bestemmingsplan | Toelichting
Tekst van het document
In de gebouwde omgeving liggen er op korte termijn kansen om de energieprestatie van woningen sterk te verbeteren. Op de lange termijn zullen alle woningen verwarmd worden door andere bronnen dan aardgas. Daarvoor in de plaats komen bronnen als de restwarmte van bedrijven, aardwarmte en elektrische verwarmingssystemen. Een onderwerp waarin de gemeente Voorst zich kan onderscheiden is het verduurzamen van monumentale gebouwen. Bij het inpassen van woningen in de kernen is er qua energieprestatie veel te winnen door een goede oriëntatie van de woningen op zon en wind.
31
Winkler Prins locatie, Voorst
3.5.1.1 Toetsing aan de Ruimtelijke Toekomstvisie Voorst Voorliggend plan beoogt de sloop van dertien huurwoningen en de realisatie van 34 nieuwe huur- en koopwoningen. Daarmee worden 21 woningen aan de huidige woningvoorraad toegevoegd. Er wordt ingespeeld op het benutten van de ruimte binnen het bestaand stedelijk gebied. Het plangebied betreft een inbreidingslocatie. De situering en vormgeving van de bebouwing en de openbare ruimte passen binnen de stedenbouwkundige en landschappelijke structuur van het dorp Voorst. In het plan voor de Winkler Prins wordt voor de volle 100% gebouwd in het bereikbare segment (14 koop en 7 huur). Bovendien worden 13 bestaande huurwoningen vervangen voor 13 nieuwe duurzame woningen. Het plan zet verder in op een gevarieerd woningaanbod, er wordt in huur- en koop gevarieerd en de woningen zijn geschikt voor verschillende doelgroepen. Tegelijkertijd biedt dit doorschuifmogelijkheden binnen de bestaande woningmarkt. Het streven is om de nieuwe woningen te realiseren met aandacht voor energie en klimaat. Door te bouwen met de standaard van de toekomst zijn de woningen voorbereid op klimaatverandering en heeft het een hogere toekomstwaarde. De woningen zijn uitermate goed geïsoleerd, gasloos en alle apparatuur en het verwarmingssysteem werken op elektriciteit. De benodigde elektriciteit wordt in principe door het huis zelf opgewekt.
Dat gebeurt door middel van zonnepanelen en een warmtepomp. Op het aspect wonen worden in de ruimtelijke toekomstvisie vier pijlers onderscheiden namelijk: aantrekkelijke woongemeente, betaalbaarheid en beschikbaarheid, kwaliteit van de woningvoorraad en vergrijzing en wonen met zorg (zie ook paragraaf 3.5.2). Met voorliggend plan wordt nadrukkelijk beantwoord aan deze pijlers op het gebied van wonen. Zo is sprake van een divers woonprogramma, met kansen voor betaalbare woningen. Dit betekent huisvestigingsmogelijkheden voor starters, gezinnen en senioren. Tevens zet de gemeente Voorst in op inbreiding voor uitbreiding met betrekking tot woningbouwontwikkeling, waar voorliggend plan aan beantwoord. Ten slotte doen zich kansen voor om klimaatadaptie, leefbaarheid en duurzaamheid een meer prominente rol te geven. De voorliggende ontwikkeling kent immers vele en hoge duurzaamheidsambities, alsmede maatregelen waarmee hittestress en wateroverlast worden voorkomen en de mogelijk voor biodiversiteit om te floreren wordt versterkt. Dit tezamen maakt dat de voorgenomen woningbouwontwikkeling nadrukkelijk beantwoord aan de visie van de gemeente Voorst. Het plan draagt daarmee bij aan het behalen van de gestelde doelen in de Ruimtelijke Toekomstvisie Voorst. 3.5.2
Woonvisie Aantrekkelijk Voorst 2025
In de in 2017 vastgestelde Woonvisie ‘Aantrekkelijk Voorst 2025’ is de gemeentelijke visie gegeven op het wonen in de gemeente Voorst. De gemeente Voorst is een aantrekkelijke plek om te wonen, gelegen in de groene zone tussen de steden Deventer, Zutphen en Apeldoorn. De gemeente is goed bereikbaar en heeft een goed voorzieningenniveau. Van belang is dit zo te behouden en dit te versterken. De vraag naar woningen neemt toe, waarbij jaarlijks circa 80 woningen aan de woningvoorraad worden toegevoegd. De meeste van deze woningen maken onderdeel uit van bestaande plannen. Het gros hiervan richt zich op Twello, omdat hier de vraag het grootst is. Om de gemeente Voorst aantrekkelijk te houden kent de Woonvisie vier pijlers van woonbeleid die richtinggevend zijn voor het gemeentelijke woonbeleid tot 2025. Het gaat om de volgende vier pijlers: 1. Aantrekkelijke woongemeente. Bij nieuwbouw vindt kwalitatieve sturing plaats waarbij gebouwd wordt voor de behoefte van nu, maar ook voor langere termijn. Hierbij wordt ingezet op een divers woningaanbod dat aansluit bij woonwensen van verschillende doelgroepen. Leefbaarheid wordt gestimuleerd; 2. Beschikbaarheid en betaalbaarheid. Voor lagere en middeninkomens moet de woonvraag bediend worden, door te zorgen voor voldoende aanbod sociale huurwoningen en bereikbare koopwoningen; 3. Kwaliteit van de woningvoorraad.
Deze pijler richt zich vooral op het verbeteren van de duurzaamheid van de woningen in de gemeente. 4. Vergrijzing en wonen met zorg. De vergrijzing heeft gevolgen voor het wonen en de zorg. Langer zelfstandig wonen is het uitgangspunt. Zowel bij nieuwbouw als het aanpassen van bestaande bouw is het van belang hierin te faciliteren. 32
Winkler Prins locatie, Voorst
Elk van de pijlers kent verschillende speerpunten. In afbeelding 19 is een overzicht van de verschillende pijlers en speerpunten schematisch weergegeven.
