Bijlage 4 Globaal ontwerp regionaal publiek integraal warmtebedrijf warmte Leidse Regio
Tekst van het document
•
Woningcoöperaties: Organisaties die woningen beheren en verhuren, vaak gericht op sociale huur, met een focus op betaalbaarheid en duurzaamheid.
•
Particulieren: Individuele bewoners, bijvoorbeeld huiseigenaren of huurders, die op zoek zijn naar duurzame warmte en (eventueel) koude toepassingen.
De uitwerking van het businessmodel betreft in deze fase een eerste opzet. Aanscherping van het businessmodel is een iteratief en continu proces. Doelstelling is dat het RPIW WLR zo goed mogelijk functioneert binnen de (veranderende) wettelijke en regionale context.
•
Grootverbruikklanten: Klanten met een aanzienlijke warmte-, koude en/of energiebehoefte, zoals grote zakelijke afnemers of gestapelde woningen met een gedeelde warmtevoorziening achter een blokaansluiting.
5.1. Doelgroepen en klantsegmenten
Specifieke doelgroepen
Het RPIW WLR dient gebouweigenaren32 en bedrijven binnen een vastgesteld warmtekavel een aanbod33 te doen voor de aansluiting op een collectieve warmteoplossing. In de ontwikkelfase is het van belang dat het RPIW WLR zicht krijgt op de hoeveelheid bewoners en bedrijven die een aansluiting willen nemen. Daarvoor is het noodzakelijk dat de gemeente en het RPIW WLR in gesprek gaan met de bewoners, bedrijven en (mogelijk) specifieke doelgroepen binnen een warmtekavel.
Daarbij zijn er binnen en buiten bovenstaande klantsegmenten specifieke doelgroepen te onderscheiden. Het kan daarbij voorkomen dat de eigenaar van de aansluiting en de afnemer van warmte verschillende partijen zijn.
Er zijn veel verschillende doelgroepen te identificeren, waarbij de verwachting is dat 80% van de beoogde warmtelevering gerealiseerd kan worden door gebouwen van woningcorporaties, particulieren en grootverbruikers aan te sluiten.
Het Business Model Canvas is een strategisch hulpmiddel om op een visuele en gestructureerde manier een businessmodel te beschrijven, ontwikkeld door Alexander Osterwalder. 31
•
Gemeentelijk en/of maatschappelijk vastgoed: Gebouwen beheerd door gemeenten en/of publieke instellingen, zoals scholen, zwembaden, zorginstellingen, sportfaciliteiten, culturele centra en gemeentehuizen.
•
Zakelijke klanten / bedrijven: Bedrijven die duurzame warmte- en koudeoplossingen nodig hebben, bijvoorbeeld voor kantoren, kassen en fabrieken.
•
Vastgoedeigenaren: Partijen die commercieel vastgoed bezitten.
•
Private verhuurders: Private eigenaren die woningen verhuren.
In de waardepropostie is de gebouweigenaar de klant voor het realiseren van de aansluiting (aansluitkosten) en de bewoner de klant voor de levering van warmte (vastrecht en variabele leveringskosten). Dit kunnen dezelfde of verschillende partijen zijn. 33 Dit geldt als de aanwijsbevoegdheid is ingezet of de gebouweigenaar daarom vraagt. 32
17 | Programma Warmte Leidse Regio | Globaal ontwerp Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf Warmte Leidse Regio
•
•
VVE’s: Verenigingen van Eigenaren die beslissingen nemen over gezamenlijke warmtevoorzieningen in bijvoorbeeld appartementencomplexen. Sociale en particuliere huurders: Huurders van woningen die (vaak) afhankelijk zijn van de keuzes van verhuurders of woningcorporaties.
(Zeer) Lagetemperatuur ((Z)LT)35: •
Aansluiting (Z)LT-warmtenet: Aansluiting van een woning of gebouw op een (zeer) lagetemperatuurwarmtenet36, gericht op energieefficiënte woningen en gebouwen met een lage warmtevraag.
•
Levering (Z)LT-warmte: Levering van duurzame warmte op lage temperaturen37, afgestemd op moderne verwarmingssystemen zoals vloerverwarming.
•
Mogelijk levering koude: Waar mogelijk levering van koude voor koeling van woningen en gebouwen.
5.2. Waardepropositie Het RPIW WLR biedt duurzame oplossingen voor verwarming én, waar mogelijk, koude via moderne warmtenetwerken. Met een regionale warmtehoofdinfrastructuur en warmtedistributienetten voor middentemperatuur (MT) en kleinschalige (zeer)lagetemperatuur ((Z)LT) zorgt het RPIW WLR voor een efficiënte en duurzame levering van warmte en, waar mogelijk, koude. De volgende dienstverlening dient het RPIW WLR daarvoor te leveren: Middentemperatuur (MT)34: •
Aansluiting MT-warmtenet: Aansluiting van een woning of gebouw op een middentemperatuurwarmtenet, waarmee duurzame warmte wordt geleverd.
•
Levering MT-warmte: Levering van duurzame middentemperatuurwarmte, geschikt voor verwarming en andere toepassingen.
•
Levering warmtapwater: Levering van warmtapwater op een temperatuur die voldoet aan de legionella-preventieregelgeving.
Een (MT) warmtenet levert warmte met een aanvoertemperatuur tussen 55 en 75 graden Celsius. 35 De aanvoertemperatuur in een LT-warmtenet ligt tussen de 30 en 55 graden Celsius en in een ZLT-warmtenet tussen de 10 en 30 graden Celsius. 34
5.3. Klantrelaties Het RPIW WLR onderhoudt klantrelaties via een toegankelijke benadering die deels collectief (op buurt- of wijkniveau) en deels persoonlijk (op woningniveau) zal zijn. Hierbij houdt het RPIW WLR haar kernwaarden transparant, betaalbaar, duurzaam, ontzorgen en klantgericht hoog in het vaandel. Bij het onderhouden van klantrelaties is er een onderscheid te maken tussen de realisatie- en exploitatiefase. Projectontwikkeling Tijden de ontwikkeling van de warmteprojecten is het nodig dat het RPIW WLR voldoende zichtbaar is voor haar (potentiële) klanten en dat de overstap naar een collectieve warmtevoorziening zo eenvoudig mogelijk wordt gemaakt. Essentieel is dat er binnen dit wervingsproces ruimte is om te luisteren en om in te gaan op de zorgen van potentiële klanten. In deze fase zal het RPIW WLR daarom een intensieve samenwerking moeten aangaan met de gemeente. Bij het benaderen van potentiële afnemers zijn de gemeentelijke uitgangspunten op het gebied van communicatie en participatie leidend. Het contact met een wijk of een buurt kan bijvoorbeeld worden bewerkstelligd via bewonersavonden die de gemeente samen met Het leveren van warmtapwater is bij deze propositie niet mogelijk, aangezien daarvoor (bijvoorbeeld) een warmtepomp of e-boiler nodig is.
37 In geval van een aansluiting op (Z)LT warmtenet is de levering van warm tapwater via de collectieve warmtevoorziening niet mogelijk en/of voorzien. 36
18 | Programma Warmte Leidse Regio | Globaal ontwerp Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf Warmte Leidse Regio
het RPIW WLR organiseert. Een proeflocatie in de buurt kan bijvoorbeeld dienen om bewoners mee te nemen in praktische zaken, zoals hoe een aansluiting eruit ziet en wordt aangelegd. Voor grootzakelijke klanten biedt het RPIW WLR ruimte om specifieke afspraken te maken over de beoogde aansluiting en de duurzame warmtelevering. Deze gemeenschappelijke aanpak van gemeenten en het RPIW WLR zal ook nodig zijn om bewoners te kunnen ontzorgen in de overstap naar een warmtenet. Het RPIW WLR mag zich, door de beperkingen in het wetvoorstel Wcw, niet bezighouden met de inpandige aanpassingen achter de warmteaansluiting. De gemeenten en het RPIW WLR willen daarvoor een samenwerking aangaan met installateurs en partners om te zorgen voor een totaalpakket dat nodig is om de overstap naar een duurzame manier van verwarmen mogelijk te maken. Hierbij is er in het bijzonder aandacht voor het ontwikkelen van een gezamenlijke communicatieaanpak en het creëren van één aanspreekpunt voor de bewoner.
kranten, versterken het bereik en zorgen voor aandacht onder een breed publiek. Klantloket Voor persoonlijk contact biedt het RPIW WLR een goed bereikbaar telefoonnummer en een fysiek klantloket waar klanten terechtkunnen voor informatie en ondersteuning. Communicatie via partners Lokale betrokkenheid wordt versterkt door communicatie via gemeenten, installateurs en zakelijke partners, die als belangrijke tussenpersonen fungeren. Met deze geïntegreerde aanpak zorgt RPIW WLR voor een toegankelijke en klantgerichte benadering, die aansluit bij de behoeften vanuit bewoners, bedrijven en gemeenten.
