CConstaterende datVoorst
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

gemeenteraad 4 maart 2024, gemeente VoorstBij agendapunt: Bestemmingsplan Hietweideweg/Jupiter21.498 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Aan de andere kant dient de visie ook als toetsingskader voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Centraal in het ruimtelijk beleid van de gemeente Voorst staat dan ook onze eigen identiteit. Nieuwe ontwikkelingen moeten hierbij aansluiten en waar mogelijk versterken. Onder identiteit wordt verstaan: diversiteit en kwaliteit van de landschappen in de gemeente, de bijzondere monumenten en rijke cultuurhistorie, de dorpse schaal van de kernen, de menselijke maat en de krachtige sociale samenhang in de gemeente. Ook duurzaamheid maakt een onderdeel uit van de identiteit. Het gaat dan om de wens en de noodzaak om de ruimtelijke, economische en sociale kwaliteiten toekomstbestendig te maken. Op basis van de identiteit zijn in Ruimtelijke Toekomstvisie Voorst de volgende thema's geformuleerd: Wonen, leefbaarheid en sociale cohesie; Werken, innovatie en recreatie; Omgeving en landschap; Energie en klimaat. Uitgangspunten die bij nieuwe woningbouwontwikkelingen gelden, zijn onder meer bouwen naar behoefte, gericht op kwaliteit en (in)passend in de omgeving. Er is een geschikt aanbod van woningen voor alle doelgroepen. In overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt daarbij gestreefd naar vergroting van het woningbestand door inbreiding in de bestaande kernen. Voorliggend plan past dan ook binnen deze uitgangspunten.

28

Woningb ouw Hietweideweg/Jupiter, Twello

3.5.2

Woonvisie Aantrekkelijk Voorst 2025

In de in 2017 vastgestelde Woonvisie ‘Aantrekkelijk Voorst 2025’ is de gemeentelijke visie gegeven op het wonen in de gemeente Voorst. De gemeente Voorst is een aantrekkelijke plek om te wonen, gelegen in de groene zone tussen de steden Deventer, Zutphen en Apeldoorn. De gemeente is goed bereikbaar en heeft een goed voorzieningenniveau. Van belang is dit zo te behouden en dit te versterken. De vraag naar woningen neemt toe, waarbij het streven is om jaarlijks circa 80 woningen aan de woningvoorraad toe te voegen. De meeste van deze woningen maken onderdeel uit van bestaande plannen. Het gros hiervan richt zich op Twello, omdat hier de vraag het grootst is. Om de gemeente Voorst aantrekkelijk te houden kent de Woonvisie vier pijlers van woonbeleid die richtinggevend zijn voor het gemeentelijke woonbeleid tot 2025. Het gaat om de volgende vier pijlers: 1. Aantrekkelijke woongemeente. Bij nieuwbouw vindt kwalitatieve sturing plaats waarbij gebouwd wordt voor de behoefte van nu, maar ook voor langere termijn. Hierbij wordt ingezet op een divers woningaanbod dat aansluit bij woonwensen van verschillende doelgroepen. Leefbaarheid wordt gestimuleerd; 2. Beschikbaarheid en betaalbaarheid. Voor lagere en middeninkomens moet de woonvraag bediend worden, door te zorgen voor voldoende aanbod sociale huurwoningen en bereikbare koopwoningen; 3. Kwaliteit van de woningvoorraad.

Deze pijler richt zich vooral op het verbeteren van de duurzaamheid van de woningen in de gemeente. 4. Vergrijzing en wonen met zorg. De vergrijzing heeft gevolgen voor het wonen en de zorg. Langer zelfstandig wonen is het uitgangspunt. Zowel bij nieuwbouw als het aanpassen van bestaande bouw is het van belang hierin te faciliteren. Elk van de pijlers kent verschillende speerpunten. In Afbeelding 30 is een overzicht van de verschillende pijlers en speerpunten schematisch weergegeven.

Afbeelding 30 - Pijlers en speerpunten Woonvisie

Aantrekkelijke woongemeente Voorst Voorliggend plan zet in op een gevarieerd woningaanbod, gericht op verschillende doelgroepen. Zo bestaat het plan uit enkele tweekappers, maar ook uit compacte grondgebonden woningen en diverse typen appartementen. Tevens is er ruimte gereserveerd voor een hofjesconcept met 29

Woningb ouw Hietweideweg/Jupiter, Twello

levensloopbestendige woningen. Het diverse woningbouwprogramma speelt zodoende in op de behoefte verschillende doelgroepen. Bij uitwerking van de plannen wordt daarbij naast architectonische kwaliteit ook veel aandacht besteed aan de kwaliteit van inrichting van de openbare ruimte en daarmee de verblijfskwaliteit. Conform uitgangspunten van de visie vindt dit alles plaats door (her)ontwikkeling van locaties in de kern. Betaalbaarheid en beschikbaarheid In een relatief dure woningmarkt als Voorst, grotendeels bestaande uit koopwoningen, kunnen huishoudens met lagere inkomens en middeninkomens moeilijker een woning vinden. Om het aanbod aan bereikbare koopwoningen (tot maximaal € 355.000) en sociale huurwoningen te vergroten zijn in de Woonvisie uitgangspunten opgenomen voor het aandeel woningen in het bereikbare segment bij nieuwe ontwikkelingen. Voor Twello gaat het om 40% van de nieuwbouwproductie. De herontwikkeling van het voormalig Veluws College Hietweideweg gaat uit van ca. 72 nieuwe woningen. Het uiteindelijke aantal woningen kan nog enigszins wijzigen bij gewijzigde inzichten of optimalisatie van het plan. De stedenbouwkundige opzet gaat uit van 72 woningen waarvan 46 in het bereikbare segment (sociale huur en bereikbare koop tot € 355.000) waarbij het gaat om zowel appartementen als grondgebonden huurwoningen. Het aandeel sociale huurwoningen bedraagt ca.

39% waarbij het tevens aansluit bij de beleidslijn vanuit het Rijk. De 18 bereikbare koopwoningen krijgen een maximum aankoopprijs van € 355.000 (gebaseerd op de landelijk gehanteerde grens in 2023 voor bereikbare koopwoningen). Kwaliteit van de woningvoorraad De visie zet vooral in op verduurzamen van de bestaande woningvoorraad, maar uiteraard ook bij nieuwe ontwikkelingen. Uitgangspunten hiervoor zijn vastgelegd in de nota Duurzaamheid en het daarbij behorende Addendum Duurzaamheid. Ook gaat duurzaamheid over kwaliteit van de woonomgeving, waarin mensen gezond, veilig en prettig kunnen wonen en een woningvoorraad die lang meegaat en snel is aan te passen aan de woonwensen van bewoners. Naast energie wordt gekeken naar klimaat, grondstoffen, bewustwording en sociale duurzaamheid. De nieuw te bouwen woningen moeten voldoen aan de meest actuele duurzaamheidseisen, waarbij extra maatregelen op dit gebied worden toegejuicht. Duurzaamheid (in de breedste zin van het woord) is tevens een beoordelingscriterium bij het beoordelen van de plannen van diverse marktpartijen bij de uitgifte van de gronden. Vergrijzing en wonen met zorg Zoals hiervoor aangegeven worden in de herontwikkeling diverse levensloopbestendige woningen gerealiseerd die geschikt zijn voor meerdere doelgroepen.

