Beantwoording schriftelijke vragen ex art. 39 RvO 300 D66 over inf.brief 010 warmtetransitie (incl. bijl.).pdf
Tekst van het document
Bij de groepen die zeggen niet te willen verduurzamen, is er een rationeel argument in het spel: als het gaat om isolatie, is voor bijna de helft het argument dat de woning al goed geïsoleerd is; en qua zonnepanelen is het argument bij een op de vijf dat het dak ongeschikt is. Over belemmeringen merken we tot slot nog op dat de praktische beslommeringen, die vaak met het verduurzamen van de woning gepaard gaan (dat het lastig is, tijd kost of rommel geeft), in dit onderzoek niet op de voorgrond treden als belangrijkste redenen om (nog) niet te verduurzamen. 49
bevorderende en belemmerende factoren bij woningverduurzaming
Van de open antwoordcategorieën is op sommige onderdelen ruim gebruikgemaakt, waarbij men vaak specifieke omstandigheden voor de eigen woning of de bewoners als aanvullende argumentatie voor doen of laten aangaf. Dit geeft zicht op contextuele factoren die een rol spelen. Daarbij blijken er allerlei misvattingen te leven, wat inhoudelijke aanscherping vraagt in de communicatie door de overheid en adviseurs. Noten 1
2
Deze zijn in wisselende volgorde aangeboden; elke vragenreeks eindigde met een open antwoordcategorie die ruimte bood om eigen redenen te formuleren; men kon zoveel antwoorden aanvinken als men wilde, zonder te sturen op een maximum. Indien een respondent twee of meer antwoordopties gebruikte in een reeks, is afsluitend gevraagd welke reden de belangrijkste was. Respondenten in de categorie ‘gedaan’ en ‘niet gedaan’ antwoordden ja resp. nee op de stelling: Ik heb (mijn huishouden heeft) de woningisolatie verbeterd door het (laten) aanbrengen van vloer-, spouwmuur- of dakisolatie. Respondenten in de categorie ‘wil nog doen’ en ‘wil niet doen’ antwoordden eerst positief op de vraag ‘Zijn er volgens u nog mogelijkheden om de isolatie van uw woning verder te verbeteren?’ en vervolgens ja resp. nee op de vraag ‘Zou u de woningisolatie willen verbeteren?’
50
bevorderende en belemmerende factoren bij woningverduurzaming
4
Voorlopers en achterblijvers
Dit hoofdstuk focust op de intenties en het gedrag rond woningverduurzaming op een overkoepelend niveau door niet alleen isoleren en het plaatsen van zonnepanelen te beschouwen, maar ook het vervangen van het huidige verwarmingssysteem door een aardgasvrij alternatief, het opzoeken van informatie over woningverduurzaming en de bereidheid tot het leveren van een bijdrage aan het tegengaan van klimaatverandering. Hierbij onderzoeken we of er verschillen in typen gedrag en gedragsintenties te onderscheiden zijn tussen groepen woningeigenaren. We veronderstellen daarbij dat er groepen zullen zijn die gemakkelijker mee kunnen komen in deze transitie, en groepen voor wie de energietransitie in de gebouwde omgeving en in de eigen woning een grote uitdaging betekent. Deze veronderstelling is gebaseerd op de vaak aangehaalde innovatieadoptietheorie van Rogers (1995), die uitgebreid empirisch heeft aangetoond op welke manier technologische vernieuwingen zich in sociale groepen en over de samenleving als geheel verspreiden. Hij onderscheidt daarbij grofweg groepen die vooroplopen in de adoptie van nieuwe technieken, groepen die op een gegeven moment volgen en als massa een grote kanteling teweegbrengen, en groepen die pas in een laat stadium of helemaal niet in beweging komen.
Het doel van de analyses in dit hoofdstuk is om – naar analogie van Rogers adoptietheorie – groepen te onderscheiden die voorop lijken te lopen in de woningverduurzaming, groepen die geneigd zijn te volgen en groepen die zich in de achterhoede van deze beweging bevinden. Vervolgens onderzoeken we hoe deze groepen van elkaar verschillen (op sociaal-demografische, contextuele en psychologische kenmerken) en welke kenmerken samenhangen met het woningverduurzamingsprofiel (voorlopen, volgen, achterlopen). We verwachten dat inzicht in deze profielen aangrijpingspunten voor beleid kan bieden. We lichten de aanpak van de latente-klassenanalyse (lca) toe in paragraaf 4.1 en beschrijven vervolgens in paragraaf 4.2 de bevindingen en karakterisering van de resulterende latente klassen. Daarna bespreken we (univariaat) de kenmerkende verschillen tussen elk van de groepen (§ 4.3), waarna we de samenhang tussen de hiervoor genoemde kenmerken en woningverduurzamingsadoptieprofielen (de latente klassen) multivariaat bekijken, dus rekening houdend met andere kenmerken (§ 4.4). Tot slot trekken we conclusies uit deze analyses (§ 4.5). 4.1
Aanpak
Om onder de woningeigenaren groepen te kunnen onderscheiden, is er gebruikgemaakt van een latente-klassenanalyse (zie voor de methodologische verantwoording bijlage C). Een dergelijke analyse maakt het mogelijk om op basis van een aantal (geobserveerde) variabelen (in dit geval zelfgerapporteerde concrete gedragingen en gedragsintenties) een aantal latente (onderliggende, verborgen) groepen te identificeren, die overeenkomstige
51
voorlopers en achterblijvers
patronen vertonen in intenties en gedragingen met betrekking tot woningverduurzaming (de zogenoemde latente klassen). Om latente groepen te identificeren zijn er zes variabelen gebruikt die inzicht geven in intenties en gedrag van de respondenten (zie voor de vraagformuleringen tabel A.2): 1 intentie en gedrag wat betreft isoleren van de woning (zie adoptiespectrum § 2.3); 2 intentie en gedrag wat betreft het plaatsen van zonnepanelen (zie adoptiespectrum § 2.3); 3 gedrag wat betreft het opzoeken van informatie over woningverduurzaming (zie ook § 2.4); 4 de intentie om van het aardgas af te gaan; 5 de bereidheid van het eigen huishouden om een bijdrage te leveren om klimaatverandering tegen te gaan; 6 de inschatting dat het eigen huishouden voldoende bijdraagt aan het tegengaan van klimaatverandering. Deze laatste twee variabelen voegen we toe aan de latente-klassenanalyse, omdat ze een indruk geven in hoeverre groepen verschillen in hun algemene kijk op de eigen rol in het tegengaan van klimaatverandering. Deze variabelen dienen als verdieping op de gedragsen intentievariabelen in de lca en stellen ons in staat om meer nuance te zien tussen de verschillende groepen. Samen geven bovenstaande zes variabelen een indruk van het stadium waarin men zich bevindt in het proces van woningverduurzaming.
Bij de naamgeving van de latente groepen worden parallellen gezocht met de categorieën die Rogers onderscheidt. Zijn theorie onderscheidt een zeer kleine groep innovators, een kleine groep early adopters, een grote groep early majority en een in omvang vergelijkbare groep late majority en ten slotte een kleine groep laggards. In lijn met deze adoptietheorie verwachten we hier vergelijkbare groepen te vinden: groepen die meer vooroplopen, groepen die geneigd zijn te volgen en groepen die achterblijven in het verduurzamen van de woning. Met de aanduiding van de latente groepen sluiten we dus zo veel mogelijk aan bij de theorie en willen we ze geenszins een normatieve lading geven. 4.2
Classificatie en karakterisering groepen
Uit de lca waarin de antwoorden op de zes vragen c.q. stellingen van eigenaar-bewoners zijn meegenomen, ontstaan vijf latente groepen van verschillende omvang (zie figuur 4.1). We onderscheiden één relatief kleine groep (8% van de respondenten), één relatief grote groep (36%) en drie groepen die vergelijkbaar zijn in omvang (17%, 18% en 22%). De toewijzing van respondenten aan de klassen in een lca is omgeven met een bepaalde mate van onzekerheid: iedere respondent heeft een kans om tot een bepaalde klasse te behoren. Op inductieve wijze kunnen we een label toewijzen aan elke latente groep, zie daarvoor paragraaf 4.2.1. Deze labels moeten met enige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. De zeer beperkte set variabelen geeft slechts een ruwe schets van de groepen die we onder 52
voorlopers en achterblijvers
eigenaar-bewoners zien. De groepsindeling kan een ander beeld opleveren bij toevoegen of achterwege laten van één of meer variabelen. Maar ook de groepsindeling in vijf klassen is één mogelijke uitkomst en puur indicatief. Met dezelfde set aan variabelen hadden we op statistische gronden ook voor een uitkomst met vier of zeven latente klassen kunnen kiezen, waar een iets andere karakterisering uit zou volgen. Tot slot, de labels die gekozen zijn om de latente groepen aan te duiden, zijn gebaseerd op onze interpretatie van de uitkomsten, hetgeen ook een subjectieve component met zich meebrengt. 4.2.1 Groepslabels We bespreken de argumentatie voor het toekennen van de groepslabels, te beginnen met de groepen die het meest differentiëren en het duidelijkst te karakteriseren zijn. Dit baseren we op de figuur 4.1a en b. Voorlopers In deze latente groep zien we relatief veel duurzaam (gerapporteerd) gedrag en gedragsintenties. Zo zijn er relatief veel respondenten die de woning hebben geïsoleerd (45%), zonnepanelen hebben geplaatst (55%) en informatie hebben opgezocht (77%); deze percentages liggen hoger dan in de andere latente groepen. Ook zien we dat de gemiddelde intentie op een aardgasvrij alternatief over te stappen hoger ligt binnen deze groep dan binnen de overige latente groepen. Samengenomen is het beeld dat deze groep vooroploopt bij woningverduurzamingsgedrag.
