CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

18. Raadsinformatiebrief Regionale detailhandelsvisie Noordoost-Brabant

Raadsvergadering 2 februari 2023, gemeente VughtBij agendapunt: Categorie I-B Schriftelijke mededelingen van college of griffie19.806 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3.1

Organisatie

3.2

Saneren plancapaciteit

3.2.1

Doel

Actie: De gemeenten in Noordoost-Brabant committeren zich met deze visie aan het continueren van de huidige regionale organisatie, aangevuld met een regionaal overleg voor centrummanagers. Algemeen  Het uitwerken van de koers en afspraken vanuit de regionale detailhandelsvisie Noordoost Brabant is gekoppeld aan de ambtelijke werkgroep werken Noordoost Brabant;  De coördinator Economische ontwikkeling is verantwoordelijk voor de coördinatie van de uitvoeringsagenda, ondersteund door de ambtelijke sub-werkgroep detailhandel;  De bestuurlijke bewaking en coördinatie ligt bij de Kopgroep Detailhandel. Regionale afstemming De regionale afstemming van detailhandelsinitiatieven vindt plaats zoals vastgesteld in de regionale detailhandelsvisie. Jaarlijks wordt in het Poho EZ en het RRO verslag gedaan over de resultaten van de regionale afstemming, met overzicht van de detailhandelsinitiatieven en de wijze van afstemming. Regionaal overleg centrummanagers In aanvulling op de bestaande overleggen tussen gemeenten (ambtelijk en bestuurlijk), faciliteert de regio een regionaal overleg centrummanagers. Tijdens de totstandkoming van deze visie waren diverse centrummanagers in de regio actief betrokken. Ze hebben uitgesproken behoefte te hebben aan

maandag 5 december 2022

Er is in de meeste gemeenten sprake van nog relatief veel onbenutte en ongewenste plancapaciteit buiten de reguliere centra. Denk aan de mogelijkheid voor detailhandel op bedrijventerreinen (lijst van bedrijven) en op verspreide locaties aan doorgaande wegen. Dit is negatief, omdat hierdoor ‘oepsjes’ ontstaan, zoals een supermarkt die op een bedrijventerrein vestigt. Dit kan desastreuze gevolgen hebben voor de lokale en regionale detailhandelsstructuur. Actie: Gemeenten stellen zich ten doel de komende jaren onbenutte en ongewenste plancapaciteit met een regionale impact te saneren. 3.2.2

Stap 1: creëren voorzienbaarheid

Om zonder planschade (nadeelcompensatie) te kunnen saneren is voorzienbaarheid noodzakelijk. Voorzienbaarheid moet geborgd zijn in (detailhandels)beleid. Er gelden juridisch drie criteria. 1. Uitspraken ten aanzien van waar wel/geen detailhandel is toegestaan (in de toekomst) moeten voldoende concreet zijn beschreven. 2. Uitspraken ten aanzien van waar wel/geen detailhandel is toegestaan moet kenbaar zijn gemaakt (openbaar én gepubliceerd). 3. De uitspraken moeten duidelijk en begrijpelijk zijn beschreven. Hoewel deze regionale detailhandelsvisie enige duidelijkheid biedt, is dit onvoldoende om te kunnen saneren. Gemeenten hebben zelf een verantwoordelijkheid om in lokaal beleid

voorzienbaarheid te creëren. Daarin dient in elk geval het volgende opgenomen te zijn:  Concrete afbakening winkelgebieden (dunne lijntjes).  Concrete uitspraken over waar wel en geen (vormen van) detailhandel mogelijk zijn.  Uitspraken over de ambitie om (bepaalde vormen van) detailhandel te saneren.  Aangeven locaties waar (bepaalde vormen van) detailhandel op termijn gesaneerd worden. Voorzienbaarheid geldt zowel voor eigenaren die een pand wensen aan te kopen (actieve risicoaanvaarding) als bestaande eigenaren (passieve risicoaanvaarding). Na circa 1,5 jaar na kenbaar maken beleid/visie per gemeente/centrum kan detailhandel worden gesaneerd zonder planschade. Eerder is ook mogelijk, maar dan bestaat het risico op planschade. In sommige gevallen is dit toch wenselijk om ongewenste structuureffecten te kunnen voorkomen. In veel gemeenten is al sprake van gemeentelijk detailhandelsbeleid en of ander gemeentelijk beleid waarin voorzienbaarheid gecreëerd is. Geadviseerd wordt dit beleid langs de meetlat van voorzienbaarheid te leggen en juridisch te beoordelen of dit voldoende is. Zo niet, dan dient via een aanvullende oplegmemo alsnog voorzienbaarheid gecreëerd te worden. Voor een effectieve sanering wordt verwezen naar de Handreiking saneren plancapaciteit van de Retailagenda (2019). 3.2.3

Stap 2: inventarisatie plancapaciteit

Veel gemeenten hebben niet exact in beeld waar onbenutte plancapaciteit aanwezig is voor detailhandel. Geadviseerd wordt om dit eerst goed te inventariseren alvorens juridische stappen worden gezet. Met behulp van de lokale visie en inventarisatie kunnen concrete locaties worden aangewezen

17

3 Uitvoeringskader Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie

en kan een saneringsstappenplan worden opgesteld (prioritering). De Handreiking saneren plancapaciteit van de Retailagenda (2019) bevat inzicht in hoe deze inventarisatie kan worden uitgevoerd. 3.2.4

Stap 2: saneren plancapaciteit

Op basis van de inventarisatie en dit detailhandelsbeleid dienen ongewenste detailhandelslocaties (op termijn) juridisch te worden gesaneerd. Dit traject kan ook gelijklopen met het opstellen van nieuwe omgevingsplannen. Via verschillende juridische instrumenten kan de gemeente het saneren van de plancapaciteit in gang zetten om te voorkomen dat zich in de toekomst nieuwe detailhandel op ongewenste locaties kan vestigen. Geadviseerd wordt om de prioritering, planning en juridische aanpak periodiek op de regionale agenda te zetten. Hierdoor kunnen gemeenten kennis en ervaring uitwisselen op dit thema.

3.3

Handhaving

Handhaving en goede mogelijkheden daartoe zijn van belang om het detailhandelsbeleid, dat is vastgelegd in bestemmingsplannen, ook in de praktijk handen en voeten te kunnen geven. Om de handhaving zo effectief mogelijk in te zetten wordt voorgesteld om de prioriteit te leggen op effecten die mogelijk negatief van invloed zijn op de structuur. Dit betekent dat de prioriteit zou moeten liggen bij handhaving in de periferie (buiten de afgebakende centrumgebieden). Actie: De gemeenten vinden het belangrijk te handhaven op illegale detailhandelsactiviteiten buiten reguliere centra met een regionale impact. Gemeenten vinden het belangrijk hier mee aan de slag te gaan.

maandag 5 december 2022

3.4

Bepalen behoefte consument

Actie: Een actuele visie op het hoofdcentrum vinden gemeenten belangrijk. De toekomstige behoeften van inwoners/bezoekers in het verzorgingsgebied van centra zouden centraal moeten staan in centrumvisies. Gemeenten gaan in samenwerking proactief aan de slag om deze kwantitatieve en kwalitatieve behoefte in beeld te brengen en tot uitvoering te brengen binnen centra. Kwantitatieve behoefte Dit is de programmatische verdeling van aanbod in een centrumgebied. Hoeveel m² wvo detailhandel is er ongeveer nodig? Hoeveel horeca? Hoeveel diensten? Als dit haalbare programma wordt afgezet tegen de bestaande situatie ontstaat inzicht in de transformatie opgave. Bovendien kan dit uitgangspunt zijn voor hoe het compacte centrumgebied wordt afgebakend. De kwantitatieve behoefte kan op meerdere (gecombineerde) manieren worden bepaald. Aanbevolen wordt om dit nadrukkelijk vanuit meerdere methoden te onderzoeken.  Distributieplanologisch onderzoek (DPO)  Benchmarkonderzoek  Juridisch-planologisch onderzoek Kwalitatieve behoefte Net zo belangrijk is de kwalitatieve behoefte. Dit heeft te maken met het type winkels (en andere voorzieningen) dat beschikbaar is, zoals bijvoorbeeld bepaalde formules, bepaalde branches of bepaalde segmenten. Met behulp van bewonersonderzoek via leefstijlen kan inzichtelijk worden gemaakt wie in het verzorgingsgebied wonen en waar deze mensen behoefte aan hebben.

