CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

Wabo Beschikking OCI

Commissie Ruimte 15 mei 2024, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Vragen fractie FVD inzake vergunning ammoniaktank in Rotterdam Europoort.31.383 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Beschikking

OCI Terminal Europoort B.V. Moezelweg 151 3198 LS Europoort Rotterdam

Parallelweg 1 Postbus 843 3100 AV Schiedam T 010 – 246 80 00 F 010 – 246 82 83 E info@dcmr.nl W www.dcmr.nl

Ons kenmerk

Uw kenmerk

Datum

1910469_5163076

OLO 7473913

26 maart 2024

Contact

Afdeling

Bijlagen

info@dcmr.nl

Reguleren Advies en Omgeving

-

Onderwerp

Beschikking

BESLUIT van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland Onderwerp Op 23 december 2022 hebben wij van Antea Nederland B.V., namens OCI Terminal Europoort B.V. (verder OTE), een aanvraag ontvangen om een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag gaat over de locatie Moezelweg 151 te Europoort Rotterdam en is geregistreerd onder OLO-nummer 7473913. De aanvraag bevat het onderdeel Milieu. De aanvraag is de eerste fase van een gefaseerde aanvraag om een omgevingsvergunning en betreft het doorvoeren van een aantal veranderingen in het kader van het ‘Bunkering Project’. Het doel van dit project is om in de toekomst de afvoer van koude ammoniak mogelijk te maken en om de import en export van ammoniak te versnellen. Hiervoor worden diverse infrastructurele aanpassingen doorgevoerd, waaronder de bouw van een 60.000 ton tank voor de cryogene opslag van ammoniak. De aanvraag tweede fase heeft betrekking op Bouwen. Het betreft een inrichting voor de op- en overslag van ammoniak, de productie en op- en overslag van aqua-ammonia en de productie van demiwater.

Blad 1 van 81

Ons kenmerk

1910469_5163076

Besluit Wij besluiten, gelet op de aanvraag en de hierop gebaseerde overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op het gestelde in de Wabo, de omgevingsvergunning te verlenen voor de aangevraagde verandering (artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo). Daarnaast besluiten wij, gelet op de aanvraag en de hierop gebaseerde overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op het gestelde in de Wabo, voorschrift 3.8.11 verbonden aan de revisievergunning van 19 maart 2019 met kenmerk BES98507074 / 9999205624, in te trekken. Aan deze vergunning zijn voorschriften verbonden.

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, namens dezen,

Drs. H.F. Bakkeren teammanager afdeling Reguleren, Advies en Omgeving DCMR Milieudienst Rijnmond DCMR maakt gebruik van digitaal vaststellen, daarom ontbreekt een zichtbare handtekening.

Blad 2 van 81

Ons kenmerk

1910469_5163076

Inwerkingtreding en rechtsmiddelen De omgevingsvergunning wordt in fasen verleend. De beschikkingen voor beide fasen treden gezamenlijk in werking en vormen één omgevingsvergunning. Dit vindt plaats op het moment dat beide beschikkingen, afzonderlijk gezien, in werking kunnen treden. In onderhavig geval zal dat op het moment zijn dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is verstreken voor de beschikking op de tweede fase (uitgezonderd eventuele voorlopige voorzieningen). Beroep De termijn voor het indienen van een beroepschrift vangt aan met ingang van de dag na de dag dat het besluit ter inzage is gelegd en duurt zes weken. Indien belanghebbenden, of indieners van een zienswijze, beroep willen aantekenen, dient hun beroepschrift in tweevoud te worden ingediend bij de Sectie bestuursrecht van de Rechtbank Den Haag, Postbus 20302, 2500 EH Den Haag. Het beroepschrift heeft geen schorsende werking. Voorlopige voorziening Indien u, indieners van een zienswijze of derde belanghebbenden er tevens veel belang bij hebben dat dit besluit niet in werking treedt, dan kan een voorlopige voorziening worden gevraagd bij de Sectie bestuursrecht van de Rechtbank Den Haag, Postbus 20302, 2500 EH Den Haag. Het verzoek om voorlopige voorziening schorst niet de werking van dit besluit.

