17. Raadsinformatiebrief Uitvoeringsprogramma Vergunningen, Toezicht en Handhaving (VTH) 2025
Tekst van het document
Op 12 juni 2023 heeft de minister (LNV) aangegeven dat uit een impactstudie van de WUR is gebleken dat er onzekerheid is over de ammoniakemissie uit BLK1* bij vleeskuikens. Er is onvoldoende zekerheid om voor een individuele veehouder uitspraken te doen dat overstappen naar BLK1* niet leidt tot een depositiestijging met negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Hierdoor is het nagenoeg onmogelijk om een natuurvergunning te krijgen voor de aanpassingen van de stal.
Versie 2.3 december 2024
17
18
➜ Wet geurhinder en veehouderij (Wgv)/ Omgevingsplan Op 7 juli 2023 heeft de minister van I&W uitgangspunten aan de Tweede Kamer gepresenteerd t.a.v. aanpassingen aan de Wgv/ Omgevingsplan (voor aanvragen vanaf 1 januari 2024). Een van de uitgangspunten is dat de 50%-regeling op den duur zal verdwijnen. Ook zullen de geurnormen worden aangescherpt. Gelet op de recente politieke ontwikkelingen is het niet zeker wanneer er verdere stappen worden genomen in het wijzigen van de Wvg/ Omgevingsplan.
2.2.3 Afhandeling van meldingen, informatieplichten en vergunningen
Het zal duidelijk zijn dat bovenstaande ontwikkelingen grote impact hebben op de agrarische vergunningverlening en dat de inzichten en werkwijzen blijven veranderen. Onzekerheid over de werking van stalsystemen leidt tot uitstelgedrag bij ondernemers. De aanvragen die wel worden ingediend, kunnen dan vaak niet worden afgehandeld door de onduidelijkheden over emissiearme stalsystemen.
Voor de overige bedrijven is in 2024 een risicogerichte afhandeling ontwikkeld. Industriële meldingen/ informatieplichten worden in principe enkel getoetst op de indieningsvereisten en of de melding gegrond is ingediend. Bij bedrijven waar klachten spelen of die bestuurlijk gevoelig zijn, worden de meldingen ook inhoudelijk beoordeeld. Een voorbeeld hiervan zijn informatieplichten van tennisverenigingen met padelbanen. Daarnaast wordt nog maar één keer verzocht om aanvullende stukken. Bij uitblijven hiervan wordt de meldingsprocedure stopgezet.
Op dit moment is het beeld dat deze vergunningaanvragen wellicht afgehandeld kunnen worden in 2025. Daarnaast zijn medio 2024 veel initiatieven van rundveehouders ontvangen en worden er nog meer verwacht. Er wordt in 2025 dan ook een piek in de agrarische vergunningverlening verwacht. Pieken kunnen ertoe leiden dat termijnen binnen vergunningverlening niet gehaald worden.
Gemeentelijk werkprogramma 2025 ODBN
Voor de afhandeling van meldingen en informatieplichten (gegevens en bescheiden) die betrekking hebben op veehouderijen en voor aanmeldnotities m.e.r. wordt de systematiek gehanteerd die opgesteld is naar aanleiding van de maatregelen en aanbevelingen vanuit de Taskforce VTH en transitie veehouderij. Middels een checklist wordt bepaald of inhoudelijke toetsing nodig is. Zo niet, dan wordt de melding en/of informatieplicht direct afgewerkt. In 2024 is de checklist aangepast vanwege nieuwe inzichten en de Omgevingswet.
Het aspect geluid is losgekoppeld van de melding en wordt voortaan risicogericht benaderd. Geluid is sinds de Omgevingswet geregeld in het omgevingsplan. Indien aanvullende gegevens nodig zijn voor geluid of verdere beoordeling nodig is, wordt hiervoor een losse procedure gevolgd (informatieplicht).
Versie 2.3 december 2024
19
20
Vergunningen en OBM’s worden afgehandeld conform de wettelijke kaders en de werkwijze die de afgelopen jaren gehanteerd is. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het instrument OBM verdwenen. Voor OBM’s ingediend voor in de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt dat deze worden afgehandeld volgens het geldende recht op moment van indienen.
21
2.2.5 Intrekken van vergunningen Vergunningen (incl. OBM’s) van bedrijven die gestopt zijn met hun activiteiten worden waar mogelijk actief ingetrokken. Voor vergunningen (incl. OBM’s) van agrarische activiteiten wordt daarbij de werkwijze gevolgd die ontwikkeld is naar aanleiding van de maatregelen en aanbevelingen vanuit de Taskforce VTH en transitie veehouderij.
2.2.4 Actualiseren van vergunningen Actualisaties van vergunningen kunnen plaatsvinden op basis van drie aanleidingen: 1.
Er is sprake van BBT conclusies of een (andere) wijziging van wet- en regelgeving die noodzaken tot actualisatie. Hieraan zijn vaak wettelijke termijnen verbonden. Dit betreft over het algemeen meerdere vergunningen. De ODBN is aangesloten bij het Landelijk Netwerk BREF's. Daarnaast worden wijzigingen met betrekking tot BBT conclusies actief bijgehouden. Indien er sprake is van een wijziging in BBT conclusies, dan moet de vergunning vaak binnen 4 jaar geactualiseerd worden. De ODBN actualiseert de vergunning dan ambtshalve in het 4e jaar. Als het bedrijf binnen die 4 jaar zelf een vergunning aanvraagt, wordt de actualisatie in dezelfde procedure als de aanvraag meegenomen. In 2025 worden de omgevingsvergunningen binnen de voedingsmiddelenindustrie geactualiseerd. De voorbereidende werkzaamheden hiertoe zijn inmiddels gestart. In december 2023 zijn BBT-conclusies voor slacht- en destructiehuizen gepubliceerd. Hierdoor staan de slachterijen voor 2027 op het programma voor actualisatie (er zijn geen destructiehuizen binnen de regio).
2.
Er is sprake van signalen vanuit toezicht. Handhaving wordt bemoeilijkt door het feit dat een vergunning niet meer actueel is. Dit betreft over het algemeen een enkele vergunning. Op basis van risicoprioritering zal worden beoordeeld in hoeverre direct een actualisatie nodig is, dan wel dat het in een vergunningprocedure op termijn kan worden meegenomen.
3.
Tijdens het behandelen van een vergunningaanvraag wordt geconstateerd dat de vergunning niet meer op alle onderdelen actueel is. Dit betreft over het algemeen een enkele vergunning. Het actualiseren gebeurt in de procedure van het afhandelen van de aanvraag.
Bij het intrekken van een vergunning moeten verschillende belangen afgewogen worden, zoals het milieubelang maar ook het financiële (bedrijfs)belang. Ambtshalve intrekking van een vergunning gebeurt op basis van de volgende aanleidingen: 1. 2.
Door toezicht wordt geconstateerd dat er geen gebruik meer wordt gemaakt van een (deel van de) vergunning. Tijdens het behandelen van een vergunningaanvraag of melding wordt geconstateerd dat er geen gebruik meer gemaakt wordt van een (deel van de) vergunning.
De ODBN gaat in 2025 voorbereidende werkzaamheden uitvoeren zodat een beter inzicht in verleende vergunningen en OBM’s verkregen wordt en mogelijke intrekkingen snel in beeld gebracht kunnen worden (bijvoorbeeld door een match met de Kernregistratie dierverblijven). Voordat daadwerkelijk tot intrekken wordt overgegaan, vindt altijd afstemming met de betreffende gemeente plaats (behoudens intrekkingen op verzoek van de vergunninghouder).
Om goede uitvoering te kunnen geven aan het type actualisaties genoemd onder 1, is inzicht nodig in alle verleende vergunningen en de inhoud ervan. Met de komst van de Omgevingswet hebben er ook verschillende wijzigingen plaatsgevonden rond de vergunningplicht. De ODBN gaat in 2025 verdere werkzaamheden uitvoeren zodat een beter inzicht in verleende vergunningen verkregen wordt en in de toekomst actualisaties snel in beeld gebracht kunnen worden..
PGS-richtlijnen Door de komst van de Omgevingswet wordt ook pseudo wetgeving zoals de PGS richtlijnen vernieuwd. De meeste van deze richtlijnen zijn nog niet definitief. Er wordt al wel geanticipeerd door de nieuwe PGS-richtlijnen (in samenspraak met het betreffende bedrijf ) reeds op te nemen in de omgevingsvergunning.
