CConstaterende datvoorschoten
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording schriftelijke vragen ex art. 39 RvO 300 D66 over inf.brief 010 warmtetransitie (incl. bijl.).pdf

Gemeenteraad Voorschoten 5 april 2023, gemeente voorschotenBij agendapunt: Schriftelijke beantwoording van vragen uit de raad40.521 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

woningverduurzaming door eigenaar-bewoners

Figuur 2.6 Ruim een op de vijf woningeigenaren plaatste zonnepanelen op het dak Frequenties van adoptie van zonnepanelen naar bouwperiode van de woning (in procenten, ongewogen cijfers)a, b

subgroep met eigen dak (n = 1340)

22

na 2000 (n = 188)

23

2

74

2

10

65

2

0

72

2

38 1975-2000 (n = 584)

26

18

0

81

10

20

2 scp.nl

voor 1975 (n = 568)

0

ja, zonnepanelen geplaatst

a b c

30

40

50

mijn woning had al zonnepanelen

60

70

80

nee

90

100

weet niet

Selectie van woningen met een eigen dak (dus excl. Flatgebouwen, boven- of benedenwoningen). Antwoorden op de stelling: Ik of iemand in mijn huishouden heeft zonnepanelen laten aanbrengen op mijn woning. Getoetst met chikwadraattoets; het verschil is significant bij p < 0,001.

Bron: scp (vet’19)

Gemiddeld genomen heeft een kleine driekwart van alle woningeigenaren dus nog geen zonnepanelen op het dak. Een zeer kleine groep respondenten weet niet of dat het geval is. In hoeverre willen deze woningeigenaren dat alsnog doen? (Volgende cijfers staan niet in een tabel.) Zo’n 11% zegt hierover niet degene in het huishouden te zijn die hierover kan beslissen. Van degenen die nog geen zonnepanelen op het eigen dak hebben en daar wel zelf over kunnen beslissen, heeft gemiddeld bijna de helft (45%) de intentie om zonnepanelen aan te schaffen. Opnieuw is het hebben van een eigen dak een factor van invloed: de intentie is er bij 47% respectievelijk 38% (met resp. zonder eigen dak). De bouwperiode van de woning is hier niet van invloed: ongeacht of eigenaren een relatief jonge of oude woning hebben, bijna de helft van hen zou zonnepanelen willen aanschaffen. Hier lijkt sprake van een fors verschil ten opzichte van de eerdere bevinding dat 18% van de respondenten overweegt zonnepanelen te installeren binnen de komende drie jaar (rvo 2020b: 8). Wellicht leidt het ontbreken van een duidelijk tijdsframe in de enquêtevraag tot een overschatting van de bereidheid van groepen woningeigenaren. 26

woningverduurzaming door eigenaar-bewoners

2.3

Adoptie van isolatie en zonnepanelen

Wanneer we van alle respondenten in het onderzoek bovenstaande gegevens over willen en doen bundelen, krijgen we inzicht in waar woningeigenaren qua gedrag en intentie staan in de ‘adoptie’ van de verduurzamingsmaatregelen, in dit geval isolatie en zonnepanelen. Vasseur en Kemp (2015) maakten een indeling van eigenaren op grond van hun handelen bij de adoptie17 van zonnepanelen, waarbij rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat een woning al verduurzaamd is voordat men er komt wonen. Zij onderscheiden de respectievelijke groepen voluntary adopters, involuntary adopters, potential adopters en rejecters. Met behulp van de beantwoording op eerdergenoemde stellingen (zie § 2.1) kunnen we nagenoeg dezelfde indeling van woningeigenaren maken voor zowel isolatie als zonnepanelen (aangevuld met de categorie die er niet zelf over kan beslissen). Qua gedrag onderscheiden we degenen die meebewegen en de maatregelen zelf hebben uitgevoerd (‘zelf gedaan’) en degenen die – al dan niet bewust – een woning aankochten waar eerder al maatregelen waren genomen (‘was al goed’). Deze groepen zijn equivalent aan de voluntary adopters respectievelijk involuntary adopters. Qua intenties onderscheiden we degenen die positief (‘wil wel’) of negatief (‘wil niet’) staan tegenover het nemen van maatregelen; deze groepen vertegenwoordigen de potential adopters en de rejecters.

De verdeling van alle woningeigenaren (dus ongeacht het type woning) over deze groepen is weergegeven in figuur 2.7. Kijken we naar isolatie, dan blijkt een kwart van de woningeigenaren de maatregel in enige vorm al te hebben toepast. Voor zonnepanelen ligt dit aandeel wat lager (19%), maar vergeleken met het aandeel van 5% (in)voluntary adopters dat Vasseur en Kemp (2015) in 2011 vonden, lijkt het aandeel adopters flink groter. Hoewel het lastig is uit twee verschillende cross-sectionele studies een conclusie te trekken over een trend in de tijd, lijkt het hier toch aannemelijk dat de adoptersgroep in acht jaar tijd is gegroeid. Er is nog steeds een aanzienlijke groep woningeigenaren die in theorie nog in beweging kan komen, uitgaande van de groepen die wel en niet willen verduurzamen: dat geldt voor bijna de helft van de woningeigenaren in geval van woningisolatie, en ruim driekwart in geval van zonnepanelen. We zien bij beide maatregelen dat er nog een flinke groep woningeigenaren is die wel wil verduurzamen (isolatie 23%, zonnepanelen 35%), maar ook dat een even grote groep resteert die zegt niet in beweging te willen komen (26% bij isolatie en 35% bij zonnepanelen). Daarnaast zegt bijna één op de tien eigenaren niet zelf de beslissing te kunnen nemen over zo’n investering.

Dit duidt erop dat het proces van besluitvorming geen individuele aangelegenheid is, maar dat dit in het sociale systeem van een huishouden of een VvE plaatsvindt.

27

woningverduurzaming door eigenaar-bewoners

Figuur 2.7 Woningeigenaren in het adoptiespectrum: verduurzaming vraagt nog een flinke ontwikkeling Verdeling van respondenten naar hun antwoorden op de vragen naar willen, kunnen en doen verduurzamen (in procenten, gewogen cijfers)a

zonnepanelen (n = 1626)

19

isolatie (n = 1626)

2

35

18

23

9

26

8

scp.nl

25

35

0

zelf gedaan

a

10

was al goed

20

30

40

wil wel

50

60

wil niet

70

80

90

100

beslis ik niet over

Het spectrum in de adoptie van verduurzamingmaatregelen bestaat uit de categorieën: adopters hebben zelf maatregelen genomen (gedaan) of hebben een woning die al verduurzaamd was (was al goed); non-adopters hebben wel of niet de wil om te verduurzamen of beslissen daar niet zelfstandig over (zie verdere toelichting tabel A.2).

Bron: scp (vet’19)

Voor zowel de groep die wel wil verduurzamen als de groep die het niet wil, is het relevant om inzicht te hebben in hun drijfveren en eventuele door hen ervaren belemmeringen. Mochten er barrières in het spel zijn, dan kan gericht het beschikbare beleidsinstrumentarium worden ingezet of nieuw instrumentarium worden ontworpen. In hoofdstuk 3 gaan we in op drijfveren en belemmeringen bij woningeigenaren, waarmee we zicht krijgen op factoren die woningverduurzaming bevorderen dan wel hinderen. Gemiddeld 13% van de woningeigenaren in dit onderzoek geeft aan in hun werk met het thema duurzaamheid bezig te zijn. Risholt en Berker (2013) vonden dat mensen die geneigd zijn voorop te lopen bij woningverduurzaming, vaker ook beroepsmatig relevante kennis zouden hebben. We zien dat beeld ook in onze cijfers terug (figuur 2.8). We kruisten dit kenmerk op het adoptiespectrum voor zonnepanelen en isolatie en vonden voor beide een significante relatie. We zien dat degenen die professioneel betrokken zijn bij duurzaamheid vaker zonnepanelen hebben aangeschaft en vaker de intentie hebben om te isoleren dan de andere groepen. Dit duidt erop dat (beroepshalve) betrokkenheid bij duurzaamheid wel 28

woningverduurzaming door eigenaar-bewoners

enige relatie heeft met gedragsintenties met betrekking tot woningverduurzaming. Opvallend hieraan is dat iemand die beroepsmatig met duurzaamheid bezig is niet per se meer inzicht hoeft te hebben in verduurzaming van het energiesysteem, van woningen van particuliere eigenaren of duurzaam gedrag van huishoudens. Het thema duurzaamheid past namelijk evengoed bij andere sectoren, zoals landbouw, mobiliteit en circulariteit of bij andere typen gedrag, zoals voeding, kleding en autogebruik. Kennelijk gaat een professionele inzet voor duurzaamheid samen met een algemene duurzame houding. Figuur 2.8 Meer woningverduurzaming bij woningeigenaren die geroepsmatig met duurzaamheid bezig zijn Verdeling van respondenten met beroepsmatige betrokkenheid bij duurzaamheid, naar hun positie in het adoptiespectrum (in procenten, gewogen cijfers)a, b 10

7

90

13

7

9

16 80

23

35

70

15

27

41

46

was al goed zelf gedaan

30 23

35

17

25

19 16

20

2

3

1

2

10

20

19

19

19

ja

nee

n.v.t.

totaal

30

25

ja

nee

22

18

25

0 zonnepanelen

a b

wil wel

18

37

30

wil niet

30

24

40

beslis ik niet over

8

26

35

60 50

5

scp.nl

100

n.v.t.

totaal

isolatie

Vraagformulering: Bent u beroepshalve bezig met het thema duurzaamheid? (ja/nee/n.v.t.) Getoetst met chikwadraattoets; het verschil is significant bij p < 0,001.

