18. Raadsinformatiebrief Regionale detailhandelsvisie Noordoost-Brabant
Tekst van het document
ven g Raad si nformatiebrief Datum
17 januari 2023
Onderwerp
Regionale detailhandelsvisie Noordoost-Brabant Z23 - 258461
Zaaknummer Documentnr.
UIT /23 - 526478
Inleiding Op 1 december 2022 is de nieuwe detailhandelsvisie voor de regio Noordoost-Brabant (RNOB) vastgesteld. De visie vormt de basis voor de toekomst van de detailhandelsstructuur van de regio en is een actualisatie van de detailhandelsvisie uit 2015 van de RNOB. In de regionale detailhandelsvisie wordt het fysieke winkelaanbod van de hele regio bekeken en de
trends en ontwikkelingen die hiervoor verwacht worden. Door tal van oorzaken, waaronder de concurrentie van webshops, verdwijnen steeds meer winkels uit onze dorpen en steden. In de visie is vastgelegd hoe gemeentes er samen voor zorgen dat er voldoende toekomstperspectief voor de regionale detailhandelsstructuur blijft. Die regionale detailhandelsstructuur beslaat het totaal van het winkelaanbod in de binnensteden, winkelcentra in de dorpen, perifere detailhandel (grote winkels op bedrijventerreinen) en ook buurtwinkels en winkels die in kleine kernen voor leefbaarheid zorgen.
Inhoudelijk In de visie is er vooral aandacht voor de afstemming tussen de gemeenten om ervoor te zorgen dat een nieuwe winkelontwikkeling een positieve bijdrage levert aan de totale winkelstructuur van de regio, met name wanneer een nieuwe winkel gemeentegrens overstijgende effecten heeft. Voor deze detailhandelsontwikkelingen zijn in deze visie afspraken gemaakt over afstemming tussen de buurgemeenten.
Gevolg In hoofdstuk 2.4 zijn doelstellingen geformuleerd om vitale winkelcentra te behouden. Concentratie van winkelgebieden, functiemenging en aantrekkelijkheid winkelgebieden zijn relevant voor de winkelgebieden van Vught en daarom opgenomen en verder uitgewerkt als beleidsdoelstellingen in het economische beleid van Vught. In hoofdstuk 2.8 staat dat initiatieven met een gemeentegrens overstijgend effect regionaal afgestemd worden. Deze afspraak is gelijk gebleven aan de detailhandelsvisie van 2015 om de regionale winkelstructuur te behouden. Dit draagt bij aan de ambitie uit ons lokale economie beleid om onze bestaande winkelgebieden gezond te houden.
1/2
voce Burgemeester en wethouders van Vught, de secretaris, de burgemeester,
R.J. van de Mortel
Bijlage(n): 1. Regionale detailhandelsvisie Noordoost Brabant
2/2
Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie Regionaal winkelbeleid Vastgesteld dd 1 december 2022
colofon
projectnaam Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie datum 5 december 2022 projectnummer P04948 opdrachtgever Regio Noordoost Brabant BRO projectleider RvL projectteam FWi, KtB bron Kaft BRO Deze detailhandelsvisie is onderdeel van het Regio Deal project ‘Transformatie centra middelgrote steden’. De visie is tot stand gekomen door samenwerking tussen de gemeenten in Noordoost Brabant en de provincie Noord-Brabant.
BRO Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl www.bro.nl
2.7 Flitsbezorgers, internethandel en afhaalpunten 2.8 Hoe gaan we met elkaar om in de regio?
Inhoudsopgave 1
2
Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Doel 1.3 Leeswijzer
3 3 3 3
Visie 2.1 Regionale detailhandelsstructuur
4 4
2.1.1
Inleiding
4
2.1.2
Bovenregionaal centrum
4
2.1.3
Regionaal centrum
5
2.1.4
Beperkt regionaal centrum
6
2.1.5
Lokaal centrum
7
2.1.6
Regionale perifere detailhandelsconcentratie
8
2.1.7
Beperkt regionale perifere detailhandelsconcentratie
8
2.1.8
Bijzonder centrum
8
2.1.9
Overige dorpscentra (niet behorende tot de regionale detailhandelsstructuur)
2.1.10
3
2.8.1
Positieve samenwerking
15
2.8.2
Regionale afstemming
15
Uitvoeringskader 3.1 Organisatie 3.2 Saneren plancapaciteit Doel
17
3.2.2
Stap 1: creëren voorzienbaarheid
17
3.2.3
Stap 2: inventarisatie plancapaciteit
17
3.2.4
Stap 2: saneren plancapaciteit
3.3 Handhaving 3.4 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.5 Dienstenrichtlijn 3.5.1
Stap 1: inventarisatie beperkingen
19
3.5.2
Stap 2: toets aan de Dienstenrichtlijn
19
Bijlage 1
Analyse
Bijlage 2
Kwantitatieve behoefte
8
Conclusie
9
Bijlage 3
Definities
2.2 Essentie van de visie 2.3 Wat komt er op ons af? 2.4 We willen vitale centrumgebieden
9 10 11
Bijlage 4
Regionale impact
Bijlage 5
11 richtinggevende principes provincie Noord-Brabant
Bijlage 6
Toets leegstand op aanvaardbaarheid bij winkelinitiatief
2.4.1
Concentratie en clustering
11
2.4.2
Verspreide bewinkeling terugdringen
11
2.4.3
Compacte winkelgebieden
11
2.4.4
Transformatie
11
2.4.5
Ruimte bieden voor vernieuwing
12
2.4.6
Goede consumentenverzorging en leefbaarheid
12
2.4.7
Complementariteit centra regionale structuur
12
2.4.8
Functiemix in het centrum
maandag 5 december 2022
18
18 20 18
8
Overige buurt-, wijk- en stadsdeelcentra (niet behorende tot de
2.5 Ruimte voor maatwerk 2.6 Leefbaarheid in kleine kernen
17 17 17
3.2.1
regionale detailhandelsstructuur) 2.1.11
14 15
13
13 13
2
1 Inleiding Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
Via onder andere het programma: “Transformatie centra middelgrote steden in Noordoost-Brabant” van de provincie en diverse middelgrote steden wordt in de regio hard gewerkt aan toekomstbestendige centra. Ook zijn gemeenten en marktpartijen volop aan het investeren in vitale en toekomstige centrumgebieden, via transformatie, vergroening, leegstandsbestrijding en autoluwe centra. De detailhandel is volop in ontwikkeling. De online kooporiëntatie neemt toe, mede als gevolg van Corona. Er vinden verschuivingen plaats binnen het aanbod en de koopstromen. Locatiekeuzes van winkelbedrijven veranderen. Stilstand is achteruitgang. In de bovenstaande context wordt regionale samenwerking en afstemming steeds belangrijker. De opgaven stoppen niet bij de gemeente- (of lands)grens. Dit vraagt om actuele, duidelijke en weloverwogen regionale beleidsdoelen, vertaald naar praktisch toetsbaar en uitvoerbaar beleid. De provincie Noord-Brabant heeft 11 richtinggevende principes geformuleerd als input voor nieuw regionaal detailhandelsbeleid (zie bijlage 5).
1.2
Doel
De regio Noordoost-Brabant wenst een actualisatie van de eerder door BRO opgestelde detailhandelsvisie uit 2015. Dit rapport voorziet hierin en is het primaire beleid- en toetsingskader voor detailhandelsinitiatieven.
1.3
winkelaanbod en winkelcentra in de regio NoordoostBrabant tot 2030. Ook zijn hierin de spelregels opgenomen hoe en wanneer initiatieven regionaal moeten worden afgestemd. Hoofdstuk 3 Uitvoeringskader: bevat de belangrijkste regionale ambtelijke en bestuurlijke afspraken om de regionale ambities en doelen te bereiken. Dit hoofdstuk kan worden beschouwd als het regionale uitvoeringskader van de visie en het beleid. Bijlage 1 - Analyse: bevat de kwantitatieve analyse op basis van de ontwikkeling van winkelaanbod, leegstand en koopstromen. Op basis van deze inzichten is zijn berekeningen gemaakt over de toekomstige behoefte aan winkelaanbod in de regio. Ook is een meer kwalitatieve analyse opgenomen op basis van bilaterale gesprekken met alle (voormalige) gemeenten in de regio, zowel ambtelijk als bestuurlijk. Bijlage 2 - Definities: bevat een toelichting op veel gebruikte definities in dit rapport. Bijlage 3 - Kwantitatieve behoefte: bevat de berekeningen en toelichting op de kwantitatieve behoefteramingein voor de regio. Bijlage 4 - Regionale impact hoofdstructuur: bevat de cijfermatige resultaten uit het KSO2021 per centrumgebied ten aanzien van bovengemeentelijke toevloeiing. Bijlage 5 - 11 richtinggevende principes van de provincie Noord-Brabant: uitgangspunten voor de totstandkoming van regionaal beleid in de provincie NoordBrabant.