Gemeentelijk werkprogramma 2025 ODBN
Versie 2.3 december 2024
22
2.2.6 Overige werkzaamheden i.h.k.v. vergunningverlening 2.2.6.1 Potentieel zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) De laatste jaren is de aanwezigheid van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) een urgent thema. De aanwezigheid van ZZS speelt breed: in lucht, water en bodem. Deze stoffen zijn geclassificeerd als de gevaarlijkste stoffen voor mens en milieu en het is het streven om deze stoffen uit de leefomgeving te weren. Binnen toezicht (paragraaf 3.4.4.2) worden inspanningen verricht om bedrijven met ZZS inzichtelijk te krijgen. Waar nodig zullen vergunningen worden geactualiseerd of maatwerkvoorschriften worden opgelegd. 2.2.6.2 Energiebesparing bedrijven Op 1 juli 2023 is de ‘aangescherpte energiebesparingsplicht’ van kracht geworden in het Activiteitenbesluit. Per 1 januari 2024 is dit onderdeel geworden van de Omgevingswet. De energiebesparingsplicht werkt sindsdien rechtstreeks door naar vergunningen en dat maakt energievoorschriften in de vergunning overbodig. Vanwege overgangsrecht blijven in specifieke gevallen de oude energievoorschriften nog enkele jaren van kracht. 2.2.6.3 Veehouderij en volksgezondheid Voor vergunningaanvragen die betrekking hebben op de MBA Veehouderij wordt in een aantal gevallen een advies opgevraagd bij de GGD. Het wel of niet opvragen van een advies is afhankelijk van het risico voor de omgeving van het aangevraagde initiatief.
Het GGD-advies wordt meegenomen in de beoordeling van de aanvraag.
Gemeentelijk werkprogramma 2025 ODBN
Verder worden aanvragen getoetst aan het in Brabant ontwikkelde Endotoxinetoetsingskader. Dit toetsingskader is opgesteld door het Ondersteuningsteam veehouderij en volksgezondheid. Daarnaast is een goede afstemming tussen milieu, ruimtelijke ordening en natuur nodig. Voor deze integrale afweging is (voor)overleg tussen veehouder, omwonenden en/of bevoegd gezag van belang. Dit vooroverleg wordt onder de Omgevingswet ingevuld middels het omgevingsoverleg (de omgevingstafel). 2.2.6.4 Risicorelevante bedrijven De toezichtaanpak voor Risicorelevante bedrijven zal ook in 2025 worden voortgezet en een nieuwe impuls krijgen. Op basis van toezichtsignalen zullen vergunningen waar nodig worden gewijzigd of geactualiseerd. 2.2.6.5 E-PRTR Het Integraal Pollutant Release and Transfer Register (PRTR)-verslag is een verplichte jaarlijkse milieujaarrapportage voor bepaalde industriële bedrijven. Hierin moeten deze bedrijven rapporteren over hun afval, energie- en waterverbruik en emissies naar lucht, water en bodem. Het integraal PRTR-verslag bestaat uit de rapportage in het kader van de Europese PRTR-verordening, aangevuld met noodzakelijke bevragingen. Van alle bedrijven wordt het PRTR-verslag beoordeeld. Waar nodig wordt een aanvullende controle uitgevoerd op het verifiëren van de ingevulde data.
Versie 2.3 december 2024
23
24
25
2.2.7 Rolopvatting Bij complexe en/of meervoudige cases vindt participatie (door de ODBN) aan de omgevingstafel plaats en ligt het casemanagement bij het bevoegd gezag (rolbeschrijvingen vastgelegd bij Vereniging Nederlandse Gemeenten). In enkelvoudige cases (alleen milieu) ligt het casemanagement bij de ODBN. Een initiatief tot een omgevingstafel ligt echter bij het bevoegd gezag. De ODBN heeft het interne proces voor het participeren aan de omgevingstafel inmiddels uitgewerkt. Externe afstemming met de verschillende gemeenten moet nog plaatsvinden. Pas nadat deze afspraken gemaakt zijn, kan implementatie plaats vinden.
2.3 Meldingen basistaken bodem en mobiel breken Het beoordelen van verschillende typen meldingen en informatieplichten die betrekking hebben op de bodem en mobiel breken.
Taken: ➜ Het beoordelen van meldingen toepassen en (tijdelijk) opslaan van grond (zeven, ontwateren, samenvoegen van grond of baggerspecie/ toepassen van grond of baggerspecie/ toepassen van bouwstoffen en opslaan), risicogericht met behulp van een quick-scan. ➜ Het beoordelen van meldingen mobiel breken volgens een risicogerichte werkwijze. ➜ Het beoordelen van informatieplichten graafactiviteiten in schone grond (gelijk aan of onder interventiewaarde). ➜ Het beoordelen van meldingen en informatieplichten graafactiviteiten kleiner en groter dan 25 m³ in verontreinigde grond (boven interventiewaarde) > er is bij deze werkzaamheden geen sprake van daadwerkelijke sanering. ➜ Het beoordelen van meldingen in het kader van het uitvoeren van bodemsaneringen. ➜ Het beoordelen van meldingen gesloten bodemenergiesystemen. ➜ Het beoordelen van meldingen toepassen van grond of baggerspecie als bovenafdichting op een voormalige stortplaats in het kader van functionele toepassing/ in stand houden afdeklaag. ➜ Het beoordelen van informatieplichten voor de toepassing van immobilisaten. In 2024 wordt de aanpak, uitvoering en de wijze van prioriteren van bovenstaande taken beschreven in een bodemnotitie. Deze nieuwe notitie vervangt de huidige notitie “Overdracht reguliere taken Besluit bodemkwaliteit”. De bodemnotitie wordt na gereed komen aan de deelnemers voorgelegd.
Naar verwachting zal dit medio 2025 zijn. In 2025 worden de taken volgens deze notitie uitgevoerd.
2.4 Meldingen sloop met asbest Het beoordelen van verschillende typen meldingen en informatieplichten die betrekking hebben op asbestverwijdering en bouwkundige sloop.
Taken: ➜ Het beoordelen van sloopmeldingen asbestverwijdering en gecombineerde meldingen asbestverwijdering/ bouwkundige sloop. Onderdeel van deze beoordelingen vormt het toetsen van asbestinventarisatierapporten. ➜ Het beoordelen van stukken met betrekking tot de informatieplicht bij meer dan 10 m³ sloopafval en/of asbestafval (risicomatrix, sloopveiligheidsplan en stikstofmaatregelen). ➜ Het toetsen/ beoordelen van een sloopmelding voor particuliere asbestverwijdering (sloop van minder dan 35 m² asbest). Deze verzoektaak is bij dit onderdeel opgenomen omdat de omvang hiervan te gering is om dit apart in te regelen. In 2024 wordt de aanpak, uitvoering en de wijze van prioriteren van bovenstaande taken beschreven in een notitie sloop en asbest. Deze nieuwe notitie vervangt de huidige notitie “De aanpak van de ODBN op het gebied van Asbest”. De notitie sloop en asbest wordt na gereed komen aan de deelnemers voorgelegd. Naar verwachting zal dit begin 2025 zijn. In 2025 worden de taken volgens deze notitie uitgevoerd.
2.5 Budgetten In bijlage 2 zijn de budgeturen per gemeente voor vergunningverlening opgenomen.
Gemeentelijk werkprogramma 2025 ODBN
Versie 2.3 december 2024
26
3 Toezicht en handhaving
Gemeentelijk werkprogramma 2025 ODBN
27
Versie 2.3 december 2024
28
3 Toezicht en handhaving
In de nog vast te stellen nieuwe uitvoerings- en handhavingsstrategie (zie paragraaf 1.3 Uitgangspunten, beleidskaders) worden bovenstaande elementen geborgd en zal invulling gegeven worden aan dit artikel.
Indicatoren en monitoring
3.1 Inleiding Binnen alle vormen van toezicht wordt gekeken op welke wijze het toezicht effectiever en efficiënter uitgevoerd kan worden. Informatie gestuurd werken (IGW) is een belangrijk hulpmiddel om slimmer te werken. Het vergroot de effectiviteit, efficiëntie, transparantie en flexibiliteit. Dit is onmisbaar in een omgeving waarin steeds meer van de ODBN wordt gevraagd. Bij het geprogrammeerd toezicht wordt gebruik gemaakt van het risicomodel milieutoezicht (zie bijlage 4 voor de beschrijving van het risicomodel). Het doel hiervan is te focussen op locaties waar de (milieu)risico’s het grootst zijn en/of het naleefgedrag laag is. Daarmee wordt de beschikbare tijd zo nuttig mogelijk ingezet. Het risicomodel milieutoezicht is een dynamisch model, wat betekent dat de gegevens die het model voeden met de tijd kunnen veranderen (bijvoorbeeld gemelde afvalstromen, nieuwe MBA’s of ingezet handhavingstraject). Hierdoor is een bepaalde selectie van bedrijven altijd een momentopname. In 2024 is voor het eerst gebruik gemaakt van het risicomodel milieutoezicht om industriële bedrijven te selecteren voor het geprogrammeerd toezicht. Dit wordt voortgezet in 2025. Het risicomodel is een belangrijk hulpmiddel bij de selectie van bedrijven, maar de uiteindelijke keuze om een bedrijf wel of niet te controleren volgt na een menselijke check.