Bron: scp (vet’19)

2.4

Informatie zoeken over woningverduurzaming

In deze paragraaf bieden we ter aanvulling nog enig inzicht in de behoefte aan informatie over woningverduurzaming en het daadwerkelijk zoeken naar praktische informatie over het energiezuinig(er) maken van de eigen woning door burgers. Iets meer dan een derde van de woningeigenaren zegt praktische informatie te hebben opgezocht. En 16% stelt dat het opzoeken van informatie op dit punt niet nodig was omdat de woning al zeer energiezuinig was (energielabel A of hoger) toen men er ging wonen. 29

woningverduurzaming door eigenaar-bewoners

Deze beide groepen vormen samengenomen de ene helft van de respondentengroep. Van de andere helft zegt 42% geen informatie te hebben opgezocht en 7% weet het niet (tabel 2.2). Tabel 2.2 Vooral informatie opgezocht indien woningverduurzaming uitgevoerd of de intentie daartoe Frequentie van informatie zoeken naar het adoptiespectrum (in procenten, gewogen cijfers)a, b adoptiespectrum

isolatie informatie opgezocht ja nee is niet nodigc weet niet zonnepanelen informatie opgezocht ja nee niet nodig (woning was al zeer energiezuinig) weet niet a b

c

beslis ik niet over

was al goed

zelf gedaan

wil wel

wil niet

totaal

9 46 3 42

14 16 69 1

68 27 1 4

44 46 5 5

19 68 6 7

35 42 16 7

12 43 14

6 25 66

57 23 14

43 38 15

23 56 15

35 42 16

32

4

5

4

6

7

Stelling: Ik of iemand in mijn huishouden heeft praktische informatie opgezocht over het (nog) energiezuiniger maken van mijn woning. Getoetst met chikwadraattoets op verschillen in informatiezoekgedrag tussen de groepen in het adoptiespectrum ten opzichte van de gemiddelde score; zowel voor isolatie als zonnepanelen zijn de verschillen significant (p < 0,001). De woning was al zeer energiezuinig.

Bron: scp (vet’19)

Informatie is vooral opgezocht door woningeigenaren die hebben geïnvesteerd in woningverduurzaming door isolatie of zonnepanelen (68% resp. 57%) of de intentie daartoe hebben (beide ca 43%). Van degenen die zeggen geen intentie te hebben de woning te verduurzamen, heeft 19% informatie opgezocht over isolatie en 23% over zonnepanelen. Dit suggereert dat informatie wel degelijk een rol speelt bij motivatie tot c.q. besluitvorming over woningverduurzaming. De bevinding dat lang niet iedere woningeigenaar die de woning heeft verduurzaamd daarover informatie heeft opgezocht, kan wellicht verklaard worden doordat veel informatie ook (ongevraagd) wordt aangereikt door partijen zoals Vereniging Eigen Huis en door commerciële partijen zoals aannemers. Ook kan het zijn dat de verduurzaming is uitbesteed of door een collectief van buren of buurtgenoten is opge-

30

woningverduurzaming door eigenaar-bewoners

pakt, waardoor niet iedere eigenaar zich in technische en/of financiële zaken hoeft te verdiepen. We bekeken ook in hoeverre er een informatiebehoefte bij woningeigenaren bestaat. Ruim een kwart van de respondenten (28%) geeft aan behoefte te hebben aan informatie over woningverduurzaming (tabel 2.3). We zien daarbij enkele significante verschillen in de groepen naar hun positie in het adoptiespectrum. Bij de groep met de intentie om te gaan isoleren is deze informatiebehoefte groter dan gemiddeld, terwijl deze bij de groep die niet wil isoleren kleiner is (51% vs. 13%). Ook in geval van zonnepanelen ligt de informatiebehoefte bij de groepen die wel zonnepanelen wil beduidend hoger dan bij de groep die ze niet wil (45% vs. 12%). Toch is er ook bij de groepen die al hebben geïnvesteerd in een van beide vormen van woningverduurzaming nog een aanzienlijke informatiebehoefte (29% en 30%). Opmerkelijk is dat de informatiebehoefte relatief groter is dan gemiddeld in de groep die al informatie over het onderwerp heeft opgezocht (39%) en kleiner in de groep die dat nog niet heeft gedaan (24%). Dit kan erop duiden dat woningverduurzaming om complexe materie gaat, waarbij nieuwe informatie vaak ook weer nieuwe vragen oproept.

Tabel 2.3 Grootste informatiebehoefte bij intentie tot woningverduurzaming en indien informatie opgezocht Frequentie van informatiebehoefte naar het adoptiespectrum en informatiezoekgedrag (in procenten, gewogen cijfers)a, b

adoptiespectrum

wel informatiebehoefte bij isolatieadoptie (n = 1626)

wel informatiebehoefte zonnepanelenadoptie (n = 1626)

beslis ik niet over was al goed zelf gedaan wil wel wil niet gemiddeld

21 20 29 51 13 28

21 6 30 45 12 28

a b

informatie opgezocht

wel informatiebehoefte (n = 1626)

weet niet was al goed ja nee

15 19 39 24

totaal

28

Vraag: Heeft u behoefte aan informatie over woningverduurzaming? Getoetst met chikwadraattoets op verschillen in informatiebehoefte tussen de groepen in het adoptiespectrum en naar informatiebehoefte ten opzichte van de gemiddelde score. Zowel voor isolatie, zonnepanelen als voor informatiebehoefte zijn de verschillen significant (p < 0,001).

Bron: scp (vet’19)

Wanneer we dieper graven in het type informatie waaraan mensen behoefte zeggen te hebben, zien we dat de financiële kant van verduurzaming belangrijk wordt gevonden (genoemde cijfers staan niet in tabel). De meerderheid van de mensen die aangaf een informatiebehoefte te hebben, had behoefte aan informatie over de kosten en baten (74%) en de subsidiemogelijkheden (64%). Eveneens twee derde deel wilde meer weten over de 31

woningverduurzaming door eigenaar-bewoners

voor- en nadelen van verschillende oplossingen voor de eigen woning. Hoezeer daarmee wordt geworsteld, blijkt uit het feit dat de meeste toelichtingen gaan over ontbrekende of tegenstrijdige informatie. Zo luidt de opmerking van een van de respondenten: ‘Hoor iedereen wat anders adviseren, niemand garandeert iets – risico op verkeerde keuze is me te hoog.’ Meer dan de helft van de informatiezoekenden wil meer weten over de plannen van de gemeente (59%) of over de prioritering van maatregelen (56%): welke kunnen het best nu al worden gedaan en welke kunnen beter wachten. Iets minder dan de helft wil informatie over waar men praktisch advies kan krijgen (45%). Een relatief kleine groep is op zoek naar voorbeeldwoningen die al verduurzaamd zijn (19%). Een deel van deze bevindingen over informatiebehoefte was eerder al, in meer globale termen, gerapporteerd door Scholte et al. 2020. 2.5

Resumé

Isolatie dient om de woning energiezuiniger te maken, zonnepanelen om meer hernieuwbare energie te produceren. Dit hoofdstuk geeft een beeld van het vorderen van de woningverduurzaming. Ongeveer een op de vier eigenaren heeft geïnvesteerd in isolatie van de woning en een op de vijf in zonnepanelen. Een deel van de woningen was al goed geïsoleerd en/of had al zonnepanelen, maar het algemene beeld is dat veel woningen nog niet zijn aangepakt: bijna de helft van de huiseigenaren zegt niet te hebben na-geïsoleerd en dat is ongeacht of het een zuinig of onzuinig woningtype betreft. Natuurlijk ligt het wat genuanceerder, want in onzuinige woningtypen hebben meer eigenaren geïsoleerd (ruim één op de drie) en in woningen van vóór 1975 zijn dat er nog meer (gaat richting één op de twee). Qua type isolatie lijkt isolatie van het dak wat gewilder dan van de vloer of van de spouwmuren. De oplopende tendens van meer eigenaren die isoleerden naarmate de woning volgens het energielabel onzuiniger is, stagneert bij het laagste energielabel: de eigenaren van label-G-woningen lijken wat achter te blijven. Dit kan te maken hebben met het minder gemakkelijk kunnen verduurzamen, want eigenaren van onzuinige woningen blijken gemiddeld genomen ouder, lager opgeleid, vaker gepensioneerd of niet werkend te zijn en minder gemakkelijk te kunnen rondkomen, vergeleken met eigenaren van zuinige woningen.