Afbeelding 19 - Pijlers en speerpunten Woonvisie
3.5.2.1 Toetsing aan de Woonvisie Aantrekkelijk Voorst 2025 De woonvisie kent vier belangrijke pijlers: Aantrekkelijke woongemeente, Betaalbaarheid en beschikbaarheid, Kwaliteit van de woningvoorraad en Vergrijzing en wonen met zorg. Vooral de eerste pijler is inhoudelijk interessant voor deze ontwikkeling. Uitgangspunt is een meer kwalitatieve benadering te hanteren in de woningbouwprogrammering. Oftewel een woningaanbod dat aansluit op de woonwensen van verschillende doelgroepen. In die lijn is dan ook specifiek voor de kern Voorst onderzocht waar deze behoefte ligt. Zowel kwantitatief als kwalitatief. Voorst is een middelgrote kern waar 30% bereikbaar bouwen geldt, onderverdeeld in sociale huur en bereikbare koop. Ook het dorp heeft een woningbehoefte-onderzoek gedaan. Uiteindelijk zijn gemeente en de vertegenwoordigers van de Stuurgroep Verder met Voorst in de zomer van 2020 tot de afspraak gekomen dat de komende 5 jaar ca 30 woningen worden gebouwd, waarvan 10 bereikbaar en 20 middelduur/duur. In het plan voor de Winkler Prins wordt voor de volle 100% gebouwd in het bereikbare segment (14 koop en 7 huur). Bovendien worden 13 bestaande huurwoningen vervangen voor 13 nieuwe duurzame huurwoningen. Het plan zet verder in op een gevarieerd woningaanbod, er wordt in huur- en koop gevarieerd en de woningen zijn geschikt voor verschillende doelgroepen.
Tegelijkertijd biedt dit doorschuifmogelijkheden binnen de bestaande woningmarkt. Het voorliggend plan sluit daarmee aan op de woonambities en de uitkomsten van het woningbehoefteonderzoek van de gemeente Voorst.
33
Winkler Prins locatie, Voorst
3.5.3
Kansenkaart Voorst
In 2022 heeft de gemeente Voorst, samen met de inwoners uit dorp Voorst, de 'Kansenkaart Voorst' opgesteld. In de kansenkaart worden de kwaliteiten van het dorp Voorst en kansen voor het (ver)bouwen van woningen in dit dorp beschreven. In Nederland zijn veel plannen en ideeën om het woningtekort aan te pakken. Dit geldt ook voor Voorst. Een mooi dorp met een eigen identiteit. De ligging van Voorst in het landschap en de rijke cultuurhistorie zijn grote kwaliteiten. Die willen we koesteren. Uitgangspunt is daarom de bestaande situatie. Het dorp zoals het nu is. Ruimtelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw, moeten daarop aansluiten. Als een plan niet past binnen het nu geldende bestemmingsplan, geeft de kansenkaart richting en inspiratie aan wat er mogelijk is. Kwaliteiten van het dorp Voorst In 1875 schreef wandelboekenschrijver Jacobus Craandijk uitgebreid over zijn bezoek aan Voorst. Hij beschreef over de statige lanen, mooie landgoederen, ruime velden en rivier- en landzichten. In het volledige rapport gaan we uitgebreid in op de historische ontwikkeling van het dorp Voorst. De kwaliteiten van het dorp zijn samengevat in vier kenmerken die typisch zijn voor Voorst. 1. Dorp in het landschap, landschap als dorp. Voorst is omringt door prachtige landschappen zoals de Voorster Klei en de uiterwaarden.
Het landschap en de rijke groenstructuur, die ook in de dorpen doorloopt, zijn de verbindende kwaliteiten van Voorst. Het gevoel in een rijk landschappelijk gebied te leven, begint voor de meeste Voorsternaren bij de voordeur. 2. Dorp van oude routes. Voorst ligt aan de oude route van Zutphen naar Apeldoorn. De wegen vanaf het hart van het dorp naar de Enk werden bebouwd met huizen en erven. Later werden deze verdicht waardoor veel agrarische routes tot de hoofdstraten van het dorp liepen. 3. Linten en erven. Voorst is langs wegen en routes gegroeid met onder andere losse erven. Zo ontstond de ‘lintbebouwing’ als kenmerkende bouwvorm. Een lint is bebouwing die als een dunne lijn door het landschap loopt. Voorst is een dorp van linten, vrijstaande huizen met erf en tuin. En korte rijtjes van geschakelde panden. Hier en daar onderbroken door grotere complexen zoals de Benring. 4. Samenhangen in verscheidenheid. De verscheidenheid van het dorp is terug te zien aan de huizen. In de bebouwing komen bepaalde kenmerken vaak terug. Zoals het gebruik van baksteen, kappen, gebakken dakpannen en rieten daken. Er is een duidelijk pallet van materialen en gebouwtypes en een verscheidenheid aan architectuur. Aan de oostkant ligt Voorst bijzonder mooi in het landschap. Vanaf de Voorsterklei is het dorp ingebed in het groen.
En vanaf de dorpsrand kijk je prachtig door de bomen op de velden en houtwallen van de Klei. Dit unieke willen we zo houden, daarom is woningbouw aan de oostelijke kant ook niet wenselijk. Aan de westkant is de overgang tussen het landschap en de bebouwde kom grilliger. Het dorp loopt op een aantal plekken ver het landschap in. Sinds enkele jaren doorkruist een nieuwe rondweg het landschap. Hierbij loopt het landschap aan beide kanten van de weg door. Vijf sferen Voorst is geleidelijk gegroeid, eerst langs de oude lijnen en daarna in de velden erachter. Door de samenhang tussen bebouwing, buitenruimte en landschap onderscheiden we vijf sferen: 1. De historische linten. De dorpslinten langs de historische routes, die samenkomen in het hart van het dorp rondom de kerk. Smalle straten. Monumentale bomen. Kleine tot middelgrote vrijstaande gebouwen. Bestaande kwaliteiten van het dorp en de bebouwing zijn het uitgangspunt voor de toekomst. 2. Rijksstraatweg-Noord. Rijksstraatweg-Noord met grote en vaak chique, vrijstaande gebouwen op ruime kavels. Groen karakter door heggen, beplante voor- en achtertuinen en monumentale bomen. Aanpassingen en toevoegingen aan het bestaande dorpsgezicht worden zorgvuldig en bescheiden ingepast. 3. Rijksstraatweg-Zuid. Rijksstraatweg-Zuid met individuele en kleine tot middelgrote panden dicht op elkaar.
