CConstaterende datvoorschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijl.1 Gebiedsvisie Centrum Voorschoten

Gemeenteraad Voorschoten 28 januari 2021, gemeente voorschotenBij agendapunt: Centrumvisie Voorschoten (met horeca en retail)19.161 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Stadsdorp in beweging Centrumvisie voor Voorschoten

December 2020

1

Inhoud

Invitational summary Voorwoord, leeswijzer 1. Samenvatting en beleidsuitspraken 2. De toekomst van Voorschoten 3. De toekomst van het centrum van Voorschoten 4. Intermezzo: stedenbouw in de 20ste eeuw 5. De toekomst van de retail in Voorschoten 6. Trends in de retail 7. De retail in Voorschoten in cijfers 8. De toekomst van de horeca in het centrum van Voorschoten 9. Het centrum van Voorschoten vergeleken 10. Beleidsinstrumenten 11. Centrummanagement en ondernemersregie 12. Gevelfonds 13. Omgevingsplan 14. Sluitingstijden en evenementen 15. Samenhang met Economische Agenda en politieke opinievorming 16. De botsproef

2

Invitational summary

Voorschoten: looking for talent Historically, Voorschoten developed as a settlement on a sand ridge alongside the Dutch coast. In modern times, Voorschoten became a pleasant village halfway the cities of The Hague and Leiden. Nowadays it is a community of 26.000 mostly affluent and optimistic people, proudly harbouring the British School in The Netherlands. Sports associations and community organizations build an active civil society. For retail entrepreneurs, Voorschoten offers a sophisticated domestic market. As a village, Voorschoten faces at least three challenges: •

•

•

The local economy is quite small. For its future liveability, new economic activities are most desirable. The municipality is willing to attract new economic activities, but the environment is not suited for largescale business zones. Due to its speedy growth in the 70s and 80s, the Voorschoten population is now ageing fast. Of course the village wants to take care of its senior citizens. But we also have to prepare for a new generation. The village has a historic central area. Its monuments are well protected, but there is room for new businesses and new apartments. The surrounding neighbourhoods date largely from the 70s and 80s. They will certainly go through a process of renewal and adaptation to new generations and new challenges, e.g. the energy transition.

As an answer to these challenges, Voorschoten is seeking new business start-ups, especially in retail, hospitality and creative industries. The retail in The Netherlands was already going through a transformation, perhaps as a result of a generation shift in consumer preferences. The covid19-crisis is speeding up this transformation. There is a need for new business models and the urban entrepreneurial class is a breeding ground for those models. The idea is not only to attract new employment and new purchasing power, but also to develop an entrepreneurial and experiment minded spirit in the population. Self employed work with a large degree of autonomy is becoming an important characteristic on the Dutch labourmarket. We consider Voorschoten to be an interesting ‘ecosystem’ for urban entrepreneurs from Leiden, The Hague, Amsterdam and elsewhere. We offer an urban environment, while skipping the congestion of the cities. We also offer a sophisticated market and a worldwise population. The Netherlands have a tradition of government led urban planning. And a lot of work has to be done in revitalizing the housing market. But new legislation will soon accommodate new forms of ‘selfplanning’. The municipality is prepared to use this legislation to bring citizen responsibility into position. Of course, civil responsibility requires a stimulating climate for common actions.

The municipality is fully aware of the need to further reinforce business associations and civil society. The region surrounding Voorschoten, is a knowledge hub, supporting a vital part of the Dutch economy and attracting talents from the country, from Europe and from overseas. The village is fully taking part in the social, political and economic life of the region, while maintaining its green, suburban features. The young-at-heart looking for a friendly habitat for both business and family, are most welcome to put their plans forward.

3

Voorwoord, leeswijzer

De Gemeente Voorschoten heeft aan Blaauwberg drie vragen voorgelegd: •

•

•

Kom met een inhoudelijk kader waarbinnen vragen die thans leven over de horeca in het centrum van Voorschoten, overdacht kunnen worden. Daaronder uitbreidingsplannen van bestaande horeca, nieuwe horeca en door bewoners ervaren overlast; zonder in te gaan op individuele casuïstiek Plaats de horeca in het geheel van het centrum van Voorschoten. Nu alle panelen in de retail aan het schuiven zijn, moet een beeld gevormd worden van de kansen en ontwikkelrichting van het centrum Plaats het centrum op zijn beurt weer in het geheel van het dorp.

Daar zijn gaande de rit praktische vragen bijgekomen, bijvoorbeeld over hoe het er in vergelijkbare gemeenten aan toe gaat (benchmark) en wat er van de Omgevingswet te verwachten valt. En ook abstracte vragen, bijvoorbeeld hoe je tegen de relatie tussen het centrum en de buitenwijken aan moet kijken vanuit de stedenbouwkundige traditie. De notitie is bij meerdere gelegenheden voorgelegd aan besturen en vertegenwoordigers van de Ondernemersvereniging Voorschoten (OVV) en de Centrumondernemers Voorschoten (COV), aan multidisciplinair ambtelijk overleg, aan B&W en aan de gemeenteraad. De notitie is verder ter hand gesteld aan de Taskforce Centrum, aan de Commissie Planologie van de Vereniging tot behoud van Oud, Groen en Leefbaar Voorschoten (OGLV) en aan het netwerk van bewonersverenigingen, sportverenigingen en welzijnsorganisaties van Voorschoten Voor Elkaar. Dat laatste is mede gebeurd vanwege het inhoudelijk verband tussen deze centrumvisie en het dorpsprofiel zoals Blaauwberg dat in 2017 onder auspiciën van Voorschoten Voor Elkaar opstelde. De respons bevatte meestal vervolgvragen. Dat heeft al met al de omvang van deze notitie bepaald. We hebben gemerkt dat de notitie goed gelezen wordt. Maar de gehaaste lezer kan volstaan met het eerste hoofdstuk.

Daar staan ook de conclusies en beleidsconsequenties bij elkaar voor de primaire doelgroep van dit rapport, de Voorschotense politiek. Her Nederlands is de enige bestuurstaal in dit deel van het land. Toch treft u veel Engels aan in deze notitie. De eerste reden is het groeiende aantal ‘internationals’ in Voorschoten, volgens het CBS al 22.6% van de bevolking. Zij vormen en dynamische groep, met veel fysieke en sociale mobiliteit. De Engelstalige samenvatting van deze notitie mag als een signaal gezien worden dat hun bijdrage aan de toekomst van het dorp opgemerkt wordt. De tweede reden voor het gebruik van het Engels heeft te maken met de kennisbronnen: in gebiedsstudies, ook in Nederland, wordt veel gebruik gemaakt van internationaal herkenbare begrippen. Waar mogelijk voegen we Nederlandse benaderingen toe. De tekst is opgesteld door ondergetekende, met bijdragen van Nicole Spaans en Rob Manders. Ik dank allen die met hun tijd, inzicht en inspiratie hebben bijgedragen aan deze visie. Daaronder in het bijzonder ambtelijk opdrachtgever Arjenne Vlietstra, die met veel organisatiekracht, overzicht en hartelijkheid de vaart er in gehouden heeft.

Aart van Bochove

4

1. Samenvatting en beleidsuitspraken

Dit rapport gaat in op de drieslag horeca – centrum – dorp. In dit hoofdstuk vatten we de bevindingen per onderdeel van die drieslag samen en geven daarna de beleidsuitspraken weer, die in een omgevingsplan voor het centrum van Voorschoten en in een uitvoeringsprogramma kunnen worden vastgelegd. We doen dat in omgekeerde volgorde, dorp – centrum – horeca. Per onderdeel vatten we eerst de bevindingen samen, met weglating van de surplus informatie over vergelijkingsgemeenten, dorpsanalyses en andere zaken.