Bijlage 6 - Toets leegstand op aanvaardbaarheid bij winkelinitiatief.
Leeswijzer
Dit rapport bestaat uit de volgende onderdelen. Hoofdstuk 2 Visie: bevat een uiteenzetting van de ambities en het wensbeeld voor de ontwikkeling van het
maandag 5 december 2022
3
2 Visie Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie
2
Visie
2.1
Regionale detailhandelsstructuur
2.1.1
Inleiding
De regionale hiërarchie geeft inzicht in het profiel per (regionaal relevant) centrumgebied. Het doel van een regionale hierarchie is onderscheid en complementariteit tussen centra onderling te borgen. Diverse aspecten zijn bepalend voor het verzorgingsniveau van een centrumgebied. Zie bijlage 4. Omvang van het centrumgebied in aantal publieksfuncties (winkels, horeca, cultuur en diensten). Omvang en samenstelling demografie. Geografische ligging en afstand tot andere centra. Kwalitatieve concurrentiepositie ten opzichte van andere centra en het internet (specifieke trekkers, toeristische aantrekkingskracht, evenementen, etc.). Het verzorgingsgebied kan het beste gemeten worden met behulp van koopstromenonderzoek. Het consumentengedrag is immers leidend. De toevloeiing (bestedingen van buiten de eigen gemeente) is een belangrijke indicatie voor effecten die zich manifesteren over de gemeentegrens. Hoe meer toevloeiing, hoe groter de regionale impact en daarmee relevantie voor de regionale samenwerking. Op basis van het Koopstromenonderzoek 2021 is de regionale hiërarchie objectief geformuleerd (zie kaart). Nadere uitleg is te vinden in bijlage 1.6. Dit is de huidige situatie, maar tevens ook het uitgangspunt voor de toekomst. In deze paragraaf wordt ingegaan op de visie per type centrum. 2.1.2
Bovenregionaal centrum
Brede binnenstad ‘s-Hertogenbosch
Figuur 1: Regionale detailhandelsstructuur Noordoost-Brabant
maandag 5 december 2022
4
2 Visie Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie
De brede binnenstad van ’s-Hertogenbosch is de grootste binnenstad met de meeste bovenregionale aantrekkingskracht in Noordoost-Brabant. Het perspectief is goed, gezien het sterke toeristisch-recreatieve profiel, de combinatie van aantrekkelijk winkelaanbod met veel aanvullend aanbod in horeca, diensten en cultuur en de beperkte leegstand. Binnen de context van het bovenregionale verzorgingsgebied past een verdere verbreding van het aanbod, wat om extra ruimte vraagt net buiten historische stadsgracht. De gemeente spreekt in dat kader van de ‘brede binnenstad’, met naast de historische binnenstad ook ontwikkelingen in bijvoorbeeld de Spoorzone en Bossche Stadsdelta. De focus ligt hier niet zozeer op winkels, maar op andere voorzieningen. Ook de brede binnenstad van ’s-Hertogenbosch streeft naar een compact winkelgebied. Het regionale beleid ondersteunt de verdere doorontwikkeling van de brede binnenstad en het behouden van een compact winkelgebied.
eigen wijze ontwikkeld, waardoor meer complementariteit bestaat tussen de centra. Er is daardoor ook minder sprake van een spanningsveld. Samengevat heeft het centrum van Uden zich nadrukkelijker ontwikkeld als ‘hart’ van de regio, met een
Vanwege de ligging en omvang is de brede binnenstad van ’s-Hertogenbosch voor veel inwoners in Noordoost-Brabant niet het meest logische alternatief om een dagje te winkelen. De brede Bossche binnenstad concurreert vooral met andere grote binnensteden buiten de regio, zoals Nijmegen, Eindhoven, Utrecht en Tilburg. Voor het winkelaanbod in de brede binnenstad is het belangrijk voldoende reuring en bezoekers te blijven aantrekken. Een aantrekkelijk voetgangers- en verblijfsklimaat. Aanwezigheid van andere publieksfuncties dragen bij aan combinatiebezoeken. De komende tijd ligt de prioriteit bij de uitvoering van het Economisch Perspectief Brede Binnenstad. 2.1.3
Regionaal centrum
Onderlinge samenhang centrumgebieden In de visie uit 2015 werd uitgegaan van een bepaalde overlap van verzorgingsgebieden tussen het centrum van Uden, Oss en Boxmeer. Inmiddels hebben deze drie centra zich op
maandag 5 december 2022
5
2 Visie Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie
duidelijke regionale verzorgingsfunctie. Oss en Veghel hebben veel geinvesteerd in het terugdringen van leegstand door transformatie. Qua profiel focussen deze centra zich steeds meer op de inwoners in de eigen gemeente, wat ook duidelijk terug te zien is in het Koopstromenonderzoek. Centrum Uden Uden heeft de laatste jaren een positieve transitie doorgemaakt. De leegstand is altijd redelijk stabiel gebleven en met name het afgelopen jaar fors teruggedrongen. Ook zijn tegen de landelijke trend in relatief veel nieuwe winkels aangetrokken. De bezoeker waardeert het centrum bovengemiddeld goed, verblijft bovengemiddeld lang en het aanbod functioneert naar behoren. Door onder andere deze ontwikkelingen heeft het centrum van Uden haar regionale verzorgingsfunctie verder weten te versterken. Continueren en doorontwikkelen van de huidige koers is gewenst. Het behouden van een compact winkelgebied met tegelijkertijd een breed pakket aan publieksvoorzieningen met horeca, diensten, cultuur en leisure draagt bij aan de aantrekkelijkheid van het bruisende ‘hart’ van Noordoost-Brabant. 2.1.4
Beperkt regionaal centrum
Centrum Oss Het centrum van Oss heeft de afgelopen jaren hard gewerkt aan herpositionering. Meer focus op de lokale verzorgingsfunctie en met meer nadruk op de dagelijkse boodschappen. Ook is sterk ingezet op een duidelijkere branchering in de vorm van een compact hart, de ‘pit’ en een randgebied de ‘schil’. Momenteel zijn diverse transformatieprojecten in voorbereiding of in uitvoering. Het draagvlak voor het centrum van Oss is aanzienlijk, ook al is het vooral lokaal verzorgend. Alleen de gemeente telt al ruim 90.000 inwoners. Oss is in aantal publieksfuncties echter nog wel groter dan Uden (zie
maandag 5 december 2022
Binnenstad ‘s-Hertogenbosch
6
2 Visie Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie
bijlage 4). De ontwikkelingen in het centrum van Oss zijn positief voor het toekomstperspectief. Continueren en doorontwikkelen van de huidige koers is gewenst. Centrum Boxmeer In het Land van Cuijk is de positie van het centrum van Boxmeer versterkt. De centrumgebieden in de directe omgeving van het centrum van Boxmeer hebben steeds meer een dagelijks verzorgende lokale functie gekregen waardoor Boxmeer de centrale plaats is geworden van de nieuwe gemeente. De afstand tot Uden, maar ook tot Nijmegen en Venlo is aanzienlijk waardoor Boxmeer centrum duidelijk een eigen verzorgingsgebied heeft. Binnen de nieuwe gemeente ligt de opgave om de bestaande centra van Boxmeer, Grave en Cuijk onderling nog beter te positioneren. De bestaande Detailhandelsvisie Land van Cuijk biedt goede aanknopingspunten. Centrum Veghel Het centrum heeft van oudsher veel overlap in verzorgingsgebied met Uden. Het verzorgingsgebied van het centrum van Veghel is de laatste jaren verder ingekrompen. Sinds 2015 is ook met het gemeentelijk beleid en de centrumvisie meer de focus gekomen op het bedienen van de inwoners van Veghel en omliggende dorpen. Dit is positief. De opgave ligt in het terugdringen van de bovengemiddelde leegstand. Gezien de veranderende winkelmarkt en het draagvlak is het niet haalbaar om al deze publieke meters van aantrekkelijk programma te voorzien.