Ook lijkt deze groep het sterkst een bijdrage te (willen) leveren aan het tegengaan van klimaatverandering. In de verdere beschrijving noemen we deze groep de ‘voorlopers’.1 Voor 22% van de respondenten is de voorlopersgroep de meest waarschijnlijke groep om toe te behoren. Bereidwillige volgers In deze groep is er vooral bereidheid tot woningverduurzaming. Er is iets minder vaak dan in andere groepen al daadwerkelijk overgegaan tot het isoleren of het plaatsen van zonnepanelen. Respondenten met een sterkte bereidheid om te isoleren (36%) en zonnepanelen te plaatsen (59%) behoren tot deze groep (figuur 4.1a). Net zoals in de voorlopersgroep is er een relatief sterke intentie tot het vervangen van de huidige cv-installatie voor een aardgasvrij alternatief. We labelen deze groep voor de bespreking van bevindingen hierna daarom als ‘bereidwillige volgers’. Tot deze groep behoren respondenten die vrij gemiddeld scoren op het opzoeken van informatie en het willen leveren van een bijdrage aan het tegengaan van klimaatverandering (figuur 4.1b).
Wel geven respondenten, die aan deze groep zijn toegewezen, iets minder vaak aan het gevoel te hebben al voldoende bijdrage te hebben geleverd aan het tegengaan van klimaatverandering, wat wellicht verklaard wordt door hun bereidwillige houding in combinatie met het relatief lage aandeel dat daadwerkelijk tot actie is overgegaan vergeleken met de groep ‘voorlopers’. Bij 17% van de respondenten is de kans het grootst dat ze worden toegewezen aan deze groep bereidwillige volgers. 53
voorlopers en achterblijvers
Achterblijvers Respondenten die laag scoren op vrijwel alle variabelen worden aan deze groep toegewezen. Het gaat dan respondenten die aangeven dat ze niet willen isoleren (44%), geen zonnepanelen willen plaatsen (73%) en slechts in enkele gevallen daadwerkelijk zonnepanelen hebben geplaatst (6%). De groep omvat het overgrote deel van de respondenten (82%) die geen informatie over woningverduurzaming hebben opgezocht (figuur 4.1a). Ook is de bereidheid een bijdrage te leveren aan het tegengaan van klimaatverandering relatief laag en is er nauwelijks een intentie tot het overstappen op een aardgasvrij alternatief (figuur 4.1b). Deze groep labelen we voor de bespreking van de bevindingen als ‘achterblijvers’.2 In deze groep zitten respondenten die van mening zijn dat zij niet voldoende doen tegen klimaatverandering. Dit zou kunnen duiden op een bewuste keuze van de achterblijvers: wellicht is men van mening dat woningverduurzaming niet het juiste antwoord is op klimaatverandering. Het achterblijven zou ook verklaard kunnen worden door het ‘niet kunnen’ (bv. door het ontbreken van de benodigde financiële middelen of andere hulpbronnen). In de hiernavolgende paragrafen gaan we hier dieper op in. Deze groep is de kleinste, 8% van de respondenten heeft de grootste kans aan deze groep te worden toegewezen.
Middengroep en terughoudenden Ten slotte zijn er nog twee tussenliggende groepen over. Deze groepen verschillen slechts op één variabele van elkaar, namelijk op de intentie om bij een defect de cv-ketel te vervangen voor een aardgasvrij alternatief. Respondenten met relatief gemiddelde scores op alle onderzochte variabelen komen in deze groep terecht. Dat deze twee groepen in de analyse toch als verschillende groepen worden geclassificeerd, duidt op het grote onderscheidende effect van de score op de variabele over de aardgasvrije intentie.3 De respondenten die ook gemiddeld scoren op de aardgasvrij-intentie worden toebedeeld aan de ‘middengroep’. Hierdoor komen de meeste respondenten in deze groep terecht (36%). Aan de andere groep worden respondenten gelinkt die iets terughoudender lijken door een relatief zwakke intentie om van het gas af te gaan. Hierdoor worden 18% van de respondenten toegewezen aan een aparte groep ‘terughoudenden’. 4.2.2 Verdeling op onderliggende variabelen In figuur 4.1 is de verdeling te zien van de vijf uit lca voortkomende groepen op de gebruikte zes constructievariabelen. De procentuele verdeling van de categorale variabelen is onderverdeeld in de verschillende categorieën: voor isolatie in vier categorieën, voor zonnepanelen in drie en voor informatie in twee categorieën.
Onderaan in de figuur staat de verdeling van de drie ordinale variabelen, die op een zevenpuntsschaal zijn gemeten.
54
voorlopers en achterblijvers
Figuur 4.1 Sterke variatie woningeigenaren naar stadium van willen en daadwerkelijk verduurzamen van de woning Verdeling binnen de vijf latente groepen in percentages voor de drie categorische variabelena en in gemiddelde scores voor de drie ordinale variabelenb waarmee de latente klassen zijn bepaald (ongewogen cijfers) 100
intentie en gedrag m.b.t. isolatie
80 60
20 0
44 32 35 26
11
12
wil geen isolatie
100
23 23 36 21 wil wel isolatie
26 26 25 23 45
19
heeft geïsoleerd
19
18
15
23
scp.nl
40
woning was al goed geïsoleerd
intentie en gedrag m.b.t. zonnepanelen
80 60
20 0
73 46 50 32
17
wil geen zonnepanelen 100
20 35
33 59 29
wil wel zonnepanelen
6
19
17
10
55
scp.nl
40
heeft zonnepanelen geplaatst
informatie opzoeken
80 60
20 0
82 57
61 56 23
geen informatie opgezocht
55
18 43 39 44 77
scp.nl
40
wel informatie opgezocht
voorlopers en achterblijvers
Figuur 4.1 (Vervolg) 7 6
bijdragen aan tegengaan klimaatverandering
5 4
2
1,5
1
1,9 4,2 5,9 6,1
2,1 4,4 4,3 4,3 5,5
2,6 4,3 4,2 3,6 5,0
huishouden is bereid daartoe
huishouden draagt al voldoende bij
overweegt aardgasvrij
achterblijvers (8%)
a
b
terughoudenden (18%)
middengroep (36%)
bereidwillige volgers (17%)
scp.nl
3
voorlopers (22%)
Toelichting bij de drie categorische variabelen: de variabele ‘Intentie en gedrag met betrekking tot zonnepanelen’ is onderverdeeld in drie categorieën: ‘wil geen’, ‘wil wel’ en ‘heeft al geplaatst’; de antwoordcategorie ‘mijn woning had al zonnepanelen toen ik er ging wonen’ is niet meegenomen in deze analyse vanwege het kleine aantal respondenten waarvoor dit geldt (n = 33). De variabele ‘Intentie en gedrag met betrekking tot isolatie’ is onderverdeeld in vier categorieën: ‘wil geen’, ‘wil wel’, ‘heb al geïsoleerd’ en ‘mijn woning was al goed geïsoleerd’. De variabele ‘informatie opgezocht over het (nog) energiezuiniger maken van de woning’ is onderverdeeld in twee categorieën: ‘geen informatie opgezocht’ en ‘wel informatie opgezocht’. Toelichting bij de drie ordinale variabelen: deze zijn gescoord op een schaal van 1 (helemaal mee oneens) tot en met 7 (helemaal mee eens).