Het dorp Voorschoten staat aan de vooravond van een flinke transformatie. Het dorp is een van de meest vergrijsde gemeenschappen in de Randstad. Er gaan de komende twintig jaar veel bewoners de woningmarkt verlaten. Elders in het land kan vergrijzing een voorbode zijn van krimp. Dat zal in Voorschoten niet het geval zijn: de ligging tussen twee bloeiende en jonge steden, bepaalt dat er probleemloos nieuwe bewoners te vinden zijn. Dat is nu al te merken in het dorp, bijvoorbeeld in het stijgende gebruik van het Engels in het dagelijks verkeer. Los van de vergrijzing, is er nog een probleem dat we onder ogen moeten zien. Voorschoten heeft een zeer kleine lokale economie, uitgedrukt als het aantal arbeidsplaatsen per 100 leden van de beroepsbevolking. Het heeft dus ook een enorm pendeloverschot. Dat maakt het draagvlak voor de voorzieningen beperkt en onthoudt veel dynamiek aan het dorp. Voor het gemeentebestuur is het zaak de transformatie goed te begeleiden, zodat Voorschoten een vitale en veerkrachtige gemeenschap blijft. Toevoeging van arbeidsplaatsen zou het dorp bovendien completer maken. De eerste taak is het op gang krijgen van de doorstroming. Veel senioren wonen in te groot geworden huizen. Toevoeging van appartementen aan de woningvoorraad zou hen binnen het dorp een comfortabel alternatief bieden.

Plaatsing van die appartementen in het centrum zou aan de ene kant het draagvlak versterken voor de voorzieningen aldaar en aan de andere kant een ‘verlengde huiskamer’ bieden aan de bewoners. De tweede taak is het herontwikkelen van de wijken tot gevarieerde woonmilieus waar nieuwe generaties met hun eigen woonvoorkeuren zich thuis gaan voelen. We denken bij bewoners nog vaak aan een passieve woonconsument. Maar we kunnen evengoed denken aan ondernemende jongeren die dicht bij huis willen werken, deel willen nemen aan de ontwikkeling van hun omgeving, aan de energietransitie en voor nieuwe aanwas zorgen voor de nu nog bloeiende verenigingen voor sport en cultuur. Die willen ook actief invloed hebben op hun manier van wonen. De Omgevingswet verschaft een nieuw kader om juist deze bewoners in positie te brengen bij de wijkvernieuwing. Als we een voorbeeld willen signaleren van de toekomstige plek van Voorschoten in het stedelijk systeem, kunnen we naar Amstelveen kijken: een gemeente in de schaduw van het grote Amsterdam, volop geïntegreerd in het agglomeratiesysteem van die stad maar met sterke eigen accenten als het gaat om woonklimaat, sociale samenhang, burgerschap en economie.

1. De strenge scheiding van wonen en werken heeft z’n langste tijd gehad, mede onder invloed van de opkomst van micro-ondernemers die een praktijk aan huis houden en enige voorzieningen in 5

de buurt nodig hebben. En ook onder invloed van nieuwe bewoners die actief vorm willen geven aan de openbare ruimte, aan een circulaire omgeving en aan de energietransitie. De gemeente spant zich in om actieve en ondernemende bewoners naar Voorschoten te halen, in een permanente en zorgvuldige dialoog met de huidige bewoners. 2. Voorschoten heeft niet als doelstelling om in bevolkingsaantal te groeien. Maar uitgesloten is een bevolkingstoename ook niet: de bouwkraan zal vaak langskomen. De woningvoorraad heeft meer variatie nodig jongeren om nieuwe groepen met specifieke wensen aan te trekken en om doorstroming aan te moedigen. Op sommige plekken, bijvoorbeeld in het centrum, is het goed voor de samenhang en voor de benutting van de voorzieningen om in een hoge dichtheid te bouwen. 3. De gemeente spant zich in om naast een diversiteit aan woningen, ook meer arbeidsplaatsen en werkplekken te realiseren, teneinde de economische basis van het dorp te verbreden. Het oog is gericht op ruimteloze groei: verdichting van de economische functie zonder uitbreiding van het areaal aan bedrijventerreinen. Werk aan huis en inrichting van werkplekken in de wijken wordt bevorderd. Bij retailfuncties in de wijken wordt concurrentie met het centrum vermeden. 4. Er is een belang in het concentreren van bedrijvigheid in het centrum.

Maar er is ook een belang bij meer levendigheid in de woonwijken. Dezelfde spanning geldt voor de ‘aanloopstraten’ naar het centrum: een deel van de bedrijvigheid laat zich concentreren in het centrum, maar de aanloopstraten zijn met hun lagere vastgoedprijzen ook wel geschikt voor beginnende bedrijven of ‘start-ups’. De gemeente moet balans zoeken in deze spanning. Doorschuiven van werk- en verdienplekken vanuit woonwijken of aanloopstraten naar het centrum is nuttig, wanneer tegelijkertijd ingezet wordt op nieuwe wijkeconomie in de woongebieden. Het enorme pendeloverschot wijst er op dat de koek van de lokale werkgelegenheid de komende jaren niet herverdeeld moet worden. De koek moet groeien. 5. De gemeente zoekt een sterk gesprekspartnerschap bij de ondernemers, om gezamenlijk te kunnen acquireren en investeringen uit te lokken. Wanneer ondernemers de medewerking van de gemeente nodig hebben om te komen tot en stabiele financiële en organisatorische positie – bijvoorbeeld via de inrichting van een ondernemersfonds – dan zal de gemeente daar graag het gesprek over aan gaan. Op dit moment kent Voorschoten een reclamebelasting voor zakelijke vastgoedgebruikers in het centrum en een BIZ op bedrijventerrein Dobbewijk.

Een ondernemersfonds zou een plausibele doorontwikkeling zijn naar een gemeentebrede en integrale medeverantwoordelijkheid van de ondernemers voor het vestigingsklimaat. 6. Een klimaat van onderling vertrouwen tussen ondernemers en gemeente is noodzakelijk voor een adequate uitvoering van de Omgevingswet. De overheid is straks niet meer een ‘buitenpartij’ die een bouwaanvraag toetst aan de technische functionaliteit van een bestemmingsplan, maar een actieve meedenker over hoe een initiatief past in de omgeving. De planning gaat van ‘nee, tenzij’, naar ‘ja, mits’. De argumentatieve benadering van de omgevingswet werkt alleen wanneer er vertrouwen bestaat in een gedeeld toekomstbeeld van centrum en dorp. Acquisitie en verwelkoming van investeerders, bijvoorbeeld, moeten breed gedragen worden. 7. Nieuwe economische dynamiek staat niet alleen ten dienste van het verdienvermogen en de veerkracht van het dorp. De dynamiek moet ook in dienst staan van mensen met minder kansen op basis van opleiding, inkomen of startpositie. Dit betekent dat betaalbare bedrijfs- en 6

ontmoetingsruimtes nodig zijn: flex werkplekken, kringloopwinkels en ‘repairshops’, inbrengwinkels, fietsenmakers en andere ambachtelijke beroepen, enzovoort. in de praktijk gaat het om huurprijzen vanaf 50 euro per vierkante meter per jaar. Ter vergelijking: goede kantoorruimte begint bij 110 euro per jaar. Het realiseren van een laagdrempelig toegankelijk areaal is een kwestie van goed accommodatiebeleid (leegstand en onderbenutting opsporen), goede afspraken met eigenaren en waar mogelijk benutten van rendementen uit projecten voor het financieren van de ‘onrendabele top’ van bedrijfsruimten.

Het centrum Traditioneel werd het karakter van de retail vooral uitgemaakt door het winkelbestand, met daarin de filiaalwinkels als trekker. De horeca was een goede tweede. Die gedaante is grondig aan het veranderen, met nog eens een versnelling van die veranderingen door de coronacrisis. Er zal behoefte blijven aan een dynamische retail – in de zin van consumentendiensten – maar het beeld wordt enorm gedifferentieerd, van wellness en yoga tot webshops aan huis, van traiteurs tot kringloop en vintage. Amsterdam heeft laten zien tot wat voor beeld die ontwikkeling kan leiden. Daar is een nieuwe klasse ontstaan van ondernemers die verknoopt zijn met hun omgeving, de zogenaamde ‘urban entrepeneurs’: vaak wat hoger opgeleide mensen die met hun handen willen werken. En ook vaak mensen met een meervoudige loopbaan: een onderneming naast een vaste baan. Die ‘urban entrepeneurs’ hebben Amsterdam de kleur gegeven waar andere ondernemers, bijvoorbeeld zakelijke dienstverleners en ‘techfirms’, weer op af gekomen zijn. Deze groep is zich nu in Leiden aan het manifesteren en we denken dat Voorschoten voor hen een aantrekkelijk ecosysteem is. Een authentiek centrum met ruimte voor experiment en eigen invulling, met meer rust dan in de stad, maar met een ‘sophisticated’ markt (consumenten met hoge eisen en veel kennis).