Hoewel deze woningen niet expliciet voor ouderen worden ontwikkeld, is een groot deel wel voor deze doelgroep geschikt. Daarbij speelt mee dat het plangebied zich niet in het centrum van Twello bevindt, maar wel op relatief korte afstand. De voorzieningen in Twello bevinden zich daarmee op korte afstand waardoor deze locatie ook aantrekkelijk is voor de doelgroep ouderen. 3.5.3

Welstandsnota

Om de ruimtelijke kwaliteit van de woon- en leefomgeving te bewaken, heeft de gemeente enkele mogelijkheden tot haar beschikking om de kwaliteit van de omgeving te stimuleren. De Welstandsnota is hiervoor een belangrijk kader. In de Welstandsnota worden randvoorwaarden omschreven waaraan bouwplannen moeten voldoen. De randvoorwaarden zijn zodanig geformuleerd dat er wel enige beleidsvrijheid voor de ontwikkelaar is en de regels niet té sturend zijn. Naast de kaders is er ook een motivatie voor de ruimtelijke kwaliteit in de nota opgenomen met kwaliteitsnormen per deelgebied in de gemeente. Alle vier de locaties vallen onder de Naoorlogs woongebieden. In de Welstandsnota geldt in algemene zin dat de bestaande gebouwde omgeving het kwalitatieve referentiepunt is voor nieuwe bouwwerken. Een plan dient te voldoen aan de 'redelijke eisen van welstand'. Voor deze locatie wordt ingezet op een hoogwaardige beeldkwaliteit die in enkele gevallen kan afwijken van de ambities die in de Welstandsnota zijn opgenomen voor de Naoorlogse woongebieden in Twello. Om te borgen dat het vooraf beoogde ambitieniveau behaald wordt, is voor de ontwikkeling een stedenbouwkundig ontwerp opgesteld en gelden er tevens uitgangspunten op het 30

Woningb ouw Hietweideweg/Jupiter, Twello

gebied van beeldkwaliteit en inrichting van de openbare ruimte (zie hiervoor 2.3.2 Uitgangspunten herontwikkeling naar woningbouw (stedenbouwkundig ontwerp en beeldkwaliteit). Deze uitgangspunten en randvoorwaarden maken integraal onderdeel uit van dit bestemmingsplan en worden ook als zodanig meegegeven in de uitvraag naar marktpartijen en de contractering. Deze uitgangspunten vormen een belangrijk beoordelingscriterium en uiteindelijk ook het toetsingskader bij de uiteindelijke uitwerking van de bouwplannen. Het stedenbouwkundig ontwerp in samenhang met de randvoorwaarden en uitgangspunten vervangen daarmee de Welstandsnota.

31

Woningb ouw Hietweideweg/Jupiter, Twello

Hoofdstuk 4 4.1

Uitvoerbaarheid

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Daarnaast wordt ingegaan op de thema's archeologie, cultuurhistorie, natuuronderzoek, verkeersaspecten, water en de economische uitvoerbaarheid.

4.2

Milieu-aspecten

4.2.1

Bodem

4.2.1.1 Verkennend bodemonderzoek Als gevolg van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet onderzocht worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Om de bodemkwaliteit aan te tonen zijn voor bodemonderzoeken uitgevoerd. In april 2021 is door De Klinker BV (zie Bijlage 1) een verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek uitgevoerd. Afbeelding 31 geeft de drie deelgebieden uit het verkennende bodemonderzoek weer.

Afbeelding 31 - ligging deelgebieden

32

Woningb ouw Hietweideweg/Jupiter, Twello

In het verkennende bodemonderzoek zijn de volgende drie deelgebieden onderscheiden: Deelgebied 1: de voormalige middelbare school aan de Hietweideweg; Deelgebied 2: het voormalige terrein van de gemeentewerf en brandweerkazerne. Ook valt de dierenweide binnen dit deelgebied; Deelgebied 3: Sint Maartenserf en Martinushof. Op het terrein is een verpleeghuis gevestigd en bevinden zich een aantal seniorenwoningen. Het overige terrein is ingericht als tuin, park en parkeerplaats. Voorliggend plan richt zich op de deelgebieden 1 en 2. Deelgebied 3 is meegenomen in het onderzoek, maar dit betreft gronden van IJsseldal Wonen. Vermoedelijk worden deze gronden na 2030 herontwikkeld en is zodoende niet relevant voor voorliggende herontwikkeling. Hieronder de conclusies voor deelgebieden 1 & 2. Deelgebied 1: de voormalige middelbare school aan de Hietweideweg. in de bovengrond zijn geen van de onderzochte componenten aangetroffen in een concentratie boven de achtergrondwaarde; ter plaatse van, in een eerder onderzoek aangetroffen, verontreiniging met nikkel is een tijdelijk gebouw geplaatst en kon geen nader onderzoek worden uitgevoerd;' de hypothese kan aangenomen worden. Dit komt erop neer dat het vanuit het aspect bodem bezien een onverdachte locatie is en er zodoende geen belemmeringen zijn voor herontwikkeling naar woningbouw.

Deelgebied 2: gemeentewerf, brandweerkazerne en dierenweide in de bodem is plaatselijk puin, baksteen en kolengruis aangetroffen; in de puinhoudende laag is een zeer licht verhoogd gehalte asbest aangetroffen (0,7 mg/kg ds); ter plaatse van de zoutopslag is in het grondwater een verhoogd gehalte chloride en cyanide aangetoond; op het achterterrein is tijdens het plaatsen van peilbuis 6 een stukje asbestverdacht materiaal in de ondergrond aangetroffen. Op basis van het stukje asbest en de resultaten van de asbestanalyse van het grondmonster van deze laag is de concentratie asbest ter plaatse indicatief berekend op 56 mg/kg ds.; in de bovengrond van het terrein is plaatselijk een verhoogd gehalte PFAS aangetroffen. Het betreft de mengmonsters MMH (parkeerplaats), MM2G-1 (voorzijde gemeentewerf) en MM2G-5 (noordoostzijde pand). In de overige bovengrondmengmonsters is geen PFAS aangetroffen boven de achtergrondwaarde; In mengmonster MM2G-6 is een licht verhoogd gehalte PCB aangetroffen. In de overige boven en ondergrondmonsters zijn geen overige verhoogde componenten aangetroffen; Het grondwater is licht verontreinigd met nikkel, zink, koper en barium; de hypothese dient deels verworpen te worden en kan deels aangenomen worden. Enkele locaties behoeven vervolgonderzoek.