Via het bezoekersonderzoek kan inzicht worden gegeven in het profiel van (bestaande) bezoekers

aan centra en hun behoeften. Met name de mismatch is interessant en kan leiden tot bijvoorbeeld het aantrekken van specifieke voorzieningen die gemist worden of logischerwijs aansluiten op de doelgroep en het profiel van het centrum. Dit vraagt om een proactieve benadering. Bij het bepalen van de kwalitatieve behoefte is ook de complementariteit met andere centra in de regio van belang. Dit is bij uitstek een thema waar aandacht voor kan zijn in het regionale overleg tussen centrummanagers.

3.5

Dienstenrichtlijn

Actie: De gemeenten in Noordoost-Brabant passen de Dienstenrichtlijn toe in zowel beleids- en visievorming als juridische verankering van regels en plannen. Gemeenten gaan met behulp van de stappen uit het afsprakenkader aan de slag. Toelichting Dienstenrichtlijn Het doel van de Dienstenrichtlijn is dat dienstverleners in de Europese Unie zich onbelemmerd in een andere lidstaat kunnen vestigen of tijdelijk diensten kunnen verrichten. Diensten, binnen de context van de Dienstenrichtlijn, zijn alle functies waar sprake is van een economische activiteit. Het gaat dus om detailhandel, horeca, kantoren, etc. In de praktijk komt de Dienstenrichtlijn met name in beeld als brancherings- en/of maatvoeringsbeperkingen worden of zijn opgenomen in bestemmingsplannen. Denk aan beperkingen tot volumineuze artikelen, minimale of maximale maten en specifieke aanduidingen. Vanuit de Dienstenrichtlijn zijn dergelijke beperkingen niet zomaar toegestaan. Beperkingen moeten onderbouwd worden aan de volgende drie criteria:  Discriminatieverbod: de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, de plaats van hun statutaire zetel;

18

3 Uitvoeringskader Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie

 

Noodzakelijkheid: de eisen zijn gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; Evenredigheid: de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt. Dit evenredigheid vraagt om een onderbouwing met specifieke gegevens.

In de ruimtelijke ordening is meer aandacht nodig voor de Dienstenrichtlijn. Zowel bestaande als nieuwe bestemmingsplannen (omgevingsplannen) dienen tegen het licht gehouden te worden. Voldoen beperkingen aan de Dienstenrichtlijn? Zijn beperkingen noodzakelijk? Zijn ze coherent en systematisch met andere locaties? Gaan ze niet verder dan nodig? De volgende stappen geven gemeenten in NoordoostBrabant richting om hier rekening mee te houden. 3.5.1

Stap 1: inventarisatie beperkingen

Bij een inventarisatie van de plancapaciteit, noodzakelijk voor het saneren van plancapaciteit, komt in beeld waar welke beperkingen aanwezig zijn. Een dergelijke inventarisatie dient daardoor meerdere doelen. 3.5.2

Stap 2: toets aan de Dienstenrichtlijn

Discriminatieverbod Zijn er de beperkingen eisen opgenomen die onderscheid maken naar nationaliteit of, voor vennootschappen, de plaats van hun statutaire zetel? Zo niet, dan wordt aan dit punt voldaan. Een korte conclusie volstaat in de onderbouwing.

maandag 5 december 2022

Noodzakelijkheid Zijn de beperkingen te onderbouwen vanuit een dwingende reden van algemeen belang? Hiermee worden ruimtelijk relevante doelen bedoeld die betrekking op de ruimtelijke (detailhandels)structuur. Het gaat dus nadrukkelijk niet om belangen van individuele bedrijven of concurrentiebescherming. Enkele voorbeelden uit de jurisprudentie van dwingende redenen van algemeen belang zijn:  voorkomen van leegstand;  op peil houden van de leefbaarheid;  behouden van vitale centra;  behouden van voldoende passanten in centra;  voorkomen van onevenredige mobiliteit;  vrijhouden van bedrijventerreinen voor de behoefte aan bedrijven (en dus geen detailhandel). Een goede koppeling tussen beleid, waarin de algemene doelen zijn geformuleerd, en juridisch-planologische besluiten, zoals het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning, is essentieel. Dit vraagt ook meer en betere afstemming tussen EZ en RO. Evenredigheid Coherent en systematisch Zijn de beperkingen coherent en systematisch met het beleid en andere (beleidsmatig) vergelijkbare locaties? In de praktijk zal hier sprake van zijn. Het is verstandig de volgende twee sporen te onderzoeken.  Breng in kaart welke locaties beperkingen bevatten voor detailhandel die niet matchen met het beleid. Is er sprake van maatwerk? Dan dient dit gemotiveerd te zijn op basis van ruimtelijk relevante motieven.

Is er sprake van ongewenste detailhandel? Dan kan worden overwogen om deze detailhandel (op termijn) te saneren.

In de praktijk zijn tussen bestemmingsplannen nog vaak verschillen in definities van bijvoorbeeld ‘perifere detailhandel’, ‘volumineuze detailhandel’, ‘nevenassortiment’ of ‘supermarkt’. Dit hoeft geen probleem te zijn, mits dit gemotiveerd kan worden vanuit algemene doelen. Indien geen ruimtelijke onderbouwing gegeven kan worden, wordt geadviseerd incoherente beperkingen en definities aan te passen in het omgevingsplan. Ook via een parapluplan (onder de huidige wet) bestaan mogelijkheden, maar vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit instrument niet meer mogelijk.

Ook hier geldt dat de relatie tussen beleid en bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen essentieel is. Beperkte afstemming tussen EZ en RO kan al snel leiden tot incoherente situaties. Effectiviteit Conform de Dienstenrichtlijn moeten beperkingen aantoonbaar zinvol bijdragen aan de algemene doelen. Anders gezegd, het beperken tot bijvoorbeeld perifere detailhandel (en dus het niet toestaan van bijvoorbeeld een supermarkt) op een bedrijventerrein moet aantoonbaar effectief bijdragen aan het voorkomen van onaanvaardbare effecten en leegstand in centra. De bewijslast ligt altijd bij het bevoegd gezag (de gemeente). Jurisprudentie wijst uit dat een zogenaamde ‘pakketbenadering’ volstaat. Dit betekent dat de zwaarte van de onderbouwing ligt bij de samenhang van beperkingen binnen een gemeente en niet bij individuele beperkingen. Elke gemeente is zelf verantwoordelijk voor een dergelijke onderbouwing. Idealiter is deze onderbouwing onderdeel van het lokale (detailhandels)beleid.

19

3 Uitvoeringskader Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie

Niet verder dan nodig, geen andere beperkingen mogelijk Aangetoond moet worden dat beperkingen niet verder gaan dan nodig en dat geen andere minder beperkende maatregelen mogelijk zijn die hetzelfde doel bereiken. In de praktijk kan dit gemotiveerd worden door de ‘en-en’ redenatie. Gemeenten leggen enerzijds beperkingen op voor detailhandelsvestigingen in (met name) de periferie om de vitaliteit van centra te beschermen. Het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning zijn de enige instrumenten waar dit juridisch geborgd kan worden. Tegelijkertijd doen gemeenten ‘niet-juridische’ investeringen in centra om de vitaliteit te versterken, denk aan herinrichting van de openbare ruimte, opstellen van centrumvisies, participeren in centrummanagement, investeren in mobiliteit, duurzaamheid en groen/water, etc.

3.6

kan inzicht gegeven worden in de kans op leegstand. Leegstand op zich hoeft vanuit een goede ruimtelijke ordening niet problematisch. (On)aanvaardbare leegstandseffecten: indien leegstand verwacht moet worden, dient afgewogen te worden in hoeverre sprake is van (on)aanvaardbare leegstand. Dit begrip is een juridisch begrip en vloeit voort uit de jurisprudentie. Het bepalen hiervan is ook gebaseerd op jurisprudentie (zie kader). Uiteraard kan de politieke aanvaardbaarheid verschillen van de juridische aanvaardbaarheid.

