Bijlage 2 - Ontwerp Omgevingsvergunning Prof. Einsteinlaan 5
Tekst van het document
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
5
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
Niersman Projectontwikkeling
Afbeelding 2 Uitsnede bestemmingsplan 'Voorschoten Oost' (plangebied in rood weergegeven)
Op grond van deze bestemmingen is de realisatie van 24 woningen niet toegestaan. Strijdig is het bouwen van huizen binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’. Daarnaast is het ook niet toegestaan om buiten het bouwvlak een gebouw te bouwen. De strijdigheid met het bestemmingsplan kan overeenkomstig artikel 2.12 lid 1 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) worden opgeheven met behulp van: 1. Binnenplanse vergunning; 2. Kruimelvergunning; 3. Uitgebreide omgevingsvergunning. De sloop van de huidige bebouwing en de bouw van de nieuwe huizen kan niet vergunningsvrij plaatsvinden. Daarnaast zijn er ook geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheden in de regels van het bestemmingsplan opgenomen voor een soortgelijke ontwikkeling zoals onderhavig planinitiatief. Ook past onderhavig planinitiatief niet binnen de kruimelvergunning. Daarom moet een zogenaamde uitgebreide omgevingsvergunning worden aangevraagd met de bijbehorende procedure.
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
6
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
2
Beschrijving van de omgevingsvergunning
2.1
Huidige en toekomstige situatie
Niersman Projectontwikkeling
Huidige situatie In de huidige situatie staat een voormalig schoolgebouw in het plangebied met een oppervlakte van circa 520 m2 en 2 bouwlagen. Het gebouw dateert uit 1960 en wordt al enkele jaren antikraak bewoond. Op het terrein bevindt zich naast het oude schoolgebouw ook het bijbehorende speelterrein. Het plangebied is grotendeels verhard. In de directe omgeving bevinden zich voornamelijk woningen die vallen onder Stichting Woonzorg Nederland. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie worden er 24 nieuwe woningen gerealiseerd, waarvan 17 aaneengesloten grondgebonden woningen en 7 appartementen. Hiervoor zal de huidige bebouwing moeten worden gesloopt. De 17 aaneengesloten woningen zullen 3-laags worden gebouwd, waarbij er bij de 7 woningen aan de Lord Baden Powellweg een klein terras zal worden gerealiseerd op de 2e verdieping. De 10 overige aaneengesloten woningen hebben een schuin dak, verdeeld over de hele 2e verdieping. Op alle daken van de woningen zullen zonnepanelen worden geïntegreerd in de pannendaken. Op onderstaande afbeeldingen is een impressie te zien van de woningen.
Afbeelding 3: Impressie vanaf de Professor Einsteinlaan
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
7
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
Niersman Projectontwikkeling
Afbeelding 4: Impressie vanaf de Lord Baden Powellweg
2.2 Toetsing aan het bestemmingsplan De ontwikkeling van de nieuw te bouwen woningen aan de Professor Einsteinlaan 5 te Voorschoten is binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’ en het daarbij behorende ‘bouwvlak’ niet toegestaan. De functie wonen is binnen de bestemming niet toegestaan en de gewenste bebouwing kan niet binnen het bestaande bouwvlak gerealiseerd worden. Hiermee past de beoogde ontwikkeling niet binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan, waardoor afwijken noodzakelijk is.
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
8
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
Niersman Projectontwikkeling
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. De NOVI moet Nederland voorbereiden op de grote uitdagingen die de komende jaren opgepakt moeten worden. Internationale tot lokale ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering zijn voorbeelden van deze opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen, inhoudelijke keuzes kunnen in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. De NOVI moet Nederland houvast bieden om keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen maken.
De NOVI is opgesteld als voorbereiding op de Omgevingswet, die naar verwachting op 1 januari 2022 in werking treedt. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. In de NOVI zijn vier landelijke prioriteiten vastgesteld, aan de hand van deze prioriteiten is een toekomstperspectief voor 2050 vastgesteld en brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. De vier prioriteiten zijn: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio's; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied, Doorwerking planinitiatief en conclusie Het rijksbeleid is in veel gevallen te abstract om voor (relatief) kleine ontwikkelingen daadwerkelijk kaderstellend te zijn. De ontwikkeling van 24 woningen binnen de gemeente Voorschoten draagt niet direct bij aan de rijksdoelstelling, maar vormt ook geen belemmering. De kleinschaligheid van de ontwikkeling leidt er toe dat de NOVI geen invloed heeft op de ontwikkeling en vice versa.
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
9
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
Niersman Projectontwikkeling
3.1.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) geeft regels waar concrete ruimtelijke projecten aan moeten voldoen. Zo is in het Bro de Ladder voor duurzame verstedelijking verankerd (zie artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro). Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt gestreefd naar een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele projecten. In de praktijk werd de toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking als lastig ervaren. Daarom is op 1 juli 2017 het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. De derde trede is geschrapt en de eerste twee treden zijn samengevoegd. Hiermee is de 3-trapsstructuur losgelaten. Ook zijn de termen 'actueel' en 'regionaal' geschrapt die waren opgenomen in de voormalige eerste trede. De Ladder voor duurzame verstedelijking bestaat nu uit twee onderdelen. Het tweede lid van artikel 3.1.6.
van het Bro omvat de Ladder voor duurzame verstedelijking en luidt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt:‘’ bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Dit hangt echter wel af van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving.’’ Het begrip 'stedelijke ontwikkeling' is nader gespecificeerd in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie ABRvS van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421). De Afdeling noemt in de uitspraak de uitgangspunten die zij hanteert voor de beoordeling of een voorziene ontwikkeling voldoende substantieel is om als stedelijke ontwikkeling te kunnen gelden.
Op 28 juni 2017 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een overzichtsuitspraak gedaan over de Ladder voor duurzame verstedelijking (zie ABRvS van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724). Ook hier is het begrip 'stedelijke ontwikkeling' nader gespecificeerd. Indien het om een woningbouwlocatie gaat, geldt het volgende uitgangspunt: “Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt”. Doorwerking planinitiatief en conclusie Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling en er een motivering (ladderonderbouwing) nodig is, is afhankelijk van de inhoud en locatie van het plan. Onderhavig planinitiatief betreft de bouw van 24 woningen en wordt daarmee aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is daarmee noodzakelijk.
