Bijlage 4a Toelichting BP Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord
Tekst van het document
Door de beperkt beschikbare ruimte en de behoefte aan wonen en parkeren neemt de druk op het groen in en om het dorp toe. Om het groene dorpse karakter te behouden wordt er actie gevraagd. Door de trek naar de stad neemt de druk op het buitengebied toe. In combinatie met klimaatveranderingen wordt een kwalitatief hoogwaardige leefomgeving steeds belangrijker. Hier ligt een kans in het vergroten van draagvlak voor behoud en versterken van het buitengebied. Daarvoor dient te worden samengewerkt met inwoners, gebruikers, de eigenaren en beheerders van het buitengebied, maar ook met partners in de regio. De Korte Vliet is een belangrijke landschappelijke drager voor Voorschoten en de waterstructuur zou zo ontwikkeld moeten worden dat de relatie met het centrum beter herkenbaar en het water Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord
Pagina | 27
in de wijken beter beleefbaar is. De waarden en ambities van gemeente Voorschoten zijn vastgelegd op de bijbehorende visiekaart. Relatie tot het plan Het plangebied behoort volgens de visiekaart tot 'woonwijken' en 'projectgebieden uit evaluatie groenstructuurvisie bieden kan om hoofdgroenstructuur te versterken'. Daarnaast ligt het plangebied aan de Korte Vliet en is opgenomen dat ernaar wordt gestreefd om de ontsluiting ter plaatse van de Leidseweg te verbeteren.
Figuur 2.9 Uitsnede visiekaart plangebied Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord
De gemeente streeft ernaar om gevarieerde woonwijken te realiseren, waarbij (kwetsbare) doelgroepen niet worden geconcentreerd. Het plan voorziet in de realisatie van maximaal 135 woningen waarvan 20% van de woningen bestaat uit vrijstaande/twee-onder-één-kapwoningen, 25% van de woningen beschikbaar komen als sociale huurwoningen en 55% van de woningen bestaan uit grondgebonden rijwoningen. Hierbij wordt ook rekening gehouden met het behouden van het groene karakter door natuurlijke speelplaatsen te maken waarbij de openbare ruimte wordt ingericht voor het versterken van de wijkgroenstructuur. Op basis van de structuurvisie 'Voorschoten 2025 Groen, veilig en betrokken' heeft de nabij het gelegen de Korte Vliet een recreatieve functie. Het is wenselijk de Korte Vliet meer zichtbaar en beleefbaar te maken vanuit de wijken. Het plangebied krijgt een groen karakter en de doorkijk mogelijkheden van de bestaande bebouwing naar de Korte Vliet worden verbeterd door openingen tussen de beoogde bebouwing te behouden. Hiermee is het bestemmingsplan in overeenstemming met de gemeentelijke structuurvisie.
Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord
Pagina | 28
2.5.2 Woonvisie Voorschoten 2019-2022 De woonopgaven voor de gemeente Voorschoten zijn onlangs aangescherpt, enerzijds door vernieuwde ambitie voortkomend uit het Coalitieakkoord 2018-2022, anderzijds door gewijzigde beleidskaders als de landelijke Nationale Woonagenda, de aangescherpte provinciale Omgevingsvisie 2019 en de Regionale Woonagenda Holland Rijnland 2017. Minister Ollongren heeft in de Nationale Woonagenda 2018-2022 de ambitie uitgesproken om jaarlijks landelijk 75.000 woningen extra te willen realiseren tot 2025. De Woonagenda kent drie pijlers, te weten: 1. Versnellen en vergroten van het woningaanbod Om de woningbehoefte op korte termijn tegemoet te komen, moeten er de komende jaren meer woningen worden gebouwd en bestaande plannen worden versneld. Om daarnaast ook aan de toekomstige woningbehoefte te kunnen voldoen, moet er kritisch naar de plancapaciteit voor de lange termijn worden gekeken. 2. Betaalbaarheid Een woning moet passen bij de financiële mogelijkheden van mensen. Huishoudens met een laag inkomen en mensen die om andere redenen passende huisvesting kunnen vinden, mogen niet uit het oog verloren worden. Voor hen moeten voldoende betaalbare woningen beschikbaar zijn die ook betaalbaar blijven. De grote verduurzamingsopgave op de woningmarkt moet hand in hand gaan met die betaalbaarheid. 3.
Beter benutten bestaande voorraad Nieuwbouw alleen kan de grote woningbehoefte niet oplossen, daarom is het van belang om de bestaande voorraad zo goed mogelijk te benutten. Dit houdt mede verband met de ambitie om het aanbod te vergroten: op regionaal niveau dient voldoende aandacht te zijn voor een goede balans tussen gereguleerde huur, middenhuur, middeldure koop en koopwoningen en kwalitatieve kenmerken van woningen die goed aansluiten bij de vraag. In de Woonvisie is opgenomen dat het in Voorschoten voornamelijk van belang is om in te zetten op het versnellen van de woningbouwproductie. Daarnaast zijn de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de voorgaande woonvisie als volgt: Het percentage voor de sociale huursector bedraagt 25%. Waarbij kwalitatief bijbouwen voor jongeren een speerpunt is. Er moeten circa 150 sociale huurwoningen extra toegevoegd worden aan het woningbouwprogramma bovenop de huidige plancapaciteit c.q. woningbouwprogrammering. Voorschoten wil energieneutraal zijn in 2030. Voorschoten wil vernieuwde woonconcepten uitwerken die bijdragen aan het huisvesten van de jongeren, kwetsbare doelgroepen en ouderen. Waarbij een kwaliteitsslag voor ouderen een speerpunt is. De gemeente Voorschoten heeft in aanvulling op de Woonvisie een motie natuurinclusief bouwen aangenomen.
Met natuurinclusief bouwen wordt bedoeld dat bij het bouwen van woningen natuur wordt geïntegreerd. Dit kan bijvoorbeeld door het creëren van groen rond en tussen de woningen. Hiermee wordt het leefklimaat voor vogels, vleermuizen en insecten versterkt. Ook kan worden ingezet op versterking van de biodiversiteit. Relatie tot het plan Met het toevoegen van 135 woningen wordt het woningaanbod in Voorschoten vergroot. De woningtypologiën bestaan uit vrijstaande/ twee-onder-één-kapwoningen, rijwoningen en sociale huurwoningen. Aangezien er 25% van de woningen beschikbaar wordt gesteld ten behoeve van de sociale huursector is rekening gehouden met de betaalbaarheid en wordt de wijk toegankelijk gemaakt voor de verschillende doelgroepen. Geconcludeerd kan worden dat het plan passend is bij de uitgangspunten van de Woonvisie 2019-2022. Het plan voorziet daarnaast is de realisatie van een wijk met veel groen en ruimte voor de versterking van de biodiversiteit. De huizen zijn op zodanige wijze beoogd, dat ruimte ontstaat voor het creëren van groene tussenruimtes. Daarnaast wordt de doorkijk naar de Korte Vliet Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord
Pagina | 29
gestimuleerd. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met de aangenomen motie voor het natuurinclusief bouwen in Voorschoten. 2.5.3 Nota archeologie Conform de herziene Monumentenwet dienen gemeenten het archeologische belang mee te wegen in ruimtelijke projecten vanaf 100 m2. Omdat gemeenten ook andere belangen te behartigen hebben, zoals economie, landbouw, wonen en infrastructuur, biedt de wet gemeenten daarbij wel beleidsruimte. Om deze taak goed te kunnen uitvoeren heeft de Gemeente Voorschoten in samenwerking met de gemeenten Leidschendam-Voorburg en Wassenaar archeologie beleid ontwikkeld en vastgesteld in 2009. In 2014 heeft de gemeente Voorschoten haar archeologiebeleid herijkt in de 'archeologie nota herijking 2013'. De Nota archeologie geeft een globaal overzicht van het archeologische erfgoed van de pactgemeenten en de beleidsregels ten aanzien van de omgang met het archeologische bodemarchief worden geformuleerd. De archeologische beleidskaart toont de globale archeologische waarde en verwachting per (soort) gebied met de daarbij behorende beleidsregels. Relatie tot het plan Voor het plangebied geldt op basis van de Archeologische beleidskaart herijking 2013 een hoge archeologische verwachting. In het vigerende bestemmingsplan heeft het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - archeologie - 5' meegekregen.