Bron: scp (vet’19)
In de volgende paragraaf kijken we naar de achtergrondkenmerken van deze latente groepen om inzicht te krijgen in de verschillen. Dat geeft tevens meer kleur aan het profiel en daarmee aan de duiding van de latente groepen. 4.3
Verschillen tussen latente groepen
We bekijken in deze paragraaf of de vijf latente groepen die in de vorige paragraaf zijn geconstrueerd van elkaar verschillen op een aantal kenmerken. We vergelijken eerst de verdeling op sociaal-demografische variabelen (§ 4.3.1), contextuele variabelen (§ 4.3.2) en daarna op sociaalpsychologische variabelen (§ 4.3.3). Deze laatste betreffen opvattingen en verwachtingen over de klimaat- en energietransitie, onderliggende waarden en informatiebehoefte. Het overzicht van de verdelingen is te vinden in tabel C.3 (voor categorische variabelen). We presenteren hier alleen de bevindingen voor de kenmerken waarop de latente groepen significant verschillen in gemiddelden of proporties. Alle genoemde percentages in deze paragraaf zijn gebaseerd op modelmatig berekende kansen (distal outcomes). Voor meer 56
voorlopers en achterblijvers
informatie over deze methode, zie bijlage A. De proporties hebben we voor het gemak omgezet naar geschatte percentages. 4.3.1 Sociaal-demografische verschillen De groepen verschillen significant in opleidingsniveau (figuur 4.2). Gemiddeld omvat de onderzoeksgroep 46% hogeropgeleiden en 23% lageropgeleiden. De groepen voorlopers en bereidwillige volgers lijken sterk op elkaar: hogeropgeleiden vormen in beide groepen met een aandeel van circa 60% een meerderheid, lageropgeleiden een kleine minderheid (circa 12%). Iets minder sterk zien we dit terug bij de groep terughoudenden; bijna de helft is daar hoger opgeleid. Ook de middengroep en achterblijversgroep lijken op elkaar, in de zin dat ze beide een relatief grote groep lageropgeleiden omvatten (35% resp. 41%). Bij de middengroep zijn de opleidingsniveaus tamelijk gelijkmatig verdeeld, maar ook dat verraadt een relatief lager opleidingsniveau dan gemiddeld. Figuur 4.2 Groep voorlopers en bereidwillige volgers relatief hoger opgeleid, achterblijvers en middengroep relatief lager opgeleid Verdeling van de latente groepen naar opleidingsniveau (in procenten, ongewogen cijfers)a
voorlopers (22%)
13
26
61
bereidwillige volgers (17%)
12
31
58
35
middengroep (36%)
33
20
terughoudenden (18%)
achterblijvers (8%)
32
34
46
30
29 scp.nl
41
0
10
20
lager opgeleid
a
30
40
50
60
middelbaar opgeleid
70
80
90
100
hoger opgeleid
Verwachte frequentieverdeling gebaseerd op modelmatig berekende kansen (distal outcomes).
Bron: scp (vet’19)
Bekijken we de latente groepen op de leeftijdsverdeling (figuur 4.3), dan constateren we significante verschillen tussen de groepen. Het valt op dat de groep bereidwillige volgers met 45% een relatief groot aandeel jongere categorieën (tot 45 jaar) omvat, ten opzichte 57
voorlopers en achterblijvers
van gemiddeld 25%. Daarentegen wordt de groep terughoudenden gekenmerkt door een relatief oudere populatie, want deze bestaat voor de helft uit de categorie 65-plus, tegenover 40% gemiddeld. In de groep achterblijvers zijn alle leeftijdscategorieën, vergeleken met de andere groepen, behoorlijke gelijk vertegenwoordigd. Figuur 4.3 Groep bereidwillige volgers omvat relatief veel jongeren, terughoudenden relatief veel ouderen Verdeling van latente groepen naar leeftijdscategorieën (in procenten, ongewogen cijfers)a
11
voorlopers (22%)
6
13
23
bereidwillige volgers (17%)
11
terughoudenden (18%)
10
achterblijvers (8%)
14
12
9
20
21
17
19
11
19
15
7
27
20
15
10
14
38
16
19
12
22
15 scp.nl
middengroep (36%)
35
24
0
18-34 jaar
a
10
35-44 jaar
20
30
45-54 jaar
40
50
55-64 jaar
60
70
80
90
65-74 jaar
100
≥ 75 jaar
Verwachte frequentieverdeling gebaseerd op modelmatig berekende kansen (distal outcomes).
Bron: scp (vet’19)
Ook de verdeling van mannen en vrouwen is niet gelijk in de verschillende groepen (tabel C.3). De groep terughoudenden kenmerkt zich door een relatief kleiner aandeel vrouwen (35%) dan gemiddeld (49%), en dus een groot aandeel mannen. In de middengroep hebben vrouwen gemiddeld genomen een iets groter aandeel (56%). Ook de aanwezigheid van kinderen in het huishouden laat een klein significant verschil tussen de groepen zien. Bij de bereidwillige volgers is iets vaker dan gemiddeld (32%) sprake van kinderen in het huishouden (41%), wat wellicht niet verwonderlijk is, aangezien het ook vaker jongere respondenten betreft. We zagen geen verschil in het aandeel respondenten zonder partner (gemiddeld 29%). We bekeken ook de verdeling over financiële indicatoren. Het inkomen van de respondenten (in kwintielen) is niet significant verschillend in de latente groepen. Daarentegen is er wel een verschil in de rapportage van respondenten in de mate waarin zij gemakkelijk dan wel moeilijk financieel zeggen te kunnen rondkomen (figuur 4.4). Gemiddeld zegt twee 58
voorlopers en achterblijvers
derde deel van de respondenten dat voor hen rondkomen gemakkelijk is. Onder de voorlopers geldt dit voor de overgrote meerderheid (79%), onder de groep achterblijvers voor nauwelijks de helft. De andere helft van de achterblijversgroep heeft (enige) moeite met rondkomen: voor bijna 10% ervan is het (zeer) moeilijk, voor zo’n 40% is het rondkomen niet echt gemakkelijk, maar ook niet heel moeilijk. Figuur 4.4 Voorlopers vaker (zeer) gemakkelijk rondkomend en achterblijvers juist minder vaak, vergeleken met gemiddeld Verdeling van de latente groepen naar mate van (zeer) makkelijk of (zeer) moeilijk financieel rond kunnen komen (in procenten, ongewogen cijfers)a
voorlopers (22%) 3
18
7
bereidwillige volgers (17%)
25
middengroep (36%) 4
achterblijvers (8%)
69
33
5
terughoudenden (18%)
79
62
27
42
49 scp.nl
9
68
0
10
(zeer) moeilijk rondkomen
a
20
30
40
50
niet moeilijk/niet gemakkelijk
60
70
80
90
100
(zeer) gemakkelijk rondkomen
Verwachte frequentieverdeling gebaseerd op modelmatig berekende kansen (distal outcomes).
