Wabo Beschikking OCI
Tekst van het document
Activiteitenbesluit milieubeheer In het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn voor bepaalde activiteiten, die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, algemene regels opgenomen. Op vergunningplichtige (type C) inrichtingen kunnen bepaalde artikelen uit het Activiteitenbesluit van toepassing zijn. Dit
Blad 47 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
betekent dat bepaalde voorschriften uit het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling een rechtstreekse werking hebben en niet in de vergunning mogen worden opgenomen. In de omgevingsvergunning kan van het Activiteitenbesluit worden afgeweken voor zover dat in het Activiteitenbesluit is aangegeven. De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, wordt aangemerkt als een type-C inrichting. In de aanvraag zijn geen activiteiten opgenomen zoals genoemd in hoofdstuk 3 en/of hoofdstuk 5 van het Activiteitenbesluit. De voorschriften die in deze beschikking zijn opgenomen, zijn voorschriften voor aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling. Voor het overige is per hoofdstuk, dan wel per afdeling, aangegeven of deze op een type C inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 (Zorgplicht), 2.2 (Lozingen), 2.3 (Lucht en Geur), 2.4 (Bodem) van hoofdstuk 2, artikel 3.6 (Lozen koelwater) en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn. Gezien de rechtstreekse werking van het Activiteitenbesluit kunnen in de vergunning uitsluitend aanvullende maatwerkvoorschriften worden opgenomen ten aanzien van deze activiteiten voor zover dat in het Activiteitenbesluit is aangegeven.
Wet Basisnet / Wet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is de "Wet Basisnet" in werking getreden. De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de hoofdwegen, binnenwateren en de hoofdspoorwegen en de bebouwde omgeving. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant). Voor ruimtelijke ordening in relatie tot de transportroutes is er het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) ontstaan. Dit besluit is gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. Deze risicoplafonds zijn vastgelegd in risicoafstanden of risicozones uitgedrukt in meters vanaf de infrastructuur. Risico's voor omwonenden ontstaan niet alleen door het vervoer van gevaarlijke stoffen maar ook als er te dicht bij de infrastructuur wordt gebouwd. Het Basisnet stelt daarom ook grenzen aan de bebouwing.
Het Basisnet trekt zo langs wegen/spoorlijnen/vaarwegen een denkbeeldige streep. Risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen moeten binnen en de bebouwing moet buiten deze virtuele streep blijven.
Blad 48 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
Op een bepaalde afstand (afhankelijk van het risicoplafond op een traject) vanaf de infrastructuur mag het risico op overlijden van mensen door een ongeluk met gevaarlijke stoffen op deze infrastructuur ten hoogste één op een miljoen jaar zijn. Dit is het beschermingsniveau dat voor omwonenden is vastgelegd in het Basisnet. Binnen de tussenruimte vanaf de infrastructuur en de geldende risicoafstand kan het risico groter zijn dan één op de miljoen. In deze tussenruimte mogen geen woningen staan. De risicoplafonds zijn vastgelegd in risicoafstanden en niet in aantallen tankauto's/spoorketelwagens/schepen per stofcategorie. Dit betekent dat overschrijding van de vervoersaantallen in één of enkele stofcategorieën nog niet hoeft te betekenen dat ook de plafonds worden overschreden. Om dat te kunnen zien, moeten eerst, op basis van de vervoersaantallen, de risico's worden berekend. Daarna worden de risico's vergeleken met de risicoplafonds. Dat gebeurt elk jaar via monitoring die achteraf plaatsvindt. Het monitoren en beheersen van ruimtelijke ontwikkelingen en personendichtheden nabij het Basisnet (onder meer verantwoording groepsrisico) is een taak van de aanliggende gemeenten.
In artikel 2.34 van de Wabo is aangegeven dat de Minister van l&W, indien dat in het algemeen belang geboden is, aan het bevoegd gezag een aanwijzing kan geven om in een vergunning maatregelen op te leggen ter voorkoming van een overschrijding van één of meer vastgestelde risicoplafonds. De juridische mogelijkheden met gebruikmaking van de Wet milieubeheer of Wabo om regulerend op te treden ten aanzien van ammoniaktransporten zijn onzes inziens verder zeer beperkt, zo niet onmogelijk. Import en vervoer van ammoniak Europa is een netto-importeur van ammoniak ter grootte van circa drie miljoen ton ammoniak per jaar. De belangrijkste gebruikers van ammoniak zijn de chemische- en kunstmestindustrie. Verder wordt ammoniak en de daarvan afgeleide stof ureum gebruikt in DeNOx-installaties (katalysator) van stationaire en mobiele installaties (motoren). In Nederland zijn nog twee productielocaties voor ammoniak, één in Geleen (OCl) en één in Sluiskil (Yara). De productieinstallatie van OCl in Geleen (2 x 1.360 ton/dag) is gekoppeld aan hun terminal in Rotterdam. Het overschot aan productie van ammoniak in Geleen wordt door middel van spoorketelwagens en binnenvaartschepen vervoerd naar klanten in Europa. Bij extra vraag in de ammoniakmarkt en bij tijdelijke stops van één van de productie-installaties in Geleen springt de terminal in Rotterdam bij in de levering van ammoniak.
OCl geeft de voorkeur aan transport van ammoniak met binnenvaartschepen en heeft enkele jaren geleden hiervoor een nieuwe havenfaciliteit in Stein (Limburg) geopend. Gelet op het voorgaande concluderen wij dat de import en het vervoer van ammoniak door Nederland noodzakelijk blijft en dat tevens sprake is van een groei in de vervoershoeveelheden.
Blad 49 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
Nadere beschouwing vervoer ammoniak van OTE In de aanvraag voor revisievergunning heeft OTE per vervoersmodaliteit, afhankelijk van de gekozen variant, de maximale vervoershoeveelheden aangegeven. In het gevoerde overleg over die aanvraag tussen het ministerie van l&W, DCMR en OCl is toen vast komen te staan dat de maximale variant per vervoersmodaliteit geen aanleiding geeft tot een knelpunt ergens op het Basisnet. De bestaande hoeveelheden ammoniak dat per vrachtwagen respectievelijk per spoorketelwagen worden getransporteerd, passen zodoende binnen het Basisnet. Bij het Basisnet Water is er geen direct verband tussen de referentiehoeveelheden die zijn opgenomen in de tabel Basisnet Water (bijlage 3 van de Regeling Basisnet) en de ligging van de risicoplafonds. Het risicoplafond - dat voor alle vaarwegen zo is vastgelegd dat het plaatsgebonden risico op de oeverlijn ten hoogste de waarde 10-6 mag hebben - is dus niet gebaseerd op een berekening met de referentiehoeveelheden. De referentiehoeveelheden zijn namelijk lager dan de vervoersaantallen waarmee de berekende PR 10-6 contour op de oeverlijn zou komen te liggen. Dit geeft een zodanige inherente ruimte voor transporten dat een forse groei van het vervoer mogelijk is ten opzichte van de referentiesituatie zonder dat de plafonds worden overschreden c.q. de PR 10-6 contour op de oever komt.