Het hoge percentage respondenten in energie-onzuinige woningtypen dat nog geen isolatiemaatregelen heeft genomen, geeft aan dat er nog een flink verbeterpotentieel is. Zelfs als men initieel aangeeft niet te hebben geïsoleerd omdat de woning al zeer energiezuinig is, ziet gemiddeld één op de vijf eigenaren nog mogelijkheden om de isolatie te verbeteren. Het aandeel dat nog verbetermogelijkheden ziet in een onzuinige woningtype is met één op de drie eigenaren opvallend klein, temeer daar driekwart van deze woningen een (voorlopig) energielabel D t/m G heeft en hier in de meeste gevallen nog een flinke winst te behalen valt. Van de eigenaar-bewoners die beschikken over een woning met een eigen dak heeft een kwart geïnvesteerd in zonnepanelen op het dak, maar driekwart dus nog niet. Op een frac-

32

woningverduurzaming door eigenaar-bewoners

tie van de woningen lagen al zonnepanelen en dan vooral op jongere woningen. De helft van de eigenaren met een eigen dak is bereid om zonnepanelen aan te schaffen. Al met al is er nog een aanzienlijke groep woningeigenaren die in beweging kan komen: ruim de helft van alle woningeigenaren in geval van woningisolatie, en zo’n driekwart in geval van zonnepanelen. Bijna de helft daarvan is bereid om te verduurzamen, maar ruim de helft zegt dit niet te willen. Hier zouden redenen kunnen spelen die maken dat eigenaren woningverduurzaming niet willen en/of kunnen oppakken. Ruim een op de drie woningeigenaren heeft informatie over woningverduurzaming opgezocht, degenen die maatregelen hebben uitgevoerd of het van plan zijn duidelijk het meest. Dit schept het beeld dat informatie wel degelijk een rol speelt bij motivatie tot c.q. besluitvorming over woningverduurzaming. Ruim een kwart van de respondenten geeft aan behoefte te hebben aan informatie over woningverduurzaming; deze behoefte is het grootst bij degenen die de intentie hebben te verduurzamen. Men is in meerderheid vooral op zoek naar informatie over de kosten en baten van maatregelen en over de voor- en nadelen van oplossingen voor de eigen woning. Noten 1 2 3 4 5 6

7 8

9 10 11

12 13

33

Zijn er volgens u nog mogelijkheden om de isolatie van uw woning verder te verbeteren? [indien verbetermogelijkheden] Zou u de woningisolatie willen verbeteren? Stelling: Ik heb (mijn huishouden heeft) de woningisolatie verbeterd door het (laten) aanbrengen van vloer-, spouwmuur- of dakisolatie. De informatie over het energielabel van de woningen komt uit de basisregistratie gebouwen (bag) van 1 januari 2019; wij weten niet welke woning een definitief of een voorlopig energielabel heeft. Theoretisch gezien zijn deze relatief meer energie-efficiënt vanwege het gemiddeld groter aantal aangrenzende woningen. Mogelijk bestaat deze groep deels uit inwonende jongvolwassenen, andere inwonenden of medeeigenaren die de vragenlijst hebben ingevuld zonder veel zicht te hebben op de technische staat van de woning. Gebaseerd op Woningmarktmodule WoON 2018. De WoOnstudies omvatten circa 65.000 respondenten. Aan de Energiemodule in aanvulling op het WoonOnderzoek Nederland (WoON) deden in 2012 circa 4800 respondenten mee en in 2018 circa 4500 respondenten. Dit percentage is berekend op basis van alle woningeigenaren, inclusief respondenten die ‘weigerden’ om antwoord te geven op de vraag. De samenhang tussen de antwoorden over isolatie en tochtmaatregelen is 0,36. Bekijken we alleen de ja/nee-antwoorden, dan is de correlatie sterker (0,56).

We hebben niet gevraagd of men isolatieglas heeft genomen. Wanneer isolatie in een totaalpakket van vier maatregelen (isolatie van dak, vloer, gevel en beglazing) wordt toegepast, voldoet de woning aan de eisen die gelden voor een ‘bijna energie neutraal gebouw’ (beng). Deze zogenoemde beng-norm in het Bouwbesluit geldt met ingang van 2021 voor de energieprestatie voor alle nieuwbouw (rvowebsite). Een label-G-woning kan (deels) verduurzaamd zijn, maar nog steeds een voorlopig G-label dragen. Voor de helft van de woning geldt dat er nog geen definitief energielabel beschikbaar is. Het aandeel woningen met definitief energielabel G wordt geschat op 8% in 2019 (rvo 2020b). Hiertegen afgezet lijken in onze onderzoeksgroep bewoners van label-G-woningen (14%) oververtegen-

woningverduurzaming door eigenaar-bewoners

14 15

16 17

34

woordigd. Dit hangt, ondanks weging, wellicht samen met een oververtegenwoordiging van hogeropgeleiden in de respondentgroep (zie tabel A.1). Plaatsing van zonnepanelen op een eigen schuur is buiten beschouwing gebleven. Dat zouden kunnen zijn: het dak van eigen schuren of stallen, maar ook daken van bedrijfsgebouwen of maatschappelijke gebouwen, zoals buurthuizen of scholen, die vaak in coöperatief verband worden benut. Autonoom is hier uitgezonderd de situatie dat de woning een monument is en/of onder beschermd dorps- of stadsgezicht valt; hier hebben we geen zicht op. Adoptie van een technologie is een veelgebruikte term uit de innovatieadoptietheorie van Rogers (1995). De beroemde classificatie van groepen volgens deze adoptiecurve kon hier niet worden toegepast, omdat daarin niet de situatie past van ‘niet-adoptie’, ingeval er in de bestaande situatie al zonnepanelen aanwezig waren.

woningverduurzaming door eigenaar-bewoners

3

Bevorderende en belemmerende factoren bij woningverduurzaming

In dit hoofdstuk zoomen we in op de drijfveren van woningeigenaren om te verduurzamen en mogelijke barrières die men ervaart. Deze kunnen bevorderend c.q. belemmerend werken bij de opgave om de woning te verduurzamen. Drijfveren verwijzen naar individuele factoren die van invloed zijn op gedrag, waaronder voorkeuren, attitudes, percepties en normen, en ze kunnen algemeen en specifiek van aard zijn. Aan algemene drijfveren die van invloed zijn op meerdere gedragingen, zoals milieubesef, gaan we hier voorbij. Want in het algemeen blijkt dat besef van milieuproblematiek maar ten dele voorspellend is voor daadwerkelijk milieuvriendelijk gedrag (o.a. Frederiks et al. 2015; Kollmuss en Agyeman 2002). Hier ligt de uitgebreid beschreven attitude-behavior gap aan ten grondslag (zie bv. Peattie 2001). Het is immers geen vanzelfsprekendheid dat motivatie en een positieve houding ten aanzien van duurzaamheid altijd zullen leiden tot duurzaam gedrag. Of mensen ook daadwerkelijk duurzaam gedrag kunnen vertonen, wordt namelijk in belangrijke mate bepaald door de middelen die zij tot hun beschikking hebben: 1) informatie, 2) tijd, 3) kennis, 4) vaardigheden en 5) financiële middelen.