We staan klaar voor iedereen die met een ambitie komt die qua maat en qua beeldkwaliteit bij het centrum past. We zullen in overleg treden met pandeigenaren om te zien welke aanpassingen er nodig zijn in de bestemmingen en of zij op hun beurt de huur kunnen aanpassen aan de veranderende vraag. En we zullen met verdichting van de huisvesting in het centrum – ‘urban living’ – de thuismarkt versterken. Het versterken van de centrumfunctie vergt goed samenspel tussen overheid en ondernemers. We hechten aan een goede organisatie van de centrumondernemers, zodat zij hun eigen verantwoordelijkheid kunnen oppakken. In de razendsnelle ontwikkeling die centrumgebieden in het algemeen en de retail in het bijzonder doormaken, past geen gedetailleerde aanwijzing van functies en uiterlijk van panden. Ruimtelijke uitspraken over het centrum moeten ‘vaag’ blijven om toekomstige ontwikkelingen niet te blokkeren en om het goede soort ondernemerschap uit te lokken: ondernemerschap dat iets kan toevoegen aan de kwaliteiten van Voorschoten.

8. Het centrumgebied van Voorschoten krijgt een motorische rol bij de transformatie van Voorschoten van woongemeente naar een functioneel meer complete (meer bedrijvigheid) en meer diverse (nieuwe bewonersgroepen) gemeenschap. Het centrumgebied speelt die motorische rol door als broedplaats voor nieuw ondernemerschap te functioneren. Bij nieuwe functionele toevoegingen aan het centrumgebied zijn diversiteit en innovatie sleutelwoorden.

7

9. De cultuurhistorische waarde van het centrum wordt geconserveerd en gekoesterd, maar ook benut om nieuw ondernemerschap aan te trekken en nieuwe vormen van bewoning mogelijk te maken. Acquisitie van bewoners en bedrijven richt zich op creatieve en ondernemende mensen, die zich thuis voelen in de overzichtelijke maar gelaagde omgeving van het centrum. 10. Het verdienvermogen en het aantal werkplekken in Voorschoten moeten omhoog. Daarom wordt terughoudend omgesprongen met de transformatie van leegstaand winkelvastgoed naar woningen. De voorkeur gaat uit naar andere werk- en ontmoetingsfuncties. Wel kan met name in de aanloopstraten een dubbele bestemming overwogen worden: zowel werken als wonen, zodat de pandeigenaar veel marktmogelijkheden heeft. 11. Werkfuncties met ondersteunende horeca zijn nadrukkelijk welkom, ook buiten de Voorstraat. Kleine hotels passen goed in het centrum. Airbnb en vakantieverhuur passen juist weer niet in het beeld van een bedrijvig en duurzaam milieu. 12. Er zijn op enkele locaties in het centrum substantiële ontwikkelingen te verwachten (bouwmassa). Daaronder het MOC-terrein en Wagenerf. Functionaliteit en randvoorwaarden (waaronder parkeren) zijn onderdeel van nader overleg met marktpartijen.

Vanuit de functionaliteit van het centrum bezien, is ‘urban living’ een goede optie: comfortabel maar klein wonen, met veel voorzieningen en accommodaties voor algemeen gebruik in de directe omgeving. 13. Uitbreiding van de woonfunctie is mogelijk in appartementen en boven winkels, in samenhang met een hoog dagelijks voorzieningenniveau in de plint, of anderszins in de directe omgeving: kleine tot middelgrote appartementen met het centrum als ‘verlengde huiskamer’, vol voorzieningen. Dat kan gaan om senioren, kenniswerkers, expats en andere ‘internationals’ en alle anderen die deze woonstijl waarderen. 14. Bijzondere aandacht heeft de invulling van ‘urban living’ met seniorenwoningen, met een actief gebruik van de aangrenzende openbare ruimte en een actieve vraag naar de voorzieningen in het centrum. Zo kan ‘urban living’ in het centrum gebruikt worden om de doorstroming op de woningmarkt in Voorschoten te ondersteunen. In de marketing van appartementen zal daarom goed gekeken worden naar Voorschotenaren die elders in het dorp een huis achterlaten. 15. Bij verdere verdichting van het centrum wordt naar inpandige parkeervoorzieningen gestreefd, bijvoorbeeld onder appartementen. De openbare ruimte als ‘verlengde huiskamer’ heeft vierkante meters nodig. 16.

Het compacter maken van het centrum – verplaatsing van economische functies van de aanloopen aanrijgebieden naar het eigenlijke centrum – is in de huidige markt wenselijk. De gemeente heeft echter noch de middelen noch de ambitie om met een uitkoop- en verplaatsingsregeling te werken. Wel kan verplaatsing ondersteund worden door in aanloop- en aanrijstraten te werken met een dubbele bestemming: panden kunnen zowel voor wonen als voor werken gebruikt worden, al maar gelang de vraag uit de markt. 17. Ondernemers met belangstelling voor vestiging of uitbreiding in het centrumgebied, worden bevraagd op handhaving van en toevoeging aan de beeldkwaliteit van het gebied. Uitstallingen,

8

reclame, gevels, puien en straatmeubilair moeten passen bij het wensbeeld van een uitnodigend en innovatief milieu. Dat betekent een zekere terughoudend in reclamevoering en uitstallingen. 18. Aantasting van gevels en puien wordt tegengegaan, het terugbrengen van puien in meer oorspronkelijke staat, wordt bevorderd. Voor panden die thans niet over een monumentale status beschikken, kan daarbij een behoorlijke ontwerpvrijheid gelden. Uitgangspunt is het scheppen van zowel karakteristieke als samenhangende gevelwanden. Gemeentelijke gevelfondsen hebben zich bewezen als effectieve instrumenten, niet alleen voor de fysieke staat van panden in het centrum, maar ook als instrument voor ‘branding’ van en samenwerking in het centrum. Gezien de financiële situatie van de gemeente kunnen geen omvangrijke budgetten worden verwacht, maar er zal toch naar de mogelijkheid gekeken worden tot inrichting van een beperkt fonds, als aanjager. 19. Ondernemers worden eveneens bevraagd op te verwachten verkeersbewegingen. Het sfeerbeeld is dat van een autoluw centrum met parkeren aan de rand of onder een dak en voorrang voor langzaam verkeer. 20. Bij branchering gaat de voorkeur uit naar zelfstandige formules uit Voorschoten en omgeving, inclusief Leiden en Den Haag.

Het oogmerk is bedrijven naar het centrum te krijgen die juist in de compacte en historische omgeving goed gedijen en willen bijdragen aan verdere verrijking van die omgeving. 21. Filialen van ketens en franchisenemers blijven welkom, zolang zij bijdragen aan het Voorschotense kwaliteitsbeeld, zich willen verbinden aan de gebiedsontwikkeling. Ze moeten ‘Voorschotense ondernemers’ worden. 22. Plaatsing van commerciële en niet-commerciële voorzieningen (zorg, cultuur, educatie) in elkaars nabijheid of in hetzelfde gebouw, draagt bij aan menging van publieksgroepen. 23. Branchegewijze clustering van retailzaken wordt bevorderd zolang dat leidt tot samenwerking en specialisatie. ‘Meer van hetzelfde’ wordt vermeden. 24. Nieuwe publiekstrekkers voor het centrum worden getoetst aan de bijdrage aan het ‘daily urban system’, het dagelijks gebruik van het centrum door de inwoners van Voorschoten. Vierkante meters zonder wezenlijke bijdrage aan samenhang, koopkrachtverbreding en bezoekmotieven voor de inwoners van Voorschoten, zijn te weinig interessant voor dit bijzondere gebied. 25. Ondernemers worden uitgenodigd om bij te dragen aan de ‘branding’ – de identiteitsvorming en marketing - van het centrumgebied als huiskamer, innovatiemotor en broedplaats van Voorschoten en zich daartoe te organiseren in het centrummanagement.

