CConstaterende datvoorschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4a Toelichting BP Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord

Gemeenteraad Voorschoten 29 april 2021, gemeente voorschotenBij agendapunt: Bestemmingsplan Intratuin27.600 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Pagina | 52

Figuur 5.2 Uitsnede risicokaart plangebied (bron: nederland.risicokaart.nl)

Inrichtingen Binnen het plangebied is in de huidige situatie sprake van de opslag van vuurwerk. Als gevolg van de voorgenomen herontwikkeling zal deze inrichting verdwijnen. Verder bevinden zich binnen het plangebied geen inrichtingen of contouren van inrichtingen waarop het Bevi van toepassing is. Transport gevaarlijke stoffen Op een afstand van circa 640 meter van het plangebied is een transportroute gelegen (Churchillaan). Alle rijkswegen en de meeste provinciale wegen zijn aangewezen als route voor gevaarlijke stoffen. Gemeenten mogen voor de zogenaamde routeplichtige stoffen gemeentelijke wegen binnen hun grenzen aanwijzen waarover deze gevaarlijke stoffen mogen worden vervoerd. De gemeente Voorschoten heeft een dergelijke route gevaarlijk stoffen niet vastgesteld wat tot gevolg heeft dat het vervoer van gevaarlijke stoffen in principe altijd via de snelste weg moet plaatsvinden. Indien het plangebied binnen 200 meter van een transportroute is gelegen, dient op basis van artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), een uitgebreide groepsrisicoverantwoording plaats te vinden. Een uitgebreide verantwoording is gezien de afstand van de transportroute tot het plangebied niet benodigd. Op basis van artikel 7 van het Bevt is het mogelijk dat een beperkte groepsverantwoording benodigd is.

Dit is het geval wanneer een ontwikkeling zich binnen het invloedsgebied van de transportroute bevindt. In de verantwoording dient aandacht besteed te worden aan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of binnenwater en voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Over de betreffende transportroute wordt onder andere stoffen met de stofcategorie LT2 (toxische vloeistof) vervoerd. Hiervoor geldt conform de Handreiking Risicoanalyse Transport een invloedsgebied van 880 meter. Dit betekent dat een beperkte verantwoording van het groepsrisico is benodigd. Buisleiding Binnen het plangebied en in de nabije omgeving het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen. Dit vraagt dan ook niet om nadere aandacht.

Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord

Pagina | 53

In de voorliggende situatie is het maatgevende ongevalsscenario 'toxisch vloeistof' waarbij een toxische wolk kan ontstaan. De mogelijke maatregelen ten einde de zelfredzaamheid en de beheersbaarheid te bevorderen zullen zich dan ook voornamelijk op dit scenario moeten richten. Wat betreft de toxische wolk zijn eenvoudige maatregelen mogelijk, zoals centraal en eenvoudig uitschakelbare en afsluitbare ventilatievoorzieningen en luchtbehandelingsinstallaties. Naar verwachting zullen in zeer beperkte mate personen aanwezig zijn die niet zelfredzaam zijn. Indien dat wel het geval is zullen ze te allen tijde aanwezig onder leiding van een of meerdere zelfredzame volwassene. Op die manier kunnen ze onder leiding van deze volwassene(n) in veiligheid worden gebracht. Gezien voorgaande zal geen sprake zijn van een hoge concentratie van “verminderd zelfredzame” personen. In het ontwerp zal rekening gehouden worden met vluchtwegen voor aanwezige personen. De toekomstige bevolking dient goed geïnformeerd te worden over hoe te handelen bij een calamiteit. Hiertoe zal een adequaat ontruimings- en alarmeringsplan opgesteld moeten worden. Het is immers raadzaam om te voorzien in duidelijke instructies en communicatie ten tijden van een mogelijke ramp. Indien nodig zal tevens een calamiteitenplan opgesteld worden.

Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

5.1.4 Milieuzonering Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Milieuzonering heeft twee doelen: Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Hierbij is uitgegaan van de methodiek voor het ontwikkelen van een rustige woonwijk in de directe omgeving van bedrijven, zoals beschreven in paragraaf 4.2 van deze uitgave. In eerste aanleg wordt getoetst of sprake is van overlap tussen de geldende richtafstanden en de voorziene woningbouwlocaties. Relatie tot het plan Voorliggend bestemmingsplan maakt geen bedrijvigheid mogelijk. In de directe omgeving zijn voornamelijk woningen gelegen en is geen sprake van functiemenging, waardoor het omliggende gebied getypeerd kan worden als een rustige woonwijk.

Vanwege de ligging nabij diverse ontsluitingswegen kan de locatie mogelijk ook worden getypeerd als een gemengd gebied. Om erachter te komen of aan de richtafstanden van de VNG-brochure kan worden voldaan, worden de omliggende functies en mogelijkheden geanalyseerd waarbij worst case wordt uitgegaan van de richtafstanden die gelden voor een rustige woonwijk.. Het plangebied is gelegen binnen de gronden 'Detailhandel', 'Agrarisch', 'Water' en 'Groen'. Om in het plangebied woningen te realiseren moet naar de nabije omgeving worden gekeken. Omliggende gronden hebben de bestemming 'Wonen' en 'Maatschappelijk'. Wonen kan in het kader van Bedrijven en milieuzonering getypeerd worden als een milieugevoelige functie. Derhalve vormen omliggende gronden met de bestemming 'Wonen' geen belemmering voor de Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord

Pagina | 54

vaststelling van dit bestemmingsplan. Er zijn twee locaties aanwezig met de bestemming 'Maatschappelijk' in de nabije omgeving van het plangebied. Aan de oostzijde is op circa 80 meter van het plangebied sprake van gronden met de bestemming 'Maatschappelijk' aangewezen gronden, waar het bestemmingplan "Zuidwest" vigeert. De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn in dit bestemmingsplan bestemd voor maatschappelijke voorzieningen en bedrijfswoningen, met de daarbij behorende voorzieningen. In de huidige situatie zijn hier een sportschool, een kerk en een school voor speciaal onderwijs gevestigd. In de milieuzoneringslijst van de VNG-borchure zijn richtafstanden gegeven voor de verschillende categorieën. De toegestane (en aanwezige) maatschappelijke voorzieningen kennen maximaal milieucategorie 2. In een rustige woonwijk dient derhalve een afstand van 30 meter aangehouden te worden tot milieugevoelige functies als woningen. Ten westen van het plangebied is, op een afstand van circa 30 meter, sprake van een bestemming 'Maatschappelijk'. Volgens het vigerende bestemmingsplan "Noord" zijn daar maatschappelijke voorzieningen toegestaan. In de huidige situatie is daar een centrum voor cardiologie aanwezig. De toegestane maatschappelijke voorzieningen kennen maximaal een milieucategorie 2.