Het effect van het gebruik van het model wordt nauwlettend gevolgd en geëvalueerd met als doel het model verder door te ontwikkelen. Naast de bedrijven met de hoogste risicoscores is het ook van belang om voor het toezicht een goede dwarsdoorsnede van het bedrijvenbestand te hebben. Hierdoor blijft er ook aandacht voor bedrijven waarbij de milieurisico’s (voor zover bekend) beperkter zijn. Dit heeft verschillende redenen:
Pas nadat er doelen geformuleerd zijn, kunnen indicatoren benoemd worden die gemonitord kunnen worden.
Rapportage Op basis van artikel 13.11 lid 1 van het Omgevingsbesluit moet (minimaal) jaarlijks gerapporteerd worden over de mate waarin uitvoering van het uitvoeringsprogramma heeft plaatsgevonden en de mate waarin deze uitvoering heeft bijgedragen aan het bereiken van de doelen.
3.3 Financieel kader geprogrammeerd toezicht (in uren) Uitvoering van regulier toezicht op bedrijfsgebonden milieubelastende activiteiten vindt in beginsel in 2025 plaats op basis van de budgeturen die volgens het Level-Playing-Field (LPF; bijlage 4 uit Bedrijfsplan 2012) noodzakelijk zijn. Aangevuld met uren voor: e uitvoering van het toezicht bij bedrijven die onder de Omgevingswet van bevoegd gezag ➜ d wisselen (van provincie naar gemeente); e ex-VVGB-bedrijven: in 2025 is het budget gelijk aan het in 2024 gereserveerde budget voor ➜ d geprogrammeerd toezicht en handhaving; et Energiebod; ➜ h ➜ ( administratief ) toezicht op de verplichtingen rond de nieuwe basistaak werkgebonden personenmobiliteit.
➜ Op dit moment is nog niet over elk bedrijf evenveel informatie beschikbaar. Om tunnelvisie te voorkomen worden er bewust ook bedrijven geselecteerd die een lagere risicoscore hebben om ‘het net op te halen’. Uitkomsten hiervan worden vervolgens gebruikt om het risicomodel te voeden. e toezichtstaken goed af te stemmen op de beschikbare toezichtcapaciteit. Controles ➜ D bij bedrijven met een hoge risicoscore zijn vaak complex en niet geschikt voor junior toezichthouders.
3.2 Doelstellingen en indicatoren Artikel 13.5 lid 2 van het Omgevingsbesluit stelt dat de bestuursorganen die deelnemen in een omgevingsdienst zorgen voor een uniform uitvoerings- en handhavingsbeleid. Daarin moet gemotiveerd worden aangegeven welke doelen de omgevingsdienst moet behalen bij de uitvoering en handhaving en welke activiteiten daartoe door de omgevingsdienst uitgevoerd worden.
Gemeentelijk werkprogramma 2025 ODBN
Versie 2.3 december 2024
29
30
31
Deze uitgangspunten worden gehanteerd voor basis- en verzoektaakbedrijven. De volgens het LPF noodzakelijke budgeturen worden bepaald op basis van de kengetallen en controlefrequenties uit het LPF en de in het LPF opgenomen uitgangspunten voor herinspecties (m.u.v. van het kengetal voor herinspecties, dat in 2019 van 4 naar 5 uur is gegaan). De bepaling heeft plaatsgevonden op basis van het huidige inrichtingen-/ MBA-bestand van de ODBN.
3.4 Geprogrammeerd toezicht en handhaving In dit onderdeel worden de verschillende toezichttaken beschreven. Onder toezicht worden hier alle handelingen verstaan tot bestuursrechtelijke handhaving. Dat wil zeggen dat het voornemen dwangsom/ bestuursdwang (en eventuele zienswijzen) nog wel onder geprogrammeerd toezicht valt, maar vanaf de definitieve beschikking de werkzaamheden vallen onder repressieve bestuursrechtelijke handhaving (niet-geprogrammeerd toezicht). In dit hoofdstuk wordt aangegeven op welke wijze in 2025 invulling wordt gegeven aan geprogrammeerd toezicht. Dit wordt gedaan aan de hand van de volgende onderdelen: ➜ Voorbereidingsfase toezicht ➜ Bedrijven met een vaste bezoekfrequentie ➜ Prioritaire bedrijven ➜ Branche en thema aanpak ➜ Onbekende (illegale) activiteiten
3.4.1 Voorbereidingsfase toezicht/bedrijvenlijst Door de steeds grotere inbedding van het informatiegestuurd werken (IGW) wordt meer tijd besteed aan de voorbereiding van toezicht. Dit wordt voornamelijk vormgegeven door voorafgaande aan het toezicht informatie te verzamelen en een informatieanalyse uit te voeren. IGW is het op gerichte wijze verzamelen en analyseren van data om de daaruit voortkomende informatie en inzichten te gebruiken bij het maken van keuzes en het verbeteren van de organisatie van het toezicht. Bij de totstandkoming van dit werkprogramma en de bedrijvenselectie voor 2025 speelt IGW een belangrijke rol. Daarvoor worden diverse risicomodellen gebruikt. Deze werkwijze heeft ook tot gevolg dat de selectie van bedrijven pas in de voorbereidingsfase plaatsvindt en het totaal aantal uit te voeren inspecties niet in dit werkprogramma is opgenomen. De selectie van bedrijven wordt voorafgaand aan controle (in delen) gepresenteerd aan de gemeenten, zodat zij in de gelegenheid zijn om bij hen bekende informatie over deze bedrijven te delen of om aan te haken bij de controle (bijv. in het kader van ruimtelijke ordening).
3.4.2 Bedrijven met een vaste bezoekfrequentie Een bepaalde categorie bedrijven wordt niet met het risicomodel geselecteerd maar kent een vaste bezoekfrequentie van 2x per jaar, jaarlijks of eenmaal per 2 jaar. Hiervoor kunnen uiteenlopende redenen zijn zoals, bestuurlijke gevoeligheid, complexiteit, IPPC bedrijf (industrieel) of specifieke klachtsituatie. Deze bedrijven worden zowel door de ODBN (meest recente informatie van toezichthouders) als door de gemeenten aangedragen en jaarlijks onderling besproken. Een aantal van de gehanteerde selectiecriteria zijn inmiddels opgenomen in het risicomodel en op termijn zal het risicomodel wellicht leidend worden in de selectie. Op dit moment komt dat nog te vroeg omdat zaken als bestuurlijke gevoeligheid, complexiteit bedrijf of gevoelig voor ondermijning moeilijk (geautomatiseerd) ontsloten kunnen worden. De voormalige branche autodemontage is aan deze groep bedrijven toegevoegd. Ook vallen controles in het kader van de E-PRTR (zie paragraaf 2.2.6.5) onder deze categorie. Voor 2025 zijn alle bestaande bedrijven met een vaste bezoekfrequentie heroverwogen en is de lijst waar mogelijk opgeschoond.
Gemeentelijk werkprogramma 2025 ODBN
Versie 2.3 december 2024
32
Mengvoederindustrie Voedingsmiddelenindustrie Voorzieningen en installaties Chemische industrie Rubber- en kunststofbedrijven Horeca Garagebedrijven Mestverwerking (navolging thema aanpak 2024) Akkerbouwbedrijven Glastuinbouw (navolging branche aanpak 2024) X-aantal bedrijven met de hoogste risicoscore (onafhankelijk van bovengenoemde sectoren)
Risicorelevante bedrijven (RRB) Omdat op de risicorelevante bedrijven specifieke criteria van toepassing zijn en deze een eigen aanpak kennen, vormt dit een subgroep binnen de categorie bedrijven met een vaste bezoekfrequentie. Net als in voorgaande jaren zal in 2025, waar mogelijk, de interventiemethodiek worden toegepast. Risicorelevante bedrijven worden in een aantal gevallen gezamenlijk met de Veiligheidsregio en/of een Waterschap bezocht. De methodiek is gericht op een proactieve houding en risicogericht toezicht, waarbij wordt gestuurd op eigen verantwoordelijkheid van de bedrijven. De aanpak is gestart in 2019 met een meerjarenperspectief en hierna voortgezet en ingebed binnen de organisatie. Naast het toepassen van de interventiemethodiek neemt de ODBN deel aan het Brabantbreed Platform Risicorelevante bedrijven, waar met drie pijlers wordt gewerkt (inhoud, samenwerking en uitstraling).