In een situatie waarin mensen de motivatie hebben om zich duurzaam te gedragen en zij onbeperkt over deze middelen beschikken, is er in principe weinig wat het omzetten van de attitude in duurzaam gedrag in de weg staat. Deze kloof tussen algemeen milieubesef en gedrag zien we ook terug bij duurzaamheidsinvesteringen in woningen: deze blijken vooral praktisch gemotiveerd te zijn; nog geen 10% doet dit primair voor het milieu (Kullberg en Ras 2019). Wellicht neemt deze drijfveer in de loop der tijd, naarmate milieu- en klimaateffecten van menselijk gedrag meer zichtbaar en voelbaar worden, in belang toe. In dit onderzoek vroegen we respondenten naar specifieke drijfveren voor concrete gedragingen en verbreedden hierbij het milieubesef naar het besef van de invloed van gedrag op milieu én klimaat. We onderscheidden daarbij enerzijds attitudes ten opzichte van het isoleren van de woning en anderzijds ten opzichte van het plaatsen van zonnepanelen op het dak van de eigen woning. 3.1

Wetenschappelijke kennis over drijfveren en belemmeringen

Sinds de jaren negentig is uitgebreid onderzoek gedaan naar specifieke drijfveren en ervaren belemmeringen van bewoners in de context van woningverduurzaming. Drijfveren van burgers om energiebesparende maatregelen te nemen zijn verwachtingen over geldbesparing, verbetering van comfort in huis, een beter milieu of een combinatie hiervan (o.a. Lindenberg en Steg 2007; Tigchelaar en Leidelmeijer 2013). Bij de overwegingen om te gaan isoleren spelen financiële overwegingen een belangrijke rol, zoals de terugverdientijd van de investering en de verwachte waardevermeerdering van de woning. Toch zijn er ook nietfinanciële argumenten zoals de verwachte verbeteringen van het warmtecomfort en het tegengaan van tocht- en condensatieproblemen (Wilson et al. 2015). Milieuoverwegingen 35

bevorderende en belemmerende factoren bij woningverduurzaming

komen, na financiële en comfortredenen, naar voren als een belangrijke drijfveer voor isolatie c.q. energie-efficiënt gedrag (bv. Caird et al. 2008; abf 2019). Uit de drijfveren valt te leren waar aanknopingspunten zitten voor beleidsopties. De ervaren belemmeringen geven zicht op behoeften die er leven en welke beleidsmaatregelen of randvoorwaarden nodig zijn om die belemmeringen weg te nemen. Bij barrières voor energie-efficiëntiemaatregelen zien we zowel in de economische als psychologische literatuur het onderscheid tussen financiële en andersoortige redenen terug. Geen geld hebben voor de investering ligt voor de hand als belangrijke financiële hindernis om maatregelen te treffen, maar ook onzekerheid of de investering zich zal terugverdienen en een aversie tegen lenen werken belemmerend (Wilson et al. 2015; Friege en Chappin 2014). Andersoortige barrières liggen op het vlak van informatie (gebrekkige informatie over maatregelen, weinig inzicht in energiekosten, onzekerheid over betrouwbaarheid leverancier en kostenbesparing) en besluitvorming (lastige, complexe en onomkeerbare beslissingen, opzien tegen ‘gedoe’) (o.a. Ebrahimigharehbaghi et al. 2019). Gedragsmatige mechanismen dragen bij aan de zogenoemde energie-efficiency gap, zoals de neiging van mensen om acties vooruit te schuiven, om naar simpele oplossingen te grijpen waarbij men zich goed voelt (bv.

vasthouden aan gewoontegedrag, nabootsgedrag) en om gevolgen van gedrag in de verre toekomst te onderschatten (Hafner et al. 2019). Een ander type gedrag c.q. besluitvorming heeft betrekking op de adoptie van ‘nieuwe’ energietechnologie. Diverse reviews geven zicht op de redenen waarom mensen al dan niet voor een nieuwe technologie kiezen (Murto 2019; Ameli en Brandt 2015; Kastner en Stern 2015; Dato 2018). Er leven bij bewoners zowel positieve als negatieve attitudes in relatie tot de adoptie van hernieuwbare-energiesystemen. Deze kunnen worden gecategoriseerd naar de thema’s financiën, milieu, leveringszekerheid, vertrouwen en onzekerheid en tenslotte ongemak en impact op het wonen (Balcombe et al. 2013). Dergelijke attitudes zien we ook terug bij woningeigenaren in het denken over de omslag naar aardgasvrij wonen; zo vinden zij het lastig een alternatieve technologie te kiezen en hebben ze ook weinig vertrouwen in beschikbare alternatieven (Scholte et al. 2020). 3.2

Aanpak

Om zicht te krijgen op factoren die woningverduurzaming bevorderen of belemmeren, hebben we in de vragenlijst per type maatregel en per situatie voor adoptiestatus (hiervoor gepresenteerd in § 2.3) een serie voorgestructureerde antwoorden voorgelegd met een open antwoordoptie ‘anders namelijk’.1 Woningeigenaren is gevraagd naar redenen die hen er (vooralsnog) van weerhouden om de woningverduurzaming aan te pakken. Maar ook naar de drijfveren van hen die al maatregelen hebben genomen of die zeggen dit nog te willen gaan doen. De routing in de vragenlijst zorgde ervoor dat de woningeigenaren die de maatregel al dan niet hebben genomen of willen nemen (gelabeld als de clusters ‘heeft geïsoleerd/zonnepanelen’, ‘wil isoleren/zonnepanelen’, ‘wil niet’ en ‘wil nog niet’)2 zijn bevraagd over drijfveren c.q. belemmeringen. Dit levert acht subgroepen in de populatie en bijbehorende argumenten op. Men werd gevraagd naar de belangrijkste redenen, maar 36

bevorderende en belemmerende factoren bij woningverduurzaming

niet gedwongen om een keus te maken uit de aangereikte antwoorden. Men mocht dus steeds meerdere redenen aanvinken, maar bij twee of meer redenen werd gevraagd welke de belangrijkste was. We rapporteren in dit hoofdstuk de reden die de respondent als enige of als belangrijkste aanmerkte, dus één reden per persoon. We publiceerden eerder alle door respondenten genoemde redenen (Steenbekkers et al. 2021) en hebben deze op een rijtje gezet in tabel B.3. Waar deze analyse andere uitkomsten laat zien, vermelden we dit in de tekst. We beschrijven hier eerst nog de antwoordopties die we de respondenten aanreikten en die bevorderende en belemmerende factoren vertegenwoordigen. De milieuattitude is alleen als drijfveer meegenomen (‘goed voor milieu en klimaat’). Hulpbronnen zoals tijd, geld, moeite, kennis, vaardigheden zijn factoren die zowel een belemmering als drijfveer voor woningverduurzaming kunnen zijn. De betaalbaarheid van woningverduurzaming is in het maatschappelijke, wetenschappelijke en politieke debat al enige tijd prominent aanwezig. Het financiële argument is als bevorderende factor opgenomen in twee stellingen over de investering (‘goede investering (meer rendement dan spaarrekening)’ en over de baten (‘besparen op energierekening’).

Als belemmeringen zijn financiële overwegingen in twee items voorgelegd, namelijk rond verwachtingen over de kosten (‘zullen te hoog zijn’) en de verwachte baten van de investering (‘levert me niet genoeg op’). Vanuit de beleving van consumenten zijn naast financiën ook andere hulpbronnen relevant, voornamelijk in de sfeer van belemmeringen. Dit is meegenomen in de volgende items over tijd (‘kost me veel tijd om te regelen’ en ‘nog niet in verdiept’), over kennis/vaardigheden (‘ingewikkeld om te regelen’). Een item op het grensvlak van financiën en onzekerheid/vertrouwen is verwoord als ‘de verwachting dat oplossingen in de toekomst goedkoper en/of beter zullen worden’. Andere items rond onzekerheid die eveneens belemmerend kunnen werken, zijn gerelateerd aan de wooncontext, enerzijds in de persoonlijke sfeer (‘weet niet hoelang ik nog in deze woning woon’) en/of institutionele sfeer (‘verwacht dat niet iedereen in mijn woongebouw wil meewerken’). Omdat we in dit onderzoek woningverduurzaming benaderen vanuit sociaalpsychologisch perspectief, hebben we tot slot enkele argumenten uit de sociale context toegevoegd. Vanuit de innovatieadoptietheorie (Rogers 1995; Nygrén et al. 2015) weten we dat een kleine groep de neiging heeft voorop te lopen, een grote groep vanzelf volgt en ten slotte een kleinere groep de neiging heeft achter te blijven.