In een rustige woonwijk dient derhalve een afstand van 30 meter aangehouden te worden tot milieugevoelige functies als woningen. Voor de huidige functie kan worden aangegeven dat artsenpraktijk, klinieken en dagverblijven op basis van de VNG-richtafstandenlijst een milieucategorie 1 (SCBI-code 2008 8621, 8622, 8623) kennen. In dat geval geldt een richtafstand van 10 meter in een rustige woonwijk. De maatschappelijke functies die volgens het bestemmingsplan "Zuidwest" zijn toegetaan zijn op circa 8 meter van het plangebied gelegen. Hierdoor wordt ruim aan de gegeven richtafstand van 30 meter voldaan. De gronden met de bestemming 'Maatschappelijk' die vallen binnen het bestemmingsplan "Noord" zijn op een afstand van circa 30 meter gelegen. De functies die zich worst-case kunnen vestigen ter plaatse van de gronden met de bestemming 'Maatschappelijk', zijn in beide gevallen functies met een milieucategorie 2. De richtafstand van 30 meter dient dus voor beide gronden in acht te worden genomen. Deze richtafstand geldt vanaf de perceelsgrens tot aan de gevel van woningen. De nieuwe woningen zijn niet beoogd binnen de richtafstand van de bestemming 'Maatschappelijk' (zie ook figuur 5.3).

Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord

Pagina | 55

Figuur 5.3 Richtafstanden omliggende gronden met bestemming 'Maatschappelijk'

Conclusie Gezien de ruime afstand van de beoogde woningen tot nabijgelegen functies vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan. 5.1.5 Duurzaamheid Toetsingskader De energietransitie neemt binnen de duurzaamheidagenda een prominente plaats in. Met het Klimaatakkoord van Parijs heeft Nederland zich verplicht de uitstoot van broeikasgassen in 2050 met 80 tot 95 procent te verminderen. Hierover zijn nadere afspraken gemaakt op de Nationale Klimaattop van 26 oktober 2016. In het SER Energieakkoord waren al afspraken gemaakt over de verduurzaming van de energievoorziening in Nederland tot 2020 respectievelijk 2023. Het gaat om energiebesparing en de toename van het aandeel hernieuwbare energie-opwekking. Nieuwbouwwijken worden in toenemende mate aangelegd zonder aardgasnet. De gemeente Voorschoten heeft voor duurzaamheid een Startnotitie Routekaart naar Verduurzaming Gemeentelijk Vastgoed Voorschoten. Inzicht in de wettelijke eisen en aanvullende mogelijkheden voor verduurzaming, in de termijnen waarbinnen aan eisen voldaan moet worden, en in hoe de gemeente hieraan kan voldoen is de doelstelling van deze notitie. De Routekaart moet de huidige wet- en regelgeving weergeven, en de ambitie uit het coalitieprogramma. Het advies per pand moet daarop gebaseerd zijn en op een zo groot mogelijke CO2-reductie per investering.

Na vaststelling van de startnotitie geeft de gemeente opdracht een routekaart op te stellen voor de verduurzaming van het gemeentelijk vastgoed. De routekaart is op dit moment nog niet in gebruik. Op basis van de startnotitie wordt gemotiveerd op welke manier het onderhavige plan voorziet in een zo groot mogelijke CO2-reductie. Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord

Pagina | 56

Relatie tot het plan Met de beoogde ontwikkeling, waarbij het plangebied wordt herbestemd tot woningbouw, wordt bijgedragen aan een duurzame gebiedsontwikkeling. De woningen worden gasloos uitgevoerd en gebouwd conform de strenge eisen uit het Bouwbesluit. Het plangebied is in de huidige situatie deels braakliggend. De beoogde ontwikkeling voorziet in een betere indeling van het gebied, met oog voor het groen op de locatie. De indeling van het plangebied is erop gericht een samenhang te creëren tussen de beoogde woningen en het groen en water dat voorkomt in en rondom het gebied. De huizen worden op een manier gesitueerd, zodat de doorkijk richting de Korte Vliet wordt gestimuleerd. Het groen wordt gebruikt om de woningen af te schermen van de beoogde 50 km/uur-weg door het plangebied. De groene tussenruimtes worden zowel gebruikt voor het afvoeren van hemelwater als voor het bieden van speelruimte voor kinderen. Conclusie In de verdere uitwerking van dit plan wordt aandacht besteed aan het klimaatadaptief ontwerpen van de woningen. 5.1.6 Geluidshinder Toetsingskader In het kader van de Wet geluidhinder liggen er zones rond wegen en spoorlijnen en gezoneerde industrieterreinen. Binnen een geluidzone moet bij het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen en zorggebouwen, onderzoek worden gedaan naar de optredende geluidbelasting.

Er wordt gelet op geluidshinder die wordt geproduceerd door wegverkeer, door treinverkeer en door omliggende industrieterreinen. Wegverkeerslawaai De Wgh biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de Wgh is beperkt tot een aandachtsgebied (een geluidszone) langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. Een andere beperking is dat de Wgh niet geldt voor 30 km/uur wegen en voor woonerven. Een eventueel noodzakelijke akoestische afweging wordt in dergelijke gevallen in het kader van de Wet ruimtelijke ordening gemaakt. Spoorweglawaai De Wgh biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van spoorweglawaai bij de aanleg/wijziging van spoorwegen of bij de bouw van woningen in de buurt van spoorwegen. De reikwijdte van de Wet geluidhinder (Wgh) is beperkt tot een aandachtsgebied (een geluidszone) langs spoorwegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. Industrielawaai De Wgh verplicht om industrieterreinen waarop lawaaiveroorzakende bedrijven zijn of kunnen worden gevestigd te zoneren. Bij de zonering worden primair de grenzen vastgelegd van het gebied waarbinnen de lawaaimakende bedrijven gevestigd mogen zijn.