➜ ➜ ➜ ➜ ➜ ➜ ➜ ➜ ➜ ➜ ➜
3.4.3 Prioritaire bedrijven
Bij de meeste sectoren zal een bepaald percentage van het totaal gecontroleerd worden, bij voorkeur bedrijven die lang niet bezocht zijn.
In 2025 wordt voor alle industriële bedrijven het risicomodel milieutoezicht ingezet voor het bepalen van de individuele risicoscore’s. De bedrijven met een vaste bezoekfrequentie (zoals beschreven in de vorige paragraaf ) en de bedrijven bezocht namens de branche- en thema aanpak worden hierbij uitgesloten van het risicomodel (omdat deze al gecontroleerd zullen worden). Voor alle overige bedrijven wordt op basis van de risicoscore’s een selectie gemaakt van bedrijven die (na menselijke check) in 2025 ingepland worden voor controle. Om te voorkomen dat bedrijven waarover weinig informatie beschikbaar is, en die dus laag in het risicomodel staan, niet worden bezocht is bepaald welke sectoren in 2025 zwaarder wegen en dus hoger in het risicomodel komen. Dit is gedaan doormiddel van een analyse waarbij is gekeken naar naleefgedrag, milieueffect, percentage lang niet bezochte bedrijven binnen een sector. De sectoren die in 2025 extra aandacht krijgen zijn:
In het kader van de oog- en oorfunctie zal de ODBN bij de sectoren akker- en glastuinbouw speciale aandacht besteden aan de huisvesting van arbeidsmigranten. Signalen worden actief gedeeld met de betrokken gemeenten. Veehouderijen In 2025 wordt op basis van één van de risicomodellen bepaald bij welke veehouderijen toezicht wordt gehouden. Dit risicomodel is ontwikkeld in samenwerking met de OMWB en de ODZOB en is gebaseerd op zowel kwantitatieve als kwalitatieve analysemethoden. Op basis van beschikbare informatie over veehouderijen (zoals bijvoorbeeld overtredingen, klachten, naleefgedrag, milieubelastende activiteiten, etc.) zijn de belangrijkste milieurisico’s geïdentificeerd die zijn verbonden aan het fokken en houden van dieren. De ODBN zet zich in om op een zo objectief mogelijke manier het risico op overtredingen binnen de branche veehouderijen vast te stellen. Op deze manier vindt het toezicht bij de meest risicovolle veehouderijen plaats. Doordat de drie Brabantse omgevingsdiensten op een eenduidige manier werken ontstaat binnen de provincie Noord-Brabant een gelijkwaardig speelveld.
3.4.4 Branche en thema aanpak Voor 2025 zijn in samenspraak met de deelnemers een aantal branches en thema’s geselecteerd op basis van ervaringen in voorgaande jaren, nieuwe wetgeving en (maatschappelijke) actualiteit. Voor de uiteindelijke selectie van bedrijven, die binnen een branche of thema bezocht zullen worden, zal het risicomodel zo veel als mogelijk worden ingezet. Aanvullend gaat de ODBN in 2025 een inventarisatie doen op de verschillende aanpakken die er zijn; branche-, thema- en ketenaanpak. Deze inventarisatie zal bestaan uit definiëring van de aanpakken, hoe de tijdspaden van het werkprogramma ten opzichte van de uitvoering van de aanpakken is, de aanpakken stroomlijnen, de rollen binnen de ODBN vastleggen en de wijze van financiering vastleggen (ook ten aanzien van de voorbereidende werkzaamheden en evaluatie van de verschillende aanpakken).
Gemeentelijk werkprogramma 2025 ODBN
Versie 2.3 december 2024
33
34
3.4.4.1 Branche aanpak Binnen dit onderdeel wordt voor elke branche een specifieke aanpak/ brancheplan opgesteld waarbij wordt ingezoomd op één of meerdere milieurisicovolle onderwerpen binnen deze specifieke doelgroep. De volgende branches zijn geselecteerd: 1. Afvalverwerkingsbedrijven 2. LPG-tankstations 3. Dienstverlening landbouw (loonwerkers) 4. Metalektro 5. Padelbanen 6. Verkooppunten particulier vuurwerk
Toelichting brancheprojecten 2025 1 Afvalverwerkingsbedrijven Afvalverwerking blijft een actueel onderwerp. In het land vinden steeds meer calamiteiten bij afvalverwerkingsbedrijven plaats, zoals felle en langdurige branden. Ook de problematiek die ontstaat rondom de opslag van te veel afvalstoffen bij dit soort bedrijven komt steeds vaker voor. Relevante onderwerpen daarbij zijn: ➜ inname van vergunde afvalstoffen ➜ het scheiden en opslaan van afval met de juiste veiligheidsprotocollen ➜ het goed registreren van afvalstromen
Dit lijkt te komen doordat bepaalde grote exploitanten, die meerdere tankstations beheren, de overtredingen repeterend begaan. Op het gebied van LPG kan dit voor onaanvaardbare risico’s zorgen. Afgelopen periode hebben zich ongewone voorvallen voorgedaan met betrekking tot lekkende onderdelen van de LPG-installatie. Voor 2025 worden een aantal LPG-tankstations geselecteerd die eerder overtredingen hebben begaan op dit vlak. Hierbij worden ook andere milieubelastende activiteiten betrokken indien hierop meer dan 2 jaar geen controle heeft plaatsgevonden. 3 Dienstverlening landbouw (loonwerkers) De regio Brabant Noord is een agrarische regio. De agrarische sector is in transitie waardoor de rol van loonwerkbedrijven binnen de sector aan het veranderen is. Loonwerkbedrijven bieden steeds meer diensten aan zoals grondverzet/ -opslag of bijvoorbeeld inname van afvalstoffen zoals afgewerkte olie. Veel loonwerkbedrijven zijn hierdoor aan het groeien maar zijn zich niet bewust van de bijhorende milieuwetgeving. Ook door de komst van de Omgevingswet zijn er wijzigingen die invloed hebben op de milieubelastende activiteiten binnen deze branche. De ODBN ziet loonwerkbedrijven, gezien de aard van de uitgevoerde activiteiten en het ontbreken van vee, als industriële bedrijven opererend binnen de agrarische sector. In 2023 en 2024 zijn deze bedrijven gecontroleerd.
Voor 2025 wordt onderzocht welke loonwerkers interessant zijn om vaker te controleren in een kortere periode. Dit is vooral gerelateerd aan de afval- en grondstromen. Onderdeel van de selectie zijn de bevindingen uit het brancheproject van 2023/2024. Team bodem wordt hier vanwege hun expertise nog intensiever bij betrokken.
Verder wordt opgemerkt dat door de Omgevingswet nieuwe regels zijn gekomen die van grote invloed kunnen zijn bij een deel van de afvalverwerkingsbedrijven, zoals de metaalrecycling. Uit data-analyse blijkt dat er veel overtredingen zijn bij deze bedrijven. Wat daarbij opvalt is dat: ➜ een relatief klein aantal bedrijven verantwoordelijk is voor een groot deel van de overtredingen; ➜ de drie bovenstaande activiteiten een hoger overtredingspercentage laten zien. In 2025 wordt een inspanning gedaan om vanuit data van het Landelijk Meldpunt afvalstoffen (LMA) na te gaan waar opslag/ verwerking van afval plaats vindt. Ook wordt een extra screening uitgevoerd vanuit google maps/ GIS-viewer om vooraf na te gaan of deze activiteiten daadwerkelijk (zichtbaar) plaatsvinden. Dit helpt bij de prioritering. Daarnaast zal bij een selectie van bepaalde bedrijven worden bekeken of de wetswijzigingen grote invloed hebben op de activiteiten binnen het bedrijf. 2 LPG-tankstations Tankstations met een afleverzuil voor LPG leveren een verhoogd veiligheidsrisico op voor de omgeving. Uit data-analyse blijkt bovendien dat: ➜ het aantal gecontroleerde tankstations dat in overtreding hoog is; ➜ er gemiddeld veel overtredingen per overtreder worden geconstateerd.
