Wabo Beschikking OCI
Tekst van het document
4 https://open.overheid.nl/documenten/dpc-c834ba8f739d191e121c28999a78b8304c186f10/pdf
Blad 26 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
Ad 3.
Ad 4.
Ad 5.
betrokken geweest. Tijdens het proces zijn door de DCMR vooral punten ingebracht om de consequenties voor de leefomgeving goed in beeld te krijgen, zoals op het gebied van veiligheid. Veel van de ingebrachte adviezen en aandachtspunten zijn of overgenomen of daar is iets mee gedaan, waaronder punten t.a.v. veiligheid van de transitie in relatie tot ammoniak, het betrekken van de regio en leefomgevingskwaliteit. Op basis van het ontwikkelperspectief zetten de samenwerkende partijen door middel van een uitvoeringsagenda de stap richting uitvoering. De casus van de biomassacentrale Diemen is niet vergelijkbaar met de voorliggende aanvraag van OTE. Bij de biomassacentrale was het namelijk de vraag of sprake was van afval of van een groene grondstof. De Raad van State heeft geoordeeld dat sprake was van afval waardoor de activiteit als zogenoemde C-categorie van (de bijlage van) het Mer-besluit moest worden aangemerkt en zodoende Mer-plichtig werd. In het geval van OTE is er geen discussie over de Mercategorie, maar zijn er slechts vragen over de uitgevoerde m.e.r.-beoordeling. In de haven zijn meerdere initiatieven bekend om in het kader van de energietransitie op grootschalige wijze ammoniak op te slaan. Een deel van deze initiatieven zal, gelet op de opslaghoeveelheden of door strijdigheid met het omgevingsplan, Mer plichtig zijn.
Als voor toekomstige ruimtelijke keuzes omgevingsplannen moeten worden aangepast, zal voor de te nemen ruimtelijke besluiten veelal ook een Mer verplichting gelden. In het onder ad 1 en ad 2 aangehaalde ontwikkelperspectief is ook met de in de zienswijze genoemde bronnen van blootstelling rekening gehouden.
Op 29 oktober 2023 hebben wij schriftelijke zienswijzen ontvangen van Ir. H.J. Compter namens de Vereniging Verontruste Burgers van Voorne (VVBV). Een aanvulling op deze zienswijzen hebben wij ontvangen op 1 november 2023. De zienswijzen zijn binnen de wettelijke termijn naar voren gebracht en worden in behandeling genomen. De zienswijzen zijn als volgt samengevat: 1. Mer-procedure Het risico van een opslag van 90.000 ton ammoniak op een terrein is vergelijkbaar met dat van een kerncentrale, zoals Tjernobyl en Fukushima. De kans is zeer klein, maar de gevolgen zijn enorm en onbeheersbaar. Het kunnen technisch perfecte installaties zijn, maar door menselijke overmoed en genegeerde externe omstandigheden ging het toch fout. Datzelfde is vast te stellen met de grote ammoniak ongevallen in Jonova, Houston en Dakar. Vanwege dit grote risico had er een proces in gang gezet moeten worden zoals dat bij de keuze van kerncentrales aan de orde is. Het gaat namelijk niet alleen om een eenmalige opslag van 60.000 ton maar om de eerste in een reeks tot 2.000.000 ton in Nederland. Een uitgebreide Mer-procedure is wenselijk.
Blad 27 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
2.
3.
4.
5.
6.
7.
Verschil in inzicht DCMR Uit de woorden van een directielid van de DCMR blijkt het besef dat de gevolgen zeer ernstig kunnen zijn en dat de hulpverleningsdiensten daarop niet voorbereid zijn. Nu stellen DCMR woordvoerders dat het veilig is en kleineren de zorg van burgers. Iedere echte veiligheidsdeskundige weet dat een veilig ontwerp het begin is en niet het eind. Hierdoor wordt iedereen bewust op het verkeerde been gezet en is er sprake van onzorgvuldig handelen. Het is wenselijk het verschil van inzicht te verklaren. Daarnaast is bij het ontwerp geen rekening gehouden met de gevolgen ten gevolge van criminaliteit en oorlog. Externe risico’s Er is niet zorgvuldig gehandeld door het niet beschouwen van de nieuwe externe risico’s bij deze zeer grote ammoniakopslag in de nabijheid van een woonomgeving. Hier is een nadere onderbouwing noodzakelijk. Transport Het gevaar van de sterke toename van NH 3 transport op de Waterweg en de waterwegen tussen Rotterdam en Geleen wordt vergeten. DSM heeft in het convenant afbouw NH3-transporten met twee provincies en de Rijksoverheid in 2008 belooft dat het zou streven naar zo min mogelijk NH3 transporten. Scheepsaanvoer zou alleen nodig zijn voor kleine onbalans. Het is noodzakelijk de risico’s die aan het transport verbonden zijn te onderzoeken.
Burgerparticipatie Het afhouden van vroegtijdig overleg over het project door het Havenbedrijf, DCMR en OTE weerspiegelt een maatschappelijke onverschilligheid en onzorgvuldigheid jegens onschuldige en onvoorbereide burgers. Hiervoor is een verklaring noodzakelijk. Daarnaast is het wenselijk dat u aangeeft op welke wijze de participatie in de volgende projecten gaat verlopen. Informatie naar burgers Het niet echt volledig openbaar maken van de ter inzage legging door DCMR, de hoeveelheid en de in onze ogen teleurstellende kwaliteit van de aanvraag werpen een enorme barrière op, waardoor burgers op afstand worden gezet en inhoudelijk zullen afhaken. Burgerparticipatie behoort door DCMR serieus genomen te worden. Daar hoort een breed opgezette publicatie voor te zijn, een inzichtelijke en begrijpelijke aanvraag voor zo’n project en echt overleg. Niet een geleide instructie zoals dat plaats vond in Hellevoetsluis. Deze manier van openbaar maken achten wij niet wenselijk. Faalkans tank Het is niet door DCMR bewezen dat de betonnen wand tot een aanmerkelijk lagere faalkans leidt. Want deze betonnen wand beschermt tegen impact door voorwerpen van 50 kg, 45 m/s maar niet tegen vrachtwagens, wagons of tanks van binnenschepen of tegen granaten, bommen of raketten die op het stalen dak terecht
Blad 28 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
8.
9.
10.
11.
12.
13.
14.
15.
16.
komen. Graag ontvangen wij van DCMR een goede onderbouwing van de lagere faalkans, die verder gaat dan historische faaldata en expert opinion. Ongevalideerde toepassing Safeti-nl Er is niet aangetoond dat Safeti met haar twee dimensionale afbeelding van een drie dimensionale wereld in een zo intensief gebruikt gebied, een goede afbeelding geeft van de risico’s van de tank 3 van 60.000 ton, tank 1 en 2, het zeeschip en de binnenvaartschepen. Niet meenemen van tank 3, zeeschip en binnenvaartschepen Het niet mee beschouwen van de grote tank 3, het zeeschip en de binnenvaartschepen leidt tot een aanmerkelijke verlaging van de maximale uitstroom en geheel andere scenario’s. Slechts 30.000 ton i.p.v. 90.000 ton. Het leidt er ook toe dat de risico’s van de aanvoer per zeeschip en de afvoer met binnenvaartschepen en het domino-effect van een exploderende tanker bijvoorbeeld, buiten beeld blijft en we kijken naar een QRA voor de oude situatie. Lengte gifwolk Het beperken van de maximale lengte van een gifwolk in Safeti-NL leidt voor de scenario’s met een grote uitstroom tot een onderschatting van de gevolgen en mag voor elk scenario niet geaccepteerd worden als niet het tegendeel bewezen wordt.