Vervolgens wordt ten behoeve van het gezoneerde industrieterrein de zonegrens bepaald en vastgesteld. Het gebied binnen de zonegrens vormt het aandachtsgebied. De binnen het aandachtsgebied geldende wettelijke voorkeursgrenswaarde, dan wel de binnen de zone vastgestelde hogere waarden zijn bepalend voor de toelaatbaarheid van geluidproducerende activiteiten. Buiten de geluidszone mag de geluidsbelasting als gevolg van de bedrijven op het gezoneerde industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen. Beleid hogere waarden De gemeente Voorschoten volgt het Hogere Waardenbeleid van omgevingsdienst West-Holland. In hoofdlijnen staat het volgende beschreven in ‘Richtlijnen voor het vaststellen hogere waarden wet geluidshinder’, herziening 04-03-2013. Daarin zijn specifieke criteria geformuleerd voor het vaststellen van hogere waarden. Wanneer hogere waarden nodig zijn, Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord

Pagina | 57

dan zal hier rekening mee moeten worden gehouden. Verblijfsruimten en een buitenruimte dienen bij voorkeur zoveel mogelijk aan de minst belaste zijde te worden gesitueerd. Beoordeling

plangebied

Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een woningbouwlocatie in het plangebied. Dit betekent dat nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk worden gemaakt. Vanwege de ligging in diverse geluidzones van wegen en het spoor is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie ook bijlage 1. Wegverkeer Uit de berekeningen blijkt dat de geluidsbelasting Lden vanwege de Trompweg / Vijf Meilaan en de nieuwe weg op de woningen ten hoogste 55 dB respectievelijk 58 dB na aftrek bedraagt. Deze waarden overschrijden de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai. Er zijn hogere waarden nodig. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Uit de berekeningen blijkt dat de geluidsbelasting vanwege de wegen Leidseweg, Stevenshofdreef / Vinkweg / Haagweg Lden = 48 dB na aftrek bedraagt. Deze waarde voldoet aan de voorkeursgrenswaarde op een gevel van de geluidsgevoelige bestemming en is daarmee niet relevant. Railverkeer Uit de berekeningen blijkt dat de geluidsbelasting vanwege het spoor maximaal 59 dB bedraagt. Deze waarde is juist hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Er zijn vanwege railverkeer hogere waarden nodig. Hogere waarden Zowel ten gevolge van weg- als railverkeer zijn hogere waarden nodig: Trompweg / Vijf Meilaan: 45 woningen; 55 dB. Nieuwe ontsluitingsweg: 135 woningen; 58 dB. Railverkeer: 135 woningen; 59 dB.

Uit de voorgenomen verkaveling met grondgebonden woningen is beoordeeld of aan het hogere waarden beleid kan worden voldaan. De geluidsbelasting afkomstig van de Trompweg / Vijf Meilaan is hoger dan de voorkeursgrenswaarde en lager dan de maximale ontheffingswaarde. Voor woningen met een geluidsbelasting hoger dan 53 dB aan de zuidoostzijde van het plangebied moet worden gestreefd naar een stille zijde. Verblijfsruimten en een buitenruimte moeten zo veel mogelijk aan de minst belaste zijde zijn gesitueerd. Uit de voorgenomen verkaveling met grondgebonden woningen is af te leiden dat daaraan kan worden voldaan, bijvoorbeeld door de situering van een garage aan de woning. Daarmee kan een achtergevel worden afgeschermd. De geluidsbelasting afkomstig van de nieuwe weg is hoger dan de voorkeursgrenswaarde en lager dan de maximale ontheffingswaarde. De nieuwe weg wordt voorzien van een geluidsreducerende wegverharding om het geluidsniveau aan de bron zo veel mogelijk te beperken. In de voorgenomen verkaveling en het plan is rekening gehouden met de situering van bouwblokken en afstand tot de weg om hoge geluidsniveaus zo veel mogelijk te voorkomen. Desalniettemin hebben alle woningen die direct zicht hebben op de weg hebben een geluidsbelasting hoger dan 53 dB. Het betreft meest de voorgevels. Er moet worden gestreefd naar een stille zijde. Die is aan de achtergevel aanwezig.

Bij de woningen aan de westzijde van het plan is de achtergevel op de bovenste verdieping geluidsbelast vanwege het railverkeer. Aangezien de woningen op de achtertuinen zijn georiënteerd, zijn de buitenruimten en ook meerdere verblijfsruimten gelegen aan de minst belaste zijde. Dit blijkt uit de voorgenomen verkaveling. Bij het appartementengebouw zijn de buitenruimten zuidgeorienteerd. Dit omwille van de bezonning. Die zijde is geluidsbelast. Maatregelen aan het gebouw worden getroffen om bij de buitenruimte en gevel zoveel als mogelijk het geluidsniveau te verminderen. In het ontwerp zijn verdiepingshoge schermen aan de buitenruimten van de drie westelijke traveeën aangebracht. Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord

Pagina | 58

Vanwege railverkeer zijn met name de hoogste bouwlagen geluidsbelast. De onderste worden deels afgeschermd door de bebouwing. De geluidsbelasting is afkomstig van het spoor aan de westzijde. Gezien de oost-west oriëntatie van de woningen hebben deze alle een stille oostzijde voor wat betreft het railverkeerslawaai. Daarbij komt dat veelal de laagste verdieping aan de westzijde beperkt of niet geluidsbelast is. Opgemerkt wordt dat wanneer wordt uitgegaan van de rechtdoor-variant dat de geluidbelasting vergelijkbaar is en ook in dat geval wordt voldaan aan het gemeentelijke hogere waardenbeleid.

Conclusie De berekende geluidbelasting voldoet aan de eisen zoals gesteld in de Wet geluidhinder. Vanwege het overschrijden van de grenswaarde is het aanvragen van een hogere waarde noodzakelijk. Deze hogere waarde zal door de gemeente vastgesteld en gepubliceerd worden, zie ook bijlage 7. De ontwikkeling voldoet aan het gemeentelijke hogere waardenbeleid. Gezien voorgaande levert het aspect geluid geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling. 5.1.7 Luchtkwaliteit Toetsingskader De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. De wet vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005. Met name paragraaf 5.2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekende mate' precies inhoudt, staat in een Algemene Maatregel van Besluit (AMvB).

Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan drie procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'. Relatie tot het plan Voorliggend bestemmingsplan maakt ruim minder dan 1.500 woningen mogelijk waardoor het beoogd project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Hiermee voldoet voorliggend bestemmingsplan aan de Wet luchtkwaliteit. Goed woon- en leefklimaat december Op de kaartviewer van de NSL-tool (geraadpleegd op 18 december 2019) is te zien dat er plaatse van het plangebied de grootschalige achtergrondconcentraties in 2017 van stikstofdioxide NO2 23 µg/m3, van fijnstof PM10 19 µg/m3 en van fijnstof PM2,5 11 µg/m3 bedragen. De grenswaarde voor toetsing voor stikstofdioxide NO2 is 40 µg/m3, voor fijnstof PM10 40 µg/m3 en voor fijnstof PM2,5 25 µg/m3 de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie.

