Bijl.1 Gebiedsvisie Centrum Voorschoten
Tekst van het document
De afgelopen jaren was horeca een goede alternatieve bestemming voor leegstaande winkelpanden. Het ging daarbij niet vaak om klassieke cafés of restaurants, maar veel meer om daghoreca, afhaalbuffetten met zitgelegenheid, bijzondere koffiezaken, bakkerijen met een zithoek en dergelijke. Overigens past bij de opkomst van deze nieuwe retail wel de kanttekening dat de boekwaarde van veel retailpanden niet berekend is op de nieuwe verdienmodellen. In rond Nederlands: de huren moeten flink omlaag. Het afwaarderen van de boekwaardes moet geleidelijk en gaat dus tijd kosten. Maar het is over de hele linie een noodzaak, waarschijnlijk zelfs op toplocaties als de Amsterdamse Kalverstraat. De tweede grote lijn in de verandering van het hele concept van ‘retail’ is de ruimtelijke deconcentratie. Het ruimtelijk uitgangspunt van het overheidsbeleid is altijd geweest dat winkels en horeca bij elkaar moeten zitten en clusters moeten vormen, waarbinnen een goed verblijfsklimaat bestaat om bezoekers langer vast te houden. Maar het consumentengedrag begint zich aan dat uitgangspunt te onttrekken. Recent merkte een winkelier in het oosten van het land op dat hij twee vrijwel identieke winkels had, een in het stadshart en een in een woonwijk. Sinds twee jaar draait de winkel in de woonwijk veel beter dan die in het stadshart. De winkelier is nu aan het nadenken geslagen over een herbestemming.
Niet van de woonwijkwinkel, maar van de stadshartwinkel. In de horeca is die deconcentratie al langer gaande. Er zijn restaurantgidsen die restaurants classificeren rondom de begrippen ‘langs gaan’, ‘een omweg waard’ of ‘de reis waard’. In dat laatste geval kan het gaan om volkomen onmogelijke plekken, die dankzij dat restaurant weer een geheel nieuw verkeer oproepen. De deconcentratie wordt in de hand gewerkt door ‘blurring’ (vermenging van verwante functies): winkels op bedrijventerreinen richten coffeecorners in, kapsalons in woonwijken gaan schoonheidsproducten verkopen. Gevolgd door ‘cross-overs’ (combinatie van niet-verwante functies): een adviesbureau begint een kunsthandel. Het goede nieuws voor de winkelgebieden is dat het mes naar twee kanten snijdt. Dienstverleners, kantoren, ambachten en wellness ondernemingen die tot voor kort niets te zoeken hadden in clusters, beginnen zich alsnog te interesseren voor stadsen wijkcentra. Hoe zou je beleidsmatig om kunnen gaan met deze dubbele metamorfose van de retail – van spullen naar diensten en van clusters naar deconcentratie? 24
Vooropgesteld: de strenge functiescheiding tussen wonen, werken en recreëren uit de naoorlogse stedenbouw loopt op z’n einde. In stedelijke gebieden wordt gewerkt aan ‘werklandschappen’: het verrijken van bedrijventerreinen met woon- en verblijfsfuncties. Omgekeerd is er een sluipende gang naar woonlandschappen gaande: werkfuncties dringen de woonwijken binnen. Wie goed op let, ziet op tal van plaatsen in buitenwijken bedrijfsbordjes aan de voordeuren hangen, in de hand gewerkt door de opmars van micro-ondernemers. Er gaat een functioneel zeer gedifferentieerd beeld ontstaan van stads- en dorpswijken. Een goed voorbeeld is de winkelstrip aan de Beethovenlaan. Die was in 2016 in de regionale retailvisie nog wegbestemd als ‘niet levensvatbaar’. Maar de strip is sindsdien geheel intact gebleven. Uit de recente evaluatie blijkt dat de visie uit 2016 is niet tot uitvoering gekomen. Het lijkt er op dat stellige planologische uitspraken niet zoveel zin meer hebben. Een planmatige hiërarchie van retailgebieden op regionale schaal is niet in zicht. Het idee van centrale planning is uit de ruimtelijke ordening aan het verdwijnen. Het wettelijk kader van de ordening wordt de Omgevingswet, een wet die een paradigmawisseling markeert: meer regievoering over de ruimte door de huidige en aanstaande gebruikers, multifunctionaliteit, diversiteit, participatie.
De wet is een vertaling van alle maatschappelijke veranderingen in Nederland naar een nieuw ruimtelijk instrumentarium. Centrale instrumenten in de wet zijn de omgevingsvisie en het daaruit volgende omgevingsplan. Die visie kan op verschillende geografische niveaus worden ingezet: buurt, wijk, stad, regio. Natuurlijk zijn er ‘overstijgende’ samenhangen, maar die samenhangen leiden niet meer automatisch tot een hiërarchie van gebieden en bestemmingen. Een bloeiende wijkeconomie met veel ‘nieuwe’ retailers – passend in een toekomstbestendige wijkvisie - staat niet per definitie op gespannen voet met de retailfunctie van een centrumgebied. De hamvraag wordt straks: hoe past een voorgenomen investering of ruimtelijke bestemming in de visie op een wijk, dorp of stad? Elke gemeente heeft vrijheidsgraden in het zelf benutten van de kaders van de wet. En er is heel veel praktijkervaring en jurisprudentie nodig voordat het nieuwe paradigma echt zichtbaar wordt. Maar in de kern komt het er op neer dat er per buurt, wijk en gemeente een goed verhaal moet komen: het omgevingsplan. Aan retailers – van welke snit ook maar – is het om aan te geven hoe zij passen in omgevingsvisie en omgevingsplan, hoe ze bijdragen aan verrijking van de omgeving en hoe ze met bewoners en bedrijven in die omgeving willen samenwerken.
25
7. De retail in Voorschoten in cijfers De historische overheidsaandacht voor de retail en de traditie van winkelplanologie heeft er voor gezorgd dat er veel detailinformatie verzameld wordt, veel meer dan bijvoorbeeld over kantoorwerkgelegenheid. Op aanvraag is bij bureau Locatus van iedere Nederlandse gemeente het gehele winkel- en horecabestand inzichtelijk. Het bestand bevat informatie over het aantal verkooppunten, de exacte locaties, de vierkante meters en het onderscheid in gebruiksfunctie. Alle locaties die zich richten op consumenten worden meegenomen: winkels, restaurants, cafés, broodjeszaken, kappers, ijssalons, zonnestudio’s, makelaars, reisbureaus, musea en zo meer. We beginnen met de omvang van het bestand in Voorschoten en vergelijken dit met de regiogemeenten. We tellen het aantal vierkante meters in gebruik of bestemd met een retailfunctie, en het aantal verkooppunten. In de laatste kolom geven we het aantal retail-meters per 1.000 inwoners weer. Aantal retail-meters (in m2) Voorschoten Leiden Leiderdorp Oegstgeest Zoeterwoude
40.386 242.315 99.155 28.796 55.981
Aantal verkooppunten 252 1.641 273 184 98
Aantal retailmeters per 100 inwoners 158 m2 194 m2 366 m2 116 m2 651 m2
Voorschoten is geen grote winkelgemeente bezien vanuit het aantal winkelmeters. Ten opzichte van de stad Leiden en haar grote binnenstad is dat vanzelfsprekend. In het geval van Leiderdorp en Zoeterwoude heeft dat te maken met de perifere detailhandel. Leiderdorp heeft de grote meubelboulevard WOOON en de Baanderij. Zoeterwoude heeft de Rijneke Boulevard. Om een beter beeld te krijgen zoomen we verder in op de centra van de vijf gemeenten. Aantal retailmeters in het centrum (in m2)
Voorschoten Binnenstad Leiden Winkelhof Leiderdorp Kempenaerstraat Oegstgeest Zoeterwoude
17.774 130.190 14.270 9.260 2.393
Aantal verkooppunten in het centrum
139 1.077 85 90 24
Aantal retailmeters in het centrum per 100 inwoners gemeente 69 m2 104 m2 53 m2 37 m2 28 m2
Het centrum van Voorschoten is in vergelijking met de regiogenoten wel weer behoorlijk omvangrijk. De Leidse binnenstad is een categorie apart. Maar van de overige gemeenten heeft Voorschoten het grootste centrum. Dat is zeker het geval wanneer we kijken naar het aantal verkooppunten: ruim 1,5 keer zoveel als in Leiderdorp en Oegstgeest. Daar past de kanttekening bij dat het ‘centrum’ van Leiderdorp – de Winkelhof – niet te vergelijken is met het dorpscentrum van voorschoten. En dat het in Oegstgeest om één straat gaat. Voorschoten onderscheidt zich door een centrum met multifunctionaliteit en circulatie (een ‘zwerfmilieu’). Bovendien ligt het verder van Leiden dan Leiderdorp en Oegstgeest. 26
Het multifunctionele karakter van het centrum komt meer tot uitdrukking wanneer we kijken naar de samenstelling van het retail-bestand. We vergelijken de cijfers van Voorschoten centrum met de Winkelhof in Leiderdorp. % retail-meters in gebruik zelfstandige formules Vierkante meters winkelruimte Vierkante meters leisure/horeca Vierkante meters dienstverlening
Voorschoten centrum 49%
Winkelhof Leiderdorp 23%
13.058 2.110 1.631
12.153 953 735
Veel meer dan een levendig dorpscentrum is de Winkelhof een bovenwijks boodschappencentrum. Voor de dagelijkse boodschappen kun je er prima uit de voeten. Het is herkenbaar, berekenbaar en gericht op comfort. Het centrum van Voorschoten moet het vooral hebben van de mix aan functies: winkelen, ontspannen, wonen, werken. Tot slot kijken we voor de volledigheid naar de branchering binnen het centrum. Daar komt de grote diversiteit, en relatieve compleetheid, van het centrum goed tot uitdrukking.
