Bijlage 2 - Ontwerp Omgevingsvergunning Prof. Einsteinlaan 5
Tekst van het document
Bij een incident met het transport van toxische stoffen over de A4 of de N447 kan een giftige gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken. Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters na alarmering door de sirene van de Veiligheidsregio of bericht van NL-Alert is daarvoor voldoende. De reden is dat bij het scenario vrijkomen van een toxische wolk, personen in gebouwen enige tijd veilig kunnen schuilen. Deze tijd om te schuilen wordt groter indien mechanische ventilatievoorzieningen uitgeschakeld worden en ventilatieopeningen gesloten worden.
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
33
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
Niersman Projectontwikkeling
Het plan heeft verder geen effect op de hoogte van het groepsrisico of op andere externe veiligheidsaspecten zoals bereikbaarheid, capaciteit hulpverleningsdiensten of zelfredzaamheid. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planinitiatief. 4.11 Water Voor nieuwe ontwikkelingen moet worden beschreven wat het beleid van het desbetreffende waterschap is en of er knelpunten en bijzonderheden zijn ten aanzien van het wateraspect. In de afgelopen decennia heeft Nederland meerdere keren te maken gehad met wateroverlast, waardoor er een kanteling heeft plaatsgevonden in het waterbeleid. De drie nationale uitgangspunten zijn: • Anticiperen in plaats van reageren • Niet afwentelen van waterproblemen op het volgende stroomgebied, maar handelen volgens de drietrapsstrategie van vasthouden-bergen-afvoeren; • Meer ruimtelijke maatregelen naast technische ingrepen. Een belangrijk onderdeel in dit waterbeleid is de watertoets. Nieuwe plannen en projecten moeten worden getoetst aan de effecten op veiligheid, wateroverlast en verdroging. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast mag niet verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. Archimil B.V.
heeft een watertoets uitgevoerd, welke is toegevoegd als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. Provinciaal beleid Het provinciaal beleid is onder andere verwoord in het ‘Regionaal Waterplan Zuid-Holland 20162021’ (verder: RWZH). Het RWZH streeft naar het beperken van de effecten van klimaatverandering en de druk op de beschikbare ruimte die de komende decennia verder toe nemen. Bescherming tegen overstromingen blijft dan ook onverminderd belangrijk en wordt zelfs gecompliceerder door de zeespiegelstijging en bodemdaling. De toenemende vraag naar kwalitatief hoogwaardig zoet water en conflicterende belangen van watergebruikers maken de verdeling van zoet water tot een heus maatschappelijk vraagstuk. De chemische en ecologische toestand van grond- en oppervlaktewater moet verbeterd worden. Het watersysteem vereist aanpassingen om deze effecten de baas te blijven. Dit leidt tot 4 kernopgaven voor de provincie Zuid-Holland: 1. Waarborgen waterveiligheid 2. Realiseren van mooi en schoon water 3. Ontwikkelen duurzame (zoet)watervoorziening 4. Realiseren robuust & veerkrachtig watersysteem Beleid waterschap Het plangebied valt binnen het beheersgebied van Hoogheemraadschap van Rijnland. Het waterbeleid is neergelegd in het waterbeheerplan 5: Waardevol water 2016-2021 (Het waterbeheerprogramma 6: Aquaversum Rijnland 2022-2027 is momenteel nog in voorbereiding).
Het waterbeheerplan is een strategisch document, gebaseerd en afgestemd op de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Waterplan en het Provinciaal Waterplan. Hierin staan de doelen
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
34
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
Niersman Projectontwikkeling
en de wijze om deze te behalen weergegeven. De belangrijkste uitdagingen voor de komende planperiode zijn de volgende: 1. Waterveiligheid 2. Voldoende water 3. Schoonwater 4. Waterketen Om te kijken of een initiatiefnemer een vergunning nodig heeft, is de watertoets opgesteld. Het doel van het watertoetsproces is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze meewegen bij alle ruimtelijke plannen die relevant zijn voor de waterhuishouding. Voor onderhavig plangebied is de digitale watertoets en de vergunningstoets uitgevoerd. Gemeentelijk beleid De gemeente Voorschoten heeft regels gesteld omtrent hemelwaterafvoer in de Verordening afvoer hemelwater en grondwater Voorschoten 2021. Voor de afvoer van hemelwater geldt dat het niet is toegestaan om bij nieuwbouw hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. Bij ontwikkelingen vanaf 500 m2 aan nieuwe bouwwerken en/of verhard oppervlak, moet de geldt het verbod niet onder de volgende voorwaarden: 1. De aan te leggen compensatie van verharding in het watersysteem moet ook de vereiste hemelwaterberging van 60 mm borgen, en; 2. De afstroming naar het bergend oppervlaktewater bij regenval wordt zo ingericht dat er geen wateroverlast ontstaat bij een regenbui van 60 mm.
Doorwerking planinitiatief Bestaande situatie, verhardingen en bebouwing In de huidige situatie is binnen het plangebied een te slopen schoolgebouw aanwezig, van circa 500 m2. Ten noordoosten van het schoolgebouw is het speelterrein (1150 m2) vrijwel geheel verhard met tegels. Het regenwater van de verhardingen stroomt grotendeels af naar omliggend groen. Ten westen en zuiden van het schoolgebouw is het terrein vrijwel onverhard. Aan de noordzijde zijn parkeerplaatsen aanwezig. De bebouwing is aangesloten op het rioolstelsel. Aangenomen wordt dat het regenwater reeds is aangesloten op het regenwaterriool. In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen watergangen aanwezig. Het plangebied is verder niet gelegen in een gebied dat is aangewezen als boringsvrije zone, grondwaterbeschermingsgebied, reserveringsgebied waterberging of ecologische verbindingszone. Nieuwe situatie, verhardingen Ter plaatse van het plangebied worden drie woonblokken gebouwd, met een totale oppervlakte van circa 1200 m2. De zuidelijke woonblokken zullen worden gekoppeld middels een meerlaags appartementencomplex. Rondom de bebouwing zullen wegen, paden en parkeerplaatsen worden aangelegd. De parkeerplaatsen hebben, binnen kadastraal perceel B 6495 een oppervlakte van circa 250 m2. De overige verhardingen hebben een oppervlakte van circa 600 m2.