Wanneer de maximale bijdrage van het extra verkeer hierbij wordt opgeteld, zal de concentraties van zowel fijn stof als stikstofdioxide ruim onder de grenswaarden blijven. De verkeersaantrekkende werking van het tuincentrum is naar verwachting hoger dat de verkeersaantrekkende werking van de beoogde woningen.

Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord

Pagina | 59

Jaar

NO2 (µg/m 3)

PM10 (µg/m 3)

2017 23 19 Grens 40 40 waard e Tabel 5.1 achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied.

PM2, 5 (µg/ m3) 11 25

Conclusie Het milieuaspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van onderhavig bestemmingsplan. 5.1.8 Water Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat voor iedere ruimtelijk ontwikkeling moet worden omschreven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding; de Watertoets. Bij het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan of projectbesluit wordt bij de waterbeheerder (Hoogheemraadschap van Rijnland) advies en goedkeuring gevraagd op de opgenomen waterparagraaf. In hoofdstuk 2 staat het beleid van Hoogheemraadschap van Rijnland beschreven. In 2020 is een nieuwe Keur in werking getreden met daarbij behorende uitvoeringsregels. Rijnland gaat niet meer uit van een "nee, tenzij" aanpak, maar van een "ja, tenzij" aanpak. De Keur dient tevens ter invulling van de volgende doelstellingen, te weten: a. voorkomingen waar nodig beperkingen van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met; b. bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, en c. vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren.

Als Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Keurvergunning. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Beleidsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt. Voor werkzaamheden op en nabij de aanwezige waterkering zal contact moeten gezocht met het Hoogheemraadschap (www.Rijnland.net). Verharding onbebouwde gronden Binnen het beheersgebied van het hoogheemraadschap van Rijnland is het verboden om onbebouwde grond te verharden. Bij toename van verharding van de gronden is altijd een ontheffing van het Keur van het hoogheemraadschap van Rijnland noodzakelijk. Bij toename van verharding is compensatie in de vorm van extra oppervlaktewater noodzakelijk. Verder moet nieuw open water worden aangesloten op het bestaande watersysteem. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen.

Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengd rioolstelsel. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord

Pagina | 60

afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. Bij de uitwerking van de plannen, zal met dit beleid rekening gehouden moeten worden. Hemelwaterverordening Om voor drogere voeten te zorgen in Voorschoten wordt een nieuwe hemelwaterverordening vastgesteld. Doel is om wateroverlast in de gemeente te beperken en Voorschoten te beschermen tegen klimaatveranderingen. Wateroverlast treft de inwoners in delen van Voorschoten. Door het nemen van maatregelen om het milieu en de leefomgeving beter bestand te maken tegen de toekomst wordt de verordening vastgesteld. In de verordening worden regels opgenomen ten aanzien van het lozen van hemelwater bij het bouwen van bouwwerken en het uitvoeren van een werk wat leidt tot het aanleggen van nieuw verhard oppervlak. Daarnaast worden ook regels opgenomen voor het lozen van grondwater.” Relatie met het plan Het plangebied is erg nat en bij de bestaande bebouwing langs de Leidseweg is sprake van wateroverlast. Tijdens de planontwikkeling dient ingezet te worden op klimaatadaptie van het plangebied. Hierdoor kan water door extreme neerslag worden afgevoerd en is het plangebied bestand tegen exterme hitte en droogte.

Bij de verdere uitwerking van het plan wordt rekening gehouden met de regels die gelden voor het aanbrengen van verharding, het dempen van oppervlaktewater en het lozen van hemelwater. Zo zal 15% van het n de toename van verhard oppervlak moeten worden gecompenseerd door het graven van oppervlaktewater. Voor het dempen van oppervlaktewater geldt dat dit 100% moet worden gecompenseerd. Vanwege het toevoegen van verharding en het realiseren van extra oppervlaktewater en maatregelen die ervoor zorgen dat het hemelwater vertraagd kan worden afgevoerd zal een watervergunning worden aangevraagd. Opgemerkt wordt dat ten behoeve van de nadere uitwerking een geohydrologisch onderzoek wordt uitgevoerd. In nauw overleg met het hoogheemraadschap worden op basis van het geohydrologische onderzoek keuzes gemaakt omtrent de verdere uitwerking van het plan, zodat water over-/onderlast wordt voorkomen. Conclusie Het plan vormt daardoor geen belemmering voor het bereiken van de waterkwaliteitsdoelstelling. Ook vormt het plan geen risico voor de achteruitgang van de waterkwaliteit ter plaatse en is de beoogde bebouwing niet gelegen binnen een waterkering waardoor waterveiligheid hier geen rol speelt. 5.1.9 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten.

Op deze manier krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan de 'moederprocedure'. Dit is de procedure op grond waarvan de besluitvorming plaatsvindt, bijvoorbeeld de bestemmingsplanprocedure of een omgevingsvergunningsprocedure. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht dan wel een plan-m.e.r. plicht geldt indien de grenswaarden worden overschreden in geval van respectievelijk een besluit of een plan. Bij de m.e.r.-boordeling dient te worden beoordeeld in hoeverre er sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Kunnen belangrijke nadelige milieugevolgen worden uitgesloten, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. Voor elk besluit dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord

Pagina | 61

drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd in hoeverre belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Met het op 7 juli 2017 in werking getreden wijziging Besluit m.e.r. dient bij elk plan waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde een aanmeldingsnotitie te worden opgesteld. Relatie met het plan Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van maximaal 135 woningen en een nieuwe ontsluitingsweg mogelijk. Deze mogelijkheden moeten worden gezien als activiteiten (categorie D1.2 en D11.2) die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r: D1.2: De wijziging of uitbreiding van een weg bestaande uit vier of meer rijstroken, of verlegging of verbreding van estaande wegen van twee rijstroken of minder tot wegen met vier of meer rijstroken niet zijnde een autosnelweg of autoweg. D11.2. De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Een ontsluitingsweg is m.e.r.-beoordelingsplichtig op het moment dat het gaat om een weg met een tracélengte van 5 kilometer of meer.

Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Gezien de ontwikkeling niet boven de drempelwaarde van 5 kilometer of 2.000 woningen dan wel 200.000 m2 of meer bvo is gelegen, ligt het totale plan onder de drempelwaarden, waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht dan wel een planMER-plicht geldt (kolom 2). Op basis van Europese regelgeving dient een vormvrije-m.e.r.-beoordeling plaats te vinden. Doel van deze vormvrije-m.e.r.-beoordeling is het toetsen of een plan of besluit voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. De ontwikkelingen liggen niet in of nabij een gevoelig gebied, zoals de ecologische hoofdstructuur of een Natura 2000-gebied. Bovendien hebben de ontwikkelingen vanwege de beperkte omvang geen grote negatieve effecten op het milieu. Dit blijkt uit de milieuonderzoeken waarvan de resultaten beschreven zijn in voorliggend hoofdstuk van dit bestemmingsplan. Op grond van het bovenstaande is voorliggend bestemmingsplan niet m.e.r.-beoordelingsplichtig en daarmee ook niet m.e.r.-plichtig, zie ook bijlage 8.

Conclusie Het plangebied ligt niet in of nabij een gevoelig gebied, zoals de ecologische hoofdstructuur of een Natura 2000-gebied. Op grond van het bovenstaande is bestemmingsplan "Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord" niet m.e.r.-beoordelingsplichtig en daarmee ook niet m.e.r.-plichtig.

5.2

Overige aspecten

5.2.1 Cultuurhistorie en archeologie Cultuurhistorie Aan de noordzijde van het plangebied is sprake van een 'landgoedbiotoop, historisch landgoed' (zie ook paragraaf 2.4.2 ). Ontwikkelingen nabij historische landgoederen zijn gericht op verbetering en versterking van de kenmerken en waarden van het landgoed en het behouden of versterken van de relatie van het landgoed met zijn omgeving. Het plangebied overlapt de landgoedbiotoop minimaal. Ter plaatse van de overlapping worden geen woningen gerealiseerd, waardoor het zicht richting het landgoed niet wordt beperkt en de waarden niet worden aangetast. Aangezien het plan geen effect heeft op de landgoed- of kasteelbiotoop; de gronden die als zodanig zijn aangewezen blijven voor groen bestemd. Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord

Pagina | 62

In paragraaf 3.2 is de cultuurhistorische waarde van de schoorsteen met stookhuis aangeduid. Op grond van de `Kernkwaliteiten 6,7, en 8 ensembles' uit de structuurvisie Cultuurhistorie en de criteria uit bijlage 3 van de Kadernota erfgoed is de schoorsteen en het stookhuis beschermenswaardig. Bij de planvoorbereiding van dit bestemmingsplan is geconstateerd dat de schoorsteen feitelijk op een plaats staat waar een weg is beoogd. De positionering van deze weg is gebaseerd op stedenbouwkundige uitgangspunten die in 2007 voor deze herontwikkeling door de gemeenteraad zijn vastgesteld. Deze weg is heel belangrijk voor een goede ontsluiting van Voorschoten aan de noordzijde. De vraag is gerechtvaardigd of de schoorsteen verplaatst of herbouwd kan worden op een andere plek binnen het plangebied. Het slopen en weer opbouwen van de schoorsteen gaat zonder verlies van authenticiteit niet lukken. Vanuit het maatschappelijk belang van het realiseren van woningen en alles wat daarvoor nodig is, hebben we in de totale afweging van belangen moeten vaststellen dat behoud van de schoorsteen in het plan niet gaat lukken. Archeologie In het plangebied zijn bodemingrepen gepland aangezien nieuwe bebouwing mogelijk wordt gemaakt binnen het voorliggende bestemmingsplan. Door Hamaland Advies, is een archeologische bureauondenderzoek uitgevoerd, zie bijlage 3.

Daaruit volgt dat het plangebied in 2007 is onderzocht. Het plangebied maakte in de late prehistorie deel uit van het perimariene gebied, waar in talrijke geulen zoet water stroomde vanuit de Oude Rijn. Op de randen van die geulen vond bewoning plaats in de IJzertijd en Romeinse Tijd. In de Middeleeuwen werd over deze omgeving een kleidek afgezet, dat in latere tijd is verstoord door ‘afvletten’ van de klei voor de ten het noorden en oosten van het plangebied aanwezige steenovens. Wanneer in het plangebied de bodem nog intact gebleven is en er een ouder bodemniveau nabij een kreekbedding in de boringen wordt aangetroffen, is de kans groot dat er in het plangebied archeologische waarden aanwezig kunnen zijn, zoals in de Stevenhofjespolder, ten westen en de Boschhuizerpolder ten oosten van het plangebied. De meldingen in Archis3 geven weer dat er meerdere archeologische vindplaatsen in de buurt van het plangebied gelegen zijn. Daarbij zijn vooral resten de IJzertijd en de Romeinse tijd aangetroffen. Ook troffen veel onderzoeken een verstoorde bodem aan. De verwachtte bodemverstoringen onder de bestaande kassen en gebouwen, hebben een nog onbekende diepte. Eventuele archeologische resten, die dateren uit de Midden- en Late-IJzertijd, bevinden zich in de licht humeuze vegetatiehorizont, die zich bevindt tussen 90 cm en 120 cm beneden maaiveld.

Geadviseerd wordt om in het noordelijk deel van het plangebied (centrale deel van het huidige plangebied) een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van proefsleuven, wanneer de aanwezige kassen en verharding zijn verdwenen. Voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen te worden opgesteld dat getoetst wordt door de archeologisch adviseur van de gemeente. De exacte onderzoeksmethodiek voor het vervolgonderzoek dient vooraf in samenspraak met de archeologisch adviseur van de gemeente te worden bepaald. De archeologische waarden binnen het plangebied zullen worden beschermd middels het handhaven van de dubbelbestemming 'waarde - archeologie' in voorliggend bestemmingsplan. 5.2.2 Kabels, leidingen en straalverbindingen Planogisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig.

Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord

Pagina | 63

5.2.3 Mobiliteit en verkeer De belangrijkste ontsluitingsweg door het plangebied is de Leidseweg. Via deze weg wordt in noordoostelijke richting ontsloten naar Leiden. De gemeente Voorschoten heeft geen directe aansluiting op het rijkswegennet maar is bereikbaar via de provinciale wegen N447 en N448. Vanaf de N447 wordt binnen het plangebied via diverse wegen naar de woonwijken ontsloten. Ten aanzien van openbaar vervoer is binnen het plangebied langs de Trompweg een bushalte gelegen in de richtingen Voorschoten en Leiden. Door Sweco is een onderzoek uitgevoerd naar het aspect verkeer en parkeren, zie ook bijlage 6. Ten aanzien van het aspect verkeer kan op basis van de verkeersgeneratie voor de verkeersafwikkeling worden geconcludeerd dat er mogelijk doorstromingsknelpunten verwacht worden op de nieuwe ontsluitingsweg en de Trompweg Oost indien deze als wijkontsluitingsweg worden aangelegd, aangezien de gemiddelde belastingsgraad naar verwachting rond of boven de 0,8 ligt. De nieuwe onsluitingsweg zal ofwel volledig volgens de richtlijnen aangelegd moeten worden als wijkontsluitingsweg, of de functie van de weg en de daarbij behorende inrichting, moet worden opgeschaald naar een gebiedsontsluitingsweg, waarbij de weginrichting overeen dient te komen met de wegkenmerken benoemd die in Tabel 3 van bijlage 5 zijn opgenomen.

Aan voornoemde voorwaarde zal tijdens de verdere uitwerking van het plan invulling worden gegeven. Voor de overige wegen in de omgeving van het plangebied worden geen knelpunten verwacht. Kruispuntberekeningen uit de eerder opgestelde notitie ’Analyse verkeersafwikkeling kruispunt Leidseweg – Trompweg in Voorschoten’ (Sweco, 2019)’ geven aan dat zowel het kruispunt Leidseweg – Trompweg als het kruispunt Trompweg – Nieuwe ontsluiting – busbaan als voorrangskruispunt vormgegeven kunnen worden, zonder dat er knelpunten in de verkeersafwikkeling ontstaan. De huidige verkeerscijfers geven geen aanleiding om aan te nemen dat dit heroverwogen moet worden. De kruispuntberekeningen vormen een benadering voor de te verwachten afwikkelcapacteit tijdens spitsuren. De berekening van de parkeervraag laat zien dat er op basis van de CROW kencijfers (landelijk gemiddelden) tussen de 179 en 287 parkeerplaatsen nodig zijn, waarvan er in ieder geval 41 openbaar toegankelijk voor bezoekersparkeren moeten zijn. De eerder opgenomen 210,2 parkeerplaatsen vallen binnen deze bandbreedte en sluiten aan bij de karakteristiek van de gemeente Voorschoten. Dit kan als uitgangspunt gelden voor invulling van de parkeeropgave binnen het plan. Aangezien hierin kan worden voorzien vraagt het aspect parkeren verder niet om aandacht.

Conclusie De nieuwe ontsluitingsweg zal worden als aangelegd als een wijkontsluitingsweg of worden opgeschaald naar een gebiedsontsluitingsweg, waarbij de weginrichting overeen dient te komen met de daarbij behorende wegkenmerken. Ook zal worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Gezien voorgaande vraagt het aspect verkeer en parkeren niet om nadere aandacht. 5.2.4 Ladder Duurzame Verstedelijking/ Wonen In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen. Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Per 1 juli 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking gewijzigd. Wettelijk kader De ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Bro. Artikel 1.1.1. definieert relevante begrippen: bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord

Pagina | 64

behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Artikel 3.1.6 is per 1 juli 2017 gewijzigd, waarbij een aanpassing heeft plaatsgevonden van lid 2, 3 en 4. Meest relevant in dezen is de wijziging van lid 2 en 3, waarvan de tekst als volgt is komen te luiden: lid 2: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. lid 3: Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.

De beoogde ontwikkeling is een stedelijke ontwikkeling. Het bestemmingsplan beoogt immers een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waarin in woningbouw ter plaatse van huidige bebouwing van een tuincentrum én braakliggend terrein is voorzien, mogelijk te maken. Daarmee is de Ladder van Duurzame Verstedelijking van toepassing. Behoefte Met voorliggend bestemmingsplan waarbij maximaal 135 woningen gerealiseerd kunnen worden wordt voorzien in de behoefte aan woningen in Voorschoten en de regio. De woningbehoefte bestaat uit sociale woningen, middel dure woningen, dure woningen, appartementen voor starters en ouderen, geschakelde woningen en vrijstaande woningen. Voor het grootste gedeelte vangt Voorschoten de regionale woningbehoefte op binnen het stedelijk gebied. Er is in Voorschoten en regionaal behoefte aan het "groen-stedelijk" en "landelijk bereikbaar" woonmilieus. Deze behoefte wordt onder andere voorzien in het plangebied. Er worden vrijstaande/ twee-onder-één-kap woningen, grondgebonden woningen en sociale huurwoningen gerealiseerd. Geconcludeerd kan worden dat met voorliggend bestemmingplan de woningbehoefte binnen Voorschoten en de regio voldoende is aangetoond. Het bestemmingsplan voldoet hiermee aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord

Pagina | 65

Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze van bestemmen. In de eerste 2 paragrafen wordt daarbij een toelichting gegeven op het instrument 'bestemmingsplan' in het algemeen voor die personen die niet een dagelijks te maken hebben met bestemmingsplannen.

6.1

Plansystematiek

Dit bestemmingsplan is gericht op het planologisch mogelijk maken van woningbouw ter plaatse van de huidige Intratuinlocatie. De bestaande bebouwing wordt gesloopt en het bestaande gebruik wordt veranderd. Het bestemmingsplan is opgezet als planologisch kader voor het mogelijk maken van woningbouw. Het bestemmingsplan is flexibel van opzet vanwege de gewenste flexibiliteit ten aanzien van de situering van woningen. Wel zijn bepaalde randvoorwaarden vastgelegd. Dit is van belang aangezien in dit gebied de realisatie van woningen in een bestaand stedelijk gebied en de aanwezigheid van een landgoedbiotoop vraagt om een belangenafweging. Daarnaast wordt een nieuwe verkeerssituatie gerealiseerd als gevolg van dit bestemmingplan, waarbij als doel is gesteld de huidige Leidseweg te ontlasten. In het plan zijn de nodige flexibiliteitsbepalingen opgenomen. Hierbij gaat het met name om afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden. Hiermee kan tot op zekere hoogte wordt ingespeeld op veranderings- en ontwikkelingswensen en beloften van niet-ingrijpende aard en omvang. De bestemmingsplanregels zijn grotendeels in lijn met de regels zoals ze in de gemeente Voorschoten ook in andere plannen worden gehanteerd. Bestemmingsvlak