U kunt ook digitaal een verzoek om een voorlopige voorziening en/of beroepschrift indienen bij bovengenoemde rechtbank via http://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht. Daarvoor moet u wel beschikken over een elektronische handtekening (DigiD). Kijk op de genoemde site voor de voorwaarden.

Verzonden op: 2 april 2024

Blad 3 van 81

Ons kenmerk

1910469_5163076

INHOUDSOPGAVE VOORSCHRIFTEN MILIEU ........................................................................................................... 5 PROCEDURELE OVERWEGINGEN .......................................................................................... 15 INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN EN TOETSINGEN MILIEU ................................................ 51

Blad 4 van 81

Ons kenmerk

1910469_5163076

VOORSCHRIFTEN MILIEU

1.

Algemene voorschriften

1.1 De inrichting mag alleen in werking zijn overeenkomstig de beschrijving in de van deze beschikking deel uitmakende onderdelen van de aanvraag en de hierna volgende voorschriften. Daar waar de beschrijving in de aanvraag en de voorschriften met elkaar in strijd zijn, zijn de voorschriften bepalend. De onderstaande delen van de aanvraag maken deel uit van deze beschikking: − Bijlage 0 Paragraaf 4.3, 4.4 en 4.5 van Milieurapportage v5.0, OCl Terminal Europoort B.V, gedateerd 18 april 2023, exclusief bijlagen; − Bijlage 1 Plotplan, rev. 1, gedateerd 13 januari 2022. 1.2 Binnen zes maanden na het van kracht worden van dit voorschrift moet een aangevulde Milieu Risico Analyse (MRA) ter beoordeling aan het bevoegd gezag te worden voorgelegd. In deze MRA moeten de door Rijkswaterstaat in haar advies van 8 juni 2023 aangegeven punten zijn uitgewerkt. 1.3 Binnen zes maanden na het van kracht worden van dit voorschrift dient een kwalitatief onderzoek te zijn gedaan naar het gedrag van grote hoeveelheden ammoniak die uitstromen bij het volledig falen van tank TK-1003, wat de restrisico's zijn van deze onvoorziene lozing en welke maatregelen getroffen kunnen worden om de uitstroom naar oppervlaktewater te beperken.

Voor de beoordeling van de restrisico’s moet het Beoordelingskader van Rijkswaterstaat betreffende restrisico's van onvoorziene lozingen van 17 oktober 2013 als uitgangspunt worden gehanteerd. Een rapportage van dit onderzoek dient binnen zeven maanden na het van kracht worden van dit voorschrift ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te worden voorgelegd. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan het ingediende rapport om aan het doel van dit voorschrift te voldoen. 1.4 Binnen drie maanden na het van kracht worden van dit voorschrift moet een planning van de aangevraagde veranderingen aan het bevoegd gezag worden voorgelegd. In deze planning moeten de verschillende fasen van uitvoering zoals in de aanvraag beschreven (fase 1 tot en met 4) zijn opgenomen. Aan de hand van een actuele planning moet elke zes maanden over de voortgang aan het bevoegd gezag worden gerapporteerd.

Blad 5 van 81

Ons kenmerk

1910469_5163076

2.