Beperkte simulatie tijd Het beperken van de simulatie tijd in Safeti-NL leidt voor de scenario’s met een lage windsnelheid tot een onderschatting van de gevolgen en mag voor elk scenario niet geaccepteerd worden als niet het tegendeel bewezen wordt. Zelfredzaamheid De mate van zelfredzaamheid is onvoldoende onderzocht en lijkt te leiden tot een onderschatting van het aantal slachtoffers. Omvang van de schade Het is een grote nalatigheid om niet de vele slachtoffers met ademhalingsproblemen te noemen, de onmogelijkheid van de hulpdiensten om zoveel mensen in een gifwolk te helpen, alsmede de schade aan bedrijven, transport, flora, fauna, teelten en gewassen. Huidige bedreiging van het milieu Al in het dagelijkse bedrijf is de bedrijfsvoering van OTE een bedreiging van de natuur in de haven, een grotere opslag en meer transporten verergert dit en rechtvaardigt al een Mer-procedure. Effect van NH3 lozing in de haven Het is een nalatigheid om niet de afstroom van 10.000-den tonnen ammoniak te onderzoeken in het rioolsysteem bij een grote uitbraak. Er is een grote kans dat riolen dichtvriezen; zeker het diep-riool. Ontbreken tankwal en calamiteitentank Het ontbreekt aan een tankwal of bund, waardoor bij een incident het te bestrijden en
Blad 29 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
17.
18.
19.
20.
21. 22
verdampend oppervlak sterk toeneemt. Dit belemmert de bestrijding en vergroot de vorming van een giftige wolk. Dit is dus een ernstig gemis. Beperking van doden Er dient gehandeld te worden overeenkomstig de “Handreiking Verantwoordingspicht Groepsrisico” en het Besluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van 17 december 2014, pzh-2013-451059199, houdende in deel 3, bijlage 3 van de Nota vergunningverlening, toezicht en handhaving 2014-2017 een beleidsregel over de invulling van de groepsrisicoverantwoording in de omgevingsvergunning (Beleidsregel externe veiligheid groepsrisicoverantwoording in de provinciale omgevingsvergunning, behorende bij deel 2 paragraaf 2.8). Ontbreken verplichting rampenplan Het is met de verkeerde voorstelling van zaken niet mogelijk om een goed rampenplan te maken omdat niet duidelijk is waar en hoe groot de gifwolk kan zijn. Bijgevolg zijn vluchtroutes, bereikbaarheid hulpverlening, vluchtplaatsen, risicocommunicatie en kwetsbare groepen niet te duiden. Er dient eerst een bewezen goede QRA te zijn. Tevens ontbreekt een Bedrijfsbrandweerrapport bij de aanvraag. Zo’n rapport geeft voor de meest waarschijnlijke scenario’s de mogelijkheden weer voor hulpdiensten om een inzet te plegen die de gevolgen beperken.
Het ontbreken van zo’n Bedrijfsbrandweerrapport, eigenlijk een “verplichting” voor elk BRZO bedrijf, is op z’n minst een ernstige omissie te noemen, maar doet ons anderzijds vermoeden dat zo’n rapport niet veel verder komt dan beschrijven dat alle serieuze scenario’s niet te beteugelen zijn. Met andere woorden, expres niet verplicht is gesteld, één en ander te zien in het licht van de onvolledige informatie naar de burgers. Onrechtmatige daad Door op onvoldoende wijze en het besef van fouten in de berekening van het risico voor omliggende gemeenten en burgers, wordt door het management en DCMR een onrechtmatige daad gepleegd (en wel met voorbedachten rade). Men had die fouten moeten herstellen. Vergoeding van schade Gelet op grote risico’s is het wenselijk om nu al de vergoeding van schade te regelen. Hoe verloopt de procedure en wie betaalt? Voorwaarde energietransitie De tank 3 is geen voorwaarde voor de energie transitie in de haven van Rotterdam. Geleverde technische documentatie De geleverde informatie is onvoldoende om te kunnen spreken over een project dat veilig is. Wat nu geleverd is, biedt geen goede houvast voor de inspectie bij inbedrijfstelling en handhavers bij bedrijfsvoering door DCMR.
Basis voor hulpverlening Wij concluderen dat als eerste stap een Mer wenselijk is om op ruime schaal burgers hierbij te betrekken en kennis te nemen van hun zienswijze en deskundigen dan sturing te laten geven aan het bepalen van de veiligheid van het project en de te
Blad 30 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
23.
24.
nemen maatregelen voor het borgen van de veiligheid, hulpverlening en schadevergoeding. Sanering huidige OTE-installatie Nu blijkt dat er reden is om niet te vertrouwen op de kwaliteit van QRA studies, ontstaat twijfel aan de veiligheid van de huidige OTE-installatie en de 10-6 contour tussen Voorne aan Zee en het havengebied en is het beeld dat die nu al te saneren zijn. Wij verzoeken u dat te onderzoeken nadat de bovenvermelde fouten zijn hersteld. Volgende stappen De volgorde hoort te zijn: 1. Eerst een Mer-procedure, zodat alle belangen op tafel komen en het geheel ruim beoordeeld kan worden 2. Dan is er goed inzicht in de faalkansen en faalmechanismen en goed inzicht in het verloop van de kokende en verdampende ammoniak 3. Ontwikkelen van beheers-, bestrijdings- en evacuatieplannen 4. Pas als is vast te stellen dat de worst case “beheersbaar” is, dan pas kan onzes inziens goedkeuring worden gegeven.
Over deze zienswijzen merken wij het volgende op: Ad 1. De opslag bij OTE wordt in de zienswijze vergeleken met een kerncentrale. De effecten van een groot incident bij een kerncentrale zijn echter naar onze mening niet vergelijkbaar met een groot ammoniakincident. De effecten in het eerste geval zijn namelijk langdurig van aard (denk aan Tjernobyl). In verband met de te verwachten gevolgen wordt gesteld dat een Mer-procedure wenselijk is, ook omdat het niet gaat om een eenmalige opslag van 60.000 ton, maar om de eerste in een reeks. Voor het aangevraagde project verwijzen wij naar onze reactie op de door VVBV ingebrachte bezwaar dat is opgenomen in de alinea ‘Milieueffectrapportage’. Voor het grotere geheel zou het zeker nuttig kunnen zijn om, bijvoorbeeld aan de hand van een milieuverkenning, meer inzicht te verkrijgen in de relevante aspecten. Op basis van de uitkomsten kan dan een visie worden voorbereid voor de ruimtelijke inpassing. Bij te nemen besluiten kunnen deze uitkomsten dan betrokken worden bij Mer-procedures. Zie verder ook onze reactie op de zienswijzen 1 en 2 die door de Dorpsraad Oostvoorne zijn ingebracht. Ad 2 Door het directielid van de DCMR is het signaal afgegeven dat er op alle niveaus en 3. zeer serieus naar de veiligheid van nieuwe ammoniakinitiatieven moet worden gekeken. Dit heeft o.a.
geleid tot een meer kritische opstelling door het ministerie en tot het besluit om de PGS 12 richtlijn versneld te actualiseren. Daarnaast zijn in het geval van OTE extra veiligheidsvoorzieningen voorgeschreven, zoals een betonnen wand, dubbelwandige opslag in een zogenoemde full containment tank en het verbod op doorvoeringen door wanden en bodem. Naar onze mening zijn hiermee de belangrijkste criteria voor een veilig ontwerp aan de vergunning verbonden en
Blad 31 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
Ad 4.
Ad 5.
Ad 6.
Ad 7.
hebben we dit zorgvuldig overwogen. Gesteld wordt dat in de beoordeling geen rekening is gehouden met nieuwe externe risico’s zoals terroristische aanslagen en oorlogshandelingen. In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is echter geen beleidsruimte opgenomen om bij de beoordeling van aanvragen deze risico’s te betrekken. Bij de beoordeling van een vergunningaanvraag gaat het om de gevolgen van de inrichting op het milieu. De grondslag hiervoor is artikel 2.14 van de Wabo. Hieronder vallen dus niet terroristische aanslagen en oorlogshandelingen, omdat dit invloeden zijn die van derden komen en dus niet vanuit de inrichting. Voor het vervoer van ammoniak over water, spoor en weg, is het ministerie van I&W bevoegd gezag. De belangrijkste regels hierover zijn opgenomen in het zogenoemde Basisnet. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de bebouwde omgeving en de veiligheid van mensen die wonen of verblijven dicht in de buurt van de infrastructuur waar dit vervoer plaatsvindt. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het in de zienswijze genoemde convenant heeft uitsluitend betrekking op het vervoer van ammoniak over spoor.