Exploitatiefase
5.5. Kernactiviteiten
In de exploitatiefase is het belangrijk dat het RPIW WLR haar bestaande klanten goed kan bedienen en informeren. Een vast aanspreekpunt voor zorgen of problemen van bestaande klanten, zoals een klantenservice en een storingsdienst, is daarbij van belang. Ook zal de informatievoorziening van het RPIW WLR aan klanten op orde moeten zijn, bijvoorbeeld over warmtetarieven, de prestaties van het warmtenet en de resultaten van klanttevredenheidsonderzoeken. Deze onderzoeken zijn essentieel voor het monitoren van de prestaties en het naleven van de kernwaarden van het RPIW. Daarnaast zorgt bijvoorbeeld een klantenpanel of adviesraad voor feedback, om daarmee de dienstverlening te verbeteren.
Het RPIW WLR wordt zo ingericht dat het de beoogde taken goed kan uitvoeren. Dit omvat algemene bedrijfsactiviteiten zoals management, communicatie, klantenservice, verkoop, inkoop, financiën en juridische ondersteuning. Daarnaast werkt het RPIW WLR aan warmteprojecten, met name aan het ontwerp en de aanleg van (een regionale) warmtehoofdinfrastructuur en (lokale) collectieve warmteoplossingen. Dit doet het RPIW WLR in samenwerkingen met gemeenten, aannemers, installateurs en partners. Doelstelling daarbij is een soepele uitvoering van warmteprojecten en het succesvol aansluiten van klanten op collectieve warmteoplossingen.
5.4. Klantkanalen
Algemene activiteiten
Het RPIW WLR maakt gebruik van een mix aan klantkanalen om effectief te communiceren en haar diensten aan te bieden. Digitale kanalen, zoals een website, nieuwsbrieven en e-mails, spelen een centrale rol in het informeren van klanten. Sociale media en traditionele media, zoals
•
Bestuur: Dagelijkse aansturing van het RPIW WLR, waaronder overleg met de aandeelhouders over de strategie.
•
Communicatie: Ontwikkelen en uitvoeren van interne en externe communicatie om bewoners en bedrijven te informeren en betrekken bij de realisatie van warmteprojecten en de levering van warmte.
19 | Programma Warmte Leidse Regio | Globaal ontwerp Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf Warmte Leidse Regio
•
Verkoop: Promotie en verkoop van de dienstverlening aan klanten, met een focus op het opzetten en opbouwen van een goede klantrelatie.
•
Klantenservice: Zorgen voor een goede en passende ondersteuning bij de levering van warmte aan klanten.
•
Inkoop: Uitvoeren van inkoopprocessen, inclusief benodigde aanbestedingen. Deze hebben betrekking op de inkoop van duurzame warmte, de aanleg van warmte-infrastructuur, onderhoud en beheer én de ondersteuning van bedrijfsprocessen.
•
Finance & HR: Uitvoeren van financiële processen en beheersing van de financiën, werving van medewerkers en het uitvoeren van HRprocessen.
•
Juridische Zaken: Waarborging van de naleving van wet- en regelgeving en afhandeling van juridische aspecten.
Projectspecifieke activiteiten Voor de uitvoering van warmteprojecten richt het RPIW WLR zich op een aantal gespecialiseerde activiteiten:
•
Projectbegeleiding & omgevingsmanagement: Begeleiden van warmteprojecten en het betrekken van belanghebbenden in de omgeving.
•
Klantteam (tot aansluiting): Begeleiden van klanten tijdens het proces tot aan de oplevering van de aansluiting op de collectieve warmteoplossing.
Alliander warmteservicebedrijf Alliander werkt aan de oprichting van een warmteservicebedrijf (WSB). Het WSB kan ingezet worden als uitvoeringsorgaan voor diverse taken in de ontwikkeling, realisatie en exploitatie van warmtenetten. Voor met name die taken waar schaalvergroting kan leiden tot (significante) kostenbesparing ziet Alliander een onmisbare rol voor het WSB. In het door haar voorgesteld samenwerkingsmodel gaat Alliander uit van een inbesteding van de relevante taken van het RPIW aan het WSB. Op dit moment (augustus 2025): •
is er een overlap tussen het beoogde takenpakket van het RPIW WLR en het WSB. zijn er kaders opgenomen in het wetsvoorstel Wcw met betrekking tot de rolverdeling, taken, verantwoordelijkheden en algehele spelregels voor zowel het RPIW WLR als het WSB.
•
Opstellen businesscase: Financiële haalbaarheid onderzoeken bij de opstellen van de plannen voor (nieuwe) warmteprojecten, waar mogelijk gecombineerd met koude.
•
•
Projectontwikkeling: Ontwikkelen van nieuwe warmteprojecten, waar mogelijk gecombineerd met koude, in afstemming met gemeenten, bewoners, bedrijven en andere stakeholders.
•
Ontwerp regionale warmtevoorziening: Technisch ontwerp, planning en realisatie van duurzame warmte-hoofdinfrastructuur en collectieve warmteoplossingen.
In de kwartiermakersfase dient een definitieve uitwerking gemaakt te worden van de inzet van het WSB en de rol- en takenverdeling tussen het RPIW WLR en het WSB. De wettelijke kaders worden daarbij als randvoorwaarden gehanteerd.
•
Contracteren van partners en installateurs: Aangaan van samenwerking met aannemers, installateurs en partners voor de uitvoering van projecten.
5.6. Kernmiddelen Om het businessmodel te kunnen opzetten en uitvoeren dient het RPIW WLR over een aantal kernmiddelen te beschikken. Dit omvat verschillende elementen, waaronder voldoende gekwalificeerde medewerkers, alsook de benodigde vergunningen. Daarbij is ook de wet- en regelgeving belangrijk,
20 | Programma Warmte Leidse Regio | Globaal ontwerp Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf Warmte Leidse Regio
aangezien die bepalend is voor de nieuwe marktordening. De volgende zaken zijn voor het RPIW WLR van belang: •
•
•
•
•
•
Wet- en regelgeving: Belangrijke wettelijke kaders zoals het wetsvoorstel Wcw, Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie38 (Wgiw), Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw), de Energiewet en de Omgevingswet zijn essentieel om binnen de juiste juridische context te opereren. Toewijzingen en vergunningen: Het verkrijgen van kaveltoewijzingen en de benodigde vergunningen voor het aanleggen en exploiteren van collectieve warmteoplossingen. Personeel en expertise: Het beschikken over voldoende gekwalificeerde medewerkers die kennis, vaardigheden en ervaring hebben om complexe projecten uit te voeren. Financiële middelen: Zowel eigen als vreemd vermogen, aangevuld met subsidies, zijn benodigd om ervoor te zorgen dat het RPIW WLR de regionale warmtevoorziening kan realiseren en de daarvoor benodigde organisatie kan opzetten en in stand houden. Ruimtelijke beschikbaarheid: Voldoende ruimte in de openbare ruimte, gebouwen en woningen voor de aanleg van de warmteinfrastructuur en de installaties t.b.v. de aansluiting in gebouwen en woningen. Bewonersbetrokkenheid: De medewerking van bewoners is van cruciaal belang om draagvlak te creëren en succesvolle implementatie te waarborgen.