Ladder voor duurzame verstedelijking

Actie: De gemeenten in Noordoost-Brabant committeren zich met deze visie aan het actiever toepassen van de Ladder voor duurzame verstedelijking bij plantoetsing. Meer aandacht dient te zijn voor de ruimtelijke effecten in plaats van de economische effecten. Sturen op concurrentie is immers verboden. Sturen op ruimtelijke kwaliteit is noodzakelijk. Nieuwe initiatieven die moeten worden beschouwd als ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ moeten per definitie worden getoetst aan de Ladder. Dit betekent dat de behoefte van het initiatief moet worden aangetoond en dat de ruimtelijk-functionele effecten op de consumentenverzorging, de detailhandelsstructuur, de leegstand en in het verlengde daarvan het woon-, leef- en ondernemersklimaat aanvaardbaar moeten zijn. Wat betreft de effecten dient onderscheid gemaakt te worden tussen de volgende typen effecten:  Omzeteffecten: nieuw winkelaanbod zal meestal leiden tot omzeteffecten op bestaande aanbieders. Dit is een concurrentie effecten en niet ruimtelijk relevant.  Leegstandseffecten: door omzeteffecten te berekenen

maandag 5 december 2022

20

Bijlage 1 Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie

Bijlage 1 Analyse

maandag 5 december 2022

21

Bijlage 1 Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie

1

Analyse

1.1

Trends en ontwikkelingen

1.1.1

Algemeen

Omzet en bestedingen  De omzet in de detailhandel neemt sinds 2014 weer gestaag toe. Wel is er een verschil tussen sectoren (zie figuur 1.1). - De omzet in levensmiddelen (met name supermarkten) neemt al jaren stabiel toe. In 2020 nam de omzet extra hard toe als gevolg van de sluiting van de horeca (Lock down) in bepaalde perioden. - In recreatieve winkels, zoals kledingwinkels, neemt de omzet al jaren niet meer toe, met in 2020 een dramatische daling als gevolg van Corona. In deze branche koopt men steeds meer online. - In de doelgerichte branches, zoals woninginrichting, nemen de bestedingen sinds eind 2013 jaarlijks fors toe als gevolg van hoogconjunctuur en de oververhitte woningmarkt. Ook corona speelde een rol.  De omzet bij online webwinkels is de afgelopen jaren sterk toegenomen, evenals het aantal producten en diensten dat online verkrijgbaar is (zie figuur 1.2). Toonbankbestedingen blijven vooralsnog echter domineren en bovendien raken online en offline steeds meer met elkaar verweven (omni-channel). Behoefte aan winkels in perspectief  De behoefte aan fysieke winkels zal naar verwachting blijven bestaan. Dit geldt echter alleen voor de winkelconcepten die onderscheidend zijn en voldoende toegevoegde waarde bieden (service, kwaliteit, beleving en/of prijs), ofwel winkels die kunnen profiteren van het internet.

Hoe groot de behoefte in de toekomst zal zijn (in m² wvo en kwaliteit) verschilt sterk tussen centra en regio’s.

maandag 5 december 2022

1.1.2

Boodschappen doen

Online boodschappen doen is grote groeimarkt  Het boodschappenaanbod heeft vooralsnog in beperkte mate last heeft van het internet. Op basis van het Koopstromenonderzoek 2021 gaat circa 5% van de bestedingen aan boodschappen in Noord-Brabant naar online.  Toch doen consumenten in toenemende mate online boodschappen. Bekende formules zoals Albert Heijn, Jumbo en Plus bieden online diensten aan en nieuwe pure online aanbieders rukken op, zoals Hello Fresh, Getir, Picnic en Gorillaz. Daarnaast dreigt het toetreden van grote buitenlandse spelers, zoals Amazon of Alibaba. Dit kan effecten hebben op bestaand aanbod.  De impact van de coronacrisis op de dagelijkse sector is beperkt. Sterker nog, de bestedingen aan dagelijkse producten zijn toegenomen (zowel online als offline). Dit heeft deels te maken met hamstergedrag, maar ook doordat bestedingen verschuiven van de horeca (zie figuur 1.3) naar supermarkten en speciaalzaken.  Fysieke supermarkten hebben economisch een gunstig toekomstperspectief. Supermarkten hebben bovendien een sociaal-maatschappelijke waarde voor de leefbaarheid in buurten, wijken en dorpen. Gemak en efficiëntie belangrijker dan ooit  De groeipotentie van online heeft geleid tot structureel gewijzigd koopgedrag door consumenten. Men verwacht dat alles gemakkelijk en snel te koop is, zeker de jongere generaties.

Het bezoek aan de fysieke supermarkt domineert nog steeds, maar men verwacht moderne ruim opgezette supermarkten die goed bereikbaar zijn met voldoende parkeermogelijkheden (fiets en auto).  Buurt- en wijkcentra hebben daardoor nog steeds bestaansrecht indien er sprake is van een compleet en passend aanbod binnen de behoefte van het verzorgingsgebied.

Figuur 1.1: Omzetontwikkeling detailhandel (bron: CBS)

Figuur 1.2: Omzetontwikkeling webwinkels (bron: CBS)

Figuur 1.3: Omzetontwikkeling horeca (bron: CBS)

22

Bijlage 1 Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie

Supermarkten voornaamste publiekstrekkers  Supermarkten hebben een belangrijke trekkersfunctie en vormen daarmee de basis in stadsdeel-, wijk-, buurt- en dorpscentra. De gemiddelde omvang van supermarkten is de afgelopen jaren toegenomen. Kleinere supermarkten (< 1.000 m² wvo) verdwijnen steeds vaker uit de structuur, met uitzondering van de kleine stadssupermarkten (< 500 m² wvo) en doelgroep supermarkten (bijvoorbeeld Poolse of Turkse supermarkten). Met name het aantal supermarkten met een omvang tussen 1.000 en 2.000 m² wvo is toegenomen.  De verwachting is dat de schaalvergroting de komende jaren doorzet. De consument heeft behoefte aan supermarkten met een uitgebreid assortiment (keuze en gemak) en een ruime opzet (comfort). Tegelijkertijd neemt ook de behoefte aan gemak toe. Kleinschalige buurtsupers of gemakswinkels spelen hier op in. Echter zal ook online (flitsbezorging) steeds meer voorzien in de behoefte aan gemak.  Een gemiddelde service-supermarkt van circa 1.200 m² wvo trekt wekelijks zo’n 10.000 bezoekers, waar ook omliggende winkels en voorzieningen middels combinatiebezoek van profiteren. Een discountsupermarkt trekt wekelijks minder bezoekers, maar heeft doorgaans wel een groter verzorgingsgebied. Hierdoor zijn zowel service- als discountsupermarkten structuurbepalend. 1.1.3

Recreatief winkelen

Minder winkels, meer kwaliteit  Als gevolg van meer online aankopen daalt het recreatieve winkelaanbod al jaren. (Inter)nationale modeketens gaan failliet, maar tegelijkertijd wordt er nog steeds veel geïnvesteerd. Dit biedt kansen om meer te focussen op kwaliteit en uniciteit, in plaats van ‘massa is kassa’.

maandag 5 december 2022

Grotere binnensteden: dagje uit, sfeer en beleving  De grotere binnensteden in het land waren lange tijd steevast de grote winnaars, doordat ze zich onderscheiden met een (zeer) uitgebreid en divers recreatief winkelaanbod in combinatie met een ruim horeca en overig leisure aanbod. Een bezoek aan de grotere binnensteden, zeker binnensteden met een historisch karakter zoals die van ‘s-Hertogenbosch, geeft uitstekend invulling aan de hedendaagse consumentenbehoefte (sfeer en beleving) en is voor veel mensen een ‘dagje uit’.  De afgelopen jaren hebben de grote binnensteden echter te maken gehad met forse klappen. Met name buitenlandse toeristen bleven weg. Ook regionale bezoekers kiezen vaker voor de eigen omgeving (‘koop lokaal’) of kiezen voor online aankopen. De periodieke gedwongen lockdown van de horeca heeft ook een negatieve invloed op de binnensteden en recreatieve aankopen, aangezien recreatief winkelen en bezoek aan horeca sterk gecombineerd worden.  Uit de bezoekers-, omzet- en koopstromendata blijkt dat de behoefte aan beleven, ontmoeten en recreatief winkelen niet minder is geworden. Dit biedt perspectief voor de grotere binnensteden. Middelgrote centra: opzoek naar een nieuw profiel  De middelgrote centra, zoals die van Uden, Oss en Veghel hebben al langer te maken met teruglopende bezoekersaantallen, vertrek van winkels en meer leegstand.