De zuidelijke helft ontwikkelde zich tot het middenstandslint van het dorp, met kleinere woningen en winkels. Gebouwen dicht op elkaar en het stenen karakter van de straat zijn nog goed 34
Winkler Prins locatie, Voorst
herkenbaar. 4. De naoorlogse bebouwingsvelden achter de linten. De open velden en landschappen achter de naoorlogse bebouwingslinten werden gevuld met woonbuurtjes. De nieuwe bebouwingscomplexen hadden een meer eenduidig en samenhangend karakter. Maar ook hier was het landschap en het groene karakter van Voorst belangrijk. 5. De agrarische en industriële erven. In en om het dorp liggen oude boerenerven en bedrijfskavels. Kenmerkend is het onderscheid tussen de voorzijde, met (vaak representatief) woonhuis en beplante voortuin. En de werkzijde aan de achterkant, met grotere loodsen, bestrate terreinen en zicht op het landschap. Kansen voor het dorp Voorst De ruimtelijke kansen voor Voorst hangen samen met het beleid en de ambities op het gebied van toerisme en wonen. De volgende uitgangspunten vormen een leidraad voor afwegingen en keuzes in de toekomst. Bestaande kwaliteit is het uitgangspunt voor de toekomst. We koesteren het bestaande zoals: de dorpse schaal, kwaliteit van het groen, opbouw met de linten en de diversiteit in bebouwing. Binnen en buiten de bebouwde kom. Ruimte voor nieuwe woningen en dorpsfuncties worden zoveel mogelijk in het bestaande dorp gezocht. Pas in tweede instantie kijken we naar buiten. Waarbij we oog hebben voor de overgang van het dorp naar het landschap. Levendige Rijksstraatweg en rustige woonwijken.
Niet woonfuncties krijgen bij voorkeur een plek aan de lint van de Rijksstraatweg. Denk aan winkels, toerisme en horeca. Kleinschalig en passend bij het dorp. Landschap rondom het dorp koesteren en ontwikkelen. Het landschap rond het dorp is een grote kwaliteit van Voorst. Het landschap blijft altijd dichtbij. En de overgang tussen bebouwde kom en open landschap met erven wordt zorgvuldig ingericht. Aantrekkelijk voor alle generaties. Voorst wil een levensbestendig dorp zijn. Aantrekkelijk voor alle generaties en met alle noodzakelijke voorzieningen. Slow toerisme en lokale ambacht en bedrijvigheid. Het landschap en het dorp zorgen dat Voorst aantrekkelijke mogelijkheden biedt voor toerisme en recreatie. We zetten in op toerisme dat past bij het karakter van het dorp. Langzaam, duurzaam, gericht op de dorpse schaal en informeel contact. Dorpse dialoog, bewoners en gemeente zoeken elkaar op. Samenwerking, korte lijnen, saamhorigheid en vertrouwen horen bij Voorst. Maatwerklocaties In de kansenkaart staan maatwerklocaties aangegeven. Het gaat om locaties in Voorst met aparte uitgangspunten. Het vertrekpunt bij deze locaties is steeds de cultuurhistorie en de ruimtelijke kwaliteit van de locaties en het omliggende dorp. Niet alle maatwerklocaties zijn uitgewerkt omdat daar momenteel geen ontwikkelingen zijn. Daarnaast zijn er per locatie voorbeelden uitgewerkt.
Dit zijn geen vaststaande ontwerpen maar mogelijkheden binnen de uitgangpunten. Winkler Prinsterrein. Dit terrein is aangedragen als mogelijke locatie voor kleinschalige bouw. Schoolstraat 1 – 3. De supermarkt is gesloten. Er wordt gekeken om de locatie te herontwikkelen tot gemengde woningbouw. Rijksstraatweg 116 (Sarink). Door de centrale ligging is dit grote erf een geschikte locatie voor kleinschalige bedrijvigheid en toeristische functies. De ambitie is om dit deel van de Rijksstraatweg tot nieuw hart van het dorp de ontwikkelen, met enkele winkels horecagelegenheden en andere bedrijvigheid. De overtuin. De overtuin ligt aan de andere kant van de Rijksstraatweg en hoort bij de villa. De overtuin is een geschikte locatie voor kleinschalige horeca. Dit kan bijdragen aan de levendigheid van de Rijksstraatweg. Ook kun je dit koppelen met fiets- en wandelknooppunten. Rijksstraatweg 100 (De Weerd). We zien kansen om op deze locatie woningen te realiseren binnen de bebouwde kom.
35
Winkler Prins locatie, Voorst
Afbeelding 20 - Uitsnede Kansenkaart Voorst, plangebied aangeduid met 1
3.5.3.1 Toetsing aan de Kansenkaart Voorst In het rapport worden een aantal inbreidingslocaties (maatwerklocaties) in het dorp Voorst benoemd, voor mogelijke woningbouw in de (nabije) toekomst. Eén van deze locaties is de Winkler Prins locatie. Woningbouw op de betreffende locatie lag voor de hand want de Locatie Winkler Prins was al in de jaren 80 als woningbouwlocatie aangewezen. In de kansenkaart van het dorp Voorst zijn voor de Winkler Prins locatie uitgangspunten opgesteld met betrekking tot cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit. Op hoofdlijnen gaat het om het volgende: Koester het groene karakter van de door bebouwing omgeven locatie; Verkies een hof-/erfachtige opzet, waarbij bebouwing landt in collectieve groene ruimte; Sluit het Jac. Lugtmeijerplantsoen aan op de groenstructuur van het Winkler Prinsterrein; Er komen geen achterkanten/blinde zijkanten op de Anthony Winkler Prinsstraat uit; Koester het zicht vanaf de G.J. van Heuvenstraat en de Binnenweg op het open landschap van de Voorsterklei; Vergroen de straatprofielen van de H.H. Wilkensstraat en de G.J. van Heuvenstraat en maak het groene karakter beleefbaar. In het ontwerp is gekozen voor een groen hart en clusters van woningen in het bereikbare segment. Het appartementencomplex is zo gepositioneerd dat de zichtlijnen naar het buitengebied (hoogstamboomgaard, de Voorsterklei en De Beele) behouden blijven.
Het Jac. Lugtmeijerplantsoen wordt betrokken bij het plan en krijgt een kwalitatieve make-over. De directe omgeving van het perceel kenmerkt zich door woonbestemmingen. Het voorstel voor de architectuur, dat verder uitgewerkt is in het beeldkwaliteitsplan (bijlage 1 van de toelichting), sluit aan op de omliggende wijken en de uitgangspunten in de Kansenkaart.