Via een aantal items hebben we dit fenomeen in argumenten proberen te vangen, met als drijfveren ‘ik wil graag vooroplopen’, ‘ik ben enthousiast door ervaringen van anderen’, en als belemmeringen ‘ik wil eerst zien hoe het bij anderen werkt’ en ‘ik heb me er nog niet in verdiept’. Het argument dat men zich nog niet in woningverduurzaming verdiept heeft, heeft klaarblijkelijk verschillende kanten; het kan te maken hebben met tijdgebrek, met gebrek aan kennis en vaardigheden, maar ook met de neiging om af te wachten. Feitelijk gaat het in dit hoofdstuk om kwalitatieve informatie die we op een kwantitatieve manier benaderen. Om recht te doen aan het kwalitatieve karakter, en ook argumenten mee te nemen die aanvullend zijn op de aangereikte argumenten, is in de vragenlijst aan 37

bevorderende en belemmerende factoren bij woningverduurzaming

elke reeks drijfveren en belemmeringen de open antwoordcategorie ‘anders’ toegevoegd, wat ruimte bood om in eigen bewoordingen eigen argumenten aan te dragen. Deze zullen we dan ook expliciet behandelen. 3.3

Drijfveren voor na-isolatie

Aan degenen die aangaven de woningisolatie te hebben verbeterd en aan de woningeigenaren die zeggen dat nog te willen doen is gevraagd wat hun drijfveren toen waren c.q. nu zijn. We bespreken alleen de redenen die voor elk van de woningeigenaren de belangrijkste is (geweest). In tabel B.3 staan alle afzonderlijke redenen vermeld en de frequentieverdeling waarmee deze werden aangevinkt. We beschrijven hieronder alleen de belangrijkste argumenten, eerst van beide groepen afzonderlijk en daarna vergelijken we de groepen onderling. Van degenen die de isolatie al hebben verbeterd noemde ongeveer een op de drie woningeigenaren als belangrijkste beweegreden (zie figuur 3.1) de besparing op de energierekening (36%) of het warmtecomfort (33%) of het aan comfort gerelateerde tocht (9%). De groep die het milieu (13%) als belangrijkste reden aanvoert, is aanzienlijk kleiner. Dat verschil zien we ook als we kijken naar de frequentieverdeling van alle afzonderlijk genoemde redenen: 71% vinkt kostenbesparing aan, 63% warmtecomfort en 40% het milieuargument (zie bijlage B.3; reeds gepubliceerd in Steenbekkers et al. 2021). Dit beeld strookt met eerdere bevindingen (Van Raaij en Verhallen 1986; Tigchelaar en Leidelmeijer 2013: 116; Zundel en Stieß 2011).

Klöckner en Nayum (2016) vonden als belangrijkste drijfveren voor isolatie (in de fase dat men nog niet voor een concrete beslissing staat) de verwachtingen van een verbetering in comfort en woonomstandigheden en een reductie van energiekosten. Onder de woonomstandigheden valt de kwaliteit van het binnenmilieu, waaronder alle overige genoemde redenen die in onze vragenlijst apart benoemd zijn (vocht of schimmel, geluid). De open vragen boden ruimte voor eigen argumenten (benut door 37 respondenten uit 429). Bijna de helft meldt dat isolatiemaatregelen werden meegenomen bij een reguliere verbouwing, uitbreiding van de woning of het oplossen van een specifiek bouwkundig probleem. De belangrijke rol van verbouwingen vinden we ook terug in de literatuur (Schalkwijk 2018). Een verbouwing is misschien een aanleiding om meteen ook te isoleren, maar het kan evengoed dat men bewust kiest voor een praktische aanpak door het combineren van doelen (Zundel en Stieß 2011). Het warmtecomfort-argument, dat ook als voorgestructureerd antwoord vaak werd benut, wordt door tien respondenten nog eens extra aangezet, waarbij men driemaal expliciet het voordeel van een aangenamere vloer noemt.

38

bevorderende en belemmerende factoren bij woningverduurzaming

Figuur 3.1 Milieuargument bij isolatie ondergeschikt aan kostenargumenten Frequenties belangrijkste drijfveera bij het kiezen voor verbetering van de woningisolatieb (in procenten, gewogen cijfers) 36

besparen op energierekening

48 33

woning beter warm in de winter

13 13

goed voor milieu en klimaat

22 9

koude tocht verminderen

9

4

andere redenen

3 3 3

vocht en schimmelproblemen verminderen

1

geluidshinder verminderen

2

enthousiast door ervaringen van anderen

0

wil graag hierin voorop lopen

scp.nl

1

0

10

20

30

40

50

60

heeft isolatie verbeterd (n = 429) wil isolatie verbeteren (n = 367)

a

b

Stellingen: Om te besparen op mijn energierekening; Om mijn woning beter warm te kunnen krijgen in de winter; Het is goed voor milieu en klimaat; Om koude tocht te verminderen; andere redenen; Om vocht en schimmelproblemen te verminderen; Om geluidshinder te verminderen; Ben enthousiast door ervaring van anderen; Ik wil hier graag in voorop lopen. Voorgelegd aan subgroepen die positief reageerden op de stelling ‘Ik heb (mijn huishouden heeft) de woningisolatie verbeterd door het (laten) aanbrengen van vloer-, spouwmuur- of dakisolatie’ of op de vraag ‘Zou u de woningisolatie willen verbeteren?’

Bron: scp (vet’19)

Wat zijn de argumenten in de groep die de isolatie nog wil verbeteren en dus nog voor een verbeterslag staat? Besparen op de energierekening wordt veruit het vaakst (door 48%) als belangrijkste reden genoemd. Op afstand volgen de argumenten dat het goed is voor milieu en klimaat (22%), voor het warmtecomfort (13%) en tegen tocht (9%). 39

bevorderende en belemmerende factoren bij woningverduurzaming

In open beantwoording noemt men concreet te hopen het warmtecomfort van de begane grondvloer te verbeteren (spontaan genoemd door drie van de dertien respondenten). Het voorkómen van binnenmilieuproblemen zoals vocht, schimmel en geluidhinder spelen in beide groepen een beperkte rol. De rol van social promotion (dat men via het sociale netwerk enthousiast wordt gemaakt) of social comparison (dat men zich vergelijkt met anderen, bv. door voorop te lopen) blijkt bij isolatie geen rol te spelen. Aanvullende argumenten zijn er niet geleverd. Wel melden vijf eigenaren (uit dertien open antwoorden) afhankelijk te zijn van de VvE, wat kennelijk voor onzekerheid zorgt of de intentie wel zal worden gerealiseerd. Uit vergelijking van beide groepen blijkt dat de drie belangrijkste argumenten in beide groepen een heel verschillend gewicht hebben. Het beeld ontstaat dat het milieu- en het bespaarargument belangrijker zijn wanneer men de isolatiemaatregel nog voor de boeg heeft dan wanneer deze gerealiseerd is. Omgekeerd lijkt comfortverbetering vaak vooral achteraf, na isolatie, als meerwaarde van isolatie te worden gezien zodra dit effect van isolatie aan den lijve wordt ervaren. Het lijkt dus zinvol om in de promotie van isolerende maatregelen naast het belang van isolatie voor energiebesparing ook de comfortverbetering als meerwaarde aan te prijzen. 3.4

Belemmeringen voor woningisolatie

We kijken eerst naar factoren die maken dat woningeigenaren (nog) niet willen isoleren, we nemen van elke persoon alleen het belangrijkste argument mee. We beschrijven ten eerste de argumenten van de groep die niet wil isoleren, en de groep die het wel wil doen maar nog even afwacht. Daarna vergelijken we de argumenten van beide groepen. De frequentieverdelingen van alle afzonderlijke redenen die zijn gerapporteerd, staan eveneens weergegeven in tabel B.3. Bijna de helft van de respondenten die niet willen isoleren, gaf aan dat de woning al goed geïsoleerd is (figuur 3.2). Dit betreft dus feitelijk geen belemmering, maar een rationele overweging. Voor ongeveer een op de zes respondenten is er het argument dat de bewoner niet weet hoelang hij/zij nog in de woning woont; dat kan te maken hebben met bijvoorbeeld een hoge leeftijd van de bewoners (‘op mijn leeftijd maak ik mij daar geen zorgen over’), met een verandering van de gezinssamenstelling (bv. een geboorte of scheiding), of met al concrete verhuisplannen.