Dit betekent dat op deze gronden slecht kan worden gebouwd, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en voorafgaande aan de bouwwerkzaamheden een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. De archeologische waarden binnen het plangebied zullen worden beschermd middels het handhaven van de dubbelbestemming 'Waarde archeologie - 5' in voorliggend bestemmingsplan.
Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord
Pagina | 30
Figuur 2.10 Uitsnede: Nota archeologie herijking 2013 2.5.4 Erfgoedverordening Voorschoten 2016 2.5.4. Gemeentelijk beleid inzake cultureel erfgoed Het gemeentelijk monumentenbeleid heeft zich sinds 1988 geleidelijk ontwikkeld tot een integraal erfgoedbeleid, dat zich niet alleen richt op de gebouwde objecten, maar ook op archeologie, stedenbouw en het cultuurlandschap, inclusief het daarbij behorende 'groene erfgoed'. Hierdoor is inmiddels een onlosmakelijke relatie met het ruimtelijk beleid ontstaan. Het doel van het erfgoedbeleid is om op een zorgvuldige en afgewogen wijze het cultuurhistorische erfgoed in een goede staat door te geven aan volgende generaties, zodat ook zij daar voor hun toekomst op kunnen voortbouwen en het kunnen blijven zien, beleven en ervaren. Op 21 november 2013 heeft de gemeenteraad de Kadernota Erfgoed 2013- 2017 vastgesteld. De Kadernota Erfgoed bevat de visie van Voorschoten waarin zij stelt dat zij haar cultuurhistorische kwaliteiten van wezenlijk belang vindt voor de ruimtelijke en sociale identiteit en de herkenbaarheid van de gemeente. Doelstelling van deze kadernota is richting geven aan het integrale beleid op het gebied van monumenten, cultuurhistorie, landschap, stedenbouw en archeologie.
Op basis van de kadernota wordt: uitvoering gegeven aan Erfgoedverordening door selectie en aanwijzing gemeentelijke monumenten Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord
Pagina | 31
uitvoering gegeven aan Archeologienota en opstellen beleidskaart Archeologie (zie par. 2.5.3). uitvoering gegeven aan borging van cultuurhistorische waarden in de ruimtelijke ordening door het opstellen van een Structuurvisie Cultuurhistorie. Bijlage 3 van de kadernota geeft een toelichting op het bepalen van cultuurhistorische waarden en de criteria die daarbij worden gehanteerd. Gelijktijdig met de kadernota is de structuurvisie Cultuurhistorie 2013-2028 door de raad vastgesteld. De Structuurvisie Cultuurhistorie vormt een afwegingskader voor beleid en ontwikkelingen op het gebied van ruimtelijke ordening van cultuurhistorie. Deze visie sluit aan bij het bestaande beleid van de gemeente en hogere overheden. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de algemene Erfgoedvisie die er op is gericht dat er op een zorgvuldige en afgewogen wijze met het cultureel erfgoed wordt omgegaan. De structuurvisie beschrijft een aantal cultuurhistorische kernkwaliteiten, die vertaald zijn in een aantal structuren. Het gaat daarbij om het water, groen en de gebouwde elementen en structuren en voorzien van beleidslijnen. Deze beleidslijnen zijn de richtlijnen ontwikkeling en uitvoering van ruimtelijke plannen binnen de gemeente. Relatie tot het plan De paragraaf `Kernkwaliteiten 6,7, en 8 ensembles' beschrijft de bollen en tuinderscultuur in Voorschoten.
De ontwikkellocatie en dan met name de schoorsteen met stookhuis worden in de kernkwaliteiten specifiek benoemd. Wij verwijzen hiervoor naar hoofdstuk 3 analyse. 2.5.5 Groenstructuurvisie De Groenstructuurvisie heeft betrekking op al het groen binnen de bebouwde kom van Voorschoten. Het geeft een visie op het openbare groen dat in beheer is van de gemeente en doet uitspraken over de beeldbepalende groengebieden die in beheer zijn van particulieren. De groenstructuurvisie heeft de volgende doelen: 1. Bepalen van de gewenste kwaliteit van het groen en de daarmee samenhangende structuren en routes; 2. Behouden en ontwikkelen van een duurzame groenstructuur en waterstructuur die aansluit op de cultuurhistorische, landschappelijke en architectonische waarden; 3. Bieden van een beleidskader voor de beheerkwaliteit, honden in de openbare ruimte, spelen in het groen en de verkoop van groen aan particulieren; 4. Doen van voorstellen en geven van richtlijnen voor de verbetering van de inrichting van het openbaar groen in parken, groenzones en woonomgeving. De 'groene zoom' aan de Korte Vliet dient behouden te worden. Het is de bedoeling dat deze groene zoom wordt versterkt en beleefbaar blijft. Relatie tot het plan De indeling van het plangebied is erop gericht een samenhang te creëren tussen de woningen en het groen en water dat voorkomt in en rondom het gebied.
Voor de indeling van het plangebied wordt gekeken naar manier om de biodiversiteit in het gebied te behouden en te verrijken. Het groen dat in de huidige situatie aanwezig is wordt voor een deel verwijderd om ruimte te bieden aan de ontsluitingweg en de woningen. In het resterende gebied wordt echter weer groen gerealiseerd. De woningen wordt gesitueerd op een manier waarop doorkijk richting de Korte Vliet wordt gestimuleerd. De 'groen zoom' langs de Korte Vliet blijft daarmee behouden en wordt aangesloten op het plangebied. In de tussenruimten wordt groen gebruikt als speelruimte voor kinderen en voor het afvoeren van hemelwater. Voorliggend bestemmingsplan voldoet hiermee aan de doelen die zijn genoemd in de Groenstructuurvisie.
Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord
Pagina | 32
2.5.6 Speelruimtebeleid Het gemeentelijk beleid inzake openbare (buiten)speelplaatsen voor kinderen is beschreven in het speelruimteplan 'Buiten spelen, echt wel – beleidsplan voor en analyse van speelruimte' (2009). Eén van de beleidsuitgangspunten is dat toekomstige bestemmingsplannen en stedenbouwkundige plannen worden getoetst aan de visie en normen van speelruimte. Daarin wordt per wijk doelen geformuleerd. Relatie tot het plan De locatie is gelegen in de wijk Noord Hofland. In het speelruimteplan staat dat in deze wijk veel kleine speelplekken aanwezig zijn die minimaal gebruikt worden. Geadviseerd wordt om enkele centrale plekken te creëren met genoeg uitdaging. Daarbij is het streven dat 3% van de openbare ruimte geschikt is als speelruimte. In bijlage VI behorend bij het speelplan is een standaard programma van eisen opgenomen. Het plan voorziet in het realiseren van speelruimte voor kinderen. De groene tussenruimtes fungeren als (natuurlijk) speelgebied voor kinderen. 2.5.7 Welstandsnota 2008 De welstandsnota is een document waarin de uitgangspunten voor het welstandstoezicht en alle welstandcriteria zijn opgenomen. Het welstandsbeleid is opgesteld vanuit de overtuiging dat de lokale overheid het belang van een aantrekkelijk gebouwde omgeving dient te behartigen.