Gemeentelijk werkprogramma 2025 ODBN
Versie 2.3 december 2024
35
36
37
4 Metalektro Deze branche is nieuw in 2025. Lassen mag in beginsel per 1 januari 2026 niet meer in de buitenlucht tenzij maatwerkvoorschriften worden verleend. Met lassen in de buitenlucht wordt de lasrook niet afgezogen en gefilterd maar komen de schadelijke stoffen uit de lasrook direct in de omringende lucht terecht. Hoewel het verbod pas op 1 januari 2026 ingaat, is het zinvol om nu al te inventariseren waar dit speelt (ter voorbereiding op eventuele handhaving), bedrijven te informeren en voorbereidingen te treffen voor maatwerk. Het tweede aspect binnen deze branche is het gebruik van koelemulsie waaraan geregeld middelen worden toegevoegd tegen bacteriegroei. Er zijn signalen dat hierin zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) aanwezig zijn. Dit geldt ook voor het gebruik van ontvetters. Dit aspect wordt daarom ook beschreven in de het thema-aanpak zeer zorgwerkende stoffen (paragraaf 3.4.4.2). In 2025 wordt een aantal bedrijven geselecteerd die zowel lassen (in de buitenlucht) als metaalbewerking met koelemulsiegebruik uitvoeren. Ook wordt gekeken naar bedrijven die hoog scoren in het risicomodel, maar waarvan het nog niet bekend is of deze activiteiten daadwerkelijk plaatsvinden. Bij deze groep wordt wellicht breder gekeken dan alleen bovenstaande aspecten. Dit wordt verwerkt in het brancheplan.
Gemeentelijk werkprogramma 2025 ODBN
5 Padelbanen Ook deze branche is nieuw in 2025. Padel is een sport die meer en meer aan populariteit wint binnen Nederland. Dit kan zowel binnen als buiten worden gespeeld. In vergelijking met tennis, wordt vaak een hoger decibelniveau gemeten bij padel en wordt het specifieke (doffe) geluid als hinderlijker ervaren. Dit komt deels doordat de banen van padel kleiner zijn, waardoor het geluid geconcentreerd wordt. Omdat padelbanen kleiner zijn, kunnen daarnaast meerdere banen op dezelfde oppervlakte worden aangelegd. Ook geeft het type racket en het gebruik van wanden een afwijkend (dof ) geluid. Door deze aspecten is de kans op geluidsoverlast een stuk hoger dan bij tennis. Gezien de actualiteit en groei van deze sport is gericht toezicht op zijn plaats. In 2025 worden inspanning verricht om een compleet beeld te krijgen van alle padelbanen in het werkgebied. Deze zijn niet allemaal bekend omdat de aanleg (binnen bestaande tennisverenigingen) in lang niet alle gevallen gemeld is/ wordt. Daarnaast worden controles uitgevoerd en zal voorlichting worden geven over de problematiek bij padel. Tot slot lopen er momenteel verschillende maatwerkprocedures bij padelbanen met klachtsituaties. De locaties waarbij deze procedures in 2025 zijn doorlopen, krijgen specifieke aandacht.
6 Verkooppunten particulier vuurwerk De vuurwerkbedrijven worden al lange tijd elk jaar intensief gecontroleerd. Zowel voorafgaand aan de verkoop als ook tijdens de verkoopdagen. Voor het gros van de te bezoeken bedrijven geldt echter dat het naleefgedrag zeer goed is. Standaard alle bedrijven bezoeken is daarom niet meer zinvol. Omdat het onderwerp actueel blijft, het bestuurlijk gevoelig is en deze bedrijven een specifieke aanpak kennen, blijft de brancheaanpak wel van toepassing. In 2025 worden alleen
Versie 2.3 december 2024
38
39
de ‘probleem’ locaties (met overtredingen op belangrijkste risico's) en locaties in woonwijken gecontroleerd. De niet-geselecteerde bedrijven worden per brief geïnformeerd over hun verplichtingen. 3.4.4.2 Thema aanpak Binnen dit onderdeel wordt voor elk thema een specifieke aanpak/ themaplan opgesteld waarbij wordt ingezoomd op één onderwerp. Dit onderwerp kan binnen allerlei type bedrijven spelen en dus branche overstijgend zijn. De volgende thema’s zijn geselecteerd: 1. Milieubelastende activiteit (MBA) stuifklassen 2. Lozingen; ➜ Indirecte lozingen ➜ noodtrayvelden aardbeienteelt 3. Energie 4. Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) 5. Lithium-ion batterijen/ energiedragers 6. Terugdringen milieuklachten
Toelichting themaprojecten 2025 1 Milieubelastende activiteit (MBA) stuifklassen Dit betreft een nieuw thema in 2025. Stuifgevoelige goederen in de klasse S2 of S4 mogen, door de komst van de Omgevingswet, niet meer opgeslagen worden in de buitenlucht. Hiervan kan worden afgeweken als maatwerk is verleend voor 1 januari 2026. Omdat er veel bedrijven zijn met buitenopslagen (in deze klassen) en de opslagen vaak van grote omvang zijn, brengt deze wijziging nogal wat teweeg. Zowel voor het bedrijf maar ook voor gemeenten. Het kan namelijk ook effect hebben op het wijzigingen van een Omgevingsplan (bestemming) en acties tot ruimtelijke ordening. De ODBN kijkt daarom intern ook naar andere oplossingen. Te denken valt aan het opnemen van deze activiteit in het bodemplan als alternatieve maatregel die vervolgens in het Omgevingsplan verwerkt kan worden. In dat geval zou individueel maatwerk niet meer nodig zijn. In 2025 worden bij een aantal branches zoals de betonindustrie en opslaan van goederen een aantal bedrijven geselecteerd. Daar wordt o.a. gecontroleerd of de opgeslagen goederen daadwerkelijk onder de stuifklassen S2 of S4 vallen. Hoewel het verbod pas op 1 januari 2026 ingaat, is het zinvol om nu al te inventariseren waar dit speelt (ter voorbereiding op eventuele handhaving), bedrijven te informeren en voorbereidingen te treffen voor maatwerk.
Ook zal bekeken worden wat de mogelijkheden zijn voor een bedrijf. 2 Lozingen De ODBN is bij lozingen aan zet als deze indirect op het oppervlaktewater plaats vinden (via riolering en waterzuivering). Voor lozingen direct op het oppervlaktewater is het Waterschap het bevoegde gezag. Binnen dit thema wordt intensief samengewerkt met de waterschappen, waar veel specialistische kennis aanwezig is over onderstaande onderwerpen.
Gemeentelijk werkprogramma 2025 ODBN
➜ Indirecte lozingen: Schoon water wordt steeds minder vanzelfsprekend in Nederland. De Nederlandse waterschappen waarschuwen voor de problematiek rondom de waterkwaliteit en in de media is steeds vaker te lezen dat ons watergebruik, mede door klimaatverandering, op verschillende vlakken moet veranderen. Niet alleen bij particulieren of in de agrarische sector maar ook vanuit de industrie. De ODBN zet zich daarom in 2025 opnieuw in om de indirecte lozingen, het lozen van schadelijk afvalwater op het gemeentelijke rioolsysteem, door industriële bedrijven grondiger te controleren. Door aangescherpt toezicht op dit thema wordt een signaal afgegeven bij de betreffende bedrijven, de kennis en bewustwording vergroot en wordt een significante kwaliteitsverbetering verwacht. ➜ Noodtrayvelden aardbeienteelt Noodtrayvelden voor de aardbeienteelt is een seizoensgebonden activiteit met een specifieke problematiek. Water met bestrijdingsmiddelen en meststoffen wordt veelal niet opgevangen (wat wettelijk verplicht is) waardoor lozingen in sloot en/of bodem kunnen ontstaan. Daarnaast is de activiteit vaak niet toegestaan volgens het omgevingsplan. Hierdoor worden meestal geen (opvang) voorzieningen aangelegd. Dit speelt jaarlijks in enkele gemeenten met grote kwekers/ fruittelers.
Het valt moeilijk te voorspellen waar deze activiteiten zich zullen ontplooien omdat vooraf onbekend is of de velden dat jaar gebruikt gaan worden en locaties jaarlijks kunnen verschillen. In 2024 zijn een aantal grote kwekers/ fruittelers geattendeerd op het project. De terugkomende signalen zijn zorgelijk. Daarom blijft inzet genoodzaakt in 2025 en worden er controles uitgevoerd daar waar de activiteiten zich ontplooien.