De Wgiw wijzigt de Omgevingswet, de Gaswet en de Energiewet. Twee belangrijke nieuwe instrumenten zijn: a) het warmteprogramma (vervangt de bestaande transitievisie warmte) en b) de bevoegdheid voor gemeenten om regels te stellen die het gebruik van aardgas als 38
5.7. Kernpartners Het RPIW WLR gaat samenwerkingsrelaties aan met partners, om de dienstverlening te kunnen leveren aan bewoners en bedrijven. Een goede samenwerking met deze partners is cruciaal. De volgende partners en samenwerking worden daarbij (in ieder geval) onderkend: •
•
• •
•
• •
De relatie en samenwerking met gemeenten komt tot uitdrukking in de verschillende rollen die de gemeenten invullen, zoals beleidsbepaler, subsidieverstrekker, aandeelhouder, opdrachtgever, vergunningverstrekker en klant. Ingenieursbureaus, aannemers, installateurs en gespecialiseerde bedrijven zorgen voor ontwerp, aanleg en onderhoud van de regionale warmtevoorziening. Bedrijven met warmtebronnen die warmte produceren en leveren aan het RPIW WLR. Dit is op basis van een warmteleveringsovereenkomst. De Gasunie transporteert warmte vanuit de Rotterdamse haven via regionale hoofdtransportleiding door Zuid-Holland naar de Leidse regio. Dit is op basis van een warmtetransportovereenkomst. Vattenfall als warmtebedrijf in delen van Leiden, Leiderdorp en Oegstgeest, waar reeds een warmtearwwnet aanwezig is. Daarnaast als mogelijke partner voor het verlenen van derden toegang tot hun warmtevoorziening aan andere warmtebedrijven. Gespecialiseerde (ICT) bedrijven voor het uitvoeren van bedrijfsprocessen en het leveren van de benodigde ICT-systemen. De inzet en rol van een warmteservicebedrijf moet nog nader uitgewerkt worden in de vervolgfase. Mogelijk is deze na oprichting één van de kernpartners die ondersteunt en ontzorgt op het vlak van met name ontwikkeling, ontwerp, aanleg en onderhoud.
warmtevoorziening uitsluiten (hoe een wijk van het aardgas afgaat en welk duurzaam alternatief wordt gekozen).
21 | Programma Warmte Leidse Regio | Globaal ontwerp Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf Warmte Leidse Regio
Naast deze partners onderhoud het RPIW WLR contacten met belangrijke stakeholders, zoals lokale initiatieven of energiecoöperaties, omgevingsdiensten, de regionale netbeheerder Liander, (andere) grondroerders, de ACM, de provincie Zuid-Holland, de RES Holland Rijnland en omliggende publieke warmtebedrijven. 5.8. Inkomstenstromen Het RPIW WLR genereert op verschillende manieren inkomsten met: •
Warmtelevering: Dit omvat een vast maandelijks bedrag voor de aansluiting (vastrecht) en een variabel bedrag per afgenomen gigajoule (GJ) warmte.
•
Koudelevering: Dit omvat een vast bedrag op basis van de aansluitcapaciteit of per afgenomen gigajoule koude.
•
Aansluitkosten: Eenmalige kosten die in rekening worden gebracht voor het aansluiten van woningen of gebouwen op de collectieve warmteoplossing.
•
Subsidies: Overheidssteun die bijdraagt om warmteprojecten te kunnen realiseren en helpt om de kosten voor afnemers te verlagen. De verwachting is dat de (indicatieve) planning, zoals opgenomen in hoofdstuk 4, alleen gerealiseerd kan worden als er (extra) subsidie en/of aanvullende financiële instrumenten beschikbaar komen. Zie ook hoofdstuk 8.
Deze inkomstenbronnen helpen het RPIW WLR om de operationele kosten te dekken en te kunnen investeren in de realisatie van het regionale warmtevoorziening. Het RPIW WLR kan daarbij mogelijk ook actief zijn op de energiemarkt door slim energie in te kopen39. Door gebruik te maken van strategische inkoopmethoden, zoals het inkopen van elektriciteit40 op momenten dat de De haalbaarheid, de toegevoegde waarde en de risico’s van deze mogelijkheid dienen in een later fase verder verkend en uitgewerkt te worden. 39
prijzen laag zijn, kan een warmtebedrijf kosten besparen en efficiënter opereren. Slimme energiesturing, waarbij energieopwekking, -verbruik en opslag optimaal worden afgestemd, biedt ook kansen voor warmtebedrijven om hun energiegebruik te optimaliseren en inkomsten te genereren. De ACM speelt een cruciale rol in het reguleren van warmtetarieven in Nederland. Met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel Wcw krijgt de ACM een uitgebreidere rol als toezichthouder. De ACM is verantwoordelijk voor het reguleren van warmtetarieven, waarbij deze niet langer gebaseerd zijn op aardgasprijzen41, maar op de daadwerkelijke kosten die warmtebedrijven maken. Dit zorgt voor meer transparantie en een betere bescherming van consumenten tegen te hoge tarieven. Daarnaast toetst de ACM nieuwe warmtebedrijven voordat ze actief worden, om te waarborgen dat hun bedrijfsvoering voldoet aan de gestelde eisen. Bij de oprichting van het RPIW WLR wordt rekening gehouden met deze eisen. 5.9. Kostenstructuur Het RPIW WLR doet investeringen voor de aanleg van een regionale warmtevoorzienig en maakt verschillende kosten om warmte in te kopen, te distribueren en te leveren. De belangrijkste kostenposten: •
Warmte-infrastructuur: De aanleg en uitbreiding van warmtehoofdinfrastructuur en warmtedistributienetten, inclusief warmteoverdrachtstations, peak en backup voorzieningen en (eventuele) warmtebuffers en opslag.
•
Warmtebronnen: Dit omvat de kosten voor de inkoop van warmte, zoals warmte vanuit geothermie of restwarmte.
•
Aansluitkosten: Kosten voor het aansluiten van nieuwe woningen of gebouwen op de collectieve warmteoplossing.
40 41
Inkoop van aardgas is (voorlopig) voorzien voor de peak en backup voorzieningen. Deze nieuwe systematiek wordt in verschillende stappen ingevoerd.
22 | Programma Warmte Leidse Regio | Globaal ontwerp Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf Warmte Leidse Regio
•
Operationele kosten: Dagelijkse kosten van de organisatie, waaronder personeelskosten.
•
Uitbestede diensten: De kosten voor de werkzaamheden, processen en systemen die door externe partijen worden uitgevoerd en/of geleverd.
•
Vergunningen en regelgeving: Kosten voor het verkrijgen van vergunningen en het voldoen aan wettelijke eisen.
•
Financieringskosten: Rente en aflossing van leningen die zijn aangegaan voor de realisatie van de warmteprojecten en de investeringen in de regionale warmtevoorziening.
•
Marketing en communicatie: Kosten om klanten te informeren en te werven, en om draagvlak te creëren voor duurzame warmteoplossingen.
De ACM controleert de specifieke kosten van warmtebedrijven door middel van een rendementsmonitor en een rendementstoets. Hierbij worden de kosten en opbrengsten van warmtebedrijven geanalyseerd om te bepalen of de tarieven eerlijk en kostengebaseerd zijn. De ACM houdt toezicht en controleert of warmtebedrijven transparant zijn in hun kostenstructuur. Dit voorkomt dat consumenten onterecht betalen voor activiteiten die buiten de gereguleerde warmtevoorziening vallen.
23 | Programma Warmte Leidse Regio | Globaal ontwerp Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf Warmte Leidse Regio
6. Warmteprojecten in de Leidse regio In dit hoofdstuk wordt allereerst het proces toegelicht van de realisatie van grootschalige (MT en LT) warmtenetten. Aan het eind van het hoofdstuk wordt toegelicht waar de werkwijze en het proces voor de realisatie van kleinschalige collectieve warmtenetten op basis van (Z)LT daarvan afwijkt. Eveneens worden projecten besproken die door warmtegemeenschappen worden geïnitieerd en waar het RPIW WLR een mogelijk ondersteunende of samenwerkende rol kan hebben. 6.1. Samenwerking tussen gemeenten en RPIW WLR Voor de aanleg van de warmte-hoofdinfrastructuur en de collectieve warmteoplossingen in de Leidse regio worden warmteprojecten uitgevoerd. Een warmteproject kent een doorlooptijd van meerdere jaren, waarin de benodigde stappen worden doorlopen om tot de realisatie van een collectieve warmteoplossing te komen in een bepaalde buurt of wijk. Voor de uitvoering van een warmteproject dient er rekening gehouden te worden met een doorlooptijd van drie tot zes jaar. Een warmteproject vraagt om intensieve samenwerking tussen de gemeente en het RPIW WLR, waarin beide partijen hun eigen taak hebben en een complementaire rol spelen. Samen streven zij naar een duurzame, betrouwbare en betaalbare collectieve warmtevoorziening voor de buurten en wijken.