Bron: scp (vet’19)
4.3.2 Contextuele verschillen Daarnaast bekeken we enkele kenmerken die in de context een rol kunnen spelen (zie tabel C.3). Zo bleek er een klein significant verschil te zijn in de mate van stedelijkheid van de woonwijk (postcodegebied), maar is het patroon niet heel helder. In deze studie lijken de achterblijvers en de voorlopers vaker dan gemiddeld woonachtig te zijn in nietstedelijke woonomgevingen; de achterblijvers en de bereidwillige volgers wonen vaker dan gemiddeld in zeer sterk stedelijk gebied. Ook het beschikken over een eigen dak is een relevant gegeven in relatie tot de latente klassen; in deze studie gaat dat op voor 82% van de woningeigenaren. De voorlopers beschikken veel vaker (93%) over een eigen dak, waardoor men tamelijk autonoom is in het besluit over zonnepanelen. Voor zowel de achterblij59
voorlopers en achterblijvers
vers als de bereidwillige volgens ligt dit minder voor de hand, zij hebben in driekwart van de gevallen een eigen dak. Tot slot: de verdeling van hoge energielabels (A/B) versus gemiddelde en lage energielabels (C t/m G) is niet significant verschillend tussen de vijf groepen. Dat lijkt enigszins onverwacht, maar is te verklaren uit het feit dat de registratie van verbeterde energielabels per definitie achterloopt op de feitelijke verduurzaming van woningen.4 4.3.3 Sociaalpsychologische verschillen Verschillen in opvattingen en verwachtingen met betrekking tot de klimaat- en energietransitie kunnen mogelijk een verklaring geven voor de gevonden verschillen in het (willen) verduurzamen. In hoeverre onderscheiden de groepen (latente klassen) zich van elkaar in sociaalpsychologische zin? We bekeken hierbij hoe de groepen onder meer verschillen in de mate waarin men zorgen ervaart over klimaatverandering, belang hecht aan duurzaamheid, het nodig vindt zelf in actie te komen, zichzelf en zijn omgeving als duurzaam beoordeelt, en bepaalde onderliggende waarden aanhangt. De toelichting bij de variabelen staat in tabel A.2. De groepen verschillen significant in de zorgen die zij ervaren over klimaatverandering en de urgentie die zij voelen om dit tegen te gaan (tabel 4.2). Gemiddeld genomen het meest bezorgd is de groep voorlopers, het minst de achterblijversgroep.
Hieruit mag wellicht geconstateerd worden dat bezorgdheid over het veranderende klimaat een drijver is voor actie. Met een score van gemiddeld 7,1 (uit de schaal van 0 tot 10) blijkt dat woningeigenaren een redelijk belang hechten aan duurzaamheid en met een gemiddelde van 6,6 dat ze het al iets minder nodig vinden om zelf in actie te komen. Op beide punten liggen de scores van de groepen voorlopers en achterblijvers het verst uiteen en zijn de drie tussengelegen groepen wat meer vergelijkbaar in hun oordeel. Op voornoemde variabelen contrasteert de voorlopersgroep (gemiddeld 8,6 respectievelijk 8,3) sterk met de achterblijversgroep (gemiddeld 4,8 resp. 3,6). Wat betreft de verwachting of de kwaliteit van de woning er door verduurzamingsmaatregelen op vooruit of achteruit zal gaan, scoren de groepen wel significant verschillend, maar zijn de contrasten minder groot. De gemiddelde score van 5,8 zegt dat woningeigenaren gemiddeld genomen niet heel erg overtuigd zijn van een verbetering van de woningkwaliteit. Voorlopers geloven daar nog het meest in (gemiddeld 6,9), maar achterblijvers verwachten daarentegen eerder enige achteruitgang (gemiddeld 4,4).
Eenzelfde patroon van verschillen zien we bij variabelen die meten hoe iemand zichzelf en zijn sociale omgeving ziet in relatie tot duurzaamheid, en het aanpassen van de leefstijl in relatie tot klimaatverandering (gemeten in een schaal van 1 t/m 7). Het meest uitgesproken zijn de verschillen in de bereidheid de leefstijl aan te passen, met opnieuw de voorlopersen de achterblijversgroep die het meest uiteenlopen: een gemiddelde score van 5,7 respectievelijk 3,0 tegenover het geschatte populatiegemiddelde van 4,7. Iets minder geprononceerd zijn de verschillen in de mate waarin iemand zichzelf of zijn omgeving als duurzaam ziet. Ook hier staan de voorlopers en achterblijvers het verst van elkaar vandaan. 60
voorlopers en achterblijvers
Maar bij deze laatste twee kenmerken doet zich in de middengroepen een afwijkend patroon voor. Bij alle hiervoor besproken sociaalpsychologische karakteristieken liggen de groepsscores van middengroep en terughoudenden net onder de geschatte gemiddelde score van de gehele steekproef, en die van de groep bereidwilliger volgers een duidelijk stukje erboven. Dit patroon gaat niet meer op bij het karakteriseren van zichzelf of de omgeving als duurzaam: hier scoren de bereidwillige volgers onder het geschatte populatiegemiddelde. Hoewel uit de classificatie uit paragraaf 4.2 blijkt dat er meer bereidwillige volgers in vergelijking tot de andere groepen aangeven te willen verduurzamen, is er een relatief kleiner deel dan in de meeste andere groepen dat zich als een duurzaam persoon ziet. Mogelijk ziet deze groep zichzelf pas als duurzaam persoon wanneer de renovatie daadwerkelijk is uitgevoerd en/of beschouwt deze groep hierbij ook andere leefstijlaspecten (zoals beperken van vleesconsumptie, auto- of vliegtuiggebruik), waar ze misschien in hun eigen ogen nog niet (voldoende) aan voldoen. Alleen onder de achterblijvers ziet een nog kleiner deel zichzelf als een duurzaam persoon. Iets vergelijkbaars is te zien in de inschatting van het duurzame gedrag van de meeste mensen in hun sociale omgeving.
Dat de bereidwillige volgers lager scoren op duurzaam gedrag dan het geschatte gemiddelde, kan ermee te maken hebben dat deze groep het verduurzamen van de woning wel op het netvlies heeft – men wil het immers graag – maar dit nog niet heeft omgezet in actie. Mogelijk is deze groep daarom kritischer over zichzelf en over de sociale omgeving voor wat betreft duurzaam handelen. Verder zien we het terugkerende beeld dat voorlopers en achterblijvers uitersten vormen, ook terug bij de waarde die men hecht aan milieu en klimaat (‘biosferische waarde’), alhoewel de verschillen veel minder geprononceerd zijn. De verschillen tussen de groepen voor de hedonistische en altruïstische waarden zijn zodanig klein dat ze, hoewel significant, nauwelijks betekenisvol zijn. Tot slot zijn er ook verschillen zichtbaar in de informatiebehoefte van de groepen (tabel C.3). De bereidwillige volgers geven het vaakst aan behoefte te hebben aan informatie over woningverduurzaming (49%). De middengroep scoort juist relatief laag op deze informatiebehoefte (19%), terwijl beide groepen vrijwel even vaak aangeven nog geen informatie te hebben opgezocht (56% resp. 61%) (figuur 4.1a). Dit duidt erop dat de bereidwillige volgers meer dan het geschatte populatiegemiddelde geïnteresseerd lijken te zijn in woningverduurzaming, maar er veelal nog niet toe gekomen zijn informatie in te winnen.
Onder de achterblijvers zijn het uitzonderingen die behoefte hebben aan informatie (3%), terwijl slechts 18% aangeeft al informatie te hebben opgezocht. Dit kan erop duiden dat men in deze groep zich weinig bewust is van de beleidskeuze op dit terrein, de verwachting dat woningeigenaren in actie komen en van de beschikbare mogelijkheden om onzuinige woningen aan te pakken. Maar wellicht is men zich daar wel van bewust, maar ziet men geen mogelijkheden om zelf in actie te komen en daardoor ook geen nut in informatie.
61
voorlopers en achterblijvers
62
voorlopers en achterblijvers
-1,01 4,82 3,63 4,43 3,01 3,23 3,50 2,99 5,36 5,98 5,42
z-score 0-10 0-10 0-10
1-7 1-7 1-7
1-7 1-7 1-7 1-7
meeteenheid
3,16 5,62 5,86 5,83
4,32 4,63 4,32
-0,28 6,87 6,35 5,52
terughoudenden (18%)
3,04 5,44 5,76 5,73
4,35 4,46 4,51
-0,20 6,7 6,17 5,37
middengroep 36%)
3,01 5,65 6,08 5,74
4,99 3,98 4,16
0,15 7,17 6,66 6,06
bereidwillige volgers (17%)
2,82 5,87 5,97 6,28
5,71 5,51 4,8
0,67 8,59 8,33 6,94
voorlopers (22%)
3,01 5,60 5,90 5,84
4,65 4,53 4,38
-0,03 7,08 6,57 5,81
totaal (n = 1626)
n.s. *** ** ***
*** *** ***
*** *** *** ***
significantieb
Voor deze variabelen geldt (m.u.v. kwaliteit van de woning) hoe hoger de score, hoe meer men deze mening is toegedaan. Getoetst is voor verschillen in scores in de vijf latente klassen ten opzichte van de gemiddelde score (chikwadraattoets); de verschillende niveaus van significantie zijn aangegeven met asterisken: ** = p < 0,01, *** = p < 0,001, n.s. = niet significant. Een hogere score bij ‘kwaliteit van de woning’ betekent dat men verwacht dat deze erop vooruit zal gaan. De variabelen ‘zorgen’, ‘belang duurzaamheid’, ‘eigen actie nodig’ en de vier waardenvariabelen zijn samengesteld uit verschillende – sterk correlerende – variabelen. De variabelen, operationalisaties en constructen worden in detail besproken in tabel A.2.