en bouwvlak

De bestemmingen bestaan in de meester gevallen uit twee vlakken: een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Het bouwvlak is een gebied dat op de verbeelding is aangegeven waarvoor de mogelijkheden om gebouwen te bouwen in de regels zijn opgenomen. Aanduidingen Op de verbeelding is gebruikgemaakt van twee verschillende aanduidingen: 1. maatvoeringaanduidingen: dit zijn aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik; op de verbeelding is sprake van maatvoeringaanduidingen ten behoeve van de bouwhoogten; 2. gebiedsaanduidingen: is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor specifieke regels gelden of waar nadere afwegingen moeten worden gemaakt. In alle gevallen gaan gebiedsaanduidingen vergezeld van een daarop betrekking hebbende regeling in de planregels; een voorbeeld uit dit plan betreft de aanduiding 'vrijwaringszone landgoedbiotoop'. Hierna wordt nader ingegaan op de delen van de juridische regeling in de planregels en, in voorkomend geval, op de verbeelding die enige nadere toelichting behoeven. Een bestemmingsplan bestaat uit 3 elementen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de plankaart. De toelichting De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht). Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid, de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effectrapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord

Pagina | 66

monumentale en / of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied: dat gebeurt in dat geval in het milieu-effectrapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wro (goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaarheid). Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie. Bijlagen bij de toelichting Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar. Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument. De planregels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1).

Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Deze begrippen zijn soms erg belangrijk voor een goed inzicht in de gebruiksmogelijkheden! Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2) bepaald; 2. Bestemmingsregels. In dit hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Als er dubbelbestemmingen zijn, worden die ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving, vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik. Ten slotte zijn (eventuele) omgevingsvergunningen voor het uitvoeren werkzaamheden of van een werk, geen bouwwerk zijnde opgenomen aangevuld met mogelijke wijzigingsbevoegdheden. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld; 3. Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter die gelden voor het hele plan.

Deze moeten daarom altijd goed gelezen worden vóórdat op basis van de bestemmingregels interpretaties worden verricht. Voorbeelden van algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, algemene procedurebepalingen maar ook regels met betrekking tot mogelijke binnenplanse afwijkingen (een binnenplanse afwijking is, zoals het woord het al zegt, een afwijkingsmogelijkheid van de regels in het bestemmingsplan zelf, dit in tegenstelling tot 'buitenplanse' afwijkingen). In de algemene regels kunnen erg belangrijke bepalingen zijn opgenomen! Controleer altijd het hoofdstuk Algemene regels als aanvulling op het bepaalde in hoofdstuk 2; 4. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel). Bijlagen bij de regels Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels. De verbeelding Op de verbeelding* worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals, bouwaanduidingen, bouwvlakken et cetera. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet mag. Belangrijk om te weten is dat sinds 2008 een digitaal bestand (een 'gml-bestand') leidend is. Dat

Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord

Pagina | 67

gml-bestand bepaald waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen et cetera. Een afgeleide van dat gml-bestand is bijvoorbeeld een pdf-bestand of een papieren kaart. Bij twijfel over een pdf-bestand of een papieren versie van de verbeelding geeft de gml de juridische doorslag!

6.2

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 Begrippen De begrippen die het bestemmingsplan gebruikt worden in dit artikel gedefinieerd. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel maakt duidelijk hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken worden gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. Artikel 3 Groen Omvangrijke groengebieden en structurerende groenelementen zijn bestemd als Groen. Het betreft een groenbestemming waar privétuinen niet zijn toegestaan. Met de groenbestemming wordt tevens voorkomen dat ter plaatse van deze bestemming vergunningsvrije bebouwing kan worden opgericht. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - parkeren' is tevens een parkeervoorziening. Een in-/uitrit is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - in-/uitrit' toegestaan. Artikel 4 Tuin De meeste voortuinen bij woningen (en in sommige gevallen ook zijtuinen) zijn bestemd als Tuin. Op grond van een specifieke regeling mogen binnen de bestemming erkers aan aangrenzende hoofdgebouwen worden toegestaan. Deze regeling is gebaseerd op het huidige gemeentelijke beleid. Artikel 5 Verkeer De erfontsluitingsweg heeft de bestemming Verkeer gekregen.

Naast de functie van ontsluiting zijn ook andere gebruiksfuncties op deze gronden toegestaan, zoals afval voorzieningen, straatmeubilair (bankjes, plantenbakken, etc.), groen, parkeervoorzieningen en water. Artikel 6 Water Waterpartijen van wezenlijke omvang of met een structurerende functie zijn als 'Water' bestemd. Artikel 7 Wonen - 1 De locaties waar niet-gestapelde woningen worden toegestaan zijn voorzien van een bestemming 'Wonen - 1'. Met het bouwvlak wordt aangegeven waar woningen zijn toegestaan. Artikel 8 Wonen - 2 De locaties waar niet-gestapelde en gestapelde woningen worden toegestaan zijn voorzien van een bestemming 'Wonen'. Met het bouwvlak wordt aangegeven waar niet-gestapelde woningen zijn toegestaan. Met een aanduiding is aangegeven waar gestapelde woningen mogelijk zijn. Om de gemeentelijke klimaatdoelen en duurzaamheidsdoelen door te laten werken in het bestemmingsplan is in artikel 7.5 en in artikel 8.5 een voorwaardelijke verplichting klimaatadaptiviteit en duurzaamheid opgenomen. In deze voorwaardelijke verplichting wordt verwezen naar het 'Inrichtingsplan klimaatadaptiviteit en duurzaamheid' in bijlage 3 bij de regels. Wonen is alleen toegestaan indien de direct op de woningen aansluitende openbare ruimte voldoet aan dat Inrichtingsplan (binnen vier jaar nadat de woonbebouwing is gerealiseerd).

In het ontwerp-bestemmingsplan is het Inrichtingsplan in bijlage 3 nog niet volledig uitgewerkt. In het vastgestelde bestemmingsplan moet dat wel het geval zijn. In het vastgestelde bestemmingsplan moet het Inrichtingsplan een optimaal concrete en toetsbare inhoud hebben gekregen.

Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord

Pagina | 68

Daarnaast is om de door de gemeenteraad aangenomen motie over natuurinclusief bouwen (d.d. 4 april 2019) door te laten werken in het bestemmingsplan in artikel 7.6 en in artikel 8.6 een voorwaardelijke verplichting over het realiseren van natuurinclusieve voorzieningen opgenomen. In deze voorwaardelijke verplichting wordt verwezen naar de 'Lijst natuurinclusieve voorzieningen' in bijlage 4 bij de regels. Het bouwen van woningen is alleen toegestaan indien in of aan de woningen natuurinclusieve voorzieningen zijn aangebracht zoals beschreven in die Lijst. In het ontwerp-bestemmingsplan is de Lijst in bijlage 4 mogelijk nog niet volledig uitgewerkt. In het vastgestelde bestemmingsplan moet dat wel het geval zijn.