Dat vraagt om goede afspraken tussen de WLR-gemeenten en het RPIW WLR om in nauwe onderlinge samenwerking de warmteprojecten te realiseren. Het zwaartepunt van de werkzaamheden in de beginfase van een warmteproject ligt bij de gemeente. In de loop van het project verschuift dat zwaartepunt naar het RPIW WLR. De gemeente is de initiator van een warmteproject. Zij heeft de regie in het vaststellen van de buurten en wijken waarvoor een collectieve warmteoplossing de gewenste oplossing is en de beoogde planning waarmee het warmteproject gerealiseerd moet worden. Daarbij is de gemeente verantwoordelijk voor het vaststellen van de warmtekavels, het aanwijzen van het publieke warmtebedrijf, het faciliteren van bewonersparticipatie en het verlenen van vergunningen. Door haar regierol
in de warmtetransitie en de al bestaande betrokkenheid bij de inwoners, vervult de gemeente een sleutelrol in de uitvoering van een warmteproject en het creëren van draagvlak onder bewoners en bedrijven. Het RPIW WLR heeft onder andere de verantwoordelijkheid voor het opstellen van de businesscase, het maken van de het ontwerp, het verkrijgen van de financiering, het aanvragen van de benodigde (omgeving)vergunningen, de realisatie en de levering van warmte. Na de aanleg beheert en onderhoudt het RPIW WLR de collectieve warmteoplossing, waarbij het een betrouwbare levering van warmte dient te garanderen. 6.2. Fasering Gemeenten initiëren een warmteproject. De duur van een warmteproject hangt mede af van de omvang van het kavel en de complexiteit. Daarbij kan er ook voor gekozen worden om een project in verschillende delen te realiseren. Voor de uitvoering van de warmteprojecten in de Leidse regio is de volgende fasering uitgewerkt: Voorbereidingsfase (6-18 maanden) Deze fase omvat onder anderen het analyseren van de warmtevraag, het vaststellen van de mogelijke warmtebronnen, het uitvoeren van haalbaarheidsstudies en het vaststellen van het warmtekavel. Deze taken worden door de gemeente uitgevoerd, in overleg met het RPIW WLR. Ook dient er overleg plaats te vinden met de belanghebbenden, waaronder woningcoöperaties, bewoners en bedrijven.
Het RPIW WLR richt zich in deze fase onder andere op het opstellen van een globaal kavelplan en het opstellen van een eerste businesscase van het project. In deze fase vindt naar verwachting ook de nodige toetsing plaats van de plannen van het RPIW WLR door de ACM. Planontwikkelingsfase (6-12 maanden) In deze fase werkt de gemeente samen met het RPIW WLR en andere betrokken partijen om de plannen verder uit te werken en de basis te leggen voor de realisatie van de collectieve warmteoplossing in het betreffende
24 | Programma Warmte Leidse Regio | Globaal ontwerp Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf Warmte Leidse Regio
kavel. De belangrijkste taken van de gemeente in deze fase zijn het toewijzen van het warmtekavel aan het publieke warmtebedrijf, het besluit om wel of niet de Wgiw in te zetten en het verlenen van de benodigde vergunningen. Ook dient de gemeente vast te stellen welke (extra) financiële ondersteuning ze het publieke warmtebedrijf en de afnemers van collectieve warmte (eventueel) wil en kan geven. Het zwaartepunt van het RPIW WLR ligt bij het verder uitwerken van het globaal kavelplan, mede op basis van de detailuitwerking van het ontwerp. Het RPIW WLR dient een verzoek tot aanwijzing bij de gemeente op basis van het globale kavelplan. In deze fase valt ook het voorbereiden van de realisatie, het vaststellen van de (klant)tarieven en het aanvragen van de benodigde subsidies. Dit alles moet leiden tot een Final Investment Decision42, waarmee het (definitieve) besluit genomen wordt om een definitief aanbod te doen aan bewoners. Deze nadere uitwerking komt tot uitdrukking in het uitgewerkte kavelplan, dat wordt getoetst door het college van de gemeente. Realisatiefase (12-36 maanden) Deze fase is vooral gericht op het aanleggen van de warmte-infrastructuur en het aansluiten van de gebouwen en woningen op de collectieve warmteoplossing. Om dit mogelijk te maken, dient het RPIW WLR aannemers, installateurs en partners te contracteren (middels een openbare aanbesteding).
Daarnaast is een belangrijke activiteit het contracteren van leveranciers en klanten. De gemeente werkt nauw samen met het RPIW WLR om ervoor te zorgen dat de (inpandige) aanpassingen in de gebouwen en woningen gerealiseerd worden43. De realisatiefase wordt afgesloten met een testfase, waarna de warmtelevering opgestart wordt.
42
Een Final Investment Decision, oftewel Definitieve Investeringsbeslissing, is een belangrijke stap in de ontwikkeling van warmteprojecten. Het is het moment waarop de
Exploitatiefase (doorlopend) De exploitatiefase gaat in zodra de collectieve warmteoplossing operationeel gerealiseerd is en de warmtelevering start. Deze fase loopt door zolang de warmtevoorziening in gebruik is. Regelmatig onderhoud, monitoring en optimalisatie maken deel uit van deze fase, die geen specifieke einddatum kent. Daarbij dient opgemerkt te worden dat een publiek warmtebedrijf voor maximaal 30 jaar kan worden aangewezen voor een warmtekavel conform het wetsvoorstel Wcw. Na die periode dient de gemeente een nieuwe aanwijzing te doen. 6.3. Belangrijkste taken en producten per fase In de samenwerking tussen de WLR-gemeenten en het RPIW WLR zijn afspraken over de taakverdeling belangrijk om daarmee duidelijk te hebben wat partijen van elkaar mogen verwachten en om misverstanden te voorkomen. Een eerste uitwerking van de taken en producten, die per fase worden uitgevoerd en opgeleverd, is hieronder opgenomen. Per fase zijn de belangrijkste mijlpalen (M) opgenomen die bepalend zijn voor de overgang naar de volgende fase. Warmteprogramma & Initiatie warmteproject Taken gemeenten: • Analyse warmte- en koudevraag • Uitvoeren haalbaarheidsstudie • Organiseren bewonersparticipatie • Starten warmteproject (M) Voorbereidingsfase (0 – 6 maanden) Taken gemeenten: • Vaststellen strategie gebouwaanpassingen • Overleg met woningcoöperaties, grootverbruikers en energiecoöperaties
Taken RPIW WLR: • Opstellen globaal ontwerp • Besluit voorkeurstechniek • Opstellen globale businesscase • Bepalen voorlopige tarieven
aandeelhouders besluiten om het project daadwerkelijk te realiseren, de investering goed te keuren en de risico’s te nemen die met het project gepaard gaan. 43 Publieke warmtebedrijven mogen, op basis van het wetsvoorstel Wcw, geen werkzaamheden verrichten ‘achter de aansluiting’.