Bron: scp (vet’19)
c d
a b
zorgen belang duurzaamheidd eigen actie nodigd kwaliteit van de woningc leefstijl aanpassen duurzaam persoon duurzame sociale omgeving egoïstische waarded altruïstische waarded hedonistische waarded biosferische waarded
sociaalpsychologische kenmerken
achterblijvers (8%)
gemiddelde score in groepen
Tabel 4.2 Contrast tussen voorlopers en achterblijvers het grootst op sociaalpsychologische kenmerken Gemiddelde waarden van achtergrondkenmerken voor de latente groepen (in means, ongewogen)a
4.4
Verklaring groepsverschillen
Om de relatie tussen onderliggende kenmerken en het behoren tot een bepaalde groep in samenhang te onderzoeken, is aanvullend een regressieanalyse uitgevoerd. De regressieanalyse geeft inzicht in de onafhankelijke bijdrage van elk van de variabelen door te corrigeren voor de overige variabelen. Dit voorkomt een schijnverband (spurious relation) met elkaar correlerende variabelen. Bijvoorbeeld, wanneer mensen met een hogere opleiding ook vaker relatief jong zijn, is met een regressieanalyse te zien of mensen een grotere kans hebben om ingedeeld te worden in bijvoorbeeld de voorlopersgroep, door een onafhankelijke bijdrage van opleiding en/of van leeftijd, of geen van beide. Er is een multinomiale logistische regressieanalyse uitgevoerd met de latente groepen als afhankelijke (categorische) variabele en de sociaal-demografische variabelen en woningkenmerken (contextvariabelen) als verklarende factoren. Vasseur en Marique (2019) vonden dat de adoptie van technologische energiemaatregelen veel eerder verklaard wordt door sociaal-demografische dan psychologische karakteristieken zoals bezorgdheid om het milieu. Om die reden laten we sociaalpsychologische variabelen in deze regressieanalyse achterwege. Aan de hand van deze regressie bekijken we de verschillen tussen groepen naar hun objectieve kenmerken.
De ‘middengroep’ dient als referentiecategorie voor de vergelijking tussen groepen (tabel 4.1). De middengroep is in omvang het grootst (36% van de populatie), staat tussen de voorlopers en achterblijvers in en is daardoor het meest geschikt als referentiegroep om de verschillen tussen de groepen te bekijken. De kans om tot elk van de overige vier groepen te behoren wordt vergeleken met de kans om tot deze referentiegroep te behoren. De resultaten van de analyse worden uitgedrukt in relative risk ratio: waarden hoger dan 1 geven een grotere kans weer om tot een bepaalde klasse (groep) te behoren (dan tot de middengroep die hier de referentiegroep is), en waarden lager dan 1 een kleinere kans om tot een bepaalde klasse (groep) te behoren (t.o.v. de referentiegroep). In de tabel betekent bijvoorbeeld de waarde 0,45 voor de variabele ‘vrouw’ bij de achterblijversgroep, dat vrouwen gemiddeld een kleinere kans hebben dan mannen om tot de groep achterblijvers te behoren dan tot de middengroep (gecorrigeerd voor alle andere variabelen in het model). Andersom betekent de waarde 6,10 voor de variabele ‘hoger opgeleid’ bij de voorlopers dat hogeropgeleiden een aanzienlijk grotere kans hebben dan lageropgeleiden om tot de groep voorlopers te behoren dan tot de middengroep.
De inzichten uit de regressieanalyse komen in grote lijnen overeen met de inzichten uit de beschrijvende analyses van verschillen tussen groepen (zoals beschreven in § 4.3), maar geven daarbij ook een aantal aanvullende inzichten. Ook zijn er enkele verschillen. Deze verschillen worden veroorzaakt doordat deze regressieanalyse de kenmerken in samenhang bestudeert. De regressieanalyse onderscheidt de onafhankelijke bijdrage van elk van de individuele variabelen in het model (gecorrigeerd voor de overige variabelen in het model), terwijl paragraaf 4.3 slechts de verschillen tussen groepen beschrijft.
63
voorlopers en achterblijvers
In lijn met de vorige paragraaf zien we een verband met geslacht, opleiding, financieel rondkomen en leeftijd. We zien dat hogeropgeleiden een grotere kans hebben (dan lager opgeleiden) om tot de groepen terughoudenden, bereidwillige volgers of voorlopers te behoren dan tot de middengroep. Mensen die moeilijk kunnen rondkomen hebben een aanzienlijk grotere kans (dan zij die gemakkelijk rondkomen) om tot de achterblijvers te behoren dan tot de middengroep. Voor mensen voor wie rondkomen niet gemakkelijk maar ook niet moeilijk is, is de kans groter (vergeleken met degenen die gemakkelijk kunnen rondkomen) dat zij tot de achterblijvers behoren en de kans kleiner dat zij tot de voorlopers behoren dan tot de middengroep. Een opvallend verschil is dat het verband met leeftijd grotendeels wegvalt: alleen mensen van een hogere leeftijd (65 jaar en ouder) hebben vergeleken met de leeftijdscategorie 18-34 jaar een significant kleinere kans om tot de bereidwillige volgers te horen dan tot de middengroep. Een ander verschil is te zien bij middelbaar opgeleiden: het is in lijn met de eerdere analyse dat middelbaar opgeleiden een grotere kans hebben om tot de terughoudenden te behoren, maar een verschil is nu dat deze groep een grotere kans heeft dan laagopgeleiden om tot de voorlopers te behoren dan tot de middengroep.
Tabel 4.1 Multinomiale regressie voor de sociaal-demografische en contextvariabelen op basis van de latente klassen (in relative risk ratios)a, b latente groepen (met ‘middengroep’ als referentiecategorie)
verklarende variabelen partner (ref. geen partner) huishouden met kind (ref. zonder kind) vrouw (ref. man) opleidingsniveau (ref. lager opgel.) middelbaar opgeleid hoger opgeleid inkomen (ref. < 20%) 20-40% 41-60% 61-80% 81-100% leeftijd (ref. 18-34 jaar) 35-44 jaar 45-54 jaar 55-64 jaar 65-74 jaar ≥ 75 jaar eigen dak (ref. zonder eigen dak)
64
achterblijvers (8%)
terughoudenden (18%)
bereidwillige volgers (17%)
voorlopers (22%)
0,58 1,00
0,98 0,88
0,79 0,94
1,51 1,04
0,45 *
0,35 ***
0,50 *
1,04
0,76 0,79
2,34 * 2,81 **
1,86 3,65 **
2,61 ** 6,10 ***
0,76 1,70 1,99 2,18
0,95 0,77 0,98 1,41
0,40 0,98 0,71 1,01
0,80 0,89 0,88 0,85
1,03 0,55 0,62 0,43 0,71 0,92
0,73 0,71 0,97 1,37 1,11 1,97
0,85 0,57 0,54 0,23 ** 0,26 * 1,01
0,89 0,91 1,42 1,70 1,36 1,95
voorlopers en achterblijvers
Tabel 4.1 (Vervolg) latente groepen (met ‘middengroep’ als referentiecategorie)
verklarende variabelen energielabel C t/m G (ref. A of B) rondkomen (ref. (zeer) gemakkelijk) (zeer) moeilijk rondkomen niet moeilijk/niet gemakkelijk stedelijkheid (ref. zeer sterk)) niet stedelijk weinig stedelijk matig stedelijk sterk stedelijk a
b
achterblijvers (8%)
terughoudenden (18%)
bereidwillige volgers (17%)
voorlopers (22%)
1,17
1,18
1,46
1,09
5,79 ** 2,17 *
2,45 0,82
2,27 0,78
0,87 0,46 **
0,68 0,49 0,23 * 0,48
0,67 0,59 0,89 0,79
0,93 0,52 0,36 0,96
0,53 0,47 0,48 0,73
Alle significante verbanden (p < 0,05) zijn vetgedrukt en de verschillende niveaus van significantie zijn aangegeven met asterisken: * = p < 0,05, ** = p < 0,01, *** = p < 0,001. Door missende waarden (categorie weet niet) op een aantal verklarende variabelen (isoleren, zonnepanelen plaatsen, informatie opzoeken, aardgasvrije intentie) en toepassing van listwise deletion, zijn in totaal 1415 responses gebruikt voor deze regressieanalyse. We verwachten dat hier geen selectieve uitval is opgetreden en dat dat dus ook geen implicaties heeft voor de bevindingen. Relative risk ratio’s volgen uit multinomiale logistische regressie: waarden hoger dan 1 betekenen een grotere kans om tot een bepaalde klasse te behoren, terwijl waarden lager dan 1 een kleinere kans betekenen om tot een bepaalde klasse te horen (ten opzichte van de ‘middengroep’, die als referentiecategorie dient).