De door OTE aangevraagde uitbreiding heeft geen relatie met spoorvervoer, maar heeft uitsluitend betrekking op de op- en overslag via steigers en transport per schip. Gezien de reacties op het eerste initiatief voor grootschalige opslag van ammoniak en de te verwachten uitbreiding op andere locaties in het havengebied, zijn ook wij van mening dat burgerparticipatie adequaat moet worden ingevuld. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het instellen van een klankbordgroep die het bevoegd gezag adviseert over relevante ontwikkelingen of initiatieven in het havengebied die effect zouden kunnen hebben op de woonomgeving. Zie ook onze reactie op de zienswijze van de gemeente Voorne aan Zee op dit punt (opgenomen onder ad 3). De voor de aangevraagde uitbreiding relevante informatie hebben wij op de reguliere wijze openbaar gemaakt. Wij zien geen redenen om aan te nemen dat deze informatie niet volledig zou zijn. Voor de opmerking over burgerparticipatie verwijzen wij naar onze reactie onder ad 5. In de vergunning is voorgeschreven dat rondom de full containment tank een betonnen wand moet worden aangebracht die bestand is tegen een drukgolf van 0,3 barg gedurende 300 ms en tegen de impact van fragmenten. Voor een nadere uitwerking van de vraag wat onder fragmenten moet worden verstaan, hebben we aansluiting gezocht bij de geactualiseerde (concept) PGS 12.
Gezien de locatie van de opslagtank: centraal gelegen op de zogenaamde co-site Moezelweg 151 en de afstand tot schepen, zijn scenario’s waarbij vrachtwagens, spoorketelwagens en/of tanks van binnenschepen betrokken zijn, niet realistisch. Zoals wij in onze reactie onder ad 3 hebben aangegeven, kunnen wij geen rekening houden met de impact
Blad 32 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
Ad 8.
Ad 9.
van bommen en granaten ten gevolge van terroristische aanslagen of oorlogshandelingen. Het is terecht door te stellen dat Safeti-NL een tweedimensionaal beeld geeft. In de berekeningen wordt uitgegaan van een vrije omgeving. Er wordt dus geen rekening gehouden met verdiepte havenbekkens en kades of dijken die een obstakel kunnen vormen voor de verspreiding van gassen en dampen. Ook internationaal is dit een gebruikelijke benadering. Er wordt door VVBV in haar zienswijze gesteld dat de wet Safeti-NL wel voorschrijft maar dat de regelgeving toelaat om andere modellen of gewijzigde programma’s te gebruiken als dat wenselijk is. Volgens de VVBV is Safeti-NL bedoeld voor ammoniak installaties tot 15 ton en mag het gebruikt worden voor grotere installaties. Echter 4.000 maal groter, roept bij de VVBV toch wel vragen op. Waar de genoemde grens van 15 ton op is gebaseerd, wordt door de VVBV niet vermeld. Tevens is, uitgaande van de huidige opslagcapaciteit op het terrein van OCI, geen sprake van een toename met een factor 4.000, maar van ‘slechts’ een factor 4. Wat betreft de toepassing van andere modellen; er zijn bijvoorbeeld CFD-modellen5 die voor een complex terrein wel de 3-dimensionale verspreiding van gassen kunnen berekenen. Deze modellen zijn alleen heel complex in gebruik en vragen veel rekencapaciteit. Daardoor zijn ze minder geschikt voor standaard risicoberekeningen.
Ook CFD-modellen hebben een onzekerheid, zeker op deze schaal. De VVBV stelt dat in een studie door DNV ten behoeve van het Amsterdamse havenbedrijf dit is onderkend en dat er toen een andere eigen versie is gebruikt. Hierbij moet worden opgemerkt dat als het bevoegd gezag van mening is dat er een ander model gebruikt moet worden, dit niet kan zonder vooraf toestemming te hebben verkregen van het RIVM. Door de VVBV wordt gesteld dat voor het beschouwen van de risico’s voor de omgeving niet alle elementen zijn betrokken om de “worst case”, inclusief dominoeffecten te berekenen. Het niet meenemen van de nieuwe tank, het zeeschip en de binnenvaartschepen, leidt tot een aanmerkelijke verlaging van de maximale uitstroom en geheel andere scenario’s. Het leidt er toe dat de risico’s van de aanvoer per zeeschip en de afvoer met binnenvaartschepen en het domino-effect van een exploderende tanker bijvoorbeeld, buiten beeld blijft. De faalkansen (de kans dat alle veiligheidsmaatregelen tekortschieten en ammoniak ongecontroleerd vrijkomt, falen) van verschillende soorten opslagtanks zijn echter bepaald op basis van expert judgement. Het klopt dat deze faalkans een onzekerheid kent. Ook de andere stappen in de risicoberekeningen hebben een onzekerheid. Zoals de verspreiding van een stof en de giftigheid van een stof voor de mens.
Het is mogelijk een (globaal) beeld van deze onzekerheid te krijgen. De besluitvorming gaat uit van de beste schatting van het risico. Niet van de onzekerheid in de berekening. Als er sprake is van onzekerheid, dan wordt meestal een veilige keuze gemaakt. In het
5 CFD staat voor Computational Fluid Dynamics, het is een model dat de verspreiding van gassen en vloeistoffen kan
berekenen.
Blad 33 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
Ad 10.
Ad 11.
Ad 12.
omgevingsveiligheidsbeleid wordt geen rekening gehouden met een terroristische daad of oorlogshandeling. In de berekeningen moet wel rekening gehouden worden met andere onvoorziene gebeurtenissen, dus ook met domino-effecten, maar alleen als het scenario geloofwaardig is. Als een installatie bijvoorbeeld onder een aanvliegroute ligt, dan moet het domino-effect door een neerstortend vliegtuig meegenomen worden. In andere gevallen niet. De kans dat een tank getroffen wordt door een stuk staal van een ontploffend ammoniakschip (dat is een domino-effect) wordt niet expliciet meegenomen. De kans op een explosie van een ammoniakschip is zeer klein. De kans is nog kleiner dat vervolgens de tank getroffen en ernstig beschadigd wordt. Bovendien is er alleen sprake van escalatie (groter worden) als de uitstroming uit de opslagtank (veel) groter is dan de uitstroming vanuit het schip. Bij elkaar genomen zien wij onvoldoende reden om dit domino-effect in een QRA op te nemen. Toxische effecten worden NIET afgekapt. Voor de groepsrisicoberekening is het volledige effectgebied (1% letaal) gebruikt, ook als dat op 20 km ligt. De afkap betreft alleen het gebied waarbinnen er met besluiten in het kader van de ruimtelijke ordening rekening gehouden moet worden met de risico’s.
Het argument hierachter is dat als de populatie buiten de 1.500 meter een probleem vormt voor het groepsrisico, de oplossing binnen de 1.500 meter gezocht moet worden. De bronterm (het vrijkomen van de gevaarlijke stof) heeft in een QRA-berekening inderdaad een maximale duur van 1800 seconden. De tijdsduur van 1800 seconden is voorgeschreven in het Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid. De veronderstelling is dat na een half uur de uitstoot van en blootstelling aan gevaarlijke stoffen sterk verminderd is door ingrijpen van het bedrijf en de hulpdiensten. Ook zullen na deze 30 minuten mensen of al zijn overleden, of zichzelf in veiligheid hebben gebracht. Op basis van dit argument is een risicoberekening met 30 minuten blootstelling correct. Door de VVBV wordt gesteld dat de mate van zelfredzaamheid onvoldoende is onderzocht en lijkt te leiden tot een onderschatting van het aantal slachtoffers. Hierbij geven zij aan dat de zelfredzaamheid in Safeti-NL standaard op een dag en nacht-niveau (.93 en .99) staat en men geacht wordt thuis te zitten met gesloten ramen. Volgens de VVBV geven de ‘handleidingen’ aan dat er een grote verantwoordelijkheid ligt om dat te onderzoeken. Onder andere liggen in de nabijheid van de locatie een camping en bejaardentehuizen. Ook ontstaat er een knelpunt tijdens feesten in een stad die maar weinig uitgangen heeft.
Ook staan in de zomer veel ramen in slaapkamers open. De VVBV stelt dat wanneer dit allemaal wordt meegewogen de uitkomsten van de berekeningen en de beoordeling daarvan heel anders worden ingeschat dan nu wordt gepresenteerd. Wij hebben echter vastgesteld dat in de QRA met zelfredzaamheid op de gebruikelijke wijze rekening gehouden is waarbij ook bejaardentehuizen en de nabijgelegen camping op de juiste wijze is ingevoerd. Wij zien geen reden om van deze systematiek af te wijken.