Het overige deel van de verhardingen bevindt zich op reeds verhard openbaar gebied. Het totaal nieuw toegevoegd verhard oppervlak bedraagt 400m2. Vasthouden, bergen, afvoeren Om te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal bouwen dient het regenwater volgens het drietrapsbeleid vasthouden-bergen-afvoeren te worden bekeken:
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
35
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5 • • •
Niersman Projectontwikkeling
Vasthouden van een deel van het hemelwater op de locatie is mogelijk. Binnen het plangebied kunnen in de openbare ruimte mogelijk voorzieningen gemaakt worden waarin tijdelijk water geborgen kan worden. Bergen van hemelwater. Binnen het plangebied kunnen in de openbare ruimte voorzieningen gemaakt worden waarin regenwater geborgen kan worden. Afvoeren. Vertraagd afvoeren van hemelwater via de riolering is pas aan de orde indien infiltratie geen optie is. Dit is hier het geval. Bij vertraagd afvoeren wordt middels een pompsysteem of door vrije uitloop het water uit de bergingsvoorziening op het riool of in een oppervlaktewater geloosd. Uitgaande van een veel gebruikte norm van 0,6 l/m2/h mag deze afvoer binnen dit plan plaatsvinden met 0,42 m3/uur. (2050 m2 x 0,6 l/m2/h).
Om de belasting op het regenwaterriool tot een minimum te beperken wordt het tussenterrein uitgevoerd in waterdoorlatende verharding, te zien op onderstaande afbeelding.
Afbeelding 9: Waterdoorlatende verharding in het plangebied
Regenwater Het regenwater dat op de bebouwing valt zal in eerste instantie worden opgevangen in waterzakken behorende bij de woning. Hierin kan regenwater worden opgeslagen, wat gebruikt kan worden voor bijvoorbeeld het doorspoelen van het toilet. In afbeelding 9 is dit systeem nader toegelicht. Het deel wat niet bij de woningen kan worden opgeslagen, wordt afgevoerd naar de regenwater-afvoer van het gescheiden rioolstelsel. Mocht het regenwater van de bestaande bebouwing nog zijn aangesloten op het vuilwaterriool dan zal, door de afkoppeling van het regenwater van het bestaande hoofdgebouw, in de toekomstige situatie sprake zijn van een afname van het vuilwateraanbod.
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
36
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
Niersman Projectontwikkeling
Afbeelding 10: Opslag van water onder de woningen (schematische weergave)
Voor de verhardingen wordt een aanname gedaan dat 70% van het regenwater wordt afgevoerd naar het regenwaterriool, het resterend deel zal infiltreren of afstromen naar omliggend groen. Gelet op de doorlatendheid van de bodem (k-waarde ±1 m/dag) zal mogelijk wel grondverbetering plaats moeten vinden rondom de verhardingen. Grondwater De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) is, op basis van gegevens van het DINO-loket, AHN en zintuigelijke waarnemingen, geschat op circa 1,55 m-NAP en 0,75 m-mv.
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
37
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
Niersman Projectontwikkeling
Afvalwater Het vuilwater wordt aangesloten op de bestaande gescheiden rioolstelsel. Deze heeft voldoende capaciteit voor het verwerken van het vuilwater van de extra woningen. Conclusie Op de locatie zal het bestaande schoolgebouw (circa 500 m2) en de bestaande tegelverharding van de speelplaats (circa 1150 m2) worden verwijderd. Nadien zal op de locatie nieuwbouw plaatsvinden, waarbij drie gebouwen zullen worden gebouwd (totaal circa 1200 m2) en verhardingen (circa 850 m2) worden aangelegd. Daarmee is sprake van een toename van het verhard oppervlak van circa 400m2. Aangenomen wordt dat circa 70% van de verhardingen zal afwateren op de regenwaterriolering. Voor het overige zal sprake zijn van infiltratie en afvloeiing naar aangrenzende groenstroken. Daarnaast wordt het middenterrein van het plangebied aangelegd door middel van waterdoorlatende verharding. Om een minimale waterberging van 60 liter per m2 te bewerkstelligen, wordt er gebruik gemaakt van de volgende oplossing, te zien in onderstaande tabel. Oplossing Bergingscapaciteit Groene daken op de 50 liter per m2 bergingen Groene daken op app: 50 liter per m2
Berekening 17 st x 5m2 x 10mm
Totale waterberging 4.250 liter
165m2 x 10mm
8.250 liter
Regentonnen 4000l per 6500l per woning woning Totaal
17 st x 6500l
110.500 123.000 liter
Bij de bouw van de woningen moeten materialen gebruikt worden die op grond van het besluit bodemkwaliteit zijn toegestaan en daardoor geen bovenmatige verontreiniging van de bodem en het hemelwater kunnen veroorzaken.
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
38
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
Niersman Projectontwikkeling
4.12 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bij de beoordeling van een project dient te worden gekeken naar het Besluit milieueffectenrapportage (Besluit m.e.r.). In dit besluit zijn activiteiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Op 16 mei 2017 is de Implementatiewet 'herziening m.e.r.-richtlijn' in werking getreden. Het gewijzigde Besluit m.e.r. is 7 juli 2017 in werking getreden. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij m.e.r.beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is moet door de m.e.r.-beoordelingsbesluit. In het Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een project mer-beoordelingsplichtig is. De beoogde ontwikkeling past binnen bijlage D (categorie 11.2) van het Besluit m.e.r. Gezien de omvang van het plan, worden de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D (categorie 11.2) niet gehaald en kan worden volstaan met een zogenoemde ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.
Doorwerking planinitiatief en conclusie Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarden blijven moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling in de vorm van een aanmeldnotitie worden opgesteld. De ontwikkeling van 24 woningen valt onder de activiteit "De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen" zoals opgenomen in bijlage D onder D11.2 in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage. Geen van de genoemde drempelwaarden uit kolom 2 wordt overschreden. De aanmeldnotitie is toegevoegd als bijlage. Het bevoegd gezag dient hierover een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen.
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
39
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
5
Niersman Projectontwikkeling
Procedurele aspecten
5.1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Op grond van artikel 2.12, lid 1 sub a onder 3 van de Wabo kan voor gevallen die per Algemene maatregel van bestuur (AMvB) zijn aangewezen met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bestemmingsplan. Er moet gemotiveerd worden dat de omgevingsvergunningsaanvraag voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. De aanvraag moet voorzien zijn van een ruimtelijke onderbouwing, waarvoor onderhavig document dient.