De belangrijkste motiveringsplichten van de Ladder voor duurzame verstedelijking, namelijk dat de behoefte aan een nieuwe ontwikkeling moet worden aangetoond en dat moet worden toegelicht als de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd - waarom het bestaand stedelijk gebied niet geschikt is voor de nieuwe ontwikkeling, vloeien voort uit andere wettelijke normen en jurisprudentie. Bij het doorlopen van de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt het volgende geconstateerd: WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
10
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
Niersman Projectontwikkeling
Behoefte Er is sprake van een behoefte. Dit blijkt onder andere uit paragraaf 3.5.2. In de gemeente Voorschoten is, net zoals in heel Nederland, een woningtekort. Onderhavig planinitiatief voorziet deels in de woonbehoefte voor de gemeente Voorschoten door 24 nieuwe woningen te realiseren op de plek van een oud schoolgebouw. Bestaand stedelijk gebied Kijkend naar de kwaliteitskaart van de Provincie Zuid-Holland (zie afbeelding 5) bevindt het plangebied zich binnen bestaand stedelijk gebied. De ladder voor duurzame verstedelijking hoeft dan ook niet verder te worden doorlopen, aangezien de stedelijke ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand stedelijk gebied.
Afbeelding 5: Kwaliteitskaart Zuid-Holland laag van stedelijke occupatie
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
11
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
Niersman Projectontwikkeling
3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit besluit omvat alle ruimtelijke Rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmings- en inpassingsplannen. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen, inpassingsplannen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden de regels van het barro vervangen door de regels in de Omgevingsregeling. Tot die tijd gelden de regels uit het Barro. Uit de regels en kaarten behorende bij het besluit kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. De 14 nationale belangen in het Barro zijn: 1. Rijksvaarwegen 2. Mainportontwikkeling Rotterdam 3. Kustfundament 4. Grote rivieren 5. Waddenzee en waddengebied 6. Defensie 7. Hoofdwegen en hoofdspoorwegen 8. Elektriciteitsvoorziening 9. Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen 10. Natuurnetwerk Nederland 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte) 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde 14. Ruimtereservering parallelle Kaagbaan
Doorwerking planinitiatief en conclusie De in het Barro juridisch verankerde nationale belangen hebben geen van allen betrekking op het plangebied of de ontwikkelingen die daar zijn gepland. Het Barro vormt ook geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend uitwerkingsplan.
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
12
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5 3.2
Niersman Projectontwikkeling
Provinciaal en regionaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De Omgevingsvisie op 1 april 2019 vastgesteld door de provincie Zuid-Holland en is opgesteld in kader van de Omgevingswet die op 1 januari 2022 in werking treedt. Het beleid is gericht op het realiseren van maatschappelijke belangen en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. De provincie stelt in het document ‘inleiding’ dat onderdeel is van de Omgevingsvisie, de visie, ambities en opgaven voor de provincie. Het omvat 6 richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving: • Naar een klimaatbestendige delta; • Naar een nieuwe economie: the next level; • Naar een levendige meerkernige metropool; • Energievernieuwing; • Best bereikbare provincie; • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Naast de 6 ambities benoemt de provincie 12 provinciale ‘Opgaven Omgevingskwaliteit’ in de Omgevingsvisie die vanuit provinciaal belang zijn ontwikkeld. De provincie werkt bij deze opgaven samen met andere overheden en maatschappelijke partners. De 12 provinciale ‘Opgaven Omgevingskwaliteit’ zijn als volgt: • Landschap en cultuurhistorie; • Gezondheid en veiligheid; • Natuur en recreatie; • Ruimte en verstedelijking; • Wonen; • Bodem en ondergrond; • Cultuurparticipatie en bibliotheken; • Klimaatadaptie; • Zoetwater en drinkwater; • Bereikbaarheid; • Regionale economie; • Energievoorziening.
Naast de inleiding zijn het ‘Programma Ruimte’ en de ‘Kwaliteitskaart’ onderdeel van de Omgevingsvisie. Het ‘Programma Ruimte’ bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Daarbij gaat het dan om locatie specifieke of programmatische invulling van beleidsbeslissingen uit de Omgevingsvisie. Doorwerking planinitiatief en conclusie Net als het Rijksbeleid heeft ook het provinciaal beleid slechts beperkt invloed op een ontwikkeling zoals onderhavige. Onderhavig planinitiatief sluit aan bij de ambitie ‘Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving’ doordat een oud schoolgebouw plaatsmaakt voor nieuwe woningen. Daarnaast wordt er invulling gegeven aan de ambitie ‘Wonen’ doordat er nieuwe woningen worden gecreëerd.
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
13
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
Niersman Projectontwikkeling
3.3 Omgevingsverordening Zuid-Holland De Omgevingsverordening Zuid-Holland is op 20 februari 2019 vastgesteld door de Provinciale Staten van Zuid-Holland en op 1 april 2019 in werking getreden. De omgevingsverordening vormt het juridische fundament van de Omgevingsvisie. De inhoud van de Omgevingsvisie is daarbij voor een groot deel leidend voor de inhoud van de Omgevingsverordening. Doorwerking planinitiatief en conclusie Artikel 6.10 van de Omgevingsverordening stelt dat in de toelichting van het bestemmingsplan bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden ingegaan op de toepassing van de Ladder voor Duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.16, tweede, derde en vierde lid van het Besluit Ruimtelijke Ordening. In paragraaf 3.2.1 is reeds geconcludeerd dat alleen de behoefte moet worden aangetoond van de nieuwe stedelijke ontwikkeling, gezien het feit dat het gehele plangebied valt binnen bestaand stedelijk gebied.
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
14
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5 3.4
Niersman Projectontwikkeling
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Ruimtelijke Structuurvisie Voorschoten 2025 Op 9 maart 2016 heeft de gemeenteraad van Voorschoten de ‘Ruimtelijke Structuurvisie Voorschoten 2025 ‘’Groen, veilig en betrokken’’’ vastgesteld. Het doel van deze ruimtelijke structuurvisie is het schetsen van een breed gedragen, gebiedsdekkend ruimtelijk afwegingskader voor Voorschoten tot en met 2025. In deze structuurvisie heeft de gemeente Voorschoten drie pijlers vastgesteld: Groen, Veilig en Betrokken. Het plangebied ligt binnen het deelgebied: ‘’woonwijken’’. Daarvoor geldt onder andere dat de nieuwbouw gericht moet zijn op andersoortige woningen dan die er nu al zijn, met een aanvullend aanbod dat de doorstroming bevordert. Er wordt gestreefd naar gevarieerde woonwijken, waarbij de invulling voor de locaties aan de raad wordt voorgelegd. Daarnaast wordt er ingezet op het tegengaan van verstening van tuinen, gericht op een waterbergend vermogen met het oog op klimaatadaptatie. Daarvoor zal het woningbestand moeten worden verduurzaamd, onder andere met nieuwbouwwoningen die minimaal beschikken over energielabel A. Verder moet er maatwerk en creativiteit worden geleverd bij herbestemming en/of herontwikkelingen van bestaande gebouwen, die passend in maat zijn bij de omgeving.