Versie 2.3 december 2024
40
41
3. Energie Energiebod Sinds 1 juli 2023 is energietoezicht een wettelijke basistaak. Op basis van de afspraken in het Energiebod (2021), blijft ook in 2025 het uitgangpunt dat de ODBN tussen 2022 en 2030 alle energierelevante bedrijven controleert waar de gemeente een wettelijke toezichttaak heeft. Dit kan een fysieke of administratieve controle zijn. De verwachting is dat het energietoezicht ca. 20% kan bijdragen aan de besparingsdoelstelling van de Regionale Energiestrategie (RES): 11% energiebesparing in 2030 ten opzichte van 2017. SPUK-THE subsidie Het energietoezicht op basis van de SPUK-THE subsidie maakt formeel geen onderdeel uit van dit werkprogramma, vanwege de alternatieve financiering en uitvoeringseisen. Voor de volledigheid wordt deze wel benoemd. De ODBN zal ook richting subsidieverstrekker en gemeenten verantwoorden wat voor de SPUK-subsidiegelden is gedaan. De SPUK-THE subsidie is beschikbaar van 2022 tot en met 2026.
Vanuit de SPUK-THE subsidie financiert de ODBN een deel van de organisatiekosten (max. 30% van de totale SPUK-besteding) en wordt energietoezicht uitgevoerd als aanvulling op het Energiebod. Die aanvulling is nodig omdat sinds 1 juli 2023 het aantal wettelijke taken is toegenomen. Vanaf dat moment kwamen ook de ETS bedrijven onder gemeentelijk toezicht en zijn omgevingsdiensten belast met toezicht op de onderzoeksplicht voor bedrijven die meer dan 170.000 m³ gas en/of 10 miljoen kWh elektriciteit verbruiken. De Omgevingswet bepaalt dat het toezicht zich richt op zowel de gebouweigenaar als de uitvoerder van de activiteit en ook dat zal leiden tot meer inzet. Energielabel C voor kantoren Sinds 1 januari 2023 zijn kantoren verplicht tenminste energielabel C te hebben (Bbl). Een aantal gemeenten heeft de uitvoering van toezicht en handhaving als verzoektaak belegd bij de ODBN. Het toezicht op deze verplichting is in beginsel administratief. Eventuele handhaving is intensiever maar kan in gevallen gecombineerd worden met het reguliere energietoezicht als onderdeel van de gemeentelijke opdracht voor energie (Energiebod). Registratieverplichting werkgebonden personenmobiliteit Vanaf 1 juli 2024 is de Registratieverplichting Werkgebonden Personenmobiliteit (WPM) van kracht.
Vanaf dat moment zijn organisaties met 100 of meer werknemers en alle publieke rechtspersonen zoals gemeenten, provincies en ministeries, verplicht te rapporteren over het zakelijke verkeer en het woon-werkverkeer. De verplichting komt voort uit afspraken in het Klimaatakkoord om de CO2 uitstoot van werkgebonden personenverkeer in 2030 met 1 Mton te verminderen. Het toezicht op de WPM is een basistaak voor omgevingsdiensten.
Gemeentelijk werkprogramma 2025 ODBN
Versie 2.3 december 2024
42
Uiterlijk 30 juni 2025 moeten werkgevers de eerste rapportage over de periode 1 juli t/m 31 december 2024 indienen in een landelijk digitaal portaal. De ODBN start in de tweede helft van 2025 met toezicht en handhaving. In dit eerste jaar ligt de nadruk van het toezicht op het indienen, in latere jaren zal ook meer inhoudelijk worden getoetst. Gemeenten ontvangen hiervoor een tegemoetkoming voor de uitvoeringskosten in de ‘tijdelijke regeling capaciteit decentrale overheden voor klimaat- en energiebeleid’ (CDOKE). In 2026 evalueert het ministerie van I&W de CO2-reductie die in 2024 en 2025 is behaald. Als de organisaties op koers liggen om het doel van het Klimaatakkoord te halen, blijft het bij rapporteren. Als dat niet het geval is, kan vanaf 2027 een nieuwe wettelijke norm worden ingesteld waarmee slimmer en zuiniger reizen wordt afgedwongen. 4 Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) In heel Nederland werken de bevoegde gezagen en omgevingsdiensten aan de ontwikkeling en implementatie van beleid over ZZS. De ODBN zet zich vanaf 2022 in om vanuit toezicht uitvoering te geven aan het reduceren van ZZS. Dit naast de inspanning vanuit de vergunningverlening. Toezichthouders gaan met bedrijven in gesprek om te bezien welke zaken nu al wettelijk verplicht zijn maar ook wat er aanvullend gedaan kan worden.
Door deze aanpak is ervaring opgedaan, zowel door de toezichthouders als de bedrijven zelf.
5 Lithium-ion batterijen/ energiedragers Dit betreft een nieuwe thema in 2025. De energietransitie (de overgang van het gebruik van fossiele energie naar energie uit hernieuwbare bronnen) betekent een toename van het batterijgebruik. Oplaadbare lithium-ion energiedragers worden steeds vaker gebruikt in bijvoorbeeld voertuigen, huishoudens, energiesopslagsystemen of buurtbatterijen. De meesten hiervan zijn veilig. Echter kan door oververhitting een 'thermal runaway' ontstaan. Dit leidt tot een felle en lastig te bestrijden brand waarbij ook giftige stoffen vrijkomen. Hierdoor zijn risico's voor de omgeving niet uitgesloten bij deze activiteit. Dit speelt vooral als het om de opslag van grotere hoeveelheden energiedragers gaat. Dit kan zowel om nieuwe energiedragers gaan als afgedankte of kapotte exemplaren. Deze worden uiteindelijk verwerkt of gereviseerd. Handelingen met energiedragers brengt extra risico met zich mee. De wetgever heeft de intentie om in 2025 twee PGS-richtlijnen in de wetgeving op te nemen om de risico’s zoveel mogelijk in te perken. In 2025 zal de aandacht uitgaan naar de op de opslag en de verwerking/ reviseren van energiedragers. Hiervoor worden de meest risicovolle locaties geselecteerd. Dit begint met onderzoek naar afgegeven vergunningen op deze milieubelastende activiteit.
Indien mogelijk zal er worden geanticipeerd op de nieuwe PGS-richtlijnen (indien deze nog niet in de wetgeving zijn opgenomen).
ZZS blijft in 2025 aandacht hebben door te borgen dat dit aan bod komt bij elke controle. Onbewust kan namelijk ZZS voorkomen in een product. In 2024 zijn er nieuwe signalen ontvangen dat ZZS in bepaalde activiteiten voor kunnen komen. ➜ Wasstraten: Bij wasstraten, die niet vallen onder een grotere keten, worden middelen (bijv. wax of polish) gebruikt waar mogelijk ZZS in kunnen zitten. ➜ Metaalbewerking: Bij vormen van metaalbewerking zoals zagen, boren, slijpen en frezen wordt vaak een koelmiddel gebruikt om overhitting te voorkomen. Aan deze koelemulsie worden soms middelen tegen bacteriegroei toegevoegd. Deze kunnen ZZS bevatten. Dit geldt ook voor het gebruik van ontvetters. De ODBN selecteert een aantal bedrijven uit deze 2 groepen (zie ook branche aanpak metalektro paragraaf 3.4.4.1) om na te gang of bovenstaande signalen ook in ons werkgebied spelen. In gevallen waar dit aan de orde is, worden gerichte acties ondernomen. Daarnaast hebben de inmiddels bekende bedrijven een Vermijdings- en Reductieprogramma ZZS (V&RP) opgesteld dat eens per 5 jaar moet worden geüpdatet door het bedrijf. Deze updates zullen omstreeks 2028/ 2029 plaats moeten vinden, maar tussentijdse controles op de voortgang binnen dit programma maken eveneens onderdeel uit van de thema aanpak.
Gemeentelijk werkprogramma 2025 ODBN
Versie 2.3 december 2024
43
44
6 Terugdringen milieuklachten De in 2022 ingevoerde nieuwe werkwijze rond de behandeling van milieuklachten (o.a. inzet van administratieve medewerkers klachtenafhandeling) begint zijn vruchten af te werpen. Het eerste deel van 2024 laat zowel een daling in het aantal klachten zien als een efficiëntere afhandeling van de klachten. In 2024 is gestart met de volgende stap: de (verdere) preventie van klachten. Op basis van het aantal klachten over het laatste half jaar zijn er een aantal locaties geselecteerd waarbij bekeken wordt of verdergaande instrumenten tot meer resultaat kunnen leiden. Daarbij moet gedacht worden aan actieve sessies met (notoire) melders (bijv. presentatie over de situatie, wetgeving, lopende handhavingstrajecten en verwachtingen) om hen zowel uitleg te geven als perspectief te bieden. Ook het actief betrekken van het betreffende bedrijf, een op maat gemaakte aanpak voor inspectie of mediation behoort tot de mogelijkheden. Omdat dit vaak intensieve en langlopende trajecten zijn, wordt deze thema aanpak doorgetrokken naar 2025.