De balans in het centrum dient te herstellen. Dit betekent terugkeren naar de basisvoorzieningen van de eigen inwoners met minder ruimte voor detailhandel. Een compact winkelgebied is hiervoor essentieel.
Centrum Rosmalen Het centrum van Rosmalen heeft de laatste jaren een positieve transitie doorgemaakt. Als onderdeel van het centrumplan (opening september 2018) is er winkelruimte en commercieel aanbod verdwenen en zijn winkeltrekkers toegevoegd of uitgebreid. Meer concentratie is en blijft het devies (winkels van buiten naar binnen in compacter centrum). De komende tijd ligt de prioriteit bij koershouden en uitvoering van het Actieplan Versterking Centrum Rosmalen.
de directe omgeving komen, is er toch sprake van significante toevloeiing. Dit maakt het centrum ook regionaal relevant. De afgelopen jaren is veel geïnvesteerd in het centrum. Het boodschappenaanbod is verder uitgebreid en de kwaliteit verhoogt. De consument waardeert dit ook hoog. De opgave ligt in het houden van koers: een compact stadsdeelcentrum met een nadruk op boodschappen doen (met een plus, dus ook bepaalde mate van mode, sport, en doelgericht winkelaanbod) en lokaal ontmoeten.
Centrum Schijndel Het Schijndelse centrum heeft het afgelopen jaren een forse transitie doorgemaakt. De centrumvisie heeft daar aan bijgedragen. Met het autovrij maken van het centrale deel van de Hoofdstraat, de bouw van de Glazen Boerderij en de herinrichting van de openbare ruimte is er een compact, overzichtelijk en aantrekkelijk dorpscentrum gerealiseerd voor de eigen inwoners. Een compact dorpshart met een winkelaanbod dat aansluit op de lokale behoefte is uitgangspunt. De uitdaging ligt in het vasthouden van deze koers.
2.1.5
Centrum Heesch Het centrum van Heesch ligt nabij veel andere centra in Oss, Nistelrode, en Uden. Ook de binnensteden van ’s-Hertogenbosch en Nijmegen zijn goed te bereiken vanuit Heesch. Dit betekent dat het recreatief winkelen in het centrum al jaren onder druk staat. De leegstand is echter beperkt en er wordt door de gemeente, ondernemers en vastgoedeigenaren hard gewerkt aan een aantrekkelijk en toekomstbestendig centrum. Compleet, compact en comfortabel zijn de sleutelwoorden. De opgave ligt in koershouden en verdere focus op de behoefte van de lokale inwoners.
Lokaal centrum
Doordat de structuur op het niveau van het bovenregionale centrum, de regionale centra en het beperkt regionale centrum in Noordoost-Brabant is uitgekristalliseerd, is ook de positie van de lokaal verzorgende centra duidelijker geworden. Binnen deze groep centrumgebieden zijn de onderlinge verschillen wel groot. Dit komt hoofdzakelijk door het verschil in omvang (aantal inwoners) van het lokale verzorgingsgebied. Opgemerkt moet worden dat te veel nadruk op één van de drie hoofddoelen (zie figuur 4.1) altijd leidt tot negatieve effecten op de andere doelen. Om deze reden is een zorgvuldige balans noodzakelijk. Dit vraagt om genuanceerde en weloverwogen keuzes in beleid op lokaal niveau om de vitaliteit van de lokale centra zo sterk mogelijk te ontwikkelen. In lokale centra ligt het accent vanuit detailhandel altijd op boodschappen doen, zoals het behoud van minimaal één supermarkt of levensmiddelenzaak in het dorp. Op lokaal niveau dient goed gekeken te worden welke andere voorzieningen noodzakelijk zijn voor de leefbaarheid. Het wijk- of dorpshart kan ook voor deze functies ruimte bieden.
Helftheuvelpassage ’s-Hertogenbosch De Helftheuvelpassage is een stadsdeelcentrum in de gemeente ’s-Hertogenbosch. Hoewel de meeste bezoekers uit
maandag 5 december 2022
7
2 Visie Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie
2.1.6
Regionale perifere detailhandelsconcentratie
Woonboulevard/retailpark ’s-Hertogenbosch De bovenregionale positie van de Bossche binnenstad weerspiegelt zich ook in de positie van het retailpark. Het grootschalig aanbod op deze locatie kent een goede balans met het aanbod in de binnenstad. De bezoekers uit ’s-Hertogenbosch en de regio weten het retailpark goed te vinden. De positie van dit centrum is de afgelopen jaren versterkt. Het bewaken van de complementariteit met de brede binnenstad van ’s-Hertogenbosch is van belang.
2.1.8
Centrum Nistelrode Het centrum van Nistelrode wordt gedomineerd door de aanwezigheid van de zeer sterke trekker Van Tilburg. Het regionale bezoek is doelgericht. Het overige aanbod is op een enkele uitzondering na, lokaal dagelijks verzorgend. De huidige regionale invloed van Van Tilburg is een gegeven. Nieuwe ontwikkelingen zouden idealiter moeten passen binnen het profiel en verzorgingsgebied van een lokaal centrum. 2.1.9
Woonboulevard Uden Binnen de regio Noordoost-Brabant heeft de woonboulevard Uden de positie versterkt. Enerzijds door de andere invulling van het profiel ten opzichte van het retailpark ’s-Hertogenbosch, maar ook door het verschil met de kleinere beperkt regionale perifere detailhandelsconcentratie in de regio (woonboulevard Oss) en het lokaal verzorgende als dan niet geclusterde perifere aanbod. Voor Uden geldt net als voor ’sHertogenbosch het belang van het bewaken van de complementariteit tussen de woonboulevard en het centrum. 2.1.7
Beperkt regionale perifere detailhandelsconcentratie
Woonboulevard Oss Vergelijkbaar met de succesvolle herpositionering van het centrum van Oss heeft ook de woonboulevard haar positie als sterke lokale speler met een beperkte regionale verzorgingsfunctie goed in kunnen vullen. Ook hier geldt voor de toekomst het bewaken van de complementariteit tussen de woonboulevard en het centrum.
maandag 5 december 2022
Bijzonder centrum
Overige dorpscentra (niet behorende tot de regionale detailhandelsstructuur)
Naast de centra op de kaart die behoren tot de regionale detailhandelsstructuur zijn er nog vele andere dorpscentra, zoals die van Sint-Anthonis, Heeswijk-Dinther, Nuland of Mill. Deze centrumgebieden zijn niet minder belangrijk voor de leefbaarheid, maar vervullen een zeer lokale functie. De omvang van het winkelaanbod is vaak ook beperkt, met vaak hooguit een supermarkt en enkele dagwinkels. Er is voor deze centra geen eenduidig perspectief af te geven. Dit wisselt sterk per centrum. De grootste uitdaging in deze dorpen is het op peil houden van de leefbaarheid. Vaak betekent dit het behoud van een supermarkt in het dorp. Als het draagvlak te klein is, is dit niet altijd meer mogelijk omdat de supermarkt of andere winkels te handhaven. Deze visie gaat uit van concentratie in bestaande centra. In uitzonderlijke situaties kan maatwerk echter noodzakelijk zijn om de toekomstbestendigheid van een supermarkt in het dorp te borgen. Dit vraagt soms om moeilijke maar noodzakelijke bestuurlijke keuzes. Meestal zijn dit keuzes binnen de gemeente. Zodra ook sprake is van gemeentegrens overstijgende effecten dient intensieve afstemming met de regio plaats te vinden, met name de buurgemeente(n).