Doorwerking planinitiatief en conclusie Onderhavig planinitiatief maakt de herontwikkeling van de bestaande bebouwing in het plangebied naar 24 nieuwbouwwoningen mogelijk. Deze woningen zullen deels bestaan uit eengezinswoningen, maar ook deels uit kleinschalige appartementen voor o.a. starters. Daarmee sluit het planinitiatief aan bij de ruimtelijke structuurvisie. Ook is er in dit initiatief aandacht voor waterberging, hier wordt in paragraaf 4.11 nader op ingegaan.
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
15
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
Niersman Projectontwikkeling
3.4.2 Woonvisie Voorschoten 2019-2022 Naar aanleiding van het Coalitieakkoord 2018-2022 met de ambitie om te bouwen waar vraag naar is met een goed evenwicht in het woningbouwprogramma voor alle generaties, is de geactualiseerde woonvisie 2019-2022 opgesteld door de gemeente Voorschoten. Hierin is de ambitie om de voorspelde groei van 10% huishoudens in 2040 te kunnen opvangen, maar het groene karakter van Voorschoten dient behouden te blijven. De focus wordt ook gelegd op het huisvesten van jongeren, starters en ouderen. Er wordt in de woonvisie nader ingegaan op de volgende 4 thema’s: 1. Kwaliteit en opbouw van de woningvoorraad 2. Duurzame woningvoorraad 3. Wonen en Zorg 4. Beschikbaarheid en betaalbaarheid in huursector De woningbouwopgave gaat niet alleen om het realiseren van voldoende woningen op de juiste plek, er is meer nodig. De kwaliteit van de woningen moet worden gewaarborgd en ook moet er goed worden gekeken of er een verbetering kan plaatsvinden in de bestaande woningvoorraad. Daarnaast spelen er nog grote maatschappelijke thema’s zoals het voorzien in voldoende zorgwoningen voor ouderen en voldoende passende (en bereikbare) woningen voor starters. Voor de gemeente Voorschoten geldt dat er een geschatte woningbehoefte is van 1.100 woningen tot en met 2030. In de planmonitor wonen worden de concrete woningbouwprojecten bijgehouden.
Momenteel in 2021 staan er 807 woningen gepland voor de gemeente voorschoten in deze planmonitor. Doorwerking planinitiatief en conclusie Onderhavig planinitiatief voorziet in 24 nieuwbouwwoningen op de plek van een oude school. Er worden dus per saldo 24 nieuwe woningen gerealiseerd in de gemeente Voorschoten, waarmee wordt tegemoetgekomen aan de bestaande woningbouwopgave. De volledige woningbehoefte is immers nog niet opgelost en onderhavig planinitiatief is bovendien nog niet in de berekeningen meegenomen voor de geplande woningbouw. Een deel van de appartementen zal daarnaast geschikt zijn voor starters, in prijs en omvang. Daarmee sluit onderhavig planinitiatief aan bij de uitgangspunten van de Woonvisie Voorschoten 2019-2022.
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
16
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
4
Niersman Projectontwikkeling
Inventarisatie en beoordeling milieuonderzoeken
4.1 Bodem De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen en het verlenen van omgevingsvergunningen regels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming dienen te zijn. De Wet bodembescherming onderscheidt drie kwaliteiten grond: • sterk verontreinigde grond (boven interventiewaarden); • licht verontreinigde grond (boven achtergrondwaarden); • schone bodems (beneden achtergrondwaarden). Indien gesaneerd moet worden, bestaan specifieke regels voor het bepalen van de terugsaneerwaarde (te behalen kwaliteit) en de milieuhygiënische kwaliteit van een aan te brengen leeflaag. Voor het toepassen van grond en bagger (beneden de interventiewaarden) speelt het Besluit bodemkwaliteit (Bkk) een rol. Hierin worden vier kwaliteiten gehanteerd, namelijk Achtergrondwaarde, Wonen, Industrie en Niet toepasbaar. Het besluit hanteert een toets op de ontvangende bodem en aan de gebruiksfunctie. Voor alle typen grond speelt de Wet Bodembescherming, het Bouwstoffenbesluit (BsB) en de Vrijstellingsregeling grondverzet een rol. Indien gesaneerd moet worden, bestaan specifieke regels voor het bepalen van de terugsaneerwaarde en de milieuhygiënische kwaliteit van een aan te brengen leeflaag (zogenaamde bodemgebruikswaarden (BGW's).
Bodemgebruikswaarden zijn een product van het functiegerichte saneringsbeleid "Van Trechter naar Zeef". Sinds 2008 is het Besluit bodemkwaliteit van kracht. Dit besluit hanteert voor het toepassen van grond en bagger, een toets op de ontvangende bodem en aan de gebruiksfunctie. Tevens biedt het besluit meer mogelijkheden voor grondverzet. Doorwerking planinitiatief en conclusie Er is door het Milieu Adviesbureau Adverbo in de periode januari-februari 2017 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd binnen het plangebied aan de Professor Einsteinlaan 5 (kenmerk onderzoek: 16.10.0800.0654-B). De aanleiding voor dit onderzoek was de toenmalige voorgenomen verkoop van de locatie. In dit onderzoek is aangetoond dat er geen asbestverdacht materiaal is gevonden in de grond. De boven- en ondergrond en het grondwater zijn hooguit licht verontreinigd, wat geen aanleiding gaf tot het uitvoeren van een vervolgonderzoek. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor onderhavig planinitiatief.
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
17
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5 4.2
Niersman Projectontwikkeling
Archeologie en cultuurhistorie
4.2.1 Archeologie In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is om het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van het ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Aansluitend op dit verdrag is op 1 september 2007 de Wet Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. Gemeenten hebben de verantwoordelijkheid gekregen om zorg te dragen voor een goede omgang met archeologische waarden binnen hun grondgebied. Gemeenten moesten binnen 2 jaar nadat deze wet in werking is getreden archeologisch beleid hebben geformuleerd. De gemeente Voorschoten heeft ten tijde van de vaststelling van het vigerende bestemmingsplan (d.d. 16 mei 2013) een archeologische beleidskaart opgesteld. Kijkend naar de archeologische beleidskaart valt het plangebied binnen het gebied waar een hoge archeologische verwachting geldt. Doorwerking planinitiatief en conclusie Lycens B.V. heeft in februari 2021 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor onderhavig planinitiatief. In dit onderzoek is geconcludeerd dat er een hoge archeologische verwachting geldt voor twee archeologische niveaus. De sloop en nieuwbouw kunnen tot verstoring leiden van deze archeologische waarden.