Blad 34 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
Ad 13.
Ad 14. Ad 15.
Ad 16.
Ad 17.
Ad 18.
Wij hebben gelet op de zienswijze tevens nog een aanvullende berekening uitgevoerd waarbij het in de zienswijze genoemde feest in Brielle is meegenomen. Uit deze berekening blijkt dat dit feest geen effect heeft op de uitkomsten omdat dit 'slechts' 1/365e deel van het jaar plaatsvindt. Indien er een gifwolk ontstaat met een relatief grote omvang, kan gesproken worden van een incident waarvoor het Rampenbestrijdingsplan in werking moet worden gesteld. De kans hierop is echter zeer klein. Rampenbestrijding valt buiten de bevoegdheid van het Wabo-bevoegd gezag. De Wet veiligheidsregio’s (Wvr) vormt de basis voor het toezicht van de Inspectie Justitie en Veiligheid (JenV) op de rampenbestrijding en crisisbeheersing (art. 57 Wvr). De Wvr heeft als doel een efficiënte en adequate organisatie van brandweerzorg, geneeskundige hulpverlening en crisisbeheersing onder regionale bestuurlijke regie. Zie verder onze reactie onder ad 18 onder Rampenbestrijdingsplannen. De risico's zijn zodanig geminimaliseerd en via voorschriften in de vergunning geborgd dat wij van mening zijn dat er geen sprake is van bedreiging van de natuur. In voorschrift 1.3 is opgenomen dat er een onderzoek moet worden verricht naar de effecten die kunnen optreden bij een grote uitstroom en de eventuele te treffen maatregelen om deze effecten te verkleinen.
De voorgeschreven betonnen wand rondom de dubbelwandige tank kan, in het extreme geval dat beide stalen tanks zouden falen, als (tertiaire) opvang dienen. De voorgeschreven betonnen wand is echter primair bedoeld om de stalen full containment tank te beschermen tegen explosies en tegen de impact van fragmenten. Hoewel de kans daarop extreem klein is, zal een beschadiging van het dak het meest realistische scenario zijn waarbij ammoniak vanuit de tank kan vrijkomen. Afhankelijk van de in de tank heersende druk, de volumegraad en de diameter van het gat, zal zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, het effect naar de omgeving beperkt zijn. Het in de zienswijze aangehaalde beoordelingskader voor het groepsrisico hebben wij toegepast. Omdat in de zienswijze geen argumenten worden genoemd om hieraan te twijfelen, zien wij geen reden om ons standpunt te herzien. In haar zienswijze gaat de VVBV in op zowel de rampenbestrijding als de bedrijfsbrandweerrapportage. Onderstaand geven wij per punt onze reactie. Voor de goede orde moet hierbij vermeld worden dat voor beide punten de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) hiervoor verantwoordelijk is op grond van de Wet- en het Besluit veiligheidsregio’s. Wij hebben de VRR dan ook over deze punten om advies gevraagd.
In haar advies stelt de VRR het volgende: Rampenbestrijdingsplannen Met een ‘rampscenario’ wordt inzicht verkregen in het grootste effect van een zwaar ongeval dat als gevolg van de activiteiten op het terrein van een Seveso-inrichting kan optreden en waarbij er ondanks het repressief optreden, schade aan gebouwen
Blad 35 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
of personen in de omgeving van de Seveso-inrichting kan ontstaan (PGS 6:2023 versie 1.0). Een rampscenario kan instantaan optreden of zich langzaam ontwikkelen in de tijd. Indien het scenario zich langzaam ontwikkelt, kunnen nog maatregelen door de overheid worden genomen, bijvoorbeeld het evacueren van personen in het effectgebied. De maatregelen van de overheid kunnen dus worden afgestemd op het verloop van het rampscenario. Vandaar dat er informatie moet zijn over de ontwikkeling van een rampscenario. Aangezien OTE op grond van het Brzo 2015 een ‘hogedrempel’-inrichting is, maakt OTE als verplichting vanuit de Wet- en het besluit veiligheidsregio’s al lange tijd onderdeel uit van de rampenbestrijdingsplanvorming van de VRR. Het rampenbestrijdingsplan ’Brzoinrichtingen’ is een generiek opgesteld plan, dat van toepassing is op de multidisciplinaire incidentbestrijding bij alle betreffende bedrijven in de regio. Het plan is gericht op het gebruik ervan tijdens het eerste operationele optreden ter plaatse bij een ramp of zwaar ongeval en voor de operationele hulpverleners, maar ook de gemeenschappelijke meldkamer. Het plan bestaat uit zes generieke scenario’s. Gezien de opslag en verlading van (koude en warme) ammoniak is voor OTE het generieke scenario ‘dispersie’ van toepassing. Dit wil zeggen de verspreiding van in dit geval ‘ammoniak’ door de lucht.
Deze verspreiding is afhankelijk van de omvang van een lekkage, maar ook van meteo-omstandigheden. De bronsterkte zal in de loop van de tijd afnemen. De snelheid van afname hangt af van de stof-, systeem- en procesparameters, de locatie, de vorm en de grootte van het gat. De emissieduur is afhankelijk van onder meer de systeeminhoud, de gatgrootte, de hoeveelheid stof en de effectiviteit van de bronbestrijdingsmaatregelen. Om de effecten in beeld te brengen wordt gebruik gemaakt van effectmodellering. Dit maatwerk wordt gecombineerd met beschikbare digitale datastromen met specifieke bedrijfs- en omgevingsgegevens. Bij de aanvraag voor de wijziging van de omgevingsvergunning milieu heeft OTE op basis van paragraaf 4.13, eerste lid van de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) de zogenaamde gesterde delen van haar veiligheidsrapport ingediend. OTE geeft in deze bijlage van de aanvraag aan dat er ten aanzien van de rampenbestrijding geen nieuwe inzichten zijn. Omdat het zowel voor de bestaande situatie als de nieuwe situatie om dispersie van ammoniak gaat, is dit een juiste constatering. Op basis van de bevindingen zullen in het effectgebied aanwezigen middels een NL-alert en via het Waarschuwings- en Alarmeringssysteem (‘de sirenes’) geïnformeerd worden en geadviseerd worden om te gaan schuilen (met gesloten ramen/deuren en uitgeschakelde ventilatie).
In een binnen-situatie gecombineerd met voornoemde maatregelen kan, afhankelijk van de bouwaard, enkele uren veilig worden geschuild. Bij grootschalige scenario’s met ammoniak zullen er grofweg drie schillen zijn die in elkaar overgaan: - nabij de bron zullen mogelijk doden vallen; - verder van de bron zal een effectgebied zijn waarin gezondheidseffecten zullen
Blad 36 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
optreden, er gewonden zijn, en de hulpverlening bemoeilijkt wordt door de aanwezigheid van ammoniakgas; - nog verder van de bron zal een veel groter gebied zijn met vooral geurhinder en prikkelingsklachten (die herstellen na het stoppen van de blootstelling). Door de sterk irriterende werking zal een eventuele lekkage snel worden opgemerkt (de stof heeft goede waarschuwende eigenschappen). De blootstelling kan echter ook een incapaciterende werking hebben op vluchtende mensen: denk aan tranende ogen en bij hogere concentraties ademhalingsproblemen. Hoe ver de schillen reiken en of de geneeskundige hulpverlening voldoende is toegerust om bepaalde scenario’s met ammoniak aan te kunnen, hangt af van veel factoren, zoals de bronsterkte, meteo, blootstellingsduur, bestrijdbaarheid e.d. Hoeveel gewonden er kunnen vallen en in hoeverre de geneeskundige hulpverleningscapaciteit voldoende is, hangt ook sterk af van de populatiedichtheid in het effectgebied. Mocht het aantal slachtoffers hoger zijn dan de ambulancedienst VRR aan kan, zal volgens landelijk model, assistentie van ambulancediensten in het land worden ingeroepen. De impact van een dergelijk scenario is mogelijk groot.