Omdat het transport per spoorketelwagen het meest beperkend is en de voorliggende aanvraag uitsluitend betrekking heeft op uitbreiding van het transport over water, is er zodoende geen reden om een aanwijzing te geven op grond van artikel 2.34 van de Wabo. Conclusie Omdat de milieugevolgen van het vervoer van gevaarlijke stoffen door OTE gereguleerd worden door de Wet Basisnet en er geen redenen bestaan om toepassing te geven aan artikel 2.34 van de Wabo, is het stellen van nadere voorschriften in dit besluit over eventuele beperkingen aan het vervoer niet aan de orde. Wet natuurbescherming (Wnb) De meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden zijn: Voordelta, Voornes Duin en Solleveld & Kapittelduinen. Wij hebben de bij de aanvraag gevoegde resultaten van de stikstofdepositieberekening op 22 februari 2023 ter beoordeling doorgestuurd naar de omgevingsdienst Haaglanden. Uit de rapportage en de bijgeleverde AERIUS-berekeningen blijkt dat de activiteit ten opzichte van de referentiesituatie (2019) niet leidt tot een bijdrage van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Zodoende wordt geconcludeerd dat een vergunning voor de beschreven activiteit op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb niet nodig is.
Blad 50 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN EN TOETSINGEN MILIEU
Toetsingskader Inleiding De aanvraag heeft betrekking op het veranderen en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. De Wabo omschrijft in artikel 2.14 het milieuhygiënisch toetsingskader van de aanvraag. Een toetsing aan deze aspecten heeft plaatsgevonden. Toetsing verandering Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij: - de aspecten genoemd in artikel 2.14, eerste lid, onder a, van de Wabo betrokken; - met de aspecten genoemd in artikel 2.14, eerste lid, onder b, van de Wabo rekening gehouden; - de aspecten genoemd in artikel 2.14, eerste lid, onder c, van de Wabo in acht genomen. In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe, waarbij wij ons beperken tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn. Beste beschikbare technieken (BBT) In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende BBT worden toegepast.
Vanaf januari 2013 moet bij het bepalen van BBT, rekening worden gehouden met BBTconclusies en bij ministeriele regeling aangewezen informatiedocumenten over BBT. BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde en zevende lid, van de Richtlijn industriële emissies (definitie in artikel 1.1, eerste lid, van het Bor): - het vijfde lid verwijst naar BBT-conclusies vastgesteld na 6 januari 2011 onder het regime van de RIE; - het zevende lid verwijst naar bestaande BREF’s. Het hoofdstuk uit deze BREF’s waarin de beste beschikbare technieken (BAT hoofdstuk) zijn opgenomen geldt als BBT-conclusies totdat nieuwe BBT-conclusies zijn vastgesteld.
Blad 51 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
BBT-conclusies worden door de Europese commissie vastgesteld en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (een uitvoeringsbesluit van de Europese commissie, dat gericht is tot de lidstaten). Zij worden daarom niet meer apart aangewezen in de Regeling omgevingsrecht. Als op een activiteit of op een type productieproces binnen de inrichting waarvoor een vergunning is aangevraagd, geen BBT-conclusies of informatiedocumenten over BBT van toepassing zijn, of als de van toepassing zijnde BBT-conclusies of informatiedocumenten niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit of het proces behandelen, moet het bevoegd gezag de BBT zelf vaststellen7.
Hierbij houdt het bevoegd gezag in ieder geval rekening met: - de toepassing van technieken die weinig afvalstoffen veroorzaken; - de toepassing van stoffen die minder gevaarlijk zijn dan stoffen of mengsels als omschreven in artikel 3 van de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels; - de ontwikkeling, waar mogelijk, van technieken voor de terugwinning en opnieuw gebruiken van de bij de processen in de inrichting uitgestoten en gebruikte stoffen en van afvalstoffen; - vergelijkbare processen, apparaten of wijzen van bedrijfsvoering die met succes in de praktijk zijn beproefd; - de vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis; - de aard, de effecten en de omvang van de betrokken emissies; - de data waarop de installaties in de inrichting in gebruik zijn of worden genomen; - de tijd die nodig is om een betere techniek toe te gaan passen; - het verbruik en de aard van de grondstoffen, met inbegrip van water- en de energieefficiëntie; - de noodzaak om het algemene effect van de emissies op en de risico’s voor het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken; - de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken. De op één van deze criteria vastgestelde BBT moet een milieubeschermingsniveau garanderen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau in de BBT-conclusies.
Concrete bepaling BBT Hoewel binnen de inrichting van OTE geen activiteiten worden uitgevoerd uit bijlage 1 van de Richtlijn industriële emissies, zijn wel een aantal BBT-conclusies uit referentiedocumenten
7 Afwijken van de BBT-informatiebladen, (strengere voorschriften geven dan in de BBT-informatiebladen is
omschreven of het opleggen van aanvullende eisen) is in beginsel toegestaan. Dat blijkt uit de tekst van de regelgeving en een uitspraak van de Raad van State (artikel 5.4 eerste en tweede lid Besluit Omgevingsrecht en de uitspraak van de Raad van State over afwijken van de BBT-informatiebladen/PGS: ABRvS d.d. 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:400).
Blad 52 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
(verder BREF's) gebruikt om te beoordelen of de activiteiten voldoen aan BBT. In overleg met OTE is nagegaan welke BBT-conclusies relevant zijn voor de aangevraagde activiteiten. In het kader van de BBT-toetsing zijn de volgende BREF's beoordeeld: − Op- en overslag bulkgoederen (juli 2006); − Anorganische bulkchemie (augustus 2017); − Afgas- en afvalwaterbehandeling (juni 2016); − Koelsystemen (december 2001) en − Energie-efficiency (februari 2009). De BREF Anorganische bulkchemie is niet relevant omdat de aangevraagde verandering geen betrekking heeft op de productie van aqua-ammonia. De aangevraagde verandering is een uitbreiding van de reeds bestaande en vergunde activiteiten. Voor de revisievergunning die verleend is op 11 maart 2019 zijn de activiteiten al getoetst aan bovengenoemde BREF's. Omdat er geen nieuwere versies van deze BREF's zijn vastgesteld, is een herbeoordeling niet aan de orde. Voor de BREF Afgas- en afvalwaterbehandeling is wel een geactualiseerde versie van de gap-analyse gemaakt. Reden hiervoor is dat ten opzichte van de revisievergunning in de beoogde situatie anders wordt omgegaan met de afgassen die bij OTE ontstaan vanuit de opslag van ammoniak. Deze worden zoveel mogelijk teruggekoeld en opnieuw ingebracht in de opslagtanks.
Wanneer een (te) groot aanbod van afgassen ontstaat in de ammoniaktanks, worden de afgassen naar een fakkel geleid en daarna verbrand. Na plaatsing van de fakkel zal de bestaande noodscrubber buiten werking worden gesteld en worden ook de bestaande compressoren op de fakkel aangesloten. De gap-analyse is als bijlage 12 toegevoegd aan de aanvraag. Aan de hand van deze gap-analyse is vastgesteld dat er geen bijzonderheden zijn en dat wordt voldaan aan de beste beschikbare technieken. Bij het bepalen van de BBT hebben wij tevens rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over BBT, als aangewezen in de Regeling omgevingsrecht (Mor): - Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten 2012 (NRB; bodemrisicoanalyse); - Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 12 (april 2014). De PGS 12 is echter niet actueel en onvoldoende toegespitst op de grootschalige atmosferische opslag van gekoelde ammoniak. Omdat er nog meer initiatieven in de Rotterdamse haven zijn om dergelijke opslagen te realiseren, is een traject gestart om de PGS12 versneld te actualiseren. Omdat de huidige PGS 12 richtlijn onvoldoende is om de grootschalige opslag te beoordelen op BBT, stellen wij zelf BBT vast door aanvullend een betonnen wand rond tank TK-1003 te verlangen.