Supermarkten Dagelijks overig Mode & luxe (kleding, schoenen, cadeauartikelen) Vrije tijd (boeken, sport) In en om het huis (bloemist, interieurzaak, elektronica) Overige detailhandel Horeca Wellness (fitness, zonnestudio’s, kappers, schoonheidssalons, etc.) Overige ambachten (reparatie, edelsmid) Overige dienstverlening (reisbureau, makelaar, bank, stomerij)
Aantal vierkante meters 3.514 1.595 4.616 629 2.604
Aantal verkooppunten 4 16 26 4 19
100 1.487 1.454
2 19 21
240 410
5 8
Voorschoten heeft als enige van de Leidse regiogemeenten een min of meer intact dorpscentrum met bijpassende functionaliteit behouden. Dat is een ander en beter uitgangspunt voor het ontwikkelen van nieuw ondernemerschap dan Leiderdorp en Oegstgeest.
27
8. De toekomst van de horeca in het centrum van Voorschoten
Alle tot op heden genoemde voorbeelden van nieuwe retail hebben een kenmerk gemeenschappelijk: het zijn laagdrempelige manieren om een onderneming op te zetten. Amsterdam heeft zich ontwikkeld tot ‘startershoofdstad’ van Nederland: talloze jonge mensen die voor zichzelf wilden beginnen, zijn daar heen gegaan. En de horeca was een outlet, ook voor hoogopgeleiden die bij nader inzien vooral met hun handen willen werken, ook voor mensen die een bijzonder product in hun hoofd hadden zonder een goed marktplan. Want dat hoorde er ook bij: de omgeving van al die Amsterdamse start-ups was bereid tot experimenteren, ze wilde wel iets nieuws beginnen. De nieuwe eetcultuur in Amsterdam staat weer in relatie tot andere start-ups, zoals redactiebureaus, mode-ateliers en interieurontwerpers. Het aanbod van creatieve en culinaire startups zorgde voor een verder aanwakkerende vraag naar creatieve start-ups. Er is een omvangrijke markt gecreëerd. Op de kleur en diversiteit van de markt zijn weer ander bedrijven afgekomen, zoals de ict en de financiële dienstverlening. Zelfs in de acquisitie voor Amsterdam van het European Medical Agency – dat vanwege de Brexit uit Londen moest vertrekken – heeft de brede culinaire basis een rol gespeeld. Horeca en ‘hospitality’ staan dus niet op zichzelf. De horeca heeft met de coronacrisis enorme klappen gehad.
Maar het is ook weer een veerkrachtige sector, die na afloop van de crisis ongetwijfeld weer zelfstandig aan de slag gaat. Het centrum van Voorschoten heeft gezien het publiek (hoogopgeleid, internationaal gezind, flinke inkomens) en gezien de historische context een interessant ecosysteem te bieden. Er zitten nu al een paar bijzondere zaken met een bovenlokale aanspraak. De onderstaande matrix brengt het aantal vestigingen in enkele ‘frozen towns’ in beeld. We voegen daar de lokale koopkracht aan toe.
Voorschoten Heemstede Wassenaar Rheden Waalre Renkum Bloemendaal Bergen (NH)
Horecavestigingen per 1.000 inwoners (2020)
Afstand tot centrumstad
2,0 2,8 4,0 3,0 2,9 3,2 4,2 9,5
4,8 km 3,7 km 6,6 km 4,6 km 4,9 km 4,5 km 2,8 km 5,3 km
Gemiddeld persoonlijk inkomen (2017) € 32.300 € 38.900 € 46.700 € 25.600 € 32.900 € 29.700 € 46.600 € 31.500
Bergen is een toeristisch centrum, dat verklaart de vele horeca. Over de toeristische aantrekkingskracht van de andere gemeenten valt te twisten. Ze hebben allemaal iets authentieks, conform de typering van ‘frozen town’. De presentie van de horeca in Voorschoten op dit moment vrij bescheiden. Er is dus een veelheid van redenen om de komst van meer horeca naar het centrum van Voorschoten toe te juichen: •
Het past bij de demografische transformatie van het dorp 28
• •
Het past bij de ambitie om de economische basis van het dorp te versterken Het past bij het appèl op jonge en ondernemende mensen dat het dorp wil doen.
Horeca wordt vaak genoemd in een adem met overlast voor de bewoners. Dat is vaak waar, maar er kan even goed sprake zijn van een belangenparallelliteit tussen horeca en bewoners. We noemden al ‘urban living’ als een mogelijke functietoevoeging aan het centrum van functie. ‘Stedelijk wonen’ kan in een klein appartement, maar dan zijn goede voorzieningen nodig, zoals daghoreca en werkplekken, die als verlengde huiskamer functioneren. Natuurlijk zijn er ook legio voorbeelden van disparallelliteit. De ingang van een discotheek, bijvoorbeeld, vergt een bijna militaire precisie in ontwerp en beveiliging en management. Meer horeca in het centrumgebied is bij uitstek een zaak van maatvoering. De plaatsing van de horeca-ontwikkeling in de context van de toekomst van het dorp en de generatiewisseling bepaalt overigens ook al waar het bij die horeca-ontwikkeling niet om gaat. Ook als er een heel rijtje horecazaken ontstaat, is het doel niet een uitgaanscentrum of horecaboulevard te creëren, vergelijkbaar met De Grent in Noordwijk of de Nieuwe Beestenmarkt in Leiden. Op die plekken is het geaccepteerd dat de politie stand-by is en dat de overheid zich met de overlast bemoeit. Je hebt als regio ook dat soort plekken nodig. Maar de Voorstraat dient de burgerlijke thuismarkt – bewoners onder elkaar.
Overheidstoezicht op mogelijke overlast in de Voorstraat – laat staan politie-ingrijpen – moet tot de hoge uitzonderingen behoren. De regel moet zijn zelfregulering en gastheerschap door de ondernemers – ook op straat. Het doel is ook niet om meer uitgiftepunten voor alcoholica te scheppen of meer gelegenheden of evenementen met versterkte muziek. Het doel is om een pluriform en uitnodigend milieu te scheppen met veel ondersteunende horeca en met een diversiteit aan meer gespecialiseerde zaken.
De betekenis van het toerisme voor het centrum In deze notitie maken we de keuze voor het centrum als huiskamer van het dorp en als motor van de dorpsvernieuwing. Dat is een keuze voor de thuismarkt. Toeristisch gebruik van het centrum moet het gebruik door de thuismarkt versterken: de belangen van toeristen en die van de eigen inwoners moeten parallel lopen. Het is een goed criterium om bij het ontwerpen van voorzieningen een dubbele doelgroep in het hoofd te houden: zowel de eigen bewoners als de toeristen. Voor Voorschoten is de thuismarkt de motor, met het toerisme als versnellingsbak. Dat maakt de eigen bevolking – en alle bewegingen die zich daar de komende jaren in gaan aftekenen – mede tot een doelgroep van de dorpsmarketing. Zo kan de dorpsmarketing ook uitgroeien tot een instrument om in contact te komen met de ‘urban entrepeneurs’ die we graag naar het centrum willen krijgen.