2.1.10
Overige buurt-, wijk- en stadsdeelcentra (niet behorende tot de regionale detailhandelsstructuur)
In met name de grotere kernen zijn naast de hoofdcentra ook veel buurt-, wijk- en stadsdeelcentra aanwezig. Deze centra voorzien primair in de dagelijkse boodschappen en hebben lokale verzorgingsgebieden. Hoewel dit beleid zich primair focust op de regionale detailhandelsstructuur, zijn de algemene doelen uit deze visie ook van toepassing op deze centra. Investeren in vitale buurt-, wijk- en stadsdeelcentra is belangrijk voor de leefbaarheid in woongebieden en het economisch vestigingsklimaat. Solitaire vestigingen van bijvoorbeeld supermarkten dragen over het algemeen niet bij aan deze uitgangspunten en doen afbreuk aan het functioneren van centra op buurt- en wijkniveau. Deze visie gaat ook voor deze centra uit van concentratie van detailhandel. Bovendien is een evenwichtige spreiding van buurt- en wijkcentra belangrijk om de fijnmazigheid te borgen en daarmee de toegang tot levensmiddelen binnen aanvaardbare afstand tot de eigen woning. 2.1.11
Solitaire detailhandel met regionale aantrekkingskracht
In de regio Noordoost-Brabant zijn enkele (vaak) grootschalige solitaire winkels aanwezig met een (boven)regionale aantrekkingskracht. Denk aan De Wit of Van Cranenbroek te Schijndel. Dit soort winkels hebben effecten op reguliere centra, ook in andere gemeenten. Bestaande grootschalige solitaire winkels van dit type die qua aard van het assortiment (volumineus) eigenlijk thuis horen in centra, zouden in principe niet verder uitgebreid moeten worden. Als er toch plannen zijn voor uitbreiding dient dit zorgvuldig te worden afgestemd in de regio. Verder geldt nadrukkelijke terughoudendheid bij nieuwe initiatieven van deze aard.
8
2 Visie Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie
Verder zijn er nog de aanbieders die niet in de centra zitten, maar vanwege de volumineuze aard van het assortiment wel wenselijk zijn op perifere solitaire locaties. Denk aan winkels in zwembaden, zonwering, haarden, tegels, etc. Effecten op centra zijn er niet. Effecten op andere winkels blijven vaak beperkt. Wel kunnen deze winkels mogelijk de ruimtebehoefte voor bedrijven op bedrijventerreinen invullen. Dit kan vanuit bijvoorbeeld een visie op werklocaties onwenselijk zijn. Dit vraagt per gemeente om zorgvuldige en integrale afweging. Ook vanuit het perspectief op de regionale programmering van werklocaties. 2.1.12
Conclusie
Zowel voor de centrumgebieden als voor de perifere concentraties is de regionale detailhandelsstructuur in NoordoostBrabant sinds de vorige detailhandelsvisie uit 2015 duidelijker geworden. De onderlinge afstemming over ontwikkelingen in regionaal verband heeft daar zeker toe bijgedragen, maar ook de markt heeft keuzes gemaakt. In de afgelopen jaren is er veel veranderd in de detailhandel. Aanbieders hebben scherpere keuze gemaakt ten aanzien van de wenselijke vestigingsplaatsen. Voor de komende jaren zal de dynamiek nog steeds erg groot zijn, maar Noordoost-Brabant kent nu een sterkere uitgangspositie dan 7 jaar geleden door betere complementariteit tussen centra. Onderlinge afstemming en een proactieve benadering in de regionale samenwerking is voor de vitale winkelstructuur van belang.
2.2
Essentie van de visie
centra, wijk- en buurtcentra en de woonboulevards. Dit betekent voortzetten van het blijven clusteren van winkels in centra, het compact houden van de centra, het transformeren van overtollige winkelmeters binnen centra en het doorontwikkelingen conform het profiel en verzorgingsfunctie zoals aangegeven in deze visie. Om vitale en toekomstige centra te creëren dient niet alleen geïnvesteerd te worden binnen de centra, maar juist ook daarbuiten. In veel gemeenten zijn nog veel overtollige winkelmeters aanwezig, met name onbenutte of verborgen plancapaciteit in bestemmingsplannen op slechte en ongewenste plekken. De regio vindt het belangrijk met name onbenutte en ongewenste plancapaciteit met een regionale impact binnen gemeenten juridisch te saneren. Niet alleen de overheid heeft een taak om centra vitaal en toekomstbestendig te maken. Ook van ondernemers en vastgoedeigenaren wordt verwacht dat ze investeren in toekomstbestendige centrumgebieden. Gemeenten vinden het belangrijk duidelijkheid te creëren over de ontwikkelingsrichting ten gunste van het investeringsklimaat. Ondernemerschap, vernieuwing en dynamiek binnen centra moet gewaardeerd en gefaciliteerd worden.
Hoe willen we met elkaar omgaan in de regio? Gemeenten in de regio Noordoost-Brabant willen op een nieuwe manier binnen regionaal verband met elkaar samenwerken. Vertrouwen in elkaar is een belangrijke basis voor een goede samenwerking. Dit vertrouwen is er, maar kan alleen gehandhaafd blijven indien gemeenten met elkaar het gesprek blijven voeren. De regionale afstemming van initiatieven blijft belangrijk. Elkaar informeren, argumenten uitwisselen en respect voor elkaars zorgen zijn de uitgangspunten. Tegelijkertijd wordt de samenwerking op diverse concrete thema’s geïntensiveerd, zoals ten aanzien van het reduceren van onbenutte en ongewenste plancapaciteit met een regionale impact, het op peil houden van de leefbaarheid in kleine kernen en transformatie van winkelpanden naar andere functies. Deze thema’s dienen nadrukkelijk terug te komen op de regionale agenda en in overleg. Een aanzet voor de uitvoering is de vinden in het uitvoeringshoofdstuk van deze visie. Deze visie moet worden beschouwd als convenant tussen gemeenten in de regio. Dit betekent dat elke gemeente zelf de verantwoordelijkheid heeft zich te houden aan deze visie. Gemeenten zouden elkaar ook kunnen aanspreken. Uiteindelijk moeten gemeenten in de regio het samen doen. Dit onderstreept nogmaals het belang van een goede positieve samenwerking met vertrouwen in elkaar en respect voor elkaars zorgen.
Wat willen we met elkaar bereiken in de regio? Gemeenten in de regio Noordoost-Brabant willen verder investeren in vitale en toekomstbestendige centrum- en winkelgebieden. Dit betreft de binnensteden, dorps-
maandag 5 december 2022
9
2 Visie Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie
2.3
Wat komt er op ons af?
De behoefte aan winkelruimte in met name de recreatieve sector (mode, warenhuizen, luxe, sport, speelgoed, media en hobby) zal gaan afnemen (gemiddeld circa 7% tot 2030). Deze krimp vindt vooral plaats in de hoofdcentra van de regionale detailhandelsstructuur. Dit betekent een blijvende opgave om winkelgebieden (nog) compacter te maken en overtollige winkelruimte te transformeren. Tegelijkertijd blijven winkelvestigingen buiten centra aantrekkelijk voor ondernemers, bijvoorbeeld op bedrijventerreinen, omdat het vaak goedkoper is. Dit dient zoveel mogelijk voorkomen te worden om de centra vitaal te houden. Daarnaast ligt er een opgave om ongewenste plancapaciteit voor winkels buiten centra te saneren. Dit vraagt om een betere samenwerking tussen EZ en RO. De nieuwe Omgevingswet vraagt hier ook om. Toekomstige behoefte aan winkels ligt genuanceerd De winkelfunctie zal in 2030 minder dominant zijn. Met name het recreatieve winkelaanbod zal gestaag afnemen. Op basis van berekeningen moet in de regio worden uitgegaan van een krimp tot gemiddeld 7% in 2030. Online bestedingen groeien verder door; Modische winkelketens zullen hun vestigingsbeleid aanpassen (per saldo minder locaties); Andere functies, zoals horeca, diensten en maatschappelijk vragen meer ruimte in centra.