Blad 53 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
De basis om verder te gaan dan de eisen uit de huidige PGS12 zijn onder meer gebaseerd op de volgende documenten en praktijkvoorbeelden. In een brief van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat aan de PGS12 werkgroep (kenmerk IENM/BSK-2023/157736; 8 juni 2023) is opgenomen om de toepassing van staal-staal-beton te beschouwen als de stand der techniek. Met een dergelijke constructie wordt invulling gegeven aan het Safe by Designprincipe gericht op "verbetering van de foutentolerantie". In de brief wordt verwezen naar het rapport ‘Kansen voor Safe-by-Design in de Energietransitie’ van 3 mei 2023 (Antea Group; projectnummer 0480275.100). In de praktijk zijn inmiddels al voorbeelden te vinden van opslagtanks die voldoen aan de door ons voorgeschreven eisen. Een voorbeeld hiervan is een recent geplaatste full containment tank voor ammoniakopslag bij BASF te Antwerpen (vergunning milieu MLAV1-2015-0134). Deze opslagtank is uitgevoerd als een full containment tank voor de opslag van vloeibaar gemaakte gassen onder atmosferische druk bij lage temperatuur en heeft een inhoud van 85.000 m³ (ruim 60 kton). De tank bestaat uit een open vloeistofdichte stalen binnentank die gebouwd is in een stalen gasdichte buitentank. De stalen buitentank is voorzien van 200 mm PU isolatie op de mantel. Vervolgens is nog een betonnen mantel rond de tank aangebracht.
De betonnen buitentank biedt bescherming tegen externe explosies en mechanische impact. De betonnen wand geldt niet als inkuiping. De inkuiping wordt gerealiseerd door de tweede stalen wand. Boven op de inkuiping is een stalen dak voorzien waardoor geen gas naar de omgeving kan vrijkomen. Een ander argument voor het stellen van de eis voor een full containment tank met betonnen buitenwand is gelegen in de voorwaarde dat voldaan moet worden aan een faalfrequentie voor het vrijkomen van ammoniak van 1 x 10-8 per jaar. In de paragraaf Externe veiligheid zal hier verder op worden ingegaan. Conclusies BBT De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan de BBT ter voorkoming van emissies naar de lucht, de bodem en het water, geluidemissies, afvalpreventie, externe veiligheid en energiebesparing. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.
Afvalwater Voor de lozingen vanuit de inrichting zijn meerdere vergunningen in het kader van de Waterwet verleend. In deze vergunningen zijn verschillende voorschriften opgenomen met betrekking tot het lozingsdebiet, het maximum jaardebiet en hulpstoffen. In een maatwerkvoorschrift is aan de hoeveelheid jaarlijks te lozen koelwater een maximum gesteld van 8.760 m3 /jaar. Door de realisatie van een nieuwe koeltoren wordt er meer koelwater geloosd, maar zal er geen overschrijding plaats vinden van het maximum jaardebiet. Ook het vergunde debiet dat per uur
Blad 54 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
mag worden geloosd wordt niet overschreden. De kwaliteit van het spuikoelwater van de nieuw te realiseren koeltoren is vergelijkbaar met de kwaliteit van het spuikoelwater van de bestaande koeltoren. Hierdoor voldoet de nieuwe afvalstroom aan de gestelde concentraties die in de watervergunning van OTE zijn opgenomen. In de vigerende Waterwet-vergunning is er geen warmtevracht in de voorschriften opgenomen. Volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer is dan het lozen van koelwater met een warmtevracht van maximaal 1 MW toegestaan. De gemiddelde warmtevracht van de huidige koelwaterspui bedraagt 0,1 MW. De verwachting is dat de warmtevracht van het nieuwe koelsysteem en koeltoren overeenkomt met de warmtevracht van de huidige koelwaterspui. Dit betekent dat de gemiddelde warmtevracht bij gelijktijdig spuien gelijk is aan 0,2 MW. Op basis van de in de aanvraag opgenomen gegevens kan de nieuwe koeltoren worden gerealiseerd en in bedrijf worden genomen en is daarvoor geen nieuwe Waterwet-vergunning nodig.
Bodem Voor de op 11 maart 2019 verleende revisievergunning zijn de bodembedreigende activiteiten binnen de inrichting opnieuw in beeld gebracht en is een aanvullend nulsituatie bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport Nulsituatie bodemonderzoek OCI Terminal Europoort van 6 januari 2016 geeft grotendeels een inrichtingsbreed beeld van de bodemsituatie binnen de huidige inrichting. Slechts op enkele deellocaties moest nog aanvullend onderzoek worden gedaan, te weten voor deellocatie 3 (brandbluswaterunit) en deellocatie 4 (opslag van verf en ontvetters). Dit aanvullend bodemonderzoek is uitgevoerd door Antea Group op 2 maart 2021 met projectnummer 0460039.100 en is bij onderhavige aanvraag als bijlage 8 toegevoegd. Tezamen met de resultaten van het uitgevoerde nulsituatie onderzoek uit 2017, is daarmee de nulsituatie ter plaatse van de nu aanwezige installaties en opslagen voldoende vastgesteld. De beoogde veranderingen in deze aanvraag brengen echter aanvullende bodembedreigende activiteiten met zich mee. Om deze redenen diende een nieuw aanvullend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Dit bodemonderzoek is uitgevoerd door Antea Group. De uitkomsten zijn vastgelegd in ‘Nulsituatiebodemonderzoek Tank en piperack OCI-terminal, Moezelweg 151 Rotterdam’ van 20 juni 2023 met projectnummer 0486377.100 en is op 28 juni 2023 ter goedkeuring aan ons voorgelegd.
Wij hebben echter vastgesteld dat een zogenoemd Bodemrisico Inventarisatie (hierna: BRI) ontbrak. Na uitvraag daarvan, is deze vastgelegd in het rapport “Bodemrisico analyse OTE Uitbreiding opslag tanks” van 20 oktober 2023 met kenmerk 0474783.100 en op 26 oktober door ons ontvangen. In de BRI worden de volgende potentieel bodembedreigende activiteiten genoemd: - Laden en lossen van schepen;
Blad 55 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
-
Intern leidingtransport van opslag naar laad- en loskade; Opslag ammoniak; Intern transport ammoniak; Verpompen van ammoniak; Koelcompressor ammoniak; Koelinstallatie ammoniak (2x); Dieselgenerator (2x).
Het rapport stelt dat de activiteiten voldoen aan het creëren van een verwaarloosbaar bodemrisico door de combinatie van voorzieningen en maatregelingen (CVM). Dit is inderdaad het geval; de CVM voldoen aan de voorwaarden zoals opgenomen in de NRB 2012. Echter, de bodembedreigende stoffen die bij deze activiteiten gebruikt worden zijn ammoniak (warm en koud), smeerolie, natriumhypochloriet en dieselolie. In het nulsituatie-onderzoek van 20 juni 2023 is één enkele locatie aangewezen waar deze activiteiten plaats zullen vinden. De grond(meng)monsters afkomstig van deze locatie zijn enkel geanalyseerd op de parameters ammonium, lutum en organisch stof, echter niet op de in de BRI aangehaalde stoffen smeerolie, natriumhypochloriet en dieselolie. Het onderzoek is zodoende niet voldoende voor de activiteiten zoals deze in de BRI beschreven zijn. Er zal aanvullend onderzoek uitgevoerd moeten worden voordat er sprake kan zijn van een volledig in kaart gebrachte nulsituatie. Wij hebben het uitvoeren van dit aanvullend onderzoek opgenomen in voorschrift 5.1.