De zorg voor de vestigingsomgeving is een integraal onderdeel van het ondernemerschap in het gebied. 26. Waar mogelijk, worden in het centrum referenties aangebracht aan andere markante plekken in Voorschoten, zoals kasteel Duivenvoorde, bijvoorbeeld door 'visuals' (spandoek, beeldscherm) in leegstaande panden. 27. Actief gebruik van de openbare ruimte in het centrum door bewoners – ook van andere wijken in Voorschoten – en ondernemers wordt aangemoedigd. Met de kanttekening dat het dominante 9

geluid in het centrum dat van de menselijke stem moet zijn. Versterkte muziek is de uitzondering. 28. Het centrum wordt ‘leesbaar’ gemaakt voor Engelstaligen.

De horeca De horeca is net zo diffuus geworden als de rest van de retail. Met name in de daghoreca en in de ondersteunende horeca zijn in den lande zoveel nieuwe initiatieven, dat vaak niet eens duidelijk is dat er een horecafunctie wordt uitgeoefend. Het verkopen van producten of het verlenen van diensten gaat steeds vaker gepaard met het bieden van een vorm van gastvrijheid en beleving. Het perspectief van een gevarieerde horeca is onderdeel van het ecosysteem dat we ondernemende Voorschotenaren – huidige en toekomstige – willen bieden. We zien de horeca vooral als in dienst staand van de thuismarkt. We gaan in deze notitie zien dat die thuismarkt nog onderontwikkeld is. gebruik van de horeca door toeristen, is een interessante ‘bijvangst’. Maar we zien geen ‘uitgaansboulevard’ op de Voorstaat voor ons. We zien wel een bloeiende horeca als onderdeel van het dagelijks leven in een kopkrachtige markt. We juichen evenementen toe, zeker ook evenementen voor wijkbewoners, zodat het centrum de huiskamer van heel Voorschoten wordt. Maar dat kan alleen met een dor ondernemers en bewoners gezamenlijk gedragen kwaliteit en beheersing van overlast.

29. De lokaal aanwezige koopkracht, de beperkte aanwezigheid van horeca en vooral het toekomstbeeld van een ‘huiskamer’ met veel kleinschalig ondernemerschap wijzen allemaal naar uitbreiding van de horeca in het centrumgebied. Het gaat dan om horeca die de ‘sophisticated’ markt van Voorschoten bedient: geen concentratie, geen uitgaansboulevard, wel goede variatie en veel ruimte voor ondersteunende horeca. Nieuwe horeca moet goed passen bij het kwaliteitsbeeld van hetzij de Voorstraat hetzij de Schoolstraat. 30. De centrumondernemers worden uitgenodigd om zelf met bewoners tot afspraken te komen over gastvrijheid en gastbegeleiding (stewards) , teneinde overlast tot een voorspelbaar en aanvaardbaar niveau te reduceren. De noodzaak voor de overheid om te handhaven en in te grijpen, moet worden verkleind door zelfregulering. Daar is – andermaal - een versterking van het centrummanagement voor nodig. 31. Het centrum blijft de aangewezen plek voor ‘belevingshoreca’. Het ligt niet voor de hand die in de woonwijken toe te laten. Maar initiatieven met ondersteunende horeca (bijvoorbeeld daghoreca bij werk- en ontmoetingsplekken) in de woonwijken worden welwillend bekeken. 32. Plannen voor de verdichting van de woonfunctie in het centrum worden vroegtijdig met ondernemers gedeeld, zodat zij een passend dienstenaanbod aan de nieuwe bewoners kunnen overwegen.

10

Ruimtelijk instrumentarium Het ruimtelijk instrumentarium – stedenbouw, planning, vergunningen – is en blijft een belangrijk stuk gereedschap voor het economisch beleid. Dat gereedschap staat in het teken van de nieuwe Omgevingswet. Die wet heeft twee hoofdkenmerken: een logistiek en een inhoudelijk kenmerk. Het logistieke kenmerk is het bundelen van de tientallen vergunning trajecten tot een enkele ‘omgevingsvergunning’. Het inhoudelijke kenmerk is de mogelijkheid om de gebruiker van de ruimte veel meer ‘in regie’ te brengen. Gemeenten hebben daarbij een keuze. Ze kunnen in theorie alles bij het oude laten en de bestaande bestemmingsplanpraktijk in een nieuw jasje voortzetten, ze kunnen ook vergaand ruimte scheppen voor initiatief door bewoners, ondernemers en investeerders. Voor Voorschoten komt de Omgevingswet als geroepen: de transitie van het dorp naar een ‘meergeneratie-gemeenschap’ en naar een bredere functionaliteit dan alleen wonen, vraagt om een ‘aanmoedigingsplanologie’, waarbij mensen met goede plannen die iets toevoegen aan het dorp, een hartelijk welkom krijgen.

33. De weging van investerings- en gebruiksplannen voor vastgoed en openbare ruimte zal anders beginnen. Niet meer eerst kijken naar bezwaren en draagvlak, maar eerst kijken naar functietoevoeging en kwaliteit. We streven een ruimtelijke beleidspraktijk na die voorlopers in positie brengt: de vroege toepassers (‘early adopters’) van innovaties. Met de kanttekening dat bij pionieren stellig hoort een goede kijk op passendheid in en waarde voor de omgeving. We moeten het niet meer hebben van generieke voorschriften, maar van en programmatische samenhang in de fysieke omgeving.

11

2. De toekomst van Voorschoten

Typologie en demografie van Voorschoten De komende twintig jaar staan voor Voorschoten in hoge mate in het teken van twee grote demografisch-politieke ontwikkelingen: de generatiewisseling (van babyboomers naar ‘jongeren’) en het einde van de functiescheiding tussen wonen, werken en recreëren. Hoe die twee ontwikkelingen samenhangen, wordt duidelijk uit de recente bewoningsgeschiedenis van het dorp. Voorschoten is gegroeid van 9.000 inwoners in 1946 naar 21.000 in het midden van de jaren zeventig. Het grootste deel van de bouwmassa in het dorp dateert uit die periode. Het heeft z’n demografische voeding met name uit Den Haag gekregen, in iets mindere mate uit Leiden. Het is vooral ontworpen voor Haagse gezinnen met modale of bovenmodale inkomens, vaak met een werkkring bij de Rijksoverheid. De doorgroei naar 25.000 mensen nu, is een uitloper van de explosieve groei uit de jaren van de vroege babyboom. Starrenburg en Krimwijk zijn latere verleggingen van de bouwcontour, maar hebben meer aan verdunning van de huishoudens dan aan uitbreiding van de populatie bijgedragen. Je kunt zeggen dat Voorschoten stedenbouwkundig gebouwd is voor de vroege babyboomers, de jaargangen geboren tussen 1946 en 1952. Mede door de Haagse achtergrond (rijksambtenaren!), heeft er altijd veel koopkracht in het dorp gezeten. Typologisch wordt Voorschoten ingedeeld bij de ‘frozen towns’.

Dat is een uit het Verenigd Koninkrijk geïmporteerd begrip voor de dorpen in een stedelijk gebied die al heel lang niet meer kunnen uitbreiden en waar de dynamiek langzaam wegsijpelt. Karakteristieken van ‘bevroren gemeenschappen’ zijn: •

• •

• •

Ze staan onder directe invloed van het stedelijk systeem, een nabije grootschalige agglomeratie. Daar hebben ze ooit hun demografische voeding vandaan gehaald en daar heen vertrekt nu het jonge en studerende talent Ze zijn ontworpen vanuit de ‘tuinstad gedachte’ van de jaren dertig – met veel groen – maar hun vormgeving is gedicteerd door de modernistische stedenbouw van na de oorlog Ze beschikken over en authentieke en goed geconserveerde dorpskern, die tussen de naoorlogse bouwmassa te weinig gewicht heeft om echt als dynamisch centrum te functioneren Ze hebben een stabiliserende of krimpende populatie, bestaande uit hoogopgeleide en vergrijsde inwoners met behoorlijke inkomens Ze hebben een kleine economie, grotendeels gericht op verzorging van de eigen bevolking.

