grenzend aan natuur naar

zijn peilaanpassingen gewenst en mogelijk, zowel vanuit agrarisch

minder extensieve vormen van grondgebruik verder daar vandaan. Hoe dat

perspectief als vanuit een optimalisatie van het watersysteem voor de

er in praktijk uit ziet, dient in samenwerking met ondernemers uitgewerkt te

natuurdoelen. Vooral de lagergelegen peilvakken tegen het N2000-gebied en

worden.

de dieper ontwaterde peilvakken vragen om een aanpassing. Het gaat daarbij om het herzien van zowel zomer-als winterpeilen, omdat de opgave voor

In het agrarisch gebied tussen Vlijmens Ven en Moerputten en het

kwel vooral in de winter en het vroege voorjaar speelt en de opgave tegen

Drongelens kanaal ligt ook een zoekgebied voor duurzame energieopwekking

verdroging vooral in de zomer. Aanpassingen vergen tijd en de mate van

vanuit de RES. In dit deel van het gebied worden ook de HoWaBo-

peilopzet, plus monitoring van de effecten van peilopzet is maatwerk.

bouwstenen Drongelens kanaal en Baartwijkse Overlaat verder onderzocht.

Vanzelfsprekend gaan ‘water’ en ‘landbouw’ hierover met elkaar in gesprek. Om het verdienvermogen voor landbouw op peil te houden zal hier ook

In de figuur 26 is het toekomstbeeld met de zonering voor het focusgebied

gezamenlijk naar mogelijkheden gezocht moeten worden. Met dit maatwerk

beeldend weergegeven. 55

56 Figuur 26 Systematisch beeld van de koers voor focusgebied Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek

Wat betekent dit voor de natuuropgave? Om de hydrologische omstandigheden voor de habitattypen en doelsoorten

vastgesteld (met goedkeuring van de Waterschap Aa en Maas en Staatsbosbeheer) zodat het risico op ongewenste inundatie wordt verkleind.

in het N2000-gebied te optimaliseren, is er vooral een verhoging van zomerpeilen nodig. Ook het verhogen van winterpeilen is nodig voor het

Daarnaast zal de stikstofdepositie zijn teruggebracht door generieke

opladen van het systeem. Tevens is herstel van kwelstromen nodig voor een

maatregelen die de stikstofdeken aanpakken en gebiedsspecifieke

goede grondwaterkwaliteit. Hierdoor laadt het systeem in de winter en het

maatregelen. Deze aspecten vereisen afstemming, gezamenlijk zoeken naar

vroege voorjaar op met kwel. Uit de EHSA blijkt dat bij maatregelen die tot

oplossingen en/of mitigerende maatregelen en voortdurende monitoring.

significante verbeteringen leiden tevens effecten op grondwaterpeilen in zowel bebouwd gebied als agrarisch gebied optreden. Deze effecten vormen

Wat betekent dit voor de landbouwopgave?

een risico op aanzienlijke schade. Volledige optimalisatie van het

De gebiedspartners hebben zich duidelijk uitgesproken voor het

hydrologisch systeem voor de natuurwaarden lijkt niet mogelijk zonder

uitgangspunt dat er voldoende ruimte blijft binnen het focusgebied voor

schade te veroorzaken. In hoeverre mitigatie mogelijk is, wordt in een

agrarische ondernemers, passend binnen het koersdocument.

volgende planfase onderzocht.

Ingrepen in het watersysteem hebben gevolgen voor het grondgebruik. Deze gevolgen moeten beter in beeld gebracht worden. De bovenstaande zonering

Dat betekent dat we er voorlopig voor kiezen om zorgvuldige stappen te ondernemen, die tot optimalisatie (voor natuur) in het hydrologisch systeem

geeft het volgende perspectief voor agrarische bedrijven: •

Dicht tegen het N2000-gebied zal het minst intensief “geboerd”

moeten leiden. Het gaat hierbij om zorgvuldigheid in beslissingen en het

worden. Het gaat dan om (kruidenrijke) graslanden die nat zijn en

gefaseerd doorvoeren van maatregelen. Effecten op zowel natuur als de

extensief begraasd worden of later gemaaid; rekening houdend met

risico’s op negatieve effecten voor bebouwing en landbouw worden daarbij

het broed- en voedselgebied van weidevogels. Dit omdat het hier

volgens een nader vast te stellen monitoringsprogramma nauwkeurig

natter zal worden vanwege de aanpassing aan peilvakken dicht

gevolgd. Hierbij is een goede afstemming tussen waterschappen en

tegen N2000. De exacte begrenzing van dit gebied is maatwerk en

gemeenten van belang waarbij het gaat om risico’s van piekbuien voor

afhankelijk van de mogelijke maatregelen, gezamenlijk uit te werken

riooloverstorten bij een hoger grondwaterpeil en risico op onaanvaardbare

met de ondernemers in het gebied;