4.2.1.2 Nader bodemonderzoek Uit het verkennend bodemonderzoek bleek dat voor een aantal locaties binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk was (zie hiervoor Bijlage 2). Dit onderzoek is uitgevoerd door Tauw en het rapport dateert uit april 2022. Na het analyseren van de onderzoeksresultaten uit het verkennende bodemonderzoek heeft Tauw nader onderzoek gedaan naar: PFAS; chloride/cyanide; afperking verontreiniging Nikkel in grond; nader asbestonderzoek ter plaatse van een specifieke boring; actualisatie olievetafscheider. Conclusie Doel van het nadere bodemonderzoek was om te bepalen wat de ernst en omvang van de verontreinigingen is om te komen tot een beschikking op ernst en spoedeisendheid. Op de locatie is sprake van een bodemverontreiniging met PFAS en is er geen sprake van andere belemmeringen vanuit milieuhygiënisch oogpunt. De PFAS verontreiniging vormt een belemmering voor de voorgenomen nieuwbouw. Alvorens het gebied in gebruik wordt genomen voor woningbouw dient de PFAS 33

Woningb ouw Hietweideweg/Jupiter, Twello

verontreiniging gesaneerd te worden. 4.2.2

Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Hieronder wordt verstaan het aanbrengen van voldoende ruimte tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies, zoals woningen, anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen de milieubelastende en milieugevoelige functies. Deze afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. De milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam en onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten als geur, stof, geluid en gevaar. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen het type rustige woonwijk en gemengd gebied. In maart 2021 heeft SAB een quickscan bedrijven en milieuzonering uitgevoerd (zie Bijlage 3).

Wanneer het plangebied wordt ontwikkeld voor woningbouw moet worden uitgegaan van gebiedstype 'rustige woonwijk'. In de plint van het appartementengebouw aan de Hietweideweg wordt ruimte geboden voor een maatschappelijke plint. Deze functie gaat goed samen met de woonfunctie van de rest van het plangebied waardoor wordt aangenomen dat deze geen (extra) hinder oplevert voor de bestaande en nieuw te ontwikkelen woningen. De quickscan is tweeledig. Enerzijds mag de voorgenomen ontwikkeling geen (extra) belemmeringen vormen voor de aanwezig functies in de omgeving. Anderzijds moet er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd worden voor de nieuw te realiseren woningen. In (de nabijheid van) het plangebied zijn diverse functies aanwezig die mogelijk hinder kunnen veroorzaken op of ondervinden van de beoogde herontwikkeling naar woningbouw. Zo bevinden zich in de nabijheid van het plangebied onder andere kantoren, een kinderopvang, begraafplaats, een sportcomplex en een restaurant. Conclusie Uit de quickscan blijkt dat de aanwezige functies in de nabijheid van het plangebied nagenoeg geen belemmering vormen voor voorgenomen ontwikkeling. De afstand tussen de beoogde woonbestemming en de omliggende functies is in de meeste gevallen groter dan de minimale richtafstanden.

Daarmee kan geconcludeerd worden dat deze omliggende gronden/functies niet worden geschaad in hun ontwikkelingsmogelijkheden en ter plaatse van de ontwikkellocatie. Aan de noordzijde van het plangebied is de enkelbestemming 'kantoor' gelegen. De afstand van het bedrijfsperceel tot aan de perceelsgrens is nul meter aangezien de percelen aan elkaar grenzen. De richtafstand van 10 meter dient echter gemeten te worden vanaf de grens van het bedrijfsperceel tot de gevel van het gevoelige object. In de stedenbouwkundige opzet is met deze afstand rekening gehouden welke ook in de definitieve uitwerking dient te worden meegenomen. Zodoende vormt de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering voor de aanwezige bedrijvigheid. Aan de noord-oostzijde grenst een perceel met maatschappelijke functie aan het plangebied. Hier is onder andere een kinderdagverblijf gevestigd. Voor deze functie geldt een richtafstand 30 meter. Deze richtafstand wordt naar alle waarschijnlijkheid door het plan niet gehaald. Daarom dient een aanvullend akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd te worden om het akoestische klimaat ter plaatse te beschouwen. Zie hiervoor paragraaf 4.2.3.1. Het woonzorgcentrum gelegen in deelgebied 2 betreft ook een hinderveroorzakende functie (bijvoorbeeld geluid). Dit betekent dat om zonder meer woningen te mogen creëren in het plangebied 30 meter 34

Woningb ouw Hietweideweg/Jupiter, Twello

afstand moet worden gehouden van het bedrijfsperceel tot de gevel van het gevoelige object. Deze afstand wordt naar waarschijnlijkheid niet gehaald. Wel concluderen we dat de voorgenomen ontwikkeling geen (extra) belemmering vormt voor het woonzorgcentrum. Het deel van het woonzorgcentrum dat grenst aan het plangebied betreft namelijk geen hinderveroorzakende functie. Dit deel van het woonzorgcentrum wordt is in gebruik voor woondoeleinden. Geluidsproducerende activiteiten vinden op een grotere afstand van het plangebied plaats. Zowel vanuit het woonzorgcentrum bezien als vanuit de toekomstige woningen is er geen sprake van hinderlijke activiteiten. Een goed woon- en leefklimaat is hiermee gewaarborgd. 4.2.3

Geluid

Het aspect 'geluid' gaat over de geluidbelasting op woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen vanwege wegverkeer, railverkeer of gezoneerde industrieterreinen. De Wet geluidhinder (Wgh) is hiervoor het toetsingskader. Rondom wegen met een maximumsnelheid van meer dan 30 km/uur, spoorwegen en aangewezen bedrijven(terreinen) zijn geluidszones van toepassing. Als er woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen binnen deze zones worden toegevoegd, dan moet geluidsbelasting op de gevels hiervan worden bepaald en getoetst aan de Wgh. In het kader van deze woningbouwontwikkeling is geluidsonderzoek uitgevoerd naar industrielawaai (zie Bijlage 5 en Bijlage 6) en wegverkeerslawaai (Bijlage 7 en Bijlage 8 ) 4.2.3.1 Industrielawaai Zoals onder 4.2.2 aangegeven moet bij de woningbouwontwikkeling rekening gehouden worden met omliggende bedrijvigheid. Doel van dit onderzoek richt zich op het nabijgelegen kinderdagverblijf waarvoor een richtafstand van 30 meter geldt. Omdat deze richtafstand niet wordt behaald is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd om een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen. In het onderzoek industrielawaai is gerekend met twee varianten, zonder geluidsafscherming en met een geluidsreducerend scherm van twee meter hoogte op de kavelgrens met het kinderdagverblijf.