Bekende, met Voorschoten verwante dorpen zijn Heemstede, Rheden, Haren, Waalre, Meerssen, Lochem, Renkum. In het vervolg van deze notitie maken we kort kennis met vier andere ‘verwanten’, Cuijk, Geldrop, Coevorden en Rhenen. Tijdens de werkzaamheden voor dit rapport werd de vraag gesteld naar de vergelijking tussen Voorschoten en Wassenaar. Die vraag ligt voor de hand, omdat het gaat om buurdorpen, die ook nog eens jarenlang hun ambtelijke organisatie hebben gedeeld. Toch zijn ze niet goed te vergelijken. Wassenaar beleefde de grote groei niet in de naoorlogse periode, maar in de decennia tussen 1900 en 1940. Als Voorschoten ‘gemaakt’ is door de naoorlogse babyboomers, is Wassenaar ‘gemaakt’ door de vooroorlogse stadsverlaters. Beide dorpen zijn vergrijsd, maar de vergrijzing is van een andere aard. In Voorschoten gaat het om mensen die Voorschoten decennia geleden als woonbestemming hebben gekozen, in Wassenaar gaat het vaak om mensen die pas na hun pensioen in Wassenaar komen wonen, bijvoorbeeld na een bestaan als expat. De

12

verwachting in beide dorpen is ook anders. De bevolking van Wassenaar heeft een sterke traditie van ‘zelf doen’. Het is een zelfsturend dorp, de gemeente zou zich geruime tijd tot en faciliterende rol kunnen beperken. In de discussie over het dorpsprofiel van Wassenaar in 2017 werd Wassenaar wel een ‘Waddeneiland op het droge’ genoemd: een eiland met een ‘status aparte’, met een zelfdragende bevolking. Voorschoten is als ‘frozen town’ conventioneler. Met ook meer conventionele, hogere eisen ten aanzien van het overheidsactivisme.

Een kleine economie De ‘frozen towns’ zijn in hoog tempo bewoond geraakt door ‘import’, die er kwam met ‘rustig en ruim’ als woonideaal. Die bewoners zijn nu op leeftijd. De ‘frozen towns’- ook Voorschoten – zijn dus flink vergrijsd, ook al liggen ze in gebieden die voorlopig de dans van de vergrijzing nog redelijk ontspringen. In het geval van Voorschoten: de ‘jonge’ steden Den Haag en Leiden. Toch staan ze er anders – beter – voor dan in de grijze gebieden in het zuiden en oosten van het land, zoals noordoost Groningen en zuidoost Limburg. Het verschil is dat de ‘frozen towns’ een hoogopgeleide bevolking hebben – in Voorschoten heeft de helft van de beroepsbevolking een diploma van hbo of wo – die bovendien behoorlijk in goeden doen verkeert. In het geval van Voorschoten komt daar een hoge levensverwachting bij: een inwoners van Voorschoten kan bij geboorte 83.2 levensjaren tegemoet zien, tegenover het landelijk gemiddelde van 81.0 jaar. De druk die de vergrijzing betekent voor de publieke dienstverlening (zorg, maatschappelijke ondersteuning) zal in de ‘frozen towns’ een stuk beperkter zijn dan in gebieden met minder sociaal kapitaal (lagere inkomens, minder opleiding). Er zijn in de ‘frozen towns’ zelfs indicaties voor een ‘onderconsumptie’ van voorzieningen.

Zo worden huizen die ooit een bloeiend gezin dienden, soms nog gebruikt door een enkele langstlevende (meestal de vrouw), die niet gewend is om hulp te zoeken. In dat grote huis kan vereenzaming toeslaan en kunnen ouderdomskwalen als verminderde mobiliteit en beginnende dementie lang onopgemerkt blijven. Wat wel weer een nadeel is van de ‘frozen towns’ ten opzichte van de krimpgebieden buiten de Randstad, is dat ze een kleine economie hebben. Ze zijn immers gebouwd als woongebied in de ring rondom grotere steden, niet als werkgebied. We kunnen de omvang van de economie uitdrukken in de zogenaamde arbeidsplaatsenquote, het aantal arbeidsplaatsen per 100 leden van de beroepsbevolking. Idealiter beweegt die quote zich ergens tussen de 90 en de 110. Teveel werk is niet handig, omdat het een grote inkomende pendel veronderstelt en veel congestie oproept. Dat is bijvoorbeeld in Rotterdam het geval, met een quote van 117. Te weinig werk is ook niet goed, omdat dat wil zeggen dat je vooral een slaapstad bent. Dat is bijvoorbeeld het geval in Nissewaard (Spijkenisse), met een quote van 48. Voorschoten heeft een quote van 51, net boven Nissewaard. Er is bijgevolg weinig financiële dynamiek, waar maatschappelijke ontwikkelingen op kunnen meeliften. In rond-Hollands: er draaien weinig euro’s rond in Voorschoten. De arbeidsplaatsenquote heeft voor een deel te maken met ruimte.

Dat blijkt bijvoorbeeld uit de provinciale koploper in Zuid-Holland: Zoeterwoude, met een quote van 149. Zoeterwoude koestert een groen imago, maar typologisch is het een groot industrieterrein (Grote Polder, Heineken) met een dorp eraan vast. Maar ruimte is niet het hele verhaal. De snelst groeiende arbeidsplaatsenquote is te vinden in Leiden, van 90 in 2005 naar 102 in 2019. Leiden is zelfs een van de snelst groeiende lokale economieën van het land. Dat is voor het overgrote deel ruimteloze groei of verdichting, want er zijn bijna geen uitgeefbare hectares meer.

13

Over de stedenbouwkundige filosofie van functiescheiding en functiemenging schrijven we iets op in een ‘intermezzo’. Op deze plek is het wellicht handig om vast te stellen dat de gedachte aan menging niet nieuw is. De regionale omgevingsvisie ‘Hart van Holland’ uit 2016 brengt de nieuwe kijk op menging heel praktisch onder woorden: “Het aantal zelfstandigen zonder personeel in Nederland neemt al jarenlang toe. Ook mensen die in loondienst werken, werken steeds vaker flexibel, bijvoorbeeld door een of meer dagen per week thuis te werken. Door deze ontwikkelingen is de behoefte aan vierkante meters kantoorruimte afgenomen. En de kantoren die we nog wel hebben, veranderen geleidelijk aan van functie en inrichting, met meer ruimte voor ontmoeting, flexibele samenwerking en kennisuitwisseling. • Effect op onze leefomgeving: Door deze flexibilisering neemt de strikte scheiding tussen wonen, werken en recreëren af, ook in ruimtelijke zin. Een zakelijk overleg kan zowel op kantoor als in een espressobar om de hoek plaatsvinden. De behoefte aan functievermenging neemt toe, met meer mogelijkheden om te werken in traditionele woonomgevingen, meer horeca in omgevingen waar voorheen alleen gewerkt werd, en een prettige openbare ruimte op plekken waar veel mensen werken.

• Onze opgaven: Gemengde omgevingen creëren, waarin wonen, werken en recreëren (in willekeurige volgorde) op een goede manier samen gaan, met ruimte voor ontmoeting en kennisuitwisseling. Ook kijken naar hoe herbestemming van gebouwd erfgoed mogelijkheden biedt tot revitalisering van gebieden”.

Generatiewisseling als opgave De grote politieke vraag voor Voorschoten is hoe aan te kijken tegen de komende generatiewisseling. De generatie die Voorschoten gemaakt heeft tot wat het nu is – de babyboomers - gaat verdwijnen. Daarmee gaan ook de culturele waarden van deze generatie op de helling: de voorkeur voor modernistisch wonen in het groen; voorkeur een ruimtelijke scheiding van wonen, werken en recreëren; een Nederlandstalige culturele basis; een sterke dominantie in de economie van loondienst en institutionele loopbaansupport, bijvoorbeeld pensioenverzorging via de cao. Er zijn nieuwe generaties op komst. De ligging tussen Den Haag en Leiden is dermate gunstig dat Voorschoten niet echt een krimpdorp zal worden. Maar er gaat wel veel veranderen. Nieuwe generaties zijn veel gesegmenteerder en pluriformer. Veel meer mensen hechten aan ‘urban living’ (appartementen met goede voorzieningen in de buurt), er komen mengvormen voor wonen en werken (werken in woonwijken), veel meer mensen zullen als ondernemer of zelfstandige hun brood verdienen, pensioenen gaan minder via instituties en meer via sparen, beleggen (onder meer in stenen) en andere eigen arrangementen en er gaan veel talen door elkaar gesproken worden. Een belangrijk kenmerk van deze generaties is een andere autonomiebeleving.