Daarom dient nader archeologisch plaats te vinden. In eerste instantie dient hier een karterend en waarderend veldonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek plaats te vinden. Als er een behouden waardige vindplaats aanwezig blijkt te zijn, zal aansluitend een opgraving moeten plaatsvinden. Het een en ander zal moeten worden vastgelegd in een Programma van Eisen welke goed gekeurd moeten worden door bevoegd gezag. Het onderzoek moet zijn uitgevoerd voordat de bouw start. 4.2.2 Cultuurhistorie Sinds 2012 bestaat de verplichting om in een bestemmingsplan en een goede ruimtelijke onderbouwing een paragraaf op te nemen waarin de aanwezige bovengrondse cultuurhistorische waarden worden omschreven en een perspectief wordt geschetst van de toekomst van die waarden. Cultuurhistorie omvat niet alleen waardevolle bebouwing, maar ook elementen als landschap en structuren. Doorwerking planinitiatief en conclusie In het plangebied staat een voormalig schoolgebouw, welke is gebouwd in 1958. De school maakte onderdeel uit van de realisatie van de naoorlogse uitbreidingswijk ‘Vlietwijk’. De wijk kenmerkt zich hoofdzakelijk door de aanwezigheid van geschakelde eengezinswoningen en enkele appartementen. In de loop der tijd zijn een aantal panden in deze wijk vervangen voor nieuwbouw.
Het schoolgebouw in onderhavig plangebied betreft een tweelaags gebouw, met omliggend groen en een schoolplein. Het pand is ontworpen door Architectenbureau B. Buurman en ir. M.P. Schutte uit Leiden. Dit bureau is tegenwoordig actief onder de naam Bruins Soedjono Architekten. Het ontwerp van de school is eenvoudig en praktisch. Door de opzet kan het goed gebruikt worden als basisschool. Het gebouw is lange tijd in gebruik geweest als basisschool. De school is nu niet meer aanwezig, waardoor het pand leegstaat. Dit heeft ertoe geleid dat het pand enigszins is verloederd. Door een nieuwe functie aan het plangebied toe te kennen, kan het plangebied worden opgewaardeerd.
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
18
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
Niersman Projectontwikkeling
Het schoolgebouw heeft geen beschermde status. In de omgeving zijn tevens geen panden aanwezig met een beschermde status in het kader van cultuurhistorie. Daarnaast ligt het plangebied niet in of nabij een gebied dat in de Structuurvisie Cultuurhistorie 2013-2028 is aangewezen als een onderdeel van de cultuurhistorische hoofdstructuur. Doordat het pand geen beschermde status heeft, kan het behoud van het pand niet worden afgedwongen. Vanwege het ontwerp en de bouwkundige staat van de school, is het niet realistisch om woningbouw in het bestaande gebouw te realiseren. Onderhavige ontwikkeling voorziet daarom in een ontwerp met rijwoningen en een appartementenblok. Met het ontwerp wordt aangesloten op de bestaande bebouwing in de omgeving. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
19
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
Niersman Projectontwikkeling
4.3 Geluid In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn geluidsnormen opgenomen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Deze normen geven de hoogst acceptabele geluidsbelasting bij geluidgevoelige functies, zoals woningen. Bij het bepalen van de maximaal toegestane geluidsbelasting maakt de Wgh onderscheid tussen bestaande situaties en nieuwe situaties. In de Wgh staan de geluidgevoelige bestemmingen binnen de geluidszones langs een geluidsbron centraal. Daarbinnen moet aan de eisen van de Wgh worden voldaan. Geluidszones zijn voor verschillende geluidsbronnen voorgeschreven, waaronder industrie, wegverkeer en railverkeer. Met het stelsel van zonering is een koppeling gelegd tussen beperking van geluidhinder en ruimtelijke ordening. Verkeerslawaai Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij de weg binnen een woonerf is gelegen of dat voor een weg een maximum snelheid geldt van 30 km/uur. De overige wegen kennen een geluidszone, een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden. De omvang van een zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de typering van het gebied (binnenstedelijk of buitenstedelijk). Op grond van artikel 82 van de Wgh bedraagt de voorkeursgrenswaarde 48 dB op de gevel van een geluidsgevoelige bestemming.
Artikel 83 geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om een hogere waarde vast te stellen. Voor nieuw te bouwen geluidsgevoelige bestemming binnen de bebouwde kom is deze waarde wettelijk maximaal 63 dB. Railverkeerslawaai Als een plangebied geheel of gedeeltelijk binnen de geluidszone van een spoorweg valt, moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen die geluidszone (Wgh artikel 77). Een bestemmingsplan kan pas worden vastgesteld indien de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige functies voldoet aan de voorkeursgrenswaarde genoemd in de Wgh, of indien het bevoegd gezag een besluit heeft genomen om hogere waarden vast te stellen. Voor dit laatste geeft de Wgh een maximale ontheffingswaarde. Voordat een hogere waarde kan worden vastgesteld, dienen eerst maatregelen onderzocht te worden om de geluidbelasting terug te dringen. Industrielawaai Op basis van artikel 40 van de Wet geluidhinder kunnen (delen van) industrieterreinen worden aangewezen als gezoneerd industrieterrein met een zonegrens. Dit betreft industrieterreinen waarop zich gronden bevinden die zijn aangewezen voor mogelijke vestiging van zogenaamde "grote lawaaimakers" als genoemd in artikel 41 lid 3 van de Wet geluidhinder en artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht.
Buiten de zonegrens mag de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB niet te boven gaan.
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
20
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
Niersman Projectontwikkeling
Doorwerking planinitiatief en conclusie In maart 2021 heeft K+ Adviesgroep een akoestisch onderzoek uitgevoerd in opdracht van de initiatiefnemer. In dit onderzoek is onderzocht wat de te verwachten optredende geluidbelasting is vanwege wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe woningen. Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de Professor Einsteinlaan, en de Professor Einthovenlaan. Deze laatste weg is meegenomen in het kader van een goede ruimtelijke ordening aangezien dit een 30 km/h weg betreft en niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Uit het onderzoek komt naar voren dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op 14 waarneempunten wordt overschreden, met een maximale gevelbelasting van 59 dB. De maximaal toelaatbare grenswaarde van 68 dB wordt niet overschreden. Daarom dient er bij de gemeente Voorschoten een verzoek te worden ingediend voor het verlenen van een hogere toelaatbare waarde. Het volledig akoestisch onderzoek is te vinden in de bijlage. Daarnaast is een onderzoek uitgevoerd naar de benodigde gevelmaatregelen ten behoeve van de geluidwering. Door het uitvoeren van de gevelmaatregelen blijft de binnenwaarde binnen de wettelijke kaders. Dit onderzoek is te vinden in de bijlage.