Af beelding 32 - uitsnede onderzoek industrielawaai zonder geluidswerend scherm (l) en geluidswerend scherm op kav elgrens (r)

Zonder afscherming Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Uit de berekeningen blijkt dat een waarneemhoogte van 7,5 meter maatgevend is voor het geluidsniveau van het kinderdagverblijf. De grens voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ligt op 45 dB. Deze 35

Woningb ouw Hietweideweg/Jupiter, Twello

contour begint op 36 meter van de kavelgrens van het kinderdagverblijf. Hierna vormt geluid van het kinderdagverblijf in totaliteit geen belemmering meer voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Tot aan circa 18 meter afstand vanaf de kavelgrens van het kinderdagverblijf is een geluidbelasting van tenminste 50 dB waarneembaar. Woningbouw is hier niet zonder meer mogelijk zonder te treffen geluidsmaatregelen. Maximale geluidsniveaus zonder afscherming Vanaf circa 20 meter afstand van het kinderdagverblijf vormt geluid in totaliteit geen belemmering meer voor de maximale geluidsniveaus. Tot die afstand van 20 meter is woningbouw niet zonder meer mogelijk zonder het treffen van geluidsmaatregelen. Conclusie De woningen zijn op kortere afstand beoogd dan de hierboven genoemde grenzen. Om die reden is woningbouw niet zonder meer mogelijk zonder het treffen van geluidswerende maatregelen. Met afscherming In het geluidsonderzoek industrielawaai is tevens gerekend met een scenario waarin een geluidsscherm van 2 meter is opgenomen op de kavelgrens met het kinderdagverblijf. Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau betekent dat een geluidsscherm van 2 meter hoogte de 45dB contour terugbrengt naar circa 25 meter afstand vanaf de kavelgrens van het kinderdagverblijf.

Op een grotere afstand speelt het geluid van het kinderdagverblijf in totaliteit geen rol meer. Voor de 50 dB grens wordt de afstand teruggebracht van 18 meter naar circa 13 meter gemeten vanaf de kavelgrens van het kinderdagverblijf. Woningbouw binnen deze contour is niet zonder meer mogelijk zonder het treffen van aanvullende geluidsmaatregelen (bijvoorbeeld een hoger geluidsscherm). Maximale geluidsniveau met afscherming Vanaf circa 10 meter afstand vanaf de kavelgrens van het kinderdagverblijf vormt geluid van het bedrijf in totaliteit geen belemmering meer voor de maximale geluidsniveaus. Aanvullend akoestisch onderzoek industrielawaai op basis van de stedenbouwkundige opzet Een deel van de nieuwe woningen nabij het kinderdagverblijf is voorzien binnen de hierboven genoemde contouren. Om deze redenen is er een aanvullend akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd op basis van het stedenbouwkundige opzet en de grenzen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen (zie Bijlage 6). Uit het aanvullende onderzoek blijkt dat op de kavelgrenzen tussen de hofjeswoningen en de kinderopvang aanvullende maatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de richtwaarde van 45dB niet wordt overschreden. Concreet betekent dit dat er een scherm of bijgebouw met een hoogte van minimaal 1,9 meter langs de kavelgrens met de kinderopvang moet worden gerealiseerd.

Deze maatregel is opgenomen in de regels behorende bij dit bestemmingsplan (zie 5.2 lid c onder 4 en 5.4.2). 4.2.3.2 Wegverkeerslawaai In het kader van de te doorlopen juridisch-planologische procedure is een eerste inzage gegeven van het akoestisch klimaat ten gevolge van de gezoneerde Zuiderlaan, Leigraaf, Jupiter, Hietweideweg, Molenstraat, Duistervoordseweg, Beethovenlaan en Westerlaan. Ten behoeve van toetsing aan een goede ruimtelijke ordening zijn tevens de maatgevende 30 km/uur wegen Martinusweg en Bachstraat getoetst (zie Bijlage 7 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai) In het onderzoek Wegverkeerslawaai zijn tevens een aantal varianten beschouwd. Uit het onderzoek komt naar voren dat er naar alle waarschijnlijkheid sprake is van overschrijdingen van de voorkeurgrenswaarde van 48 dB in delen van het plangebied als gevolg van het wegverkeer op de Jupiter en de Hietweideweg. Echter wordt nergens de maximale ontheffingswaarde van 63 dB overschreden. Concluderend kan gesteld worden dat het aspect wegverkeerslawaai geen belemmeringen oplevert voor de herontwikkeling van het plangebied. Wel is het aannemelijk dat voor een deel van de woningen een procedure hogere grenswaarde doorlopen moet worden vanwege de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. 36

Woningb ouw Hietweideweg/Jupiter, Twello

Aanvullend akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Het hierboven genoemde akoestische onderzoek gaf een eerste inzage in het akoestische klimaat ten gevolge van de wegen in de directe nabijheid van het plangebied. Als vervolg hierop heeft een aanvullend akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai plaatsgevonden (zie Bijlage 8) op basis van het stedenbouwkundige ontwerp. Afbeelding 33 laat de vertaling van het stedenbouwkundig ontwerp naar het akoestisch rekenmodel zien.

Afbeelding 33 - akoestisch rekenmodel op basis van het stedenbouwkundig ontwerp

Op basis van dit onderzoek, waarbij is getoetst op het stedenbouwkundig ontwerp, kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Jupiter De maximale geluidsbelastingen vanwege de Jupiter op de geprojecteerde woningen zijn in sommige gevallen hoger dan de voorkeursgrenswaarde, maar lager dan de maximale ontheffingswaarde. Afbeelding 34 laat de berekende geluidbelasting vanwege de Jupiter (50 km/uur) zien. De groene toetspunten laten geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB zien. De gele toetspunten geven een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde weer, maar niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde. Dit betekent dat specifiek voor die woningen / commerciële ruimte bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan het Hogere waarde besluit gelijktijdig wordt verleend.

37

Woningb ouw Hietweideweg/Jupiter, Twello

Af beelding 34 - berekende geluidbelasting v anwege de Jupiter (50 km/uur)

Hietweideweg De maximale geluidsbelastingen vanwege de Hietweideweg op de geprojecteerde woningen zijn in sommige gevallen hoger dan de voorkeursgrenswaarde, maar lager dan de maximale ontheffingswaarde. Afbeelding 35 laat de berekende geluidbelasting vanwege de Hietweideweg (50 km/uur) zien. De groene toetspunten laten geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB zien. De gele toetspunten geven een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde weer, maar niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde. Dit betekent dat specifiek voor die woningen / commerciële ruimte bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen een hogere waarde procedure moet worden doorlopen.