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
40
Ruimtelijke Onderbouwing Professor Einsteinlaan 5
6
Niersman Projectontwikkeling
Uitvoerbaarheid
6.1 Economische uitvoerbaarheid Het planvoornemen betreft een particulier initiatief. Alle kosten die samenhangen met de sloop van de bestaande bebouwing en de bouw van de nieuwe huizen komen voor rekening van de particuliere initiatiefnemer. Het initiatief heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. Het planvoornemen is daarmee economisch uitvoerbaar. 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij ontwikkelingen die niet overeenkomstig zijn met het bestemmingsplan bestaat er altijd de mogelijkheid dat er een ontwikkeling plaats vindt die maatschappelijk niet helemaal gewenst is. Vandaar dat er bij een Wabo-procedure altijd de mogelijkheid open staat om een bezwaar in te dienen. In aansluiting op deze aanvraag met een hierop volgend eventueel positief besluit, kent de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een vorm van rechtsbescherming. Tegen het besluit, dient eerst een bezwaarschrift te worden ingediend als de aanvrager of derden het niet eens zijn met het besluit. Dit dient te worden ingediend binnen zes weken na bekendmaking van het besluit. Vervolgens kan er nog beroep worden ingediend bij de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Voor onderhavige ontwikkeling zijn een tweetal bewonersbijeenkomsten geweest waarin de uitvoerbaarheid van het plan is besproken en de bewoners de mogelijkheid hadden om hun reacties te geven. De eerste heeft digitaal plaatsgevonden op 15 september 2020. De tweede heeft fysiek plaatsgevonden op 7 april 2021. Hierbij is ook de wethouder aanwezig geweest. Op 30 maart 2022 is een aanvullende informatiebrief naar omwonenden verstuurd. Na de terinzagelegging van het ontwerpbesluit omgevingsvergunning is één zienswijze ontvangen. Deze zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing van het plan.
Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6: Bijlage 7: Bijlage 8: Bijlage 9:
Quickscan Flora en Fauna Verslag verplaatsen bomen Aerius-berekening Archeologisch onderzoek Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Akoestisch onderzoek geluidsluwe buitenruimte Akoestisch onderzoek gevelmaatregelen Watertoets Vormvrije m.e.r.-aanmeldnotitie
WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
41
Bijlageboek Ruimtelijke Onderbouwing
Professor Einsteinlaan 5 - Voorschoten Niersman Projectontwikkeling B.V.
Beechavenue 139 | 1119 RB Schiphol-Rijk | T (085) 401 05 67 | E info@lodewijckgroep.nl WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
Professor Einsteinlaan 5
Bijlageboek Ruimtelijke Onderbouwing
INHOUDSOPGAVE Bijlage 1:
Quickscan Flora en Fauna
Bijlage 2:
Verslag verplaatsen bomen
Bijlage 3:
Aerius-berekening
Bijlage 4:
Archeologisch onderzoek
Bijlage 5:
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
Bijlage 6:
Akoestisch onderzoek geluidsluwe buitenruimte
Bijlage 7:
Akoestisch onderzoek gevelmaatregelen
Bijlage 8:
Watertoets
Bijlage 9:
Vormvrije m.e.r.-Aanmeldnotitie
Lodewijck Groep B.V.
Quickscan Wet natuurbescherming Professor Einsteinlaan 5, Voorschoten
Rapport
Quickscan Wet natuurbescherming
Locatie Kenmerk Datum
: : :
Professor Einsteinlaan 5, Voorschoten A0525-03/DME/rap1 13 april 2021
Auteur Vrijgave Email Telefoon
: : : :
D. van der Meer Dhr. J. den Houdijker dvdmeer@idds.nl 06 8276 3301
Opdrachtgever
:
Niersman Projectontwikkeling B.V. Dhr. B. Segaar
© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.
Samenvatting In opdracht van Niersman Projectontwikkeling B.V. is op 31-03-2021 een ecologische quickscan uitgevoerd aan de Professor Einsteinlaan 5, Voorschoten. Deze samenvatting beschrijft de belangrijkste resultaten en conclusies van het onderzoek. Voor de volledigheid verwijzen wij u ook naar Hoofdstuk 6 Conclusie en advies. Soortbescherming Uit de bureaustudie en biotooptoets komt naar voren dat in het plangebied ongeschikte is voor de beschermde soorten die in de omgeving van het plangebied volgens de verspreidingsgegevens voorkomen. Wel kunnen vogels zonder jaarrond beschermd nest binnen het plangebied tot broeden komen in de struwelen rondom de school. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (15 maart – 15 augustus). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te laten vinden, dient er een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Tabel 1: Overzicht van soorten waarmee in het vervolg van het project rekening gehouden moet worden. Soortgroep
Soort (wetenschappelijke soortnaam)
Vervolgtraject
Vogels waarvan het nest niet jaarrond beschermd is
Diverse algemene vogelsoorten
Maatregelen
Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Deze quickscan doet geen uitspraken over stikstofdepositie.
Inhoudsopgave
1.1 1.2 1.3
Inleiding .................................................................................................................... 5 Aanleiding .................................................................................................................. 5 Doel van het onderzoek.............................................................................................. 5 Leeswijzer .................................................................................................................. 5
2.1 2.2 2.3
Opzet van het onderzoek ......................................................................................... 6 Bureauonderzoek ....................................................................................................... 6 Veldonderzoek ........................................................................................................... 6 Effectenbeoordeling ................................................................................................... 6
3.1 3.2
Beschrijving van het plangebied ............................................................................. 7 Ligging en algemene beschrijving van het plangebied ................................................ 7 Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden .............................. 8 Bureauonderzoek ................................................................................................... 10
5.1 5.2 5.3 5.4
Veldonderzoek........................................................................................................ 12 Aangetroffen soorten en sporen daarvan .................................................................. 12 Biotoop bebouwing ................................................................................................... 13 Biotoop aanwezig groen en bodem ........................................................................... 14 Biotoop water ........................................................................................................... 15
6.1 6.2
Conclusie en advies ............................................................................................... 16 Gebiedsbescherming ............................................................................................... 16 Soortbescherming .................................................................................................... 16 Literatuur en bronvermelding ................................................................................ 18
Bijlage I
Wet natuurbescherming .................................................................................. 19
Bijlage II
Uitgesloten soorten.......................................................................................... 21
Bijlage III
Aanbevelingen natuurvriendelijk bouwen ...................................................... 24
Inleiding 1.1
Aanleiding
De opdrachtgever is voornemens het huidige schoolgebouw aan Professor Einsteinlaan 5 te Voorschoten te slopen ten behoeve van nieuwhouw. Voorafgaand aan deze ruimtelijke ingreep dient onderzoek verricht te worden naar de aanwezigheid van beschermde gebieden, flora en fauna, om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. In dat kader is door IDDS een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Dit rapport presenteert de bevindingen van dat onderzoek. 1.2
Doel van het onderzoek
Het doel van de quickscan is te onderzoeken of: • in het plangebied beschermde plant- en diersoorten kunnen voorkomen • de ingreep mogelijk een effect heeft op deze beschermde soorten • de ingreep mogelijk een effect heeft op beschermde natuurgebieden (Natura 2000 en NNN) • het plangebied een belangrijke functie voor beschermde plant- en diersoorten kan vervullen (bijvoorbeeld als essentieel foerageergebied, vliegroute, nest- of verblijfplaats) • op basis van bovenstaande bevindingen nader onderzoek nodig is 1.3
Leeswijzer
In Hoofdstuk 2 wordt de opzet van het onderzoek toegelicht. Hoofdstuk 3 beschrijft de kenmerken van het plangebied en de ligging ten opzichte van beschermde natuurgebieden. Hoofdstukken 4 en 5 beschrijven de resultaten van het bureau- en veldonderzoek. In Hoofdstuk 6 worden hieruit conclusies getrokken en advies gegeven, bijvoorbeeld ten aanzien van nader onderzoek. Een overzicht van de gebruikte literatuur staat in Hoofdstuk 7. De belangrijkste (verbods)bepalingen uit de Wet natuurbescherming staan in Bijlage I en Bijlage II toont alle beschermde soorten die zijn uitgesloten naar aanleding van het bureauonderzoek en de biotopentoets. Bijlage III geeft een aantal aanbevelingen weer van natuur inclusief bouwen.