Externe Veiligheid Bij OTE worden gevaarlijke stoffen op- en overgeslagen. De op- en overslag van ammoniak is voor de externe veiligheid bepalend en kan een risico vormen voor de omgeving. In het Veiligheidsrapport van OTE is vermeld dat het opslaan en verladen van ammoniak geen bijzondere procesgevaren kent in termen van kans op explosie of brand. Ammoniak is in principe brandbaar (explosiegrenzen 15-30 vol.%), maar wordt in de buitenlucht niet als brandbaar beschouwd. Uit de literatuur blijkt verder dat ammoniak zeer moeilijk te ontsteken is. De toxische eigenschappen van ammoniak zijn bepalend voor de risico's. Een zekere warmtebelasting op ammoniakhoudende installaties moet worden voorkomen. OTE valt onder het besluit risico’s zware ongevallen (BRZO 2015) en daarmee onder het besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Bij een vergunningaanvraag dienen het groepsrisico en plaatsgebonden risico getoetst te worden. Algemeen Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van activiteiten voor de omgeving (mens en milieu). Het gaat hierbij onder meer om de
Blad 56 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
risico's die verbonden zijn aan de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Zoals in het NMP4 (Vierde Nationaal Milieubeleidsplan) is aangegeven, is de basis van het huidige risicobeleid dat het gevaar van een activiteit acceptabel is wanneer: - het plaatsgebonden risico niet hoger is dan is genormeerd; - de kans op een groot ongeluk met veel slachtoffers kan worden verantwoord (het groepsrisico). Het plaatsgebonden risico is een maatstaf om te bepalen welke afstand nodig is tussen de risicodragende activiteit en de bebouwde omgeving. Het plaatsgebonden risico is de kans dat zich op een bepaalde plaats over een periode van één jaar een dodelijk ongeval voordoet als direct gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen, indien zich op die plaats 24 uur per dag en onbeschermd een persoon zou bevinden. De gehanteerde norm voor het plaatsgebonden risico in Nederland is in beginsel 10-6 per jaar (een kans van één op de miljoen per jaar). Deze norm is opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In het Bevi is aangegeven in welke gevallen hiervan (tijdelijk) kan worden afgeweken. Het groepsrisico voegt daar als maatstaf aan toe: de verwachte omvang van een ongeval uitgedrukt in het aantal dodelijke slachtoffers, gegeven de kans op dat ongeval.
Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep personen die zich in de omgeving van de risicosituatie bevindt, overlijdt vanwege een ongeval met gevaarlijke stoffen. Met de grootheid groepsrisico is geprobeerd een maat voor maatschappelijke ontwrichting te creëren. In het Bevi is een niet-normatieve benadering van het groepsrisico neergelegd. Het groepsrisico moet altijd verantwoord worden. Bij de beoordeling van het groepsrisico is de vraag aan de orde welke omvang van een ramp, gegeven de kans daarop, maatschappelijk aanvaardbaar is. Registratiebesluit/Regeling provinciale risicokaart Op 30 maart 2007 is het Registratiebesluit externe veiligheid in werking getreden. Dit besluit geeft aan welke inrichtingen en welke informatie opgenomen moet worden in het Risicoregister. Daarnaast moeten ook inrichtingen die vallen onder de reikwijdte van de Regeling provinciale risicokaart worden opgenomen in het register. De criteria van het besluit en de regeling zijn samengevoegd in de drempelwaardentabel die is opgenomen in de Leidraad Risico Inventarisatie. OTE valt onder de criteria van het Registratiebesluit en/of de Regeling. Na afronding van de vergunningprocedure worden de gegevens in het risicoregister geactualiseerd.
Beoordeling plaatsgebonden risico en groepsrisico Op grond van artikel 2, eerste lid, sub a van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) valt de inrichting onder de reikwijdte van het Bevi. Op grond van artikel 4 betreft het een zogenaamd niet-categoriaal bedrijf. Door het bedrijf is een kwantitatieve risicoanalyse (ORA) uitgevoerd (kenmerk 0474783.100, revisie 2.0, gedateerd 20 december 2022). Deze QRA is als bijlage 5 bij de aanvraag gevoegd. De resultaten uit de QRA zijn door ons getoetst aan het Bevi. Plaatsgebonden risico (PR is 10-6) Indien de aanvraag betrekking heeft op een verandering die nadelige gevolgen heeft voor het plaatsgebonden risico (PR), dient er getoetst te worden aan het Bevi (PR-toets en
Blad 57 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
verantwoording groepsrisico). Uit een vergelijking met de plaatsgebonden risicocontouren van de vergunde situatie valt op dat aan de zuidzijde de risico’s toenemen als gevolg van de realisatie van Jetty 5 en de transferleiding daarnaartoe. Aan de noordwestzijde valt op dat de risico’s daar afnemen. Deze afname wordt veroorzaakt door het feit dat de uitstroomscenario’s bij de transportleidingen warme ammoniak (bijvoorbeeld naar de tankauto- en spoorketelwagenverlaadplaats) niet meer als geheel vrij verspreidende plas zijn gemodelleerd, maar met een beperkt plasoppervlak. Dit conform de bevindingen vanuit de Brzo-inspectie. Aangezien deze scenario’s in de vergunde QRA de bepalende scenario’s waren, is deze afname aan de noordwestzijde dan ook logisch. Door de verhoging van de doorzet, realisatie van Jetty 5 en bijbehorende transferleiding en door het feit dat de meest recente ruwheidslengte van de omgeving een stuk lager is dan eerder was vastgesteld, nemen de risico’s aan de andere zijden van de inrichting echter toe. De norm voor het PR is 10-6, de (iso)risicocontour 10-6 komt buiten de inrichting. Binnen de PR 10-6 contour bevinden zich geen kwetsbare objecten. In artikel 14 van het Bevi is voorzien in de mogelijkheid om voor een gebied waarin Beviinrichtingen liggen, een veiligheidscontour vast te stellen.
Het College van de gemeente Rotterdam en het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland hebben gebruik gemaakt van deze mogelijkheid en veiligheidscontouren voor de gebieden BotlekVondelingenplaat, Europoort en Landtong en Maasvlakte I en II vastgesteld. OTE is gelegen binnen de veiligheidscontour Europoort en Landtong. Wij hebben geconcludeerd dat OTE voldoet aan de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico op de betreffende veiligheidscontour. Nu de veiligheidscontouren zijn vastgesteld, hoeven wij niet meer te toetsen aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico op de dichtstbijzijnde (geprojecteerde) bestaande en nieuwe kwetsbare of nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen de veiligheidscontour.
Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is verantwoord aan de hand van de volgende punten: - de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de inrichting; - de vergelijking van groepsrisico met de oriëntatiewaarde; - de verandering van het groepsrisico; - maatregelen om het (groeps)risico te beperken; - mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en van beperking van een ramp; - de zelfredzaamheid van personen binnen het invloedsgebied. De Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico (hierna Handreiking GR) is toegepast als achtergronddocument. BEVI-advies Op 19 januari en (aanvullend) op 1 mei 2023 is aan de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) verzocht om in verband met het groepsrisico advies uit te brengen over de
Blad 58 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van de inrichting. Op 28 juni 2023 is dit advies van de VRR ontvangen. Bij onze overwegingen hebben wij het advies meegenomen. Situatie: Het door de inrichting veroorzaakte groepsrisico is vastgesteld aan de hand van het Revi. Het door de inrichting veroorzaakte groepsrisico is weergegeven in paragraaf 6.2 van de QRA. De maximale waarde van het groepsrisico bedraagt 0,49 (bij 250 slachtoffers) en het maximale aantal slachtoffers bedraagt 430. Op basis van het beleid van de Provincie Zuid-Holland moet het groepsrisico door het bevoegd gezag verantwoord worden. In de vergunde situatie ligt het groepsrisico net boven de oriëntatiewaarde. Voor deze aanvraag, maar ook naar aanleiding van een Brzo-inspectie op 1 december 2021, is een nieuwe QRA opgesteld. Uit de nieuwe QRA blijkt dat de wijziging van het groepsrisico ten opzichte van de vergunde situatie deels wordt veroorzaakt door de wijziging in populatiegegevens en door een andere modellering. Daarnaast zijn de bevindingen uit de Brzo-inspectie in de nieuwe QRA verwerkt waardoor de overschrijding van het groepsrisico nu niet meer aanwezig is Scenario's: Door de aanwezige risicobronnen bij OTE moet rekening worden gehouden met verschillende ongevalsscenario’s.