Opslag en verlading van gekoelde vloeibare ammoniak

2.1 Tank TK-1003 voor de opslag van gekoelde vloeibare ammoniak dient te zijn uitgevoerd als full containment tank die voldoet aan: a. NEN-EN 14620-1:2006; b. Voorschriften 3.7.1 t/m 3.7.3, 3.7.7 t/m 3.7.26 van de richtlijn PGS 12:2014; c. 3.8.1 t/m 3.8.4 van de richtlijn PGS 12:2014; d. 3.8.6 t/m 3.8.8 van de richtlijn PGS 12:2014. Eventuele reparaties en/of wijzigingen dienen te worden uitgevoerd in overeenstemming met NEN-EN 14620-1:2006. 2.2 Om het risico op onbedoelde uitstroming te verkleinen, mogen doorvoeringen uitsluitend door de dakconstructie van tank TK-1003 worden aangebracht. 2.3 Om lekkage van ammoniak ten gevolge van mogelijke externe invloeden te voorkomen, dient tank TK-1003 voorzien te zijn van een betonnen wand die aansluit op de afloop van de dakconstructie (en dus nagenoeg even hoog is als de opslagtank) en die bestand is tegen: - een statische drukbelasting van 0,3 barg gedurende 300 ms; - impact van projectielen/fragmenten zoals een afsluiter van 150 kg met een snelheid van 50 m/s en een impactoppervlakte met een diameter van 0,25 m, loodrecht op de wand; - impact van een object van 200 kg (zoals een motorblok van een klein vliegtuig) met een snelheid van 100 m/s en een impactoppervlakte van 0,5 m2 (diameter 0,8 m), loodrecht op de wand en - warmtestralingsbelasting van 10 kW/m2 veroorzaakt door brand van omringende installatieonderdelen (o.a.

brand/fakkel van uitlaat van de ontlastklep; tankbrand van de dichtstbijzijnde tank, affakkelscenario op de terminal). Voor bijvoorbeeld inspectie van de opslagtank, zijn mangaten in de betonnen beschermingswand toegestaan, mits deze bestand zijn tegen bovengenoemde externe invloeden. 2.4 Het ontwerp van opslagtank TK-1003 moet uiterlijk zes maanden voor aanvang van de bouwwerkzaamheden ter beoordeling worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Het ontwerp dient te voldoen aan de voorschriften 2.1, 2.2 en 2.3. Tevens dienen in het ontwerp het voorkomen van de belangrijkste scenario’s aan bod moeten komen, zoals het voorkomen van

Blad 6 van 81

Ons kenmerk

1910469_5163076

overvullen, drukopbouw, onderdruk, in- en uitwendige corrosie en zettingen en het voldoende bestand zijn tegen externe impact en koudebelasting. 2.5 Inspectie en onderhoud van tank TK-1003 en toebehoren moet geschieden volgens een inspectieprogramma en een onderhoudsprogramma gebaseerd op hoofdstuk 7 van de EEMUA 147 versie 2016. 2.6 Om het risico op een scenario van versnelde drukopbouw in tank TK-1003 te beperken als gevolg van een te warme import flow naar de tank, moet er een onafhankelijke beveiliging worden gerealiseerd. De onafhankelijke beveiliging moet ten minste een SIL 3 classificatie hebben en de toevoer naar de tank tijdig stoppen. Signalering dient te gebeuren op basis van drukmetingen in de tank en temperatuurmeting in de voedingsleiding. Bij de SIL verificatie dient rekening te worden gehouden met de sluitingstijd van de klep en het voorkomen van waterslag in de voedingsleiding. Een nadere uitwerking van deze beveiliging moet in het in voorschrift 2.4 genoemde ontwerp zijn opgenomen. 2.7 Om het risico op een scenario van overvullen van tank TK-1003 te beperken als gevolg van een continue import flow naar de tank moet er een onafhankelijke beveiliging worden gerealiseerd. De onafhankelijke beveiliging moet ten minste een SIL 3 classificatie hebben en de toevoer naar de tank tijdig stoppen. Signalering dient te gebeuren op basis van niveaumetingen in de tank.

Bij de SIL verificatie dient rekening te worden gehouden met de sluitingstijd van de klep en het voorkomen van waterslag in de voedingsleiding. Een nadere uitwerking van deze signalering moet in het in voorschrift 2.4 genoemde ontwerp zijn opgenomen. 2.8 Uiterlijk drie maanden na van kracht worden van dit voorschrift moet bij het bevoegd gezag een uitwerking ‘beheersen en bestrijden ongewone voorvallen op Jetty 1 en Jetty 2 en transportleidingen’ (allen behorend bij uitvoeringsfase 1 en 2) ter goedkeuring bij het bevoegd gezag worden ingediend. Eerst na goedkeuring van de uitwerkingen en de oplevering van de voorzieningen, mag het tegelijkertijd verladen van brandbare producten en ammoniak aan Jetty1 starten. De uitwerking moet ten minste de volgende onderdelen bevatten: Algemeen De aard, de plaats, de omvang, het verloop in de tijd en de bestrijding of de beheersing van: ongewone voorvallen in het geval van:

Blad 7 van 81

Ons kenmerk

1910469_5163076

− −

gelijktijdige verlading van ammoniak en brandbare vloeistoffen (door Euro Tank Terminal) en; gelijktijdige verlading op twee verschillende plaatsen van ammoniak.