In deze steden is het besef vaak al langer doorgedrongen dat compactere centra met minder winkels en meer functiemix de meeste toekomst heeft.  Mede door Corona lijkt er een positieve kanteling plaats te vinden in deze steden. De eigen inwoners lijken de eigen centra meer te zijn gaan waarderen. Tegelijkertijd wordt door betrokken partijen fors geïnvesteerd in deze

23

Bijlage 1 Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie

steden ten behoeve van meer groen, een betere functiemix en minder leegstand.

toe gaat dit echter (nog) niet ten koste van omzet in winkels.

Wijk- en dorpscentra: focus op boodschappen ‘plus’  Het recreatieve aanbod in de lokale winkelcentra loopt al jaren terug. In algemene zin is nog perspectief voor meer laagwaardige en doelgericht mode aanbod dat in het verlengde van de boodschappen wordt bezocht.  Voor deze centra ligt de opgave om een sterk boodschappenaanbod te realiseren dat aansluit bij de behoefte van de inwoners in het verzorgingsgebied, zowel kwantitatief als kwalitatief. Naast winkels ligt in deze centra ook steeds meer de focus op aanvullende voorzieningen, zoals zorg, onderwijs, diensten en andere sociaal-maatschappelijke functies die bijdragen aan de lokale leefbaarheid.

Gemak, efficiëntie en keuzemogelijkheden  Hoewel in de hele detailhandel gemak en efficiëntie belangrijke kernwoorden zijn geldt dat bovenal voor deze sector. Een goede autobereikbaarheid, ruim en gratis parkeren voor de deur en concentratie van aanbod wordt door de consument verwacht.  De consument is bereid verder te reizen voor complete woonboulevards / retailparken met voldoende keuzemogelijkheden. De aanwezigheid van een of meerdere trekkers is vaak bepalend, zoals IKEA, Hornbach of Loods 5.  Middelgrote en kleinschalige woonboulevards kunnen nog steeds voorzien in een lokale tot beperkt regionale behoefte. Denk aan een bouwmarkt, tuincentrum met enkele woonwinkels.

1.1.4

Doelgericht winkelen

‘In en om het huis’ groei door  Zoals blijkt uit de omzetontwikkeling is al jaren sprake van forse groei van omzet en bestedingen in de woon-, doe-het-zelf- en tuinbranche. Klassieke woonboulevards en retailparken profiteren hier van. Dit blijkt ook uit de zeer beperkte leegstand op dergelijke locaties.  Het uitstekende functioneren van woonboulevards en retailparken (ook wel PDV-locaties genoemd), is echter geen garantie voor de toekomst. Tijdens de krediet- en eurocrisis tot circa 2015 hadden deze locaties het moeilijk en werd fors minder besteed in de doelgerichte winkels. Dit hing ook samen met de werkloosheid en woningmarkt.  Zolang de woningmarkt en economie op volle toeren draait, zal deze sector profiteren. Wel neemt de concurrentie van het internet steeds meer toe. Ook in deze sector wordt steeds meer via het internet gekocht. Tot nu

maandag 5 december 2022

Transformatie naar verblijfsgebieden  Met name de grote woonboulevards / retailparken transformeren steeds meer naar verblijfsgebieden. Niet vergelijkbaar met een binnenstad, maar wel met een aantrekkelijk gebied om een dagje te winkelen binnen het thema ‘in en om het huis’. Hier horen ook winkelondersteunende horeca en andere diensten bij.  Branchevervaging en –verbreding ligt echter op de loer. Grotere retailparken kunnen een bepaalde mate van brancheverbreding aan. Dit draagt ook positief bij aan de kwaliteit en variatie. Ook op kleinere locaties bestaat vaak de wens om te verbreden in branchering, maar dit heeft veelal negatieve effecten op de lokale centrumgebieden.  Duidelijkheid in profilering en verzorgingsgebied blijft belangrijk om de complementariteit met overige centra in de toekomst te blijven borgen.

1.1.5

Overige trends

Blurring, branchevervaging- en verbreding  Blurring is een begrip dat gebruikt wordt om de vermenging van horeca en detailhandel te duiden. Denk aan het biertje bij de kapper. Vanuit ondernemerschap is blurring positief, omdat conceptueel meer geëxperimenteerd kan worden. De consument kan meer beleving ervaren. Het begrip is echter beladen in het kader van de Drank en Horecawet (schenken van alcohol).  Branchevervaging komt steeds meer voor. Dit betekent in winkels het assortiment steeds breder wordt, waardoor ook artikelen worden verkocht die niet ‘zuiver’ tot de branche behoren. Denk aan bouwmarkten die ook meubels verkopen, supermarkten met niet-dagelijks winkelaanbod en tuincentra die verschuiven naar warenhuizen. Een bepaalde mate van branchevreemd assortiment is noodzakelijk en gebruikelijk om te kunnen functioneren.  Brancheverbreding is een beleidsmatige term die meestal betrekking heeft op perifere concentraties. Hier zijn vaak branchebeperkingen opgenomen, bijvoorbeeld uitsluitend volumineuze artikelen. Steeds vaker verbreedt het profiel naar thema boulevards op het gebied van ‘in en om het huis’ of zelfs complete Retailparken met grootschalige sport- en spelzaken. Vanuit vastgoedeigenaren is veelal een wens om te verbreden, maar dit kan op gespannen voet staan met de complementariteit met reguliere centra. Weloverwogen keuzes zijn hierin noodzakelijk.

24

Bijlage 1 Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie

1.2

Leegstand

1.2.1

Definitie Leegstand

De leegstandscijfers zijn op basis van Locatus (peildatum 1 januari 2022). Locatus registreert een pand als leegstand zodra dit pand eerder feitelijk in gebruik is geweest met een winkel, horeca of andere commerciële dienst. De leegstandscijfers hebben daardoor niet uitsluitend betrekking op winkelleegstand.

Figuur 1.4: Ontwikkeling Leegstand

maandag 5 december 2022

25

Bijlage 1 Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie

1.2.2

Conclusies Leegstand

Algemeen  In algemene zin is een afname van de leegstand te zien in de regio Noordoost-Brabant, vergelijkbaar met de landelijke trend. In Noordoost-Brabant is de leegstand tussen 2015 en 2021 afgenomen met 88 panden (-15%). Het leegstaande winkelvloeroppervlak is in diezelfde periode afgenomen met circa 13.500 m² wvo (-11%).  Hoewel dit mogelijk paradoxaal aanvoelt tegen het licht van landelijke trends, zoals meer online aankopen, Corona en veranderend consumentengedrag is het wel logische te verklaren. - Betrokken partijen investeren veel in leegstandsbestrijding en transformatie. Steeds meer (commerciële) leegstand wordt uit de markt gehaald en getransformeerd naar bijvoorbeeld woningen of sociaal-maatschappelijke functies. - Veel leegstaande (recreatieve) winkelpanden zijn ingevuld door horeca. Het horeca aanbod is de afgelopen jaren immers fors gegroeid. - De Corona steunmaatregelen vanuit het Rijk dempen de bedrijfsbeëindigingen en faillissementen. In de detailhandel en horeca is echter sprake van een fors oplopende schuldenlast, wat het toekomstperspectief van veel ondernemers onzeker maakt. Lokale verschillen  Met name in de gemeenten ’s-Hertogenbosch (-5.500 m² wvo), Meierijstad (-5.000 m² wvo) en Bernheze (-4.600 m² wvo) is de leegstand tussen 2015 en 2021 fors afgenomen.

 In de (voormalige) gemeente Grave (+3.500 m² wvo) en Vught (+2.400 m² wvo) is de leegstand toegenomen. Opgemerkt moet worden dat het aantal leegstaande panden in Grave wel fors is afgenomen (-11 panden).