Het gaat in het werk veel minder om zekerheid en structuur en veel meer om zelfrealisatie en ontplooiing. Dat verklaart het sinds de eeuwwisseling almaar groeiende leger van zelfstandigen. Vaak zijn die zelfstandigen voor zichzelf begonnen na uittreding uit een grote systeemorganisatie (overheid, ziekenhuis, bank). En soms werken ze weer voor die grote organisatie, maar dan op zelf afgesproken voorwaarden en niet in een lijnmanagement. Het gemeentebestuur van Voorschoten is met het coalitieakkoord ‘Duurzaam vooruitstrevend’ het pad ingeslagen van een actieve benadering van deze generatiewisseling. Niet afwachten wat er gebeurt, maar actief de transformatie bevorderen, mogelijkheden scheppen voor differentiatie van woonmilieus, versterking van de lokale economie, doorstroming op de woningmarkt bevorderen. Het perspectief is een completer Voorschoten. Niet een woondorp waarvan de inwoners voor elke wezenlijke actie de gemeentegrens over moeten (werken, zorg, onderwijs), maar een dorp met voldoende dynamiek om zichzelf in stand te houden en te vernieuwen. Onvermijdelijk dienen zich daarbij nieuwe functies aan die ruimtelijk een plek zoeken. Zo is het een realistische verwachting dat al in de nabije toekomst tot een kwart van de beroepsbevolking als zelfstandige of als micro-ondernemer zijn brood gaat verdienen. Dat gebeurt vanuit huis, vanuit 14

bedrijfsverzamelgebouwen of vanuit buurtvoorzieningen. Er zullen goederenstromen en bezoekersverkeer op gang komen in woonwijken. Huizen krijgen een dubbelfunctie, online winkels openen ambachtsruimtes. Dat zijn allemaal geen grootschalige ingrepen, maar het betekent wel een gestage gedaantewisseling van de wijken. Er zal uiteindelijk ook enige horeca in de wijken komen; geen traditionele cafés, wel ondersteunende horeca of daghoreca. Tot slot van deze korte verkenning nog twee algemene opmerkingen over de economische toekomst van Voorschoten. Ten eerste: hoewel Voorschoten dorp is met door de bank genomen hogere inkomens, is de Gemeente Voorschoten chronisch ‘arm’. De investeringsmogelijkheden zijn zeer beperkt en in de dagelijkse bestuurlijke praktijk moet elke euro worden omgedraaid. We vinden het plausibel dat dit ook te maken heeft met de kleine belastingbasis. Er is in de financiële systematiek enig verband tussen de omvang van het belastingareaal en de uitkering uit het gemeentefonds, maar dat verband is minimaal. Het gaat vooral om de opbrengst van de categorie niet-woningen versus de kosten die de gemeente maakt vanuit de zorgplicht voor dit areaal. Een eigentijds en goed georganiseerd bedrijventerrein levert voor een gemeente meer op (aan belastingopbrengst en aan arbeidsplaatsen die weer koopkracht genereren) dan het kost.

We verwachten dat een groeiende economie geleidelijk naar een ruimere financiële jas voor de gemeente gaat leiden. Ten tweede. Voorschoten ligt in een dicht bevolkt gebied en de grond zal voor de voorzienbare toekomst kostbaar zijn. Daarmee wordt het een publiek belang om te zorgen voor een hoog financieel rendement van de bedrijventerreinen (hoge vastgoed- en woz-waarde van de panden) en een hoog maatschappelijk rendement (veel werkgelegenheid, hoge kennisintensiteit en hoge toegevoegde waarde). Een maatstaf zou kunnen zijn om te streven naar een minimaal aantal arbeidsplaatsen per hectare. De buurgemeente Leiden heeft dat geruime tijd nagestreefd, namelijk 100 plaatsen op terreinen en 500 arbeidsplaatsen per hectare in een kantorengebied (omdat in veel gebieden kantoren en werkplaatsen combineren, ligt het gemiddelde ergens tussen de 100 en de 500 in). De prikkel voor intensief ruimtegebruik is niet tegengesteld aan een bedrijfsbelang. Integendeel, de prikkel lokt juist technologische innovatie uit, bijvoorbeeld door het creatief stapelen van functies. En verleidt ook tot het in stand houden van hoge boekwaardes door goed onderhoud en door leegstandsbestrijding. Het verduurzaamt het kapitaal. Het is overdreven om voor het (grootste) bedrijventerrein van Voorschoten (Dobbewijk) een thema of kleur vast te stellen, naar analogie van het Leidse sciencepark.

Maar Dobbewijk heeft het zeker in zich om zich te blijven ontwikkelen tot een terrein met een eigen identiteit en een hoge toegevoegde waarde.

Een corona effect Je schrijft een visie op met een vooruitzicht van zes, acht of meer jaren. Maar deze voorliggende visie is geschreven midden in coronatijd. Wat betekent dat? We beperken ons tot twee opmerkingen: •

Van vorige pandemieën is bekend dat ze mensen in beweging brengen. Letterlijk: mensen gaan verhuizen. Tijdens lockdowns overwegen mensen hun leven nog eens en daar komen vaak besluiten uit voort om iets te veranderen. Makelaars merken nu al – midden in de pandemie – verhoogde belangstelling, zelfs voor huizen in ver gelegen krimpgebieden. Ook betalen oververhitte kennissteden van het soort Amsterdam, Utrecht en Leiden op dit moment een zekere prijs: bewoners kijken om zich heen naar nabije plekken met meer 15

•

ruimte. Voorschoten kan daar van profiteren: het krijgt een duwtje mee in de transformatie. Het is overigens en tijdelijk effect: de meeste analisten gaan er van uit dat de clustering van talent, kennis en kapitaal in de steden gewoon doorgaat. Micro-ondernemerschap – bij uitstek de habitus van de ‘young urban entepeneurs’ staat in de coronacrisis onder grote druk. Maar hun aantal eet niet af. We hebben bij eerdere crisissen ook gezien dat de groei van het aantal zzp-ers gewoon doorging. Want bij de keuze voor een zelfstandig bestaan gaat het niet alleen om de verdienkansen. Het gaat ook om professionele autonomie, om de mismatch van veel professionals met de managementcultuur van grote organisaties en om de vrijheid om een eigen werk-privebalans te treffen. Verwelkoming en facilitering van micro-ondernemers is zo bezien een adequaat onderdeel van een herstelbeleid na de crisis.

16

3. De toekomst van het centrum van Voorschoten

De ruimtelijke structuur van het centrum van Voorschoten is oeroud. In de afgelopen millennia heeft de oprukkende en zich weer terugtrekkende Noordzee strandwallen opgeworpen, lange zandruggen parallel aan de kust gelegen in het Hollandse veen. De meest oostelijke zandrug werd benut als handelsweg tussen Leiden en Vlaardingen. Voorschoten is als pleisterplaats langs die weg ontstaan. De loepzuivere noordoost-zuidwest-oriëntatie van het centrum - Voorstraat naast Schoolstraat, met een paar steegjes en kleine pleinen als oost-west verbinding - is een directe herinnering aan dat verleden. Voorschoten is ontstaan niet als militaire versterking, niet als dorp van vissers en boeren (zoals Amsterdam), niet als adellijke buitenplaats (zoals Den Haag), maar als marktplaats en herberg aan een doorgaande route. De commerciële activiteiten in het centrum staan in een zeer lange traditie. Maar Voorschoten is al lang geen commercieel centrum meer. We zagen al dat Voorschoten een zeer beperkte lokale economie heeft. En dat de inwoners voor tal van centrumfuncties – zorg, onderwijs, werk – de gemeente moeten verlaten. Dat ligt niet aan de omvang van Voorschoten. In dunner bevolkte gebieden is 25.000 inwoners voldoende basis voor een complete centrumfunctie.