De kans dat een dergelijk scenario zich voordoet moet daarom zeer klein zijn om bij een aanvaardbaar restrisico voor omwonenden en hulpverleners uit te komen (immers: elke stof/activiteit/product kent een restrisico). De VRR deelt dan ook niet de zienswijze van de VVBV dat zij zich alleen maar beperkt tot het ‘activeren van de sirenes’. Uit de meest recente beoordeling van Inspectie Justitie & Veiligheid (december 2016) was de conclusie dat de VRR de basis van de rampenbestrijding op niveau en op orde heeft. De Inspectie gaf nog wel enkele verbeterpunten ten aanzien van advisering binnen de operationele onderdelen in de opschalingsstructuur. Bedrijfsbrandweeraanwijzing OTE (als rechtsopvolger van Micro Chemie) heeft sinds juli 2006 een bedrijfsbrandweeraanwijzing (artikel 31 Wet veiligheidsregio’s, Wvr). Op basis van de uitwerking van de bestrijding en beheersing van de geloofwaardige bedrijfsbrandweerscenario’s (die leiden tot een bijzonder gevaar voor de openbare veiligheid, dat wil zeggen schade aan gebouwen of personen in de omgeving van de inrichting) is er geen directe inzet van repressief (brandweer-)personeel en mobiele middelen noodzakelijk. Dit heeft te maken met het feit dat voor de scenario’s waarbij bij verlading ammoniak kan vrijkomen, stationaire voorzieningen zijn aangebracht.
Deze stationaire waterwerpers en waterschermen zijn bij de verlading van schepen, tankwagons, spoorketelwagons en opwarmeenheid koude ammoniak aanwezig en zijn bedoeld om de vrijkomende ammoniak af te vangen. Verder zijn er brandkranen beschikbaar waarmee de (bedrijfs-)brandweer een inzet voor beperken verspreiding kan doen. OTE moet deze noodzakelijke voorzieningen daarom in stand houden. Voor bestaande opslagtanks zijn gezien de getroffen maatregelen geen inzet van
Blad 37 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
Ad 19.
Ad 20.
Ad 21. Ad 22.
een bedrijfsbrandweer nodig geacht. Vanuit veiligheid voor personeel, inclusief bedrijfsbrandweer, genieten stationaire voorzieningen om incidenten te bestrijden/beheersen de voorkeur boven de inzet van een bedrijfsbrandweer voor de bestrijding en/of beheersing van incidenten. Stationaire voorzieningen zijn, als ze goed worden onderhouden, direct inzetbaar. Verder heeft OTE een contract met de Gezamenlijke Brandweer, die invulling geeft aan de verplichte deskundige uit de aanwijzing om de effecten van de waterschermen te beoordelen. Middels een directe alarmering is geregeld dat de Gezamenlijke Brandweer, als bedrijfsbrandweer, snel gealarmeerd wordt. De zienswijze van de VVBV dat er bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning milieu een bedrijfsbrandweerrapport ingediend had moeten worden is op basis van de wet- en regelgeving niet juist. Na de wijziging/uitbreiding van opslag en verlading van ammoniak, zal OTE op basis van artikel 7.4 Besluit veiligheidsregio’s moeten beoordelen of deze significante gevolgen heeft voor het bedrijfsbrandweerrapport. Bij significante gevolgen zal OTE zo spoedig mogelijk een gewijzigd bedrijfsbrandweerrapport bij de VRR moeten indienen. Aangezien OTE ook bij deze wijziging/uitbreiding stationaire voorzieningen gaat aanbrengen, is op dit punt niet te verwachten dat dit tot een aanwijzing bedrijfsbrandweer leidt.
Door de combinatie ‘full containment’ van de nieuwe opslagtank en de beschermingswand zijn er geen geloofwaardige bedrijfsbrandweerscenario’s voor de nieuwe opslagtank en zijn er ook geen stationaire waterschermen noodzakelijk. Ten aanzien van de gelijktijdige verlading brandbare vloeistof (van buurbedrijf ETT) en ammoniak, moet OTE vanuit de vergunningsvoorschriften 2.8 en 2.15 de uitgangspunten bij het bevoegd gezag ter goedkeuring gaan indienen. Dit besluit hebben wij zorgvuldig voorbereid. Daarnaast is bij het beoordelen van de aanvraag van OTE aan de beoordelingsvereisten van artikel 2.14 van de Wabo voldaan. Hierdoor is er geen sprake van een onrechtmatige daad. De vergunning is het sluitstuk van een procedure waarin juist het voorkómen van incidenten als uitgangspunt is gehanteerd. Zodoende is er geen reden om over eventuele afhandeling van schade afspraken te maken. Zie hiervoor onze reactie op de door de heer F.W. Derks ingediende zienswijze, opgenomen onder ad 3. Geen enkel project kan als volledig veilig worden aangemerkt. Bij de beoordeling van de aanvraag hebben wij het uitgangspunt gehanteerd dat gestreefd moet worden naar een situatie die zo veilig mogelijk is. Ook bij het BRZO toezicht wordt dit als uitgangspunt gehanteerd.
Daar waar in de aanvraag nog onvoldoende informatie is opgenomen, hebben wij in voorschriften opgenomen dat rapportages, uitgangspunten documenten (UPD’s) of uitgewerkte ontwerpinformatie ter goedkeuring aan het bevoegd gezag moet worden voorgelegd. Op het afzien van een volledige m.e.r.-procedure verwijzen wij gemakshalve naar de paragraaf
Blad 38 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
Ad 23.
Ad 24.
‘Milieueffectrapportage’ waarin ingegaan wordt op het door de VVBV ingediende bezwaar. De bestaande situatie is enkele jaren geleden beoordeeld en vergund via het besluit van 11 maart 2019 met kenmerk BES98507074_9999530730. In de nu voorliggende aanvraag worden geen veranderingen aangevraagd die betrekking hebben op de bestaande opslagen en installaties. Zodoende hebben wij ook niet onderzocht of sprake is van een saneringssituatie. Nadat de PGS12 is geactualiseerd voor bestaande situaties, zullen wij op basis van die richtlijn beoordelen of er een noodzaak bestaat om voor de bestaande situatie aanvullende en/of aangescherpte eisen op te leggen. Samengevat wordt in deze zienswijze voorgesteld om de beoordeling van de aanvraag opnieuw te doen waarbij gestart wordt met een Mer-procedure en waarbij in de beoordeling (meer) rekening wordt gehouden met een aantal aspecten die in overige zienswijzen zijn aangevoerd. Voor het afzien van een volledige m.e.r.procedure verwijzen wij naar de paragraaf ‘Milieueffectrapportage’ waarin ingegaan wordt op het door de VVBV ingediende bezwaar en voor de overige aangehaalde aspecten naar onze reactie die daarop betrekking heeft.
Op 1 november 2023 hebben wij schriftelijke zienswijzen ontvangen van OCI Terminal Europoort BV (OTE). De zienswijzen zijn binnen de wettelijke termijn naar voren gebracht en worden in behandeling genomen. De zienswijzen zijn als volgt samengevat. 1. Voorschrift 1.1. Vanuit het oogpunt van rechtszekerheid dienen de eisen die worden gesteld aan de activiteiten van een inrichting, zoveel mogelijk in voorschriften opgenomen te worden in plaats van dat deze indirect volgen uit andere (externe) documenten. OTE verzoekt dan ook alleen de omschrijving van de activiteiten onderdeel te laten uitmaken van de definitieve omgevingsvergunning. Concreet gaat het dan om de paragrafen 4.3, 4.4 en 4.5 van bijlage 0 ‘Milieurapportage v.5.0, OCI Terminal Europoort B.V.’, gedateerd 18 april 2023. 2. Voorschrift 2.3 Uit voorschrift 2.3 volgt dat de betonnen wand van tank TK-1003 bestand moet zijn tegen de impact van fragmenten. Er is echter niet gespecificeerd om welke (impact van) fragmenten het gaat. Daarmee is ook niet duidelijk waaraan de betonnen wand moet voldoen en of OTE daaraan kan voldoen. OTE verzoekt dan ook om te verduidelijken om welke (impact van) fragmenten het gaat. 3. Voorschrift 2.4 Volgens dit voorschrift kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen aan het ontwerp van tank TK-1003.
Er is vervolgens niet gespecificeerd (beoordelingscriteria) waaraan deze nadere eisen dienen te voldoen, waardoor dit nu in feite een ‘carte blanche’ is.