Opzet van het onderzoek 2.1
Bureauonderzoek
Door middel van bronnen- en literatuuronderzoek wordt onderzocht welke beschermde flora en fauna in de omgeving van het plangebied recent zijn waargenomen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van quickscanhulp dat op projectniveau de gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna ontsluit. Daarnaast raadplegen we relevante verspreidingsatlassen en actuele websites. Ook brengen we de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden in kaart. Ook maken we een inschatting of de voorgenomen ruimtelijke ingreep negatieve effecten heeft op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten en gebiedsfuncties. 2.2
Veldonderzoek
Naast een bureaustudie wordt een biotooptoets uitgevoerd: een veldbezoek met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied. De bevindingen van het bronnen- en literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld. Op het moment dat een biotooptoets wordt uitgevoerd, zijn niet alle soorten zichtbaar aanwezig. Diersoorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar afwezig. Daarom zijn de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefomgeving stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, voedselgebieden en migratierouten vergeleken en getoetst met de situatie in het veld. Op deze manier is ook het belang van het plangebied beoordeeld voor flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied. De resultaten van de biotooptoets betreffen uitsluitend waarnemingen binnen het plangebied en de invloedsfeer van de werkzaamheden. 2.3
Effectenbeoordeling
Op basis van de veldkenmerken van het plangebied en de verspreiding van beschermde soorten, wordt beoordeeld voor welke beschermde soorten het plangebied van betekenis kan zijn. Bij deze toetsing wordt alleen gekeken naar de beschermde soorten uit de Wet natuurbescherming. Deze soorten hebben een Nederlandse of Europese bescherming en moeten worden getoetst op voorkomen en effect. Wanneer effecten optreden of verbodsbepalingen worden overtreden, dan zijn er mogelijk maatregelen nodig om de effecten te voorkomen, verzachten of te compenseren om te voldoen aan de Wet natuurbescherming. Algemene soorten worden dus niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in Nederland dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt door de meeste projecten. Bovendien geldt voor deze soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen zoals weergegeven in artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming. Wel geldt de zorgplicht op grond van artikel 1.11.
Beschrijving van het plangebied Hoofdstuk 3 zal bestaan uit een gedetailleerde beschrijving van het plangebied, evenals een omschrijving in wat voor omgeving het plangebied ligt. Daarnaast wordt uiteengezet wat de ligging van het plangebied is ten opzichte van beschermde natuurgebieden in de omgeving. 3.1
Ligging en algemene beschrijving van het plangebied
In onderstaand figuur is een luchtfoto te zien van de ligging van het plangebied. Hierop is te zien dat het plangebied in een stedelijke omgeving ligt en wordt omgeven door straten en gebouwen. Ten noordoosten van het plangebied ligt een speelplaats van de oude school waar enkele bomen staan. Deze waren ten tijde van het veldbezoek gesnoeid. Voor de rest zijn er weinig bomen te vinden in de omgeving.
Het plangebied bestaat uit een oud schoolgebouw van twee verdiepingen (Figuur 2). De opstal heeft een plat, bitumen dak en is opgetrokken uit baksteen en afgewerkt met platen. Het plangebied wordt omgeven door gazon met aan de buitenranden langs de stoep enkele struiken en de oude speelplaats van de school (Figuur 3).
3.2
Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden
Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland, belangrijk weidevogelgebied, ecologische verbindingszone, of strategische reservering natuur. In onderstaande tabel zijn de afstanden tot de dichtstbijzijnde beschermde gebieden vermeld, dit wordt tevens weergegeven in Figuur 4. Tabel 2: Afstanden tussen plangebied en beschermde gebieden. Beschermd gebied
Afstand tot het plangebied in meters
Natura-2000 gebied
4.950 - Kennemerland-Zuid (zeer gevoelig voor stikstof)
Natuur Netwerk Nederland (NNN)
695
Belangrijk weidevogelgebied
1.190
Ecologische verbindingszone
950
In Figuur 5 is een overzicht weergegeven van stikstof gevoelige habitattypen ten opzichte van het plangebied. Deze quickscan doet geen uitspraken over stikstofdepositie.