Aan de hand van de scenario’s heeft de VRR bepaalt welke maatregelen zij noodzakelijk acht voor de voorbereiding op en beperking van de omvang van een ramp en voor het vergroten van de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van de inrichting. Binnen de effectcontouren van OTE kunnen, afhankelijk van het incident en de meteo, meerdere kwetsbare objecten en woonkernen liggen. Het betreft de woonkernen Maassluis en Brielle. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat deze grote effectcontour (1% letaliteit) hoort bij de incidenten met een kleinere kans van optreden. De scenario’s, die de VRR heeft beschouwd, zijn: 1. toxische wolk ten gevolge van het instantaan falen van één van de drie opslagtanks; 2. toxische wolk ten gevolge van een lekkage in één van de laadarmen en 3. toxische wolk ten gevolge van het catastrofaal falen van een pomp. De scenario’s bij OTE hebben alle een toxische wolk als gevolg. Omdat de beschouwde scenario’s alle eenzelfde effect hebben, geldt het advies van de VRR voor alle scenario’s. Scenario 1 heeft een grote effectafstand, maar over het algemeen een kleine(re) kans van optreden. Scenario 2 en 3 hebben een beperktere effectafstand, maar een grotere kans van optreden. De effecten van alle scenario’s komen in ieder geval over het terrein van de buurbedrijven.
Gevolgen: In geval van een toxische wolk ten gevolge van een ammoniaklekkage, kan de 1% letaliteitsgrens buiten de inrichtingsgrens komen. Personen die binnen dit gebied worden blootgesteld aan de toxische wolk kunnen (blijvende) gezondheidsschade oplopen of zelfs komen te overlijden. Objecten in de directe nabijheid van de lekkage kunnen, ten gevolge van
Blad 59 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
de koude temperatuur van het vrijkomende ammoniak, beschadiging oplopen. De concentratie in gebouwen zal in het effectgebied lager zijn dan buiten. Dit hangt echter wel af van de constructie van het gebouw, waarbij met name ventilatie en doorlatendheid van het gebouw bepalend zijn. Hoe minder openingen aanwezig zijn waardoor buitenlucht naar binnen kan treden, hoe beter de bescherming van het object is gedurende de eerste uren van het incident. De maximale concentratie die zich in het gebouw kan vormen, hangt vervolgens ook af van de afstand van het gebouw tot het incident. Zelfredzaamheid: Bij zowel het instantaan falen als het leegstromen van een tank in 10 minuten zal er een toxische wolk gevormd worden. Vooral in de nachtsituatie en bij lage windsnelheden zal deze wolk zich langzaam verplaatsen en verspreiden. In geval van het vrijkomen van een toxische wolk wordt geadviseerd te vluchten dan wel te schuilen in een gebouw, met ramen en deuren gesloten en de ventilatie uitgeschakeld. Personen die kunnen worden blootgesteld aan hoge concentraties zijn personen werkzaam bij bedrijven in de directe nabijheid van OTE. Veelal zijn deze personen werkzaam bij bedrijven waar ook gewerkt wordt met gevaarlijke stoffen.
Van de personen die in nabijheid van OTE werken, mag verwacht worden dat zij bekend zijn hoe te handelen in geval van het vrijkomen van gevaarlijke stoffen op het industrieterrein Europoort. Van deze personen mag een zekere mate van zelfredzaamheid worden verwacht. Zij moeten in dat geval wel worden gewaarschuwd. Binnen de 1% letaliteitscontour kunnen, afhankelijk van het scenario en de meteo, de woonkern Maassluis of Brielle liggen. Binnen beide woonkernen zijn kwetsbare objecten aanwezig, waar minder zelfredzame mensen aanwezig zijn. In geval van een incident waarbij de effecten kunnen reiken tot over de woonkernen, is het van belang dat de bevolking vroegtijdig gealarmeerd en geïnformeerd wordt. Dit is een taak van de overheid. OTE dient er voor te zorgen dat de overheid zo snel mogelijk over de juiste informatie beschikt om de omgeving veilig te stellen, door het doen van een CIN-melding inclusief berichtgeving naar buurbedrijven via het Deltalinqs-netwerk. Bestrijdbaarheid: In geval van een incident zal de hulpverlening zich vooral richten op het opmengen van de vrijkomende gassen voor een betere verspreiding en daardoor verlaging in concentratie te krijgen in geval van lage windsnelheden. Hiervoor dient er voldoende bluswater aanwezig te zijn op het terrein. OTE beschikt hiervoor over meerdere stationaire blusmonitoren verspreid over het terrein.
Tevens zal de hulpverlening zich richten op het afzetten, informeren en indien noodzakelijk ontruimen van de omgeving. Maatregelen: Door personen binnen het invloedsgebied zo snel mogelijk te waarschuwen in geval van het vrijkomen van toxische stoffen, wordt de kans vergroot dat zij zich tijdig naar een veilige locatie kunnen begeven. In de revisievergunning is al een voorschrift opgenomen (vs. 1.6.3) voor het waarschuwen van buurbedrijven.
Blad 60 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
Het waarschuwen van burgers is een taak van de overheid, echter OTE kan hieraan bijdragen door tijdig de hulpdiensten te waarschuwen. Afhankelijk van de locatie tot het object in combinatie met de windsnelheid, die effect heeft op de verplaatsingssnelheid van de toxische wolk, houdt dit in dat men óf komt te overlijden en slachtoffer is, óf veilig binnen kan schuilen, zichzelf veilig uit het gebied kan verplaatsen óf dat (groepen) personen geëvacueerd moeten worden. OTE kan de overheid waarschuwen door zo snel mogelijk na het ontdekken van een lekkage, een CIN-melding of drukknopmelding te doen. Bij deze meldingen worden de overheidsdiensten (vrijwel) direct gealarmeerd. Evenals het zo snel mogelijk melden, is het in een vroeg stadium ontdekken van een lekkage van groot belang. OTE dient daarom de installatie (opslag, leidingen, verladingen) op kritische plaatsen te voorzien van ammoniakdetectoren. In de voorschriften 2.11 tot en met 2.14 is opgenomen dat voor deze gasdetectie een uitgangspuntendocument (UPD) ter goedkeuring aan ons moet worden voorgelegd. Om de kans op optreden van een groot incident te verkleinen, adviseert de VRR de nieuwe opslagtank uit te voeren als full containment opslagtank. Hiermee wordt bedoeld dat de opslagtank dubbelwandig is uitgevoerd inclusief vast dak.