Hogere waardenbeleid Gemeente Voorschoten De gemeente Voorschoten heeft een uitwerking opgesteld met richtlijnen voor het afgeven van een besluit hogere waarden op de Wet geluidshinder. In onderstaand overzicht zijn de specifieke criteria voor het vaststellen van hogere waarde wegverkeerslawaai uiteengezet, waarbij voor de relevante punten is aangegeven of hier aan voldaan wordt (groen) of niet (rood). Tevens zijn er diverse maatregelen genomen ten behoeve van het minimaliseren van de geluidsoverlast. Een overzicht hiervan is toegevoegd als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. 6.2.2. Specifieke criteria voor vaststellen hogere waarde wegverkeerslawaai Een hogere waarde kan slechts worden verleend als het betreft: 1. woningen die ter plaatse noodzakelijk zijn om redenen van grond- of bedrijfs- gebondenheid, of; 2. woningen die in een gemeentelijke structuurvisie worden opgenomen, of; 3. woningen die door de gekozen situering een open plaats tussen aanwezige bebouwing opvullen, of; 4. woningen die ter plaatse gesitueerd worden als vervanging van bestaande bebouwing; 5. nog niet geprojecteerde woningen buiten de bebouwde kom die verspreid gesitueerd worden, of; 6.
nog niet geprojecteerde woningen binnen de bebouwde kom die door de gekozen situering of bouwvorm een doelmatige akoestisch afschermende functie gaan vervullen voor andere woningen - in aantal ten minste de helft van het aantal woningen waaraan de afschermende functie wordt toegekend -, of voor andere geluidsgevoelige objecten, of; 7. geprojecteerde, in aanbouw zijnde of aanwezige woningen en een nog niet geprojecteerde weg voor zover die weg: a. een noodzakelijke verkeers- en vervoersfunctie zal vervullen of b. een zodanige verkeersverzamelfunctie zal vervullen, dat de aanleg van die weg zal leiden tot aanmerkelijk lagere geluidsbelastingen van woningen binnen de zone van een andere weg. én onder de voorwaarden: 8. bij een gevelbelasting hoger dan 53 dB wordt akoestische compensatie toegepast; 9. voor nog niet geprojecteerde woningen kan alleen een hogere waarde dan 53 dB als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting worden vastgesteld als voldoende verzekerd wordt, dat de verblijfsruimten, alsmede ten minste één van de tot de woning behorende buitenruimten niet aan de uitwendige scheidingsconstructie worden gesitueerd waar de hoogste geluidsbelasting optreedt, tenzij overwegingen van stedenbouw of volkshuisvesting zich daar tegen verzetten; in dat geval wordt de buitenruimte afsluitbaar uitgevoerd. 10.
bij een waarde vanaf 53 dB wordt gestreefd naar ten minste één stille gevel (< 48 dB); 11. dove gevels worden bij voorkeur niet toegepast; indien toch noodzakelijk dan maximaal één dove gevel, bij voorkeur niet als voor- of achtergevel;
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
21
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
Niersman Projectontwikkeling
12. voor nog niet geprojecteerde woningen ter vervanging van bestaande woningen is een hogere waarde alleen mogelijk als de vervanging niet leidt tot: a. een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur; b. een toename van het aantal geluidgehinderden met meer dan 100, gerekend op bouwplanniveau; 13. de hogere waarde bedraagt niet meer dan 58 dB.
Aan de voorwaarde 6.2.2 sub 9 kan niet worden voldaan. De voorwaarde om de verblijfsruimten niet te situeren aan gevel met de hoogte geluidsbelasting is in dit project niet haalbaar. Ook een buitenruimte niet aan de gevel met de hoogste geluidsbelasting is niet haalbaar. Daarom wordt een buitenruimte met geluidsscherm geplaatst, welke voldoet aan de maximaal toegestane geluidwaarde. In de bijlage worden de maatregelen om de impact zo minimaal mogelijk te maken omschreven. Verder kan ook niet worden voldaan aan sub. 13 voor de gevels aan de Einsteinlaan. Hier zal de overschrijding 59 dB zijn. Een oplossing hiervoor kan zijn dat de gemeente overgaat op artikel 6.3 uit het hogere waarden beleid, waarmee het project alsnog vergund kan worden. In artikel 6.3 worden mogelijkheden gegeven om af te wijken van artikel 6.2, mits er sprake is van een maximale hogere waarde van 63 dB voor wegverkeerslawaai, conform de Wet geluidhinder. Het plan voldoet aan deze voorwaarde. Deze afwijking dient echter goed gemotiveerd te worden. Het plangebied kent nu een oud schoolgebouw welke niet meer in gebruik is of zal worden genomen. Het ligt daarmee voor de hand om het perceel te herontwikkelen. Gezien de huidige vraag naar nieuwe woningen in de regio, ligt het voor de hand om op deze locatie woningen te ontwikkelen.
Stedenbouwkundig gezien is het niet wenselijk om de woningen anders te positioneren, zodat kan worden voldaan aan de maximale geluidswaarde van 58 dB. Gezien de behoefte naar woningen en de geschiktheid van de locatie wordt voorgesteld om van deze afwijkregeling gebruik te maken. Aan de overige voorwaarden wordt voldaan. Zo wordt akoestische compensatie toegepast door een geluidluwe buitenruimte te creëren en de slaapkamers niet aan de straatkant te positioneren. Ook worden geen dove gevels toegepast en zijn stille gevels aanwezig. Tevens is door de ontwikkelaar gekeken naar verschillende locaties voor de gezamenlijke buitenruimte (te zien op onderstaande afbeelding). Uiteindelijk is gekozen om de buitenruimte op positie B te plaatsen. Hieronder de argumentatie: A. Gezamenlijke tuin bij entree tegen appartementencomplex: goed De locatie van de gezamenlijke tuin is goed. Dicht bij de entree en is duidelijk bedoeld voor de appartementen. Ook kan de tuin opgaan in het groen langs de Einsteinlaan en de lord baden powellweg. Wel is in deze optie de entree naar de appartementen minder duidelijk. Er ligt op deze positie een te hoge geluidsbelasting vanaf de Einsteinlaan. Om de buitenruimte geluidsluw te maken is daarom gekozen om een gemetselde omheining te maken van 60 cm hoog met een glazenscherm van 120 cm. B.