29
9. Het centrum van Voorschoten vergeleken Om je eigen centrum te positioneren, is het nuttig om te kijken hoe andere gemeenten dat doen met hun centrum. We hebben gekeken naar enkele ‘benchmark’ gemeenten, in dezelfde grootteklasse als Voorschoten. Het gaat om: •
• • •
Coevorden, zuidoost Drenthe, stad met 16.000 inwoners, oude stadskern, hoofdplaats van een gemeente met 35.000 inwoners in een uitgestrekt krimpgebied. Heeft enige centrumfunctie, maar staat in de schaduw van Emmen. In de omgeving veel verblijfstoerisme (bungalows). Rhenen, Utrecht, 20.000 inwoners, dorp met veel koopkracht, verzorgingsstructuur vooral op eigen bevolking gericht. Cuijk, noordoost Brabant, 18.000 inwoners, sterk op Nijmegen georiënteerd. Geldrop, zuidoost Brabant, 29.000 inwoners, dorp met veel koopkracht, sterk op Eindhoven georiënteerd.
De vier zijn in enkele opzichten met Voorschoten vergelijkbaar: ze hebben een interessant woonklimaat, een klein centrum met een behoorlijke verblijfs- en zwerfkwaliteit en eigen ‘landmarks’ of iconen (centraal plein, kasteel) en ze bestaan in de directe omgeving van een grote stad. Dat is een ander uitgangspunt dan bijvoorbeeld Meppel. Meppel telt 28.000 inwoners, maar beschouwt zichzelf dankzij het gewicht van centrumvoorzieningen als een ziekenhuis, een mbo-campus, een hbocampus en directe treinverbindingen met de Randstad als een soort zusterstad van Assen en Zwolle. Alle vier benchmark gemeenten hebben recent een centrumvisie vastgesteld, met daarin uitspraken over winkels en horeca. We vatten eerst die visies in onderstaande matrix samen.
Centrumvisies Coevorden, Rhenen, Cuijk, Geldrop Centrumvisie
Cijfers
Opgaven
Plannen
Coevorden
Een kwart van het aanbod in de binnenstad is voor leisure
Afnemend inwoneraantal
Centrum ontmoetingsplek→ reden voor mensen om er vaker te komen.
Sterk toegenomen leegstand De winkels hebben een gezamenlijke omvang van circa 14.300 m2 winkelvloeroppervlak (wvo).
Aantrekkelijkheid voor toeristen. 30 minder voordeuren voor detailhandel en diensten →Compacter centrum
Veel winkels zijn kleinschalig (< 100 m2 wvo).
Combineren functies in één gebouw De gemiddelde winkelomvang bedraagt circa 135 m2 wvo.
Leegstand opvullen met andere nietpublieksfuncties Stadboerderij en brouwerij- openen Centrummanager aangesteld
Rhenen
Het totale detailhandelsaanbod is met 1.330 m2 wvo gegroeid van 10.020 m2 wvo naar 11.350 m2 wvo. Het aantal verkooppunten in de leisure (horeca, cultuur, e.d.) groeit licht, het aantal dienstenfuncties neemt af.
Horeca vooral in de restaurants en fastservice, weinig cafés ook in vergelijking met benchmark gemeenten.
Multifunctionele gebouwen Aanstellen centrummanager Uitgebreid gevel beleid met het oog op uitstraling gebied
30
Meer vernieuwende horecaconcepten. Cuijk
Het horeca-aanbod in het centrum van Cuijk bestaat uit ruim 25 bedrijven en is daarmee de grootste horecaconcentratie in het Land van Cuijk. Boxmeer-centrum telt circa 20 horecabedrijven
Inspelen op het veranderde consumentengedrag
Inzetten op horeca en vernieuwende concepten. Sector overstijgende concepten. Toestaan (mobiele) horecaontwikkelingen met terras op/aan heringerichte verharde deel Maaskade Toestaan terrassen Kerkplein
Geldrop
Geen cijfers beschikbaar over de horeca
Het is nu niet een compact centrum. Alle functies moeten zich daar wel gaan concentreren. Behoud van een paar iconische locaties.
Openstelling beelden en kruidentuin Compact centrum Mix van functies voor bezoekers en gebruikers om te wonen, werken, verblijven en te leven. Ook andere functies in het centrum Horeca moet in verhouding zijn met de rest van het centrum. Voortschrijdend inzicht omtrent belang van evenementen. Centrum autoluw.
De vier gemeenten verschillen natuurlijk van elkaar en van Voorschoten. Maar in de vier visies moeten we die verschillen vooral in de details zoeken: een lokale icoon als smaakmaker, een lokaal gegroeide verkeerssituatie als opgave. Er zijn evidente overeenkomsten: • • •
•
•
Alle vier gaan primair uit van de koopkracht en de behoeften van de eigen inwoners. toeristisch bezoek is min of meer bijvangst. Alle vier streven naar een compacter centrum en naar het afbouwen van uitlopers. Ze bereiden zich voor op een markt zonder groei. Alle vier streven naar een mix van wonen, werken en verblijven. ‘Balans’ is het sleutelwoord. Alle vier besteden aandacht aan beeldkwaliteit, Rhenen werkt met een uitgebreide gevelbeschrijving. Het streven is een centrum te worden met een dagelijks en wekelijks bezoekmotief voor de eigen inwoners. Daarom moeten er meer voorzieningen zijn dan alleen winkels. Cuijk opent een beelden- en kruidentuin, in Coevorden bestaat een plan voor een stadsboerderij en een stadsbrouwerij. De brouwerij moet een plek zijn waar proeverijen worden georganiseerd en waar de hele week een hippe ‘stadstaveerne’ is. De horeca speelt in alle visies een rol vanwege de ontmoetingsfunctie en vanwege het versterkende effect op de andere functies in het centrum. Daghoreca zorgt er ook voor dat mensen langer in het centrum blijven. Er bestaan overal plannen voor uitbreiding van de horeca. Cuijk heeft al een hoge dichtheid, wil naar nog meer terrassen en denkt aan mobiele horeca. Coevorden streeft naar verdubbeling van het horeca-areaal. Overal is een transitie
31
•
•
van winkels naar horeca gaande, met de kanttekening dat meer horeca niet hetzelfde is als meer (eet-)cafés. Alle vier beogen flexibiliteit in de bestemmingen en rekenen op de creativiteit van de ondernemers. Ook moeten er andere concepten toegestaan kunnen worden, er zijn voorbeelden als yogastudio’s, bijzondere speciaalzaken en experimentruimtes voor startende ondernemers. Er is een zoektocht naar nieuwe concepten. Cuijk noemt het sector overstijgende concepten, Rhenen benadrukt vooral vernieuwende horeca concepten en Coevorden wil meer functies in een gebouw. Coevorden – krimpgebied met veel leegstand – wil mede daardoor 30 voordeuren uit het straatbeeld halen.
Voorschoten sluit zich met minder winkels, meer horeca (met vooral een ondersteunend karakter), meer diensten en meer wonen bij de consensus aan. Voorschoten onderscheidt zich in drie opzichten juist weer van de benchmark-gemeenten: • • •
Voorschoten geeft zich als enige rekenschap van de nabijheid van een grote stad en probeert de dynamiek van die stad te benutten, door acquireren van ‘young urban entrepeneurs’. Voorschoten zet als enige het dorpscentrum centraal als motor voor de vernieuwing van en generatiewisseling in het hele dorp. Voorschoten streeft niet naar het afbouwen van de kleine werkgebieden in de omgeving van het centrum.
In die laatste omstandigheid speelt de regionale detailhandelsvisie van 2017 ongetwijfeld een rol. Daarin was het afbouwen van ‘losse’ winkelstrips een centraal actiepunt. Maar er is sindsdien niets mee gebeurt, zoals eerder aangegeven. De markt gedraagt zich niet zoals het beleid wil.