De leegstand wordt primair veroorzaakt door één grootschalig pand aan de St. Elisabethstraat 35. In Vught wordt dit vooral veroorzaakt de herontwikkeling van een groot deel van het centrum. Verschillen per type centrum  De afname van de leegstand is in alle winkelgebiedstypen zichtbaar, met uitzondering van de centrale winkelgebieden c.q. binnensteden. Hier is sprake van een beperkte toename van de leegstand tussen 2015 en 2021 (+5.300 m² wvo). De toename in de centrale winkelgebieden is vooral terug te zien in enkele (voormalige) gemeenten.  Opgemerkt moet worden dat de toename van het leegstaande winkelvloeroppervlak in het centrum van Uden en Grave vooral wordt verklaard door één grootschalig pand. Het (in Locatus) leegstaande Van Donzel-pand is inmiddels al bijna een jaar ingevuld met een bierspeciaalzaak. De woonwinkel is inmiddels op de woonboulevard gevestigd. In het centrum van Uden blijft het aantal leegstaande panden ongeveer stabiel, terwijl de leegstand van het aantal panden in het centrum van Grave juist fors is gedaald (met 10 panden).  Er is in de hoofdcentra van diverse gemeenten ook een (forse) afname van de leegstand zichtbaar. Dit wordt mede verklaard door de transformatie en herinvulling van voormalige (grootschalige) winkelpanden: - Oss (-3.200 m² wvo); - ‘s-Hertogenbosch (-2.600 m² wvo); - Bernheze (-1.600 m² wvo).

 In de verspreide bewinkeling is de afname van de leegstand het sterkst met ruim 11.000 m² wvo. Dit zijn vaak grootschalige panden op het gebied van winkels in de sector ‘in/om huis’. In deze sector is al jaren sprake van groeiende omzetten en bestedingen.

Figuur 1.5: Ontwikkeling Leegstand naar type centrum

Voormalige V&D Oss – Transformatie Walkwartier

Voormalige Van Donzel Uden – Grootschalige leegstand

maandag 5 december 2022

26

Bijlage 1 Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie

1.3

Boodschappen doen

1.3.1

Definitie Boodschappen doen

Met boodschappen doen wordt het winkelaanbod bedoeld dat betrekking heeft op dagelijkse aankopen, zoals supermarkten, levensmiddelenspeciaalzaken (bakker, slager, etc.), drogisterijen en parfumeriezaken. De aanbodcijfers zijn op basis van Locatus (peildatum 1 januari 2022).

Figuur 1.6: Ontwikkeling Boodschappenaanbod

maandag 5 december 2022

27

Bijlage 1 Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie

1.3.2

Conclusies Boodschappen doen

Algemeen  Het aantal m² wvo dagelijkse artikelen neemt sinds 2015 gestaag toe (+16%), terwijl het aantal winkels beperkt afneemt. Dit betekent dat de gemiddelde schaalgrootte van winkels in de dagelijkse sector nog steeds toeneemt (schaalvergroting). Dit komt door de supermarkten.  De groei van het dagelijkse aanbod houdt verband met de groei van het inwonertal. Met name in de stedelijke gebieden is daardoor sprake van een relatief forse groei van het dagelijkse artikelenaanbod.  Opvallend is dat de groei van de winkelruimte in de dagelijkse sector in Noordoost-Brabant sterker stijgt dan het landelijke gemiddelde. Mogelijke verklaring is dat sinds 2015 de moderniseringsopgave redelijk groot was in deze regio. Bovendien zijn er in deze regio de afgelopen jaren veel plannen en initiatieven geweest ten behoeve van versterking van het dagelijkse aanbod. Dit hangt samen met de in 2015 gestelde opgave om lokale en regionale centra te herpositioneren naar boodschappencentra. Lokale verschillen  Met name in de gemeenten Oss (+7.250 m² wvo), ‘sHertogenbosch (+6.350 m² wvo) en Meierijstad (+6.000 m² wvo) is het boodschappenaanbod tussen 2015 en 2021 fors toegenomen.  Alleen in de (voormalige) gemeente Sint Anthonis is het dagelijkse aanbod afgenomen met 1.000 m² wvo. Dit komt met name door het vertrekt van de Emté supermarkt aan de Molenstraat 1.

 Opvallend is dat met name in de gemeenten Vught, ’sHertogenbosch, Uden en Bernheze ook het aantal (speciaal)zaken redelijk fors is toegenomen.

maandag 5 december 2022

Verschillen per type centrum  De toename van het dagelijkse artikelenaanbod is in alle type centra zichtbaar, maar met name in de centrale (+13.000 m² wvo) en ondersteunende centra (+8.850 m² wvo). Hier is door alle gemeenten ook het meest in geïnvesteerd.  Toch is ook buiten de reguliere detailhandelsstructuur sprake geweest van uitbreiding van het dagelijkse aanbod (volgens Locatus). Opvallend is dat dit vooral vestiging van nieuwe supermarkten betreft. In bijna alle gemeenten is sprake van minimaal één nieuwe supermarkt buiten de centra. Beleidsmatig wordt hier terughoudend mee omgegaan. Opgemerkt moet worden dat de Locatus aanduiding soms afwijkt van de lokale beleidsmatige aanduiding.  Opvallend en positief is dat in de gemeente ’s-Hertogenbosch sprake was van een daling van het aantal supermarkten buiten de centra (van 7 naar 5). Aanbod bezorgdiensten  Het aantal bezorgdiensten voor boodschappen in de regio Noordoost-Brabant is nog relatief beperkt, maar sterk groeiende. Jumbo en Albert Heijn bezorgen overal, maar de flitsbezorgers doen dit vooral in de sterk stedelijke gebieden.  In figuur 3.8 is het aantal online bezorgdiensten in Nederland per PC4-gebied weergegeven. Op basis van de ontwikkeling wordt verwacht dat het aantal bezorgdiensten ook in de regio Noordoost-Brabant de komende jaren fors zal toenemen. Ook flitsbezorgers zullen zich gaan vestigen.

Waarschijnlijk in eerste instantie in de grote en middelgrote plaatsen, maar daarna mogelijk ook in de kleinere dorpen. Dit zal resulteren in meer online afvloeiing en minder binding aan supermarkten.

Figuur 1.7: Ontwikkeling dagelijks aanbod naar type centrum

Figuur 1.8: Aantal online boodschappenaanbieders

28

Bijlage 1 Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie

1.4

Recreatief aanbod

1.4.1

Definitie Recreatief aanbod

Met recreatief winkelen bedoelen we ‘het dagje uit’ in de binnenstad of het hoofdcentrum. Recreatief aanbod bestaat uit winkels in de categorie ‘mode en luxe’ (kleding, schoenen, warenhuizen, huishoudelijke artikelen, sieraden) en ‘vrije tijd’ (sport, spel, hobby en media). De aanbodcijfers zijn op basis van Locatus (peildatum 1 januari 2022).

Figuur 1.9: Ontwikkeling Recreatief aanbod

maandag 5 december 2022

29

Bijlage 1 Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie

1.4.2

Conclusies Recreatief aanbod

Algemeen  In de regio Noordoost-Brabant neemt het recreatieve winkelaanbod al jaren structureel af, vergelijkbaar met de landelijke trend. In Noordoost-Brabant nam het aantal recreatieve winkels tussen 2015 en 2021 af met 270 winkel, totaal 48.500 m² wvo. Dit betreft of een daling van het winkelvloeroppervlak van 15%.  De daling kan voor een belangrijk deel verklaard worden door faillissementen en vertrek van grote en bekende ketens, zoals V&D, Hudsons Bay, Charles Vogele, Mexx, Miss Etam en Didi. Kleding en mode wordt steeds meer online gekocht, wat direct van invloed is op de bestedingen in fysieke winkels.  Ondanks de forse afname van recreatief aanbod leidt dit in algemene zin niet tot een toename van de leegstand. Dit komt omdat veel winkelpanden zijn ingevuld met horeca of andere publieksfuncties. Ook is transformatie naar woningen en maatschappelijke functies steeds vaker aan de orde. Wel is in diverse centra de leegstand op A1-locatie hardnekkig.

daling van het recreatieve winkelaanbod, oplopend tot 35% van het totale recreatieve winkelaanbod. Verschillen per type centrum  De afname van het recreatieve aanbod vond logischerwijs met name plaats in de centrale winkelgebieden (38.500 m² wvo). Hier zit veruit het meeste aanbod.  In absolute zin betrof het vooral de hoofdcentra van de eerdergenoemde gemeenten Oss, ’s-Hertogenbosch en Meierijstad. In relatieve zin nam het recreatief aanbod ook relatief sterk af in het centrum van Boxtel (40%) en Sint Anthonis (90%).  In de hoofdcentra van de (voormalige) gemeenten Vught, Bernheze en Landerd is het recreatieve aanbod beperkt toegenomen. In het centrum van Uden bleef het recreatieve aanbod redelijk stabiel.  In bijna alle gemeenten nam het recreatieve aanbod ook af in de verspreide bewinkeling. In enkele gemeenten nam het aanbod beperkt toe.