Randvoorwaarden en aannames die van invloed zijn op de snelheid van de inzet Uitstroomtijden, gatdiameters, beperkingen bij uitstroming door opvang of vrij uitstromen over de grond en hieruit voortvloeiend de maximale plasafmetingen moeten duidelijk worden aangegeven en/of de verspreiding van het ammoniakgas. Ongevalsgegevens Stofnaam van vrijgekomen product of mengsels, stoftypering voor betrokken producten, vrijgekomen hoeveelheden, maximale plasoppervlak, producttemperatuur, druk en temperatuur in het insluitsysteem of leiding, weertype, afstand van de bron tot bebouwing, openbare weg en/of openbaar terrein. Schade-ontwikkeling Uitstroming van brandbare of toxische gassen kan resulteren in een toxische, brandbare, of explosieve wolk. De incidentscenario’s moeten met een grafische weergave inzichtelijk worden uitgewerkt. Op de grafische weergave moeten de warmtestralingscontouren zijn aangegeven van 1 kW/m2, 3 kW/m2 en 10 kW/m² en/of de toxische wolkcontouren (AGWcontouren bij weertype D5 en F1,51). De weergave moet worden uitgewerkt op een plattegrond van de locatie en wel zodanig dat de infrastructuur, objecten en installaties zichtbaar zijn.

Verder moeten de middelen en mensen die worden ingezet voor de repressieve bestrijding van het scenario op de grafische weergave zijn aangegeven, rekening houdend met de warmtestraling door verlading van brandbare vloeistoffen door buurbedrijf Euro Tank Terminal op Jetty 1 en toxische effecten. Mogelijke uitbreiding wordt veroorzaakt door domino-effecten die kunnen ontstaan. De effecten zijn uit te drukken in een overdruk als gevolg van explosieve ontbranding en warmtestraling (10 kW/m²), waardoor secundaire branden of falen van installaties kunnen ontstaan. Als dit mogelijk is, moet worden aangegeven hoe deze gevolgen met preventieve maatregelen kunnen worden voorkomen of hoe deze effecten repressief (kunnen) worden bestreden, mede gezien in de tijd. Bij inzet van de (bedrijfs)brandweer moet voor de begrenzing van het veilig optreden van een brandweerploeg de 3 kW/m2 -contour worden bepaald. Bij een inzet van personen zonder beschermende brandweerkleding is het inzichtelijk maken van de 1 kW/m2 -contour vereist. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan het ingediende rapport/voorstel om aan het doel van dit voorschrift te voldoen.

2.9 Uiterlijk zes maanden voor ingebruikname van de bij uitvoeringsfase 4 behorende koelsystemen met compressoren en transportleidingen, moet bij het bevoegd gezag een uitwerking ‘beheersen en bestrijden ongewone voorvallen transportleidingen en koelsystemen met compressoren’ ter goedkeuring worden ingediend. Eerst na goedkeuring van de uitwerkingen 1 Zie voor de meeste recente Interventiewaarden de website van het RIVM