Uit de open antwoorden blijkt dat dit argument (‘ik weet niet hoelang ik nog in deze woning blijf wonen’) feitelijk ook een financieel argument is, zoals geïllustreerd met deze uitspraak: ‘Ik heb een berekening laten maken en voordat dit geld oplevert verwacht ik al verhuisd te zijn.’ Een ander belangrijk argument bij een op de tien is dat de kosten te hoog worden bevonden, en een kleinere groep vindt dat het onvoldoende oplevert. Een aanzienlijk aantal respondenten (50 uit 433) kwam met andere redenen om niet te willen isoleren dan de argumenten die al in de vragenlijst werden aangeboden. Bij bepaalde woningtypen zoals woonboten en monumenten acht men isoleren vrijwel ondoenlijk, evenals bij woningen zonder spouwmuur (zes keer genoemd). Ook wordt geredeneerd dat 40

bevorderende en belemmerende factoren bij woningverduurzaming

isolatie bij flat- of tussenwoningen onnodig zou zijn, omdat de woning ingebouwd is. In geval van appartementen noemt men wel als belemmering dat men hooguit kan instemmen met een initiatief van de VvE en dat samenwerking met de woningbouwvereniging nodig is. Ook risico’s voor de gezondheid en het binnenmilieu werden door enkele respondenten genoemd als reden om van isoleren af te zien (‘Ik krijg gauw hoofdpijn in geïsoleerde woningen. Houd van frisse lucht’). Een enkeling verwijst naar de praktische kant (‘geeft een troep’) of ziet de noodzaak van isoleren verdwijnen door klimaatverandering: ‘Gezien de steeds minder lange strenge winters en minder lage temperaturen zie ik geen voordeel.’ Welke belemmerende factoren zijn er in het spel bij woningeigenaren die wel willen isoleren, maar het nog niet gedaan hebben? De mensen die een afwachtende houding blijken te hebben, brengen daarvoor vooral een financieel argument in, namelijk dat de kosten te hoog zijn. Opvallend is dat een op de vijf respondenten als belangrijkste reden noemt zich hierin nog niet te hebben verdiept. Daaruit blijkt dat er nog een aanzienlijke groep is die geen urgentie voelt om te investeren in isolatie.

Bij de groep bereidwilligen (ofwel voluntary adopters) zijn er verder nog als argumenten de verwachting niet lang meer in de woning te blijven wonen (14%) of de verwachting dat oplossingen in de toekomst goedkoper en beter zullen worden (9%). Ook hier worden diverse alternatieve redenen aangevoerd (door 61 respondenten uit 369) waarom ze nog geen na-isolatie hebben toegepast, buiten de argumenten die in de vragenlijst werden aangereikt. Een deel van de respondenten is zich aan het voorbereiden door te sparen, informatie of advies in te winnen of plannen te maken. Een respondent zegt: ‘Staat op het programma, stap voor stap.’ Zo’n vijftien respondenten ervaren een financiële barrière: ze hebben er geen geld voor of ze hebben het geld voor andere zaken/ werkzaamheden nodig; of ze vinden de kosten te hoog en niet in verhouding staan tot de baten in de sfeer van comfortwinst. ‘Onduidelijk hoeveel extra comfort dit oplevert.’ Qua effectiviteit verwacht men weinig resultaat of is er onduidelijkheid of er comfortwinst te bereiken valt. Ook houden slechte ervaringen (in vorige woning of van anderen) sommigen tegen, blijkens bijvoorbeeld ‘zeer slechte ervaring met spouwisolatie bij vorig huis’ (zie ook Steenbekkers en Scholte 2019). Verder melden vier respondenten dat de informatievoorziening tekortschiet: men vindt de informatie tegenstrijdig, onduidelijk en vaak ontbreekt die ook.

Ten slotte zijn er opmerkingen over de praktische haalbaarheid van isolatie die ook door de andere groep al werden genoemd: bijvoorbeeld als de spouwmuur niet geschikt blijkt te zijn voor isolatie en als men afhankelijk is van besluitvorming in het VvEcollectief. Ook bij het bevragen van de redenen waarom men niet de isolatie verbetert, zien we een verschil tussen de argumenten van degenen die reeds besloten hebben niet te isoleren en de groep die wel de intentie heeft maar nog niet in actie is gekomen (zie figuur 3.2).

41

bevorderende en belemmerende factoren bij woningverduurzaming

Figuur 3.2 Ervaren belemmeringen voor na-isolatie verschillend voor weigerachtige en bereidwillige woningeigenaren Frequenties belangrijkste belemmeringa bij het kiezen voor verbetering van de woningisolatieb (in procenten, gewogen cijfers) 47

woningisolatie al goed genoeg

n.v.t.

weet niet hoe lang nog in woning

14 10

andere redenen

16 9

kosten te hoog levert mij niet genoeg op

16

27

6

0 5

me nog niet erin verdiept

21

2

opzien tegen de werkzaamheden

5

oplossingen in toekomst goedkoper/beter

2

niet iedereen in woongebouw wil meewerken

2 3

9

1 1

kost te veel tijd dit te regelen

1

eerst zien bij anderen

0

2 scp.nl

ingewikkeld om te regelen

2

0

10

20

30

40

50

60

wil isolatie niet verbeteren (n = 433) wil isolatie wel verbeteren (n = 369)

a

Stellingen: Ik vind mijn woningisolatie al goed genoeg; Ik weet niet hoe lang ik nog in deze woning blijf wonen; andere redenen; Ik verwacht dat de kosten te hoog zullen zijn; Ik denk dat dit mij niet genoeg oplevert; Ik heb me hier nog niet in verdiept; Ik zie op tegen de werkzaamheden; Ik verwacht dat isolatieoplossingen in de toekomst goedkoper en/of beter zullen worden; Ik verwacht dat niet iedereen in mijn woongebouw wil meewerken (uitsluitend voor bewoners van appartementen/flats); Het kost me te veel tijd dit te regelen; Ik wil graag eerst zien hoe het bij anderen werkt; Ik vind het ingewikkeld om dit te regelen.

42

bevorderende en belemmerende factoren bij woningverduurzaming

b

Voorgelegd aan subgroepen die negatief reageerden op de stelling ‘Ik heb (mijn huishouden heeft) de woningisolatie verbeterd door het (laten) aanbrengen van vloer-, spouwmuur- of dakisolatie’ of op de vraag ‘Zou u de woningisolatie willen verbeteren?’

Bron: scp (vet’19)

Het is begrijpelijk dat een groot deel van de groep de isolatie niet wil aanpakken, omdat de woningisolatie al goed genoeg is. Dat argument ligt in lijn der verwachting voor een respondent die in een woning met een groen energielabel (A of B) woont. Maar in ongeveer een op de drie gevallen is dat niet het geval en heeft de woning van de respondent die dit antwoord geeft een definitief oranje energielabel (C, D of E); in 5% van de gevallen heeft de woning zelfs een slecht definitief energielabel (F, G) met code rood (De Groot en Ryszka 2019), waardoor je zou verwachten dat de isolatie nog sterk verbeterd kan worden. Meer in het algemeen blijkt dat huishoudens niet goed bekend zijn met de energiezuinigheid van hun woning: 43% van hen kent het energielabel van de eigen woning niet (Van Gaalen et al. 2019). De daarna belangrijkste argumenten voor deze groep die de isolatie niet wil verbeteren zijn dat men niet weet hoelang men nog in de woning woont, dat de kosten te hoog zijn en dat de investering niet genoeg oplevert.

Uit de open antwoorden blijkt dat het argument ‘ik weet niet hoelang ik nog in deze woning blijf wonen’ feitelijk ook een financieel argument is, zoals geïllustreerd met deze uitspraak: ‘Ik heb een berekening laten maken en voordat dit geld oplevert verwacht ik al verhuisd te zijn.’ Het zijn dus vooral financiële redenen waarom woningeigenaren niet willen overgaan tot isoleren. Want ook voor ruim een derde deel van de groep eigenaren die het isoleren voor zich uit schuift, zijn de kosten veruit het belangrijkste argument en de verwachting dat het in de toekomst goedkoper en beter kan. Deze groep gebruikt dus uiterst rationele argumenten om in de achterhoede van de energietransitie te blijven. Daarnaast is er een segment (20%) dat zich er nog niet in heeft verdiept, wat ook een uiting kan zijn van een afwachtende houding. Bij deze groep is er wel de intentie om te isoleren, dus hier ligt een opening om deze groep proactief te informeren over de opties, geschikte momenten en voordelen van woningverduurzaming en de gevoelde barrières weg te nemen. Bij een afwachtende houding hoort ook dat men wil leren van ervaringen van anderen; de groep die dit argument belangrijk vindt, is marginaal.