Artikel 9 Waarde - Archeologie 5 (dubbelbestemming) Dit bestemmingsplan bevat een dubbelbestemming ter bescherming van archeologische (verwachtings-)waarden. Deze dubbelbestemming geldt in aanvulling op de enkelbestemming die ter plaatse van toepassing is. De mogelijkheden die op basis van de enkelbestemming geboden worden, krijgen op basis van de dubbelbestemming te maken met aanvullende voorwaarden die betrekking hebben op de bescherming van archeologische waarden. De dubbelbestemming verplicht daarbij het uitvoeren van archeologisch onderzoek voor specifieke werken en werkzaamheden. Afhankelijk van de resultaten van dit onderzoek kunnen de werken en werkzaamheden al dan niet worden toegestaan. Het stellen van aanvullende eisen, zoals het laten uitvoeren van de werkzaamheden onder begeleiding van een archeologisch deskundige, behoort eveneens tot de mogelijkheden. Artikel 10 Waterstaat - Waterkering (dubbelbestemming) In deze dubbelbestemming is het belang van beheer en onderhoud van de waterkering door het hoogheemraadschap geregeld. Op deze gronden is tevens de Keur van het Hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing. Artikel 11 Algemene aanduidingsregels Ten behoeve van de gronden die horen bij het landgoedbiotoop is een aanduiding 'vrijwaringszone 'landgoedbiotoop' opgenomen.

Hiermee worden geborgd dat de gronden zijn bestemd voor het beschermen, verbeteren en/ of versterken van de kenmerken en waarden van de landgoedbiotoop. Artikel 12 Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 13 Algemene bouwregels Dit artikel bevat een algemene regeling voor bestaande gebouwen en bouwwerken waarvan de maatvoering niet in overeenkomst is met de in onderhavig plan gestelde maten. Het artikel bepaalt voor deze bouwwerken dat de bestaande maten ter plaatse als afwijkende maximum maat mogen worden gehanteerd. Artikel 14 Algemene gebruiksregels Hoewel het gebruik van gronden en bouwwerken is geregeld in de Wro, zijn voor de duidelijkheid regels opgenomen over dit gebruik, zoals een algemeen verbod om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de bestemming of de bijbehorende regels. Artikel 15 Algemene afwijkingsregels Op basis van dit artikel kan het bevoegd gezag afwijken van het plan, voor zover het de aanleg van bouwwerken voor algemeen nut betreft. Daarbij voorziet het artikel in voorwaarden waaraan de afwijkingsbevoegdheid gebonden is.

Artikel 16 Parkeerregels Met het opnemen van dit artikel is geborgd dat wanneer in het kader van dit bestemmingsplan gebouwd kan worden dat bij het verlenen van een daartoe benodigde omgevingsvergunning de parkeernormen in acht moeten worden genomen. Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord

Pagina | 69

Artikel 17 Algemene procedureregels In dit artikel is de procedure vastgelegd die van toepassing is op situaties waarbij het college van burgemeester en wethouders als bevoegd gezag nadere eisen stellen op grond van dit bestemmingsplan. Het vormt daarmee een procedurele uitwerking van de 'nadere eisenregeling' zoals die voor de diverse bestemmingen is opgenomen. Artikel 18 Overige regels In de regels van een bestemmingsplan wordt in een (toenemend) aantal gevallen met verwijzing naar een (andere) wettelijke regeling een procedure, begrip en/of functie uit die andere regeling van toepassing verklaard. De van toepassing verklaarde wettelijke regeling geldt zoals deze luidt op het moment van de vaststelling van het bestemmingsplan door de raad. Wijziging van de wettelijke regeling na de vaststelling van het bestemmingsplan zou anders zonder Wro-procedure een wijziging van het bestemmingsplan met zich mee kunnen brengen. Artikel 19 Overgangsrecht en Artikel 20 Slotregel In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik, dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.

Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord

Pagina | 70

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1

Economische uitvoerbaarheid

Het voorliggende plan wordt op particulier initiatief gerealiseerd. Ten aanzien van de voorziene ontwikkeling is tussen gemeente en initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. De initiatiefnemer zal de gronden binnen het plangebied voor eigen rekening en risico bouw- en woonrijp maken. Daarnaast zijn afdoende bepalingen opgenomen over het kostenverhaal inzake de gemeentelijke inzet alsmede eventuele kosten als gevolg van planschadevergoedingen. De economische uitvoerbaarheid is daarmee verzekerd. Omdat het kostenverhaal middels de anterieure overeenkomst anderszins is verzekerd en geen noodzaak bestaat tot het opleggen van een tijdvak of fasering dan wel tot het stellen van eisen of regels, is het niet noodzakelijk een exploitatieplan vast te stellen. De economische uitvoerbaarheid is voldoende gewaarborgd.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening Het concept-ontwerpbestemmingsplan is naar verschillende instanties gestuurd voor het vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), te weten naar de provincie Zuid-Holland, de gemeente Leiden, het Hoogheemraadschap van Rijnland, Structin en de ODWH. Voor de provincie was er geen reden om inhoudelijk te reageren op het plan. Vanuit de gemeente Leiden is een projectleider aangewezen om in nader contact met Voorschoten te treden over het bestemmingsplan en de benodigde omgevingsvergunning voor het stuk ontsluitingsweg dat komt te liggen op Leids grondgebied. Op 29 juli 2020 heeft het Hoogheemraadschap aan de gemeentelijke projectleider aangegeven akkoord te gaan met de watercompensatieberekeningen. Ook voor het onderwerp Klimaatadaptatie is aandacht gevraagd. Hier zal tijdens het verdere uitwerking van plan zoveel mogelijk rekening mee worden gehouden. Aanvullend is op 18 september 2020 aangegeven het dat het hoogheemraadschap geen bezwaar heeft tegen het plan. Geadviseerd wordt om rekening te houden met wateroverlast bij hevige regenval binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan. De locatie staat in open water verbinding met het gebied ten zuiden van de Trompweg. Er mag geen afwenteling van (regen)water naar dit gebied plaatsvinden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=5bcc0ec1-16d3-4673-ae81-03118283fc03