32
10. Beleidsinstrumenten
Het beleidsdoel is duidelijk: functieverrijking van het centrum van Voorschoten, zodat het de motor kan worden van de vernieuwing van het dorp. De vraag is met welke beleidsinstrumenten we dat doel dichterbij kunnen halen. We sommen in de volgende paragrafen drie beleidsinstrumenten op die we daarbij kunnen inzetten, dan wel overwegen in te zetten: het verder ontwikkelen van het centrummanagement, het omgevingsplan en stimulerende maatregelen zoals een gevelfonds. De filosofie achter de instrumenten is steeds dezelfde: in het licht van de snelle veranderingen in de retail – nog eens versneld door de coronacrisis – en in de demografie van Voorschoten, heeft het geen zin om vanuit de overheid een echte planning na te streven of zelfs maar om sturing te geven. Het gaat in het overheidsbeleid vooral om het uitlokken en verwelkomen van het goede soort ondernemerschap. Een ondernemer die alleen uit is op eigen omzet, past niet goed in de opgaven voor het centrum en voor het dorp. We hebben ondernemers nodig die willen bijdragen aan de vernieuwing van het dorp, oog hebben voor de multifunctionaliteit van het centrum en bereid zijn om samen te werken met andere retailers, met andere sectoren, met de inwoners en met de overheid. Ondernemers die er van uitgaan dat een vitale omgeving ook goed is voor hun eigen rendement.
Die ondernemers zullen we verwelkomen, en zelfs actief gaan werven. En als ze er eenmaal zijn, is het onze inzet om hen een medeverantwoordelijkheid te geven in de ontwikkeling en het beheer van het gebied. De keuze van instrumenten past daarin. Het is wel zo eerlijk om op te merken dat de gemeente de komende reeks van jaren niet zal beschikken over grote investeringsmiddelen. Het uitkopen van verouderde ondernemingen of van ondernemers die op een ‘verkeerde’ plek zitten, bijvoorbeeld, gaat de financiële spankracht van de gemeente verre te boven. We moeten het hebben van ‘zachte’ beleidsinstrumenten: organisatie, samenwerken, visie, gedeelde verantwoordelijkheid. In de volgende paragrafen behandelen we drie instrumenten.
33
11. Centrummanagement en ondernemersregie
Het centrummanagement is in Nederland in de jaren tachtig ontstaan. In Nijmegen – een van de eerste steden – werd het oorspronkelijk ingezet als overleg over de branchering: de gemeente, vastgoedeigenaren en retailers moesten het onderling eens worden over een goede balans in de samenstelling van de lokale retail en over de mate van doorstroming. Pandeigenaren werd gevraagd om flexibele huren te hanteren. Een lage huur voor een nieuwe en lokale starter zou bijdragen aan een gezond geheel en zich later terugbetalen in een goed rendement. Maar deze ambitieuze poging tot afstemming is maar zelden van de grond gekomen. Er waren te veel uiteenlopende stemmen om via overleg tot een goede strategie te komen. En ook toen al bleek de retail niet goed te plannen. Het blijft uiteindelijk een markt.
Samenwerking en verantwoordelijkheid Wat Nijmegen en de andere vroege starters met centrummanagement wel hebben laten zien, is de noodzaak voor samenwerking. In de oude rolverdeling zorgde de gemeente voor de randvoorwaarden, daarbinnen deden de ondernemers ‘hun ding’. Op tal van plaatsten liep die klassieke rolverdeling tegen z’n grenzen. Het bekendste voorbeeld is de aanhoudende spanning rondom het parkeerbeleid. Retailers verwachtten dat de gemeente zou zorgen voor gratis of goedkope parkeerruimte in de directe omgeving, de gemeente wilde juist zorgen voor een gemengde en goed uitgebalanceerde samenstelling van die omgeving. Die tegenstelling is op de meeste plaatsen – ook in Voorschoten - veel milder geworden. Ook is er steun voor de visie dat centrumgebieden vaak gelegen zijn in historische kernen. Dat maakt ze kwetsbaar. Ze worden intensief gebruikt, afspraken over onderhoud zijn noodzakelijk. Ze moeten beveiligd worden, promotie en marketing zijn nodig. Allemaal redenen om te streven naar een hogere organisatiegraad van de ondernemers en een goed woordvoerderschap van de ondernemers naar de gemeente. Nog later kwam daarbij de vaststelling dat je geen sterke ondernemersorganisatie kunt opbouwen zonder eigen geld.
Een centrummanagement dat alleen door de gemeente gefinancierd wordt, heeft de neiging als gesubsidieerde instelling te functioneren, in plaats van als vehikel voor zelfbestuur en organiserend vermogen van ondernemers. In dat opzicht heeft buurgemeente leiden een pioniersrol gespeeld, in 2005 met de oprichting van het eerste ondernemersfonds. Het centrummanagement is van een vrijwillige overlegtafel veranderd in een uitvoeringsorganisatie met een eigen agenda. Er wordt tegenwoordig veel minder over de gemeente gepraat: de ondernemers hebben hun eigen agenda, met het geld en de uitvoeringskracht om die agenda uit te voeren. Omgekeerd heeft de gemeente flinke stappen terug gedaan. De programmering van de binnenstad (promotie en evenementen) is goeddeels naar de ondernemers verschoven. Handhavingskwesties ten aanzien van uitstallingen, reclame, schoon-heel-veilig en geluid vinden plaats op basis van uitspraken van de georganiseerde ondernemers. Grotere ingrepen zoals verkeer en inrichting van de openbare ruimte liggen nog steeds bij de gemeente, maar het overlegklimaat is sterk verbeterd. Het is niet van de ene op de andere dag gegaan, maar de professionalisering die mogelijk werd gemaakt door de beschikbaarheid van een structureel en vrij besteedbaar budget, heeft veel opgeleverd.
Er zijn in tientallen structureel gefinancierde centrummanagementorganisaties in den lande gekomen, meestal met inzet van een gemeentebreed ondernemersfonds, of een reclamebelasting, in andere gevallen met inzet van een BIZ. Voorschoten werkt met een Reclamebelasting.
34
Het centrummanagement in Voorschoten beraadt zich op taken en toekomst. Er is een redelijk budget (80.000 euro vanuit de Reclamebelasting) en er is ook al geruime tijd geleden besloten om te investeren in professionele ondersteuning. We willen aan die discussie onze verwachtingen en overwegingen toevoegen. Als we kijken naar de buren in Leiden, dan is het centrummanagement een dynamisch platform met inbreng van huurders, eigenaren, markt, universiteit, cultuur, evenementenorganisaties. Er zijn naast de betaalde kracht bijna altijd stagiaires werkzaam. Er is een permanente dialoog met de gemeente en het centrummanagement bestaat in de setting van een ondernemersfonds, met contacten in de hele stad. Verder word er gewerkt met een onafhankelijke voorzitter en met verschillende werkgroepen en straatverenigingen. Dat zorgt voor een veelzijdige dynamiek, nog los van de omvang. Een goed klimaat tussen gemeente en ondernemers en een gedeeld beeld van de toekomst is een goede basis voor acquisitie van investeerders. Een slechte sfeer jaagt ze weg, en goed georganiseerd gesprek trekt ze aan.
Structurele financiering via een ondernemersfonds Het budget van 80.000 van het centrummanagement in Voorschoten is afkomstig uit de reclamebelasting. De wet bepaalt dat deze belasting alleen door de exploitanten van bedrijfspanden wordt betaald. De eigenaren doen niet mee. Dat beperkt het opbrengstpotentieel en ontneemt ook de noodzaak om de pandeigenaren bij de activiteiten te betrekken, terwijl zij voor hun rendement op de langere termijn zeer afhankelijk zijn van het werk van het centrummanagement. Een oplossing zou zijn om naast of in plaats van de Reclamebelasting te gaan werken met een BIZ. De wettelijke regeling voor de BIZ maakt het mogelijk om ook de eigenaren te belasten, al moeten ze daar wel in meerderheid zelf mee instemmen. De komst van een BIZ zou zowel de deelnemerskring als het opbrengstpotentieel voor het centrummanagement vergroten. Maar we zien ook twee minpunten: •
•
De BIZ-regeling geeft aan de gemeente een kaderstellende en controlerende rol. Het is allemaal vrij strak gereguleerd. Zo is het tot op heden niet gegaan in Voorschoten. De gemeente heeft zich in de uitvoeringsovereenkomst met het centrummanagement over de Reclamebelasting vastgelegd op de filosofie van ‘voor en door ondernemers’. We zien daar veel goeds in: het centrummanagement als uitdrukking van participatie en zelfbestuur. We willen graag samenwerken, maar niet bepalen. De BIZ werkt met een vijfjarenbegroting en een werkplan voor vijf jaar. Dat past niet in deze tijd: vijf jaar is in de huidige markt een verre, niet te overziene toekomst.