Bureauonderzoek Uit recente verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) blijkt dat in of nabij het plangebied (binnen een straal van vijf kilometer) diverse beschermde soorten zijn waargenomen. Deze beschermde soorten zijn weergegeven in onderstaande tabel. De data van de NDFF is niet volledig sluitend, indien tijdens de biotooptoets geschikt habitat wordt aangetroffen, kan het plangebied alsnog geschikt worden geacht voor specifieke soorten. Tabel 3: Verwachte beschermde flora- en faunasoorten in het projectgebied. (Bron: NDFF) Soortgroep
Vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is
Vleermuizen
Overige zoogdieren
Amfibieën Reptielen
Soort (wetenschappelijke soortnaam)
Afstand tot locatie [km]
Boomvalk (Falco subbuteo)
0-1
Buizerd (Buteo buteo)
0-1
Gierzwaluw (Apus apus)
0-1
Grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea)
0-1
Havik (Accipiter gentilis)
0-1
Huismus (Passer domesticus)
0-1
Kerkuil (Tyto alba)
1-5
Ooievaar (Ciconia ciconia)
0-1
Ransuil (Asio otus)
0-1
Roek (Corvus frigilegus)
0-1
Slechtvalk (Falco peregrinus)
0-1
Sperwer (Accipiter nisus)
0-1
Steenuil (Athene noctua)
1-5
Wespendief (Apivorus pernis)
0-1
Zwarte wouw (Milvus migrans)
0-1
Baardvleermuis (Myotis mystacinus)
1-5
Brandts vleermuis (Myotis brandtii)
1-5
Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)
1-5
Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)
1-5
Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)
1-5
Laatvlieger (Eptesicus serotinus)
1-5
Meervleermuis (Myotis dasycneme)
1-5
Rosse vleermuis (Nyctalus noctula)
0-1
Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)
1-5
Tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus)
1-5
Watervleermuis (Myotis daubentonii)
1-5
Boommarter (Martes martes)
1-5
Eekhoorn (Sciurus vulgaris)
1-5
Steenmarter (Martes foina)
0-1
Waterspitsmuis (Neomys fodiens)
1-5
Rugstreeppad (Epidalea calamita)
1-5
Vinpootsalamander (Lissotriton helveticus)
1-5
Geen beschermde soorten verwacht
N.v.t.
Vissen
Geen beschermde soorten verwacht
N.v.t.
Weekdieren
Platte schijfhoren (Anisus vorticulus)
1-5
Karthuizer anjer (Dianthus carthusianorum)
1-5
Muurbloem (Erysimum cheiri)
1-5
Wilde ridderspoor (Consolida regalis)
1-5
Vlinders
Grote vos (Nymphalis polychloros)
1-5
Libellen
Gevlekte witsnuitlibel (Leucorrhinia pectoralis)
1-5
Planten
Veldonderzoek Het veldonderzoek is op 31 maart 2021 uitgevoerd door D. van der Meer. In onderstaande tabel is een overzicht weergegeven van de weersomstandigheden tijdens het veldbezoek. Tabel 4: Weersomstandigheden tijdens veldbezoek (bron: Weeronline) Datum
Temperatuur (℃)
Overheersende windrichting (Bft)
Bewolking
Neerslag (mm)
31-03-2021
20
W3
Geheel bewolkt
Geen
De in Hoofdstuk 4 genoemde soorten kunnen op basis van verspreidingsgegevens voorkomen in het plangebied. Tijdens het veldbezoek is vervolgens nagegaan of het plangebied potentieel geschikt is voor (onder andere) deze soorten. In dit hoofdstuk worden de aantroffen biotopen binnen het plangebied beschreven. 5.1
Aangetroffen soorten en sporen daarvan
Tijdens het veldbezoek zijn meerdere algemene vogelsoorten gehoord en gezien. Dit waren de ekster, kauw, kleine mantelmeeuw, koolmees, merel, pimpelmees, stadduif, Turkse tortel en zilvermeeuw. Nest van de genoemde soorten zijn niet jaarrond beschermd. Tevens werden er in de verte huismussen gehoord, het nest van de huismus is wel jaarrond beschermd. Na nadere inspectie bleek dat de huismussen in de achtertuinen van de naastgelegen woonwijk zaten (Figuur 6). Deze locatie ligt buiten de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden. Naast de vogelsoorten is er geen andere fauna of sporen daarvan waargenomen in het plangebied.
5.2
Biotoop bebouwing
Het oude schoolgebouw bestaat uit twee bouwlagen en is opgetrokken uit baksteen. Er zijn geen open stootvoegen aanwezig in de bebouwing. Op een aantal plekken zijn de gevels afgewerkt met platen welken alle goed aansluiten. Tevens sluiten alle kozijnen goed aan op de gevel. Figuur 7 geeft van bovenstaande een beeld. Het dak van de school is plat en van bitumen. De dakrandafwerking is van hout welke met kit naadloos aansluit op de gevels (Figuur 8). Deze houten dakrand is een opstaande rand ten opzicht van het platte dak en is op sommige plekken in slechte staat en rot. Hierdoor ontstaat er op sommige plekken gaten, echter lopen deze gaten (inclusief regenpijpen) dwars door de houten afwerking waardoor tocht ontstaat en dit geen geschikte plek is voor vleermuizen om in te verblijven (Figuur 9). Als laatste zitten er aan alle zijdes zonneschermen. Wanneer zonneschermen tegen bakstenen aan gemonteerd zijn, kunnen deze als verblijfplaats gebruikt worden door vleermuis. Echter zitten alle zonneschermen op gladde kozijnen (kunststof/metaal) waardoor vleermuizen hier geen houvast en grip op hebben en niet kunnen gebruik als verblijfplaats. De opstal is dus ongeschikt voor beschermde fauna om in te verblijven.
5.3
Biotoop aanwezig groen en bodem
Op het schoolplein staan twee bomen (platanen) welke ten tijde van het veldbezoek volledig gekandelaberd waren (Figuur 10). In deze bomen zaten geen holtes. Naast de twee platanen waren er geen andere bomen in het plangebied of binnen de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden. Tegen de zuidoostzijde van het opstal staat een klein struweel aan, tevens is er struweel aan de buitenzijde van het gazon en de buitenzijde van de speelplaats te vinden (Figuur 11). Vogels zonder jaarrond beschermd nest kunnen hierin broeden. Het grootste deel van het schoolplein is betegeld en verhard. Een deel is in februari 2021 ontdaan van zijn tegels en zijn hier zaden van éénjarige planten gestrooid om zo een éénjarige bijentuin te maken van het voormalig schoolplein. De grond in deze bijentuin bestaat voornamelijk uit zand welke vogels zoals de huismus kunnen gebruiken voor een zandbad. De huismussen die in de naastgelegen woonwijk verblijven zaten daar echter al voor februari 2021 wat betekent dat zij
elders in de omgeving ook de mogelijkheid tot een zandbad hebben en dit geen essentieel leefgebied vormt voor de huismus. De rugstreeppad is niet waargenomen binnen een kilometer van het plangebied. Dat betekent dat het vergraafbare zand voor de rugstreeppad onbereikbaar is wegens onoverbrugbare barrières in de vorm van drukke straten in het centrum van Voorschoten. Tevens ontbreekt voorplantingswater in de directe omgeving van het plangebied.