https://rvs.rivm.nl/normen/rampen-en-incidenten/interventiewaarden

Blad 8 van 81

Ons kenmerk

1910469_5163076

en de oplevering van de voorzieningen, mogen de tank en de bijbehorende installaties (koelsystemen met compressoren en transportleidingen) in gebruik worden genomen. In de uitwerking moeten ten minste de vier in voorschrift 2.8 aangegeven onderdelen zijn opgenomen. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan het ingediende rapport/voorstel om aan het doel van dit voorschrift te voldoen. 2.10 Uiterlijk zes maanden voor ingebruikname van de laadvoorzieningen op Jetty 5 moet bij het bevoegd gezag een uitwerking ‘beheersen en bestrijden ongewone voorvallen op Jetty 5’ ter goedkeuring bij het bevoegd gezag worden ingediend. Eerst na goedkeuring van de uitwerking en de oplevering van de voorzieningen, mogen de laadvoorzieningen op Jetty 5 in gebruik worden genomen. In de uitwerking moeten ten minste de vier in voorschrift 2.8 aangegeven onderdelen zijn opgenomen. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan het ingediende rapport/voorstel om aan het doel van dit voorschrift te voldoen. 2.11 Binnen een termijn van drie maanden na het van kracht worden van dit voorschrift moet het UPD ‘ammoniakgasdetectie’ van 5 oktober 2021’ (versie 9) voor de gasdetectie op de Jetty 1 en 2 worden aangepast en ter goedkeuring bij het bevoegd gezag worden ingediend. De opmerkingen uit het advies van de VRR van 24 november 2022 (kenmerk: 21UIT27626) moeten in deze aanpassing verwerkt worden.

Alvorens het UPD ter goedkeuring bij het bevoegd gezag wordt ingediend, moet het eerst door een inspectie-instelling die is aangesloten bij de VIVB positief zijn beoordeeld. Deze positieve beoordeling wordt verkregen indien een oordeel op basis van de VlVB-inspectieschema's Gasdetectiebeveiliging Basis- en detailontwerp, Inspectie en Goed/afkeur, minimaal leidt tot een 'JA-conclusie’ 2 Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan het ingediende rapport/voorstel om aan het doel van dit voorschrift te voldoen. 2.12 Uiterlijk zes maanden voor ingebruikname van de bij uitvoeringsfase 4 behorende koelsystemen met compressoren moet bij het bevoegd gezag een UPD ‘ammoniakgasdetectie nieuwe koelsystemen met compressoren’ ter goedkeuring bij het bevoegd gezag worden ingediend. Alvorens het UPD ter goedkeuring bij het bevoegd gezag wordt ingediend, moet het eerst door een inspectie-instelling die is aangesloten bij de VIVB positief zijn beoordeeld. Een positieve beoordeling wordt verkregen indien een oordeel op basis van de VlVB-inspectieschema's Gasdetectiebeveiliging Basis- en detailontwerp, Inspectie en Goed/afkeur, minimaal leidt tot een 'JA-conclusie’. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan het ingediende rapport/voorstel om aan het doel van dit voorschrift te voldoen.

2 Deze Inspectieschema's zijn te vinden op www.vivb.nl

Blad 9 van 81

Ons kenmerk

1910469_5163076

2.13 Uiterlijk zes maanden voor ingebruikname van de laadvoorzieningen op Jetty 5 moet een UPD ‘ammoniakgasdetectie Jetty 5’ ter goedkeuring bij het bevoegd gezag worden ingediend. Alvorens het UPD ter goedkeuring bij het bevoegd gezag wordt ingediend, moet het eerst door een inspectie-instelling die is aangesloten bij de VIVB positief zijn beoordeeld. Deze positieve beoordeling wordt verkregen indien een oordeel op basis van de VlVB-inspectieschema's Gasdetectiebeveiliging Basis- en detailontwerp, Inspectie en Goed/afkeur, minimaal leidt tot een 'JA-conclusie’. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan het ingediende rapport/voorstel om aan het doel van dit voorschrift te voldoen. 2.14 De in voorschrift 2.11, 2.12 en 2.13 genoemde onafhankelijke inspectie-instelling dient eenmaal per jaar te beoordelen of de gasdetectie nog voldoet aan het gestelde in de in deze voorschriften genoemde UPD's. 2.15 A. (Jetty 1) Stationaire watersproei-installaties ten behoeve van het beheersen van vrijkomend ammoniakgas door een lekkage moeten aanwezig zijn op Jetty 1. Koeling in geval van een plasbrand moet gebaseerd worden op NFPA 15 versie 2017. De capaciteit voor koeling is afhankelijk van de warmtebelasting. In geval van warmtestraling vanaf 10 kW/m2 moet deze capaciteit minimaal 2 l/min/m2 bedragen en bij direct vlamcontact 10 l/min/m2.