We zoeken een regeling die ruimte laat voor flexibiliteit en een optimaal appel doet op zelfwerkzaamheid en pionierschap. Vanuit die optiek, komt een gemeentebreed ondernemersfonds in beeld, op basis van een meeropbrengst van de ozb voor niet-woningen. Deze constructie heeft zich in een reeks andere gemeenten als stabiel bewezen. In Voorschoten zou een ondernemersfonds een oplossing bieden – financieel en als verrijking van de context – voor het centrummanagement. Het zou ook een regelarme en stabiele vervanger kunnen worden voor de BIZ op bedrijventerrein Dobbewijk. De vraag is wel wat 'overig Voorschoten’ er van vindt: de ozb-tarifering geldt voor de hele gemeente en ook de ondernemers buiten het centrum en Dobbewijk zouden een positie moeten verwerven in het fonds.
35
OVV en COV over een ondernemersfonds Met de besturen van OVV en CVV is afzonderlijk doorgepraat over een Voorschotens ondernemersfonds. De ervaringen met een fonds zijn redelijk bekend: buurgemeente Leiden heeft het oudste fonds van het land, dat al vijftien jaar voorziet in een stabiele en frictieloze financiering van het centrummanagement (dat overigens naast het aandeel uit het ondernemersfonds ook een flinke gemeentelijke bijdrage krijgt, op basis van een prestatieovereenkomst). In het gesprek met OVV en COV werd onderkend dat een fonds van grote betekenis kan zijn voor het scheppen van een gelijkwaardig speelveld en voor het toerusten van de ondernemers voor hun gezamenlijke activiteiten. De OVV heeft laten weten het ondernemersfonds een interessante gedachte te vinden en zou een uitwerking willen zien, alvorens tot een standpunt te komen. Bedrijventerrein Dobbewijk is vanuit de BIZ-ervaring groot voorstander van samenwerking en ziet de komst van een ondernemersfonds als een goede doorontwikkeling, die ook de samenwerking tussen de verschillende gebieden in Voorschoen ten goede zal komen. De COV stelt als voorwaarde dat het budget van 80.000 ut de Reclamebelasting behouden blijft. Daar is het volgende over te zeggen. Een ondernemersfonds bestaat op basis van een meeropbrengst van de ozb voor niet-woningen.
Die belastingbasis is in Voorschoten klein, gewoon omdat Voorschoten een kleine economie heeft en over weinig zakelijk vastgoed beschikt. Bij de vaststelling van de omvang van een fonds moet een balans getroffen worden tussen enerzijds de draagkracht (de lastenverhoging moet beperkt blijven) en anderzijds de ambities met betrekking tot de opbrengst. In Voorschoten moet dan gedacht worden aan een fonds van 200.000 tot 225.000 euro. We hebben daar nog niet aan gerekend, maar het is mogelijk dat het centrumaandeel in het fonds minder dan 80.000 bedraagt. In dat geval zou de reclamebelasting gehandhaafd kunnen blijven voor een verlaagd tarief, aanvullend op de bijdrage uit het ondernemersfonds. Voor het centrummanagement is de winst dat de grondslag verbreed wordt (de reclamebelasting wordt alleen door de gebruikers van een pand betaald, de OZB ook door de eigenaren) en verder in een veel betere context voor samenwerking met ‘overig Voorschoten’.
Vervolgens een opmerking over het takenpakket van een centrummanagement. Er is bij activiteiten van een centrummanagement een soort generationele ontwikkeling zichtbaar. De eerste generatie activiteiten gaan bijna altijd over promotie: het veiligstellen van Sinterklaasintocht en feestverlichting en andere acties die het bezoek aan het centrum moeten bevorderen. Daar zit ook de acute nood. Soms wordt een centrummanagement opgericht omdat alleen vrijwillige en vrijblijvende samenwerking niet meer voldoende is om directe promotie gerealiseerd en gefinancierd te krijgen. Wanneer de acute nood gelenigd is, ontstaat ruimte voor een tweede generatie activiteiten. Dan gaat het om planmatig organiseren van de promotie en de ‘branding’, bijvoorbeeld door middel van een evenementenkalender. Ook komen de randvoorwaarden voor het ondernemen beter in beeld, bijvoorbeeld het reclame- en uitstallingenbeleid, terrassenbeleid en openingstijden en kwesties rondom schoon, heel en veilig. In de derde generatie gaat het om zaken die te maken hebben met visieontwikkeling: leegstandsbestrijding en acquisitie van nieuwe partijen, lobby en beleidsbeïnvloeding bij de gemeente, zelf visies opstellen over het gebied, initiatieven voor verduurzaming, bevorderen van kennis en kunde, veiligheidstrainingen en nog veel meer. Met ‘generaties’ bedoelen we niet dat de ene actie keurig volgt op de andere.
We bedoelen wel dat centrummanagement niet statisch is: het is een werkvorm die zich ontwikkelt, meebeweegt met de markt en mede-afhankelijk is van het beschikbare talent.
36
Voor een gemeentebestuur is het alleszins wenselijk dat die ‘derde generatie’ ook echt aan bod komt. Hoe pro-actiever en creatiever het centrummanagement namens de ondernemers is, hoe beter de gemeente z’n randvoorwaardelijke taak kan invullen. Een concreet voorbeeld is de behandeling van alles wat met overlast te maken heeft. Op dit moment is de gemeente in de praktijk gehouden aan een vorm van arbitrage tussen ondernemers en bewoners en ondernemers onderling. Dat is een bron van ongemak. We zien in plaats daarvan een vorm van ‘inclusief’ ondernemerschap voor ons, waarbij de verantwoordelijkheid van de ondernemer niet ophoudt bij de voordeur, maar zich ook uitstrekt tot de omgeving. Zo gaan we nog een stapje verder met de Omgevingswet: niet alleen in de inrichting van de ruimte, maar ook in het beheer heeft de ondernemer een regiefunctie. Beheersing van uitstallingen en reclame-uitingen, vervuiling en lawaai moet gestalte krijgen op basis van afspraken die ondernemers met elkaar en met de inwoners maken. De overheid heeft de middelen om die afspraken vervolgens te handhaven. Maar het vaststellen van de normen zou binnen redelijke grenzen een zaak van de betrokkenen zelf moeten zijn. Pas als zij daar niet uitkomen, is de gemeente aan zet. Dit vergt een goede organisatie van de ondernemers. De kiem daarvoor zit in het centrummanagement.
Doorontwikkeling Tenslotte een paar praktische opmerkingen. De complexiteit van de opgaven maakt een vorm van professionele ondersteuning wellicht noodzakelijk. De onzekere omstandigheden in de retail maar ook de gewenste creativiteit in de functie veronderstelt een zekere handelingsvrijheid voor de persoon of de personen die als centrummanager gaan optreden. Hoe het werkplan er precies uit ziet, is wellicht minder van belang. Het gaat er vooral om dat de centrummanager in staat is de ondernemers te ondersteunen in hun verantwoordelijkheid voor het centrum, zonder hun ‘loopjongen’ te zijn. Dat is een spanning die in veel professionele functies zit. Dat vergt enig niveau van de functionaris. Voor het takenpakket zou vanuit de status quo aan de volgende zaken gedacht kunnen worden: •
•
•
Goed in kaart brengen van de thans actieve ondernemers, contact leggen, bevragen op problemen en ambities en op deze basis en organisatieplan voor het centrummanagement ontwikkelen. Belangenbehartiging van de ondernemers bij de gemeente organiseren, structureren en professionaliseren. En op die basis komen tot een goede verdeling van rollen en verantwoordelijkheden tussen ondernemers en gemeente. In gang zetten van een of meer concrete acties, bijvoorbeeld een gevelplan (zie volgende paragraaf).