De gevels van gebouwen en andere bouwwerken vormen samen de dagelijkse leefomgeving van de mensen in Voorschoten. Met het welstandsbeleid wil de gemeente streven naar het behouden en waar nodig versterken van de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten. Daarnaast is het doel om een proactief, begrijpelijk en controleerbaar welkstandstoezicht in te richten en om opdrachtgevers en ontwerpers in een vroeg stadium te informeren over de criteria die bij de welstandsbeoordeling een rol spelen. In figuur 2.11 is een kaart opgenomen waarop de gebiedsindeling van het welstandbeleid is te zien. Onderscheid wordt gemaakt tussen 7 gebieden. Voorschoten karakteriseert zich door een tweeledig landschap (open weidegebieden versus gesloten landgoederen), een lintstructuur, het dorpscentrum en de omliggende woonwijken. Het typerende van de kern is de waardevolle cultuurhistorische bebouwing en een diversiteit aan bebouwing en stijlen in het bebouwingslint. De aangrenzende planmatige woonwijken daarentegen worden gekenmerkt door samenhang en het tijdsbeeld van de periode waarin de wijken zijn ontwikkeld. In de welstandsnota zijn zowel gebiedsgerichte als objectgerichte welstandscriteria opgenomen.
Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord
Pagina | 33
Figuur 2.11 Uitsnede gebiedsdifferentiatiekaart Voorschoten
Relatie tussen bestemmingsplan en welstandsbeleid Het plangebied is gelegen in gebied 10 (figuur 2.8) 'Bedrijventerreinen en grootschalige voorzieningen'. Dit gebied kenmerkt zich door afwisseling tussen grootschalige en kleinschalige bebouwing met daartussen een beperkte openbare ruimte. Aangezien het plan voorziet in de realisatie van woningen, verandert het gebied in een woongebied dat aansluit op de reeds aanwezige lintstructuur. Aangezien een met voorliggend bestemmingsplan een woongebied mogelijk wordt gemaakt zal ook aan de daarvoor van toepassing zijnde welstandscriteria moeten worden voldaan. Het bestemmingsplan en de welstandsnota functioneren naast elkaar. Het bestemmingsplan regelt onder meer de functie en het ruimtebeslag van bouwwerken. Datgene wat door het bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt kan niet door welstandscriteria worden tegengehouden. De architectonische vormgeving van bouwwerken valt buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan. De welstandsnota doet daar uitspraken over. De ruimte die het bestemmingsplan biedt kan door de welstandscriteria gebruikt worden ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit. Als een bouwplan voldoet aan het bestemmingsplan, maar het ontwerp te sterk afbreuk doet aan de ruimtelijke beleving van het gebied, kan een negatief welstandsadvies gegeven worden. Voorwaarde is dan wel dat de welstandsnota daartoe de argumenten levert.
Deze argumenten zijn vastgelegd in de zogenaamde objectgerichte en gebiedsgerichte criteria. Voor woongebieden 'Woonwijken 1990-heden' geldt een regulier welstandsniveau. De volgende welstandscriteria zijn geformuleerd. Ligging in de omgeving
Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord
Pagina | 34
Streven naar een verzorgde en samenhangende vormgeving van erfafscheidingen; De gestapelde bebouwingselementen hebben door de vrije positionering een alzijdige oriëntatie. Hiermee dient rekening te worden gehouden met ontwikkelingen aan en/of bij deze bouwblokken; Bij (vervangende) nieuwbouw dient de bebouwing te worden gepositioneerd in de rooilijn; Behouden van het karakter van (half)open woonblokken met een vrijwel gesloten wandwerking aan de openbare ruimte; Relatie met eventueel aanwezige aangrenzende polderlandschap behouden, (nieuwe) bebouwing/bouwwerken mogen deze visuele relaties niet verstoren. Massa en vorm van het gebouw Bebouwing afstemmen op de bouwhoogte, -massa en kapvorm, zadeldak of schilddak, van de belendende bebouwing. Vormgeving van gestapelde bebouwing aanpassen op aangrenzende lage bebouwing door verticale gevelgeleding en een teruggelegen bovenste bouwlaag en een platdak. Bij renovatie of (vervangende) nieuwbouw is het van belang te streven naar inpassing tussen de bestaande bebouwing en dient het bouwwerk zich te conformeren aan de bouwstijl en materialisering van de bebouwing in het bouwblok; Bij woningblokken, die één stedenbouwkundig geheel vormen, dienen toevoegingen per woning ondergeschikt te zijn aan de hoofdstructuur van het blok en de ritmiek niet te verstoren.
Een eenmaal toegevoegde uitbreiding aan de woning is in beginsel de standaard uitvoering voor de overige woningen in het blok. Dit om de samenhang van elk blok woningen te waarborgen; Voor vrijstaande woningen geldt: hoe dichter de woningen op elkaar komen te staan, hoe meer samenhang tussen het uiterlijk van de verschillende ontwerpen dient te worden aangebracht. Dit houdt in : samenhang in vorm en kleur van de dakvlakken, in goothoogtes, in het al dan niet aanbrengen van een schuin dak op een aanbouw, samenhang in de kleur van de eventuele gevelsteen, en meer algemeen samenhang in schaal en maat en in vorm en silhouet van de woningen. Detaillering van het gebouw Behouden van de overwegende horizontale gevelgeleding; Vormgeving en materialisering van de gevels en dakvlak afstemmen op de belendende bebouwing, streven naar zorgvuldig en duurzaam materiaalgebruik; Bakstenen, in Beukenrode gele baksteen. Dakbedekking van donkere dakpannen; Gevelaccenten kunnen worden voorzien van een afwijkende kleur mits toegepast in het gehele bouwblok. Tegengaan van sterk met de omgeving contrasterende kleuren. Criteria voor kleine bouwwerken Voor toetsing an bouwaanvragen die vallen onder de zogenaamde veel voorkomende kleinere bouwwerken wordt verwezen naar de sneltoetscriteria.
Bij nieuwe ontwikkelingen die binnen het bestemmingsplan passen, is het welstandsaspect via het reguliere vergunningentraject geregeld.
2.5.8 Verkeersplan 2017 gemeente Voorschoten De gemeente Voorschoten streeft er naar de ideale woon- en leefomgeving te zijn en te blijven. Veiligheid, leefbaarheid en bereikbaarheid vormen elementen die hier in belangrijke mate aan bijdragen. In het verkeerbeleid richt de gemeente zich op het verbeteren van: 1. Verkeersveiligheid 2. Leefbaarheid 3. Bereikbaarheid Bereikbaarheid mag hierin niet ten koste gaan van de leefbaarheid en de veiligheid. In dit te voorkomen wordt daarom de onderstaande volgorde hanteerd: 1. Verkeersveiligheid: aandacht voor langzaam verkeer, primaat bij de voetganger, inrichten volgens principes van Duurzaam Veilig Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord
Pagina | 35
2. Leefbaarheid: duurzaamheid en toegankelijkheid 3. Bereikbaarheid Het beleid ten aanzien van het autoverkeer is erop gericht de bereikbaarheid van en vanuit Voorschoten zo goed mogelijk te faciliteren, zonder dat Voorschotense wegen een aantrekkelijk alternatief worden voor doorgaand autoverkeer tussen omliggende plaatsen. In het verkeerplan komt naar voren dat het noordelijk gebied van de Leidseweg niet goed functioneert. De Leidseweg is in het wegencategoriseringsplan niet aangewezen als een wijkontsluitingsweg, maar functioneert in de praktijk nog wel als zodanig. Er geldt ter plaatse een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur en de huidige inrichting met asfaltverharding leent zich niet voor een verlaging naar 30 kilometer per uur. Relatie tot het plan In het verkeersplan is al rekening gehouden dat bij de herinrichting van het plangebied een nieuwe mogelijkheid gezocht moet worden voor de Leidseweg. Onderdeel van het plan is de realisatie van een nieuwe weg die door het plangebied heen loopt. Hierdoor kan de belasting op de huidige Leidseweg afnemen. Het plan past binnen de uitgangspunten van het verkeersplan.