Blad 39 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
4.
5.
6.
7.
In voorschrift 2.1 van de ontwerpbeschikking staan reeds de eisen waaraan het ontwerp van de tank moet voldoen. Om die reden is het ook niet nodig, ook niet in het belang van de bescherming van het milieu, om de laatste zin in voorschrift 2.4 op te nemen. Mocht toch besloten worden de laatste zin in het voorschrift te laten staan, dan meent OTE dat in ieder geval gespecificeerd zal moeten worden waaraan de door het bevoegd gezag (eventueel) te stellen nadere eisen dienen te voldoen. Voorschriften 2.8, 2.9, en 2.10 In deze voorschriften is, kort samengevat, bepaald dat binnen aangegeven termijnen een uitwerking van het beheersen en bestrijden van bepaalde ongewone voorvallen bij het bevoegd gezag ter goedkeuring moet worden ingediend. In de voorschriften is aangegeven dat de (ongespecificeerde) activiteiten pas mogen starten, als de uitwerkingen zijn goedgekeurd en de voorzieningen zijn opgeleverd. OTE gaat er van uit dat de aangehaalde activiteiten betrekking hebben op activiteiten waarvoor de uitwerking nog moet plaatsvinden, maar dat staat niet letterlijk in de voorschriften. Om enig misverstand hierover in de toekomst te voorkomen verzoekt OTE om ‘de activiteiten’ verder te specificeren. In haar zienswijze heeft zij hiervoor een voorstel voor nadere uitwerking opgenomen.
Voorschriften 2.11, 2.12 en 2.13 In deze voorschriften is aangegeven dat een geaccrediteerde A instelling het voorgeschreven Uitgangspunten document (UPD) moet beoordelen. Voor het in de voorschriften genoemde inspectieschema zijn er volgens OTE nog geen accreditaties en zijn er zodoende ook geen instellingen die hiervoor zijn geaccrediteerd. OTE verzoekt om deze reden dan ook om in de voorschriften toe te voegen dat het oordeel ook door een door het bevoegd gezag goedgekeurde inspectie-instelling afkomstig mag zijn. Voorschrift 2.15 en 2.16 Deze voorschriften zien, kort samengevat, op de (aanwezigheid van) stationaire waterspoei-installaties en ammoniakgasdetectie voor de verschillende uitvoeringsfasen van het project. Het ontwerp van de te bouwen installaties zijn niet tegelijkertijd aanwezig. Omdat de uitvoeringsfasen niet tegelijkertijd starten en gelet op de leesbaarheid, verzoekt OTE om de voorschriften op te splitsen per uitvoeringsfase. Een voorstel hiervoor is als bijlage bij de zienswijze gevoegd. Voorschrift 3.3 In dit voorschrift is opgenomen dat het fakkelsysteem bij een defect onmiddellijk en op een veilige wijze buiten bedrijf moet worden gesteld en gerepareerd. Volgens OTE is het echter niet altijd mogelijk om dit onmiddellijk (direct) te doen omdat dit afhankelijk is van de omstandigheden van de betreffende situatie.
Om deze reden verzoekt OTE de term ‘onmiddellijk’ te vervangen door ‘zo spoedig mogelijk’. Dit is volgens OTE ook in lijn met titel 17.1 Wet milieubeheer (Maatregelen bij een ongewoon voorval).
Blad 40 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
Over deze zienswijzen merken wij het volgende op: Ad 1. OTE beroept zich op het wetsvoorstel uit 2005 waarin beoogd wordt, door het schrappen van artikel 8.11 van de Wm, om het automatisme dat bij veel vergunningverleners bestond om de gehele vergunningaanvraag of grote delen daarvan onderdeel te maken van de vergunning, te doorbreken. Om verschillende redenen is het koppelen van grote delen van de aanvraag aan de vergunning onwenselijk. Hiermee wordt namelijk vaak onnodig de handelingsvrijheid van bedrijven beperkt. Bovendien lenen veel beschrijvingen in de aanvraag zich niet om in een juridisch bindend document te worden opgenomen, de beschrijvingen zijn ook niet met dat doel opgesteld. Wij kunnen ons vinden in deze stellingname en besluiten om de in voorschrift 1.1 genoemde bijlage 5 (QRA) en 12 (Gap-analyse Bref CWW) en de ‘schriftelijke reactie OTE op aanvullende vragen’, geen deel meer te laten uitmaken van het besluit. Omdat duidelijk moet zijn op welke locaties veranderingen worden doorgevoerd en dit niet voldoende concreet in het beschrijvende deel van bijlage 0 is aangegeven, blijft bijlage 1 Plotplan wel deel uitmaken van de vergunning.
Tot slot kunnen wij ons vinden in het voorstel om alleen de paragrafen 4.3, 4.4 en 4.5 via voorschrift 1.1 deel uit te laten maken van de vergunning omdat daarin de aan te vragen veranderingen staan aangegeven, inclusief de maximale hoeveelheden die jaarlijks per modaliteit worden aan- of afgevoerd. Voor de relevante milieuaspecten hebben wij via voorschriften afdoende eisen gesteld aan de aangevraagde (verandering van de) activiteiten. Ad 2. OTE stelt terecht dat in voorschrift 2.3 niet is gespecificeerd wat onder fragmenten wordt verstaan. Duidelijk moet zijn tegen welke impact de betonnen wand bestand moet zijn. Op 4 december 2023 is een actuele versie van de PGS 12 voor commentaar beschikbaar gemaakt. In deze versie wordt aangegeven wat onder fragmenten moet worden verstaan, waarbij een aantal voorbeelden wordt genoemd: een afsluiter van 150 kg met een snelheid van 50 m/s en een impactoppervlakte met een diameter van 0,25 m en de impact van een klein vliegtuig gemodelleerd als een motorblok van 200 kg met een snelheid van 100 m/s en een impactoppervlakte van 0,5 m2 (diameter 0,8 m). Wij zullen de in voorschrift 2.3 genoemde fragmenten nader specificeren door bovenstaande twee punten daarin op te nemen. Ad 3.
Zoals aangegeven in onze overwegingen, hebben wij voor zover mogelijk voor de constructie van de opslagtank, inclusief leidingen, appendages en toebehoren, aansluiting gezocht bij de artikelen uit de richtlijn PGS12:2014. Wij hebben daarnaast aanvullende eisen gesteld. Voor de beoordelingscriteria zullen wij ons baseren op de geactualiseerde versie van de PGS12. De geactualiseerde versie is op 4 december 2023 voor een openbare commentaarronde gepubliceerd. Naar verwachting zal een definitieve versie in 2024 worden vastgesteld. Mocht er aanleiding bestaan om nadere eisen te stellen, dan zal dit betrekking hebben op de belangrijkste scenario’s als het voorkomen van overvullen, drukopbouw, onderdruk, in- en uitwendige corrosie en zettingen en het voldoende bestand zijn tegen externe
Blad 41 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
Ad 4. Ad 5.
Ad 6.
Ad 7.
impact en koudebelasting. Voor de volledigheid hebben we deze aanvulling als toelichting bij het voorschrift opgenomen. Wij kunnen ons vinden in het voorstel van OTE en hebben de voorschriften 2.8, 2.9 en 2.10 conform het voorstel geconcretiseerd. Wij onderschrijven de zienswijze van OTE omdat er geen inspectie-instellingen zijn die door de Raad voor Accreditatie, geaccrediteerd zijn om gasdetectie te beoordelen. De VIVB-schema’s ‘Gasdetectie’ zijn opgesteld door samenwerkende onafhankelijke inspectie-instellingen. Deze inspectie-instellingen zijn door de RvA wel geaccrediteerd voor bijvoorbeeld brandmeldinstallaties en brandbeveiligingsinstallaties. Wij hebben hierover advies gevraagd bij de VRR. De VRR adviseert ons om in het voorschrift uit te gaan van een inspectie-instelling die is aangesloten bij de VIVB. Dit is beter toepasbaar dan uit te gaan van een door het bevoegd gezag goedgekeurde inspectie-instelling omdat hiervoor geen eenduidige criteria zijn vastgelegd. Wij kunnen ons vinden in dit voorstel en hebben de voorschriften 2.11, 2.12 en 2.13 op dit punt aangepast. Ook in het concept voor de herziening van PGS12/fase 1: ‘Ammoniak - Opslag en verlading: nieuwbouw’ is opgenomen om uit te gaan van een bij de VIVB aangesloten inspectie-instelling. Dit concept is op 4 december 2023 op de website ‘publicatiereeks gevaarlijke stoffen’ 6 gepubliceerd.