3.4.5 Onbekende (illegale) activiteiten In deze nieuwe paragraaf worden een aantal bestaande en nieuwe onderdelen samengevoegd die sterk met elkaar verweven zijn. De gemene deler is het in beeld zien te krijgen van activiteiten die onbekend zijn bij de ODBN. Dit gaat vaak gepaard met illegaliteit, omdat veel activiteiten vooraf vergund of gemeld moeten worden waardoor deze niet meer onbekend zouden zijn. Er wordt onderscheid gemaakt in de volgende onderdelen: ➜ Blinde vlekken ➜ Leegstand ➜ Gebiedsgericht aanpak
Gemeentelijk werkprogramma 2025 ODBN
45
Blinde vlekken Voor dit onderdeel wordt sterk gebruik gemaakt van data en informatie uit het ODBNbedrijvenbestand en in de nabije toekomst ook het MBA-bestand. In 2023 is met succes data uit het KvK gekoppeld aan dit bestand. Deze koppeling maakt het mogelijk om onderzoek te doen naar de ‘blinde vlekken’ in het bedrijven-/ MBA bestand. Blinde vlekken zijn: ➜ Milieurelevante bedrijven/locaties die wel in andere data (zoals KvK of LMA) staan maar niet in het bedrijven-/ MBA-bestand van de ODBN. ➜ Milieurelevante bedrijven/locaties die niet met andere data vindbaar zijn en ook niet in het bedrijven-/ MBA-bestand voorkomen. In 2025 wordt een selectie van blinde vlekken onderzocht. Hierbij zal een lijst met mogelijk interessante bedrijven/locaties worden opgesteld en deze wordt administratief nagelopen en geprioriteerd. Hierbij zal de toezichthouder gebruik maken van beschikbare gegevens in onze systemen en luchtfoto’s uit de GIS-viewer. Hieruit volgt een selectie aan bedrijven/locaties die in 2025 worden gecontroleerd. Indien daadwerkelijk milieurelevante bedrijven/locaties worden aangetroffen, dan worden deze opgenomen in het bedrijven-/MBA-bestand.
Versie 2.3 december 2024
46
47
Gebiedsgerichte aanpak Veehouderijen/buitengebied Naast risicogericht toezicht op basis van IGW is er ook een gebiedsgerichte aanpak voor veehouderijen/buitengebied. Hierbij wordt in een bepaald gebied en/of met een bepaald thema toezicht uitgevoerd zonder voorafgaande bedrijvenselectie. Er zal gekeken worden naar onbekende milieubelastende activiteiten en illegale praktijken. Voorbeelden hiervan zijn luchtwassers die niet in werking zijn of onbekende propaantanks (eveneens van belang voor risicokaart REV). Interessante blinde vlekken of bekende leegstand binnen het gebied worden tijdens de rondgang meegenomen. De geïnventariseerde locaties met activiteiten worden vastgelegd in het bedrijven-/ MBA-bestand. Industrie(terreinen) In 2023 is gestart met de gebiedsgerichte aanpak op verschillende industrieterreinen. Op basis van constateringen, meldingen of andere signalen worden informatieanalyses uitgevoerd en enkele interessante industrieterreinen geselecteerd. Binnen deze terreinen zal de nadruk van het toezicht met name liggen op wisseling van bedrijven, (nieuwe) leegstand en illegale activiteiten. De eerste resultaten laten zien dat er de nodige onbekende activiteiten zijn op deze terreinen en dat de aanpak zinvol is. In 2025 wordt deze dan ook voortgezet en uitgebreid.
De aandachtsgebieden zullen niet alleen meer industrieterreinen zijn, ook de bebouwde kom en centra worden betrokken voor een steekproef. Interessante blinde vlekken of bekende leegstand binnen het de geselecteerde industrieterreinen en centra worden meegenomen.
3.5 Niet geprogrammeerd toezicht en handhaving Leegstand Onder leegstand worden locaties verstaan waar in het verleden een inrichting zat/ bedrijvigheid was maar waarvan later is vastgesteld dat er geen (milieubelastende) activiteiten meer plaatsvinden. Voorwaarde hierbij is dat de locatie nog wel geschikt moet zijn voor bedrijvigheid (leegstaande gebouwen, voorzieningen). Locaties waar geen bedrijvigheid meer mogelijk is (alle gebouwen gesloopt, nieuwe bestemming of woningbouw) worden namelijk uit het bedrijven-/MBA-bestand verwijderd. In de loop der jaren is het aantal geregistreerde locaties met leegstand opgelopen tot ruim 700 binnen het gehele gebied. In 2025 wordt een deel van de locaties gecontroleerd. Voorafgaand aan controle vindt een administratieve actie plaats met behulp van luchtfoto’s zodat een eerste schifting gemaakt kan worden. Bij de controles zal ook gelet worden op ondermijning en (het intrekken van) oude vergunningsrechten. De leegstandcontroles worden zoveel als mogelijk binnen de gebiedsgerichte aanpak (zie hieronder) uitgevoerd, maar er zullen ook controles buiten deze gebied plaatsvinden.
Gemeentelijk werkprogramma 2025 ODBN
Gedurende het jaar doen zich omstandigheden voor waardoor het noodzakelijk of gewenst is toezicht of andere taken uit te voeren op bedrijfsgebonden MBA’s die niet voorzien waren in dit programma.
3.5.1 Controles milieu (losse opdrachten) Hiermee worden controles milieu bij bedrijfsgebonden MBA’s bedoeld, die niet onder het geprogrammeerde toezicht vallen maar gedurende het lopende jaar voor controle worden aangedragen. Deze controles kunnen op initiatief van zowel de deelnemer als de ODBN zijn. Hieronder vallen ook oplevercontroles (na verlenen omgevingsvergunning/ beoordelen meldingsplicht) en controles na het buiten behandeling laten van een omgevingsvergunning of melding.
Ketengerichte aanpak Controles als gevolg van de ketengerichte aanpak (zie paragraaf 3.8), die niet ondergebracht zijn of kunnen worden onder het geprogrammeerde toezicht, asbest- of bodemtoezicht, worden onder dit gedeelte van het programma uitgevoerd.
Versie 2.3 december 2024
48
49
Mestfraude
3.5.3 Repressieve bestuursrechtelijke handhaving
Het bovenstaande geldt ook voor controles op mestfraude die voortvloeien uit het project Gebiedsgerichte handhaving mestfraude. Hierin werkt de ODBN samen met onder meer de provincie Noord-Brabant, NVWA en RVO (samenwerking wordt in 2025 voortgezet).
De werkzaamheden die betrekking hebben op het ten uitvoer brengen van bestuursdwang of een last onder dwangsom, zoals het opstellen van een dwangsombeschikking, de herinspecties na afloop van de begunstigingstermijn of het verbeuren van dwangsommen. Dit zijn alle werkzaamheden die volgen vanaf het besluit voor een definitieve handhavingsbeschikking. Deze werkwijze is vanaf 2024 ingevoerd en zal voortgezet worden in 2025.
Ondermijning Vanuit het speerpunt Ondermijning kunnen verzoeken komen om inspecties milieu uit te voeren bij door dit speerpunt geselecteerde locaties/ branches. Vaak is er voor deze inspecties aanvullend budget beschikbaar binnen de gemeenten, vanuit de portefeuille Openbare orde en Veiligheid. Inspecties uitgevoerd in het kader van ondermijning maken daarom onderdeel uit van nietgeprogrammeerd toezicht.
3.5.4 Advies verzoek om handhaving/advies gedoogbeschikkingen Hieronder wordt verstaan het bij een verzoek om handhaving opstellen van een voornemen dwangsom, beschikking voor afwijzing en het opleggen van een last onder dwangsom/ bestuursdwang. Inspecties als gevolg van een verzoek om handhaving worden eveneens onder dit gedeelte uitgevoerd.
3.5.2 Beoordelen voorgeschreven onderzoeken Het beoordelen van onderzoekrapportages, waarvan het opstellen en aanleveren ervan is voorgeschreven vanuit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), de omgevingsvergunning (onderdeel milieu) of het omgevingsplan. Voorgaande geldt nadrukkelijk voor onderzoekrapportages die zijn ingediend nadat de meldings- of vergunningsprocedure is afgerond. Onderzoekrapportages die tijdens de lopende procedure worden ingediend, worden afgehandeld onder het gedeelte ‘Vergunningverlening bij bedrijfsgebonden MBA’s’ van dit programma.