Figuur 1.10: Ontwikkeling recreatief aanbod naar type centrum

Lokale verschillen  Met name in de gemeente Oss was in de periode de sterkste absolute (-14.200 m² wvo) en relatieve (-40%) daling van het recreatieve aanbod zichtbaar (V&D). Het is een prestatie dat ondanks deze forse afname ook sprake was van een forse afname van de leegstand, doordat in Oss sterk wordt ingezet op diverse grootschalige transformatieprojecten.  Ook in de gemeente ’s-Hertogenbosch was sprake van een forse afname van het recreatieve aanbod (-10.800 m² wvo). In verhouding met het totale recreatieve aanbod was deze daling met ruim 10% echter beperkt.  In de (voormalige) gemeenten van het Land van Cuijk is de afgelopen jaren ook sprake geweest van een forse

maandag 5 december 2022

30

Bijlage 1 Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie

1.5

Doelgericht aanbod

1.5.1

Definitie Doelgericht aanbod

Met doelgericht winkelen bedoelen we het bezoek aan specifieke winkels, vaak in de categorie ‘in en/om huis’ op de woonboulevards en perifere retailparken. Doelgericht aanbod bestaat uit winkels in de categorie ‘in en/om huis’ (bruin- & witgoed, wonen, doe-het-zelf, plant en dier) en ‘detailhandel overig’ (kringloopwinkels, seksshops, etc.). De aanbodcijfers zijn op basis van Locatus (peildatum 1 januari 2022). Figuur 1.11: Ontwikkeling Doelgericht aanbod

maandag 5 december 2022

31

Bijlage 1 Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie

1.5.2

Conclusies Doelgericht aanbod

Algemeen  In de regio Noordoost-Brabant neemt het doelgerichte aanbod in zowel het aantal winkels (-195 winkels) als het winkelvloeroppervlak (-28.500 m² wvo) af. Opvallend daarbij is dat de trend in Noordoost-Brabant iets afwijkt van de landelijke trend. In Noordoost-Brabant neemt het aanbod in zowel het aantal winkels als aantal m² wvo relatief harder af dan landelijk. Lokale verschillen  In de gemeente Meierijstad was in de periode de sterkste absolute daling zichtbaar (-10.500 m² wvo), gevolgd door de gemeente Oss (-8.400 m² wvo) en Boxmeer (7.700 m² wvo). De relatieve daling was in Sint-Michielsgestel (-27%) het sterkst gevolgd door Boxmeer (-25%).  In Vught is het doelgerichte aanbod juist met 21% toegenomen (+2.600 m² wvo). Alleen in ’s-Hertogenbosch nam het absolute aanbod sterker toe (+5.000 m² wvo), al betrof dit slechts een relatieve stijging van 4%.

maandag 5 december 2022

Verschillen per type centrum  De afname van het doelgerichte aanbod vond in absolute zin met name plaats in de verspreidde winkelgebieden (-27.726 m² wvo). Hier zit echter nog steeds veruit het meeste aanbod (52%). Ook in centrale winkelgebieden vond een ruime daling plaats (-23.503 m² wvo).  In relatieve zin is de afname te zien in centrale winkelgebieden (-24%) en ondersteunende winkelgebieden (23%).  In absolute zin betrof de afname in winkelvloeroppervlak vooral de hoofdcentra van Oss, Sint-Michielgestel, Uden (Van Donzel is kleiner teruggekomen en verplaatst naar de woonboulevard) en Meierijstad.  Met name in ‘s-Hertogenbosch (-31), Oss (-31), Boxmeer (-9) en Meierijstad (-9) is het aantal doelgerichte verkooppunten in centrale winkelgebieden afgenomen. Alleen in Grave is het aantal verkooppunten toegenomen (+10).  In relatieve zin is de verspreidde bewinkeling het meest afgenomen inde gemeenten Bernheze, Boxmeer, Mill en Sint-Hubert, Sint Anthonis, Uden en Vught. Alleen in Boxtel is de verspreidde bewinkeling toegenomen (+4%), maar daartegenover is het aanbod in ondersteunende winkelcentra wel afgenomen (-44%).

Figuur 1.12: Ontwikkeling doelgericht aanbod naar type centrum

32

Bijlage 1 Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie

1.6

Koopstromen

1.6.1

Regionale detailhandelsstructuur

In 2015 is de regionale hoofdstructuur bepaald op basis van de hoofdcentra van de woonplaatsen, aangevuld met enkele perifere concentraties en bovenlokale trekkers. Destijds was dit ingedeeld op basis van het aantal verkooppunten (Locatus), omdat geen koopstromen gemeten waren. De omvang van het aanbod is weliswaar van invloed op het verzorgingsgebied, maar is niet per definitie bepalend voor de regionale invloed en daarmee het verzorgingsgebied. Uit het KSO2021 blijkt per winkelgebied de omzet en het aandeel toevloeiing. Hoe groter de toevloeiing, hoe groter de regionale invloed en betekenis. Uiteraard is ook dit niet alleszeggend, aangezien de toevloeiing op gemeenteniveau wordt berekend. Sommige gemeenten zijn immers groter dan andere gemeenten. Wel zegt het iets over gemeentegrens overstijgende effecten. Op basis hiervan is de regionale detailhandelsstructuur van Noordoost-Brabant geactualiseerd. Ten opzichte van 2015 zijn enkele centra verschoven:  Het centrum van Nistelrode is beleidsmatig een lokaal centrum. De omzet is aanzienlijk en het aandeel toevloeiing is met 70% zeer hoog. Hoewel het centrum relatief kleinschalig is, is de regionale invloed groot. Dit komt door Van Tilburg. Nistelrode heeft daardoor een bijzondere positie in de regionale detailhandelsstructuur.  Het centrum van Oss is verschoven van regionaal centrum naar beperkt regionaal centrum.

Hoewel Oss relatief veel omzet haalt en groot is qua omvang, trekt het centrum van Oss met name bestedingen aan uit de eigen gemeente. Het aandeel toevloeiing is met 9% relatief beperkt.  Hetzelfde is gedaan voor Boxmeer, omdat met de nieuwe gemeente Land van Cuijk Boxmeer primair een functie voor de inwoners in de gemeente heeft. Figuur 1.13: Regionale detailhandelsstructuur Noordoost-Brabant

maandag 5 december 2022

33

Bijlage 1 Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie

De indeling ‘zeer beperkt regionaal centrum’ is losgelaten, omdat beleidsmatig geen onderscheid bestaat tussen ‘beperkt’ en ‘zeer beperkt’ regionaal. Wat betreft perifere concentraties is gekozen onderscheid te maken tussen regionaal en beperkt regionaal verzorgend. Zowel de Woonboulevard / Retailpark ’sHertogenbosch als Woonboulevard Uden hebben een duidelijk regionale impact. Woonboulevard / Retailpark ’s-Hertogenbosch is in marktaandeel en aanbod wel groter dan Woonboulevard Uden. Woonboulevard Oss is in marktaandeel en aandeel toevloeiing beduidend beperkter regionaal van invloed.