38

Woningb ouw Hietweideweg/Jupiter, Twello

Afbeelding 35 - berekende geluidbelasting vanwege de Jupiter (50 km/uur)

Overige wegen De aanwezigheid van overige wegen (Molenstraat, Beethovenlaan, Duistervoordseweg, Bachstraat en de Martinusweg leiden niet tot overschrijdingen op de nieuwe woningen. Hogere waarde procedure Bron- en overdrachtsmaatregelen vanwege de zojuist genoemde overschrijdingen zijn in het akoestisch onderzoek meegenomen en onderzocht. Echter stuiten deze op bezwaren van landschappelijke, civieltechnische en stedenbouwkundige aard. Om deze reden moet voor de volgende woningen in het plangebied een hogere waarde procedure worden doorlopen en het besluit Hogere waarde wordt gelijktijdig aan het nieuwe bestemmingsplan verleend. Kanttekening bij onderstaande tabel is wel dat de commerciële ruimte niet meer is voorzien in het appartementencomplex in het zuiden van het plangebied, maar juist in het complex aan de Hietweideweg. Dit doet echter niets af aan het feit dat een besluit Hogere waarde genomen moet worden.

Afbeelding 36 - hoogste aan te vragen hogere grenswaarden per gebouw

39

Woningb ouw Hietweideweg/Jupiter, Twello

Conclusie Op basis van de uitgevoerde akoestische onderzoeken naar wegverkeerslawaai komt naar voren dat naar verwachting op een aantal woningen een hogere geluidsbelasting plaatsvindt dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Middels een hogere waarde procedure in het kader van het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het bouwen kan dit worden geregeld. Op het doorlopen van een procedure hogere waarde na zorgt het aspect wegverkeerslawaai geen belemmering ten aanzien van voorgenomen planontwikkeling. 4.2.3.3 Warmtepompen en isolatie Warmtepompen Per 1 april 2021 worden nieuwe geluidseisen gesteld aan (nieuw te plaatsten) buiten opgestelde installaties voor warmte- of koude opwekking. Het gaat hierbij om warmtepompen en airco's die worden toegepast bij woningen en woongebouwen. Deze installaties mogen niet meer dan 40 dB geluid veroorzaken bij de buren. Deze eis geldt op de perceelsgrens met een perceel waarop een andere woonfunctie staat of dat is bedoeld voor een andere woonfunctie. De wettelijke bepalingsmethode is een meting op locatie, maar op basis van akoestische berekeningen kan ook goed beargumenteerd worden dat kan worden voldaan aan de geluideis. Met behulp van berekeningen zou daarmee bij het ontwerp aannemelijk kunnen worden gemaakt dat wordt voldaan kan worden aan de geluideis.

Na oplevering zou een geluidmeting overwogen kunnen worden wanneer er twijfels en/of klachten bestaan of er wordt voldaan aan de geluideis. Naast de toetsing van individuele installaties is op grond van jurisprudentie ook een beoordeling van de cumulatieve geluidbelasting van meerdere installaties benodigd. Dit in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een dergelijke beoordeling kan op basis van het ter plaatse geldende omgevingsgeluid. In het kader van een bestemmingsplanprocedure is het doorgaans nog niet met zekerheid vast te stellen op welke specifieke locaties de installaties voor warmte- of koudeopwekking zullen worden gerealiseerd. Om die reden is ervoor gekozen om de geluidseisen ten aanzien van warmtepompen en airco's te borgen in de regels behorende bij dit bestemmingsplan. Isolatie Als men een warmtepomp gaat installeren is het verder van belang dat de eigen woning voldoende is geïsoleerd. De 'standaard voor woningisolatie' helpt daarbij. Deze standaard geeft aan wanneer de woning goed genoeg geïsoleerd is om over te stappen op een andere warmtebron, zoals warmtepompen. Daarnaast geeft de standaard inzicht in de mate van ventilatie, die nog nodig is in de woning. Met de standaard kunnen woningeigenaren en verhuurders hun woningen voorbereiden op de toekomst, waarin woningen zonder aardgas verwarmd worden.

Conclusie In de regels behorende bij het bestemmingsplan zijn regels opgenomen voor het maximale geluidsniveau van de warmtepompen. Op deze manier wordt overlast op nabijgelegen woningen voorkomen en wordt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd.

40

Woningb ouw Hietweideweg/Jupiter, Twello

4.2.4

Luchtkwaliteit

Met wet- en regelgeving wil de overheid zorgen voor een goede luchtkwaliteit en de burgers beschermen tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. In de Wet milieubeheer zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) van belang. Projecten die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan luchtverontreiniging zijn op grond van het Besluit 'niet in betekenende mate' (NIBM) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. De Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde of; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt of; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Bijlage 3A van de Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen nieuwe woningbouwlocaties in ieder geval NIBM bijdragen.

De NIBM-grens voor woningbouwlocaties (voorschrift 3A.2) luidt: 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; 3.000 woningen (netto) bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleegen bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Situatie woningbouwlocatie Gelet op de aard en omvang van dit project (72 woningen) kan worden aangenomen dat voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. De locatie ligt niet binnen 50 meter van rijks- of provinciale wegen.

Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk. 4.2.5

Externe veiligheid

Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire (chemische fabriek, lpg-tankstation) en de mobiele (vervoer gevaarlijke stoffen) bronnen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen groepsrisico (GR) en plaatsgebonden risico (PR). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten. De gemeente Voorst wil haar burgers en bedrijven een veilige leef- en werkomgeving bieden. In die zin draagt zij een belangrijke verantwoordelijkheid als het gaat om externe veiligheid. Om die verantwoordelijkheid in te vullen is het externe veiligheidsbeleid geformuleerd. Doel hiervan is duidelijk te maken welke externe veiligheidsrisico's in de gemeente Voorst aanwezig zijn en hoe met deze en toekomstige risico's om dient te worden gegaan. Dit betekent dat onder meer invulling wordt gegeven aan de wettelijke verplichting om het groepsrisico en plaatsgebonden risico te overwegen bij het nemen van besluiten.

Bij nieuwe plannen wordt in de uitwerking rekening gehouden met rampenbestrijding en zelfredzaamheid, waarbij bijvoorbeeld nieuwe ontwikkelingen voor kwetsbare objecten met verminderd 41

Woningb ouw Hietweideweg/Jupiter, Twello

zelfredzame personen (zoals kinderopvang, basisscholen en ziekenhuizen) niet op korte afstand van het spoor worden gerealiseerd. Uit een analyse van de kaarten 'Veilige omgeving' van de website www.atlasleefomgeving.nl blijkt dat er geen risicobronnen aanwezig zijn in de nabijheid van het plangebied. Om die reden luidt de conclusie dat het onderwerp externe veiligheid geen belemmeringen oplevert voor voorgenomen planontwikkeling. 4.2.6

Niet gesprongen explosieven

In het kader van Niet gesprongen explosieven (NGE) is in 2020 een onderzoek uitgevoerd naar naoorlogse bodemroering ter plaatse van het te herontwikkelen gebied. Met dit onderzoek is in beeld gebracht of de herontwikkelingslocatie verdacht is op niet gesprongen explosieven of andere oorlogsresten.