Gezamenlijke tuin tegen de rijwoning: goed De locatie van de gezamenlijke tuin is goed, is dicht bij de entree van het appartementencomplex en heeft daarbij voldoende verbinding met de bewoners. In de inrichting van de omgeving is deze locatie minder sterk van positie A. Wel geeft deze locatie een beter zichtbare entree voor de appartementen. De geluidsbelasting is hier gelijk aan optie A. Hierbij blijft de te hoge geluidsbelasting dus bestaan. Om de buitenruimte geluidsluw te maken is daarom gekozen om een gemetselde omheining te maken van 60 cm hoog met een glazenscherm van 120 cm. Het ontwerp is weergegeven in afbeelding 7.
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
22
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
Niersman Projectontwikkeling
C. Gezamenlijke tuin aan de andere zijde van het appartementencomplex: slecht Mindere locatie voor de tuin. Relatief ver verwijderd van de voordeur waardoor de buikbaarheid in het geding komt. De vraag is of de bewoners hier goed gebruik van kunnen maken als de tuin zo ver van de entree verwijderd is. Tevens ligt op deze locatie ook een te hoge geluidsbelasting waardoor het probleem blijft bestaan. D. Gezamenlijke daktuin op de eerste verdieping: slecht Mindere locatie voor de tuin. Omdat de tuin niet vanuit de eerste verdieping te bereiken is, zal er een trap moeten worden geplaatst om de daktuin te bereiken. Dit gaat in tegen het principe van toegankelijkheid voor minder valide personen. Ook is op deze locatie een hoge geluidsbelasting gemeten. Overige mogelijke locaties liggen te ver van het appartementencomplex om aangeduid te kunnen worden als gezamenlijke tuin. Wat deze mogelijke locaties uitsluit.
Afbeelding 6: mogelijke alternatieve locaties binnentuinen
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
23
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
Niersman Projectontwikkeling
Afbeelding 7: locatie buitenruimte met glazen scherm
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
24
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
Niersman Projectontwikkeling
4.4 Flora & Fauna Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De Wet natuurbescherming vervangt drie actuele wetten, te weten de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen. De Wet Natuurwetbescherming wijkt in een aantal opzichten af van de Flora- en faunawet; de strekking is echter hetzelfde. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen). Net als in de Flora- en faunawet is in de Wet natuurbescherming een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben. De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de nieuwe Wet natuurbescherming.
Ongeveer 200 soorten verliezen hun bescherming in vergelijking met de eerder vigerende Flora- en faunawet, voornamelijk soorten vaatplanten (muurplanten, orchideeën) en (zee)vissen. De bij de Flora- en faunawet gehanteerde gedragscodes blijven bestaan, zij het dat de lijsten met beschermde soorten wijzigen en aangepast moeten worden. Voor soortbescherming in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de nieuwe Wet natuurbescherming van belang: • Zorgbeginsel artikel 1.10 en 1.11: net als bij artikel 2 Ffwet is de intrinsieke waarde van soorten vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime, een zorgplicht. Dit zorgbeginsel is vergelijkbaar met de zorgplicht in de Ffwet. • Actieve soortbescherming, artikel 1.12. Provincies moeten verplicht beleid opstellen voor de bescherming van soorten, specifiek in hun eigen provincie. Dit beleid is nog in ontwikkeling en de inhoud is nog niet bekend. Er worden in de Wet natuurbescherming drie beschermingsregimes onderscheiden: 1. Soorten van Vogelrichtlijn: Bescherming van alle in het wild levende vogels in de EU, beschreven in artikel 3.1-3.4. Dit beleid verandert deels t.o.v. de. Ffwet. Het begrip "opzettelijk" is bij doden, vangen en verstoring van nesten etc. opgenomen. Hieronder valt ook het begrip "voorwaardelijk opzet".
De grote verandering is dat verstoring onder de nieuwe wet is toegestaan, mits de staat van instandhouding van de soort maar niet in het geding komt. Degene die de verstoring begaat, moet dan aantonen dat er geen verstoring van wezenlijke invloed is. Verstoren van broedende vogels (op nest) en eieren blijft verboden. De provincie kan hiervoor vrijstelling en ontheffingen verlenen.
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
25
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
Niersman Projectontwikkeling
2. Soorten van Habitatrichtlijn: A. Bescherming van dier- en plantensoorten in artikel 3.5-3.9: die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I. In geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden: dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, de handeling noodzakelijk is (diverse redenen mogelijk, waaronder die van groot openbaar belang met redenen van sociale en economische aard) en tot slot alleen wanneer er geen afbreuk gedaan wordt aan de gunstige staat van instandhouding van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied. B. die streng beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III, Verdrag van Bonn bijlage II. Hiervoor moeten maatregelen worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is. In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. Ook hier is het opzetvereiste van toepassing, maar in tegenstelling tot vogels is er geen uitzondering dat 'verstoring toegestaan is zolang het niet van wezenlijke invloed is'. Via een AMvB kunnen nog nadere regels gesteld worden. De provincie kan vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen, met in achtneming van de belangen.
3. Andere soorten: Dit zijn de in de bijlage van bij artikel 3.10 van Wet natuurbescherming genoemde soorten. Op deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Onderdeel A bevat de fauna, onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen. In praktijk is deze bescherming lichter en verwacht wordt dat ontheffingen vrij gemakkelijk verkregen kunnen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen. Ruimtelijke ontwikkeling is een geldig belang voor een ontheffing (art 3.10.2 onderdeel a). Opzettelijk verstoren in algemene zin, wordt voor deze groep niet genoemd als verbod. De provincies kunnen voor deze lijst vrijstellingsbesluiten maken. Op dit moment staan ook zeer algemene soorten op deze lijst; mogelijk zal er een vrijstellingsbesluit of AMvB opgesteld worden hoe hier mee om te gaan. Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Provincies zijn bevoegd om bij provinciale omgevingsverordening vrijstelling te verlenen voor de groep "Andere soorten", waardoor bij overtreding van de verbodsbepalingen de noodzaak tot ontheffing vervalt. Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland hebben de omgevingsverordening op 20 februari 2019 vastgesteld.
Waar de verantwoordelijkheid voor de uitvoering voorheen grotendeels bij het Rijk lag, gaan de meeste verantwoordelijkheden vanaf 2017 naar provinciaal niveau. Vrijwel alle ontheffingsverlening, uitvoering van de wet en handhaving zal uitgevoerd gaan worden door de provincies. Belangrijke procedurele wijziging hierbij is, dat wanneer er sprake is van een omgevingsvergunning, ontheffingen voor de beschermde soorten vanaf de inwerkingtreding van de wet daarbij mogen aanhaken. Dat wil zeggen dat de indiener mag kiezen of hij zijn ontheffing direct bij de provincie aanvraagt, of dat hij dat doet door aan te haken bij de omgevingsvergunning. In het laatste geval moet de gemeente dan een volledigheidstoets uitvoeren. Met de aanvraag van een omgevingsvergunning geldt de uitgebreide procedure, en is er een wettelijke beslistermijn van maximaal 26 weken. Wanneer een ontheffing bij de provincie aangevraagd wordt waarbij geen omgevingsvergunning nodig is, is deze termijn 13 weken met maximaal 7 weken verlenging.