36
Winkler Prins locatie, Voorst
3.5.4
Welstandsnota
Om de ruimtelijke kwaliteit van de woon- en leefomgeving te bewaken, heeft de gemeente enkele mogelijkheden tot haar beschikking om de kwaliteit van de omgeving te stimuleren. De Welstandsnota is hiervoor een belangrijk kader. In de Welstandsnota worden randvoorwaarden omschreven waaraan bouwplannen moeten voldoen. De randvoorwaarden zijn zodanig geformuleerd dat er wel enige beleidsvrijheid voor de ontwikkelaar is en de regels niet té sturend zijn. Naast de kaders is er ook een motivatie voor de ruimtelijke kwaliteit in de nota opgenomen met kwaliteitsnormen per deelgebied in de gemeente. In de Welstandsnota geldt in algemene zin dat de bestaande gebouwde omgeving het kwalitatieve referentiepunt is voor nieuwe bouwwerken. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en detaillering, kleur en materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen. Een plan dient te voldoen aan de 'redelijke eisen van welstand'.
3.5.4.1 Toetsing aan de Welstandsnota In aanloop naar deze bestemmingsplanprocedure heeft veelvuldig overleg plaatsgevonden over de stedenbouwkundige uitwerking en beeldkwaliteit van het woningbouwplan. Dat heeft geleid tot het stedenbouwkundig plan dat als Bijlage 1 is opgenomen bij deze toelichting. Naast toetsing aan de Welstandsnota vormen de in deze bijlage opgenomen impressies het referentiekader voor de stedenbouwkundige en architectonische kwaliteitstoets van de uiteindelijke aanvraag om omgevingsvergunning.
37
Winkler Prins locatie, Voorst
Hoofdstuk 4 4.1
Uitvoerbaarheid
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Daarnaast wordt ingegaan op de thema's als archeologie, natuuronderzoek, verkeersaspecten, water en de economische uitvoerbaarheid.
4.2
Milieuaspecten
4.2.1
Bodem
Als gevolg van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet onderzocht worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. 4.2.1.1 Beoordeling Voorliggend plan beoogt de sloop van dertien huurwoningen en de realisatie van 34 nieuwe huur- en koopwoningen. Daarmee worden 21 woningen aan de huidige woningvoorraad toegevoegd. In 2022 is er voor het plangebied een verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 3 van deze toelichting). Doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie en nagaan of er mogelijke gebruiksbeperkingen bestaan in relatie tot het beoogde gebruik. De onderzoekslocatie betreft het perceel, kadastraal bekend als gemeente Voorst (VOO00), sectie D, perceelnummers 1369, 1451 en 2139. Op basis van de gegevens verkregen uit het vooronderzoek worden de volgende deellocaties geselecteerd: voormalige boomgaard en voormalige bouwsels.
Tevens is, gelet het aantreffen van stukjes asbestverdacht materiaal op het maaiveld en puin in de bodem, het gehele terrein asbestverdacht. Derhalve is besloten tevens een asbestonderzoek uit te voeren. Het onderzoek gaat uit van de hypothese 'verdachte locatie' voor de boomgaard, de bouwsels en overig terrein.
Afbeelding 21 - Geselecteerde deellocaties en hypothese
De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 13 mei 2022 (boorwerkzaamheden, plaatsen peilbuis en gaten G1 t/m G4) en op 2 juni 2022 (monsterneming grondwater en overige gaten). Uit de resultaten van het onderzoek kan het volgende geconcludeerd worden: dat de bodem, op de locatie, in de bovengrond kooldeeltjes bevat en puinhoudend is; in de bovengrond van de voormalige boomgaard is geen OCB aangetroffen; in de grond ter plaatse van de voormalige bouwsels is geen asbest aangetroffen; 38
Winkler Prins locatie, Voorst
op het maaiveld van het overig terrein is op drie plekken asbesthoudend materiaal aangetroffen. Het gewogen gehalte aan asbest in de toplaag blijft ruim onder de restconcentratienorm uit het Besluit bodemkwaliteit; de grond is niet asbesthoudend; in de bovengrond is een licht verhoogd gehalte lood en zink aangetoond; in de ondergrond zijn geen van de onderzochte componenten aangetroffen boven de achtergrondwaarde; het grondwater is licht verontreinigd met naftaleen. De hypothese 'verdachte locatie' dient deels aangenomen en deels verworpen te worden De aangetroffen gehalten zijn van dien aard dat de onderzoeksinspanning niet hoeft te worden herzien. Het terrein is op basis van de milieuhygienische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik.
Afbeelding 22 - Toetsing hypotheses
4.2.1.2 Conclusie Het aspect bodem zorgt niet voor een belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan. 4.2.2
Milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Hieronder wordt verstaan het aanbrengen van voldoende ruimte tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies, zoals woningen, anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen de milieubelastende en milieugevoelige functies. Deze afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. De milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam en onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten als geur, stof, geluid en gevaar. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen het type rustige woonwijk en gemengd gebied.
4.2.2.1 Beoordeling Voorliggend plan beoogt de sloop van dertien huurwoningen en de realisatie van 34 nieuwe huur- en koopwoningen. Daarmee worden 21 woningen aan de huidige woningvoorraad toegevoegd. Voor het plangebied geldt dat deze in een woonbuurt ligt, waarbij in de directe omgeving geen bedrijfsmatige functies voorkomen. Hooguit is sprake van eventuele beroepen of bedrijven aan huis, die als passend binnen de woonbestemming worden gezien. 39
Winkler Prins locatie, Voorst
Uit oogpunt van milieuzonering bestaan geen bezwaren voor de bouw van de woningen in relatie tot bestaande functies in de omgeving. Andersom geredeneerd staan het nieuwbouwplan alleen woningen toe, met eventueel aan huis verbonden bedrijven of beroepen. Voor de omliggende woningen vormt deze ontwikkeling op het gebied van milieuzonering dan ook geen belemmeringen. 4.2.2.2 Conclusie Het aspect milieuzonering zorgt niet voor een belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan. 4.2.3
Geluid
Het aspect 'geluid' gaat over de geluidbelasting op woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen vanwege wegverkeer, railverkeer of gezoneerd industrieterreinen. De Wet geluidhinder (Wgh) is hiervoor het toetsingskader. Rondom wegen met een maximumsnelheid van meer dan 30 km/uur, spoorwegen en aangewezen bedrijven(terreinen) zijn geluidszones van toepassing. Als er woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen binnen deze zones worden toegevoegd, dan moet geluidsbelasting op de gevels hiervan worden bepaald en getoetst aan de Wgh. 4.2.3.1 Beoordeling Voorliggend plan beoogt de sloop van dertien huurwoningen en de realisatie van 34 nieuwe huur- en koopwoningen. Daarmee worden 21 woningen aan de huidige woningvoorraad toegevoegd. In de nabijheid van het plangebied is geen sprake van railverkeer of gezoneerd industrieterreinen. Voor het plangebied geldt dat deze in een woonbuurt ligt, voor de wegen in deze buurt geldt een maximumsnelheid van 30 km/uur. De nieuw te bouwen woningen worden niet gerealiseerd binnen een geluidszone van weg, spoorweg of industrieterrein. Akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk. 4.2.3.2 Conclusie Het aspect geluid zorgt niet voor een belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan. 4.2.4
Luchtkwaliteit
Met wet- en regelgeving wil de overheid zorgen voor een goede luchtkwaliteit en de burgers beschermen tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. In de Wet milieubeheer zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) van belang. Projecten die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan luchtverontreiniging zijn op grond van het Besluit 'niet in betekenende mate' (NIBM) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. De Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde of; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt of; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Bijlage 3A van de Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen nieuwe woningbouwlocaties in ieder geval NIBM bijdragen.