Afbeelding 37 - projectgebied onderzoek Niet gesprongen explosieven (NGE)

Uit een analyse van naoorlogse bodemroering is gebleken dat binnen de projectgebieden op een groot aantal plaatsen minder of meer ingrijpende bodemroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden, waardoor het verdachte gebied in zekere mate in mindering is gebracht. De voornaamste bodemroering is veroorzaakt door de bouw van woningen en bedrijfspanden sinds de oorlog. Daarnaast is er ten behoeve van deze bebouwing ook een grote hoeveelheid kabels, leidingen en bestrating aangelegd die voor de nodige bodemroering gezorgd hebben. Mogelijk zijn sommige gedeelten van het projectgebied slechts beperkt geroerd. Denk bijvoorbeeld aan de grasstroken/parkjes die tussen gebouwen en wegen gelegen zijn. Ook ter plaatse van verschillende parkeerterreinen en wegen kan de mate van roering enigszins beperkt zijn gebleven Afbeelding 38 laat het totaalbeeld van bodemroerende werkzaamheden die na de oorlog hebben plaatsgevonden zien binnen de beide projectgebieden. Op basis van bovenstaande gegevens kan worden gesteld dat, indien de beoogde werkzaamheden beperkt zullen blijven tot de naoorlogse geroerde bodemlaag/bodemlagen, het risico op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten (OO) als gering kan worden beschouwd. In dat geval kunnen de voorgenomen werkzaamheden vanuit opsporing ontplofbare oorlogsresten (OOO) zonder beperkende maatregelen doorgang vinden.

Als er grondroerende werkzaamheden moeten plaatsvinden in gebieden dat niet aantoonbaar naoorlogs geroerd is, dient er een opsporingsproces uitgevoerd te worden in de niet-geroerde gedeelten van de projectgebieden. Gezien de aard van het verdachte gebied wordt aanbevolen het betrokken personeel middels een projectinstructie te informeren over de juiste handelswijze bij het onverhoopt alsnog aantreffen van OO. Het document dat hiervoor kan worden gehanteerd is bijgevoegd als bijlage bij de rapportage (zie Bijlage 9). Daar waar sprake is van niet-naoorlogs geroerde bodem adviseert BeoBOM de voorgenomen werkzaamheden alléén onder OOO-begeleiding uit te voeren.

42

Woningb ouw Hietweideweg/Jupiter, Twello

Afbeelding 38 - totaalbeeld van bodemroerende werkzaamheden die na de oorlog hebben plaatsgevonden binnen de beide projectgebieden.

Conclusie Op basis van de rapportage wordt geconcludeerd dat het plangebied dermate is geroerd sinds de oorlog en dat dit aspect geen belemmering vormt voor voorgenomen ontwikkeling. Mochten er onverhoopt nog ontplofbare oorlogsresten worden aangetroffen, dan wordt gehouden aan de voorgeschreven handelswijze en worden de werkzaamheden onder begeleiding uitgevoerd. 4.2.7

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Beleid en Normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerpbestemmingsplanfase moet een m.e.r.-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.

Voor elke aanvraag waarbij een vormvrij m.e.r.-beoordeling aan de orde komt, moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. Onderzoek Uit toetsing van de ontwikkeling aan de m.e.r.-wetgeving, blijkt dat de beoogde ontwikkeling is aan te merken als een activiteit als bedoeld in categorie D.11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r., namelijk 'de aanleg, wijziging, of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Het project blijft wel onder de bij deze activiteit genoemde drempelwaarden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 43

Woningb ouw Hietweideweg/Jupiter, Twello

2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Omdat de ontwikkeling onder de drempelwaarden blijft is geen sprake van een formele m.e.r.-beoordeling en is een vormvrije m.e.r.-beoordeling toegestaan. Voorafgaand aan de bestemmingsplanprocedure is een vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie opgesteld voor de ontwikkeling. Daarin is beoordeeld of als gevolg van de realisatie van het plan Woningbouw Hietweideweg/Jupiter belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. Uitkomst van de uitgevoerde toets is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Conclusie is dan ook dat het ovlgen van een m.e.r.-(beoordelings-)procedure niet nodig is.

4.3

Archeologie

Wettelijk kader Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2022 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, ruimtelijke plannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld. Onderzoek Het plangebied is volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Voorst verdeeld in twee archeologische verwachtingszones (zie afbeelding 39). Aan de Hietweideweg geldt voor een klein deel van het plangebied een lage archeologische verwachting. Het grootste deel van het plangebied kent een hoge archeologische verwachting.

Het beleid voor gebieden met de lage verwachtingswaarde schrijft voor dat bij bodemingrepen groter dan 2500 m2 én dieper dan 30 cm onder maaiveld een archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voor gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde geldt dat een archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij ingrepen groter dan 250 m2 én dieper dan 30 cm onder maaiveld.

44

Woningb ouw Hietweideweg/Jupiter, Twello

Afbeelding 39 - uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Voorst

In het kader van voorgenomen ontwikkeling heeft Bureau voor Archeologie een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen uitgevoerd met als vraagstelling: hoe kan rekening gehouden worden met eventuele archeologische resten bij de voorgenomen ontwikkeling (zie Bijlage 10 & Bijlage 11). Voor het onderzoek zijn kaarten, databases en literatuur geraadpleegd om te komen tot een gespecificeerde archeologische verwachting van het gebied. Vervolgens zijn 29 handboringen gezet om de aard en intactheid van het bodemprofiel te bepalen.

45

Woningb ouw Hietweideweg/Jupiter, Twello

Afbeelding 40 - potentieel archeologisch niveau

Conclusie en advies In een deel van het plangebied is sprake van een potentieel archeologisch niveau. In deze zone kunnen nog archeologische resten worden aangetroffen, die bedreigd kunnen worden door toekomstige ontwikkelingen. In deze advieszone (zie oranjegeel gearceerd gebied in afbeelding 14) wordt door Bureau voor Archeologie proefsleuvenonderzoek geadviseerd. Voor de rest van het plangebied wordt vrijgave geadviseerd. In het bestemmingsplan wordt voor de oranjegele gearceerde zone zoals aangegeven in afbeelding 35 een dubbelbestemming opgenomen. In het geval hier bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 30 cm onder maaiveld plaatsvinden dient in het kader van een omgevingsvergunningsaanvraag op voorhand een proefsleuven onderzoek uitgevoerd te worden om te bepalen of archeologische resten aanwezig zijn (kartering) en, als deze aanwezig zijn, om te bepalen of deze behoudenswaardig zijn (waardering). Voor de rest van het plangebied is geen archeologische dubbelbestemming noodzakelijk omdat het gebied is vrijgegeven.