In de zienswijze verzoekt OTE om de voorschriften 2.15 en 2.16 te splitsen in deelvoorschriften omdat het ontwerp van de te bouwen installaties niet tegelijk aanwezig zijn. Omdat de eisen in deze voorschriften in hoofdzaak betrekking hebben op incidentbestrijding, hebben wij advies gevraagd aan de VRR. Deze geeft aan geen bezwaar te hebben om de aangehaalde voorschriften aan te passen zoals door OTE voorgesteld. Omdat deze splitsing tevens naar analogie is met de voorschriften 2.8 tot en met 2.10 waar deze onderverdeling ook is gemaakt, zullen wij de splitsing ook doorvoeren in voorschrift 2.15 en 2.16. conform het voorstel van OTE. Wij kunnen ons vinden in het voorstel van OTE en hebben de term ‘onmiddellijk’ in voorschrift 3.3 vervangen door ‘zo spoedig mogelijk’.
Milieueffectrapportage De activiteit op- en overslag van ammoniak valt onder C.25 en D 25.1 van het Besluit m.e.r. (wijziging of uitbreiding van een installatie bestemd voor de opslag van aardolie, petrochemische of chemische producten). Omdat met de aangevraagde verandering de opslagcapaciteit met 60.000 ton toeneemt, is sprake van een wijziging of uitbreiding van een installatie en is, in dit geval, sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. De voorgenomen activiteit past in het bestemmingsplan. Belangrijkste aspecten bij deze vormvrije beoordeling zijn: uitvoering van de opslagtank voor gekoelde ammoniak en 6 https://publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl/publicaties/pgs12/
Blad 42 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
stikstofdepositie. De uitvoering van de opslagtank is in dit besluit uitgebreid beschouwd onder het aspect ‘externe veiligheid’ en de stikstofdepositie is separaat beoordeeld in het kader van de Wet natuurbescherming. Bezwaar op voorbereidingsbesluit m.e.r. Vereniging Verontruste Burgers van Voorne (VVBV) De VVBV heeft bij brief van 10 oktober 2023 bezwaar gemaakt tegen het voorbereidingsbesluit m.e.r. inzake het OCI Bunkeringproject van 2 oktober 2023 (kenmerk 2283172_5178094). Op 29 oktober heeft de VVBV aangegeven dat dit bezwaar ook als zienswijze moet worden gezien op onderhavig besluit. Voorafgaande aan het door de VVBV ingediende bezwaar heeft de VVBV op 3 oktober 2023 haar bezwaarpunten kunnen bespreken met de meest bij de procedure betrokken medewerkers van de DCMR. Op 20 februari 2024 hebben wij het advies op bezwaar van de provinciale bezwarencommissie ontvangen. Rekening houdend met dit advies hebben wij op 6 maart 2024 besloten het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren omdat de bezwaarde, los van de vergunningverlening, niet rechtstreeks in haar belangen wordt geraakt door het voorbereidingsbesluit inhoudende de Mer-beoordeling. De in het bezwaarschrift aangevoerde gronden zien namelijk allemaal op inhoudelijke bezwaren tegen de verlening van de vergunning.
Hieronder gaan wij in op de punten van bezwaar die betrekking hebben op het m.e.r.beoordelingsbesluit van DCMR van 2 oktober 2023 en die wij, zoals hiervoor aangegeven, als zienswijzen in dit besluit zullen meenemen. De zijnswijzen zijn als volgt samengevat. 1. Bezwaar m.e.r.-beoordelingsbesluit: De VVBV is belanghebbende en maakt bezwaar tegen het voorbereidingsbesluit om af te zien van een volledige m.e.r.-procedure bij OTE omdat het een bedreiging vormt voor de natuur op Voorne en de veiligheid van de woon- en leefomgeving op Voorne. De VVBV doet dus een beroep op artikel 6.3 van de Algemene wet Bestuursrecht. De VVBV meent dat openheid en transparantie recht doet aan de zorgen van de bewoners tegen de huidige gang die heeft geleid tot een ernstige onderschatting van de risico’s van 60.000 ton ammoniak in Europoort; Reactie: Voor dit voornemen is een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen op basis van artikel 2 lid 5 onder b van het Besluit m.e.r., omdat het voornemen het oprichten van een installatie voor de opslag van chemische producten (ammoniak) betreft volgens categorie D 25.1. De nieuwe opslagtank TK-1003 zal bestaan uit een dubbelwandige, full containment cryogene opslagtank met een betonnen omhulsel. De opslagcapaciteit van de nieuwe tank bedraagt 60.000 ton en ligt daarmee onder de drempelwaarde van categorie D 25.1, te weten van 100.000 ton of meer. Bij het
Blad 43 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
nemen van dit m.e.r.-beoordelingsbesluit is nadrukkelijk gekeken naar de veiligheidsrisico’s. Deze risico’s zijn volgens DCMR daarbij niet onderschat. De toxische eigenschappen van ammoniak zijn mede bepalend geweest bij het beoordelen van de externe veiligheidsrisico's. Door OTE is een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) uitgevoerd (kenmerk 0474783.100, revisie 2.0, gedateerd 20 december 2022) en als bijlage 5 bijgevoegd bij de aanvraag omgevingsvergunning van 23 december 2022. Door de veiligheidsdeskundigen van DCMR en de Veiligheidsregio Rotterdam (VRR) is bevestigd dat de QRA op een juiste wijze, conform de handreiking van het RIVM, is uitgevoerd en dat de risico’s aan de zuidzijde van de inrichting toenemen door de aanleg van een nieuwe steiger en de transferleiding daarnaartoe. Het plaatsgebonden risico (de PR 10-6 contour) valt buiten de inrichtingsgrens. Binnen de PR 10-6 contour bevinden zich geen kwetsbare objecten. OTE is tevens gelegen binnen de veiligheidscontour Europoort en Landtong. OTE voldoet zodoende aan de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico op de betreffende veiligheidscontour. Bij de berekening van het groepsrisico is volgens de veiligheidsdeskundigen afdoende rekening gehouden met de meest voor de hand liggende scenario’s die tot het vrijkomen van ammoniak in de omgeving zouden kunnen leiden, zoals tijdens de opslag en de verlading.
Vervolgens is het groepsrisico vergeleken met de oriëntatiewaarde. De uitgevoerde berekening toont aan dat het groepsrisico van de inrichting van OTE onder de oriëntatiewaarde ligt en daarmee onder de ijkwaarde van wat als maatschappelijk aanvaardbaar gezien mag worden. Het maximale aantal slachtoffers bedraagt 430. De maximale waarde is berekend op 0,49 (bij 250 slachtoffers) ten opzichte van de oriëntatiewaarde van 1. Op basis hiervan heeft DCMR advies ingewonnen bij de VRR en is tevens rekening gehouden met een aantal kwalitatieve aspecten, zoals de mogelijkheid van zelfredzaamheid van de bevolking en de mogelijkheid tot hulpverlening. De VRR adviseert dat de opslag voor ammoniak wordt uitgevoerd als een full containment dubbelwandige opslagtank met een vast dak, zodat bij een lek in de primaire wand de vrijkomende ammoniak binnen de secundaire wand blijft en er geen directe gevolgen voor de omgeving zullen zijn. Om lekkage van ammoniak uit de annulaire ruimte van de full containment tank door impact van buitenaf te voorkomen, adviseert de VRR daarnaast om de opslagtank te omsluiten door een betonnen wand die bestand is tegen drukgolven van 0,3 barg gedurende 300 msec en rondvliegende objecten als gevolg van externe explosies en tegen warmtebelasting.