De NIBM-grens voor woningbouwlocaties (voorschrift 3A.2) luidt: 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; 3.000 woningen (netto) bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te 40
Winkler Prins locatie, Voorst
beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleegen bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
4.2.4.1 Beoordeling Voorliggend plan beoogt de sloop van dertien huurwoningen en de realisatie van 34 nieuwe huur- en koopwoningen. Daarmee worden 21 woningen aan de huidige woningvoorraad toegevoegd. Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. De NIBM-tool is een rekentool waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen aan de luchtkwaliteit vastgesteld kan worden. De verkeersaantrekkende werking in het plangebied zal toenemen. In de bestaande situatie zijn er in het plangebied 13 huurwoningen aanwezig. Volgens de CROW-publicatie ‘Kencijfers en verkeersgeneratie’ heeft een huurwoning, sociale huur (schil centrum, niet stedelijk) een gemiddelde verkeersgeneratie van 5,4 motorvoertuigbewegingen per etmaal per woning. De totale verkeersgeneratie in de bestaande situatie bedraagt dan 70,2 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Volgens de CROW-publicatie ‘Kencijfers en verkeersgeneratie’ heeft een koop, tussen- of hoekwoning (schil centrum, niet stedelijk) een gemiddelde verkeersgeneratie van 7,3 motorvoertuigbewegingen per etmaal per woning. In het voorliggend plan zijn 14 koopwoningen beoogd, de verkeersgeneratie bedraagt 102,2 motorvoertuigbewegingen per etmaal.
Een huurwoning, sociale huur (schil centrum, niet stedelijk) heeft een gemiddelde verkeersgeneratie van 5,4 motorvoertuigbewegingen per etmaal per woning. In het voorliggend plan zijn 10 huurwoningen beoogd, de verkeersgeneratie bedraagt 54 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Een huurappartement, midden/goedkoop (schil centrum, niet stedelijk) heeft een gemiddelde verkeersgeneratie van 4,1 motorvoertuigbewegingen per etmaal per woning. In het voorliggend plan zijn 10 huurappartementen beoogd, de verkeersgeneratie bedraagt 41 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De totale verkeersgeneratie van de 34 woningen bedraagt 197 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De verkeersaantrekkende werking in het plangebied zal toenemen. Voor het plangebied zijn dit in totaal 127 extra verkeersbewegingen per etmaal. De bijdrage van het verkeer zal geen verkeersproblemen geven op de wegen rondom het plangebied.
41
Winkler Prins locatie, Voorst
Afbeelding 23 - NIBM-tool
In de regeling NIBM is ook aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling van maximaal 21 nieuwe woningen in dit bestemmingsplan valt ook binnen de NIBM-regeling zodat onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. De locatie ligt niet binnen 50 meter van rijkswegen of provinciale wegen. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk. Wat betreft de toets ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden bij woningen, op grond van de regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007, mensen blootgesteld aan luchtverontreiniging gedurende een significante periode ten opzichte van een etmaal. De Atlas Leefomgeving geeft een goede indicatie van de achtergrondconcentraties ter plekke. Uit de kaarten blijkt dat de achtergrondconcentraties luchtvervuilende stoffen ter plaatse van het plangebied relatief laag te zijn. Ook liggen ze ver onder de grenswaarden. De cijfers zijn van 2020. Achtergrondconcentratie 2020
Grenswaarde
Fijnstof PM 2,5
8-9 ug/m3
25 ug/m3
Fijnstof PM 10
14 - 15 ug/m3
40 ug/m3
Stikstofdioxide
10 - 12 ug/m3
40 ug/m3
Een algemene trend is evenwel dat de emissiefactoren van wegverkeer en de concentratie fijnstof al jaren afnemen. Het RIVM verwacht dat dit ook in de komende jaren het geval zal zijn. De blootstelling aan luchtverontreiniging in het plangebied is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. 4.2.4.2 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit zorgt niet voor een belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan. 42
Winkler Prins locatie, Voorst
4.2.5
Externe veiligheid
Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire (chemische fabriek, lpg-tankstation) en de mobiele (vervoer gevaarlijke stoffen) bronnen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen groepsrisico (GR) en plaatsgebonden risico (PR). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten. De gemeente Voorst wil haar burgers en bedrijven een veilige leef- en werkomgeving bieden. In die zin draagt zij een belangrijke verantwoordelijkheid als het gaat om externe veiligheid. Om die verantwoordelijkheid in te vullen is het externe veiligheidsbeleid geformuleerd. Doel hiervan is duidelijk te maken welke externe veiligheidsrisico's in de gemeente Voorst aanwezig zijn en hoe met deze en toekomstige risico's om dient te worden gegaan. Dit betekent dat onder meer invulling wordt gegeven aan de wettelijke verplichting om het groepsrisico en plaatsgebonden risico te overwegen bij het nemen van besluiten.
Bij nieuwe plannen wordt in de uitwerking rekening gehouden met rampenbestrijding en zelfredzaamheid, waarbij bijvoorbeeld nieuwe ontwikkelingen voor kwetsbare objecten met verminderd zelfredzame personen (zoals kinderopvang, basisscholen en ziekenhuizen) niet op korte afstand van het spoor worden gerealiseerd. Het plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) met de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi).
Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico’s vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen.