De kern Meppel in zuidwest Drenthe heeft een ziekenhuis, middelbare scholen, een uitgebreid winkel- en horeca-apparaat en een eigen schouwburg. Maar Voorschoten ligt in de Randstad. De centrumfunctionaliteit van Voorschoten is na 1945 niet meegegroeid met het dorp. Het centrum van Voorschoten ligt voor een deel in Leiden en Den Haag. Wanneer de inwoners van het dorp hun koopkracht en hun culturele aspiraties in het eigen dorpscentrum zouden etaleren, zou dat centrum er heel anders aan toe zijn. De vraag is niet hoe dat zo gekomen is en of dat goed of slecht is. De vraag is ook niet of het centrumgebied nog een bestaansrecht heeft als centrum van het dorp (in Leiderdorp, met 27.000 inwoners net een tik groter dan Voorschoten, is geen klassiek centrum meer aan te wijzen). Daarvoor is de iconische kracht van de oude markt- en herbergplek in de Voorstraat nog te groot. De vraag is vooral wat er de komende twee decennia gaat gebeuren in het licht van de transformatie van het dorp en wat daar de rol van het centrumgebied in is. In algemene zin is daar het volgende over te zeggen: •

•

Een dorpscentrum als enige plek voor bovenwijkse winkels en horeca, is wat minder waarschijnlijk. Er zal meer en meer druk komen om de eenzijdigheid van de woonfunctie in de wijken van Voorschoten te doorbreken, met werkplekken, met outlets voor retail, met intensiever gebruik van het groen. Een dorpscentrum met nieuwe woonvormen (‘urban living’), nieuwe en hier en daar experimentele retail en markten, ontmoetingsplekken en evenementen en markten, kan als gangmaker van de transformatie van heel Voorschoten functioneren.

De transformatie van het dorp gaat leiden tot het loslaten van de restrictieve planologie om centrumfuncties alleen in het centrum toe te laten. Retail en werkplaatsen kunnen ook in de woonwijken terecht. Maar het centrum gaat wel bij uitstek de plek worden waar innovaties en experimenten op hun plek zijn en waar bijzonder ontmoetingen kunnen plaatsvinden. Die innovaties kunnen actief uitgenodigd worden om gebruik te maken van de bijzondere ecosysteem rondom de Voorstraat. De toekomst van de Voorstraat en omgeving ligt niet in het zijn van een bovenwijks boodschappencentrum. De toekomst ligt in de ondersteuning van de transformatie van het dorp tot en nieuwe, gelaagde en multifunctionele gemeenschap. 17

Daarmee is ook iets gezegd over de concurrentiepositie van het centrum van Voorschoten. De vraag is gesteld hoe Voorschoten zich verhoudt tot de Westfield Mall of The Netherlands, het voormalige Leidsenhage. The Mall gaat zeker bezoekers uit Voorschoten trekken. Maar het is zeer twijfelachtig of het centrum van Voorschoten dat zou kunnen voorkomen. Het bezoekmotief is anders. In The Mall gaat het om voorspelbaarheid, comfort en een vleugje glamour. In het centrum van Voorschoten gaat het om verrassing, beleving, activering. En dat verknoopt met cultureel rijke woonomgeving. In The Mall werken filiaalhouders, in het centrum van Voorschoten zelfstandig ondernemers. Als er ergens in de regio een concurrent is, dan is dat de zuidelijke binnenstad van Leiden, met een goede cultuur voor beginnende bedrijven en met veel kwaliteitswinkels.

18

4. Intermezzo: stedenbouw in de 20ste eeuw

Voorschoten is voor stedenbouwkundigen interessant, omdat het zo’n vergrijsd dorp is. De huidige woonstijl heeft de generaties die het dorp nu bewonen, goed gediend. Maar er zijn nieuwe generaties in aantocht. Bezien vanuit het perspectief van de gebruikers, komen er veranderingen op het dorp af. We kunnen die veranderingen – en met name de discussie over functiescheiding of functiemenging - goed plaatsen door zicht te krijgen op een langdurig hoofdstuk in de stedenbouw: het modernisme. Aan het begin van de twintigste eeuw begonnen in veel landen overheden zich actief met de woningbouw en de stadsontwikkeling te bemoeien. Tot die tijd werd er veel overgelaten aan het particulier initiatief. Als startschot voor Nederland geldt de woningwet van 1901. Het modernisme heeft die overheidsbemoeienis diepgaand beïnvloed. Het modernisme ontstond in een reactie op twee gebeurtenissen: •

•

De 19de eeuw had Europa opgezadeld met talloze krottenwijken, met slechte hygiënische omstandigheden en met vervuilende fabrieken tussen de huizen in. Het ruimtelijk scheiden van wonen en werken en het terugbrengen van licht en lucht in en tussen de woningen waren belangrijke emancipatoire motieven. De Eerste Wereldoorlog betekende het morele failliet van de 19de eeuwse pronkstijl. Generaals en monarchen hadden vanuit hun protserige paleizen miljoenen soldaten de dood ingestuurd. Er moest een einde komen aan de oude overdaad.

In de architectuur stond de afrekening bekend als de Nieuwe Zakelijkheid of het Nieuwe Bouwen: sober, weinig ornamentiek, herkenbaar materiaalgebruik (beton, steen, glas, staal), simpele grondplannen, veel licht en lucht, standaardisering. Maar de afrekening is op alle terreinen zichtbaar. Op foto’s van voor 1914 staan mannen met pandjesjassen, knevels en hoge hoeden. Na 1918 nemen het korte colbert en de geschoren kin het modebeeld over. In de muziek verdwijnen de grote symfonieorkesten en begint de ‘minimal music’. Voor de stedenbouwkundige werd het netwerk van de CIAM belangrijk, het ‘Congrès Internationale d’Architecture Moderne’. Het CIAM – met als bekendste representant de architect Le Corbusier – zorgt voor een internationale verspreiding van de ideeën over stedenbouw: sloop van de verkrotte gemengde woonwerk-milieus, woontorens en galerijflats op groene vlakten, licht en lucht, strokenbouw, rechthoeken en zichtlijnen. En een strenge scheiding van wonen, werken en recreëren. Plus ruim baan voor de nieuwe technologie van de auto, die nodig was om de ontstane afstanden tussen de verschillende functies te overbruggen. Sommige kenmerken van het modernisme zijn tot in het heden gehandhaafd, met name de functiescheiding: een nieuwbouwwijk is tot op vandaag een woonwijk of en werkwijk, maar niet allebei tegelijk.

Het bekendste antwoord op het modernisme was in 1961 het boek ‘Death and Life of Great American Cities’ van Jane Jacobs. Na 1945 waren de Verenigde Staten eerst begonnen met het bouwen van massale flatwijken aan de randen van de steden. En daarna kwam het wonen in het groen in de voorsteden, op grotere afstand. De oude stadscentra raakten in verval, terwijl daarbuiten 19

eenzijdige woonmilieus ontstonden. De vervoersbehoefte steeg enorm. Jacobs hield een pleidooi voor het herstel van de functiemenging: woonwijken waarin ook gewerkt werd, verkeer was, culturele uitingen mogelijk waren, handel werd gedreven – waren noodzakelijk om menselijke interactie uit te lokken, gemeenschappen op te bouwen, waarden met elkaar te delen. De stedenbouw van het modernisme zou niet alleen de functies van de stad – wonen, werken, recreëren en cultuur – uit elkaar jagen, maar ook de mensen. Hoewel Jacobs alom geaccepteerd is als het startpunt van de moderne ‘urban studies’, is de functiescheiding grotendeels in stand gebleven. Mogelijk heeft dat te maken met de enorme aantallen bewoners die na de oorlog de buitenwijken introkken, de babyboomers. Het wonen in het groen was hun ‘paradigma’, ze waren niet anders gewend. Pas heel recent wordt het verhaal van Jacobs weer in echte plannen omgezet, al is het aantal plekken nog beperkt. Dat heeft te maken met de opkomst van de kenniseconomie en van de nieuwe meerderheid in de beroepsbevolking die met het hoofd en met creativiteit het brood verdient. Voor zover er ter plekke nog goederen gemaakt worden, gebeurt dat in kleine, hoogtechnologische of juist ambachtelijke werkplaatsen, die prima in een gemengd milieu passen.