Verder is het zaak dat het bestuur van het centrummanagement enige afstand kent van individuele ondernemingen. De gezamenlijkheid is het uitgangspunt, niet de behartiging van de belangen van een enkeling. Het kan daarbij helpen wanneer gekozen wordt voor een onafhankelijk voorzitter. Dat is de modus in de meerderheid van centrummanagementorganisaties in het land. Tot zover deze beschouwing over het belang van versterkt ‘zelfbestuur’ door ondernemers. Dat versterkte zelfbestuur is nodig: de sfeer tussen ondernemers en gemeente behoeft verbetering, de slagkracht van de georganiseerde ondernemers moet groter worden en in de transitie van het dorp is het van belang dat ondernemers kunnen meepraten met een eigen kennispositie en met een eigen 37
investeringsmogelijkheid. Een ondernemersfonds is een goed instrument om aan die versterkte regie te werken en is ook een logische doorontwikkeling van de reclamebelasting in het centrum en de BIZ in Dobbewijk. OVV en COV zijn bereid om samen met de gemeente naar de mogelijkheden te kijken. Op voorhand stellen we al vast dat gemeenten waar al langere tijd zo’n fonds bestaat, een dynamisch speelveld hebben, met een constructief-zakelijke sfeer tussen ondernemers en overheid. Het werkt een stuk beter wanneer de ondernemers zelf goed georganiseerd zijn en over een structurele financiële positie beschikken, in plaats van de regie over te laten aan de gemeente.
38
12. Gevelfonds Centrumgebieden zijn ingewikkeld, en zeker centrumgebieden met een historisch karakter. Er komt van alles bij elkaar: wonen, ontmoeting en evenementen, horeca, winkels, cultuur, erfgoed. Parkeren en verkeer spreken nooit vanzelf. En het wordt nog ingewikkelder, nu ook groen en verduurzaming als waarden zijn toegevoegd en de retailmarkt geen zekerheden meer kent. Wie centrumvisies uit willekeurig welke gemeenten open slaat, stuit voortdurend op het woord ‘balans’. En terecht. Het gaat allemaal om maatvoering. Op een bedrijventerrein kan de overheid zich nog goeddeels terugtrekken. Er zijn in den lande tal van voorbeelden van plekken waar de ondernemers zelf de regie voeren over beheer, inrichting en beveiliging van het terrein. Vaak beschikken ze daarvoor over het gemeentelijk onderhoudsbudget. En er zijn ook winkelcentra met een mono-eigenaar waar de gemeente nauwelijks nog een taak heeft, anders dan de openbare orde garanderen. Maar in historische centrumgebieden is zo’n vergaande delegatie van taken en middelen niet goed denkbaar. Er spelen naast de private optie om geld te verdienen en inkomen te genereren teveel publieke belangen op het gebied los te laten: de huiskamerfunctie van het centrum voor het hele dorp, de stad of de regio; de woonwaarde, de cultuur en de geschiedenis. Bovendien is in centrumgebieden het vastgoedeigendom versnipperd.
Er zijn heel veel betrokken partijen. En het werk is ook nooit klaar. Daarom is het managen van een centrumgebied altijd een kwestie van goed samenwerken en co-creëren. Dat maakt het toerusten van de ondernemers zo belangrijk. Intussen blijft de vraag welke instrumenten de gemeente zelf heeft, los van de budgetten voor de infrastructuur en de openbare ruimte en los van de ordehandhaving. Voor Voorschoten is die vraag temeer aan de orde, gezien het sobere financiële perspectief. Meer specifiek is de vraag wat we kunnen doen om de komst van jong en innovatief ondernemerschap naar het centrum te bevorderen. We willen immers dat het centrum de motor wordt van de vernieuwing van het dorp. We willen binnen de beperkingen toch de mogelijkheden onderzoeken voor twee financiële regelingen. Ten eerste een garantstelling voor starters en nieuwkomers die passen binnen het wensprofiel. Starters zijn vaak afhankelijk van een mix van financiering: commercieel krediet, sociaal krediet, huurreductie, particulier vermogen. Een garantie – tot enkele tienduizenden euro’s – van overheidswege kan het vertrouwen van andere financiers in de onderneming versterken en zo een daadwerkelijke start ondersteunen. Ten tweede een gevelfonds. Gevelfondsen zijn in sommige gemeenten – waaronder de buren in Wassenaar – ontdekt als effectieve interventie.
Veel in aanleg historische winkelstraten zijn na de jaren zestig voorzien van open winkelpuien, met veel glas en staal. Het idee was om zoveel mogelijk licht en etalageruimte in de winkel te krijgen en zoveel mogelijk interactie tussen binnen- en buitenruimte. Maar achteraf wordt met spijt op die ingreep terug gekeken. Veel historische panden zijn verminkt. Wie de oorspronkelijke schoonheid wil zien, moet naar boven kijken. Gevelfondsen blijken een effectieve manier te zijn om eigenaren en gebruikers van panden te stimuleren om de oorspronkelijke gevel (min of meer) terug te brengen. Het gaat vaak om laat-negentiende-eeuwse panden, die tegenwoordig wellicht al een monumentenstatus zouden hebben. Vanuit een gevelfonds wordt een deel van de kosten voor het herstel vergoed. Het mechanisme achter het succes van gevelfondsen is het appel op de motivatie. Fondsen worden in eerste instantie gebruikt door voorlopers: ondernemers die zicht hebben op de context van hun pand en het herstel zien als een aanwinst. In de praktijk blijkt hun voorbeeld anderen te inspireren. En hoe meer panden mee doen hoe goedkoper het wordt. Het gaat er om met het gevelfonds de pioniers te identificeren. 39
13. Omgevingsplan
De voorliggende notitie is een gebiedsvisie. Vaststelling door de raad maakt er een legitiem instrument van om plannen mee te beoordelen, maar echte rechtsgeldigheid wordt pas verkregen met de status van een omgevingsplan. Daarmee is gelijk gezegd dat deze notitie in de context van de Omgevingswet geplaatst moet worden. De Omgevingswet schept de mogelijkheid om de gebruikers van de ruimte in de regisseursstoel te plaatsen. De vergaande consequenties van deze korte zin vergt een behoorlijke overdenking. Als we om ons heen kijken, zien we in tal van gemeenten omgevingsvisies en – plannen die erg lijken op de aloude, overheidsgeleide structuurplannen en bestemmingsplannen, met hooguit wat meer panelgesprekken en ontwerpateliers voor de liefhebbers. Dat is op zich geen wandaad, maar het is een negeren van het potentieel van de wet. In de wet gaat alles om de kwaliteit van de argumentatie. De wet stelt de gebruiker van de ruimte in de gelegenheid om een eigen visie te geven op zijn ambitie of initiatief. De omgevingsvisie geeft hem een kader om zijn argumentatie op te ijken: ‘waar wil deze gemeenschap dat ik op aanspreekbaar ben?’ Het gaat niet meer om allocatiebeleid – ‘deze functie mag in dat gebied en al het andere is verboden’.
Het gaat om het opstellen van een gezamenlijke agenda, die gebruikers van de ruimte in staat stelt zich een beeld te vormen: wat wil deze gemeenschap? Kan ik daar iets aan toevoegen? Ben ik welkom genoeg om een rendement te halen uit mijn investering? Hoe staat het met de entree van nieuwkomers, jongeren en nieuwe bedrijvigheid? Economie, woningbouw, demografie en energiehuishouding veranderen razendsnel. De oude bestemmingsplan systematiek – waarbij je met een snelle blik op een plan kon zien of een initiatief wel of niet was toegestaan – was verouderd: veelvuldig moeten initiatieven behandeld worden met spoedprocedures, vanwege een niet-voorziene maar wel welkome afwijking van het plan. De Omgevingsvisie moet dat ondervangen. Niet alleen voor de huidige kenners en gebruikers van de ruimte, maar ook voor de nieuwe initiatieven die nu nog helemaal niet in beeld zijn. Een investeerder van buiten – variërend van een horecaondernemer die wil uitbreiden tot een gezin dat een huis wil uitbouwen tot kangoeroewoning - moet in het omgevingsplan kunnen zien of hij welkom is om een gesprek aan te gaan en waar dat gesprek over gaat en wat er in termen van kwaliteit en toevoeging van hem verwacht wordt. Het is geen ‘aftest planologie’, maar ‘argumentatie planologie’.