43
Winkler Prins locatie, Voorst
4.2.5.1 Beoordeling Voorliggend plan beoogt de sloop van dertien huurwoningen en de realisatie van 34 nieuwe huur- en koopwoningen. Daarmee worden 21 woningen aan de huidige woningvoorraad toegevoegd. In het plangebied is er geen sprake van het toevoegen van gevaarlijke functies en er is wel sprake van de toevoeging van kwetsbaar objecten (woningen). In het plangebied of in de nabije omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven met gevaarlijke stoffen of buisleidingen voor transport met gevaarlijke stoffen of (spoor)wegen voor het transport van gevaarlijke stoffen die een belemmering vormen voor dit plan.
Afbeelding 24 - Uitsnede risicokaart Het plan is voorgelegd aan de adviseur externe veiligheid voor een eerste reactie. In onderstaand afbeelding is het beoogde plangebied te zien. In de nabije omgeving zijn enkele openbare brandkranen (blauwe cirkels) en een geboorde put (blauwe cirkel met ster) aanwezig. Kijkend naar de gecorrigeerde afstand van de bluswatervoorzieningen is met de huidige informatie te concluderen dat in beginsel sprake is van voldoende bluswater. In kader van het vooroverleg wordt de VNOG nog om advies gevraagd.
44
Winkler Prins locatie, Voorst
Afbeelding 25 - Overizcht openbare brandkranen
4.2.5.2 Conclusie Het aspect externe veiligheid zorgt niet voor een belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan. 4.2.6
Trillingen
Treinverkeer kan leiden tot trillingen in gebouwen. Deze trillingen kunnen vervolgens leiden tot verstoring van gevoelige apparatuur, hinder voor personen in de gebouwen of schade. In Nederland bestaat tot nu toe geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen is het aspect trillingen niettemin een aandachtspunt in de afwegingen, omdat op grond van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening de zorg voor een goede ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Daarvoor is het nodig om mogelijke trillingshinder in kaart te brengen en deze te betrekken in de beoordeling. Vanwege het ontbreken van specifieke wetgeving, wordt voor trillingen veelal teruggevallen op de SBR-richtlijn Trillingen, deel B “Hinder voor personen in gebouwen” (SBR-B). 4.2.6.1 Beoordeling De beoogde woningbouw ligt buiten de regulier aangehouden onderzoeksafstand van het spoor van 100 meter. Hierdoor is inachtneming van trillingen niet noodzakelijk. 4.2.6.2 Conclusie Het aspect trillingen zorgt niet voor een belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan.
45
Winkler Prins locatie, Voorst
4.2.7
Milieueffectrapportage (MER)
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerpbestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt, moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. 4.2.7.1 Beoordeling Voorliggend plan beoogt de sloop van dertien huurwoningen en de realisatie van 34 nieuwe huur- en koopwoningen. Daarmee worden 21 woningen aan de huidige woningvoorraad toegevoegd. Dit bestemmingsplan voorziet in de planologische kaders voor nieuw te bouwen woningen en voldoet daarmee aan de definitie van een ‘besluit’ als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'.
Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich ervan te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk 46
Winkler Prins locatie, Voorst
ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de verwachte milieuhinder en cumulatie met andere projecten), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.- toets.
4.2.7.2 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect milieu, nader onderzoek op het gebied van milieu is daarom ook niet nodig.
4.3
Archeologie
Wettelijk kader Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2024 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, ruimtelijke plannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.
4.3.1
Beoordeling
Voorliggend plan beoogt de sloop van dertien huurwoningen en de realisatie van 34 nieuwe huur- en koopwoningen. Daarmee worden 21 woningen aan de huidige woningvoorraad toegevoegd. Op basis van de archeologische beleidskaart (zie afbeelding 25) van de gemeente Voorst ligt het overgrote deel van het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting. Voor deze zone geldt dat vroegtijdig waardestellend archeologisch vooronderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen dieper dan 30 cm –mv en groter dan 250 vierkante meter. Het noordoostelijke rand van het plangebied valt in een archeologisch waardevol gebied (categorie 4): een historische dorpskern of historisch bekende woonplaats. Voor deze zone geldt dat vroegtijdig waardestellend archeologisch vooronderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen dieper dan 30 cm –mv en groter dan 30 vierkante meter.
47
Winkler Prins locatie, Voorst
Afbeelding 26 Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Voorst
Binnen het noordelijk deel van het plangebied zijn in 2001 en 2002 een bureau- en booronderzoek en een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd t.b.v. de herinrichting van het plantsoen (zie bijlage 4 van deze toelichting). De begrenzing van dit onderzoeksgebied staat weergegeven op de archeologische verwachtings- en beleidskaart van de gemeente Voorst. In de proefsleuven zijn naast enkele recente verstoringen, die met een voormalige speeltuin in verband gebracht worden, geen archeologisch relevante sporen opgetekend. Er wordt dan ook geconcludeerd dat de kans op het aantreffen van archeologische resten, met name in het zuidelijk deel van het onderzochte gebied (wat het noordelijk deel van het huidige plangebied vormt), gering is. In 2022 is er voor het plangebied een archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek) uitgevoerd (zie bijlage 5 van deze toelichting). Op basis van de resultaten, en met inachtneming van de resultaten van de eerder uitgevoerde onderzoeken in het noordelijk deel van het plangebied, geldt een middelhoge verwachting voor archeologische resten in de top van de natuurlijke afzettingen (op 85 tot 145 cm –mv). Daarnaast geldt een middelhoge verwachting voor archeologische resten in de top van het dekzand, onder het stuifzand in het zuiden van het plangebied (op 150 tot 170 cm –mv).
Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het plangebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Daarom wordt geadviseerd om de plannen zodanig aan te passen dat verstoring wordt voorkomen. Dat kan door bodemingrepen (al dan niet met behulp van terreinophoging) te beperken tot een diepte van 60 cm onder het huidige maaiveld, waarbij een bufferzone van 25 cm boven het archeologisch relevante niveau wordt aangehouden. Indien planaanpassing niet mogelijk is, wordt aanbevolen bij bodemingrepen dieper dan 60 cm -mv de onderstaande vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) te nemen. Om de gespecificeerde verwachting te toetsen, wordt vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een karterende fase van een inventariserend veldonderzoek. Gezien de prospectiekenmerken is een proefsleuvenonderzoek de geëigende methode voor vervolgonderzoek. De verwachting is dat er met de 48
Winkler Prins locatie, Voorst
voorgenomen ontwikkeling geen bodemingrepen plaatsvinden dieper dan 60 cm -mv. Nadat de bestaande woningen gesloopt zijn en het plangebied bouwrijp is gemaakt kan dit beoordeeld worden. Indien noodzakelijk wordt er een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd, dit vindt plaats na vaststelling bestemmingsplan. Om dit te waarborgen is, in overleg met de regio archeoloog, voor het plangebied een passende dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Om de archeologische waardevolle gebieden veilig te stellen, gelden er op deze gronden beperkingen ten aanzien van het bouwen voor de met deze bestemming samenvallende bestemmingen. Bouwen is uitsluitend toegestaan indien uit onderzoek blijkt dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn of dat de waarden voldoende worden veiliggesteld. Een onderzoek is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 1 m²; een bouwwerk waarbij graafwerkzaamheden niet dieper dan 60 cm en zonder heiwerkzaamheden plaatsvinden.
Daarnaast geldt er een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerk zijnde, of van bepaalde werkzaamheden. Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, is niet noodzakelijk voor werken en werkzaamheden die betrekking hebben op normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de toegekende bestemming. 4.3.2
Conclusie
Het aspect archeologie zorgt niet voor een belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan.
4.4
Cultuurhistorie
Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. 4.4.1
Beoordeling
Het door tuinen en plantsoen omsloten Winkler Prins terrein is een boomrijk restgebied, een ingesloten stukje landschap dat is overgebleven na de verdichting van de historische dorpslinten (Binnenweg en Schoolstraat) en de aanleg van nieuwe straten in de naoorlogse periode (H.H. Wilkensstraat en G.J. van Heuvenstraat). Aan de zijde van de Anthony Winkler Prinsstraat lag in 1958 het noodgebouw van een kleuterschool. Nadat dit pand was gesloopt, bleef het terrein aan deze zijde open. Het Winkler Prinsterrein is vergelijkbaar met het eveneens beboste terrein tussen de bebouwing aan de Schoolstraat, Kerkstraat en Hoflaan en het (inmiddels bebouwde) terrein rond het Weemehof en herinnert aan de tijd dat de dorpse bebouwing van Voorst nog los in het landschap stond. Het groen en de bomen van het Winkler Prinsterrein dragen bij aan het groene karakter van Voorst. De ruimtelijke kwaliteiten van deze plek zijn vertaald naar een aantal stedenbouwkundige uitgangspunten voor de inpassing van de nieuwe woningen. Op basis daarvan is een stedenbouwkundig plan ontstaan waarin de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied en van de omgeving wordt gewaarborgd. De planlocatie zelf bevat geen elementen die een hoge cultuurhistorische waarde hebben. Op of direct aansluitend op de locaties zijn geen Rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig die nadelige invloed ondervinden van de ontwikkeling. 4.4.2
Conclusie
Het aspect cultuurhistorie zorgt niet voor een belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan.
49
Winkler Prins locatie, Voorst
4.5
Natuuronderzoek
4.5.1
Flora en fauna
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient de natuurwetgeving beschouwd te worden. Deze wetgeving richt zich op twee hoofdthema's. Het gaat hierbij om de bescherming van natuurgebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van plant- en diersoorten (soortbescherming). De Wet natuurbescherming vervangt sinds 1 januari 2017 drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland; 2. decentralisatie van verantwoordelijkheden; 3. vereenvoudiging van de regels. In tegenstelling tot de Natuurbeschermingswet 1998 is de bescherming van Beschermde Natuurmonumenten komen te vervallen in de nieuwe Wet natuurbescherming. De wet gaat in op gebiedsbescherming (Natura 2000-gebieden of Nationaal Natuurnetwerk) en op soortbescherming. De Wet natuurbescherming heeft de verbodsbepaling uit de Flora- en faunawet overgenomen dat activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten, verboden zijn. De verboden activiteiten zijn het op enige wijze verwijderen van beschermde inheemse planten van hun groeiplaats, een beschermde inheemse soort opzettelijk te verontrusten en/of nesten, holen of andere vaste rust- en verblijfplaatsen van deze dieren te verstoren. Opzettelijk verstoren van vogels is in sommige situaties wel toegestaan.
Verstoren zonder dat er van tevoren een goed onderzoek naar beschermde soorten is uitgevoerd blijft strafbaar.
4.5.1.1 Beoordeling Voorliggend plan beoogt de sloop van dertien huurwoningen en de realisatie van 34 nieuwe huur- en koopwoningen. Daarmee worden 21 woningen aan de huidige woningvoorraad toegevoegd. Er worden veertien bomen gekapt, waarvan voor negen een positief kapadvies is gegeven. Met de kap van de goede bomen kan ook worden ingestemd om deze planontwikkeling mogelijk te maken. Voorwaarde is dat gekapte bomen op een andere geschikte locatie worden herplant. Er wordt gekozen voor geschikte inheemse bomen van formaat. In verband met de Wet natuurbescherming (Wnb) is het noodzakelijk om voorafgaande aan ruimtelijke ingrepen en inrichting te toetsen of de geplande activiteiten geen negatief effect hebben op beschermde plant- en/of diersoorten en leefgebieden. In 2022 is er voor het plangebied een quickscan flora en fauna in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd (zie bijlage 6 van deze toelichting). Het doel van onderhavige quickscan is inzicht geven of de voorgenomen activiteiten een overtreding van de vigerende natuurwetgeving tot gevolg hebben. Het plangebied is op 11 oktober 2022 overdag bezocht.