wateroverlast in bebouwd gebied, met name in Drunen, Vlijmen, Vught en

•

Tussen de hogere delen langs het kanaal en de lagere delen dicht

de wijken Schutskamp, Zuid en Kruiskamp in ’s-Hertogenbosch. Voor de

tegen het N2000-gebied is er meer afwisseling tussen grasland en

blauwgraslanden

akkerbouw, waarbij idealiter geen ruimte is voor (nieuwe) intensieve

met

pimpernelblauwtje

zijn

interne

maatregelen

57

teelten, waaronder ook niet-grondgebonden teelten en niet-

agrarische ondernemers, waterschappen en terreinbeherende organisaties

grondgebonden activiteiten. Door verandering van grondgebruik en

opgepakt worden. Denk hierbij aan vragen zoals:

met elkaar nadenken over grondstrategie moet hier een geschikte

•

invulling worden gevonden. Verbrede landbouw waar een uitvalsbasis geboden wordt voor bezoekers (horeca) of waar zorg

voor de agrariër/grondgebruik? •

wordt gecombineerd met een agrarisch bedrijf vinden hier hun plaats; •

moet worden onderzocht en hangt ook samen met de opgave vanuit

Wat

is

voor

agrariër/grondgebruik

nog

acceptabel

als

(zomer/winter)peil en wat betekent dat voor natuur? •

Tegen het Drongelens Kanaal, waar de gronden ook wat hoger liggen, kan ruimte blijven voor akkerbouw. Hoe intensief dit kan zijn,

Welk (zomer/winter)peil heeft natuur nodig en wat betekent dat

Welk grondgebruik verdraagt de hoogste zomerpeilen en is wisselen van grondgebruik mogelijk?

•

Hoe zijn negatieve effecten voor agrariërs te mitigeren? Zijn er verdienmodellen mogelijk?

het gebiedsproces in de Loonse en Drunense Duinen. De gezamenlijke Landbouwvisie laat zien dat agrarische ondernemers proactief zijn, elkaar opzoeken en met hun bedrijfsvoering mogelijkheden zien om bij te dragen aan gebiedsopgaven. Agrarische ondernemers kunnen een rol pakken in natuurbeheer en het verhogen van de biodiversiteit (bijvoorbeeld door deelname aan de Biodiversiteitsmonitor). Verder is een win-win situatie mogelijk door peilbeheer: voor de natuur in het opladen van het systeem en voor de landbouw in niet te ver wegzakkende grondwaterstanden. Een hoger zomerpeil gaat te verre wegzijging in zomerperiode tegen. Winterpeilen zorgen voor het opladen van het (natuur)systeem en een goede uitgangssituatie tegen te verre wegzijging. Verhogen van het zomerpeil kan zorgen voor minder noodzaak tot beregening in droge periodes. Deze zaken moeten in overleg tussen

58

In de mogelijke maatregelen is onderscheid gemaakt in:

HOOFDSTUK 6: Aanzet voor maatregelen

•

Kortetermijnmaatregelen. Deze voldoen aan drie criteria: ze zijn op

6.1 Inleiding

korte termijn uitvoerbaar, ze lijken een duidelijk positief effect op de

De verschillende bouwstenen hebben tot inzichten geleid in wat wel en niet

natuurdoelen te hebben en maatschappelijke risico’s lijken

mogelijk is. Enige nuancering daarbij is belangrijk. Immers de belangrijkste

acceptabel;

bouwstenen voor de natuurmaatregelen, te weten de EHSA en het

•

Middellangetermijnmaatregelen.

Voorgesteld

wordt

om

de

modelmatige

kansrijkheid van deze maatregelen te onderzoeken. Ze hebben

berekeningen. Deze geven wel inzicht, maar leveren onvoldoende zekerheid

waarschijnlijk positief effect en vereisen mitigatie vanwege

om concrete maatregelen te beschrijven. Nadere uitwerking is dus

omgevingseffecten;

stikstofonderzoek,

zijn

grotendeels

gebaseerd

op

noodzakelijk. De mogelijke maatregelen die tot optimalisatie van het

•

Langetermijnmaatregelen. Deze lijken effectief te zijn voor de

watersysteem moeten leiden, dienen beoordeeld te worden op effectiviteit

natuurdoelen, maar effecten op de omgeving zijn nog onvoldoende

(m.b.t. natuurherstel) en risico’s voor de omgeving (zowel bebouwd gebied

duidelijk om te bepalen of dat maatschappelijk acceptabel is.

als het agrarisch gebied).

6.2 Nader uit te werken maatregelen Welke risico’s, in welke mate deze voor de omgeving acceptabel geacht

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=712302ac-ac3f-4bed-8fb0-627ba4b51a05