De Omgevingswet is niet alleen een onderstreping van de snelheid van demografische ontwikkelingen, waaronder ruimtelijke plannen snel veranderen. Het is ook een onderstreping van de emancipatie van de gebruiker. De wet gaat uit van de mogelijkheid dat gebruikers en investeerders nieuwe informatie en kansen signaleren. Dat brengt de overheid in een andere rol: niet meer bepaler, maar bewaker van de kwaliteit. Een praktisch voorbeeld: er zijn vragen gesteld over de gemeentelijke visie op een multifunctionele accommodatie in het centrum, op de toekomst van de Kruispuntkerk, op de toekomst van het Churchillplein en op de horecalocaties in de Voorstraat. In de oude ruimtelijke ordening zou dat werken: iemand die iets wil, kijkt wat de bestemming is van deze plekken en weet waar hij aan toe is. In de nieuwe orde zou dit soort ‘duidelijkheid’ teveel uitsluiten. De kaarten kunnen in korte tijd anders liggen, initiatiefnemers en ondernemers verschillen onderling, enzovoort. Een nieuw omgevingsplan moet niet een nauwkeurige planning, maar een kwaliteitsniveau vastleggen. 40
Hoe dan ook wordt van gebruikers van de ruimte creativiteit verwacht. De tijd dat je een gebouw uit een catalogus kiest en kunt volstaan met te contoleren of het mag volgens het bestemmingsplan, is voorbij. Ook ‘oud’: passief wachten tot iemand naar de gemeente komt en het bestemmingsplan raadpleegt. ‘Nieuw’ is dat een omgevingsplan ook actief als acquisitie-instrument gehanteerd kan worden door gemeente en ondernemers: ‘dit is wat we willen, spreekt het je aan, pas jij hierin’? Er gaat zeker onderscheid komen tussen conserverende omgevingsvisies en dynamische omgevingsvisies. En als het goed is, zijn die verschillen terug te voeren op de aspiraties van de bevolking. De Omgevingswet stelt ook andere eisen aan bestuurders en ambtenaren dan tot op heden het geval was. Ze moeten geoutilleerd zijn voor een inhoudelijk gesprek over de ruimte en over ontwikkellocaties. Het wordt minder het toepassen van regels en meer een vorm van regievoering. En tenslotte stelt de Omgevingswet andere eisen aan investeerders en ontwikkelaars. Sommige ontwikkelaars hebben de reputatie dat ze precies willen weten wat de geldende regels zijn waar ze zich aan moeten houden. Daarna kunnen ze gaan calculeren. Die ontwikkelaars gaan het moeilijk krijgen. Calculeren volstaat niet meer, het gaat echt om mee-ontwikkelen.
Nog een laatste verschil met ‘oud’ is dat ruimtelijke afspraken een meer tijdelijk karakter kunnen krijgen. Voorschoten wil zich – zoals al betoogd – meer richten op ‘young urban entrepeneurs’. Bij die groep is veel ambitie tot wat stedenbouwkundigen ‘placemaking’ noemen: een gebied uittesten en proefondervindelijk onderzoeken wat het dna is. Dan kunnen tijdelijke architectuur, tijdelijke infrastructuur, tijdelijke bestemmingen van bestaande architectuur en tijdelijke, weer verwijderbare toevoegingen aan bestaande architectuur bij behulpzaam zijn. Een nabij voorbeeld is het Nico van der Horst park, net over de gemeentegrens in Leiden. Het is een park met een bijzondere doelgroep. En het demonstreert dat met tijdelijkheid toch kwaliteit te bereiken is. Wat is tijdelijk? Een simpele rekensom: bekijk wat voor kwaliteit je kunt bereiken wanneer je een object afschrijft in 12 of 15 jaar. Dat is lang genoeg om de huidige generatie te bedienen, en kort genoeg om leereffecten te incasseren.
De vernieuwing van Voorschoten is meer een zaak van heel veel kleine ingrepen dan van een groot en overheidsgeleid masterplan. Een voorbeeld van hoe dat praktisch werkt, is de ‘vlikobak metafoor’. Die metafoor komt uit de nadagen van de stadsvernieuwing in de grote steden, in de jaren tachtig. De stadsvernieuwing begon met de grote complexen in collectief bezit: het eigendom van de gemeentelijke woningbedrijven (die toen nog bestonden) en van de corporaties. Zo kon je massa maken. Aan het einde kwamen de wijken met veel particulier bezit in zicht. Dat was veel moeilijker: waar te beginnen? De vlikobak metafoor is afkomstig uit zo’n wijk: vergrijsd en wat haveloos (bewoners investeren de laatste twintig jaar van hun leven amper meer in hun huis). Op enig moment komt een jong pioniersgezin de straat binnen, zet een bouwcontainer neer en begint te timmeren. Als de ‘timing’ goed is en dat gezin krijgt de nodige steun in het nemen van een moedige, pionierende investeringsbeslissing, kan het zijn dat twee jaar later de hele straat vol vlikobakken staat. Wat de publieke dienst moet doen, is het signaleren en honoreren van dat voorloperschap: alle steun voor dat pionierende gezin. Dat klinkt plausibel, praktisch en kleinschalig, maar het vergt wel een bepaalde ‘mindset’. De ruimtelijke planning is stevig geworteld in het gelijkheidsrecht: de voorschriften gelden voor iedereen.
En nu moet je ruim baan geven aan enkelingen, alleen maar omdat je hoopt dat ze als pioniers gaan zorgen voor een zwaan-kleef-aan effect. Daar zit een zekere paradox in: om
41
praktisch en kleinschalig handelen mogelijk te maken, heb je een vergaande visie voor acht of twaalf jaar nodig. De pioniers moeten immers weten dat ze welkom zijn.
42
14. Sluitingstijden en evenementen
We hebben het centrum van Voorschoten gepositioneerd als huiskamer van het hele dorp en als motor van de vernieuwing van het dorp die voor de komende twee decennia in het verschiet ligt. Het aantrekkelijk maken van het centrum voor ‘young urban entrepeneurs’ is daar op gericht. Op dit moment is het klimaat tussen ondernemers en bewoners in een deel van het centrum matig. Dat leidt tot een cascade van klachten, ook wanneer bij de grondslag van die klachten vraagtekens kunnen worden gezet. Veel van de klachten gaan bijvoorbeeld over stemgeluid. Wanneer en hoe laat wordt menselijk stemgeluid overlast? De gemeente is eraan gehouden om op klachten te acteren. Dat zullen we ook doen. Maar we voorzien wel dat met goede organisatie van de ondernemers, met goede beheersafspraken, goede ‘hospitality’ van de ondernemers naar de bewoners en een nieuwe dynamiek in het centrum in de toekomst een andere inkadering mogelijk is. Daar lopen we in deze paragraaf al op vooruit. Sluitingstijden voor de horeca en evenementenbeleid zijn te beschouwen als gebruiksvoorwaarden van het centrum. Iedereen is welkom en iedereen moet zich veilig voelen in het centrum. Maar daar zijn enkele spelregels voor nodig. Die spelregels moeten passen bij het karakter van het centrum: huiskamer van het dorp en ‘pilot’ voor nieuw ondernemerschap. Het centrum is geen uitgaansgebied en ook geen toeristische hotspot.
Uitgaanspubliek en toeristen zijn van harte welkom, maar ze bepalen niet het karakter van het gebied en ze zouden ook niet het uitgangspunt bij het vaststellen van de regels moeten zijn. Dat zijn ze op dit moment wel. Voorschoten volgt het Leidse sluitingstijdenregime. De Leidse sluitingstijden zijn het gevolg van een langdurig proces van aanpassing – inclusief een referendum van lang geleden – aan de status van studentenstad en uitgaanscentrum. De Leidse cafés sluiten – los van corona – in het weekend om 02.00 uur. Er kan zich dus op dat tijdstip een piek in lawaaiig vertrekverkeer afspelen. Dat had anders kunnen uitpakken. Zo heeft Groningen – ook bij uitstek een studentenstad – helemaal geen sluitingstijden meer. Het uitgaanspubliek vertrekt geleidelijk, in de loop van de nacht. Een verschil is wel dat Leiden alleen op de Nieuwe Bestenmarkt een klein uitgaanscentrum heeft en dat de overige horeca verspreid is. Groningen heeft een grotere concentratie in Poelestraat en Peperstraat. Het verschil geeft al aan dat er ook in min of meer vergelijkbare gevallen een zekere ‘padafhankelijkheid’ bestaat: het hangt af van lokale ervaringen. En geen van beide steden geldt als ideaal. In weekends, op warme dagen en bij hoogtijdagen zijn spanningen bijna onvermijdelijk. Het gaat ook niet om een ideaalbeeld, het gaat om beheersbaarheid en leefbaarheid.