Bij deze uitvoering is er wel ammoniakgas in de ruimte tussen de primaire en de secundaire wand (de zogenaamde ‘annulaire ruimte’) aanwezig, maar zal bij een lek in de primaire wand, de vrijkomende ammoniak binnen de secundaire wand blijven zodat er geen directe gevolgen voor de omgeving zijn. Bij detectie van vloeibare ammoniak tussen de binnenste en buitenste schil, kan de tank veilig leeggehaald worden om de lekkage te verhelpen. Doordat beide schillen moeten falen voordat er ammoniak naar de buitenlucht kan ontsnappen, wordt de kans op optreden verkleind. Hoe meer schillen aanwezig, hoe kleiner de kans op optreden van een groot incident. Voor de duidelijkheid wordt hierbij opgemerkt dat de effecten en bijbehorende effectafstanden hetzelfde blijven maar de kans dat deze effecten optreden worden verkleind. Om lekkage van ammoniak uit de annulaire ruimte van de full containment tank TK 1003 door impact van buitenaf (drukgolven, rondvliegende objecten) en/of warmtebelasting te voorkomen, adviseert de VRR om opslagtank TK-1003, ook te laten voorzien van een betonnen wand. Hiermee wordt geanticipeerd op eventuele veranderingen in de omgeving van de tank.
Dit advies is tevens in lijn met het standpunt van de overheden in de werkgroep die als taak heeft de actualisatie van de PGS 12 uit te werken, als ook de brief van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat van 8 juni 2023 (IENM/BSK-2023/157736). De VRR gaat er vanuit dat DCMR het afwijken van de aanvraag op dit punt nader motiveert. Door op locaties waar ammoniak vrij kan komen stationaire watermonitoren en/of watersproeischermen te plaatsen die voor afvangen of eventueel opmenging van de ammoniak kunnen zorgen, kan OTE bij een lekkage de gevolgen voor de omgeving beperken. Deze stationaire watermonitoren dienen ontworpen te worden op een lekkage van ammoniak om effectief te zijn. Daarnaast zijn er andere manieren om de gevolgen van een lekkage te beperken, zoals bijvoorbeeld recondensatie van het product.
Blad 61 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
De VRR heeft geen bezwaar tegen het vergunnen van de aangevraagde activiteiten, mits de in het verstrekte advies opgenomen maatregelen (opgenomen in bijlage 2 van het advies) worden geborgd in de vergunning. Besluit risico's zware ongevallen 2015 Met het in werking treden van het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015) is de Europese Seveso lll-richtlijn uit 2012 geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Het Brzo 2015 richt zich op het beheersen van zware ongevallen en heeft tot doel om het risico van (grote) ongevallen bij bedrijven zo klein mogelijk te maken. Dat gebeurt enerzijds door de kans dat dergelijke ongevallen plaatsvinden te verkleinen (pro-actie, preventie en preparatie) en anderzijds door de gevolgen van een eventueel ongeval voor mens en milieu te beperken (repressie). Op grond van de aangevraagde hoeveelheid gevaarlijke (afval) stoffen die de (hoge/lage) drempelwaarde uit Bijlage 1 van de Seveso lll-richtlijn overschrijdt is OTE een hogedrempelinrichting onder het Brzo 2015. Veiligheidsrapport Voor de te realiseren wijziging van de inrichting is bij de aanvraag een beperkt veiligheidsrapport (*VR) gevoegd. Het beperkt veiligheidsrapport bevat voldoende beschrijvingen. Bij actualisatie van dit VR dienen eventuele aanvullingen of wijzigingen ten gevolge van de aangevraagde wijziging te worden meegenomen.
Domino-lnrichting Met behulp van het instrument domino-effecten hebben wij onderzocht bij welke inrichtingen een verhoogde kans op een zwaar ongeval aanwezig is ten gevolge van de aanwezigheid van risicobepalende factoren bij de in de onmiddellijke nabijheid gelegen inrichtingen die ook onder het Brzo 2015 vallen. Deze bedrijven worden aangemerkt als een domino-bedrijf en moeten ingevolge artikel 8 van het Brzo 2015 worden aangewezen. Op 17 oktober 2014 (kenmerk: 21849794 416390/98458151) is OTE aangewezen als een domino-inrichting. In dat kader dient OTE rekening te houden met de aard en omvang van de risico's van een zwaar ongeval bij Euro Tank Terminal (ETT), ExxonMobil Chemical Holland B.V. (ROP) en Lyondell Chemie Nederland B.V. Beoordeling afstand tot beschermde natuurgebieden In artikel 2.14, tweede lid van de Wabo juncto artikel 5.11 van het Bor is aangegeven dat het bevoegde gezag bij het verlenen van een omgevingsvergunning die van toepassing is op een inrichting die onder het Brzo 2015 valt, moet zorgen dat er voldoende afstand wordt gehouden ten opzichte van een beschermd natuurgebied. Bij de beoordeling van de afstand moet rekening worden gehouden met ongewone voorvallen binnen de inrichting. De volgende natuurgebieden liggen in de buurt van OTE: Solleveld en Kapittelduin, Voornes Duin, Duin Goeree en Kwade Hoek, Voordelta, Oude Maas en Spanjaardsduin.
Op basis van de bij de aanvraag gevoegde QRA en Milieu Risico Analyse (MRA) concluderen wij dat er geen irreversibele effecten kunnen optreden in deze natuurgebieden. (Intern) bedrijfsnoodplan In de Arbowetgeving is het hebben van een noodplan geregeld. Op basis van artikel 2.5, lid c,
Blad 62 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
van het Arbobesluit is een bedrijf verplicht een noodplan te hebben. Op basis van dit artikel is het bedrijf ook verplicht o.a. hulpverleningsinstanties in te lichten over het noodplan indien gewenst door deze instanties (er moet dus zelf om gevraagd worden). In artikel 2.0, lid c, van de Arboregeling is geregeld wat er ten minste in het noodplan moet zijn opgenomen (verwezen wordt naar bijlage II van de regeling). Behoudens het kunnen wegpompen van vloeibare ammoniak uit de annulaire ruimte ingeval van lekkage van de primaire opslagtank, worden gezien het voorgaande ten aanzien van een (intern) bedrijfsnoodplan geen voorschriften aan deze vergunning verbonden. Op- en overslag van gevaarlijke stoffen Ten behoeve van de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Deze PGS-richtlijnen zijn vermeld als Nederlandse informatiedocumenten over BBT in de bijlage van de Mor (voorheen in de Regeling aanwijzing BBT-documenten). Grootschalige opslag in tank TK-1003 In de op 11 maart 2019 verleende revisievergunning (kenmerk BES98507074_0000530730) zijn voorschriften opgenomen voor de op- en overslag van vloeibare ammoniak. De voorschriften voor de opslag hebben echter uitsluitend betrekking op de twee bestaande opslagtanks.
Voor de nieuw te realiseren opslagtank voor vloeibare ammoniak hebben wij in deze beschikking voorschriften opgenomen. Naast voorschriften uit de richtlijn PGS 12 “Ammoniak: opslag en verlading” (versie april 2014), hebben wij aanvullende eisen opgenomen omdat de PGS 12 niet meer actueel en toegespitst is op de nu aangevraagde grootschalige atmosferische opslag van gekoelde ammoniak. Hieronder gaan wij nader in op de argumenten. Aangevraagde opslagtank en toebehoren OTE is voornemens een derde opslagtank te realiseren voor gekoelde ammoniak. Deze nieuwe 60 kton opslagtank TK-1003 is een dubbelwandige, full containment cryogene opslagtank. De opslagcondities van de nieuwe tank zullen gelijk zijn aan de huidige opslagtanks, namelijk onder atmosferische omstandigheden met een temperatuur van -33 oC. De huidige opslagtanks hebben een inhoud van circa 23.300 m3 per opslagtank. De opslagcapaciteit van de nieuw te realiseren opslagtank wordt circa 97.500 m3. Hiermee wordt de totale opslagcapaciteit verhoogd van 46.600 m3 naar 144.100 m3. De tank bestaat uit een binnentank die als een primaire opslag dient en een buitenwand die als een secundaire opvang dient. In geval van een lek in de binnentank, wordt de buitenste tank gebruikt als opvang. Voor de export van ammoniak vanuit opslagtank TK-1003 wordt gebruikt gemaakt van de pompen P-1001E/F/G.