25 | Programma Warmte Leidse Regio | Globaal ontwerp Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf Warmte Leidse Regio
• Afstemming werkzaamheden ondergrond • Organiseren bewonersparticipatie • Vaststellen warmtekavel (M)
• Opstellen verzoek tot aanwijzing • Opstellen globaal kavelplan en planning
• Evalueren prestaties en CO2-reductie
Planontwikkelingsfase (6 – 12 maanden) Taken gemeenten: • Besluit inzet aanwijsbevoegdheid en opnemen in het omgevingsplan • Opstellen wijkuitvoeringsplan • Verlenen vergunningen • Regels aanpassen in het omgevingsplan • Vaststellen (additionele) financiële inbreng door gemeente(n) • Aanvragen subsidies (ISDE) • Organiseren bewonersparticipatie • Aanwijzen publiek warmtebedrijf (M) • Vaststellen (wijk)uitvoeringsplan (M) • Toetsen uitgewerkt kavelplan
Taken RPIW WLR: • Opstellen detailontwerp • Opstellen uitgewerkt kavelplan en planning • Aanvragen (omgeving)vergunningen • Organiseren bewonersparticipatie • Opstellen businesscase • Opstellen globaal kavelplan • Opstellen uitgewerkt kavelplan • Vaststellen tarieven en/of aanbod voor klanten • Aanvragen subsidies (WIS) • Final Investment Decision (M) • Indienen uitgewerkt kavelplan (M)
Realisatiefase (12 – 36 maanden) Taken gemeenten: • Regie op ontzorgen inpandige aanpassingen i.s.m. RPIW WLR • Afstemming werken openbare ruimte • Houden van toezicht uitvoering • Handhaven vergunning • Organiseren bewonersparticipatie
Taken RPIW WLR: • Aanbesteding o Aannemers, installateurs en partners o Warmteleverancier (bron) o Warmtetransportcapaciteit • Werven en contracteren klanten • Aanleg warmte-infrastructuur, waar mogelijk ook koude • Aansluiten gebouwen en woningen • Start warmtelevering (M)
Exploitatiefase (doorlopend) Taken gemeenten: • Houden van toezicht uitvoering
Taken RPIW WLR:
• Stabiele en betrouwbare warmtelevering en eventueel koude • Voorkomen en verhelpen verstoringen • Optimaliseren warmte-infrastructuur • Preventief en correctief onderhoud • In rekening brengen warmtelevering en eventueel koude • Klantenservice • Monitoring en rapportage
6.4. Aanwijzen warmtebedrijf De toewijzing van het warmtekavel aan een publiek warmtebedrijf door de gemeente vindt plaats in de planontwikkelingsfase van een warmteproject. Met deze toewijzing selecteert de gemeente het publieke warmtebedrijf dat exclusief verantwoordelijk wordt voor de aanleg, de levering van warmte en het beheer van de collectieve warmteoplossing binnen een bepaald kavel. Het toegewezen krijgen van een warmtekavel is voor het RPIW WLR een belangrijk moment, omdat het (op dat moment) moet voldoen aan specifieke criteria, zoals technische expertise, financiële stabiliteit en duurzaamheidseisen. Deze worden getoetst door de ACM. 6.5. Randvoorwaarden De realisatie van een warmteproject vereist dat een groot aantal randvoorwaarden op orde is. Deze zijn essentieel om de warmtevoorziening efficiënt en kosteffectief te kunnen realiseren en beheren volgens het proces in hoofdstuk 6.3. Dit zijn (deels) zaken die te beïnvloeden zijn door het RPIW WLR en deels zaken die buiten de directe invloedsfeer vallen. •
Geschikte warmtebron: Beschikbaarheid van een duurzame44 en betrouwbare warmtebron en eventuele koudebron, zoals geothermie, restwarmte, warmte-koudeopslag of aquathermie (en de daarvoor
44
De eisen aan de duurzaamheid van in te zetten warmtebronnen worden in de Wcw geregeld en door de ACM gehandhaafd. Het RPIW WLR en de gemeenten volgen hierin de landelijke regels.
26 | Programma Warmte Leidse Regio | Globaal ontwerp Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf Warmte Leidse Regio
benodigde elektriciteitsaansluitingen). Dit valt deels binnen en deels buiten de directe invloedsfeer van het RPIW WLR. •
Geschikte ondergrond: De ondergrond moet geschikt zijn voor de aanleg van de warmte-infrastructuur. Dit valt buiten de directe invloedsfeer van het RPIW WLR.
•
Sluitende Businesscase: Een sluitende financiële begroting, waarbij de kosten en opbrengsten van het project duidelijk zijn. Dit valt deels binnen en deels buiten de directe invloedsfeer van het RPIW WLR.
•
Wettelijke instrumenten: Het van kracht worden van wettelijke bevoegdheden en instrumenten om de haalbaarheid en financierbaarheid van warmteprojecten te verbeteren. Hieronder vallen in ieder geval de Wgiw en de Wcw.
•
Kaveltoewijzing: Toewijzing van warmtekavels aan het RPIW WLR door de gemeenten. Dit valt deels binnen en deels buiten de directe invloedsfeer van het RPIW WLR.
•
Draagvlak onder bewoners: Betrokkenheid en steun van bewoners en bedrijven die worden aangesloten op de collectieve warmteoplossing. Dit valt deels binnen en deels buiten de directe invloedsfeer van het RPIW WLR.
Als aan deze randvoorwaarden is voldaan, dan vergroot dat de kans van slagen en een succesvolle realisatie van het warmteproject. 6.6. Kleinschalige projecten De hiervoor beschreven opzet en fasering gaat voornamelijk over de grote warmteprojecten voor aangewezen warmtekavels op basis van warmteoplossingen op lage- en middentemperatuur. Daarnaast kan het RPIW WLR ook een rol spelen in nieuwbouwprojecten en/of kleinschalige projecten van enkele tot tientallen gebouwen. Dit soort projecten maken veelal gebruik van een kleinschalige warmtebronnen op (zeer) lage temperatuur. Een of meerdere van deze kleinschalige projecten kunnen een (Z)LT-net vormen. Deze (Z)LT-netten kunnen modulair uitgebouwd worden, zodat groei mogelijk blijft als nieuwe projecten erop willen aansluiten. Piek
en backup voorzieningen kunnen mogelijk gedeeld worden, zodat niet elk (kleinschalig) project daar zelf in moet investeren. De voornaamste afwijkende kenmerken in opzet en fasering van kleinschalige projecten zijn: • •
•
Een kortere doorlooptijd vanwege kleinere schaal en minder complexe voorbereiding en afstemming. Bij kleine gebieden is meestal geen kaveltoewijzing door de gemeente nodig, maar kan op aanvraag vanuit initiatiefnemers een ontheffing verleend worden. De voorbereidingsfase wordt (deels) door initiatiefnemers zelf uitgevoerd.
6.7. Samenwerking met warmtegemeenschappen en lokale initiatieven Lokale initiatieven, waaronder bestaande energiecoöperaties hebben kenbaar gemaakt dat ondersteuning door óf samenwerking met het RPIW WLR (potentieel) waardevol kan zijn. De manier waarop en de mate waarin deze ondersteuning of samenwerking gewenst wordt, is nog niet duidelijk. Op basis van verkennende gesprekken zijn de eerste beelden ontstaan, die in een vervolgfase verder geconcretiseerd worden. Bij een (eventuele) ondersteunende rol van het RPIW WLR aan warmtegemeenschappen speelt het aspect van een gezonde bedrijfsvoering van het RPIW WLR een belangrijke rol, evenals de mogelijk marktverstorende werking, die een mogelijke dienstverlening vanuit het RPIW WLR heeft ten opzichte van adviesbureaus. Daar dient rekening mee gehouden te worden in de opzet van de samenwerking. Ook dient er rekening gehouden te worden met juridische en financiële vereisten in de samenwerking tussen warmtegemeenschappen en het RPIW WLR. Een aparte Besloten Vennootschap, met de warmtegemeenschap, het RPIW WLR en mogelijk ook de gemeente als aandeelhouders is hiervoor een oplossing. Voorwaarde daarbij is dat een warmtegemeenschap, als private partij, een minderheidsaandeel heeft. Daarmee voldoet het aan de eisen die het wetsvoorstel Wcw stelt.
27 | Programma Warmte Leidse Regio | Globaal ontwerp Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf Warmte Leidse Regio
Indien een lokaal initiatief, bijvoorbeeld een energiecoöperatie, voldoet aan de (wettelijke) eisen van een warmtegemeenschap, dan kan deze door de gemeente aangewezen worden als warmtebedrijf voor een warmtekavel. Dit gebeurt via een aanwijzingsprocedure, zoals beschreven in het wetsvoorstel Wcw. Een warmtegemeenschap is een rechtspersoon of personenvennootschap zonder winstoogmerk, die actief is als warmtebedrijf voor haar leden, vennoten of aandeelhouders. De betreffende warmtegemeenschap kan, middels een ontheffing voor een gebied met minder dan 1.500 aansluitingen, een collectieve warmteoplossing realiseren en exploiteren. Dit is onder de conditie dat dit de collectieve warmteoplossing voor een grotere kavel niet schaadt. De betreffende warmtegemeenschap staat in deze variant dan los van het RPIW WLR.