Voor alle watersproei-installaties en koelsystemen moet een uitgangspuntendocument worden opgesteld. Het UPD moet alvorens deze ter goedkeuring bij het bevoegd gezag wordt ingediend door een onafhankelijke inspectie-instelling zijn goedgekeurd. Voor het opstellen van het UPD en de beoordeling hiervan, evenals de beoordeling van de implementatie/oplevering, moeten de CCVinspectieschema’s UPD-PGS en BB-PGS worden aangehouden. Inspectie-onderdelen die eventueel buiten de accreditatie scope van de inspectie-instelling vallen, moeten op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd opleveringsprotocol in aanwezigheid van het bevoegd gezag worden opgeleverd. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan het ingediende rapport/voorstel om aan het doel van dit voorschrift te voldoen. 2.15 B. (Jetty 2) Stationaire watersproei-installaties ten behoeve van het beheersen van vrijkomend ammoniakgas door een lekkage moeten aanwezig zijn op Jetty 2. Voor alle watersproeiinstallaties en koelsystemen moet een uitgangspuntendocument worden opgesteld. Het UPD moet alvorens deze ter goedkeuring bij het bevoegd gezag wordt ingediend door een onafhankelijke inspectie-instelling zijn goedgekeurd. Voor het opstellen van het UPD en de beoordeling hiervan, evenals de beoordeling van de implementatie/oplevering moeten de CCVinspectieschema’s UPD-PGS en BB-PGS worden aangehouden.

Inspectie-onderdelen die eventueel buiten de accreditatie scope van de inspectie-instelling vallen moeten op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd opleveringsprotocol in aanwezigheid van het

Blad 10 van 81

Ons kenmerk

1910469_5163076

bevoegd gezag worden opgeleverd. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan het ingediende rapport/voorstel om aan het doel van dit voorschrift te voldoen. 2.15 C. (Jetty 5) Stationaire watersproei-installaties ten behoeve van het beheersen van vrijkomend ammoniakgas door een lekkage moeten aanwezig zijn op Jetty 5. Voor alle watersproeiinstallaties en koelsystemen moet een uitgangspuntendocument worden opgesteld. Het UPD moet alvorens deze ter goedkeuring bij het bevoegd gezag wordt ingediend door een onafhankelijke inspectie-instelling zijn goedgekeurd. Voor het opstellen van het UPD en de beoordeling hiervan, evenals de beoordeling van de implementatie/oplevering moeten de CCVinspectieschema’s UPD-PGS en BB-PGS worden aangehouden. Inspectie-onderdelen die eventueel buiten de accreditatie scope van de inspectie-instelling vallen moeten op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd opleveringsprotocol in aanwezigheid van het bevoegd gezag worden opgeleverd. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan het ingediende rapport/voorstel om aan het doel van dit voorschrift te voldoen. 2.15 D. (Koelsystemen en compressoren nieuwe opslagtank TK-1003) Stationaire watersproei-installaties ten behoeve van het beheersen van vrijkomend ammoniakgas door een lekkage moeten aanwezig zijn bij koelsystemen met compressoren.

Voor alle watersproei-installaties en koelsystemen moet een uitgangspuntendocument worden opgesteld. Het UPD moet alvorens deze ter goedkeuring bij het bevoegd gezag wordt ingediend door een onafhankelijke inspectie-instelling zijn goedgekeurd. Voor het opstellen van het UPD en de beoordeling hiervan, evenals de beoordeling van de implementatie/oplevering moeten de CCV-inspectieschema’s UPD-PGS en BB-PGS worden aangehouden. Inspectie-onderdelen die eventueel buiten de accreditatie scope van de inspectie-instelling vallen moeten op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd opleveringsprotocol in aanwezigheid van het bevoegd gezag worden opgeleverd. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan het ingediende rapport/voorstel om aan het doel van dit voorschrift te voldoen. 2.16 A. (uitvoeringsfase 1) De activiteiten behorend bij uitvoeringsfase 1, zoals beschreven in de aanvraag, mogen alleen plaatsvinden, indien de ammoniakgasdetectie en de stationaire watersproei-installaties in de inrichting, zoals aangegeven in het goedgekeurde UPD aantoonbaar gebruiksklaar, getest en opgeleverd zijn. Voor het bijwonen van de opleveringstesten wordt het bevoegd gezag minimaal twee weken voorafgaande aan de testen uitgenodigd. 2.16 B.