Anderzijds zien we op basis van trends en distributieve berekeningen tot 2030 nog steeds een sterke groei van het dagelijks aanbod. Supermarktontwikkelingen volgen veelal de bevolkingsgroei. In centrumgebieden neemt het perspectief voor versspeciaalzaken en ambachten toe. Dit biedt kansen voor nieuwvestigingen.
maandag 5 december 2022
De groeipotentie in de doelgerichte sector lijkt positief, maar is onzeker door macro economische ontwikkelingen. Met name in binnensteden komen steeds meer decoratieve woonwinkels en aantrekkelijke showrooms. Woonboulevards kennen momenteel nauwelijks leegstand en functioneren zeer goed. Online bestedingen nemen ook in deze sector fors toe. Hierdoor zijn niet altijd meer grotere perifere vestigingen nodig. Bovendien is deze sector sterk conjunctuur gevoelig, waardoor de groeipotentie onzeker blijft. Macro economische onzekerheden en historisch laag consumentenvertrouwen kunnen er toe leiden dat bestedingen in deze sector gaan krimpen. Tegelijkertijd ligt branchevervaging op de loer, wat zorgt voor meer overlap met binnensteden. Zowel in de online als offline detailhandel ontstaan nieuwe formules en concepten. Steeds vaker een combinatie van beiden (multi-channel). Sommige webwinkels willen ook een fysiek winkels als showroom, servicepunt of plek om contact te maken met de klant. Centrumgebieden zijn hier bij uitstek de aangewezen plek voor. Nieuwe buitenlandse formules treden toe tot de Nederlandse markt, zoals Chinese, Koreaanse, Amerikaanse en Scandinavische formules. Deze internationale ketens zullen zich vooral op de grotere binnensteden concentreren (met name ’s-Hertogenbosch en mogelijk ook Uden).
Perspectief winkelaanbod per centrum verschillend De ontwikkeling van de behoefte aan detailhandel zal sterk verschillen per gemeente en woonplaats. Voor de meeste gemeenten en centra in Noordoost-Brabant ligt de opgave het winkelaanbod in zowel kwantitatieve en kwalitatieve zin beter af te stemmen op de eigen inwoners. Bovenregionale en regionale centra zullen in elk geval het aantal ketens en (winkel)trekkers op peil moeten houden. Idealiter zijn er ook nieuwe bijgekomen. Het
winkelaanbod is gevarieerd en kwalitatief onderscheidend ten opzichte andere centra en het internet. Het recreatief winkelaanbod is hier idealiter nog in volle glorie aanwezig, aangevuld met boodschappen aanbod en doelgerichte speciaalzaken. Beperkt regionale en lokale centra zouden zich meer moeten focussen op de eigen inwoners. Het winkelaanbod is bescheiden en richt zich steeds meer op frequente aankopen, gemak en efficiëntie. Het winkelaanbod bestaat uit relatief veel lokaal ondernemerschap. Het perspectief voor detailhandel en andere voorzieningen in kleinere kernen zal steeds meer onder druk komen te staan. Een neerwaartse spiraal dient doorbroken te worden. Het begint met het behouden van inwoners, door te investeren in voldoende woningen en een aantrekkelijke leefomgeving. Dit betekent dat in dorpen gewerkt moet worden aan de leefbaarheid, door bijvoorbeeld een goede (OV) bereikbaarheid en het behoud van basisvoorzieningen binnen aanvaardbare afstand (zoals een school, een supermarkt en een apotheek). De winkelfunctie van centra zal ruimtelijk compacter zijn, zeker waar sprake is van krimp van het winkelaanbod. Hierdoor is het essentieel om te blijven streven naar een compact winkelgebied. Centrumgebieden zullen een meer evenwichtige functiemix krijgen. Het winkelaanbod zal in veel centra minder dominant worden, maar daarvoor in de plaats komen andere publieksfuncties.
Met name ambachtelijke, maatschappelijke en sociale voorzieningen zullen een plek vinden in de centra. In met name de centra in kleinere kernen is herinvulling met andere functies niet vanzelfsprekend. Zoals eerder aangegeven staat hier het functioneren van veel voorzieningen onder druk. Wonen in centra zal eveneens toenemen, maar hier gaat het om het vinden van de juiste balans. Maatwerk dient geleverd te worden, omdat de woonfunctie (met name in
10
2 Visie Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie
de plint) niet altijd goed samengaat met publieksfuncties. Bovendien blijft de publieksfunctie van centrumgebieden essentieel voor de sociale ontmoetingsfunctie. Risico op verspreide bewinkeling blijft groot De ruimtedruk in centra en hogere huurprijzen zorgt er voor dat ‘goedkope’ perifere locaties ook in 2030 aantrekkelijk blijven. Voor bepaalde vormen van detailhandel (aard en/of omvang) of in het kader van de leefbaarheid kan in sommige situaties vestiging buiten centra denkbaar zijn. Dit zou echter niet de norm moeten zijn. Ook vanuit het perspectief van werklocaties en bedrijventerreinen is het wenselijk locaties vrij te maken voor andere economische functies, niet zijnde detailhandel. Ook vanuit het perspectief van de Dienstenrichtlijn is het terughoudend omgaan met verspreide bewinkeling wenselijk, om coherent en systematisch te handelen conform beleid (zie paragraaf 3.4). Tevens zou gewerkt moeten worden het brengen van coherentie en eenduidigheid in definities. De nieuwe Omgevingswet biedt kansen om middels het omgevingsplan in te zetten op het bovenstaande.
2.4
We willen vitale centrumgebieden
Ambitie: vitale, toekomstbestendige winkelgebieden met een passend winkelaanbod gericht op de doelgroep binnen het verzorgingsgebied. De prioriteit van deze visie ligt bij de centra. Dit zijn niet alleen de locaties met de meeste winkels, maar ook waar ontmoeting, beleving en leefbaarheid ontstaat. Het kloppend hart van elke samenleving, elke stad, elk dorp. Om vitale en toekomstbestendige winkelgebieden na te streven zijn specifieke beleidsdoelen geformuleerd. Deze zijn in de volgende paragrafen uiteengezet en toegelicht.
maandag 5 december 2022
2.4.1
Concentratie en clustering
2.4.3
Compacte winkelgebieden
Doel: winkels worden zoveel mogelijk geconcentreerd binnen centra. Dit vraagt tegelijkertijd om terughoudendheid met het faciliteren van winkels buiten centra.
Doel: compacte winkelgebieden met een zoveel mogelijk aaneengesloten winkelfront. Een ‘gatenkaasstructuur’ moet voorkomen worden.
De meerwaarde van concentratie c.q. clustering van winkels (en andere publieksgerichte voorzieningen) is dat bedrijven kunnen profiteren van gemeenschappelijke faciliteiten, elkaars nabijheid en aantrekkingskracht. De consument heeft als voordelen: gemak, overzichtelijkheid, herkenbaarheid en ruimere keuzemogelijkheden (compleet aanbod). Nieuwe initiatieven dienen primair plaats te vinden in bestaande of nieuwe centra. Nieuwe centra kunnen bijvoorbeeld aan de orde zijn bij grote woningbouwontwikkelingen of bij samenvoeging van twee bestaande centra tot één nieuw centrum.
In veel centra zal de komende jaren een verdere afname van het winkelaanbod plaatsvinden. Centra moeten meer investeren in compactere winkelgebieden, om een ‘gatenkaasstructuur’ te voorkomen. Te veel onderbrekingen in het winkelfront door bijvoorbeeld leegstand of niet-publieksfuncties zoals wonen zorgt voor een onaantrekkelijke winkelbeleving. Compacte centra zijn van belang voor zowel het ondernemersklimaat als de consumentenverzorging. Alleen als winkels dicht bij elkaar zitten is de kans op combinatiebezoek groot. Dit geldt voor de grotere recreatieve winkelgebieden waar het modische winkelaanbod dominant is, maar ook voor de kleinere centra waar het boodschappen doen centraal staat. Per gemeente ligt de opgave om binnen de centrumgebieden de compacte winkelgebieden concreet af te bakenen op kaart. Dit zorgt voor duidelijkheid richting marktpartijen en kan daardoor langjarige investeringen bevorderen. Ook zorgt het voor beleidsmatige voorzienbaarheid om juridische sanering van winkelruimte en transformatie verder te stimuleren.
2.4.2
Verspreide bewinkeling terugdringen
Doel: winkelaanbod buiten centra dient voorkomen en teruggedrongen te worden door enerzijds terughoudend te zijn met het faciliteren van nieuwe winkels buiten centra en anderzijds het actief saneren van harde plancapaciteit. Het regionale beleid is er op gericht winkelvoorzieningen in centra te concentreren en verdere verspreiding van detailhandel op locaties buiten de concentraties te voorkomen. Gemeenten vinden het belangrijk dat terughoudend wordt omgegaan met nieuwe detailhandelsontwikkelingen buiten de detailhandelsstructuur. Tegelijkertijd vinden gemeenten het belangrijk aan de slag te gaan met het terugdringen van harde plancapaciteit voor winkels buiten centra, met name onbenutte en ongewenste plancapaciteit met een regionale impact.