Hiermee wordt aangesloten bij de voorlopige conclusies van het actualisatietraject voor de PGS12 (versie 12.1) en zal de faalfrequentie niet meer dan 1 x 10-8 (eens in de honderd miljoen jaar) bedragen voor het instantaan vrijkomen van ammoniak uit de opslagtank, conform de
Blad 44 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
definitie van de Handleiding Risicoberekeningen versie 4.3 van het RIVM. Ook adviseert de Veiligheidsregio om op locaties waar ammoniak vrij kan komen stationaire watermonitoren en/of watersproei-schermen te plaatsen die voor afvangen of eventueel opmenging van de ammoniak kunnen zorgen, zodat OTE bij een lekkage de gevolgen voor de omgeving kan beperken. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit geeft aan dat deze maatregelen in acht dienen te worden genomen bij de realisatie van dit voornemen en bevestigt dat deze in de beschikking voor de omgevingsvergunning opgenomen zijn als voorschrift (hoofdstuk 2 van de voorschriften). Mede op basis van deze informatie concludeert het m.e.r.-beoordelingsbesluit dat er geen belangrijke nadelige effecten te verwachten zijn voor het milieu en er daarom geen MER opgesteld hoeft te worden. 2.
De maatschappelijke beoordeling van de risico’s: De VVBV geeft aan dat de landelijke overheid al zeker 20 jaar bezig is om de gevaren van LPG, chloor en ammoniak te verminderen. Tevens wordt verwezen naar incidenten, zoals een tank in Jonava in Litouwen in 1989 en een ongeval in Dakar met ammoniak onder druk. Ook wordt verwezen naar uitspraken van de burgemeester van Groningen uit 2000, Berenschot, het Nederlands Instituut voor Veiligheid, Amsterdam, Antea en een uitspraak van de Minister; Reactie: In het kader van het m.e.r.-beoordelingsbesluit heeft DCMR rekenschap gegeven van al het relevante overheidsbeleid ten aanzien van ammoniakopslag en transport, inclusief de regels voor het vervoer van gevaarlijke stoffen via weg, water en spoor zoals opgenomen in Basisnet en waaraan OTE zich ook dient te conformeren. Dit is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en betreft extra veiligheidsmaatregelen voor Nederland, aanvullend op de Europese regels. Ten aanzien van de opslag van ammoniak sluit het m.e.r.-beoordelingsbesluit zich aan bij de voorlopige conclusies van het actualisatietraject voor de PGS 12 (versie 12.1).
Hierin is onder meer rekening gehouden met incidenten die in het verleden plaatsvonden rond ammoniakopslag, zoals het incident met de genoemde tank in Jonava in 1989, om te komen tot ontwerprichtlijnen die leiden tot een faalfrequentie van niet meer dan 1 x 10-8.
3.
De risico’s van ammoniak: Door de VVBV wordt gewezen op het feit dat ammoniak zeer giftig is en bij instantaan falen van de tank kan leiden tot giftige wolken aan de grond van 5 tot 10 kilometer lengte met grote gevolgen voor mens en natuur;
Blad 45 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
Reactie: DCMR onderschrijft dat ammoniak inderdaad zeer giftig is en met de uiterste zorg opgeslagen en vervoerd dient te worden volgens de daarvoor geldende richtlijnen en regelgeving. De grootste 1% letaliteitseffectafstand berekend voor de activiteiten binnen de inrichting van OTE bedraagt circa 4.829 meter. Deze effectafstand wordt veroorzaakt door het scenario ‘leeglopen in 10 minuten’ van de ammoniakopslagtanks TK-1001 en TK-1002, waarbij de gasdetectie niet heeft ingegrepen, en wordt bereikt bij een stabiel weerbeeld met een windsnelheid van 1,5 m/s (weersklasse F1,5). Dit scenario betreft het instantaan falen van de reeds bestaande en vergunde ammoniaktanks met een capaciteit van 15.000 ton ammoniak per tank, waarvoor de faalfrequentie 1,25 x 10-8 bedraagt. Deze scenario’s zijn meegewogen bij het bepalen van het groepsrisico en daarmee bij het vaststellen van het m.e.r.-beoordelingsbesluit. 4.
Het Safeti-NL model: Door de VVBV wordt er op gewezen dat de uitgevoerde Safeti-NL berekeningen een geringe toename van de 10-6 contour voor het plaatsgebonden risico laten zien t.o.v. de huidige situatie, terwijl de opslag driemaal zo groot wordt en er veel scheepsbewegingen en verladingen bij komen. Reactie: Per 1 april 2020 is Safeti-NL versie 8 het nieuwe voorgeschreven rekenprogramma in Nederland voor het berekenen van externe veiligheidsrisico’s van inrichtingen en buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De veiligheidsadviseurs van DCMR hebben geadviseerd dat dit programma op een juiste wijze is toegepast bij de aanvraag.
5.
Verschil van de maatschappelijke beoordeling en het model: Door de VVBV wordt gesteld dat er voldoende redenen zijn om een m.e.r.-procedure te doorlopen, aangezien er een groot verschil is tussen de maatschappelijke beoordeling en het Satefi model; dat gevreesd wordt voor een veel te klein berekende invloedzone (10-6 contour) en een te laag berekend groepsrisico, gezien een verdrievoudiging van de opslag. Het vermoeden wordt geuit dat er “alles aan gedaan wordt om dit project als eerste ammoniak project voor de verduurzaming door te drukken”. Er worden vervolgens acht argumenten aangehaald waarom het Safeti-NL model tot een onderschatting van de risico’s zou hebben geleid. Zie hiervoor onze reactie onder punt 4.
6.
M.e.r.-procedure: Door de VVBV wordt gesteld dat met een goed uitgevoerde m.e.r.-procedure bereikt wordt dat alle belanghebbenden zich melden en onafhankelijke deskundigen
Blad 46 van 81
Ons kenmerk
1910469_5163076
zorgvuldig in openheid en transparant zullen rapporteren over alle schades en de risico’s. “Dan kan een goede maatschappelijke afweging plaats vinden of deze tank met 60.000 ton zich op een aanvaardbare plaats zal bevinden, een plaatsing elders van ook het bestaande OTE wenselijk is, of dat de gehele omgeving aangepast moet worden.” Daarbij wordt erop gewezen dat de Wnb (Wet natuurbeheer) het bevoegd gezag ruimte biedt op maatwerk en tot een m.e.r.-procedure mag besluiten: “Wij duiden op de maatschappelijke en ruimtelijke context: centraal gelegen tussen drie woonkernen, de vele gevolgen die niet in Safeti-NL zijn begrepen en de bestuurlijke en maatschappelijke gevoeligheid die ontstaat als duidelijk wordt dat er een verkeerde voorstelling van zaken is gegeven door DCMR medewerkers. En dat dan ook nog met een toekomst met nog eens 33 ammoniak tanks in de haven”. Reactie: Het m.e.r.-beoordelingsbesluit is genomen na een gedegen afweging over de vraag of er belangrijke nadelige effecten voor mens en het milieu te verwachten zijn. Daarbij is ook geconstateerd dat dit voornemen en de locatie daarvoor binnen de voorschriften van het vigerende bestemmingsplan Europoort en Landtong valt, dat op 23 april 2015 is vastgesteld. Verder is dit besluit betrokken bij de totstandkoming van de ontwerpbeschikking.
Deze ontwerpbeschikking heeft volgens de vereisten van de wet voor zes weken ter inzage gelegen, zodat een ieder hiervan kennis kon nemen en zienswijzen kon indienen. 7.
Tank 3 is veilig, het zal nooit voorkomen: “Ongetwijfeld zal worden aangevoerd dat deze tank 3 veilig is; maar dat is al bij te veel rampen aangegeven: als er door de mens of externe omstandigheden niet goed mee wordt omgegaan, kan techniek geen veiligheid garanderen. Het is hoogmoed te denken dat het absoluut veilig is”. Reactie: DCMR heeft dit voorbereidingsbesluit genomen op basis van de bestaande richtlijnen en geldende regels met betrekking tot het bepalen van externe risico’s en het minimaliseren hiervan. Bij de ontwikkeling van de nieuwe PGS 12 richtlijn is rekening gehouden met alle bekende en vergelijkbare incidenten die op andere plekken in de wereld hebben plaatsgevonden. DCMR bevestigt dat de veiligheid van de tank (inclusief de faalkans van 1 x 10-8) op een juiste manier berekend is volgens de regels en richtlijnen die daarvoor in Nederland gelden.