2.6
Conclusie
De diverse beleidsnota's geven aan dat voor het onderhavige gebied een ontwikkeling wordt voorgestaan waarin de cultuurhistorische, recreatieve en landschappelijke kwaliteit van het gebied wordt versterkt. De ontwikkeling zoals beoogd met dit bestemmingsplan is in overeenstemming met de beleidskaders van de rijksoverheid en de provincie Zuid-Holland. Daarnaast is het in lijn met het gemeentelijk beleid.
Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord
Pagina | 36
Hoofdstuk 3 Analyse
3.1
Ontstaansgeschiedenis
Het dorp Voorschoten is in de Middeleeuwen ontstaan op een smalle maar lange strook oude binnenduinen. De oude binnenduinen zijn omstreeks 3500 v. Chr. ontstaan en liggen op een standwal. In grote lijnen maakt de strandwal van Voorschoten onderdeel uit van een drietal strandwallengordels die min of meer parallel aan de huidige kust lopen. De strandwal van Voorschoten is de oostelijke en de oudste van de drie. Al ruim 5000 jaar is er bewoning op de oostelijke strandwal mogelijk, dit wordt ook bevestigd door verschillende archeologische vondsten in Voorschoten en omgeving. De strandwal wordt aan de westzijde begrensd door een veengebied, aan de oostzijde door de Korte Vliet. Ten noorden van Voorschoten heeft de Oude Rijn de strandwallen structuur doorsneden en heeft hier een kleipakket en een oeverwal afgezet.
3.2
Eigenschappen plangebied
Het plangebied is gelegen in een entreegebied van de gemeente Voorschoten en vormt een overgang vavnuit een stedelijk gebied (Leiden) naar een gebied met en dorps karakter. Het gebied waar dit bestemmingsplan betrekking op heeft, betreft een deel van de wijk Noord-Hofland waar zich voornamelijk woonfuncties bevinden. De wijk is gelegen in het noordelijke deel van de gemeente Voorschoten. Het plangebied wordt fysiek begrensd door de Korte Vliet in het oosten en de lintbebouwing aan het noordelijk deel van de Leidseweg in het westen. Aan de zuidzijde vormt de Trompweg de begrenzing en aan de noodkant bevindt zich de gemeentegrens met Leiden. Het plangebied vormt de meest noordelijke entree van Voorschoten. De Leidseweg vormt de noordelijke verbinding met de gemeente Leiden.Deze verbinding vormt samen met de meer zuidelijk gelegen Voorschoterweg de enige mogelijkheid voor gemotoriseerd verkeer om zich vanuit Leiden direct te verplaatsen naar Voorschoten. De andere noordelijke verbinding met de gemeente Leiden loopt via de Trompweg en de Hoflandbrug maar is alleen toegankelijk voor bussen, fietsers en voetgangers. Hoewel alleen de woningen aan de westzijde van het plangebied aan het plangebied grenzen, dient er bij de ontwikkeling rekening worden gehouden met de bebouwing aan de andere zijde van de Korte Vliet.
Door de openheid van de Korte Vlietzone heeft deze bebouwing namelijk een directe relatie met het plangebied. De Korte Vlietzone is in de huidige situatie, mede door zijn autoluwheid, een recreatieve zone voor fietsers en voetgangers.
3.3
Eigenschappen bebouwing
De bebouwing aan de westzijde van het plangebied is kleinschalig. De woningen bestaan uit twee lagen en een kap grenzen direct aan het gebied. Op de Leidseweg 544 na zijn alle woningen binnen deze rij een gemeentelijk monument. Meer in het westen ligt bebouwing met een heel divers verkavelingspatroon. Diverse monumentale panden (boerderijen en een landhuis) worden hier afgewisseld door vrijstaande- en rijtjeswoningen. Ten oosten van het plangebied, aan de overkant van de Korte Vliet, bevindt zich in meerdere mate grootschalige bebouwing. Aan de noordkant zijn hier vier woontorens terug te vinden van ongeveer 6 lagen hoog. Deze woontorens worden afgewisseld door groene tussenruimtes van ongeveer 25 meter breed waardoor er een zekere mate van openheid ontstaat tussen de bebouwing. Vanwege de afwezigheid van objecten tussen deze woontorens en de Korte Vliet kijken de bewoners van deze torens direct uit op het plangebied en vice versa. Meer zuidelijk is een groot complex terug te vinden van twee en drie lagen hoog. Deze bebouwing kenmerkt zich Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord
Pagina | 37
door één lange wand zonder verspringingen. In tegenstelling tot de woontorens waar er geen sprake is van objecten tussen de bebouwing en de Korte Vliet, is dit complex over zijn volledige breedte afgeschermd door bomen. Ten zuiden van het plangebied, aan de overzijde van de Trompweg, bevindt zich een woonwagenstandplaats. Echter, vanwege het talud van de Trompweg en de groenelementen op dit talud is deze standplaats vanaf het plangebied niet zichtbaar.
3.4
Cultuurhistorie
Van oudsher zijn de boerderijen aan dit gedeelte van de Leidseweg gelegen aan de zuidzijde. De gronden tussen de Leidseweg en de Korte Vliet hebben eeuwenlang een agrarische bestemming gehad. De woningen aan de Leidseweg (grenzend aan het plan gebied) stammen allemaal uit het einde van de 19e en begin van de 20e eeuw zijn op een enkeling na allen aangewezen als gemeentelijk monument. De tuinderscultuur met haar kassen heeft haar oorsprong kort voor 1900. De zandgrond bleek uitermate geschikt voor het telen van planten. De tuinders hadden hun plantenbedden in de volle grond en op het terrein was slechts een enkele kas. De kassen werden gestookt met kolen en hout en waren voorzien van een hoge schoorsteen, zoals aan de Veurseweg 177 en 235 en de Leidseweg bij 518. In de kassen werden de warmteminnende planten gezet om te overwinteren en ze werden gebruikt voor het uitzetten van jonge zaailingen. Naarmate de bedrijfstak groeide en de soorten gevarieerder werden, werd ook de bebouwing op het terrein uitgebreider. Op het terrein werden rijen grote kassen geplaatst voor het kweken van tropische plantensoorten. Deze kleinschalige tuinderscultuur heeft een kenmerkende rol gespeeld in de economische groei en de ontwikkeling van Voorschoten. In 2020 zijn er in Voorschoten 3 schoorstenen of delen daarvan.
De Schoorsteen aan de Leidseweg 518 is opgetrokken van gebakken radiale stenen , heeft een voet en een stookgat, maar is afgetobd. Het stookhuis (kas) is nog aanwezig. Deze schoorsteen bevindt zich op de parkeerplaats van Intratuin. Het kassen complex grotendeels gesloopt t.b.v. een parkeerplaats voor Intratuin. Welke is gevestigd in een warenhuis. De huidige schorsteen is gebouwd in 1958 ter vervanging van een asbestcement schoorsteen.