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
26
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
Niersman Projectontwikkeling
Doorwerking planinitiatief en conclusie Quickscan Flora & Fauna In maart 2021 is er door IDDS een quickscan flora fauna uitgevoerd ten behoeve van eventueel beschermde soorten in het plangebied en gebiedsbescherming. In dit onderzoek is geconcludeerd dat uitgesloten kan worden dat er beschermde diersoorten in het plangebied voorkomen. Wel gelden er voor algemene broedvogels maatregelen om verstoring en overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. De werkzaamheden dienen plaats te vinden buiten het broedseizoen. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden. In het kader van de zorgplicht van de Wet natuurbescherming worden de volgende wordt geadviseerd om de volgende zorgplichtmaatregelen te nemen: • Aangetroffen dieren krijgen de gelegenheid om te vluchten of zich te verplaatsen naar en schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden; • Potentiële schuilplekken worden gecontroleerd op aanwezigheid van schuilende dieren; • Schuilplekken worden zoveel mogelijk intact gelaten; • Broedende vogels mogen niet worden verstoord en in gebruik zijnde nesten mogen niet worden vernietigd. Activiteiten welke verstorend zijn voor broedende vogels, zoals rooi- en sloopwerkzaamheden, dienen buiten de broedperiode te worden gestart.
Globaal moet rekening gehouden worden met de periode tussen half februari en eind augustus, maar het broedseizoen verschilt per soort en per jaar. Voordat gestart wordt met verstorende activiteiten, moet door een deskundig ecoloog worden gecontroleerd of er geen broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. Het plangebied maakt ook geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Daarnaast ligt het plangebied niet in een provinciaal beschermd gebied, zoals de Strategische reservering natuur. Hierdoor vormt het aspect Flora & Fauna geen belemmering voor onderhavig planinitiatief. Het volledige Flora & Fauna onderzoek is te vinden als bijlage. Verplaatsing bomen In het plangebied waren twee behoudenswaardige platanen aanwezig. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken, zijn deze bomen verplaatst naar een naburig perceel. Ten behoeve van deze verplaatsing is op 4 maart 2022 een kapvergunning verleend. De verplaatsing heeft plaats gevonden op 29 maart 2022. Middels het toepassen van enige nazorg, blijven deze bomen behouden en staan deze bomen de ontwikkeling niet in de weg. Een overzicht van de werkzaamheden is bijgevoegd in de bijlage.
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
27
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
Niersman Projectontwikkeling
4.5 Stikstof Onderdeel van de flora & fauna wetgeving is ook een toets aan de gebiedsbescherming. In dat kader dient ook een onderzoek naar de stikstofdepositie plaats te vinden met de Aerius – berekening. Deze berekening dient uitgevoerd te worden voor zowel de gebruiksfase als de realisatiefase. Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 mag het PAS niet meer gebruikt worden als toestemmingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot een toename van stikstofdepositie op (stikstofgevoelige habitattypen in) Natura 2000-gebieden. De drempel- en grenswaarden uit het PAS zijn daarmee ook niet meer van toepassing. Hierdoor kan een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunningplichtig zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb). Oftewel, ook relatief kleinschalige projecten dienen zorgvuldig op hun stikstofdepositie getoetst te worden om aan Europese regelgeving te kunnen voldoen (en stand te houden bij de Raad van State in geval van een beroep). De meest recente actualisatie van de Aerius-calculator is van 26 januari 2023. Stikstofberekeningen dienen met deze versie berekend te worden. Doorwerking planinitiatief en conclusie De initiatiefnemer heeft een Aerius-berekening laten uitvoeren door Lodewijck Groep B.V.
In de berekening is voor gebruiks- en realisatiefase berekend wat de te verwachten stikstofdepositie is voor het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide, wat zich op 5,1 km afstand van het plangebied bevindt, als gevolg van het planinitiatief. Uit deze berekeningen is gebleken dat er in de gebruiksfase geen stikstofdepositie op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Dit geldt zowel voor de gebruiksals de realisatiefase. De rapportage is opgenomen in de bijlagen van deze ruimtelijke onderbouwing. Op grond van de stikstofdeposities zijn er dan ook geen redenen het planinitiatief te belemmeren.
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
28
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
Niersman Projectontwikkeling
4.6 Verkeer en parkeren Het planvoornemen bestaat uit het realiseren van 17 grondgebonden woningen en 7 appartementen. Ten behoeve van deze ontwikkeling worden 31 bijbehorende parkeerplaatsen gerealiseerd, te zien op afbeelding 6. Aan de Professor Zernikelaan wordt een nieuwe ontsluitingsweg gecreëerd om het plangebied in te rijden. Vanwege de oude bestemming van het plangebied, een voormalige school, was er nog geen toegangsweg het plangebied in. De ontsluiting van het plangebied vindt plaats op de bestaande wegen (Professor Einsteinlaan, Lord Baden Powellweg, Professor Zernikelaan). De parkeerplekken worden allemaal op eigen terrein gerealiseerd. Er is vanuit de gemeente Voorschoten geen parkeerbeleid geformuleerd voor de woonwijken in Voorschoten. Daarom is er in samenwerking met de gemeente door de initiatiefnemer een parkeertoets uitgevoerd. Hieruit bleek dat er 10 parkeerplaatsen tekortkomen in het plangebied, indien er wordt uitgegaan van de maximale parkeerbehoefte. Dit kan worden opgelost door een gemeten parkeeroverschot in de nabije omgeving van het plangebied. Tijdens de parkeertelling stonden er namelijk 73 parkeerplaatsen leeg op het maatgevende moment in de nabije omgeving, waardoor de behoefte kan worden opgevuld. Hiermee vormt het aspect verkeer en parkeren geen belemmering voor onderhavig planinitiatief.