Gemeentelijk werkprogramma 2025 ODBN
Ook het in overleg met de gemeente opstellen van gedoogverklaringen bij illegale situaties, die volgens het landelijk beleidskader gedogen in aanmerking komen voor tijdelijk gedogen, behoort hiertoe.
Versie 2.3 december 2024
50
3.5.5 Repressieve strafrechtelijke handhaving
Versterken samenwerking strafrechtelijke handhavingspartners
Naast bestuursrechtelijke handhaving is strafrecht één van de instrumenten welke ingezet kan worden om bij te dragen aan een schone, veilige en duurzame leefomgeving. Hoewel strafrechtelijke handhaving nooit een opzichtzelf staand doel mag zijn, is het wel een onmisbaar middel voor de handhaving van het omgevingsrecht. En hét repressieve sluitstuk wanneer (alleen) bestuursrechtelijke maatregelen onvoldoende blijken. Bestuurs- en strafrechtelijke handhaving zijn onderdeel van de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO). De LHSO gaat uit van een evenwichtig afgestemd bestuurs- en strafrechtelijk interveniëren. De vraag welke interventie passend is, hangt af van de aard, zwaarte, oorzaken en de gevolgen van de overtreding plús het verwachte effect van de interventie.
Strafrechtelijke handhaving vraagt om intensieve samenwerking tussen de diverse handhavingspartners. Gezamenlijk met o.a. de politie, het Openbaar Ministerie (OM) en diverse andere partners wordt zorggedragen voor de handhaving van het omgevingsrecht. De grijze boa’s hebben een vast afstemmingoverleg met het Functioneel Parket, samen met o.a. de andere Brabantse omgevingsdiensten, het milieuteam van de politie de andere Brabantse omgevingsdiensten en de waterschappen. Tijdens dit overleg wordt overleg over de meest effectieve insteek bij individuele strafzaken.
De afgelopen jaren werkt de ODBN aan het steviger inbedden van strafrecht binnen de organisatie. Inmiddels zijn er 3 ‘grijze’ boa’s in dienst, waarvan één senior. Hiermee is de gewenste capaciteit op orde. Omdat deze extra capaciteit nog niet geland is in de 3-jaren gemiddelden (berekeningswijze van de budgetten) zijn voor 2025 aanvullende uren opgenomen binnen niet-geprogrammeerd toezicht. De grijze boa’s pakken strafrechtelijke handhavingszaken op voor het grijze kleurspoor. Dit zijn zaken die voortkomen uit agrarisch en industrieel toezicht (MBA gebonden). Daarnaast behandelen ze ook zaken op het gebied van asbest, sloop, bodem, omgevingszorg of de ketenaanpak. Zaken die strafrechtelijk opgepakt worden, worden opgevolgd met een proces-verbaal (verkort of uitgebreid) of een bestuurlijke-strafbeschikking milieu.
In 2025 wordt de samenwerking van een volgende impuls voorzien. Het afgelopen jaar zijn nieuwe overlegvormen ontstaan waar meer beleidsmatige afstemming plaatsvindt. In samenspraak met de handhavingspartners wordt onderzocht hoe deze overleggen het beste geformaliseerd kunnen worden.
Toepassing LHSO In 2024 is voor het eerst gewerkt met de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO), de opvolger van de LHS. In 2024 zijn verschillende producten ontwikkeld om de toepassing van de LHSO binnen de ODBN te verbeteren. Zo wordt gewerkt met eigen werkinstructies afgeleid van de LHSO, en is een leidraad in ontwikkeling met daarin enkele overtredingen waarvan de effectscore vooraf is ingeschaald als ‘ODBN-standaard’. De verwachting is dat de getroffen maatregelen en ontwikkelde producten en werkafspraken in 2025 gaan leiden tot een verbeterde toepassing van de LHSO. Bovenstaande ontwikkelingen - tezamen met de doorontwikkeling van risicogericht toezicht kunnen leiden tot een toename in het aantal strafzaken. De gezamenlijke prioritering is van groot belang om een selectie te maken van de strafzaken die overdragen worden aan het FP. Ook de weging binnen de LHSO is van belang. Het ligt voor de hand om zaken met een hogere LHSO-score te prioriteren.
3.5.6 Behandelen klachten- en incidentmeldingen Behandeling van klachten en incidenten, meldingen ongewone voorvallen en meldingen afwijking reguliere bedrijfsvoering. Het betreffen meldingen over bedrijven, zoals geluids- of geuroverlast, maar ook meldingen in het kader van omgevingszorg (niet bedrijfsgebonden), zoals drugsafval dumpingen, asbestbranden e.d. Inspecties als gevolg van klachten, incidenten, ongewone voorvallen of omgevingszorg, vallen ook onder dit gedeelte van het programma.
Gemeentelijk werkprogramma 2025 ODBN
Versie 2.3 december 2024
51
52
3.6 Toezicht basistaken bodem en mobiel breken
53
Het uitvoeren van toezicht op verschillende taken die betrekking hebben op de bodem.
Taken: ➜ Het uitvoeren van toezicht op werkzaamheden die betrekking hebben op het toepassen en (tijdelijke) opslaan van grond (zeven, ontwateren, samenvoegen van grond of baggerspecie/ toepassen van grond of baggerspecie/ toepassen van bouwstoffen en opslaan) risicogericht met behulp van een quick-scan. In overleg met de betreffende gemeenten worden tijdens de voorbereiding van het werkprogramma de grote (infrastructurele) projecten geïnventariseerd. Dit kunnen zowel projecten zijn binnen de eigen gemeentegrenzen als projecten die de gemeentegrenzen overschrijden. ➜ Het toezicht op mobiel breken wordt volgens een risicogerichte werkwijze uitgevoerd. ➜ Het uitvoeren van toezicht op gesloten bodemenergiesystemen. ➜ Vrijeveld toezicht op illegale grondverplaatsingen en -opslag. ➜ Het uitvoeren van toezicht op graafactiviteiten in schone grond (gelijk aan of onder interventiewaarde). ➜ Het uitvoeren van toezicht op graafactiviteiten kleiner en groter dan 25 m³ in verontreinigde grond (boven interventiewaarde). Er is bij deze werkzaamheden geen sprake van daadwerkelijke sanering, daarom wordt toezicht niet in alle voorkomende gevallen uitgevoerd. ➜ Het uitvoeren van toezicht op bodemsaneringen. Er wordt uitgegaan van toezicht op 100% van de ingediende meldingen. Hierdoor wordt ervaring opgedaan met deze taak waarna een meer risicogerichte werkwijze ontwikkeld wordt.
➜ Het uitvoeren van toezicht op het toepassen van grond op voormalige stortplaatsen. ➜ Het uitvoeren van toezicht op de toepassing van immobilisaten. ➜ Het uitvoeren van toezicht en eindbeoordelingen van saneringen op grond van de Wet bodembescherming (geldt alleen voor gemeente ’s-Hertogenbosch). In 2024 wordt de aanpak, uitvoering en de wijze van prioriteren van bovenstaande taken beschreven in een bodemnotitie. Deze nieuwe notitie vervangt de huidige notitie “Overdracht reguliere taken Besluit bodemkwaliteit”. De bodemnotitie wordt na gereed komen aan de deelnemers voorgelegd. Naar verwachting zal dit medio 2025 zijn. In 2025 worden de taken volgens deze notitie uitgevoerd.
3.7 Toezicht sloop met asbest Het uitvoeren van toezicht op verschillende taken die betrekking hebben op asbestverwijdering en bouwkundige sloop.
Taken: ➜ Het uitvoeren van toezicht op asbestverwijdering en op gecombineerde sloop (asbestverwijdering + bouwkundige sloop). ➜ Vrijeveld toezicht op illegale asbestsaneringen/ sloopactiviteiten. ➜ Het uitvoeren van toezicht op de risicomatrix, het sloopveiligheidsplan en stikstofmaatregelen (bij meer dan 10 m³ sloopafval en/of asbestafval). Er is een dashboard ontwikkeld waarin alle sloopmeldingen en startmeldingen op een kaart van het gebied geprojecteerd worden. Omdat deze meldingen eerder geprioriteerd zijn, valt in een oogopslag te zien welke locaties een hoge prioriteit hebben en waar de werkzaamheden inmiddels zijn gestart. Op deze wijze kan het toezicht effectief worden ingeregeld en kunnen eenvoudig slimme routes door het gebied bedacht worden. Daarnaast worden projectmatig zaken opgepakt die vanuit het reguliere toezicht aandacht vragen. Een voorbeeld hiervan is intensiever toezicht op asbestsaneringen van een specifieke asbestsaneerder, indien deze herhaaldelijk negatief gedrag laat zien.