3.5
Ontwikkelingen
De ontwikkelingen ter plaatse van de "Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord" hebben als doel het plangebied een nieuwe functie te geven. Het voornemen is om de locatie te ontwikkelen tot een woongebied met een groene structuur. Het plangebied heeft door de ligging nabij de Leidseweg de mogelijkheid de ontsluiting met de gemeente Leiden en het centrum van Voorschoten te optimaliseren. Het herontwikkelingsplan omvat dan ook het optimaliseren van de ontsluiting via de Leidseweg door een nieuwe wijkontsluitingsweg te realiseren. Deze we loopt door het plangebied. De fiets- en voetgangersroute langs de Korte Vliet heeft op dit moment nog geen aansluiting op het plangebied, maar deze verbinding zal ook worden gerealiseerd. Door de ligging aan het water van de Korte Vliet biedt de herontwikkeling de mogelijkheid om de doorkijk richting het water te verbeteren, waarbij in de wijk mogelijkheden worden gerealiseerd om te recreëren langs de Korte Vliet. De herontwikkeling is daardoor een belangrijk pijler voor de uitstraling van het noordelijk gebied in Voorschoten. Opgemerkt wordt dat ook het ten zuiden gelegen gebied van onderhavig plangebied de ontwikkeling van woningbouw is voorzien. Zodra deze ontwikkeling concreet genoeg is zal hiervoor een separate procedure worden doorlopen.
Bij de verdere uitwerking van onderhavig plan zal zoveel als mogelijk rekening worden gehouden met deze ontwikkeling en vice versa.
Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord
Pagina | 38
Hoofdstuk 4 Planbeschrijving
4.1
Ruimtelijke structuur
De ruimtelijke opbouw van het gebied en de inrichting dienen aan te sluiten op de ruimtelijke kwaliteiten van de omgeving zoals de aanwezigheid van de Korte Vliet, de nabijheid van de vele kleinschalige monumentale bebouwing en het groene karakter. Met woningbouw is het mogelijk om een in de omgeving passende invulling te realiseren. De aanwezigheid van de direct aan het ontwikkelingsgebied grenzende monumentale panden vereisen een gepaste functionele aansluiting van de nieuw te ontwikkelen bebouwing. De aanwezigheid van de Korte Vlietzone biedt bovendien de mogelijkheid tot het ontwikkelen van een hoogwaardig woonmilieu. Het bestemmingsplan is erop gericht de Intratuinlocatie te herontwikkeling van intratuinlocatie tot een gebied waar woningen mogelijk worden gemaakt. Hierbij is rekening gehouden met de groene omgeving vanwege de ligging aan de Korte Vliet. De gronden zijn in de huidige situatie voor een deel ter beschikking van de Intratuin en voor een deel braakliggend. Gezien de locatie aan de Korte Vliet is in het plan rekening gehouden met de groen- en waterstructuur. Hierdoor is een manier gevonden om de waarden in het plangebied te herstellen en te versterken. Ruimtelijk maakt het plan onderdeel uit van de ontsluitingsroute naar Leiden en het overgangsgebied van de bestaande bebouwing naar de Korte Vliet.
4.2
Groen- en waterstructuur
De aanwezigheid van de Korte Vlietzone biedt de grootste kans voor een hoogwaardige ontwikkeling van het plangebied te realiseren. Deze 'groene zoom' wordt daarom behouden. Het is ruimtelijk gewenst om de open uitstraling van deze Korte Vlietzone te verbinden met het plangebied. Uitgangspunt hierbij is om minimaal drie bebouwingsvrije zones in het plangebied te maken welke een zichtlijn zullen vormen tussen de hoofdinfrastructuur en de Korte Vlietzone. Zodoende kan de kwaliteit van de Korte Vlietzone als het ware het plangebied ingetrokken worden. Het gebruik van waterpartijen, groenzones zonder hoge beplanting of infrastructuur kunnen hier bijvoorbeeld voor gebruikt worden.
4.3
Bebouwingstructuur
Ten behoeve van een goede inpassing van de beoogde bebouwing in de omgeving dient rekening te worden gehouden met de aanwezige woningen aan de Leidseweg, het fietspad aan de Korte Vliet en de groenstructuur en het karakter van het gebied rond de Vliet. De typologie en bouwmassa van de woningen moet aansluiten bij de monumentale panden aan de Leidseweg. Door de architect zal de aansluiting qua typologie (exclusief bouwmassa) verder uitgewerkt dienen te worden. Naast de grenzen die worden gesteld aan de nieuw te ontwikkelen woningen moet een achterpad er bovendien voor zorgen dat er voldoende ruimte is tussen de nieuw te ontwikkelen en de reeds aanwezige bebouwing. De nieuw te ontwikkelen woningen zullen tenminste tien meter van de achtererfgrens van de bestaande woningen dienen te worden gerealiseerd. Om voldoende afstand tussen de bebouwing en de aan de Korte Vliet evenwijdig liggende sloot te realiseren, wordt een minimum afstand van tien meter gehanteerd. Deze afstand geldt eveneens tussen de bebouwing en de voet van de talud van de Hoflandbrug. Bouwhoogten In de oorspronkelijke randvoorwaarden van de gemeente, uit 2007, is het volgende opgenomen over de bouwhoogten: “De overgang naar de Korte Vliet zal een dorps karakter dienen te krijgen en geen aansluiting op de hoogbouw aan de andere zijde in de gemeente Leiden.
Er wordt uitgegaan van eengezinswoningen met een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 7.50 en 12 Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord
Pagina | 39
m. Om voldoende afstand tussen de bebouwing en de aan de Korte Vliet evenwijdig liggende sloot te realiseren, wordt een minimum afstand van tien meter gehanteerd. Deze afstand geld eveneens tussen de bebouwing en de voet van de talud van de Hoflandbrug. Voor een gevarieerde opbouw van het gebied is een grotere bouwhoogte centraal in het gebied acceptabel. De maximale bouwhoogte bedraagt daarbij 12 m. Uitgangspunt hierbij is dat de bouwhoogtes aan beide zijden van de hoofdontsluiting van dezelfde hoogte zijn, zijnde een goothoogte van zes meter en een nokhoogte van negen meter.” Dit is in het bestemmingsplan inmiddels vertaald naar: a. Naar de Korte Vliet toe is een maximum bouwhoogte van 12 meter toegestaan, zonder dat een maximum goothoogte wordt aangeven. Hier moeten bijzondere woningen komen, die niet noodzakelijkerwijs schuin afgedekt moeten worden. b. Aan beide zijden van de hoofdontsluiting van het nieuwe woongebied moeten de woningen schuin afgedekt worden, met een maximum bouwhoogte van 10,5 meter en een maximum goothoogte van 6 meter. c. In het zuiden van het plangebied komt een gebouw met gestapelde woningen dat nog niet was voorzien ten tijde van het opstellen van de oorspronkelijke stedenbouwkundige randvoorwaarden (in 2007), met een maximum bouwhoogte van 16 meter.