Afbeelding 8: Indeling plangebied met parkeerplaatsen
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
29
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
Niersman Projectontwikkeling
4.7 Luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer, titel 5.2; ofwel de Wet luchtkwaliteit. Het uitgangspunt bij ruimtelijke planvorming is dat een project niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor een aantal stoffen die als verontreiniging in de lucht voorkomen. In de praktijk richt de aandacht zich vooral op de stoffen stikstofdioxide en fijn stof (PM10 en PM2,5). Van deze stoffen komen in Nederland concentraties voor die in de buurt van de grenswaarde liggen. De overige stoffen die in bijlage 2 zijn genoemd liggen over het algemeen ver onder de grenswaarden. De grenswaarden van de stikstofdioxide en fijn stof zijn in onderstaande figuur weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Geldig
Stikstofdioxide (NO2)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m3
Vanaf 2015
Fijn stof (PM10)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011
24-uurgemiddelde concentratie
Max. 35 keer p.j. meer Vanaf 11 juni 2011 dan 50 µg/m3
Jaargemiddelde concentratie
25 µg/m3
Fijn stof (PM2,5)
Tabel 1 Grenswaarden luchtkwaliteit
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit uitoefenen indien: • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); • de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid onder b1); • bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); • het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d). In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied. Met grof stof wordt rekening gehouden bij de milieuzonering en wordt niet in het kader van luchtkwaliteit meegenomen.
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
30
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
Niersman Projectontwikkeling
Besluit niet in betekenende mate (nibm) De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate, ofwel niet in betekenende mate (nibm), leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit niet in betekenende mate (nibm) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu is in samenwerking met Kenniscentrum InfoMill een rekentool ontwikkeld waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtkwaliteitseisen kan worden vastgesteld. Alleen het extra aantal voertuigbewegingen en het aandeel vrachtverkeer worden ingevoerd. Voor de overige invoergegevens is de NIBM-tool uitgegaan van worst-case omstandigheden. Met deze beperkte invoergegevens wordt vastgesteld of een plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan luchtverontreiniging.
Doorwerking planinitiatief en conclusie Onderliggend planinitiatief betreft een ontwikkeling van minder dan 1500 woningen en valt hiermee binnen het NIBM en behoeft niet verder niet getoetst te worden aan de grenswaarden met betrekking tot luchtkwaliteit.
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
31
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
Niersman Projectontwikkeling
4.8 Bedrijven en Milieuzonering In het kader van de Wet milieubeheer en op basis van het principe ‘een goede ruimtelijke ordening’ moet in nieuwe situaties rekening gehouden worden met (wenselijke) afstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. In de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering (2009) is een lijst met richtafstanden opgenomen. Deze lijst bevat een overzicht van milieubelastende activiteiten en de daarbij behorende richtafstanden voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De genoemde richtafstanden moeten bij voorkeur worden aangehouden tot milieugevoelige functies, zoals woningen. De grootste richtafstand is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. De categorieën zijn als volgt:
Milieucategorie
Gemengd gebied
Rustige woonwijk
1 2 3.1 3.2 4.1 4.2
0 meter 10 meter 30 meter 50 meter 100 meter 200 meter
10 meter 30 meter 50 meter 100 meter 200 meter 300 meter
Tabel 2 Richtafstanden voor milieucategorieën
Doorwerking planinitiatief en conclusie Het projectgebied kan aangemerkt worden als rustige woonwijk, gezien de woonbebouwing in de directe omgeving van het plangebied. Er bevinden zich geen bedrijven in de nabije omgeving die een risico vormen als het gaat om milieubelastende functies. Deze conclusie kan getrokken worden op basis van het geldende bestemmingsplan. Daarmee vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor onderhavig planinitiatief. 4.9 Kabels en leidingen Er kunnen planologische relevante kabels en/of leidingen in het plangebied of in de omgeving liggen. Voorbeelden zijn hoofdnutsvoorzieningen. Dit kunnen leidingen voor het transport van giftige, brandbare en/of ontplofbare stoffen zijn. Daarnaast zijn aardgasleidingen, hoogspanningsleidingen en afvalwaterleidingen ook voorbeelden. Deze leidingen worden bestemd als ze voorkomen in het gebied. Met het vigerende bestemmingsplan kan worden vastgesteld welke maatregelen, overleggen en/of rapporten nodig zijn voor een ruimtelijke ontwikkeling. Doorwerking planinitiatief en conclusie Voor zover bekend bevinden zich geen planologisch relevante kabels en/of leidingen in het plangebied of de direct omgeving, kijkend naar het vigerende bestemmingsplan. Daarmee vormt het aspect kabels en leidingen geen belemmering voor onderhavig planinitiatief.
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
32
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
Niersman Projectontwikkeling
4.10 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid voor de omgeving van een inrichting met gevaarlijke stoffen en/of transport van gevaarlijke stoffen. Elk nieuw ruimtelijk plan moet volgens de Wet ruimtelijke ordening getoetst worden aan de normen voor plaatsgebonden risico en groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een denkbeeldige persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De norm (één op één miljoen per jaar) geldt voor kwetsbare objecten als grenswaarde en voor beperkt kwetsbare objecten als richtwaarde. Dit betekent dat er als gevolg van een ongeval - in theorie - per jaar slechts één persoon op een miljoen mensen mag overlijden. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de kans op een ongeval met veel dodelijke slachtoffers. Hierbij wordt gekeken naar de werkelijk aanwezige bevolking en de verspreiding van die bevolking rond een risicobron. Bepaald wordt hoe groot de kans is op tien, honderd of meer slachtoffers tegelijk onder die bevolking. Groepsrisicoberekeningen beogen maatschappelijke ontwrichting inzichtelijk te maken. Het groepsrisico is afhankelijk van de omvang van het ongeval. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet het groepsrisico worden verantwoord (VGR). Provinciaal beleid De provincie Zuid Holland ambieert een veilig Zuid-Holland.
In de provinciale omgevingsvisie staat als provinciale opgave genoemd het 'zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving en het beperken van hinder'. De provincie wil voorkomen dat risicovolle activiteiten gevestigd worden in de omgeving van grote groepen mensen of dat een nieuwe ontwikkeling gepland wordt binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Doorwerking planinitiatief en conclusie Het plan ligt niet in het invloedsgebied van een bedrijf waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of geproduceerd. Ook ligt het niet in een invloedsgebied van een spoorlijn, waterweg of buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. De locatie ligt in het invloedsgebied van de N447 en de A4. Vanwege het transport van toxische vloeistoffen van categorie LT3 heeft de A4 een invloedsgebied van meer dan vier kilometer. De N447 heeft vanwege het transport van toxische vloeistoffen van categorie LT2 een invloedsgebied van 880 meter. Hierbij wordt opgemerkt wordt dat het transport van gevaarlijke stoffen over de N447 uitsluitend toegestaan is nadat daar door de gemeente ontheffing voor verleend is. Ook dienen transporten met gevaarlijke stoffen op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen de bebouwde kom zoveel mogelijk te vermijden. Dit duidt erop dat er een gering aantal transporten met gevaarlijke stoffen over de N447 zullen gaan.