28 | Programma Warmte Leidse Regio | Globaal ontwerp Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf Warmte Leidse Regio
7. Juridische structuur & governance Als onderdeel van het globaal ontwerp is een voorstel uitgewerkt van de juridische structuur en governance van het RPIW WLR. Dit is gebaseerd op een advies45, dat is opgesteld door juridisch adviesbureau AKD. De samenwerkingsovereenkomst, statuten en aandeelhoudersovereenkomst van het RPIW WLR bevatten de formele vastlegging van die afspraken. In dit hoofdstuk zijn de belangrijkste elementen daaruit opgenomen en toegelicht. 7.1. Rechtsvorm Het RPIW WLR zal moeten voldoen aan de eisen, die zijn gesteld in het wetsvoorstel Wcw. Ten aanzien van de rechtsvorm wordt in de Wcw gesproken over aandelen in een warmtebedrijf. Op basis daarvan kan het RPIW WLR (alleen) een Besloten Vennootschap (BV) of een Naamloze Vennootschap (NV) als rechtsvorm aannemen. De BV wordt daarbij aanbevolen vanwege de flexibiliteit in de Nederlandse regelgeving. Alliander, EBN en de gemeenten zijn, als beoogde aandeelhouders, (indirect) publieke rechtspersonen, waarmee wordt voldaan aan de eis dat meer dan de helft van de aandelen van het RPIW WLR in publieke handen moet zijn. 7.2. Besluitvormende organen De Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AvA) is het hoogste besluitvormende orgaan binnen het RPIW WLR. De aandeelhouders hebben op basis van het Burgerlijk Wetboek een aantal bevoegdheden, waarvan de belangrijkste zijn: • • • • 45
Benoeming, schorsing en ontslag van bestuurders en commissarissen. Goedkeuring van de jaarrekening. Wijziging van de statuten. Besluiten over fusies, splitsingen of ontbinding van het Warmtebedrijf.
• •
Kapitaalverhoging of -verlaging, zoals het uitgeven of intrekken van aandelen. Goedkeuring van belangrijke bestuursbesluiten, indien dit in de statuten is bepaald.
Via de statuten en eventueel de aandeelhoudersovereenkomst kunnen er aanvullende bevoegdheden aan de AvA toegekend worden. Het bestuur van het RPIW WLR draagt verantwoordelijkheid voor de dagelijkse bedrijfsvoering en moet zich richten op het bedrijfsbelang. Om belangenconflicten te voorkomen, wordt aanbevolen om een externe bestuurder aan te stellen in plaats van een vertegenwoordiger van één van de aandeelhouders. Het voorstel is om te starten met één bestuurder met de mogelijkheid om dit op termijn uit te breiden. Er bestaat de mogelijkheid om een Raad van Commissarissen (RvC) in te stellen. Een RvC houdt toezicht op het beleid van het bestuur en de algemene gang van zaken. Indien er een RvC wordt ingesteld wijzen zowel Alliander, EBN en de gemeenten een RvC lid aan. De leden van de RvC opereren echter onafhankelijk en in het belang van het RPIW WLR. Dat betekent (waarschijnlijk) ook dat de aandeelhouders op een grotere afstand komen te staan. Voorstel is om in de eerste fase geen RvC in te stellen, maar in de statuten de optie op te nemen dat dit mogelijk is. De AvA kan dan later alsnog besluiten om een RvC in te stellen. 7.3. Zeggenschap aandeelhouders Aandeelhouders hebben (via de AVA) op hoofdlijnen invloed op de strategie en het beleid van het RPIW WLR. Om dit te waarborgen, worden belangrijke besluiten ter goedkeuring voorgelegd aan de AvA.
Dit omvat onder meer het vaststellen van een meerjarenstrategie, het vaststellen van het jaarplan en de begroting, grote financiële beslissingen, het oprichten van, of
AKD (2025), adviesnotitie Regionaal warmtebedrijf.
29 | Programma Warmte Leidse Regio | Globaal ontwerp Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf Warmte Leidse Regio
deelnemen in, andere ondernemingen, het aangaan van grote of bepalende contracten met leveranciers, het wijzigingen van de bedrijfsstructuur en het aangaan van belangrijke samenwerkingen. In bijlage 4 is een toelichting opgenomen van de bestuursbesluiten. Besluiten over tarieven vallen buiten de zeggenschap van aandeelhouders. Volgens het wetsvoorstel Wcw stelt het bestuur van het RPIW WLR zelfstandig de tarieven vast, om een gezonde bedrijfsvoering te garanderen. Daarbij dient het bestuur de wettelijke kaders en de regels van de ACM te volgen. 7.4. Kapitaal en aandelenverhouding Een belangrijke keuze die Alliander, EBN en de WLR-gemeenten dienen te maken, is de grootte van het aandeel in het RPIW WLR. De grootte van het aandeel is voor een belangrijk deel bepalend voor de verhouding die ontstaat tussen de partijen én de invloed die ze kunnen uitoefenen op het (bestuur van het) RPIW WLR. Naast het aandeel dat gemeenten in gezamenlijkheid nemen in het RPIW WLR, is het ook belangrijk om afspraken te maken over de percentuele verdeling tussen gemeenten onderling. Een verdeling op basis van de warmtevraag46 lijkt de meest eerlijke (en daarmee de beste) verdeelsleutel. Om het verschil in timing (van de uitvoering van projecten) daarin glad te strijken, is het voorstel om daarvoor de gehele opgave tot 2050 als uitgangspunt te nemen en deze periodiek te herijken.
Dit betekent dat in de warmteprogramma’s in ieder geval een doorkijk voor de gehele opgave opgenomen moet zijn. Om financiële risico’s te beperken, wordt geadviseerd om commitment op het te investeren kapitaal in tranches af te geven en de stortingen per jaar te laten verlopen, in plaats van een eenmalige investering voor een lange periode. Dit betekent dat financiering geleidelijk plaatsvindt, mede het aantal woningen en gebouwen (uitgedrukt in Woningequivalenten) dat gemeenten voorzien om aan te sluiten op een collectieve warmtevoorziening. 46
gebaseerd op de voortgang van projecten in uitvoering en de prognose voor de voorliggende periode. Het bestuur47 van het RPIW WLR doet daarvoor een voorstel in het businessplan, dat wordt voorgelegd aan de AvA ter besluitvorming. Dit biedt zekerheid voor de langere termijn voor het RPIW WLR en periodieke invloed voor de aandeelhouders. De opzet is dat de kapitaalinbreng van aandeelhouders niet exclusief gelabeld wordt per gemeente. Het is dus niet zo dat het door een gemeente gestorte vermogen exclusief wordt gebruikt voor de projecten in die gemeenten. Dit sluit aan bij de ambitie om in onderlinge afstemming en solidariteit én vanuit een gezamenlijk regionaal belang een regionale warmtevoorziening te realiseren, waarin de publieke waarden zijn geborgd. Een alternatieve aanpak met aparte publieke warmtebedrijven per gemeente of per kavel brengt extra administratieve lasten en minder synergievoordelen met zich mee en wordt door AKD afgeraden. Het (later) oprichten van project BV’s, bijvoorbeeld voor specifieke, lokale samenwerkingen blijft wel altijd mogelijk. 7.5. Toe- en uittreding Nieuwe aandeelhouders kunnen toetreden als ze een publieke rechtspersoon zijn. Deze toetreding gebeurt via de overdracht van bestaande of de uitgifte van nieuwe aandelen, waarbij voorwaarden kunnen worden gesteld aan de toetreding.
Fusies met andere publieke warmtebedrijven zijn mogelijk, mits goedgekeurd door de AvA. Ook de uittreding van aandeelhouders is mogelijk. De wet schrijft voor dat een aandeelhouder die zijn aandelen wil verkopen, deze eerst moet aanbieden aan de overige aandeelhouders (tenzij de statuten anders bepalen). In de statuten kunnen er specifieke procedures en voorwaarden vastgelegd worden (bijvoorbeeld de waardebepaling). Dit maakt het voor zowel bestaande als nieuwe aandeelhouders duidelijk hoe een eventuele overdracht van aandelen verloopt en voorkomt onduidelijkheid of 47
Voor de eerste tranche geldt dat de kwartiermaker een voorstel voorlegt aan de stuurgroep.