4.4

Cultuurhistorie

Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. De planlocatie bevat geen elementen die een hoge cultuurhistorische waarde hebben. Op of direct aansluitend op de planlocatie zijn geen Rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig die nadelige 46

Woningb ouw Hietweideweg/Jupiter, Twello

invloed ondervinden van de ontwikkeling. In het verleden was een deel van het plangebied lange tijd in gebruik als (hakhout)bos van het Groote en Voorster Gasthuis te Deventer, en werd later gebruikt als akkerland. Mogelijk dat op detailniveau nog cultuurhistorische sporen of verhalen bestaan of als kansen benut kunnen worden, maar dat is mogelijk aan de orde bij de uitwerking van de definitieve plannen. Wel valt een deel van het plangebied binnen de contour van de molenbiotoop van de Havekes Mölle, een rijksmonument. Bij de uitwerking van het plan wordt voldoende rekening gehouden met de belangen van de molen. In het kader hiervan is in 2020 een onderzoek naar de gevolgen voor de windvang van de Havekes Mölle uitgevoerd door Alhof bouwkundig adviesbureau (Bijlage 12). Dit onderzoek concludeert dat, zolang de nieuwbouw beneden het niveau van de bomen langs de Kerklaan blijft, de nieuwbouw het windaanbod ter plaatse van de molen nauwelijks merkbaar beïnvloedt.. Gelet op voorgaande vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderliggend plan.

4.5

Natuuronderzoek

4.5.1

Flora en fauna

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient de natuurwetgeving beschouwd te worden. Deze wetgeving richt zich op twee hoofdthema's. Het gaat hierbij om de bescherming van natuurgebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van plant- en diersoorten (soortbescherming). De Wet natuurbescherming vervangt sinds 1 januari 2017 drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland; 2. decentralisatie van verantwoordelijkheden; 3. vereenvoudiging van de regels. In tegenstelling tot de Natuurbeschermingswet 1998 is de bescherming van Beschermde Natuurmonumenten komen te vervallen in de nieuwe Wet natuurbescherming. De wet gaat in op gebiedsbescherming (Natura 2000-gebieden of Nationaal Natuurnetwerk) en op soortbescherming. De Wet natuurbescherming heeft de verbodsbepaling uit de Flora- en faunawet overgenomen dat activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten, verboden zijn. De verboden activiteiten zijn het op enige wijze verwijderen van beschermde inheemse planten van hun groeiplaats, een beschermde inheemse soort opzettelijk te verontrusten en/of nesten, holen of andere vaste rust- en verblijfplaatsen van deze dieren te verstoren. Opzettelijk verstoren van vogels is in sommige situaties wel toegestaan.

Verstoren zonder dat er van tevoren een goed onderzoek naar beschermde soorten is uitgevoerd blijft strafbaar. Quickscan natuuronderzoek In het kader van de geplande herontwikkeling is in januari 2021 door SAB een quickscan natuuronderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 13 Quickscan Natuur). Doel van de quickscan natuuronderzoek is om te achterhalen of er bij de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling sprake is of kan zijn van het verstoren van beschermde natuurgebieden en beschermde soorten en of nader onderzoek hiernaar noodzakelijk is. De quickscan richt zich op twee deelgebieden, namelijk de gronden waarop voorgenomen ontwikkeling is voorzien én de naastgelegen gronden in eigendom van IJsseldal Wonen. Voor dit bestemmingsplan ligt de focus op de gronden in eigendom van de gemeente Voorst. Namelijk het gebied met de brandweerkazerne, de gemeentewerf en het voormalige schoolgebouw. Conclusie Gebiedsbescherming Uit de quickscan blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Het Natura 2000-gebied Rijntakken ligt op enkele kilometers afstand van het plangebied. Een negatief 47

Woningb ouw Hietweideweg/Jupiter, Twello

effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Rijntakken is vanwege een mogelijke toename in stokstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten. Uit het stikstofonderzoek (zie paragraaf 4.5.2 Stikstofdepositie) blijkt dat op basis van de gehanteerde parameters, inclusief intern salderen, significant negatieve gevolgen uitgesloten kunnen worden. Om die reden vormt het aspect stikstof geen belemmering voor voorgenomen planontwikkeling. Soortenbescherming in en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die worden uitgevoerd in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting. Door een eventuele provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig voor soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Uit de quickscan blijkt dat in het plangebied vogels kunnen broeden. Om een overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten.

Op deze wijze worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. In het plangebied zijn mogelijk verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten moet nader soortgericht onderzoek uitgevoerd worden. Als er verblijfplaatsen aanwezig blijken, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om de negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Andere essentiële elementen (zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen), van andere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, zijn niet aanwezig in het plangebied. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. Houtopstanden Bij de ruimtelijke ontwikkeling worden geen houtopstanden geveld waarop regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling. Daarbij is bij de planvorming zoveel mogelijk uitgegaan van het behoud van bestaande bomen. Indien er een boom vanwege het plan gekapt moet worden, wordt deze (ruimschoots) gecompenseerd door aanplant van nieuwe bomen.

Aanbevolen vervolgstappen op basis van de quickscan: houd rekening met de zorgplicht; houd rekening met broedende vogels; laat nader onderzoek uitvoeren naar vleermuizen. Nader onderzoek naar soortgroep vleermuizen Naar aanleiding van de quickscan natuuronderzoek heeft Foreest Groen Consult BV in december 2021 een nader onderzoek naar de soortgroep vleermuizen uitgevoerd (zie Bijlage 14 Nader onderzoek vleermuizen). Verblijfplaatsen Uit het onderzoek blijkt dat binnen de planlocatie 3 zomerverblijven en 2 paarterritoria van de gewone dwergvleesmuis aanwezig zijn. Volgens de regels van de provincie Gelderland moeten beide paarterritoria aan de gebouwen in het plangebied worden toebedeeld. Dit betekent dat er in het plangebied vijf unieke verblijfplaatsen aanwezig zijn (met in vier gevallen één exemplaar, en in een geval (het zomerverblijf) drie exemplaren. Kraam- en winterverblijven zijn niet aangetroffen. In het kader van de (toekomstige) sloopwerkzaamheden is reeds een ontheffing van de Wet natuurbescherming verkregen. Vliegrouten 48