Maar voordat er sprake was van een maximum bouwhoogte van 16 meter, werd er gewerkt met een maximum bouwhoogte van 15 meter. Hierna wordt per punt nader gemotiveerd waarom hiervoor is gekozen. Ad a. Motivering van alleen een maximum bouwhoogte, geen goothoogte, langs de Korte Vliet De wenselijkheid van variatie in de bebouwing, gecombineerd met de mogelijkheid die de bijzondere situering van deze woningen biedt om over het water uit te kijken, gecombineerd met het ontbreken van bestaande bebouwing in de onmiddellijke nabijheid van deze nieuwe woningen (er is geen bestaande bebouwing waaraan deze woningen zich zouden moeten 'aanpassen'), maken dat de realisatie van een bovenverdieping met een sterk vergroot bruikbaar oppervlak, dus met een (voor een aanmerkelijk deel of geheel) plat dak in plaats van schuin dak, hier toelaatbaar wordt geacht. Ad b. Motivering grotere maximum bouwhoogte woningen langs hoofdontsluiting De woningen die zijn gelegen aan weerszijden van de hoofdontsluiting hebben een grotere maximum bouwhoogte gekregen (10,5 meter in plaats van 9 meter) omdat daarmee een courantere woninginhoud kan worden bereikt zonder dat deze bouwhoogte detoneert ten opzichte van de omgeving, met name de bestaande woningen aan de Leidseweg. Een belangrijke voorwaarde om dit laatste te waarborgen is dat de woningen schuin afgedekt moeten zijn, met een scherpe nok.
Hierin is voorzien door de verschillende bepalingen in artikel 7.2.1 van de regels. Hierdoor blijft het bebouwingsbeeld dat de woningen naar buiten toe laten zien, evenwichtig en passend, maar wordt het bruikbaar woonoppervlak binnen de woningen toch aanmerkelijk verbeterd ten opzichte van de situatie bij een maximum bouwhoogte van 9 meter. Bruikbaar woonoppervlak wordt daarbij als volgt gedefinieerd: de vloeroppervlakte ter plaatse waarvan de plafondhoogte minimaal 2,60 meter is (waarbij trapgaten buiten beschouwing worden gelaten). De gehanteerde minimum plafondhoogte van 2,60 meter is uiteraard gerelateerd aan de 2,60 meter minimum plafondhoogte die geldt ter plaatse van een zogeheten 'verblijfsgebied' en 'verblijfsruimte' volgens het Bouwbesluit. Hierbij wordt uitgegaan van het woningtype zoals in figuur 4.1 is weergegeven.
Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord
Pagina | 40
Figuur 4.1 Impressies van beoogde woningtypologieën (Bron: Presentatie welstand d.d. 14 september 2020)
In figuur 4.2 is een indicatieve indeling van de plattegrond van een mogelijke woning opgenomen. Daarbij is aan de linkerkant uitgegaan van een woning met een maximum bouwhoogte van 9 meter en rechts van een woning met een maximum bouwhoogte van 10,5 meter.
Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord
Pagina | 41
Figuur 4.2 Impressie indicatieve indeling plattegrond - van boven naar beneden: begane grond, eerste verdieping en de kapverdieping (Bron: Zeinstra Verbeek Architecten, d.d. 29 september 2020)
Uit figuur 4.2 volgt dat het met een goothoogte van 6 meter en een nokhoogte van 9 meter niet mogelijk is om een bruikbaar woonoppervlak te realiseren in de kapverdieping. Dit volgt ook uit de principe doorsnede van de woningen zoals weergegeven in figuur 4.3. Hierin is 2,60 meter die vanuit het Bouwbesluit wordt gehanteerd aangegeven.
Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord
Pagina | 42
Figuur 4.3 Impressie principe doorsnede (Bron: Zeinstra Verbeek Architecten, d.d. 22 september 2020) Het bruikbare woonoppervlak van een woning van 9 meter hoog en een goothoogte van 6 meter is ongeveer 77 m2. De begane grond heeft in dit geval een bruikbaar woonoppervlak van 39 m2, de eerste verdieping heeft een bruikbaar woonoppervlak van 38 m2 en de kapverdieping een bruikbaar woonoppervlak van 0 m2. Het bruikbare woonoppervlak binnen een woning van 10,5 meter hoog, met een goothoogte van 6 meter is ongeveer 93 m2. Hierbij wordt uitgegaan van hetzelfde woningtype dat hierboven is afgebeeld, maar dan met een bouwhoogte van 10,5 in plaats van 9 meter. De begane grond heeft in dat geval een bruikbaar woonoppervlak van 39 m2, de eerste verdieping een bruikbaar woonoppervlak van 38 m2 en de kapverdieping een bruikbaar woonoppervlak van 16 m2. Er is dus sprake van ongeveer 16 m2 meer bruikbaar woonoppervlak bij een maximum bouwhoogte van 10,5 meter (vergeleken met een maximum bouwhoogte van 9 meter). Overwogen wordt dat deze vergroting van het bruikbaar woonoppervlak het omhoog brengen van de maximum bouwhoogte van 9 naar 10,5 meter rechtvaardigt.
Daarbij wordt ook het volgende overwogen: De scherpere nok die met deze hogere maximum bouwhoogte wordt bereikt, leidt esthetisch over het algemeen tot een beter bebouwingsbeeld dan de lagere, minder Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord
Pagina | 43
scherpe nok die met een maximum bouwhoogte van 9 meter wordt bereikt. De welstandscommissie heeft aangegeven deze grotere bouwhoogte wenselijk te achten enerzijds om deze reden, en anderzijds ook om op ruimte te bieden voor toepasselijke bebouwingsaccenten: goed opgebouwde samengestelde daken, met kappen die dwars op elkaar zijn geplaatst. Om esthetische redenen moeten dergelijke beide kappen niet even hoog zijn. De ene kap domineert, de ander is ondergeschikt. De nokhoogte van de ene kap kan bijvoorbeeld 9,5 meter zijn; de andere kap moet daar bovenuit steken, en krijgt dan bijvoorbeeld een nokhoogte van 10,5 meter. Een woning met een maximum bouwhoogte van 9 meter zal de woningeigenaar eerder 'uitnodigen' tot het aanbrengen van dakkapellen in de schuine dakvlakken (hetzij met een omgevingsvergunning, hetzij vergunningsvrij) dan een woning met een maximum bouwhoogte van 10,5 meter. Bij 9 meter maximum bouwhoogte heeft de kapverdieping een minder groot bruikbaar oppervlak dan bij 10,5 meter maximum bouwhoogte. Dakkapellen kunnen het bruikbare oppervlak van de kapverdieping vergroten. Dit heeft echter nogal eens ongewenste (helaas moeilijk tegen te houden) effecten op het bebouwingsbeeld. Ad c.
Motivering verhoging maximum bouwhoogte zuidelijk woongebouw van 15 naar 16 meter De verhoging van de maximum bouwhoogte met 1 meter zorgt voor een ontwerptechnisch beter passend en esthetisch bevredigender ontwerp voor het woongebouw (bijvoorbeeld in verband met toe te passen dakopstanden) dan wanneer de hoogte alleen maar uit 5 lagen van elk 3 meter mag bestaan (en geen extra hoogte bovenaan en eventueel ook onderaan het gebouw).
4.4
Verkeerstructuur
Onderdeel van de ontwikkeling is het realiseren van een nieuwe ontsluitingsroute. Deze weg loopt door het plangebied heen en zorgt ervoor dat de bereikbaarheid van het plangebied wordt gewaarborgd, zie figuur 4.4. Tevens leidt deze ontsluitingsweg tot een verbetering van de ontsluiting van de gehele wijk welke nu wordt afgewikkeld via het noordelijk deel van de Leidseweg. De Leidseweg wordt afgetakt en op de Trompweg wordt een afslag gerealiseerd waarmee door het plangebied gereden kan worden. De weg die door het plangebied loopt wordt een wijkontsluitingsweg met een maximaal toegestane snelheid van 50 km/uur.
Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord
Pagina | 44
Figuur 4.4 Indicatieve route ontsluitingsstructuur autoverkeer (Bron: Presentatie welstand d.d. 14 september 2020) Binnen het plangebied wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor de woningen. Parkeerplaatsen worden zoveel mogelijk op eigen terrein gerealiseerd, waardoor de doorstroom gewaarborgd kan worden. Daarnaast lopen er voet-en fietspaden door het plangebied en langs de Korte Vliet. In paragraaf 5.2.3 wordt nader ingegaan op het aspect verkeer en parkeren.
4.5
Ruimtelijke kwaliteit, beeldkwaliteit en architectuur
Programma Het programma bestaat uit maximaal 135 woningen. Minimaal 25% van het plan bestaat uit appartementen beschikbaar voor de sociale huursector. Circa 55% van de woningen zijn grondgebonden rijwoningen en circa 20% van de woningen bestaan uit vrijstaande/ twee-onder-één-kapwoningen. Ook wordt een nieuwe ontsluitingsroute gerealiseerd die door het plangebied heen loopt. Hierdoor neemt de verkeersbelasting ter plaatse van het noordelijk deel van de huidige Leidseweg af.
Ruimtelijke
kwaliteit,
beeldkwaliteit
en architectuur
Kernwaarden voor de gehele ontwikkeling zijn: onderscheidend, groen en verbonden. In figuur 4.5 is de indicatieve verkaveling opgenomen en in figuur 4.6 de daarbij behorende indicatieve impressie.
Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord
Pagina | 45
Figuur 4.5 Indicatieve verkaveling (Bron: Presentatie welstand d.d. 14 september 2020)
Figuur 4.6 Indicatieve impressie beoogde ontwikkeling (Bron: Presentatie welstand d.d. 14 september 2020)
Ter plaatse van het plangebied worden ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit verschillende architectonische deelgebieden onderscheiden welke passen bij de ruimtelijke kwaliteit van de in de omgeving aanwezige bebouwing en de geschiedenis van Voorschoten. Qua architectuur wordt aansluiting gezocht bij de woningen in de omgeving, zodat ze zo goed als mogelijk worden ingepast. Dit is de reden dat onderscheid is gemaakt tussen twee detailniveaus: kleine schaal aan de zijde van de Straatweg en grote schaal aan de zijde van de Korte Vliet, zie figuur 4.7. In paragraaf 4.3 is nader ingegaan op de bebouwing.
Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord
Pagina | 46
Figuur 4.7 Indicatieve begrenzing stedenbouwkundige schalen beoogde ontwikkeling (Bron: Presentatie welstand d.d. 14 september 2020)
Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord
Pagina | 47
Hoofdstuk 5 Sectorale aspecten
5.1
Milieu
5.1.1 Bodemkwaliteit Toetsingskader De bodemkwaliteit is in het kader van de Wro van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient inzichtelijk gemaakt te worden dat na vaststelling van het plan de beoogde oplossing om dit probleem aan te pakken (milieu)technisch haalbaar is en dat er voldoende budget beschikbaar is. Relatie tot het plan Door Infrasoil is een (water)bodemonderzoek (inclusief asbestonderzoek) uitgevoerd, zie bijlage 2. Uit het onderzoek volgt dat: De aanleiding voor het nader onderzoek naar asbest is de aangetroffen concentratie asbest boven de interventiewaarde (> 100 mg/kg) in een mengmonster. De verhoogde concentratie is aangetroffen in de zandige bovengrond (mengmonster asbestgat 14 en 16), gelegen boven het menggranulaat en boven het oorspronkelijke maaiveld (kleibodem). Het doel van het nader onderzoek asbest is het vaststellen van de aard en omvang van de verontreiniging. Beoordeeld wordt of de aangetroffen verontreiniging een belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling en welke vervolg stappen noodzakelijk zijn.
Op basis van het bodemonderzoek zijn de volgende resultaten bekend geworden: Zintuiglijk en analytisch is ter plaatse van sleuf RE03-05 asbestplaatmateriaal aangetroffen (76 mg/kg gewogen). De interventiewaarde wordt niet overschreden. In de fijne fractie wordt geen asbest aangetroffen. In de overige monsters is geen asbest aangetroffen. Het aanwezige plaatmateriaal is bemonsterd en verwijderd van de locatie. Ter plaatse van asbestgat 14 en 16 is een sleuf gemaakt om te bepalen of het eerder aangetroffen asbest in het mengmonster wordt teruggevonden. Uit de resultaten blijkt dat er geen asbest meer is aangetroffen. Op basis van de resultaten zijn er milieuhygiënisch gezien geen bezwaren voor het afgeven van een omgevingsvergunning. De gehaltes geven geen aanleiding tot verder onderzoek of sanering. De bodem is geschikt voor de beoogde woonbestemming. Aangezien de locatie in gebruik is geweest als tuincentrum in het verleden wordt geadviseerd om alert te zijn op funderingsresten in de bodem. Bij toekomstig grondwerk als onderdeel van een mogelijke herontwikkeling, kan licht verontreinigde grond kan vrijkomen. Indien er sprake is van een positieve grondbalans en deze grond dus niet kan worden hergebruikt op de bouwlocatie, dient in het kader van het Besluit bodemkwaliteit een AP04 keuring te worden uitgevoerd.
Het doel van de partijkeuring is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de partij om te kunnen beoordelen wat de hergebruiksmogelijkheden zijn. Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied geschikt voor de beoogde functies. Het aspect bodem staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.
Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord
Pagina | 48
5.1.2 Ecologie Toetsingskader Sinds 1 janurari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van de Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied of landschap of als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort.
Natuurnetwerk Nederland De term EHS werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP) van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In 2013 veranderde de naam van Ecologische Hoofdstructuur naar Natuurnetwerk Nederland (NNN). NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het plangebied in of in de nabijheid van het NNN gelegen is, verlangt de provincie naar 'nee-tenzij-toets'. Procedure De aanhaakplicht wordt vormgegeven middels de omgevingsvergunning voor 'natuur'. De consequenties van de samenloop worden geregeld in de regeling Natuurbescherming. Als voor een activiteit zowel een omgevingsvergunning als een natuurbeschermingswetvergunning vereist is, en eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, dan is daarnaast een omgevingsvergunning voor 'natuur' vereist. Een omgevingsvergunning 'natuur' wordt getoetst via de omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM), zoals beschreven staat in artikel 2.1, eerste lid, sub 1, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
De activiteiten waarvoor een OBM-plicht geldt, zijn uitgewerkt in het Besluit omgevingsrecht. In het Besluit omgevingsrecht is per 1 januari 2017 een extra categorie van activiteiten opgenomen waarvoor een OBM-plicht geldt. Een van deze activiteiten is de 'natuuractiviteit'. In het kader van deze OBM-plicht voor de natuuractiviteit is, net als onder de Natuurbeschermingswet, een vvgb van de provincie vereist. De provincie beoordeelt dus of een activiteit voldoet aan het toetsingskader uit de Wet natuurbescherming, het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming. Procedureel betekent dit dat het bevoegde gezag voor de omgevingsvergunning een verzoek doet aan de provinciale staten om een toets uit te voeren om te beoordelen of een 'verklaring van geen bedenkingen' (hierna: vvgb) kan wordt afgegeven. Wanneer een vvgb nodig is, heeft dit consequenties voor de omgevingsvergunningprocedure. Het betekent dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd moet worden in plaats van de reguliere procedure. De voorschriften die gesteld worden in de vvgb dienen integraal overgenomen te worden in Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord
Pagina | 49
de omgevingsvergunning. Een weigering van de vvgb betekent ook dat de omgevingsvergunning niet kan worden verleend. Wanneer tijdens het vooroverleg de vvgb 'over het hoofd is gezien' en na het starten van de reguliere voorbereidingsprocedure blijkt dat een vvgb noodzakelijk is voor het project, zal deze alsnog moeten worden aangevraagd. De informatie die nodig is voor het verlenen van een vvgb kan veel tijd vragen (uitvoeren van ecologische onderzoeken/veldwerk). Hiermee dient rekening gehouden te worden vanwege de beslistermijnen. Wanneer de noodzaak van een vvgb blijkt tijdens de (reeds gestarte) reguliere procedure, zoals hiervoor aangegeven, zal sprake zijn van termijnoverschrijding en mogelijk het moeten betalen van dwangsommen. Wanner in een vroeg stadium van een project duidelijk is (door het uitvoeren van een ecologisch onderzoek) dat een vvgb noodzakelijk is, valt te overwegen om een separate omgevingsvergunning 'natuur' aan te vragen. Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) Vanaf 1 juli 2015 werd de PAS: de Programmatische Aanpak Stikstof als beleid gebruikt waarmee Nederland het hoofd bood aan de problematiek rond stikstof en natuur. Hiermee werd de PAS gebruikt om de doelstellingen van het Europese natuurbeleid te borgen en tegelijk ruimte te creëren voor gewenste economische ontwikkeling.
Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State twee belangrijke uitspraken gedaan over het Programma Aanpak Stikstof. De Afdeling oordeelde dat het PAS niet als basis mag worden gebruikt voor toestemming voor activiteiten die extra stikstofuitstoot veroorzaken. In dat kader dient een AERIUS c.q. stikstofberekening aan te tonen of een ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de habitatsoorten in omliggende Natura 2000-gebieden. Indien ontwikkelingen een stikstofdepositie hebben groter dan 0,00 mol/ha/jaar, dan is mogelijk een Wet natuurbescherming vergunning noodzakelijk en een passende beoordeling. Sinds de inwerkingtreding van de Wabo kan de ontheffing op grond van de Ff-wet en een vergunning Nb-wet worden 'aangehaakt' bij de aanvraag van de omgevingsvergunning. Hierdoor kan de ontheffing samen met de omgevingsvergunning worden verleend. Relatie tot het plan Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op een afstand van circa 25 meter van het meest nabijgelegen NNN-gebied. Dit betreft het Landgoed Ter Wadding. Het plangebied is niet gelegen in een belangrijk weidevogelgebied of in de strategische reservering natuur. Op onderstaande afbeelding zijn de dichtsbijzijnde Natura 2000-gebieden aangegeven.
Dit zijn de gebieden Meijendel & Berkheide op een afstand van circa 5 kilometer, het gebied De Wilck op circa 6 kilometer en het gebied Coepelduynen op een afstand van circa 8 kilometer van het plangebied.
Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord
Pagina | 50
Figuur 5.1 Plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden
Door BK is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor zowel de gebruiks- als de bouwfase, zie bijlage 5. Uit het onderzoek volgt dat de NOX uitstoot in de toekomstige gebruiksfase 213,15 kg bedraagt en er 692,4 kg NOx wordt uitgestoten tijdens de bouwfase (per jaar). De Aerius calculator laat zien dat in de gebruiksfase geen sprake is van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk geen rekenresultaten, hoger dan 0,00 mol/ha/j. In de aanlegfase is er echter wel sprake van toename. Aangezien in de huidige situatie een aanzienlijke meer stikstof wordt uitgestoten, wordt er een beroep gedaan op het intern salderen. Dit betekent dat een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming moet worden aangevraagd. De AERIUS berekening laat zien dat, indien er intern wordt gesaldeerd, er geen resultaat hoger dan 0,00 mol/ha/j is. Hierdoor is de vergunning verleenbaar. De aanvraag is op 4 september 2020 ingediend. Soortenbescherming Wanneer er grootschalige (inpandige) werkzaamheden plaatsvinden, moet gecontroleerd worden of de ingreep een effect heeft op de beschermde flora en fauna. Ecologisch onderzoek dient aan te tonen of ter plaatse van de projectlocatie beschermde soorten aanwezig zijn. In de vorm van een quickscan dient te worden beoordeeld welke flora en fauna in het plangebied voorkomen.
Ook wordt met een quickscan beoordeelt welke functies het gebied voor deze soorten heeft, bijvoorbeeld een functie als foerageergebied of verblijfsfunctie voor vogels en/of vleermuizen. Op basis daarvan kan een inschatting worden gemaakt van de effecten van de ingreep op de potentieel aanwezige beschermde soorten en deze worden aan de hand van de Wet natuurbescherming getoetst. Door Van der Goes en Groot is voor de ontwikkeling ter plaatse van het plangebied een quick scan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek gaat uit van een groter plangebied dan waar het voorliggende bestemmingsplan betrekking op heeft. De bomen en de bosrand ten noorden van het plangebied behoren niet tot het plangebied en worden als gevolg van de ontwikkeling niet aangetast. Uit het onderzoek (zie bijlage 4) blijkt dat ter plaatse van het plangebied van onderhavig bestemmingsplan er naast algemene soorten, geen strikt beschermde soorten aangetroffen of te verwachten zijn en dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. Een tweetal algemene voorwaarden is vanuit de Wet natuurbescherming altijd van toepassing: 1. vogelnesten van soorten met niet-jaarrond beschermede nesten en 'categorie 5' soorten vragen om aandacht.
In het broedseizoen van vogels mogen, zonder controle voorafgaand door een ecoloog, de vegetatie, bosjes en opstallen in het plangebied niet worden Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord
Pagina | 51
verwijderd. De start van werkzaamheden tijdens deze periode zouden kunnen leiden tot verstoring, beschadiging of vernieling van nesten, rustplaatsen en eieren. Alle vogels zijn beschermd. Storing van nesten is onder artikel 3.1 (Vogelrichtlijn) toegestaan mits niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Voor vogels die ook staan vermeld onder artikel 3.5 (Habitatrichtlijn, inclusief Verdragen van Bern en Bonn) is verstoren niet toegestaan. 2. op basis van de in de Wet natuubescherming opgenomen zorgplicht (artikel 1.11) dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Dit houdt in dat voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische richtlijnen kunnen worden gehanteerd: a. Alle aanwezige bebouwing, vegetatie of bodemmateriaal kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten; b. Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig worden gewerkt dat richting te behouden leefgebied van aanwezig fauna wordt gewerkt en dieren niet ingesloten raken en (meer) kans hebben te vluchten. c.
Om schade aan vissen en amfibieën te beperken moeten de werkzaamheden aan wateren en oevers zoveel mogelijk worden uitgevoerd in de periode augustus tot en met oktober in verband met de perioden van voortplanting en overwintering. d. Uit de te dempen wateren kunnen amfibieën (alle stadia) of vissen verdreven worden door van ‘dicht’ naar ‘open’ te werken en geen dieren in te sluiten. Als dit niet mogelijk is kunnen de dieren weggevangen worden door de wateren af te dammen en het waterniveau te verlagen. Deze dieren kunnen vervolgens worden overgebracht naar een geschikt water in de nabije omgeving. e. Bij de sloop- en bouwwerkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor voorliggend plan. 5.1.3 Externe veiligheid Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, spoor of water en door buisleidingen. In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).
Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een uitgebreide verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Normen voor ondergrondse buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Relatie tot het plan Voor de beoordeling van de risico's is de risicokaart geraadpleegd, deze is opgenomen in onderstaande figuur. Mees Ruimte & Milieu | Korte Vliet-Leidseweg Noord deel Noord