De kenniswerkers hebben niet een groene of rustige omgeving nodig, maar juist een contextrijke omgeving, met voorzieningen dichtbij. Taal en praten zijn in bijna alle beroepen belangrijk geworden en in sommige beroepen vallen ze zelfs samen: werken = praten. Dan heb je een omgeving nodig die in dat praten de verbeelding prikkelt. De oude binnensteden kunnen aan dat recept voldoen en zijn tot nieuwe bloei gekomen in de kenniseconomie. Vanuit die binnensteden trekt de kenniseconomie nu verder het land in, naar buitenwijken en voorsteden. De trend is nog niet eenduidig. Voor Voorschoten is van belang dat het een zeer vergrijsd dorp is. De senioren die nu in de groene buitenwijken wonen, gaan niet alsnog investeren in de omvorming van hun wijk naar een ‘Jacobs proof’ gemeenschap. Terwijl de nieuwkomers die het dorp binnenkomen dat wel gaan doen. Het beleid zou geleidelijk aan rekening moeten gaan houden met het perspectief van de nieuwkomers: meer werkplekken in de wijken, hier en daar ondersteunende horeca, nieuwe retail (bijvoorbeeld persoonlijke verzorging), een actief gebruik van de openbare ruimte en meer gevarieerde woningbouw en woontypes door elkaar. Tegelijkertijd is het zaak om te voorkomen dat het centrum van het dorp leegloopt, temeer daar het centrum hard nodig is als motor en ‘showcase’ voor de vernieuwing van het dorp.

Economische activiteiten met een wijkoverstijgende functie – specialistische winkels, kantoren, welnessformules, cultuur en degelijke) worden uitgenodigd om zich in het centrum te vestigen. Verder is er een samenhang tussen de economische agenda en de woonagenda. De huidige woningprijzen bemoeilijken de entree van nieuwkomers, terwijl die hard nodig zijn om de vitaliteit van het dorp te waarborgen. Een probaat middel zou kunnen worden het toevoegen van compacte appartementen in een hoge dichtheid in het centrum, vooral bestemd voor senioren die elders in Voorschoten een te groot geworden woning achterlaten. Het mes snijdt aan twee kanten: • •

De nieuwe senioren in het centrum gaan dat centrum als verlengde huiskamer gebruiken en oefenen een koopkrachtige vraag uit op de retail en de overige voorzieningen De vrijkomende grote woningen elders in Voorschoten kunnen aangepast worden aan de woonwensen van nieuwe generaties: studio’s, woon-werk-combinaties of anderszins.

Dat zijn in de huidige woningmarkt plausibele bewegingen, maar ze zijn ingewikkeld omdat er veel partijen bij betrokken zijn. Voor een gemeentebestuur kan een demonstratie- of ‘showcase’benadering nuttig zijn: je hebt in een wijk maar een handvol geslaagde voorbeelden nodig om beweging te krijgen.

20

Het is voor de komende tien jaar hoe dan ook een kwestie van balans zoeken: het centrum blijven beschermen, zonder initiatieven in de buitenwijken onmogelijk te maken.

21

5. De toekomst van de retail in Voorschoten Onder ‘retail’ verstaan we dat deel van de economie dat rechtstreeks goederen en diensten aan individuele consumenten verkoopt. Er zijn tal van interpretatieverschillen over wat het dan precies is. In een ‘rekkelijke’ definitie valt retail samen met ‘verzorgende economie’: alle economische activiteit is er op gericht is om het dagelijks leven te onderhouden. In die interpretatie zijn ook sportvoorzieningen, apothekers en uitzendbureaus ‘retail’. In de precieze interpretatie betekent retail ‘winkels en horeca’. De retail onderscheidt zich van andere economische activiteiten door de intensiteit van het overheidsbeleid. De overheid heeft voorkeuren voor de locatie van retail, de bevoorrading, de branchering en de marketing. Nu heeft de hele economie op enige manier wel te maken met de overheid, maar de bemoeienis met de retail gaat veel verder dan die met de zakelijke dienstverlening of de industrie. Daar is een historische reden voor. Na 1945 kon het winkelbedrijf – overigens samen met de landbouw - op bijzondere belangstelling van de overheid rekenen. Landbouw en winkelbedrijf kregen eigen onderzoeksinstituten en kregen te maken met planning en toezicht.

In het geval van de landbouw had dat te maken met de dringende behoefte aan voedselzekerheid, in het geval van het winkelbedrijf met de onderkenning dat winkels een essentiële voorziening waren in de snel uitdijende woonwijken van naoorlogs Nederland. Bovendien werd het winkelbedrijf gezien als een klasse apart, naast arbeiders en grootbedrijf. Het oude woord ‘middenstand’ voor het winkelbedrijf resoneert nog deze stand van zaken. Er was lange tijd een aparte staatssecretaris voor de middenstand. Overigens combineerde die staatsecretaris middenstand vaak met de portefeuille ‘toerisme’: een verzilvering van de aanname dat winkelen een belangrijke vorm van vrije tijdsbesteding was. Bij het winkelbedrijf is de structuur inmiddels vergaand versoberd. Zo verdween het verplichte middenstandsdiploma voor winkeliers in 2000. Maar in de lokale politiek is het winkelbedrijf nog steeds een belangrijk object van economisch beleid. Het gaat daarbij minder om de toegang tot goederen te garanderen; het overgrote deel van de consumenten is behoorlijk mobiel geworden en kan zelf wel naar winkelgebieden komen, voor zover ze de spullen niet via internet thuis laat bezorgen. Het gaat wel om het behoud van levendigheid in de woon- en verblijfsgebieden.

Kleinere steden in het buitenland laten zien wat er gebeurt als je bewinkeling overlaat aan de markt: verstilde stads- en wijkcentra en concentratie van winkels in vergelegen ‘shopping malls’. De historische overheidsaandacht voor de retail leidt er ook toe dat veel detailinformatie beschikbaar is. Op aanvraag is van iedere Nederlandse gemeente het gehele winkel- en horecabestand inzichtelijk. Het aantal verkooppunten, de exacte locaties, de vierkante meters, het onderscheid in gebruiksfunctie (supermarkt, modewinkel, drogist of zelfs makelaar). Aan de hand van dit bestand maken we op dat Voorschoten in totaliteit ruim 40.000 vierkante meter aan retail-oppervlak kent. Daarvan is bijna 17.000 meter gelokaliseerd in het centrum. De meerderheid van de meters wordt in gebruik worden genomen door winkels. Zeker in het centrum is de winkelfunctie – nog – dominant.

Detailhandel Horeca en leisure

Aantal meter retail-oppervlak Aantal meter retail-oppervlak Voorschoten Voorschoten centrum 25.898 12.558 6.476 2.070 22

Diensten Leegstand Totaal

6.572 1.440 40.386

1.551 795 16.974

Ruim 42% van de totale retail-ruimte in Voorschoten is te vinden in het centrum. Aan de hand van de recent verschenen Retailmonitor071 kunnen we een vergelijking maken met de regio. Aantal retailmeters in centrum

Voorschoten Leiden Leiderdorp Oegstgeest

16.974 130.190 14.270 9.260

Percentage retailmeters centrum in gemeentelijk totaal 42% 54% 14% 32%

Het is altijd wat oppassen met dit soort cijfers over kleinere gemeenten, omdat een paar grotere zaken het beeld al danig kunnen bepalen. Maar de indicatie is wel dat Voorschoten er beter dan Oegstgeest en Leiderdorp in geslaagd is om een dorpscentrum in stand te houden.

23

6. Trends in de retail We zien inmiddels een snelle wijziging van de inhoud van dat paraplubegrip ‘retail’. En wel langs tenminste twee lijnen. De winkels boeten – ten eerste - snel aan relatief belang in ten gunste van andersoortige consumentendiensten: wellness, yoga studio’s, sportscholen, kringloop en winkels, horeca en vooral daghoreca, koffiezaken met flexwerkplekken, kindercafés, ambachten, repairshops, massage, kapsalons. De algemene opinie is dat de consument wel naar internet gaat als hij iets specifieks zoekt en naar de stenen winkel vooral komt voor ‘beleving’: een product of dienst met een verhaal. Maar er is iets anders aan de hand: met name in de kennissteden neemt de verhuismobiliteit flink toe. In Leiden verlaat 9% van de bevolking jaarlijks de stad en komt er een andere 9% voor terug). In minder dan 12 jaar is de bevolking rekenkundig gezien helemaal gewisseld. In Voorschoten gaat het minder hard, maar toch is zichtbaar dat de verhuisdynamiek van Leiden ook Voorschoten heeft bereikt: in Voorschoten is in 17 jaar de bevolking rekenkundig gezien gewisseld. Consumenten in stedelijke gebieden zijn mobiel. Ze kopen minder spullen, en meer comfort, activiteit en beweging. De omgeving is niet meer een winkelgebied, maar een verlengde huiskamer met semi-huiselijke voorzieningen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=564b86d3-55af-4765-9b91-62910f4d231f