2.4.4
Transformatie
Doel: overtollige winkelmeters binnen centra zonder perspectief op invulling met winkels moeten getransformeerd worden naar andere passende niet-winkelfuncties. Hardnekkige structurele leegstand blijft in veel centra een belangrijke opgave. Vaak is de kans klein dat hier winkels terugkomen. Door intensieve samenwerking tussen partners in de centra (gemeente, vastgoedeigenaren, ondernemers en andere
11
2 Visie Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie
belanghebbenden) en eventuele hulp van de provinciale Adviescommissie worden transformatieopgaven in centra geformuleerd, uitgewerkt en uitgevoerd. Kennis en ervaring over transformatieprojecten wordt uitgewisseld binnen de regio. Hierdoor kunnen gemeenten van elkaar leren. 2.4.5
Ruimte bieden voor vernieuwing
Doel: winkelaanbod moet blijvend kunnen aanpassen aan trends. Binnen reguliere centra dient optimaal ruimte geboden te worden voor vernieuwing en innovatie. Buiten reguliere centra gelden nog steeds beperkingen. Vernieuwing en innovatie in de detailhandel is een belangrijke voorwaarde om de detailhandelsstructuur in de toekomst aantrekkelijk te houden voor de consument. De consument vraagt namelijk om vernieuwing en zal elders (of via internet) gaan winkelen wanneer het aanbod niet voldoet aan de verwachtingen. Het is van cruciaal belang dat vernieuwing in de detailhandel in goede banen wordt geleid door het vinden van evenwicht tussen bestaand en nieuw aanbod. Vernieuwing is met name gewenst in kwalitatief opzicht. Dit uit zich onder andere in de volgende aspecten. Blurring in centra wordt in de basis als positief ervaren. Dit kan zich manifesteren in de combinatie van functies binnen één concept, zoals een winkel met ondergeschikte horeca activiteiten of een dienstverlener met ondergeschikte detailhandelsactiviteit. Uiteraard dient voldaan te worden aan de relevante wetgeving, zoals de Drank- en horecawet. Branchevervaging- en verbreding is binnen centra positief. Winkelconcepten zijn steeds minder goed in een hokje (of branche) te plaatsen. Buiten de reguliere centra, bijvoorbeeld op een woonboulevard of op een bedrijventerrein, is echter een duidelijkere afbakening van
maandag 5 december 2022
branchering noodzakelijk om de complementariteit met reguliere centra te borgen. 2.4.6
Goede consumentenverzorging en leefbaarheid
Doel: winkelaanbod dient zowel kwantitatief als kwaliteit beter aan te sluiten op de toekomstige behoefte van de consument binnen het verzorgingsgebied. Zoals blijkt uit deze visie zijn de verzorgingsgebieden per centrum verschillend en ontstaat meer complementariteit tussen centra en dus minder overlap. Deze ontwikkeling wordt doorgezet. Het winkelaanbod zou zich moeten ontwikkelen conform de behoefte van de consument binnen het verzorgingsgebied. Dit heeft zowel kwantitatieve als kwalitatieve implicaties. Dit kan ook sterk verschillen per buurt, wijk, dorp of stad en per type detailhandel. Zo doet men de boodschappen het liefst dicht bij huis, terwijl men voor recreatieve en doelgerichte aankopen bereid is verder reizen. Kwantitatief: de winkelmarkt is in deze regio redelijk verzadigd. Dit betekent dat er nauwelijks sprake is van behoefte aan uitbreiding van de winkelruimte, behalve in gebieden waar sprake is van forse bevolkingsgroei. In veel kernen, met name waar ook sprake is van bevolkingskrimp en bovengemiddelde vergrijzing, staat het winkelaanbod onder druk. Dit betekent een opgave om het noodzakelijke winkelaanbod voor de leefbaarheid op peil te houden, zoals boodschappenvoorzieningen. Soms vraagt dit om innovatieve, creatieve en praktische oplossingen op lokaal niveau.
Kwalitatief: om de doelgroep in een verzorgingsgebied goed te kunnen bedienen moet beter aansluiting gevonden worden bij de wensen van de consument, bijvoorbeeld via meer lokaal winkelaanbod, meer diversiteit in aanbod, betere complementariteit tussen centrum- en winkelgebieden en aanvaardbare reisafstand. Minder
‘eenheidsworst’ en meer variatie in profiel, aanbod en kwaliteiten tussen centra. 2.4.7
Complementariteit centra regionale structuur
Doel: betere complementariteit en meer diversiteit tussen centra in de regionale detailhandelsstructuur. De afgelopen jaren hebben veel middelgrote centra gekozen voor een meer lokaal profiel. Focus op de ‘eigen’ inwoners. Dit is positief, omdat minder overlap ontstaat en duidelijke keuzes worden gemaakt. Deze duidelijke profielbepaling en complementariteit dient verder versterkt te worden. Naast de complementariteit tussen centra in de regionale detailhandelsstructuur, bestaat ook complementariteit tussen typen centra. Meestal spreken we van drie typen centra op basis van het bezoekmotief: boodschappencentra, recreatieve centra en doelgerichte centra. De laatste jaren hebben middelgrote centra in de regio zich sterker geprofileerd als boodschappencentra met een duidelijke ‘plus’. Dit betekent meer nadruk op boodschappen doen en minder op recreatief winkelaanbod. Deze ontwikkeling wordt gestimuleerd. Doelgerichte centra, bevatten hoofdzakelijk winkels die vanwege aard en omvang van de artikelen niet inpasbaar zijn in reguliere centrumgebieden (volumineuze artikelen of PDV). In ’s-Hertogenbosch is ook sprake van een retailpark waar winkels gevestigd zijn die vanwege aard van de omvang van de winkel niet inpasbaar zijn (grootschalige detailhandel, GDV). Alleen op de woonboulevard / retailpark van ’s-Hertogenbosch heeft binnen de regio de status als GDV-locatie.
12
2 Visie Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie
2.4.8
Functiemix in het centrum
Doel: beter evenwicht in de branchering van centra met minder winkels en meer overige publieksfuncties. Centrumgebieden zijn meer dan alleen winkelgebieden. In steeds meer centra is sprake van een verschuiving van de functiemix. Dit is positief, omdat daarmee de afhankelijkheid van de winkelfunctie minder groot wordt en meer bezoekers met verschillende motieven aangetrokken kunnen worden. De volgende functies dragen sterk bij aan de aantrekkelijkheid van centra en zouden daardoor ook zoveel mogelijk geconcentreerd moeten worden in centra: Winkelambachten: denk aan kappers, schoonheidssalons, kleermakers, etc. Uitgangspunt is publieksfunctie. Horeca: denk aan lunchrooms, fastservice restaurants en koffiezaken. Sociaal-maatschappelijke en culturele functies: denk aan bibliotheken, muziekscholen, kinderopvang, buurtof dorpshuis, gemeentehuis, etc. Werklocaties: denk aan kleinschalige kantoor- en werkruimtes en ateliers met etalagefunctie. Wonen: op verdieping kansrijk, in de plint alleen wenselijk als sprake is van integrale transformatievisie. NB: wonen kan spanning opleveren met publieksfuncties.
2.5
Ruimte voor maatwerk
Ambitie: winkelaanbod buiten centra dient voorkomen en teruggedrongen te worden, maar soms is voor uitzonderlijke gevallen onder strikte voorwaarden maatwerk nodig. De hiervoor beschreven beleidsdoelen komen grotendeels overeen met het vorige beleid uit 2015. Ontwikkelingen buiten (bestaande) centra zijn in principe ongewenst, maar soms kan hier
maandag 5 december 2022
in uitzonderlijke gevallen toch sprake van zijn. De grote lokale verschillen en contexten binnen de regio zorgen er voor dat niet alle ontwikkelingen in uniforme regels en beleidskaders te vatten zijn. Er dient altijd ruimte te zijn voor nuance, afwegen van argumenten en belangen. Uiteraard binnen de geest van deze visie. Dit is waar maatwerk van toepassing is. Op basis van deze visie kan maatwerk alleen aan de orde zijn in een van de volgende situaties. Op peil houden leefbaarheid in klein dorp in het geval geen sprake (meer) is van een winkelgebied. Detailhandelsontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied zijn echter niet voorstelbaar (zie paragraaf 2.6). Ontwikkeling van detailhandel in het kader van een gebiedsontwikkeling met substantiële woningbouw. Specifieke vormen van detailhandel die vanwege aard en zeer grootschalige omvang niet goed inpasbaar zijn in centra, zoals tuincentra en bouwmarkten. Deze zijn echter primair gewenst op de beleidsmatige PDV-concentraties, vanwege kans op combinatiebezoek. Alleen als dit aantoonbaar ruimtelijk niet inpasbaar is, is vestiging elders bespreekbaar. Detailhandelsbedrijven die in verhouding relatief veel bedrijfs- of productieruimte nodig hebben en daardoor niet inpasbaar zijn, zoals kringloopwinkels of winkels in haarden en kachels.