Praktische beslommeringen die vaak met het verduurzamen van de woning gepaard gaan (het geregel, wat vaak lastig is en tijd kost of de onrust en rommel in huis) blijken in dit onderzoek een weinig naar voren gebracht argument in het voor zich uitschuiven van de woningverduurzaming. 3.5

Drijfveren voor zonnepanelen

We bekijken hier de belangrijkste redenen die elke woningeigenaar aangaf voor het eerder hebben geplaatst of het nog willen plaatsen van zonnepanelen. Opnieuw beschrijven we hier de resultaten op basis van de belangrijkste reden die elke respondent aanvoerde

43

bevorderende en belemmerende factoren bij woningverduurzaming

(figuur 3.3). De frequentieverdelingen van elke afzonderlijke reden staat weergegeven in tabel B.3. In dit onderzoek blijken financiële argumenten voor woningeigenaren in beide groepen (zowel de doeners als de ‘bereidwilligen’ ofwel voluntary adopters) het belangrijkst te zijn, vooral de besparing op de energierekening (43% resp. 52%) wordt het vaakst als belangrijke reden genoemd, maar in mindere mate ook het rendement op de investering (22% resp. 9%). Het milieuargument komt op de tweede plek als belangrijkste argument (31% resp. 36%). In de frequentieverdeling van alle afzonderlijk genoemde redenen is het verschil tussen milieu en financiële argumenten echter minder groot: 76% vinkt kostenbesparing aan en 67% het milieuargument (zie tabel B.3). Figuur 3.3 Kosten belangrijker dan milieu als reden om te kiezen voor zonnepanelen Frequenties belangrijkste drijfveera bij het kiezen voor de investering in zonnepanelenb (in procenten, gewogen cijfers) 43

besparen op energierekening

52 31

goed voor milieu en klimaat

36 22

betere investering dan spaarrekening

9 3

andere redenen

2

1 1

enthousiast door ervaringen van anderen

1 0 scp.nl

wil hierin graag voorop lopen

0

10

20

30

40

50

60

heeft zonnepanelen geplaatst (n = 339) wil zonnepanelen plaatsen (n = 537)

a

b

Stellingen: Om te besparen op mijn energierekening; Het is goed voor milieu en klimaat; Het is een goede investering (meer rendement dan op een spaarrekening); andere redenen; Ik ben enthousiast geworden door ervaringen van buren, familie of vrienden; Ik wil hier graag in vooroplopen. Voorgelegd aan subgroepen die positief reageerden op de stelling ‘Ik heb (mijn huishouden heeft) zonnepanelen laten aanbrengen op de woning’ of op de vraag ‘Zou u zonnepanelen willen (laten) plaatsen op de woning?’

Bron: scp (vet’19)

44

bevorderende en belemmerende factoren bij woningverduurzaming

Opvallend is dat degenen die nog willen overgaan tot de aanschaf iets meer belang lijken te hechten aan de besparing op de energierekening en het milieu dan degenen die de aanschaf al hebben gedaan. Deze laatsten vinden het rendement weer belangrijker, maar dat kan ingegeven zijn door de ervaring dat de daadwerkelijke besparing op de energielasten zorgt voor een overzichtelijke terugverdientijd. Dit sluit aan bij een review van de wetenschappelijke literatuur naar de adoptie van hernieuwbare-energiesystemen, waaruit bleek dat het milieuargument en het kostenargument beide een belangrijke motivatie vormen om een hernieuwbare-energiesysteem, zoals zonnepanelen, te installeren (Balcombe et al. 2013). Uit de zelf aangedragen argumenten (14 uit 339) door respondenten die al zonnepanelen hebben aangeschaft, valt op dat (plotselinge) beschikbaarheid van budget de belangrijkste reden is; door drie respondenten (uit veertien) is bijvoorbeeld specifiek verwezen naar geld ter compensatie van de aardbevingsschade (Groningen). Voor anderen is het belangrijkste argument dat de aanschaf in collectief verband wordt gedaan; éénmaal wordt specifiek verwezen naar een uitnodiging van de provincie om mee te doen aan een collectieve aanbesteding. Tot slot zijn er enkele respondenten voor wie in de motivatie expliciet het belang van toekomstige generaties vooropstaat en het onafhankelijk c.q.

zelfvoorzienend willen zijn, om extra stroomverbruik door de zonneboiler of voor het opladen van de elektrische auto op te vangen. Slechts enkele aanvullende redenen zijn genoemd in de groep die nog zonnepanelen wil gaan plaatsen (11 uit 537). Enkele respondenten geven aan dat het hen zuiver gaat om het meedoen in deze transitie. Een respondent wil zo het elektriciteitsnet ontlasten. Voor enkele eigenaren is het belangrijk onafhankelijk te zijn. Praktische redenen zijn verder dat men zelf energie wil opwekken voor de elektrische auto of de warmtepomp. En een persoon veronderstelt dat zonnepanelen het dak koelen en zo ook de woning koel houden. Vergelijking van de groepen op de belangrijkste drie argumenten laat eenzelfde beeld zien als bij isolatie: het milieu- en bespaarargument wordt iets vaker als belangrijkste reden aangemerkt door de groep die de maatregel nog wil nemen. En omgekeerd: degenen die de zonnepanelen hebben aangeschaft, zien vaker de goede investering als belangrijkste argument. Dit verschil zien we ook terug in de frequentie waarmee dit investeringsargument is aangevinkt (terwijl men meer redenen kan aanvinken): in de groep met zonnepanelen doet ruim 50% dit, in de andere groep is het 30%.

Wellicht durven woningeigenaren die nog geen ervaring hebben opgedaan met zonnepanelen er niet op te vertrouwen dat de eigen stroomproductie maakt dat de investering zich op zijn minst terugverdient. En ook speelt bij dit verschil tussen beide groepen wellicht mee dat de woningeigenaren die nog voor de investering staan, vooral de kostenkant scherp hebben en een vaag idee van de opbrengst, terwijl de zonnepaneelbezitters op dagelijkse basis de opbrengst (kunnen) zien en de investering minder scherp op het netvlies hebben.

45

bevorderende en belemmerende factoren bij woningverduurzaming

3.6

Belemmeringen voor zonnepanelen

Net zoals bij isolatie zijn er legio redenen waarom eigenaar-bewoners hebben besloten geen zonnepanelen te willen c.q. nog geen zonnepanelen hebben geplaatst. We beschrijven hieronder eerst de belangrijkste argumenten van beide groepen en vergelijken deze groepen daarna. De frequentieverdelingen van alle afzonderlijke redenen die zijn gerapporteerd, staan eveneens weergegeven in tabel B.3. We focussen eerst op de groep die geen zonnepanelen wil (figuur 3.4). Hun hoofdredenen zijn dat de bewoner niet weet hoelang deze nog in de woning zal wonen (circa één op de vier), dat het dak ongeschikt is (circa één op de vijf) en dat de kosten te hoog zijn en de investering niet genoeg oplevert (beide circa één op de tien). Ook hier spelen praktische en financiële redenen de hoofdrol. Een flink aantal respondenten heeft aanvullende redenen aangevoerd (129 uit 597). Daaruit blijkt dat het antwoord ‘ik weet niet hoelang ik nog in deze woning woon’ vaak terugkomt bij reacties over een voorgenomen verhuizing.

Maar ook veel opmerkingen over het op leeftijd zijn (22 keer) gaan impliciet over onzekerheid over de woonduur, zoals hier geïllustreerd: ‘Gezien onze leeftijd duurt het te lang eer wij er profijt van krijgen.’ In beide gevallen (opmerking over leeftijd, verhuizen) zegt dit vooral dat een eventuele investering in de woning met het oog op de korte of onzekere woonduur niet verstandig wordt gevonden. Veel opmerkingen gaan over het rendement van de investering (29 keer) of eigenlijk het gebrek daaraan, bijvoorbeeld bij een laag energieverbruik (zuinig zijn, alleen wonen, veel van huis zijn) of een ongunstige situering van het dak of de woning als geheel. Veel respondenten (33 keer) stellen dat zonnepanelen geen optie zijn, opnieuw vanwege een ongeschikt dak, maar bijvoorbeeld ook als ze in een woongebouw wonen en de VvE nodig hebben. Ook wordt in dit verband enkele keren genoemd dat zonnepanelen niet mogelijk zijn in geval van een monument of beschermd dorps- of stadsgezicht. Maar ook bij ‘gewone’ woningen of wijken wordt het toepassen van zonnepanelen lelijk gevonden (vijftien keer). Eveneens vijftien personen geven aan dat er (ten tijde van de beantwoording van de vraag) geen momentum is om verduurzaming op te pakken, bijvoorbeeld omdat een verhuizing voor de deur staat. Opvallend is dat vrijwel alle aanstaande verhuizers vermelden dat hun toekomstige woning al verduurzaamd is.