30 | Programma Warmte Leidse Regio | Globaal ontwerp Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf Warmte Leidse Regio
geschillen. In de opzet is uitgegaan van een initieel (financieel) commitment van 10 jaar (2027 t/m 2036). Daarna is het voor aandeelhouders mogelijk om uit te treden. 7.6. Warmtegemeenschappen Lokale partijen, zoals energiecoöperaties, kunnen onder bepaalde voorwaarden een rol krijgen in de realisatie en exploitatie van collectieve warmteoplossingen. Indien een coöperatie voldoet aan de eisen van een warmtegemeenschap48, kan deze als warmtebedrijf worden aangewezen door de gemeente. Deze warmtegemeenschap staat dan los van het RPIW WLR. Een alternatief is dat lokale initiatieven aandeelhouder worden in het RPIW WLR, maar dat brengt beperkingen met zich mee. Dit komt vooral door de regelgeving rondom private aandeelhouders en quasi-inbesteding49. Een andere mogelijkheid is het instellen van een Raad van Advies, waarin lokale initiatieven structureel overleg kunnen voeren met het RPIW WLR, echter zonder directe zeggenschap.
48
Een warmtegemeenschap is een lokaal warmtebedrijf waar eindgebruikers de zeggenschap en het eigendom in hebben. Deze kan, onder het wetsvoorstel Wcw verschillende vormen aannemen, zoals coöperatie, stichting of Besloten Vennootschap.
49
Quasi-inbesteding is een uitzondering op de aanbestedingsplicht, waarbij een overheidsopdracht wordt gegund aan een gelieerde rechtspersoon zonder openbare aanbesteding.
31 | Programma Warmte Leidse Regio | Globaal ontwerp Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf Warmte Leidse Regio
8. Globale businesscase 8.1. Opzet globale businesscase Als onderdeel van het globaal ontwerp is door adviesbureau Rebel een eerste uitwerking gemaakt van de globale businesscase van het RPIW WLR. Voor de opzet is gebruik gemaakt van het regionaal portfoliomodel collectieve warmte, dat door Rebel ontwikkeld is in opdracht van EBN. De techno-economische inputs50 komen uit het Toekomstbeeld regionaal warmtesysteem Holland Rijnland. De waarde van de globale businesscase en het doel voor deze fase is om een eerste beeld te vormen van de investeringen, de kosten, de inkomsten en opbrengsten door de tijd. Benadrukt dient te worden dat in de globale businesscase veel aannames zijn gebruikt en deze voor nu slechts de eerste inzichten opleveren. De globale businesscase kan op veel punten aangescherpt worden, door bijvoorbeeld de planning én de volgorde van de warmteprojecten voor de buurten en wijken op elkaar af te stemmen. Tevens wint de globale businesscase aan waarde door de aannames te valideren en/of detailuitwerkingen te maken van de beoogde warmte-infrastructuur. De globale businesscase ondersteunt de besluitvorming om de vervolgstappen te kunnen zetten. Het is niet de bedoeling om nu investeringsbeslissingen te nemen. Die vinden plaats op basis van de businesscase(s) van de individuele warmteprojecten. Zie ook hoofdstuk 6.
In het vervolg in dit hoofdstuk is een globale beschrijving opgenomen van de belangrijkste kasstromen, aan de hand van het volgende schema. Een uitgebreide(re) toelichting is opgenomen in het rapport Businesscase WLR, haalbaarheidsstudie, dat adviesbureau Rebel heeft opgeleverd.
Techno-economische inputs zijn alle technische en economische factoren die nodig zijn om een technologie of project te evalueren. Dit omvat zowel de technische aspecten (zoals 50
Kasstromen zichtbaar gemaakt in de globale businesscase
8.2. Gehanteerde uitganspunten globale businesscase De globale businesscase bestrijkt een periode van 33 jaar, te weten van 2026 t/m 2058. In de periode tot 2050 vindt (vooral) de realisatie van de regionale warmtevoorziening plaats. De periode daarna richt zich met name op de exploitatie. Tijdens de gehele periode zullen er ook investeringen gedaan moeten worden om componenten of voorzieningen in de regionale warmtevoorziening te vervangen, waarvan de levensduur verstreken is. Zoals eerder toegelicht, voorziet het wetsvoorstel Wcw in een overgang naar warmtetarieven die gebaseerd zijn op werkelijke kosten. De huidige inschatting is dat deze overgang 2 tot 4 jaar na inwerkingtreding plaatsvindt.
procesontwerp, materialen, energieverbruik) als de economische aspecten (zoals kapitaalen operationele kosten, opbrengsten, terugverdientijd).
32 | Programma Warmte Leidse Regio | Globaal ontwerp Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf Warmte Leidse Regio
Tot die tijd is voor warmtebedrijven het niet-meer-dan-anders principe51 (NMDA-principe) van toepassing, waarbij de maximale warmtetarieven gekoppeld zijn aan de aardgasprijs. De globale businesscase ondersteunt beide systematieken, waarbij opgemerkt wordt dat er rondom kostengebaseerde tarieven nog belangrijke keuzes door de ACM gemaakt moeten worden. Deze keuzes kunnen (grote) invloed hebben op de verdeling van kosten én daarmee ook de baten. De toelichting in dit hoofdstuk is gebaseerd op de NMDA-systematiek. Daar is voor gekozen, omdat die systematiek op dit moment (nog) gehanteerd wordt en de eerste jaren, na oprichting van het RPIW WLR, van toepassingen zijn. Als belangrijke input voor de globale businesscase is gebruik gemaakt van het Toekomstbeeld regionaal warmtesysteem Holland Rijnland, dat begin 2025 is opgesteld door adviesbureau Greenvis. Deze input bevat onder andere inschattingen van de benodigde investeringen, kosten, belangrijke parameters en uitgangspunten. Deze informatie is aangevuld met de projectenportfolio, die in hoofdstuk 4 is opgenomen. De globale businesscase gaat uit van een aantal aannames over het beschikbaar komen van middelen en instrumenten voor de financiering van het RPIW WLR en de warmteprojecten. Indien deze middelen en instrumenten niet beschikbaar worden gesteld, zullen de samenwerkende partners naar passende oplossingen moeten zoeken.
In de besluitvorming over de oprichting van het RPIW WLR is hierin voorzien door voorwaarden op te nemen omtrent financiële instrumenten en middelen. 8.3. Investeringen (1) De totale investering, die benodigd is om de regionale warmtevoorziening te realiseren, bedraagt naar schatting € 1.976 miljoen. Dit betreft de Het NMDA-principe wordt gebruikt bij de tariefstelling voor stadsverwarming en andere warmte- of koudevoorzieningen. Het houdt in dat de kosten voor een gebruiker nooit hoger mogen zijn dan wanneer diezelfde gebruiker een traditionele installatie (zoals een gasgestookte cv-ketel) zou hebben. 52 Dit betreft onder andere de ontsluiting van regionale (en mogelijke ook lokale) warmtebronnen, de bouw van (grotere) warmteoverdrachtstations, de aanleg van hoofddistributieleidingen en de bouw van peak en backup voorzieningen. 51
voorbereiding (aangeduid als ontwikkelkosten) en de realisatie. Met die investering is voorzien om de (regionale of lokale) warmtebronnen te ontsluiten, de warmte-hoofdinfrastructuur te realiseren en de warmtedistributienetten in de buurten en wijken aan te leggen. Dit tot en met de afleverset in de woningen en gebouwen. Er zijn voor het RPIW WLR geen investeringen voorzien voor de aanleg van regionale warmtebronnen, zoals WarmtelinQ en Aardwarmte Rijnland. Deze investeringen vallen binnen de begroting(en) van de bedrijven die duurzame restwarmte leveren, de Gasunie en de (private) partijen die Aardwarmte Rijnland ontwikkelen. Er zijn wel investeringen voorzien voor de ontwikkeling van lokale warmtebronnen. Van de totale investering is naar schatting € 395 miljoen (20%) nodig voor de realisatie van de warmte-hoofdinfrastructuur52 en € 1.581 miljoen (80%) voor de realisatie van de warmtedistributienetten in de buurten en wijken. 8.4. Operationele kosten (2) De operationele kosten, die het RPIW WLR maakt, betreffen de kosten om de regionale warmtevoorziening in bedrijf te houden en een (ongestoorde) levering van warmte (en waar mogelijk koude) mogelijk te maken. Dit gaat op hoofdlijnen om de inkoop van energie (warmte, elektriciteit), de kosten voor het onderhoud én de kosten voor beheer, administratie en overhead.