5.4
Biotoop water
Binnen het plangebied en de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden zijn geen waterlichamen aanwezig.
Conclusie en advies In dit hoofdstuk worden alle soorten behandeld waarvoor maatregelen nodig zijn, nader onderzoek is niet nodig naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan. Soorten die zijn uitgesloten, worden hier niet behandeld en zijn terug te vinden in bijlage II. Daarnaast wordt ook besproken of er een vervolgtraject benodigd is aangaande gebiedsbescherming. 6.1
Gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Deze quickscan doet geen uitspraken over stikstofdepositie. 6.2
Soortbescherming
Vogels zonder jaarrond beschermd nest: binnen het plangebied kunnen vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (15 maart – 15 augustus). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te laten vinden, dient er een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Ecologisch vervolgtraject Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan kunnen alle beschermde soorten die volgens verspreidingsgegevens voor kunnen komen in het plangebied uitgesloten worden. Voor algemene broedvogels gelden er maatregelen om verstoring en overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Een overzicht hiervan is weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 5: Overzicht van de onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten Soortgroep
Soort (wetenschappelijke soortnaam)
Vervolg traject
Vogels waarvan het nest niet jaarrond beschermd is
Algemene broedvogels
Maatregelen (zie Paragraaf 6.2)
Vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is
Boomvalk (Falco subbuteo)
Nee
Buizerd (Buteo buteo)
Nee
Gierzwaluw (Apus apus)
Nee
Grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea)
Nee
Havik (Accipiter gentilis)
Nee
Huismus (Passer domesticus)
Nee
Kerkuil (Tyto alba)
Nee
Ooievaar (Ciconia ciconia)
Nee
Ransuil (Asio otus)
Nee
Roek (Corvus frigilegus)
Nee
Slechtvalk (Falco peregrinus)
Nee
Sperwer (Accipiter nisus)
Nee
Steenuil (Athene noctua)
Nee
Wespendief (Apivorus pernis)
Nee
Zwarte wouw (Milvus migrans)
Nee
Baardvleermuis (Myotis mystacinus)
Nee
Brandts vleermuis (Myotis brandtii)
Nee
Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)
Nee
Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)
Nee
Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)
Nee
Laatvlieger (Eptesicus serotinus)
Nee
Meervleermuis (Myotis dasycneme)
Nee
Rosse vleermuis (Nyctalus noctula)
Nee
Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)
Nee
Tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus)
Nee
Watervleermuis (Myotis daubentonii)
Nee
Boommarter (Martes martes)
Nee
Eekhoorn (Sciurus vulgaris)
Nee
Steenmarter (Martes foina)
Nee
Waterspitsmuis (Neomys fodiens)
Nee
Rugstreeppad (Epidalea calamita)
Nee
Vinpootsalamander (Lissotriton helveticus)
Nee
Reptielen
Geen beschermde soorten verwacht
Nee
Vissen
Geen beschermde soorten verwacht
Nee
Weekdieren
Platte schijfhoren (Anisus vorticulus)
Nee
Karthuizer anjer (Dianthus carthusianorum)
Nee
Muurbloem (Erysimum cheiri)
Nee
Vleermuizen
Overige zoogdieren
Amfibieën
Planten
Wilde ridderspoor (Consolida regalis)
Nee
Vlinders
Grote vos (Nymphalis polychloros)
Nee
Libellen
Gevlekte witsnuitlibel (Leucorrhinia pectoralis)
Nee
Literatuur en bronvermelding Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocumenten Soorten - Natuurbescherming, versie 1.0, 1 juli 2017, BIJ12, Utrecht Bijlsma, R.G., 2015. Handleiding veldonderzoek roofvogels. KNNV Uitgeverij, Zeist. Broekhuizen, S. e.a., 2016. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Diets, C., Kiefer, A, 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij, Zeist. Internetbronnen www.quickscanhulp.nl www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/soortinventarisatieprotocollen www.ravon.nl www.sovon.nl www.floron.nl www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl www.bij12.nl www.calculator.aerius.nl www.waarneming.nl
Bijlage I
Wet natuurbescherming
Wet natuurbescherming, onderdeel soorten Voor soortenbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. De wet maakt hiervoor een programmatische aanpak mogelijk. Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 – 3.4). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (Bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 - 3.9). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 - 3.11). Voor de zoogdier- amfibie- en reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd.
Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. Verbodsbepalingen: Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in Bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, Bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of Bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Uitbreiding verbodsbepalingen en mogelijkheid tot ontheffing of vrijstelling: Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a.
in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen,
af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. t/m h. (niet van toepassing, zie wettekst). 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Verordening vrijstelling soorten provincie Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland acht het wenselijk vrijstellingen te verlenen van verboden ter bescherming van soorten dieren op grond van de Wet natuurbescherming voor de volgende diersoorten: Aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Bovenstaande soorten zijn derhalve niet beschermd bij de voorgenomen werkzaamheden.
Voor bovengenoemde soorten blijft de zorgplicht echter van kracht. Verder zijn beschermde soorten die niet via een natuurlijke verspreiding in Zuid-Holland terecht zijn gekomen niet beschermd in deze provincie.
Bijlage II
Uitgesloten soorten
Onderstaand is een tabel met soorten uit de bureaustudie die aan de hand van het veldbezoek zijn uitgesloten. Deze tabel geeft aan waarom effecten op soorten uitgesloten zijn. Om de overzichtelijkheid te vergroten, zijn soorten gebundeld die om dezelfde redenen uitgesloten kunnen worden. Soorten die provinciaal zijn vrijgesteld worden niet meegenomen in deze tabel. Tabel 6: Beschermde soorten die uitgesloten zijn van negatieve effecten Soort(groep)
Reden van uitsluiten negatieve effecten
Amfibieën
Rugstreeppad
Binnen het plangebied is geen geschikte combinatie aanwezig van zomer-, winteren paarverblijfplaatsen aanwezig. Daarnaast is de rugstreeppad niet binnen één kilometer van het plangebied waargenomen en zijn er onoverbrugbare barrières aanwezig tussen de bekende waarnemingen en het plangebied.
Vroedmeesterpad
Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk ruderaal terrein (groeven), half natuurlijke graslanden, open hellingen, hellingbossen en graften met stenige ondergrond. Overwintert in kalksteengroeven, kalkovens en in andere bebouwing. Waarneming buiten Limburg betreffen uitgezette populaties.