Deze bevinden zich in de opslagtank TK-1003. Om de ammoniak te koelen worden drie koelcompressoren geplaatst. Ieder van deze koelcompressoren kan de volledig gevulde opslagtank TK-1003 koelen. De koelcompressoren en bijbehorende systemen worden aangedreven door middel van een elektromotor en kunnen
Blad 63 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
indien noodzakelijk op korte termijn van een diesel generator back-up worden voorzien om onder alle omstandigheden koeling van de tank te kunnen garanderen. Voor het verladen van koude ammoniak naar de schepen toe, worden transferleidingen aangelegd naar Pier 1M, 1P, 2Q en 5. Deze zijn aangesloten op de nieuw aangelegde laadarmen. Eisen en normen waaraan de constructie van de opslagtank TK-1003 minimaal moet voldoen: De ontwerpnormen die normaliter gebruikt worden voor een ammoniakopslagtank zijn: - NEN EN 14620: Design and Manufacture of site built, vertical, cylindrical , flat bottomed steel tanks for the storage of refrigerated, liquefied gas with operating temperature between 0 and -165 oC; - API 625: Liquefied Gas Storage. In de NEN EN 14620 is beschreven dat de buitentank van staal of beton kan zijn (artikel 4.1.3). De materiaalkeuze moet gebaseerd worden op een uitgevoerde risicoanalyse die gebaseerd is op de identificatie van potentiële gevaren (paragraaf 4.2). Ook in de API 625:2018 staat omschreven dat een full containment opslagtank ook uit metaal kan bestaan (artikel 5.4.3). In de Vlaamse handleiding risicoberekeningen wordt voor de uitvoeringswijze ook aangesloten bij de API 625.
In deze Vlaamse handleiding wordt het volgende gesteld: In de normen voor de double en full containment tanksystemen wordt een onderscheid gemaakt tussen uitvoeringswijzen in metaal en beton voor de secundaire opslaghouders. De API 625 stelt: “The secondary liquid container may be of metal or prestressed concrete; however when improved resistance to external threats and hazards is specified, it is generally achieved through the adoption of pre-stressed reinforced concrete.” […] “The roof of a pre-stressed concrete outer tank may be constructed from metal or concrete. However the metal roof is more susceptible to damage from leakage at product flanges and external hazards. If these hazards are specified, it is common to adopt a concrete roof. Additionally where a concrete roof is provided, a complete roof collapse may not be considered credible.” Hieruit blijkt dat een betonnen uitvoering inherent beter bestand is tegen invloeden van buitenaf dan een metalen uitvoering. Uit bovenstaande kan dus worden afgeleid dat over het algemeen beton wordt gebruik als de externe dreigingen en gevaren meegenomen worden in de risicobeoordeling. Niet vermeld is wat deze externe dreigingen en gevaren zijn zodat een metalen buitentank als full containment tank niet kan worden uitgesloten. De daadwerkelijke bepaling van het materiaal is namelijk afhankelijk van een risicobeoordeling.
Samenvattend staat in de API 625 beschreven dat de buitentank van staal of beton kan zijn. In deze norm wordt verondersteld dat verbeterde weerstand tegen externe dreigingen over het algemeen bereikt wordt door het gebruik van een betonnen buitentank. Maar de materiaalkeuze is gebaseerd op de uitgevoerde risicoanalyse gebaseerd op de identificatie van potentiële gevaren.
Blad 64 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
OTE heeft op basis van een analyse op domino-effecten veroorzaakt door naburige bedrijven (20210913-465067-Memo domino buurbedrijven OTE, Antea Group d.d.13 september 2021) een risicobeoordeling uitgevoerd. Uit deze risicoanalyse komt naar voren dat een stalen buitentank de domino-effecten kunnen weerstaan. Op basis van deze gegevens kan geconcludeerd worden dat niet alleen een betonnen buitentank voldoet aan de omschrijving van een full containment tank conform de Handleiding Risicoberekeningen (HRB). Aanvullende BBT eis: betonnen wand Om lekkage van ammoniak uit de annulaire ruimte van de full containment tank TK 1003 door impact van buitenaf (drukgolven, rondvliegende objecten) en/of warmtebelasting te voorkomen adviseert de VRR om opslagtank TK 1003 te laten voorzien van een betonnen wand. Hiermee wordt geanticipeerd op eventuele veranderingen in de omgeving van de tank. Dit advies is tevens in lijn met het standpunt van de overheden in de werkgroep die momenteel de actualisatie van de PGS12 voorbereidt, als ook de brief van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat van 8 juni 2023 (IENM/BSK-2023/157736).
Wij zijn van oordeel dat het redelijk is om deze aanvullende eis te stellen om de volgende reden: Een uitsluitend in staal uitgevoerde full containment tank beschouwen wij niet als een full containment tank met bijbehorende faalfrequentie van 1 x 10-8 voor het vrijkomen van ammoniak conform de definitie van de Handleiding Risicoberekeningen versie 4.3 van het RIVM. De Handleiding Risicoberekeningen versie 4.3 van het RIVM stelt namelijk dat de secundaire container ontworpen moet zijn om bij falen van de primaire container, zowel de vloeistof als de damp op te vangen en dat deze tevens bestand moet zijn tegen alle mogelijke belastingen, zoals explosies (statische drukbelasting van 0,3 bar gedurende 300 ms), fragmenten en koude thermische belasting. Een uitsluitend uit staal vervaardigde full containment tank kan niet aan deze voorwaarden voldoen en beschouwen wij daarom als een atmosferische tank met beschermd buitenomhulsel met een (lagere) faalfrequentie van 5 x 10-7 op instantaan falen en met een faalfrequentie van 1 x 10-6 per jaar voor het vrijkomen van de gehele inhoud in 10 minuten. Dit is in lijn met de Handleiding Risicoberekeningen. Deze indeling komt ook overeen met de indeling zoals gemaakt in het Handboek Risicoberekeningen van het Departement Omgeving Vlaanderen versie 3.2.
Hierin is voor staal-staal full containment tanks expliciet een faalfrequentie voor het vrijkomen van ammoniak opgenomen van 1 x 10-6 en voor een stalen full containment tank met betonnen wand een faalfrequentie van 1 x 10-8. Toelichting op de voorschriften Voor zover mogelijk hebben wij voor de constructie van tank TK-1003, inclusief leidingen, appendages en toebehoren, aansluiting gezocht bij de artikelen uit de richtlijn PGS12:2014. Zoals hierboven beschreven, hebben wij een aanvullende eis gesteld voor de aanleg van een betonnen wand die bestand is tegen explosies en tegen de impact van fragmenten. Omdat er op dit moment onvoldoende beoordelingscriteria bestaan, zullen wij bij de beoordeling van de robuustheid van het ontwerp tegen de impact van fragmenten ons baseren op de uitkomsten van het actualisatietraject voor de PGS12 (de zogeheten versie 12.1). Op 4 december 2023 is een actuele versie van de PGS 12 voor commentaar beschikbaar gesteld. In deze versie wordt
Blad 65 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
aangegeven wat onder fragmenten moet worden verstaan, waarbij een aantal voorbeelden wordt genoemd: een afsluiter van 150 kg met een snelheid van 50 m/s en een impactoppervlakte met een diameter van 0,25 m en de impact van een klein vliegtuig, gemodelleerd als een motorblok van 200 kg met een snelheid van 100 m/s en een impactoppervlakte van 0,5 m2 (diameter 0,8 m). Wij hebben bij het nader specificeren van wat onder fragmenten moet worden verstaan in voorschrift 2.3 rekening gehouden met de meest actuele versie van de PGS 12. Onder andere omdat standaardconstructiebeton een grote CO2-footprint heeft, willen wij ruimte geven voor het toepassen van andere gelijkwaardige (innovatieve) oplossingen ter vervanging van de voorgeschreven betonnen wand. Daarnaast wordt op dit moment de PGS 12 (versie 12.1) geactualiseerd en kan op basis van die uitkomsten mogelijk ook tot andere gelijkwaardige oplossingen worden gekomen. Wij staan dan ook open om op basis van gelijkwaardigheid een alternatieve constructie of andere materialen toe te staan. Een dergelijk alternatief kan via een aanvraag voor een omgevingsvergunning aan ons worden voorgelegd.