Specifieke vormen van detailhandel die kleinschalig van aard zijn (kleiner dan 50 m² wvo) of ondersteunend zijn aan de hoofdfunctie, veelal in het landelijk gebied aanwezig zijn en in het kader van de consumentenverzorging een positieve bijdrage kunnen leveren, zoals boerderijwinkels (seizoens- of streekproducten), toeristische winkels of afhaalplekken voor versproducten (bijvoorbeeld een broodmachine).
2.6
Leefbaarheid in kleine kernen
Ambitie: de leefbaarheid in kleine kernen (<5.000 inwoners) dient geborgd te worden. Dit vraagt ten aanzien van met name winkels in de dagelijkse sector soms om maatwerk. Deze visie biedt hier in uitzonderlijke gevallen en onder voorwaarden ruimte voor. De leefbaarheid van kleine kernen (minder dan circa 5.000 inwoners) is in deze regio één van de grootste uitdagingen voor de komende jaren. Het winkelaanbod en overig voorzieningenaanbod neemt steeds verder af. Zodra ook boodschappenvoorzieningen verdwijnen, zoals de laatste supermarkt, gaat de leefbaarheid vaak drastisch achteruit. Boodschappenaanbod en daarmee leefbaarheid kan geborgd worden door evenwicht te zoeken tussen drie aspecten. Concentratie en compleet aanbod in een centrumgebied. Nabijheid en korte reisafstand Economisch haalbaar in relatie tot het draagvlak In kleine kernen is het niet altijd meer mogelijk om aan alle drie de aspecten te voldoen. Dit vraagt om weloverwogen lokale keuzes met als doel, evenwicht tussen de doelen. Dit is ook weergegeven in de evenwichtsdriekhoek (zie figuur 2.2). Voorbeeld 1: Concentratie boven spreiding. Concentratie van winkels in centra is het uitgangspunt. In het geval meerdere kleine kernen in elkaars nabijheid liggen kan gekozen worden voor concentratie in één hoofdcentrum in één hoofdkern. Dit is positief voor de concentratie en het combinatiebezoek.
Tegelijkertijd dient geaccepteerd te worden dat bepaalde inwoners mogelijk verder moeten reizen voor bijvoorbeeld een supermarkt. De economische haalbaarheid zal verbeteren, omdat geput kan worden uit een groter verzorgingsgebied. Voorbeeld 2: Spreiding boven concentratie. In een situatie waarbij meerdere kleine kernen in elkaars nabij-
13
2 Visie Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie
heid liggen, kan prioriteit gegeven worden aan de leefbaarheid en reisafstand per kern boven concentratie. Dit is denkbaar in het geval geen duidelijk hoofdcentrum is aan te wijzen of waarbij in een kern geen sprake meer is van een samenhangende concentratie met winkels. Ook kan de samenstelling van de bevolking een reden zijn om een boodschappenvoorziening in het dorp te behouden of te faciliteren. Voorbeeld 3: ondernemersbelang boven consumentenverzorging en detailhandelsstructuur. Het individuele ondernemersbelang kan nooit een argument zijn om een ontwikkeling buiten een centrumgebied te faciliteren. Bijvoorbeeld als een winkel slecht functioneert. Wel dient rekening gehouden te worden met het ondernemersbelang. De ondernemer of belegger investeert immers in een ontwikkeling en zorgt voor uitvoering van beleid. Daarmee zijn marktpartijen bepalend hoe de consumentenverzorging en detailhandelsstructuur er uit ziet. Dit betekent een goed dialoog tussen markt en overheid, om enerzijds te voldoen aan economische haalbaarheid en anderzijds aan de algemene ruimtelijke belangen.
2.7
Flitsbezorgers, internethandel en afhaalpunten
2.7.1
Flitsbezorgers, internethandel en afhaalpunten
Ambitie: Afhaalpunten hebben een publieksaantrekkende werking en horen thuis in winkelgebieden. Solitaire bezorgbedrijven en bezorgdiensten (dark stores) worden gezien als distributiebedrijven en horen op een bedrijventerrein thuis. Niet in winkelgebieden. Internetbedrijven zijn nog steeds sterk in opkomst en zijn altijd opzoek naar fysieke ruimte. Flitsbezorgers zijn momenteel sterk expansief. Ze zitten momenteel aan de randen van grotere
maandag 5 december 2022
Figuur 2.2: Evenwichtsdriehoek kleine kernen
14
2 Visie Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie
binnensteden, maar de verwachting is dat deze concepten zich ook snel aandienen in kleinere plaatsen en in buurtenen wijken. Beleidsmatig wordt voor internethandel onderscheid gemaakt tussen publieksfunctie en geen publieksfunctie. Indien het geen publieksfunctie heeft (bijvoorbeeld bij flitsbezorgers) is het veelal een bedrijfsfunctie. Hierdoor is een bedrijventerrein een meer logische plek. Indien het een primaire publieksfunctie heeft, bijvoorbeeld een winkel met een afhaalpunt, is concentratie in een centrumgebied noodzakelijk. In dit geval moet het worden beschouwd als detailhandel. Verder dient aandacht te zijn voor aspecten als mobiliteit, veiligheid en overlast voor bewoners. Afhaalpunten zijn nog steeds relevant. Jaarlijks neemt het aantal online bestellingen sterk toe, dus ook het aantal pakketjes. Veel wordt thuisbezorgd, maar consumenten en bedrijven hebben ook behoefte aan goede afhaalpunten. Dit is duurzamer, voorkomt onnodige mobiliteit en kan inspelen op gemak. Uitgangspunt van afhaalpunten is dat ze goed bereikbaar zijn. Vestiging in reguliere en perifere centrumgebieden wordt als wenselijk beschouwd, omdat dit mogelijk combinatiebezoek met andere voorzieningen oplevert. Bovendien wordt mobiliteit geconcentreerd in een centrale ‘hub’ en wordt overlast in de directe woonomgeving beperkt.
sen samen te werken. Ook centra, in de vorm van centrummanagers, wensen meer onderlinge samenwerking en kennisuitwisseling. Voorzien wordt in nieuwe manier van regionaal samenwerken, waarbij het accent vooral ligt op het gezamenlijk nadenken over hoe centra vitaal en toekomstbestendig gemaakt kunnen worden. Dit uit zich in de volgende concrete voorbeelden. Kijken hoe je elkaar kan helpen, in plaats van hoe je dingen kan tegenhouden. Tijdens regionaal overleg meer aandacht voor kennisuitwisseling, zoals ‘hoe houd je de leefbaarheid in het dorp op peil’ of ‘hoe gaan we om met flitsbezorgers’. Indien een initiatief niet past binnen je eigen gemeente, kijken of het wel past bij een andere gemeente. Meer kennisuitwisseling op het gebied van transformatievraagstukken. Daaraan kan ook de Provinciale Adviescommissie een bijdrage leveren. Praktische kennisuitwisseling op basis van korte lijntjes, zoals uitwisselen van ervaringen rondom acties en maatregelen tussen centrummanagers.
2.8
Hoe gaan we met elkaar om in de regio?
2.8.2
2.8.1
Positieve samenwerking
Ambitie: initiatieven met een gemeentegrens overstijgend effect worden regionaal afgestemd. Uitgangspunt is efficiente regionale afstemming met respect voor elkaar en op basis van vertrouwen.