Vogels Boomvalk, buizerd, sperwer, havik
Er zijn geen oude kraaien- of eksternesten aangetroffen in het plangebied.
Ransuil
Binnen het plangebied zijn geen geschikte bomen die als winterroestplaats kunnen dienen. Tevens zijn er geen sporen (braakballen) aangetroffen van uilen. Ook zijn er geen oude kraai- of eksternesten aangetroffen in het plangebied.
Kerkuil
Binnen het plangebied zijn geen kasten aanwezig voor uilen. Ook zijn er geen toegankelijke schuren of zolders aanwezig.
Steenuil
Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk kleinschalig cultuurlandschap met een variatie van heggen, weitjes en knoestige bomen. Ook zijn er geen holtebomen, knotwilgen, toegankelijke schuren, zolders of uilenkasten aanwezig.
Ooievaar
Binnen het plangebied zijn geschikte broedlocaties aanwezig in de vorm van hoge plekken, zoals telefoonpalen, bomen, schoorstenen, kerktorens, hoogspanningsmasten of door de mens gemaakte palen met houten platform
Roek
Binnen het plangebied is geen geschikt broedbiotoop aanwezig, namelijk vrijstaande, hoge groepen bomen langs snelwegen, treinsporen of kanalen in de buurt van graslanden. De roek is een koloniebroeder. Er zijn binnen het plangebied geen oude nesten aangetroffen.
Grote gele kwikstaart
Binnen het plangebied is geen geschikt broedbiotoop aanwezig, namelijk oevers van snel tot zwak stromende beken en rivieren omzoomd door loofbos. Deze soort kan ook broeden in dorpen waar een rivier doorheen loopt.
Huismus
Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig, zoals een toegankelijke dakrand, los liggende dakpannen en overige gaten en kieren in daken en schuren.
Gierzwaluw
Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig, zoals ruimten onder dakgoten, losliggend dakpannen, gaten bij regenpijpen, gaten in muren en neststenen.
Slechtvalk
Binnen het plangebied is geen geschikt broedbiotoop aanwezig, namelijk hoogspanningsmasten, hoge gebouwen of torens. Ook zijn er geen oude kraaienof eksternesten aangetroffen.
Wespendief
Binnen het plangebied is geen geschikt broedbiotoop aanwezig, namelijk loofbos of gemengd bos met open plekken, hoogvenen, heide, moerasbos en kleinschalig cultuurlandschap met bos hoogvenen.
Zwarte wouw
Binnen het plangebied is geen geschikt broedbiotoop aanwezig, namelijk halfopen, bos, rivierdalen met ooibossen en moerasgebied.
Vleermuizen Bosvleermuis
Negatieve effecten op de bosvleermuis worden uitgesloten vanwege het ontbreken van een bosrijke omgeving in het plangebied. Verder zijn kolonies van de bosvleermuis in Nederland enkel bekend in bomen en in het oosten van het land.
Baardvleermuis en Brandts vleermuis
Negatieve effecten op kunnen worden uitgesloten wegens het ontbreken van bosrijkgebied binnen het plangebied. Zomerverblijfplaats: boomholtes, nest- of vleermuiskasten, zolders, de ruimte achtergevelbetimmering en vensterluiken van gebouwen. Winterverblijfplaats: voornamelijk ondergrondse ruimten als mergelgroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken, ijskelders en (kasteel)kelders. Foerageergebied: bossen, bosranden en in kleinschalig gesloten landschappen.
Franjestaart
Negatieve effecten op de franjestaart kunnen worden uitgesloten wegens het ontbreken van bosrijkgebied binnen het plangebied. Tevens zijn er geen bomen met holtes binnen het plangebied. Zomerverblijfplaats: boomholten en gebouwen (spleetvormige ruimte, zolders van kerken en boerderijen. Winterverblijfplaats: ondergrondse ruimten als forten, groeven, ijskelders en bunkers. Foerageergebied: bosrijkgebied met waterpartijen of waterrijke gedeelten.
Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger
In de opstal binnen het plangebied zijn geen geschikte gaten en openingen aangetroffen die vleermuizen kunnen gebruiken als verblijfplaats. Tevens zijn er geen bomen met holtes aangetroffen. Ook zijn er geen effecten op essentieel foerageergebied, omdat er geen oppervlakte aan houtige begroeiing verwijderd of waterpartij gedempt wordt. Negatieve effecten zijn daarom uitgesloten. Zomerverblijfplaats: boomholtes (met uitzondering van laatvlieger), onder dakpannen, onder dakranden, spouwmuren, gaten in muren en vleermuiskasten. Winterverblijfplaats: spouwmuren, spleten in gebouwen, zolders, onder dakpannen en dakranden. Foerageergebied: bosranden, heggen, lanen en waterlichamen.
Gewone grootoorvleermuis
Negatieve effecten op gewone grootoorvleermuis worden niet verwacht wegens het ontbreken van bosachtige omgeving. Zomerverblijfplaats: zolders, achter betimmeringen, daklijsten, vensterluiken, spouwmuren, onder dakpannen, vleermuiskasten, boomholten en spleten. Winterverblijfplaats: overwinterd in de nabijheid van de zomerverblijfplaats. Foerageergebied: beschutte plekken in bos en kleinschalig parkachtig landschap. Negatieve effecten op de grijze grootoorvleermuis worden niet verwacht wegens de aanwezigheid van straatverlichting en/of andere felle lichtbronnen.
Grijze grootoorvleermuis
Zomerverblijfplaats: zolders, achter betimmeringen, daklijsten, vensterluiken, spouwmuren, onder dakpannen, vleermuiskasten, boomholten en spleten. Winterverblijfplaats: overwinterd in de nabijheid van de zomerverblijfplaats. Foerageergebied: beschutte plekken in bos, kleinschalig parkachtig landschap Negatieve effecten op de meervleermuis worden niet verwacht, aangezien er in de directe omgeving van het plangebied geen waterlichamen aanwezig zijn.
Meervleermuis
Zomerverblijfplaats: vleermuiskasten en woonhuizen. Winterverblijfplaats: mergelgroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken en kelders. Foerageergebied: groot open water en langs oevers van plassen, meren, kanalen, rivieren en vaarten.
Rosse vleermuis
Negatieve effecten op de rosse vleermuis worden niet verwacht, aangezien er geen holtebomen aanwezig zijn. Zomer- en winterverblijfplaats: boomholten. Foerageergebied: open terrein, boven water en moerassige gebieden.