Als we naar het klachtpatroon over de horeca in Voorschoten kijken, dan valt op dat het niet zozeer om openbare orde vragen gaat, zoals in de studentensteden wel het geval is (vechtpartijen, dronkenschap, vandalisme, drugsmisbruik). Openbare orde kwesties hebben politie-ingrijpen en – toezicht nodig. Het Voorschotense klachtenparoon is meer te typeren als overlast en dan met name geluidsoverlast: hard praten bij het afscheid, ook ver voor sluitingstijd. De vraag is of er een vorm van maatwerk mogelijk is in de Voorschotense sluitingstijden, uitgaande van het Voorschotense overlastpatroon. Het probleem is dat de synchronisatie van de Voorschotense met de Leidse sluitingstijden ook te maken heeft met de handhaafbaarheid: bij de chronisch krappe politiecapaciteit is het zaak de regels zo eenvoudig mogelijk te houden. Als het
43
Voorschotense sluitingstijdenregime zou gaan afwijken van Leiden, zou er dus een aanvullende vorm van handhaving nodig zijn. Het ligt voor de hand om daarin een verantwoordelijkheid te vestigen voor de ondernemers zelf. Het is een overzichtelijk gebied, een steward die vertrekkend publiek aanspreekt en open staat voor signaleringen van bewoners kan al veel uitrichten. Daar is een vorm van collectieve organisatie voor nodig, bijvoorbeeld onder auspiciën van het centrummanagement. Zo kunnen de ervaringen van de steward worden geïnventariseerd en kan na verloop van tijd tot nadere afspraken worden gekomen, bijvoorbeeld over het vrijlaten van de sluitingstijden. Ook voor evenementen geldt een ‘Voorschotense schaal’. Als het centrum huiskamer en motor voor vernieuwing is, betekent dat, dat het dorp zich het centrum ook mag toe-eigenen. Er moet volop ruimte zijn voor wijkfeesten, kinderfeesten, markten en andere activiteiten. De openbare ruimte moet uitnodigen tot gebruik en moet daar ook voor worden ingericht, met kinderspeeltuig, een Cruijfcourt, een waterkraan. We streven in overleg met de ondernemers de beschikbaarstelling van sanitair na. Als bewoners uit een buitenwijk zich in het centrum met een activiteit willen manifesteren: wees welkom. Een initiatief voor een schaakbord: wees welkom.
Dat hartelijke welkom kan alleen onder de premisse dat evenementen niet gelijk staan met overlast. Voorschoten is een ‘sophisticated’ markt. Terughoudendheid met versterkte muziek en zelfdiscipline in het opruimen van rommel, heel laten wat heel hoort te zijn: we denken dat het kan in Voorschoten.
44
15. Samenhang met Economische Agenda en politieke opinievorming
In deze paragraaf behandelen we in het kort wee onderdelen van de politieke context waarin deze centrumvisie terecht komt: de samenhang met de Economische Agenda voor de periode 2016-2019 en de op gang gekomen politieke opinievorming over de lokale economie. Eerst de samenhang met de agenda. We kunnen de relatie tussen de voorliggende centrumvisie en de eerdere economische agenda met twee woorden typeren: voortschrijdend inzicht. De analyse van de kwaliteiten van Voorschoten als een dorp met een goed woonklimaat en een behoorlijk voorzieningenniveau is natuurlijk net zo snel veranderd. Maar het vertrekpunt voor het beleid is wel anders. In 2016 was het beleid nog en reactie op de langdurige gevolgen van de kredietcrisis. Het gevaar van leegstand werd gesignaleerd en van de toen nog te ontwikkelen regionale retailvisie werd verwacht dat kwetsbare winkellocaties zouden afvallen en detailhandel meer naar het centrum zou worden bewogen.
Als we nu de centrum-aspecten van beide documenten naast elkaar zetten, zien we de volgende accentverschuivingen.
Economische Agenda 2016-2019 Acceptatie van kleine lokale economie
Bestrijding leegstand detailhandel door concentratie in centrum In regionale detailhandelsvisie keuzes maken Versterking ontmoetings- en huiskamerfunctie van het centrum
Verrijking van het centrum door aanleg van een haven Samenwerking winkeliers, vastgoedeigenaren en maatschappelijke organisaties is noodzakelijk Meer horeca in centrum. Aaneengesloten horecagebied in Voorstraat. Sanering voorzien van deel kantorenbestand inhet centrum. Belangstelling gesignaleerd voor meer kantoorruimtes bij de stations. Van de 1300 zzp-ers in Voorschoten zegt 23% zich in een bedrijfsverzamelgebouw te willen vestigen. Gemeente staat open voor particuliere initiatieven om tot een ‘incubator’ te komen.
Centrumvisie 2020 Problematisering van kleine economie, Voorschoten heeft meer arbeidsplaatsen nodig als drager van een functioneel veelzijdig dorp Bestrijding leegstand detailhandel door toelaten en uitlokken van nieuwe vormen van retail en consumentendiensten Keuzes zijn niet opgevolgd. De markt is sterker dan de leer Centrum als motor voor vernieuwing van het dorp en voor het aantrekken van jong ondernemerschap. Versterking thuismarkt door ‘urban living’ in het centrum Geen verwachtingen meer ten aanzien van een haven Versterking van organiserend vermogen van de centrumondernemers is noodzakelijk Veel vrijheid in ondersteunende horeca, stimuleren van nieuwe horecaformules Opleving vraag naar kleinere kantoren kan voor centrum interessant zijn. Actualiteit nog groter geworden.
45
Als we de verschillen in de tijd moeten duiden, dan zien we in 2020 ten opzichte van 2016: • •
Nog meer afstand van de klassieke detailhandel als drager van het centrum Meer ruimte voor ondernemers en gebruikers van de ruimte, vanuit de filosofie van de Omgevingswet Actiever werven van ‘young urban entrepeneurs’ Verdichting van het centrum door ‘urban living’, daaronder begrepen seniorenappartementen Grote waarde aan zelforganisatie en zelfbestuur van ondernemers.
• • •
Dan komen we op de politieke visievorming rondom het centrum van Voorschoten. In het kader van de discussie over de Economische Agenda, hebben vijf raadsfracties op voorhand al een aantal inzichten en ambities op papier gezet, op verzoek van de portefeuillehouder Economische Zaken. Het gaat om Groen Links, Voorschoten Lokaal Sterk, de VVD, ONS Voorschoten en de PvdA. Met name laatste twee schriftelijke bijdragen zijn substantieel. De PvdA-notitie heeft de titel ‘Aan de slag!’ meegekregen. Zonder recht te doen aan het grote aantal suggesties en speerpunten van de afzonderlijke fracties, zien we wel een politieke consensus oprijzen op een aantal thema’s: •
•
•
•
Er is veel steun voor het beeld van het centrum als een functioneel gemengd gebied, met wonen en werken, commerciële activiteiten en niet-commerciële activiteiten. In de politieke beeldvorming lijkt al afscheid genomen te zijn van het centrum als vooral een winkelgebied Er is steun voor uitbreiding van het horeca-aanbod, zij het dat het dan gaat over een diversiteit aan voorzieningen en niet strikt over cafés en restaurants. Over de vraag naar concentratie – een ‘horecaboulevard – of spreiding in de Voorstraat, wordt niet eenduidig gedacht. Het algemene beeld is dat Voorschoten meer ondernemerschap nodig heeft en dat daarbij sterk wordt gekeken naar jong en kleinschalig. Een van de partijen verbindt aan deze voorkeur expliciet de vaststelling dat de lokale economie nu te klein is om het gewenste niveau van welvaart en welzijn te kunnen borgen. De suggestie wordt gedaan om de woningbouwagenda te verbinden met de economische agenda. differentiatie en modernisering van het woningbestand ka de koopkrachtbasis voor de lokale economie ondersteunen.