Hieruit zou je wellicht kunnen afleiden dat woningeigenaren liever doorverhuizen naar een verduurzaamde woning dan zelf de ingrepen te doen. Bij acht personen is de perceptie van (of wellicht angst voor) risico’s van zonnepanelen op het dak (lekkage, brandgevaar, blikseminslag) een belemmerende factor om voor zonnepanelen te kiezen. Ten slotte wordt er nog gewezen op de ervaren onzekerheid door veranderlijk beleid (vijf keer), bijvoorbeeld geïllustreerd met dit citaat: ‘De overheid moet meer zekerheid bieden en niet steeds de regels aanscherpen.’ Zoals eerder ook opgemerkt door Vringer et al. (2014) heeft het overheidsbeleid waarschijnlijk ook bijgedragen aan een traag verduurzamingsproces. Nibud vindt dat de woningeigenaren die niet van plan waren te verduurzamen als belangrijkste motief hebben dat ze niet weten welke financiële regelin-

46

bevorderende en belemmerende factoren bij woningverduurzaming

gen de overheid in petto heeft (Van Gaalen et al. 2019). Dus onzekerheid over de betrouwbaarheid van het beleid zou ook kunnen worden gezien als belemmerende factor. Wat houdt de groep woningeigenaren tegen die wel wil investeren in de aanschaf van zonnepanelen, maar het nog niet heeft gedaan? Wederom lijken de financiële redenen voorop te staan als belangrijkste reden (figuur 3.4). Ruim één op de vijf respondenten schat de kosten hoog in en bijna één op de vijf verwacht dat deze in de toekomst zullen dalen. Ruim één op de tien ziet een belemmering in onzekerheid over de woonduur; zoals we eerder zagen, is de redenatie veelal dat bij een korte woonduur de investering niet loont. Naast deze financiële redenen ziet ook deze groep een praktische belemmering in een ongeschikt dak, maar desondanks is de intentie overeind gebleven. Bijna 10% heeft zich er nog niet in verdiept. Ook in deze groep is ruim gebruikgemaakt van de open antwoordencategorie (100 uit 537). Deze reflecteren in grote lijnen dezelfde typen antwoorden als hierboven benoemd voor de groep die helemaal niet wil investeren in zonnepanelen. Wel is er een verschil in gewicht van de argumenten, gezien het verschil in het aantal keren dat een argument in deze groep genoemd wordt. De grootste groep (32 keer) denk dat het niet lukt in de specifieke situatie van de woning of heeft er vraagtekens bij.

Een flinke groep (27 keer) heeft concrete plannen voor de toekomst of is er zelfs al mee bezig (elf keer). Een nieuw element ten opzichte van de vorige groep is het argument dat men rekening moet houden met anderen (zeventien keer), bijvoorbeeld met VvE, met buren of met een partner. De opmerking ‘ben niet de enige die beslist’ illustreert dit. Net als in vorige groep zijn er vijftien respondenten die het niet het juiste moment vinden om hierover te besluiten. De groep die het rendement van de investering als argument noemen, is hier veel kleiner (elf keer) dan in de bovenbeschreven groep. Verder geven zes respondenten aan zonnepanelen op het dak lelijk te vinden (twee keer moeten ze rekening houden met een partner die zonnepanelen lelijk vindt). Het leeftijdsargument wordt in deze groep maar vier keer genoemd.

47

bevorderende en belemmerende factoren bij woningverduurzaming

Figuur 3.4 Kosten belangrijk bij inertie t.a.v. de adoptie van zonnepanelen Frequenties belangrijkste belemmeringa bij het kiezen voor investering in zonnepanelenb (in procenten, gewogen cijfers) 23

weet niet hoe lang nog in woning

11 19

andere redenen

17 18

dak ongeschikt

13 12

kosten te hoog levert mij niet genoeg op

22

9

0 7

zonnepanelen in toekomst goedkoper/beter

18

5

me nog niet erin verdiept

9 3

niet iedereen in woongebouw wil meewerken

4 1 1 1

kost te veel tijd dit te regelen

1

ingewikkeld om te regelen

0

3 2

scp.nl

eerst zien bij anderen

10

20

30

40

50

60

wil geen zonnepanelen (n = 597) wil zonnepanelen plaatsen (n = 537)

a

b

Stellingen: Ik weet niet hoelang ik nog in deze woning blijf wonen; andere redenen; Mijn dak is niet geschikt voor zonnepanelen; Ik verwacht dat de kosten te hoog zullen zijn; Ik denk dat dit mij niet genoeg oplevert; Ik verwacht dat zonnepanelen in de toekomst goedkoper en/of beter zullen worden; Ik heb me hier nog niet in verdiept; (bij flat of appartement:) Ik verwacht dat niet iedereen in mijn woongebouw wil meewerken; Ik wil graag eerst zien hoe het bij anderen werkt; Het kost me te veel tijd dit te regelen; Ik vind het ingewikkeld om dit te regelen. Voorgelegd aan subgroepen die negatief reageerden op de stelling ‘Ik heb (mijn huishouden heeft) zonnepanelen laten aanbrengen op de woning’ of op de vraag ‘Zou u zonnepanelen willen (laten) plaatsen op de woning?’

Bron: scp (vet’19)

48

bevorderende en belemmerende factoren bij woningverduurzaming

3.7

Resumé

Als belangrijkste drijfveren voor woningverduurzaming noemt ongeveer een derde deel van de woningeigenaren de besparing op de energierekening en een derde deel noemt comfortverbetering; de groep die het milieu als belangrijkste reden aanvoert, is aanzienlijk kleiner. We zien bij de spontaan genoemde argumenten dat energiemaatregelen vaak onderdeel zijn van een reguliere verbouwing, zoals dat ook uit de literatuur bekend is. Bij zonnepanelen blijken financiële argumenten voor eigenaren het belangrijkst te zijn, de besparing op de energierekening wordt door bijna de helft als belangrijkste reden genoemd, en een kleine groep noemt daarnaast het rendement op de investering. Het milieuargument wordt door ongeveer één op de drie genoemd en komt op de tweede plek als belangrijkste argument. Spontane beantwoording laat zien dat er ook een aantal externe pushfactoren zijn, zoals het (onverwacht) beschikbaar komen van budget of het verwachte voordeel van een collectieve aanschaf. Milieu en klimaat worden weliswaar vaak als argument genoemd voor verduurzamingsmaatregelen (wanneer men meerdere antwoorden mag kiezen), maar niet zo vaak als belangrijkste reden gekozen. Het milieuargument wordt vaker bij zonnepanelen benut dan bij isolatie.

Dit geeft aan dat men energiebesparing minder associeert met de energietransitie en het tegengaan van klimaatverandering dan de opwekking van hernieuwbare energie. Onder de aangereikte argumenten blijkt voor de meesten de belangrijkste belemmering dat de kosten (vooralsnog) te hoog worden bevonden om te investeren in woningverduurzaming. Daarnaast wordt vaak genoemd dat de bewoner niet weet hoelang hij/zij nog in de woning woont. Dit kan te maken hebben met een reeds geplande verhuizing, maar ook met de levensfase (op leeftijd zijn, een wijziging in de gezinssamenstelling voorzien). Dit argument speelt vaker bij isolatie dan bij zonnepanelen. Ook is bij isolatie vaker dan bij zonnepanelen genoemd dat men zich er nog niet in heeft verdiept. Bij zonnepanelen speelt weer vaker dan bij isolatie dat men verwacht dat de maatregelen in de toekomst beter en goedkoper worden. Door degenen die wel willen verduurzamen, wordt vooral het financiële argument ingebracht, namelijk dat de kosten te hoog zijn. Opvallend is dat ruim een op de vijf van de gewillige woningeigenaars als belangrijkste reden noemt zich hierin nog niet te hebben verdiept; dit wijst erop dat een aanzienlijke groep zich nog niet heeft georiënteerd op woningverduurzaming en daar wellicht barrières bij ondervindt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=b3a0d75b-13e2-4212-9733-2166edf9ef19