Woningb ouw Hietweideweg/Jupiter, Twello

Het nader onderzoek heeft geen vliegrouten van vleermuizen vastgesteld. De passerende vleermuizen vlogen uit verschillende richtingen over en langs de locatie heen. De beplanting tussen de brandweerkazerne en het voormalige schoolgebouw maakt geen deel uit van de vliegroute. De Wet natuurbescherming wordt bij sloop van de gebouwen voor wat betreft de vliegrouten van vleermuizen niet overtreden. Foerageergebieden Bij de onderzoeken zijn geen essentiële foerageergebieden van vleermuizen vastgesteld. Bij het onderzoek zijn foeragerende gewone dwergvleermuizen, laatvlieger en een rosse vleermuis aangetroffen. De laatvlieger en rosse vleermuis toonden geen binding met de te slopen gebouwen. De soorten beschikken na de sloop van deze gebouwen over ruim voldoende mogelijkheden om te foerageren. De sloop heeft geen effect op het foerageergebied. De Wet natuurbescherming wordt voor wat betreft de foerageergebieden niet overtreden bij sloop van de gebouwen. Conclusie Uit het nader onderzoek naar vleermuizen is gebleken dat er een ontheffing van de Wet natuurbescherming bij de provincie Gelderland noodzakelijk is. Deze ontheffing is op 22 augustus 2022 verleend door de provincie Gelderland. Door deze ontheffing zorgt het aspect flora en fauna en specifiek de vleermuizen niet meer voor belemmeringen in het kader van de herontwikkeling van het plangebied naar woningbouw. 4.5.2

Stikstofdepositie

In aanvulling op de quikscan natuuronderzoek van SAB is door ditzelfde adviesbureau een onderzoek naar de stikstofdepositie uitgevoerd (zie Bijlage 15 Onderzoek stikstofdepositie). Aanleiding voor dit onderzoek is de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 aangaande de landelijke stikstofwetgeving en de mogelijke effecten van ontwikkelingen op Natura 2000-gebieden. Voor zowel de realisatie als het gebruik van de woningbouwontwikkeling moet de stikstofuitstoot inzichtelijk gemaakt worden. In Natura 2000-gebieden zijn habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. Om in het kader van een mogelijke vergunningaanvraag Wet natuurbescherming te onderzoeken wat de stikstofdepositie is tijdens de bouw en gebruiksfase, is een berekening nodig. Deze is uitgevoerd met het programma Aerius Calculator 2020 (release datum 15 oktober 2020). Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat voor de aanlegfase de grenswaarde van 0,00 mol stikstof/ha/j wordt overschreden met 0,01 mol stikstof/ha/j. Nadelige milieueffecten op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden kunnen door middel van de berekening daarom niet op voorhand worden uitgesloten.

In de gebruiksfase blijkt uit de berekeningen dat er geen rekenresultaten zijn die hoger liggen dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de gevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. In de gebruiksfase zijn zodoende geen nadelige milieueffecten te verwachten. Conclusie Uit de berekeningen valt niet met zekerheid te concluderen dat er geen sprake is van nadelige effecten in de aanlegfase op omliggende Natura 2000-gebieden. Om de stikstofemissie in de aanlegfase te verlagen, dan wel inzichtelijk te maken of er sprake is van significant negatieve effecten adviseert het rapport de volgende mogelijkheden: fasering; gebruik elektrisch materieel; ecologische voortoets; intern salderen. In mei 2023 (zie Bijlage 16) is het stikstofonderzoek geactualiseerd vanwege gewijzigde inzichten en regelgeving omtrent stikstof gedurende het proces en is ook gekeken naar de effecten van interne saldering. Uit dit geactualiseerde onderzoek, op basis van een geactualiseerde rekenmethode, blijkt zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase geen overschrijding plaats te vinden van de grenswaarden van 0,00 mol/ha/j. Daarnaast blijkt in de gebruiksfase, door interne saldering vanwege het verdwijnen van 49

Woningb ouw Hietweideweg/Jupiter, Twello

de activiteiten van de brandweer en gemeentewerf, dat er sprake s van een afname van 0,01 mol stikstof/ha/j ten opzichte van de oorspronkelijke situatie. Zodoende is hiermee sprake van een afname van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De eindconclusie luidt dan ook dat er aan de hand van de gehanteerde parameters significant negatieve effecten worden uitgesloten en er geen vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming nodig is voor het onderdeel stikstof.

4.6

Verkeer en parkeren

Verkeer De nieuwe woningen trekken extra verkeer aan. De hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd door de bouw van woningen kan worden ingeschat met CROW-publicatie ASVV 2021. Voor het plangebied volgt uit berekeningen dat de plannen voor deze locatie zorgen voor naar verwachting 400 motorvoertuigbewegingen per dag. Dit is een verkeerstoename van ca. 6,5% op de Hietweideweg. De Hietweideweg zit met zijn huidige inrichting en verkeersintensiteit aan de maximale verkeersbelasting. In het nieuwe verkeersplan Twello (als addendum op het Programma Mobiliteit 2020-2030) wordt de bouwlocatie Veluws College als autonome ontwikkeling meegenomen. Afhankelijk van de uitkomsten en toekomstige beleidskeuzen (bijvoorbeeld afwaardering van wegen) kan blijken dat er ook in het geval van de Hietweideweg of Jupiter ter hoogte van het plangebied aanvullende of aangepaste verkeersmaatregelen moeten worden genomen. Parkeren De gemeente Voorst hanteert op grond van het gemeentelijke 'Programma van Eisen voor de inrichting van de openbare ruimte in de gemeente Voorst' (PvE) bij nieuwbouwplannen verschillende parkeernormen. Bij dure woningen (boven € 355.000) geldt een norm van minimaal 2 parkeerplaatsen per woning. Bij middeldure en goedkopere woningen geldt een norm van 1,8.

Voor zover parkeren op eigen terrein plaatsvindt, telt dit in de normering in beginsel maximaal voor 1 mee, ook als meerdere plekken op een kavel aanwezig zijn. Het PvE biedt de ruimte om op basis van de parkeerkencijfers van het CROW de parkeernorm aan te passen op de situatie en omgevingsfactoren. Het stedenbouwkundige plan gaat uit van de realisatie van ca. 72 woningen in diverse prijsklassen. Op basis van dit programma is aangetoond dat binnen het plangebied voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd kan worden. Omdat het bestemmingsplan nog enige flexibiliteit biedt ten aanzien van de definitieve invulling zijn er in het bestemmingsplan normen opgenomen waar de ontwikkelende partij rekening mee moet houden. Per woningcategorie worden de onderstaande normen gehanteerd en deze zijn tevens in de regels van het bestemmingsplan opgenomen. Woningtypologie

Parkeerkencijfer

Sociale huur (appartement)

1,4

Sociale huur (grondgebonden)

1,6

Bereikbare koop (appartement)

1,8

Bereikbare koop (grondgebonden)

1,8

Vrije sector koop (grondgebonden)

2

Vrije sector koop (appartement/dakwoning)

2

De parkeerbehoefte ten behoeve van de maatschappelijke plint is afhankelijk van de uiteindelijke invulling. Voor deze functie is het bestaande parkeerterreintje naast het voormalige schoolgebouw voorzien. Als de parkeerbehoefte voor de maatschappelijke functie uiteindelijk groter is dan het aantal parkeerplaatsen dan kan dit binnen (of in de directe omgeving) van het plangebied ruimschoots opgelost worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13772248/2