Bron: scp (vet’19)
4.5
Resumé
Mensen verschillen sterk in hun intenties en gedrag met betrekking tot het verduurzamen van de woning. In de lca-analyse zijn op basis van overeenkomstige patronen in gedrag, intenties en opvattingen verschillende (latente) groepen geconstrueerd. We presenteren hier een van de mogelijke oplossingen, namelijk die met vijf groepen. Deze groepen konden we karakteriseren op grond van het onderliggende gedrag, gedragsintenties en opvattingen van de toegewezen respondenten. De groep ‘voorlopers’ kenmerkt zich door een relatief groot aandeel respondenten dat zonnepanelen en na-isolatie heeft toegepast. De ‘bereidwillige volgers’ omvatten als groep vooral respondenten die aangeven de intentie te hebben om zonnepanelen en na-isolatie toe te passen. Respondenten die overal vrij gemiddeld op scoren, hebben de meeste kans om in de middengroep terecht te komen. De respondenten die de groep ‘terughoudenden’ kleuren, lijken sterk op die in de middengroep, met uitzondering van een zwakke intentie om van het aardgas af te stappen. 65
voorlopers en achterblijvers
Tot slot is er een groep ‘achterblijvers’ waaraan vooral respondenten zijn toegewezen die laag scoren op de intentie om zonnepanelen te nemen en de isolatie te verbeteren. De middengroep is het grootst, voor 36% van de respondenten is de kans het grootst dat ze aan deze groep worden toegewezen. De groepen voorlopers, bereidwillige volgers en terughoudenden worden gevormd door respondenten in relatief vergelijkbare aantallen, in dit geval resulterend in groepen van vergelijkbare omvang (resp. 22%, 17% en 18%). De groep achterblijvers omvat het kleinste aandeel respondenten (8%). We zien sociaaldemografische verschillen tussen deze (latente) groepen. De voorlopers kunnen gemakkelijker rondkomen en deze groep heeft gemiddeld een groot aandeel hogeropgeleiden. De voorlopers staan ook het meest positief tegenover de verduurzamingsmaatregelen. Zo verwachten ze dat de kwaliteit van de eigen woning omhoog gaat wanneer Nederland overstapt op duurzame energie. De voorlopers zijn verder erg gemotiveerd om actie te ondernemen: ze zien het sterkst het belang in van duurzaamheid en vinden dat eigen actie nodig is om klimaatverandering tegen te gaan. Bovendien vinden ze dat hun eigen huishouden hieraan een bijdrage kan leveren.
Gezien het relatief grotere aandeel daadwerkelijk uitgevoerde renovaties en de sterkere overtuiging dat hun eigen huishouden een bijdrage kan leveren aan het tegengaan van klimaatverandering, wijst dit op een hogere self-efficacy onder de voorlopers. Dit strookt met de bevinding dat de voorlopers zich ook meer als een duurzaam persoon zien. In scherp contrast daarmee staan de achterblijvers. Ze zijn het minst bezorgd over klimaatverandering en lijken de verantwoordelijkheid voor het tegengaan van klimaatverandering niet bij het eigen huishouden te leggen. Verder vinden ze voor dit doel eigen actie niet nodig en zien ze een aanpassing van hun leefstijl niet zitten. Bovendien is deze groep iets pessimistischer dan de referentiegroep in hun verwachting dat de kwaliteit van hun woning erop vooruit zal gaan wanneer Nederland overstapt op duurzame energie. Dit schetst een beeld van een groep die woningverduurzaming niet ziet als middel om zelf een steentje bij te dragen om klimaatverandering tegen te gaan. Naast het niet ‘willen’, lijkt deze groep ook minder goed te ‘kunnen’. Zo geven ze aan minder goed te kunnen rondkomen, wat een belangrijke financiële barrière kan betekenen voor deze groep. Ook zijn achterblijvers lager dan gemiddeld opgeleid en heeft deze groep nauwelijks behoefte aan informatie. Dit is relevant, aangezien een kennisachterstand belemmerend kan werken.
De bereidwillige volgers vormen een groep die relatief het vaakst aangeeft de intentie te hebben om te verduurzamen. Deze groep heeft een relatief groot aandeel hogeropgeleiden en het grootste aandeel jongere mensen (18-44 jaar). De groep heeft het verduurzamen van de woning wel op het netvlies – men wil het immers graag – maar heeft dit nog niet omgezet in actie. Deze groep ziet ook in de sociale omgeving (nog) niet de stappen tot woningverduurzaming die ze had verwacht. De bereidwillige volgersgroep valt op door de zeer sterke behoefte aan meer informatie over woningverduurzaming. Het lijkt erop dat deze groep meer informatie nodig heeft om de intentie tot woningverduurzaming om te zetten in actie, aangezien deze groep qua opzoeken van informatie middenmoter is. Een goede informatievoorziening over woningverduurzaming en voorbeelden van uitgevoerde renovaties zou deze groep de handvatten kunnen geven die ze nodig hebben om de 66
voorlopers en achterblijvers
stap te maken om tot actie over te gaan. In dat kader zou direct contact met de voorlopersgroep nuttig kunnen zijn, aangezien deze groep via social learning geïnteresseerde volgers kan aanzetten tot het nemen van maatregelen (Berry et al. 2014). De terughoudende groep lijkt tamelijk sterk op de middengroep, met het duidelijke verschil dat de terughoudenden (nog) niet de intentie hebben om hun cv-ketel te vervangen door een aardgasvrij alternatief. Dat de groep anders denkt dan de middengroep over aardgasvrij maken van de woning, maar wel min of meer hetzelfde handelt qua adoptie van isolatie en zonnepanelen, duidt erop dat in die groep andere motieven spelen rond het overwegen van een aardgasvrij alternatief, dan rond het plaatsten van zonnepanelen of het verbeteren van de isolatie. De terughoudende groep bestaat ten opzichte van de beide andere achterhoedegroepen uit relatief veel hogeropgeleiden, mannen, 65-74-jarigen en mensen die gemakkelijk kunnen rondkomen. Hier dringt zich het beeld op van een groep die niet zozeer om financiële en/of praktische redenen, maar meer op principiële gronden de richting naar aardgasvrij wonen lijkt af te wijzen. Noten 1
2
3 4
67
De ‘voorlopers’ vormen in dit onderzoek de verst gevorderde groep in de verduurzamingsbeweging. In de classificatie van innovatieadoptiegroepen is dit label gereserveerd voor de early majority, de groep die na een voorzichtige start door de innovators en early adopters zorgt voor de kanteling van de beweging (Rogers 1995). De ‘achterblijvers’ vormen in dit onderzoek de groep die ogenschijnlijk achteraan loopt in de verduurzamingsbeweging. Het label achterblijvers is puur indicatief, en het is onduidelijk hoe dit zich verhoudt tot de classificatie van innovatieadoptie van Rogers, waarin dit label is gereserveerd voor de ‘laggards’. Rogers onderscheidt ook de groep ‘late majority’ die achteraan meeloopt in de beweging (Rogers 1995). Een lca-analyse is eerder ook toegepast in het scp-onderzoek naar verschillen tussen groepen in hun neiging om over te stappen op aardgasvrije alternatieven (Scholte et al. 2020). Een mogelijke rol speelt ook dat gebruik werd gemaakt van een enigszins verouderde energielabeldatabase (stammend uit januari 2019, terwijl de enquête plaatsvond medio 2019).