1.6.2

Verzorgingsgebieden dagelijkse sector

In figuur 1.14 is de binding en toevloeiing in de dagelijkse sector per gemeente weergegeven. Het percentage in het ‘bolletje’ in de gemeente geeft de binding weer. Dit is het aandeel van het bestedingspotentieel van de inwoners dat wordt besteed in winkels binnen de gemeente (exclusief online). De ‘lijntjes’ geven het aandeel bestedingen uit andere gemeenten weer (toevloeiing) van de omzet in winkels in de gemeente. Koopstromen van beperkte waarde zijn omwille van de leesbaarheid niet weergegeven (minder dan € 2 mln.). Het volgende blijkt.  Boodschappen doet men vooral sterk in de eigen gemeente, vanwege nabijheid, gemak en efficiëntie. Dit ligt in algemene zin het hoogst in grotere gemeenten met meer en gevarieerd boodschappenaanbod.  Waar sprake is van toevloeiing komt dit met name uit de buurgemeenten (vanwege nabijheid).  Ook doet men steeds meer online de boodschappen. Dit wisselt echter sterk per gemeente. Zo doen inwoners in ’s-Hertogenbosch met 7% veel meer online boodschappen dan inwoners in de gemeente Boxtel met 2%. In Noord-Brabant ligt de gemiddelde online afvloeiing voor boodschappen op 5%.

maandag 5 december 2022

Figuur 1.14: Herkomst bestedingen dagelijkse sector (binding en toevloeiing)

34

Bijlage 1 Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie

1.6.3

Verzorgingsgebieden recreatieve sector

In figuur 1.15 is de binding en toevloeiing in de recreatieve sector per gemeente weergegeven. Het percentage in het ‘bolletje’ in de gemeente geeft de binding weer. Dit is het aandeel van het bestedingspotentieel van de inwoners dat wordt besteed in winkels binnen de gemeente (exclusief online). De ‘lijntjes’ geven het aandeel bestedingen uit andere gemeenten weer (toevloeiing) van de omzet in winkels in de gemeente. Koopstromen van beperkte waarde zijn omwille van de leesbaarheid niet weergegeven (minder dan € 2 mln.). Het volgende blijkt.  Recreatieve winkelaankopen worden in sterke mate bij de grotere centra gedaan en via internet. Met name de invloed van de hoofdcentra van ’s-Hertogenbosch en Uden zijn duidelijk zichtbaar.  Internet is over het algemeen de belangrijkste concurrent, maar wisselt ook sterk per gemeente. In de (voormalige) gemeente Uden is de afvloeiing online in recreatieve aankopen zeer beperkt met 23%. In de (voormalige) gemeente Grave ligt het aandeel afvloeiing online het hoogst met 43%. In Noord-Brabant ligt de gemiddelde online afvloeiing voor recreatief winkelaanbod op 34%.  Ook is de invloed van met name de binnensteden van Eindhoven, Venlo en Nijmegen zichtbaar. Deze resulteren in afvloeiing van bestedingen uit de regio NoordoostBrabant. Dit effect is vooral zichtbaar in het Land van Cuijk, Boekel, Boxtel en Sint-Michielsgestel.

Inwoners in deze gemeenten hebben een diffuus koopgedrag, vanwege de afstand tot diverse grotere binnensteden.

Figuur 1.15: Herkomst recreatieve sector bestedingen (toevloeiing)

maandag 5 december 2022

35

Bijlage 1 Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie

1.6.4

Verzorgingsgebieden doelgerichte sector

In figuur 1.16 is de binding en toevloeiing in de dagelijkse sector per gemeente weergegeven. Het percentage in het ‘bolletje’ in de gemeente geeft de doelgerichte weer. Dit is het aandeel van het bestedingspotentieel van de inwoners dat wordt besteed in winkels binnen de gemeente (exclusief online). De ‘lijntjes’ geven het aandeel bestedingen uit andere gemeenten weer (toevloeiing) van de omzet in winkels in de gemeente. Koopstromen van beperkte waarde zijn omwille van de leesbaarheid niet weergegeven (minder dan € 2 mln.). Het volgende blijkt.  Doelgerichte winkelaankopen worden in sterke mate bij de perifere concentraties gedaan en (nog) beperkt via internet. De invloed van Woonboulevard / Retailpark ’sHertogenbosch en Woonboulevard Uden is zichtbaar. Ook zorgt met name Ekkersrijt (Son & Breugel) voor enige afvloeiing uit de regio Noordoost-Brabant voor aankopen in de doelgerichte sector.  De afvloeiing online in de doelgerichte sector vertoont gelijkenissen met de afvloeiing online in de recreatieve sector. Ook hier doen inwoners in de (voormalige) gemeente Uden de minste aankopen online (17%) en in de (voormalige) gemeente Grave het meest (27%). In Noord-Brabant ligt de gemiddelde online afvloeiing voor doelgericht winkelaanbod op 22%.

Figuur 1.16: Herkomst doelgerichte bestedingen (toevloeiing)

maandag 5 december 2022

36

Bijlage 1 Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie

1.7

Behoefte

1.7.1

Inleiding

Op basis van het aanwezige winkelaanbod, de demografische transitie, trends en de koopstromen kan geraamd worden in hoeverre in de regio Noordoost-Brabant sprake is van goed of slecht economisch functionerend aanbod. De uitkomsten van de berekeningen zijn slechts een indicatie, omdat het een modelmatige weergave van de werkelijkheid is (meerdere aannames). Het doel van de berekeningen is een indicatie te geven van de programmatische opgave. In bijlage 1 zijn de berekeningen opgenomen. Benadruk moet worden dat uitsluitend gerekend is met de feitelijke situatie. De planologische situatie is niet geanalyseerd, waardoor geen uitspraak gedaan kan worden over de vraag in hoeverre sprake is van een planologisch tekort of overaanbod van winkelruimte. 1.7.2

Conclusie

De toekomstige behoefte aan winkelruimte verschilt sterk per sector. We verwachten dat er naast het feitelijk aanbod ook nog veel overtollige plancapaciteit aanwezig is. Per saldo leidt dit tot een situatie waarbij de winkelmarkt verzadigd is en vooral kwalitatief gekeken moet worden waar aanbod versterkt kan worden. Tegelijkertijd is er een forse saneringsopgave van onbenutte en ongewenste winkelruimte binnen en buiten centrumgebieden. De urgentie van het transformeren van leegstand in centra en het saneren van plancapaciteit buiten centra wordt de komende jaren alleen maar groter.  Dagelijkse sector: Vraag en aanbod zijn momenteel op basis van de feitelijke situatie redelijk in evenwicht. Tot 2030 zal gekoppeld aan de bevolkingsgroei enige uitbreidingsruimte ontstaan voor dagelijks winkelaanbod.  Recreatieve sector: Vraag en aanbod zijn momenteel in evenwicht. Tot 2030 moet echter rekening gehouden met een sterke verdere groei van online. Dit betekent dat

maandag 5 december 2022

tot 2030 op regioniveau rekening moeten worden gehouden met een krimp van 7% van de winkelruimte. Doelgerichte sector: Zowel in de huidige als toekomstige situatie is sprake van uitbreidingsruimte, ook als rekening wordt gehouden met een toename van online. Nuance is dat doe-het-zelf-, woon- en tuinaanbod sterk functioneert op hoogconjunctuur en de woningmarkt. Het is daardoor in eerste instantie niet verstandig deze uitbreidingsruimte in te zetten om grote nieuwe locaties uit te breiden. Deze uitbreidingsruimte kan worden ingezet om leegstand in centra op te vullen en bestaande woonboulevards kwalitatief te versterken. Uitbreiding kan ondanks marktruimte immers wel effecten hebben op bestaand aanbod.

1.8

Bilaterale gesprekken

1.8.1

Inleiding

In december 2021 en januari 2022 zijn met alle (voormalige) gemeenten gesprekken gevoerd, zowel ambtelijk als bestuurlijk. Het doel van deze gesprekken was tweeledig. Enerzijds terugkijken en evalueren op de inhoud van de visie uit 2015 en de toepassing daarvan in de regionale afstemming en samenwerking. Anderzijds vooruitkijken. Wat vindt men de belangrijkste thema’s? Hoe zou de nieuwe visie en het proces er uit moeten zien? Wat speelt er in de gemeenten met betrekking tot detailhandel? In deze paragraaf zijn de conclusies op hoofdlijnen beschreven. 1.8.2

Visie op hoofdlijnen goed: verdieping nodig

Men geeft aan dat de visie uit 2015 op hoofdlijnen duidelijk is. Het is niet wenselijk om de hoofdlijnen te wijzigen. Wel zijn bepaalde nieuwe trends van invloed op de detailhandelsstructuur en is op bepaalde thema’s verdieping nodig.

Aandacht voor stad, dorp én platteland: in de visie en in het proces zou meer aandacht besteed moeten worden aan het verschil tussen de problematiek in de stedelijke gebieden en de meer landelijke gebieden. Aandacht voor lokale verschillen: de regio NoordoostBrabant kent vele verschillende typen centra, met ieder een eigen context. Ook is het koopgedrag diffuus, zowel binnen als buiten de regio. Aandacht voor buiten de regiogrenzen: mede door het hiervoor genoemde diffuse koopgedrag, zijn ook ontwikkelingen (net) buiten de regiogrenzen relevant.