Voor de inkoop van warmte uit WarmtelinQ is het uitganspunt dat de prijs daarvoor gelijk is aan 70% van de gasprijs53. Om dit te kunnen waarborgen heeft de Rijksoverheid een subsidieregeling54 (SDE++). Om de onderhoudskosten te (kunnen) berekenen is een percentage gebruikt van ongeveer 1% (van de initiële investering) per jaar. Voor de kosten voor Lees hier 70% TTF-gasprijs. De TTF-gasprijs (Title Transfer Facility) is de belangrijkste benchmark voor Europese gasprijzen, bepaald op een virtuele handelsplaats in Nederland. 54 De Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++) geeft subsidie aan bedrijven en non-profitorganisaties die grootschalig hernieuwbare energie opwekken of de CO2-uitstoot verminderen. 53
33 | Programma Warmte Leidse Regio | Globaal ontwerp Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf Warmte Leidse Regio
beheer, administratie en overhead is gerekend met een bedrag van € 175 per jaar, per (operationele) aansluiting. Additioneel dient er rekening gehouden te worden met aanloopkosten om het RPIW WLR op te richten. In de eerste fase (voorzien tot maximaal 7 jaar na oprichting) zullen er kosten gemaakt moeten worden om de organisatie op te bouwen, de processen in te richten en de benodigde (ICT-)systemen te implementeren. Deze kosten zijn niet direct toerekenbaar aan individuele warmteprojecten en in eerste instantie ingeschat op € 17 miljoen. Deze activiteiten en kosten worden in de Kwartiermakersfase nadere uitgewerkt. 8.5. Eigen Vermogen (3) De aandeelhouders dienen kapitaalstortingen te doen om het RPIW WLR van voldoende financiële middelen te voorzien. Dit betreft met name de periode van 2027 t/m 2050, waarin een de regionale warmtevoorziening wordt gerealiseerd. De benodigde financiële inbreng door aandeelhouders is op dit moment nog een (grove) inschatting. Deze wordt onder andere beïnvloed door: • • • •
55
de (totale) investeringen die gedaan worden door het RPIW WLR. de (investerings)subsidies die beschikbaar gesteld worden door de Rijksoverheid, waaronder de WIS55. de (aanvullende) instrumenten en/of subsidies, die de Rijksoverheid ter beschikking stelt om het RPIW WLR te ondersteunen. de bijdragen die klanten leveren in de vorm van de eenmalige Bijdrage Aansluit Kosten (BAK). De (maximale) BAK wordt door de ACM (jaarlijks) vastgesteld. De door de ACM gereguleerde BAK bedraagt (maximaal) € 5.251 per aansluiting (2025). Indien er door de aandeelhouders voor gekozen wordt om de BAK voor aansluitingen te verlagen of voor te financieren, dan heeft dit ook gevolgen voor de benodigde financiële inbreng.
De Warmtenetten Investeringssubsidie (WIS) is een Nederlandse subsidieregeling voor de aanleg van nieuwe efficiënte warmtenetten (energie-efficiënte stadsverwarming en -
•
de ratio tussen het Eigen en Vreemd Vermogen, waarbij als uitgangspunt is gehanteerd dat 80% van de financieringsbehoefte van het RPIW WLR door Vreemd Vermogen verstrekkers wordt ingebracht.
Financiële inbreng aandeelhouders De totale benodigde financiële inbreng vanuit de aandeelhouders wordt (op dit moment) ingeschat op € 326 miljoen. Dit is op basis van de rapportage Financiering Warmte Leidse Regio, opgesteld door adviesbureau Fakton Energy. Dit valt uiteen in een eerste tranche (periode 2027 t/m 2036) van € 188 miljoen, een tweede tranche (periode 2037 t/m 2046) van € 115 miljoen en een derde tranche (periode 2047 t/m 2050) van € 23 miljoen. In de Kwartiermakersfase wordt het businessplan van het RPIW WLR opgesteld en de globale businesscase verder aangescherpt. Dividenduitkering aan aandeelhouders De globale businesscase laat zien dat er van 2027 t/m 2050 kapitaalinbreng vanuit de aandeelhouders nodig is om het RPIW WLR van voldoende financiële middelen te voorzien. Daarbij dient het RPIW WLR voldoende reserves op te bouwen om de benodigde herinvesteringen te kunnen doen. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat het RPIW WLR grote bedragen aan dividend uitkeert, ook niet na 2050. Uit de globale businesscase blijkt dat op langere termijn een dividenduitkering van 4% van het Eigen Vermogen mogelijk wordt. Het is aan de AvA om daarover te besluiten.. 8.6. Vreemd Vermogen (4) Om de beoogde regionale warmtevoorziening te kunnen realiseren is het aantrekken van Vreemd Vermogen noodzakelijk, bijvoorbeeld in de vorm van leningen bij banken.
In de globale businesscase is uitgegaan van de volgende uitganspunten: •
80% van de financieringsbehoefte wordt ingevuld met Vreemd Vermogen. Dit relatief hoge percentage is mogelijk, omdat de
koeling). De subsidie is alleen bestemd voor warmtenetten die bestaande woningen aardgasvrij maken.
34 | Programma Warmte Leidse Regio | Globaal ontwerp Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf Warmte Leidse Regio
•
Rijksoverheid, in het verlengde van de Wcw, werkt aan instrumentarium om de financiering van collectieve warmteoplossingen te ondersteunen. Voor het aantrekken van het Vreemd Vermogen is 3.5% aan rentekosten en een looptijd van 30 jaar voorzien.
De precieze uitwerking van de bedoelde instrumenten is (tijdens het opstellen van dit globaal ontwerp) nog niet bekend. 8.7. Subsidies (5) In de globale businesscase zijn de subsidieregelingen verwerkt, die de Rijksoverheid op dit moment heeft om de warmtetransitie te ondersteunen. De belangrijkste daarvan voor het RPIW WLR zijn de WIS en SDE++. Warmtenetten Investeringssubsidie De warmtenetten investeringssubsidie (WIS)56 is een subsidieregeling voor de aanleg van nieuwe efficiënte warmtenetten (energie-efficiënte stadsverwarming en -koeling). Die subsidie is alleen bestemd voor warmtenetten die bestaande woningen aardgasvrij maken. Deze draagt eraan bij om de investeringen in de regionale warmtevoorziening haalbaar te maken, door een deel van deze investering als subsidie te verstrekken. Subsidie Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie De Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++)57 ondersteunt de grootschalige opwek van duurzame energie en het verminderen van CO2-uitstoot. Voor het RPIW WLR draagt deze eraan bij om de inkoopkosten van (duurzame) warmte te verlagen.
Warmtenetten Investeringssubsidie (WIS), https://ondernemersplein.overheid.nl/warmtenetten-investeringssubsidie-wis/ 57 Subsidie Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++), https://ondernemersplein.overheid.nl/stimulering-duurzame-energieproductie/ 58 De Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) is er voor woningeigenaren en zakelijke gebruikers, https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/isde 59 Bestaande bouw aansluiten op een warmtenet, https://www.nplw.nl/warmtenet/organisatie/bestaande-bouw-aansluiten-op-eenwarmtenet 56
Noot: De subsidie(s) voor inpandige aanpassingen, die gebouweigenaren kunnen aanvragen, liggen buiten de scope van het RPIW WLR. Denk hierbij aan de investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE)58. Deze subsidie ondersteunt eigenaren van woningen en gebouwen om de overstap naar een collectieve warmteoplossing te maken. Het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW)59 heeft onderzoek laten doen naar de verwachte kosten hiervoor. Deze liggen gemiddeld op ongeveer € 6.000 (excl. btw) per woning. 8.8. Inkomsten vanuit klanten (6+7) De inkomsten vanuit klanten van het RPIW WLR komen voort uit de eenmalige bijdrage (BAK) voor het realiseren van de aansluiting op een collectieve warmtevoorziening en de levering van warmte (en waar mogelijk koude). De ACM stelt (jaarlijks) de maximumtarieven60 vast die warmtebedrijven mogen hanteren richting hun klanten. Daarnaast ziet de ACM erop toe dat warmteleveranciers de maximumtarieven niet gebruiken om onredelijke winsten te maken. In de globale businesscase is gerekend met de maximumtarieven van 2025 (incl. btw)61: • • • •