Tweekleurige vleermuis
Negatieve effecten op de tweekleurige vleermuis worden niet verwacht wegen het ontbreken van hoge gebouwen binnen het plangebied. Winterverblijfplaats: grotten, kelders en spleten in hoge gebouwen.
Watervleermuis
Negatieve effecten op de watervleermuis worden niet verwacht, aangezien er geen holtebomen aanwezig zijn. Zomerverblijfplaats: boomholten en spleten, maar ook kerkzolders, vleermuiskasten, bunkers en oude forten. Winterverblijfplaats: grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken en kelders. Foerageergebied: beschutte waterpartijen, of aan de beschutte kant van vijvers in landgoederen en parken, kastelen en visvijvers, smalle vaarten, langzaam stromende rivieren en beken.
Overige zoogdieren Boommarter
Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk bos. Ook zijn er geen holtebomen aanwezig binnen het plangebied.
Eekhoorn
Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig namelijk; loofbos, naaldbos en gemengd bos of tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Ook zijn er geen bomen holtebomen en eekhoornnesten aangetroffen binnen het plangebied.
Steenmarter
Binnen het plangebied zijn geen schuilplaatsen aanwezig, zoals boomholtes, takkenhopen, dichte struwelen, toegankelijke zolders of kruipruimtes, spouwmuren of ruimten onder dakbedekking met een minimale opening van 5-6 centimeter. Ook zijn er geen prooiresten of latrines aangetroffen binnen het plangebied.
Waterspitsmuis
Er zijn binnen het plangebied en de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden geen waterlichamen aanwezigen. Negatieve effecten op deze soort zijn daarmee uitgesloten.
Weekdieren Platte schijfhoren
Er zijn binnen het plangebied en de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden geen waterlichamen aanwezigen. Negatieve effecten op deze soort zijn daarmee uitgesloten.
Planten Kartuizer anjer
Kartuizer anjer groeit in grasland (schraal grasland en kalkgrasland), bermen en rotsachtige plaatsen. Deze biotopen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.
Muurbloem
Muurbloem groeit op rotsachtige plaatsen (rotswanden), klippen, mijnsteenbergen, afgravingen (oude steengroeven), kademuren, kerkhofmuren, oude stadsmuren en ruïnes. Deze biotopen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.
Rood peperboompje
Wilde ridderspoor
Rood peperboompje groeit in kalkrijke loofbossen en struwelen (vooral op kalkhellingen). Deze biotopen zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Wilde ridderspoor groeit op zonnige plaatsen en heeft vochtige, matig voedselrijke, kalkrijke, omgewerkte zandige klei gronden nodig. Deze soort wordt voornamelijk aangetroffen in akkers en soms op ruderale plaatsen, bij graansilo's en graanoverslagbedrijven. Deze biotopen en habitateisen zijn niet aanwezig binnen het plangebied.
Vlinders Grote vos
De grote vos heeft als waardplant; iep, zoete kers en wilgensoorten. Deze boomsoorten zijn niet aanwezig binnen het plangebied.
Libellen Gevlekte witsnuitlibel
Deze libel leeft in laagveenmoerassen, vegetatierijke vennen en duinplassen. Deze biotopen zijn niet aanwezig binnen het plangebied.
Bijlage III Aanbevelingen natuurvriendelijk bouwen Naast de consequenties die voortkomen uit de Wet natuurbescherming geven wij in relatie tot de voorgenomen ontwikkelingen de volgende aanbevelingen met als doel de ecologische structuren in de omgeving te versterken. Vleermuizen Nieuwbouw Spouwmuren zijn uitermate geschikt voor vleermuizen. Geschikte permanente verblijfplaatsen kunnen worden gecreëerd door bij de nieuwbouw een spouwmuur te realiseren van ten minste 2 centimeter diep. Invliegopeningen in de vorm van open stootvoegen van 1,5 tot 2 cm breed geven dwergvleermuizen toegang tot de spouwmuur. Laatvliegers hebben wat meer ruimte nodig om in te vliegen, namelijk tussen de 1,8 en 2 centimeter. Bij het gebruik van isolatie aan de binnengevel is het noodzakelijk ervoor te zorgen dat er kunststof gaas wordt aangebracht met een maaswijdte van 3 tot 10 millimeter om vleermuizen de mogelijkheid te bieden te zich vast te klampen. De stootvoegen moeten zich op ten minste 3 meter hoogte bevinden en niet boven ramen of deuren geplaatst. Als het niet gewenst is dat vleermuizen zich vrij door de spouwmuur bewegen, is het inmetselen van vleermuisstenen een goed alternatief. De ruimte in een inmetselsteen is beperkt. Het is dan ook raadzaam inmetselstenen te koppelen zodat een grotere verblijfplaats ontstaat.
Renovatie Als een bestaande spouwmuur wordt geïsoleerd blijft er vaak te weinig ruimte over om nog te kunnen functioneren als potentiele verblijfplaats voor vleermuizen. Het is dan nog wel mogelijk inmetselstenen aan te brengen tussen het binnen- en buitenblad van de spouwmuur.
Boeiboorden of gevelbetimmering kan ook een verblijfplaats bieden aan vleermuizen. Door een opening van 2,5 centimeter vrij te houden tussen de gevel en de betimmering wordt een potentiele verblijfplaats gerealiseerd. Het is belangrijk dat de vleermuizen grip hebben, dus de wand moet ruw zijn.
Gierzwaluw Voor gierzwaluwen kan onder andere gebruik gemaakt worden van inmetselkasten in de gevel en nestpannen op het dak. De neststenen kunnen zowel zichtbaar als onzichtbaar in de gevel worden verwerkt.
Bij het aanbrengen van neststenen in de gevel is het van belang rekening te houden met de mate van opwarming van de neststenen. De neststenen moeten bij voorkeur in noordelijk of oostelijk gerichte gevels worden aangebracht of onder de schaduw van een overstek. Ook in nestpannen op het dak kan de temperatuur snel oplopen. Deze moeten onder geen beding op zuidelijk of westelijk gerichte daken worden gelegd. De kans is groot dat de jongen dit niet overleven. Zeker als de daken zijn geïsoleerd, kan warmte niet meer ontsnappen en is oververhitting een reëel gevaar. Gaten in overstekken en dakgootomlijstingen bieden goede mogelijkheden voor gierzwaluwen om te nestelen. De temperatuur is dit soort betimmeringen is beter gereguleerd en het is goed aan te vliegen door de soort.