1.8.3

Concentratiebeleid blijft belangrijk

Unaniem wenst men blijvend in te zetten op vitale centrumgebieden. Dit betekent dat het beleid om detailhandel te concentreren in centra belangrijk blijft. Wel vraagt men aandacht voor specifieke situaties en maatwerk, bijvoorbeeld hoe om te gaan met boerderijwinkels, de leefbaarheid in kleinere dorpen (waar geen winkelcentrum meer is) en toeristische gebieden. 1.8.4

Samenwerking goed, maar meer focus

Over het algemeen is men positief over de samenwerking tussen de gemeenten in de regio Noordoost-Brabant. Men weet elkaar goed te vinden en de lijntjes zijn kort. Verbeterpunten zitten vooral in het proces en de overlegstructuur. Momenteel wordt het regionale overleg met betrekking tot detailhandelsvraagstukken vooral gevoerd op basis van specifieke initiatieven (in het kader van regionale afstemming van initiatieven). De wens is meer aandacht te besteden voor het uitwisselen van kennis, ervaringen en ‘best practices’. Hierdoor kan een positievere samenwerking ontstaan om elkaar ver te helpen en te zorgen dat niet elke gemeente ‘het wiel opnieuw hoeft uit te vinden’.

37

Bijlage 1 Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie

Men is geen voorstander van meer overleg en proces, maar men wenst de bestaande overlegstructuur efficiënter in te richten. Gesprekken zouden meer op de inhoud en feiten gevoerd moeten worden. Meer positief kritisch in plaats van negatief kritisch. Meer samenwerking op het gebied van bijvoorbeeld aanvraag regelingen/subsidies en specifieke thema’s. 1.8.5

Regionale afstemming niet duidelijk (genoeg)

Wanneer, met wie, waarover en hoe initiatieven regionaal afgestemd moet worden is niet altijd duidelijk. Er zijn slechts enkele casussen naar voren gekomen de afgelopen jaren. Uiteindelijk heeft de regio Noordoost-Brabant niet de juridische ‘macht’ om een initiatief met regionale impact tegen te houden. De meeste gemeenten zijn hier ook geen voorstander van. Men gaat uit van een meer informele en positieve manier van samenwerken. De rol van de Provinciale Adviescommissie is ook niet duidelijk voor gemeenten. De Adviescommissie is enkele keren ingeschakeld bij initiatieven in een vergevorderde planfase. Dit wordt als extra stap in het proces ervaren, met een beperkte meerwaarde. 1.8.6

Overleggen meer themagericht insteken

Zoals aangegeven wenst men de regionale overleggen meer themagericht in te steken en minder op losse initiatieven. De volgende thema’s zijn momenteel actueel.  Demografische transitie: de provincie Noord-Brabant is momenteel bezig met een verstedelijkingsvisie. Hierin zijn scenario’s opgenomen over waar woningbouw en bevolkingsgroei zou moeten landen. Ook gemeenten zijn zelfs actief met diverse woningbouwplannen. Tegelijkertijd verandert de demografische samenstelling, met grote verschillen tussen gemeenten in Noordoost-Brabant. Hoe ga je hier mee om? Wat betekent dit voor het lokale voorzieningenaanbod? Hoe faciliteer je groei/krimp?

maandag 5 december 2022

Leefbaarheid: samenhangend met het voorgaande staat de leefbaarheid onder druk. Meerdere ruimteclaims vereist een meer integrale afweging. Krimp in dorpen zorgt voor verlies van voorzieningen, minder leefbaarheid en daardoor minder inwoners. Een negatieve spiraal. Hoe kan dit doorbroken worden? Hoe kan het beleid hier op inspelen? Kortom, van een eenduidig regionaal beleid, naar een inspiratiekader voor kernen. Nieuwe trends: Flitsbezorgers zijn momenteel sterk expansief en zorgen voor negatieve omgevingseffecten op het gebied van onder andere veiligheid, mobiliteit, uitstraling en beleving. Hoe kan dit gereguleerd worden? Functiemenging of blurring is nog steeds een belangrijke trend. Hoe kan hier mee omgegaan worden? Wat is wenselijk? De transformatie van centra komt goed op stoom. Men kan van elkaars aanpak leveren door meer kennis en ervaring uit te wisselen. Plancapaciteit: In gemeenten is nog steeds veel harde plancapaciteit (juridische mogelijkheid voor detailhandel in bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen) voor detailhandel op ongewenste locaties buiten de centra. Een gezamenlijke aanpak zou uitkomst bieden, met een standaardisering van definities en juridische uitvoering.

1.8.7

komstscenario’s en pas op basis daarvan het beleid aan. Anderzijds is een onzekere toekomst geen reden om geen duidelijk beleid te voeren. Juist helder beleid met duidelijke keuzes helpt om iedereen dezelfde kant op te krijgen, ook marktpartijen. De opgave is de juiste balans te kiezen. 1.8.8

Meer afstemming RO en EZ

Het detailhandelsbeleid wordt vertaald in het juridisch-planologische bestel (bestemmingsplannen, omgevingsvergunningen, etc.). Met de nieuwe Omgevingswet gaat dit veranderen. Mede hierdoor is meer afstemming noodzakelijk tussen beleidsmedewerkers (EZ) en mensen die dit juridisch borgen (RO). Dit is met name binnen gemeenten een belangrijk aandachtspunt.

Toekomst onzeker: flexibiliteit en monitoring

De toekomst blijft altijd onzeker. Nieuwe concepten die niet voorzien zijn blijven ontstaat, evenals structurele trends. Corona is het meest extreme voorbeeld van een situatie die niemand had kunnen voorspellen. Onzekerheid over de toekomst vraagt om meer flexibiliteit in beleid. Blijven nadenken en gezamenlijk het gesprek blijven voeren is belangrijk. Eventueel jaarlijks evalueren van het beleid en de doelen, zonder dat dit ‘te zwaar’ wordt aangezet. Tegelijkertijd is scenarioplanning ook een uitkomst. Ga uit van meerdere toe-

38

Bijlage 2 Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie

Bijlage 2 Definities

maandag 5 december 2022

39

Bijlage 2 Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie

2

Definities

BVO/WVO  Bruto vloeroppervlak: Het bruto vloeroppervlak is de oppervlakte van een ruimte of groep van ruimten, gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen. Meten vindt plaats op basis van NEN 2580.  Winkelverkoop vloeroppervlak: alleen de voor het publiek toegankelijke ruimten (dus exclusief magazijn, kantoor, etalage, etc.).

Bestedingspotentieel Totaal aan toonbankbestedingen in winkels die door de inwoners van een bepaald gebied gedaan kunnen worden. Gebaseerd op inwoneraantal en gemiddelde (landelijke) netto omzet per hoofd van de bevolking. Hoofddetailhandelsstructuur De concentratiegebieden c.q. (winkel)centra waar beleidsmatig op wordt ingezet. Koopkrachtbinding Mate waarin inwoners van een bepaald gebied hun bestedingen verrichten bij winkels die in dat gebied gevestigd zijn.

Detailhandel (als activiteit) Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan de uiteindelijke gebruiker of verbruiker.

Koopkrachtafvloeiing Mate waarin inwoners van een bepaald gebied hun detailhandelsbestedingen plaatsen bij gevestigde winkels buiten dat gebied.

Dagelijkse sector Voedings- en genotmiddelen (vgm) en artikelen op het gebied van persoonlijke verzorging. In de praktijk gaat het hierbij om supermarktaanbod, aanbod in vgm-speciaalzaken, drogisterij- en parfumeriezaken.

Koopkrachttoevloeiing Mate waarin inwoners van buiten een bepaald gebied detailhandelsbestedingen plaatsen bij winkels die in dat gebied gevestigd zijn (aandeel omzet van buiten).

Niet-dagelijkse sector Winkels die artikelen verkopen met een doorgaans lagere koopfrequentie dan dagelijkse artikelen. In de praktijk gaat hierbij om winkels in de  Recreatieve sector: huishoudelijke artikelen, kleding, mode, schoenen, sport, rijwielen.  Doelgerichte sector: bruin- en witgoed, doe-het-zelf, wonen, tuinartikelen en dierenartikelen.

maandag 5 december 2022

Koopstroomgegevens Onderzoeksresultaten uit koopstromenonderzoek. In de basis wordt hiermee de koopkrachtbinding, -afvloeiing en –toevloeiing bedoeld. Ook kunnen kwalitatieve aspecten worden bedoeld, zoals koopmotieven, beoordelingen en persoonskenmerken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=9c4bab4c-d41e-4bc6-912c-ae9db4e1da26