Indien daarbij aangetoond kan worden dat de gekozen oplossing minstens dezelfde mate van externe veiligheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt als in voorliggend besluit is voorgeschreven, kan dit via een aanvraag voor een omgevingsvergunning worden geformaliseerd. Verder hebben wij om het risico op onbedoelde uitstroming te verkleinen, in een voorschrift vastgelegd dat er uitsluitend doorvoeringen door de dakconstructie van de tank mogen worden aangebracht. Overslag van ammoniak Beheersen en bestrijden van ongewone voorvallen op de pieren (Jetty 1, 2 en 5) In de revisievergunning van 11 maart 2019 is in voorschrift 3.8.11 een verbod opgenomen om op Jetty 1 gelijktijdig ammoniak en brandbare vloeistoffen te verladen: Het gelijktijdig verladen van ammoniak en brandbare stoffen (ADR 3 / PGS klasse 1 en 2) aan Pier 1 mag niet plaatsvinden. Tussen de verschillende gebruikers van deze pier dienen hierover schriftelijke afspraken te zijn gemaakt.
In voorliggende aanvraag verzoekt OTE om dit voorschrift te laten vervallen, zodat gelijktijdige verlading op deze steiger van ammoniak door OTE en brandbare vloeistoffen door buurbedrijf Euro Tank Terminal (ETT) mogelijk kan worden gemaakt. De VRR vindt de uitwerking in de aanvraag van de beheersmaatregelen bij de (gelijktijdige) verlading op Jetty 1 van ammoniak en brandbare vloeistof, maar ook voor ammoniak en ammoniak, te summier om te bepalen of deze maatregelen toereikend zijn. Een advies over de vergunbaarheid kan de VRR pas uitbrengen na ontvangst van een nadere uitwerking van het gelijktijdig verladen, waarbij ook de beheersmaatregelen van ETT in beeld moeten worden gebracht. Voor het beheersen en bestrijden van ongewone voorvallen op de pieren (Jetty 1, 2 en 5) hebben wij voorgeschreven dat een uitwerking ter goedkeuring moet worden ingediend.
Blad 66 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
Ammoniakgasdetectie en stationaire watersproei-installaties De VRR wijst erop dat de aangevraagde verandering ook gevolgen heeft voor het bestaande gasdetectiesysteem. Het UPD voor dit systeem moet worden aangepast. Door op locaties waar ammoniak vrij kan komen stationaire watermonitoren en/of watersproeischermen te plaatsen die voor afvangen of eventueel opmenging van de ammoniak kunnen zorgen, kan OTE bij een lekkage de gevolgen voor de omgeving beperken. Deze stationaire installaties dienen ontworpen te worden op een lekkage van ammoniak om effectief te zijn. Voor de stationaire watersproei-installaties en het gasdetectiesysteem hebben wij voorgeschreven dat er een UPD moet worden opgesteld en ter goedkeuring moet worden aangeboden. Blusbootaansluiting De VRR adviseert om te beoordelen of OTE zonder de, via een uitspraak van de Rechtbank, geschrapte, voorschriften ten aanzien van de ‘blusbootaansluiting’ een gegarandeerde (blus)watervoorziening heeft. De Rechtbank heeft op 4 oktober 2021 zelf in de zaak voorzien door twee voorschriften waarin eisen waren opgenomen met betrekking de blusbootaansluiting, uit de revisievergunning te schrappen 8. Deze voorschriften waren namelijk onvoldoende concreet en zodoende in strijd met de rechtszekerheid.
Rekening houdend met de uitspraak van de Rechtbank en de bij OTE aanwezige aansluitingen, hebben wij alsnog vergelijkbare voorschriften aan de vergunning verbonden, daarbij hebben wij aangesloten bij de voorschriften zoals opgenomen in de PGS 29: 2016.
Geluid De inrichting is gelegen op het gezoneerde industrieterrein Maasvlakte-Europoort. Op grond van de Wet geluidhinder is rond dit industrieterrein een zone vastgesteld bij Koninklijk besluit no. 93.004829 van 15 juni 1993. Het voormalig ministerie van VROM heeft bij besluit MBG 98043370/618/613 van 2 juni 1999, ingevolge de Wgh, de ten hoogste toelaatbare waarden van de geluidbelasting (MTG's) vastgesteld. Bij het opstellen van de geluidvoorschriften zijn de geldende grenswaarden zoals bedoeld in de Wet geluidhinder in acht genomen. Dit betekent dat de MTG’s niet worden overschreden en dat de geluidbelasting buiten de zonegrens niet hoger is dan 50 dB(A). De hoogste bijdrage, vanwege de inrichting, aan de totale geluidbelasting treedt op ter plaatse van Maassluis en bedraagt 42 dB(A) etmaalwaarde. De actuele geluidbelasting op basis van alle geldende vergunningen bedraagt hier 56 dB(A), de grenswaarde (MTG) bedraagt 59 dB(A). De geluidvoorschriften zijn gebaseerd op het akoestisch onderzoeksrapport dat is opgesteld door Antea Group, Akoestisch onderzoek veranderingsvergunning OCI Terminal Europoort B.V., projectnummer 0474783.100 revisie 1, 22 september 2022, d3706728. Het onderzoek heeft alleen betrekking op het nieuwe bunkerproject.
8 zaaknummer SGR 19 / 2630 WABOM V215
Blad 67 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
Omdat de aangevraagde verandering ook effect heeft op de representatieve bedrijfssituatie waarvoor reeds vergunning is verleend, vervangen wij de geluidvoorschriften die zijn opgenomen in de revisievergunning van 11 maart 2019 met kenmerk: BES98507074_9999530730, door de in onderhavige beschikking opgenomen geluidvoorschriften. Gezien de grote afstand tot de meest nabijgelegen geluidgevoelige bestemmingen zijn ten behoeve van handhaving geluidvoorschriften gesteld op vergunning-immissiepunten op kortere afstand van de inrichting. Hiermee worden de geluidgevoelige bestemmingen indirect beschermd. De maximale geluidniveaus zijn getoetst aan de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening (1998) en voldoen aan de grenswaarden. Ter plaatse van geluidgevoelige objecten zijn de maximale niveaus zo laag dat deze niet afzonderlijk zijn vast te stellen. Daarom zijn geen voorschriften nodig voor de maximale niveaus. Het bedrijf is gelegen op een industrieterrein. Op basis van jurisprudentie is de indirecte hinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting niet kwantitatief beschouwd, echter wel kwalitatief. Uit de kwalitatieve beschouwing blijkt dat er geen alternatieve routes mogelijk zijn van en naar de inrichting.