voorlopers en achterblijvers
5
Samenvatting en slotbeschouwing
Woningverduurzaming is een belangrijk onderdeel van de opgave om de gebouwde omgeving energieneutraal te maken. In het Klimaatakkoord is de doelstelling opgenomen van een aardgasvrije gebouwde omgeving in 2050. Dit is voor de burgers waarschijnlijk de meest ingrijpende opgave. Deze raakt vrijwel iedereen. Inmiddels is de geleidelijke overgang in gang gezet, die ertoe moet leiden dat in 2050 alle woningen duurzaam worden verwarmd. Dit rapport is het tweede deel in een reeks te verschijnen studies binnen de Verkenning ‘De energietransitie vanuit burgerperspectief’. Dit onderzoek richt zich op drijfveren en belemmeringen van woningeigenaren om al dan niet over te gaan tot woningverduurzaming (isoleren, zonnepanelen). We gaan in op de vraag waar eigenaren staan in het proces van woningverduurzaming. We kijken daarbij naar de drijfveren van eigenaar-bewoners die al isolatie/zonnepanelen hebben geplaatst (of dit nog willen doen). Ook gaan we in op de belemmeringen van diegenen die nog niet tot actie zijn overgegaan (en dat wel of juist niet willen)? Ook kijken we naar ‘voorlopers’ en ‘achterblijvers’ in woningverduurzaming. Verdiepend gaan we in op verschillen tussen groepen – zowel in gedrag als in gedragsintenties rond woningverduurzaming en het aardgasvrij maken van de woning – en factoren die deze verschillen verklaren. Het rapport signaleert aandachtspunten voor beleid.
We beantwoorden hieronder deze onderzoeksvragen: 1 Hoever zijn eigenaar-bewoners in de opgave van woningverduurzaming? 2 Welke drijfveren en belemmeringen spelen een rol in de opgave van woningverduurzaming? 3 Welke groepen kunnen we in deze opgave onderscheiden? Voor dit onderzoek zijn de enquêtedata gebruikt uit de survey Verkenning Energie Transitie (vet’19). De een vragenlijst werd door het scp ontwikkeld en is uitgezet door CentERdata onder een steekproef van 3480 deelnemers (18 jaar en ouder, één persoon per huishouden) van het liss-panel. De analyses in dit rapport hebben betrekking op 1626 woningeigenaren uit de groep van totaal 2384 respondenten. 5.1
Hoever zijn eigenaar-bewoners in de opgave van woningverduurzaming?
Een kwart van de woningeigenaren heeft geïsoleerd, nog veel verbeterpotentieel Een kwart van de woningeigenaren heeft de isolatie van de woning verbeterd. Dit aandeel is groter bij onzuiniger1 woningtypen (38%) en bij woningen gebouwd vóór 1975 (45%). Dat is plausibel, want in deze woningtypen is de grootste energie-efficiëntiewinst en comfortverbetering te behalen. We kunnen op basis hiervan niets zeggen over de kwaliteit van de maatregelen en over effectiviteit voor energiebesparing en vergroening. Wel zijn er nog relatief weinig eigenaren die meerdere maatregelen hebben genomen. Kijken we puur naar het energielabel, dan zien dat we het aandeel woningeigenaren dat heeft geïsoleerd, oploopt naarmate de woning onzuiniger is (label A tot F), met uitzonde68
samenvatting en slotbeschouwing
ring van het label G voor de meest onzuinige woningen. Opvallend is dat het aandeel daar terugzakt, terwijl in dit type woningen met isolatie een flink voordeel te behalen is qua energiebesparing en warmtecomfort. Wanneer men had geïsoleerd betrof dat in 69% van de gevallen het dak, bij 53% de vloer en bij 50% de spouwmuren. In de woningen gebouwd na 2000 vindt 71% van de eigenaren de isolatie al goed. In oudere woningen is dat eerder uitzondering: in woningen van voor 1975 vindt 4% de isolatie goed en in woningen uit de periode 1975-2000 is dat 18%. Met isoleren is een flinke groep woningeigenaren nog niet zo aan de slag. Gemiddeld 47% zegt niet te hebben geïsoleerd, maar dat is ongeacht of het een zuinig of onzuinig woningtype betreft. Een dergelijk hoog percentage van respondenten in energieonzuinige woningtypen die nog geen isolatiemaatregelen hebben genomen, geeft aan dat er nog een flink verbeterpotentieel is. Dat blijkt ook wanneer gekeken wordt naar het bouwjaar van de woning: in woningen gebouwd voor 1975 heeft 45% van de eigenaren nog niets ondernomen, in woningen uit de periode 1975-2000 zelfs 59%, terwijl men zich ervan bewust is dat de woning niet energiezuinig is. Zelfs als men initieel aangeeft dat de woningisolatie al goed is, geeft gemiddeld 19% van de eigenaren aan nog mogelijkheden te zien om de isolatie te verbeteren.
Het aandeel respondenten in een zuinige woning dat nog verbetermogelijkheden ziet, is met 16% opvallend hoog, aangezien het hier gaat om woningen met label A en B. En de 32% respondenten in geïsoleerde woningen van het onzuiniger type die nog verbetermogelijkheden zien, is een relatief kleine groep, temeer daar driekwart van deze woningen een (voorlopig) energielabel D t/m G heeft en er hier in de meeste gevallen nog een flinke winst te behalen valt. Ook qua diepte van de maatregelen blijkt dat het aandeel eigenaren dat zegt twee of drie maatregelen te hebben genomen, en die daarmee al een flinke verbetering hebben gemaakt, gemiddeld nog beperkt is tot 13%. In onzuinige woningen ligt dit hoger (20%), maar dit zijn ook de woningen waarbij een combinatie van maatregelen nodig is om energie te besparen. Een kwart van de woningeigenaren plaatste zonnepanelen, nog veel bereidheid Wat betreft de aanschaf van zonnepanelen is het beeld min of meer vergelijkbaar. Van de eigenaar-bewoners die beschikken over een woning met een eigen dak heeft 22% geïnvesteerd in zonnepanelen op het dak. Op gemiddeld 2% van de woningen lagen er al zonnepanelen toen de eigenaar er kwam wonen, het meest (10%) op woningen gebouwd na 2000.
Dat betekent dat er veel woningen in Nederland zijn waar nog geen zonnepanelen op zijn geplaatst; met name bij oudere woningen is er nog een inhaalslag te maken ten opzichte van nieuwere woningen. De bereidheid om zonnepanelen aan te schaffen is tamelijk groot: de intentie is er bij 47% van de eigenaren die beschikken over een eigen dak en die er ook zelf over kunnen beslissen.
69
samenvatting en slotbeschouwing
Grote bereidheid tot woningverduurzaming Bij bijna de helft van de eigenaar-bewoners die nog verbetermogelijkheden zien, is er wel een bereidheid om te investeren in isolatie en zonnepanelen. Wanneer deze groep daadwerkelijk in beweging komt, treedt een kanteling op in de beweging naar verduurzaming van de koopwoningen in Nederland. Daarmee zou in theorie de realisatie van een groot deel van de opgave binnen handbereik komen. Een kanttekening bij isolatie is nog wel dat de maatregelen moeten passen bij de woning, dus dat bij rode energielabels ‘diepe’ isolatie plaatsvindt, zodat de isolatie op alle mogelijke onderdelen van de woningschil wordt toegepast en de woning daadwerkelijk zuinig en comfortabel wordt. Verduurzaming door woningeigenaren beweegt langzaam in de gewenste richting Kijken we naar isolatie als verduurzamingsmaatregel, dan blijkt een kwart van de woningeigenaren de maatregel te hebben toepast en een iets kleinere groep de woning op dat punt al goed te vinden (18%). Voor zonnepanelen ligt het aandeel dat heeft verduurzaamd iets lager (19%), en zijn er nauwelijks woningen die voordien al voorzien waren van zonnepanelen (2%). Er is daarnaast dus nog een aanzienlijke groep woningeigenaren die in beweging kan komen. De bereidheid is er bij een deel van de groep: 23% wil isoleren en 35% wil zonnepanelen aanschaffen.
Wat resteert, is een groep die zegt niet in beweging te willen komen (26% bij isolatie en 35% bij zonnepanelen). Het niet willen verduurzamen kan zijn ingegeven doordat het technisch niet mogelijk is (geen spouwmuur, geen geschikt dak), maar evengoed doordat men niet beschikt over de (financiële) hulpbronnen. In de bovengenoemde verdeling op grond van concrete verduurzamingsmaatregelen of intenties daartoe, zijn tamelijk goed de latente groepen te herkennen die we vonden op basis van doen en willen verduurzamen, maar ook op hun meer algemene opvattingen en attituden over klimaatverandering en duurzaam gedrag. 5.2
Welke drijfveren en belemmeringen spelen een rol voor woningeigenaren?