Quickscan flora en fauna Gebiedsbescherming Op een afstand van circa 1600 m ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’. Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Gezien de aard van de werkzaamheden, de projectlocatie in de bebouwde kom en de (effect)afstanden tot de Natura 2000 gebieden wordt geen verstoring of negatieve effecten verwacht op het genoemde gebied. Externe werking kan worden uitgesloten Met het beheer en de aanleg van nieuwe natuur zorgt de provincie voor het versterken van bestaande natuur. Die nieuwe natuur verbindt verschillende bestaande natuurgebieden met elkaar. Het netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden noemen de provincie het Gelders Natuurnetwerk. De Groene Ontwikkelingszone (GO) bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan natuur die ruimtelijk vervlochten is met het Gelders Natuurnetwerk. Het gaat vooral om landbouwgrond, maar ook om 50
Winkler Prins locatie, Voorst
terreinen voor verblijfs- en dagrecreatie, infrastructuur, woningen en bedrijven. Het plangebied ligt buiten het Gelders natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelzone (GO). Op basis van de ligging van het plangebied ten opzichte van de begrenzingen mag worden aangenomen dat er geen significante effecten zijn te verwachten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het GNN en de GO. Specifieke maatregelen of aanvullend onderzoek zijn niet nodig. Bescherming houtopstanden Er worden in het kader van de voorgenomen ingrepen meerdere bomen gekapt. Het onderdeel ‘houtopstanden’ van de Wet natuurbescherming is van toepassing bij houtopstanden van minimaal 1.000 m² en rijbeplantingen van meer dan twintig bomen die buiten de grenzen van de bebouwde kom houtopstanden vallen. Het plangebied is echter gelegen binnen de grenzen van de bebouwde kom houtopstanden. Het onderdeel houtopstanden Wnb is derhalve niet van toepassing, er zal echter wel gemeentelijk beleid van toepassing zijn. Soortbescherming Voor het bronnenonderzoek is gebruik gemaakt van de gegevens van NDFF (tot 10 jaar terug, geraadpleegd op 10 oktober 2022). Er is met name gekeken naar jaarrond beschermde nesten, Habitatrichtlijnsoorten en nationaal beschermde soorten (niet vrijgestelde soorten Gelderland).
Flora Tijdens het veldbezoek zijn er binnen het plangebied geen beschermde wilde vaatplanten aangetroffen; Vogels Door de beoogde ingrepen gaan er mogelijk jaarrond beschermde nesten en functioneel leefgebied verloren. Dit is niet toegestaan bij de Wet Natuurbescherming. Om vast te stellen (of en) hoeveel nesten er aanwezig zijn en waar deze nesten zich bevinden dient er een nader onderzoek naar huismus plaats te vinden. Door middel van het nader onderzoek dient tevens bepaald te worden of functioneel leefgebied met voedselaanbod, zandbaden en verblijf- en schuilplekken significant wordt aangetast; De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van gierzwaluw is eveneens niet uit te sluiten in onderhavige situatie. Mogelijk gaan er door de ingrepen nesten verloren. Dit is niet toegestaan bij de Wet Natuurbescherming. Om vast te stellen of en hoeveel nesten er aanwezig zijn en waar deze nesten zich bevinden dient er een nader onderzoek naar gierzwaluw plaats te vinden; De woningen en bijgebouwen zijn voor uilen niet toegankelijk. Uilensoorten die gebruik maken van gebouwen, zoals de steen- en kerkuil, zijn derhalve uitgesloten; Horsten van roofvogels en nesten/ roestplekken van uilen en roek zijn derhalve niet volledig uit te sluiten. Wanneer het blad van de bomen is dient er een bomencheck uitgevoerd te worden.
Mogelijk dienen er naar aanleiding van de bomencheck vervolgstappen genomen te worden, zoals een nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag; Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten, of resten ervan, van huis- en boerenzwaluw aangetroffen. Grondgebonden zoogdieren Mogelijk gaat er door de ingrepen aan de opstallen (woningen en schuurtjes) en het park een verblijfplaats voor de steenmarter verloren. Dit is niet toegestaan bij de Wet Natuurbescherming. Tijdens de nadere onderzoeken (vleermuis en gierzwaluw, zie betreffende paragrafen) dient gelet te worden op sporen en de aanwezigheid van steenmarters. Daarnaast kan er in het park een cameraval geplaatst worden (mits deze diefstalproof geplaatst kan worden); Mogelijk gaan er door de ingrepen in het park verblijfplaatsen en significant leefgebied verloren. Dit is niet toegestaan bij de Wet Natuurbescherming. Om vast te stellen of kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) voorkomen in het park dienen er cameravallen en Mostela’s en/of struikrovers (mits deze diefstalproof kunnen worden geplaatst) geplaatst te worden; Nesten/ verblijfplaatsen van eekhoorn dienen tijdens de bomencheck eveneens onderzocht te worden. Mogelijk dient er naar aanleiding van de bomencheck alsnog een nader onderzoek naar 51
Winkler Prins locatie, Voorst
eekhoorn uitgevoerd te worden. Vleermuizen De beoogde ingrepen kunnen tot gevolg hebben dat jaarrond beschermde verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen vernietigd worden. Dit is niet toegestaan bij de Wet Natuurbescherming. In dit kader zal er een nader onderzoek naar vleermuizen moeten plaatsvinden. Dit nadere onderzoek dient vast te stellen of er (zo ja, welke soorten en welke functie) gebruik gemaakt wordt van de opstallen en dient plaats te vinden op basis van het protocol voor vleermuisinventarisaties; Tijdens de bomencheck dient er eveneens aandacht te zijn voor naar boven ingerotte holtes, loszittende schors en/ of scheuren in de bomen. Daarnaast dienen een aantal holtes met een hoogwerker/ lange ladder geïnspecteerd te worden of deze openingen daadwerkelijk geschikt zijn. Mogelijk dient er naar aanleiding van de bomencheck en holte-inspectie alsnog een nader onderzoek (op basis van het protocol voor vleermuisinventarisaties 2021 (GaN) naar boombewonende vleermuizen uitgevoerd te worden. Amfibieën, reptielen en vissen Er is geen oppervlaktewater aanwezig binnen het plangebied. De aanwezigheid van vissen en voortplantingswater van amfibieën kan derhalve worden uitgesloten; Het plangebied is vanwege het ontbreken van broeihopen, heide, bosschages en dergelijke niet geschikt bevonden voor reptielen.
Ongewervelden/ overige soorten Het ontbreken van specifieke habitats zoals heide en (laag)veen, grote rivieren en oude, rottende eiken maakt dat de veelal veeleisende Habitatrichtlijnsoorten en exemplaren van de nationaal beschermde soorten van ongewervelden en overige soorten niet te verwachten zijn. Aanvullend onderzoek In 2023 heeft er aanvullend onderzoek plaatsgevonden naar vleermuizen, huismus, gierzwaluw, kleine marterachtigen en steenmarter uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming (zie bijlage 7 van deze toelichting). Ook heeft er een bomencheck plaatsgevonden. Om een goed beeld te verkrijgen hoe en of het plangebied gebruikt wordt door de genoemde soorten heeft er een bronnenonderzoek plaatsgevonden en is het plangebied vervolgens meerdere malen in 2023 bezocht in de daarvoor geschikte periodes en onder de juiste weersomstandigheden.