Ambitie: op basis van vertrouwen wordt de regionale samenwerking geïntensiveerd. Dit betekent vooral meer focus op positieve samenwerking en kennisuitwisseling op het gebied van specifieke thema’s en opgaven. Tijdens de totstandkoming van deze visie is duidelijk gebleken dat gemeenten in NoordoostBrabant zowel ambtelijk als bestuurlijk op een positieve manier meer met elkaar regionaal wen-
maandag 5 december 2022
In het uitvoeringshoofdstuk is nader invulling gegeven aan de regionale samenwerking. Regionale afstemming
Stap 0: Wanneer regionaal afstemmen? Per initiatief zal de mate van gemeentegrens overstijgende effecten verschillen. Voor de regionale afstemming zijn met name initiatieven relevant die van invloed zijn op aanbod net buiten de gemeentegrenzen of elders in de regio. Gekozen is
aan te blijven sluiten bij de drempelwaarden uit 2015. Afstemming is daardoor noodzakelijk bij de volgende drempelwaarden op basis van het verzorgingsgebied (voor verrekening van meters die elders wegvallen): Bovenregionaal > 5.000 m² wvo Regionaal > 2.500 m² wvo Beperkt en zeer beperkt regionaal > 1.500 m² wvo Perifeer > 1.500 m² wvo binnen PDV In het geval sprake is van een detailhandelsontwikkeling buiten een winkelgebied dient altijd sprake te zijn van regionale afstemming, ongeacht de omvang. Initiatieven die niet behoren tot bovenstaande bullets dienen afgestemd te worden vanaf 500 m² wvo. De Retailadviescommissie kan ingezet worden door de initiatiefgemeente als zij advies willen over hun initiatief. De Retailadviescommissie moet worden ingezet als er een grensoverschrijdend effect ervaren/verwacht wordt door de initiatiefgemeente zelf of een andere gemeente in de regio. Het advies is niet bindend maar moet ter overweging worden ingebracht in de regio. Stap 1: Gemeentelijke (interne) afweging Een detailhandelsinitiatief heeft altijd betrekking op een locatie en kenmerkt zich door aard en omvang van het concept. Als het initiatief niet past in het vigerende bestemmingsplan komt het uiteindelijk bij het College terecht van de betreffende gemeente waar het initiatief speelt. Daar wordt het initiatief gewogen en beoordeeld.
De gemeente toetst het initiatief aan het regionale en het lokale detailhandelsbeleid. Ook wordt ander flankerend beleid meegewogen. Met het oog op een eventueel te volgen procedure voor de juridisch-planologische inpassing zal de initiatiefnemer veelal een onderbouwing voorleggen met een eerste verkenning van de mogelijk-
15
2 Visie Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie
heden (behoefte- en effectenonderzoek). Als het College positief staat tegenover het verzoek dan zal het College beoordelen of het initiatief regionaal moet worden afgestemd. Stap 2: Met wie regionaal afstemmen? Als regionale afstemming noodzakelijk is, dan wordt het planinitiatief en het bijbehorende behoefte- en effectenonderzoek in eerste instantie doorgestuurd naar de ambtelijke vertegenwoordigers van de buurgemeenten. Ook de regiocoördinator van Noordoost-Brabant dient de stukken te ontvangen. Hij/zij houdt het overzicht van alle plannen in de regio die worden afgestemd. Aanbevolen wordt om, indien relevant, ook buurgemeenten van andere provincies te infomeren en te betrekken. Ook wordt aanbevolen de Adviescommissie te betrekken om mee te denken. De provincie kan geïnformeerd worden. Dit bevordert de goede procesgang. Het is aan de ambtelijke vertegenwoordigers van buurgemeenten zelf om plannen terug te koppelen met betrokken bestuurders. Provinciale Adviescommissie Retail Gemeenten in Noordoost-Brabant kunnen hiervan gebruik maken. De Retailadviescommissie moet worden ingezet als er een grensoverschrijdend effect ervaren/verwacht wordt door de initiatiefgemeente zelf of een andere gemeente in de regio. De commissie ziet haar rol zelf steeds meer als onafhankelijke kennispartner van gemeenten. Idealiter wordt de commissie ingeschakeld bij plan- en visievorming.
Ook kan de commissie advies geven over transformatieopgaven. Dus aan de voorkant, minder aan de achterkant. De commissie is daardoor minder een ‘toetsings- of beoordelingscommissie’ en meer een ‘adviespartner’. Doel is om plannen beter te maken. Uiteraard kan de commissie nog steeds worden ingeschakeld om bijvoorbeeld een onafhankelijke expert opinion te geven op bijvoorbeeld behoefte- en effectenstudies.
maandag 5 december 2022
Stap 3: Oordeelsvorming buurgemeenten Buurgemeenten formuleren individueel een eerste oordeel over het ontvangen planinitiatief. Dit hoeft geen uitgebreide inhoudelijke reactie te zijn, maar gaat vooral om de vraag of de gemeente wel of geen bezwaren heeft tegen het initiatief. Als er bezwaren of zorgen zijn dienen deze per brief schriftelijk kenbaar gemaakt te worden aan de gemeente waar het initiatief plaatsvindt. Ook de regiocoördinator dient deze brief te ontvangen. De oordeelsvorming kan onder andere bestaan uit de volgende vragen. Sluit het initiatief aan bij de visie en ambitie van deze regionale detailhandelsvisie? Is het ruimtelijk effect goed en volledig in beeld gebracht? Zijn er leegstandseffecten in mijn gemeente te verwachten? Stap 4: bilaterale of regionale afstemming De gemeente waar het initiatief speelt, weegt de eventuele input van buurgemeenten. Conform het principe van vertrouwen en respect voor elkaars zorgen wordt in afstemming met de regiocoördinator in eerste instantie bilateraal contact gezocht met de betreffende gemeente met bezwaren of zorgen. Mogelijk komen de bezwaren of zorgen voort uit onduidelijkheden die eenvoudig te verhelpen zijn. Indien blijkt dat de bezwaren of zorgen niet bilateraal opgelost kunnen worden, wordt het initiatief geagendeerd voor de eerst volgende ambtelijke en bestuurlijke regionale bijeenkomst (alle gemeenten).
De Inhoudelijke bezwaren of zorgen kunnen ter voorbereiding van het regionale overleg inhoudelijk verder worden uitgewerkt. Ook de Provinciale Adviescommissie kan hierin adviseren.
zijn voor de ruimtelijke regionale effecten. Andere aspecten die regionaal minder van belang zijn, en de verantwoordelijkheid zijn van de gemeente zelf, zouden geen onderdeel van de discussie moeten uitmaken. Voorwaarden is dat sprake is van duidelijke verslaglegging met de standpunten en argumenten helder uiteengezet. Stap 6: Oordeelsvorming initiatiefgemeente De gemeente waar het initiatief speelt, weegt de conclusies van de bilaterale en/of regionale afstemming af en neemt een besluit over het vervolgtraject. Dat kan zijn dat de verdere procedure gestart wordt voor de uitwerking van het plan, maar het kan ook zijn dat de afstemming leidt tot bijstelling van het initiatief of tot afwijzing. De initiatiefgemeente verplicht zich het uiteindelijke besluit terug te koppelen aan de betrokken gemeenten en regiocoördinator. De regiocoördinator zorgt er voor dat het besluit in elk geval een keer teruggelegd wordt in de regio (zowel ambtelijk als bestuurlijk), zodat iedereen op de hoogte is. Stap 7: Wat als een initiatief leidt tot onenigheid? Deze regio gaat uit van een positieve samenwerking met respect voor elkaars autonomie, maar ook met de bereidheid naar elkaar te luisteren en in plannen rekening te houden met de gemeentegrens overstijgende effecten. Door elkaar regionaal te informeren en met elkaar het gesprek aan te gaan, is het doel om het met elkaar eens te worden.
Voor betrokken gemeenten en/of de provincie met blijvende bezwaren of zorgen bestaat de mogelijkheid om zienswijze in te dienen op persoonlijke titel tegen het bestemmingsplan.
Stap 5: Wat regionaal afstemmen? In het bilateraal overleg of in het geval een initiatief binnen het regionaal overleg geagendeerd wordt dient aandacht te
16
3 Uitvoeringskader Noordoost Brabant, Detailhandelsvisie
3
Uitvoeringskader
vaker contact met elkaar, met name om strategische opgaven en praktische oplossingen met elkaar te kunnen delen.