We vonden dat woningeigenaren die gedrag of gedragsintenties tot energiebesparing door isolatie lieten zien, vooral gedreven worden door financiële beweegredenen en in tweede instantie warmtecomfort als belangrijkste reden opvoeren. Milieu speelt iets minder een rol. We zien bij de spontaan genoemde argumenten dat energiemaatregelen vaak onderdeel zijn van een reguliere verbouwing, zoals dat ook uit de literatuur bekend is. Bij zonnepanelen blijkt de financiële kant ervan (primair lagere energierekening, secundair rendement op investering) voor eigenaren duidelijk het belangrijkst te zijn. Het milieuargument komt dan wel op de tweede plek als belangrijkste argument, maar wordt (net als bij isolatie) ook hier duidelijk minder vaak als belangrijkste reden genoemd. Wel weten we dat het gros van de woningeigenaren beide argumenten naast elkaar noemt (alle antwoorden beziend) en het milieuargument meestal ook een rol speelt – maar minder gewicht krijgt – wanneer men moet kiezen tussen beide. Spontane beantwoording laat zien dat er
70
samenvatting en slotbeschouwing
ook een aantal externe pushfactoren zijn, zoals het (onverwacht) beschikbaar komen van budget of het verwachte voordeel van een collectieve aanschaf. Woningverduurzaming draait voor woningeigenaren dus lang niet altijd om milieuwinst, bij zonnepanelen iets meer dan bij isolatie. Dit geeft aan dat men energiebesparing minder dan hernieuwbare energie associeert met de energietransitie en met het tegengaan van klimaatverandering. Bij woningeigenaren die niet bereid zijn woningverduurzaming op te pakken of die het nog voor zich uit schuiven spelen diverse belemmerende factoren een rol. Voor de ene groep woningeigenaren spelen daarbij waarschijnlijk andere barrières een rol dan bij een andere groep. Binnen de groepen die zeggen niet te willen isoleren heeft bijna de helft als argument dat de woning al goed geïsoleerd is. In een deel van de gevallen zal dit inderdaad het geval zijn, maar het is zeer wel mogelijk dat een professional in veel gevallen de situatie anders zou beoordelen, bijvoorbeeld ingeval een woning een ‘rood’ energielabel heeft. Dan zijn er ook argumenten in de context van de woning en het huishouden die belemmerend werken. Bij ongeveer een op de vijf eigenaren die geen zonnepanelen willen, speelt het argument dat het dak ongeschikt zou zijn.
Voor ongeveer een op de zes is dat onzekerheid over de woonduur in de woning, bijvoorbeeld door een voorziene verhuizing of omdat men op leeftijd is. Dit argument speelt iets vaker een doorslaggevende rol bij zonnepanelen dan bij isolatie. Voor een ander deel spelen financiële redenen (kosten te hoog; levert weinig op; kosten in toekomst lager) een belemmerende rol, wat sterker bij isolatie dan bij zonnepanelen. Ook is bij isolatie vaker genoemd dan bij zonnepanelen dat men zich er nog niet in heeft verdiept. Bij de woningeigenaren die wel willen verduurzamen maar het nog niet hebben gedaan, springen enkele belemmeringen er duidelijker uit (vergeleken met de groep die niet wil verduurzamen). Bij isolatie noemt ongeveer een kwart de hoge kosten. Opvallend is dat ruim een op de vijf van de gewillige woningeigenaars als belangrijkste reden noemt zich hierin nog niet te hebben verdiept; dit wijst erop dat een aanzienlijke groep zich nog niet heeft georiënteerd op woningverduurzaming en daar wellicht barrières bij ondervindt. Bij zonnepanelen noemt ongeveer eveneens een kwart de hoge kosten, gevolgd door een vijfde die verwacht dat de maatregel in de toekomst goedkoper en beter wordt.
Er zijn daarnaast in de open antwoordcategorie nog diverse andere belemmeringen genoemd, waaruit blijkt dat er vaak nog andere dan genoemde contextgebonden situaties een rol spelen om (nog) niet te verduurzamen. Voor een deel van de woningeigenaren is het niet zozeer een kwestie van niet willen, als wel van niet kunnen verduurzamen. Tot slot merken we op dat de praktische beslommeringen die vaak met het verduurzamen van de woning gepaard gaan (dat het lastig is, tijd kost of rommel geeft) in dit onderzoek niet op de voorgrond treden als belangrijkste redenen om (nog) niet te verduurzamen.
71
samenvatting en slotbeschouwing
5.3
Welke groepen kunnen we in deze opgave onderscheiden?
In voorgaande analyses werd apart gekeken naar isolatie en zonnepanelen als elementen van woningverduurzaming. Daarbij werden overeenkomsten gevonden in woningeigenaren die zich al dan niet actief hebben ingezet of willen inzetten voor verduurzaming, en eigenaren die een afwachtende houding laten zien of zelf niet bereid zijn verduurzaming op te pakken. Ook werd er een zekere mate van overeenstemming gevonden in de drijfveren en barrières die men rapporteert. Met de zogeheten latente-klassenanalyse (lca) proberen we te ontdekken of er wezenlijke groepsverschillen zijn in de meningen, houdingen en attitudes ten opzichte van klimaatverandering en verduurzaming. Er zijn groepen geconstrueerd op basis van overeenkomstige patronen in de scores van respondenten op gedragingen (isolatie verbeteren, zonnepanelen nemen, informatie zoeken), intenties (een aardgasvrij alternatief voor de cv-ketel, een bijdrage willen leveren) en de houding dat het huishouden al voldoende bijdraagt aan het tegengaan van klimaatverandering. We hebben deze verschillen geïnterpreteerd en zagen daarin een gradiënt in gedrag (meer of minder verduurzaming toegepast) en intenties (meer of minder geneigd gedrag te veranderen). We vonden vijf latente groepen en gaven deze labels, die in zeker zin zijn geïnspireerd op de innovatie-adoptietheorie van Everett Rogers (1995).
We labelen de groepen als volgt: voorlopers, bereidwillige volgers, middengroep, terughoudenden en achterblijvers. De voorlopers vormen de groepen die het verst gevorderd is in de beweging naar verduurzamen van de woning; 22% van de onderzoekspopulatie eigenaar-bewoners wordt aan deze groepen toegewezen. De mentaal meest gevorderde groep, gelabeld als ‘bereidwillige volgers’, omvat 17% van de huisbezitters. Het andere uiterste van het spectrum wordt gevormd door de achterblijvers, als een groep die nauwelijks meebeweegt; 8% van de onderzoekspopulatie wordt aan deze groep gelinkt. Het overgrote deel van de onderzoekspopulatie (54%), bestaande uit de sterk op elkaar lijkende middengroep en de terughoudenden, bevindt zich hier tussenin. De meerderheid van de woningeigenaren in dit onderzoek gaf aan financieel gemakkelijk rond te kunnen komen, zeker in de groepen voorlopers en bereidwillige volgers. Dit kan twee kanten op uitgelegd worden: enerzijds kan het zijn dat men voldoende financiële reserve heeft om duurzaamheidsinvesteringen in de woning te doen; anderzijds is het ook plausibel, zeker bij de voorlopers, dat de investeringen zich terugbetalen via lagere energielasten en men daardoor gemakkelijker kan rondkomen. Voorlopers en bereidwilligen worden eveneens gekenmerkt door een groot aandeel hogeropgeleiden, de laatste groep ook door relatief veel jongeren.
De eigenaren die moeilijk kunnen rondkomen en lager opgeleid zijn, hebben de meeste kans om tot de groep achterblijvers te behoren. We kunnen deze verdeling in vijf latente groepen niet eenvoudigweg vertalen naar de populatie woningeigenaren in Nederland, maar de verdeling geeft wel een beeld van de verhoudingen tussen de voorhoede en de achterhoede. De verdeling suggereert dat een relatief stevige voorhoede van woningeigenaren de (mentale) beweging richting verduurzaming van woningen duidelijk heeft ingezet. Het zwaartepunt lijkt echter nog te zitten in 72