(uitvoeringsfase 2) De activiteiten behorend bij uitvoeringsfase 2, zoals beschreven in de aanvraag, mogen alleen plaatsvinden, indien de ammoniakgasdetectie en de stationaire watersproei-installaties in de inrichting, zoals aangegeven in het goedgekeurde UPD aantoonbaar gebruiksklaar, getest en opgeleverd zijn. Voor het bijwonen van de opleveringstesten wordt het bevoegd gezag minimaal

Blad 11 van 81

Ons kenmerk

1910469_5163076

twee weken voorafgaande aan de testen uitgenodigd. 2.16 C. (uitvoeringsfase 3) De activiteiten behorend bij uitvoeringsfase 3, zoals beschreven in de aanvraag, mogen alleen plaatsvinden, indien de ammoniakgasdetectie en de stationaire watersproei-installaties in de inrichting, zoals aangegeven in het goedgekeurde UPD aantoonbaar gebruiksklaar, getest en opgeleverd zijn. Voor het bijwonen van de opleveringstesten wordt het bevoegd gezag minimaal twee weken voorafgaande aan de testen uitgenodigd. 2.16 D. (uitvoeringsfase 4) De activiteiten behorend bij uitvoeringsfase 4, zoals beschreven in de aanvraag, mogen alleen plaatsvinden, indien de ammoniakgasdetectie en de stationaire watersproei-installaties in de inrichting, zoals aangegeven in het goedgekeurde UPD aantoonbaar gebruiksklaar, getest en opgeleverd zijn. Voor het bijwonen van de opleveringstesten wordt het bevoegd gezag minimaal twee weken voorafgaande aan de testen uitgenodigd. 2.17 De nieuwe opslagtank TK-1003 moet, evenals tank TK-1001 en TK-1002 voorzien worden van voorzieningen om in geval van een lekkage van de primaire tankwand, ammoniak uit de ruimte tussen de primaire en de secundaire stalen wanden (annulaire ruimte) weg te kunnen pompen. De technische en organisatorische maatregelen om de ammoniak naar een alternatieve opslag te verpompen moet beschreven worden in het noodplan.

3.

Fakkel

3.1 Het fakkelsysteem mag uitsluitend worden gebruikt wanneer één of meerdere compressoren buiten gebruik zijn of in geval van storingen waarbij de druk in de opslagtanks te hoog zou kunnen worden. 3.2 De fakkelinstallatie moet zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd, en zodanig worden geïnspecteerd, getest en onderhouden, dat te allen tijde verbranding van de aan de fakkel toegevoerde dampen en/of gassen is verzekerd. 3.3 Bij een defect in het fakkelsysteem moet het fakkelsysteem zo spoedig mogelijk en op een veilige wijze buiten bedrijf worden gesteld en gerepareerd. Bij verwachte langdurige uitval van de fakkel, dient een tijdelijk back-up systeem te worden ingezet (fakkel of scrubber).

Blad 12 van 81

Ons kenmerk

1910469_5163076

4.

Blusbootaansluitingen

4.1 Blusbootaansluitingen moeten zijn aangesloten op de bluswaterleiding van de inrichting door middel van een koppelleiding met een diameter van minimaal 8 inch (200 mm). Deze koppelleiding moet zijn voorzien van een afsluiter. 4.2 De koppeling van blusboten aan het bluswaternet moet bestaan uit vier aansluitingen met een doorlaatdiameter van 75 mm, die zijn voorzien van Storz-koppelingen met een nokafstand van 81 mm en twee aansluitingen met een doorlaatdiameter van 100 mm, die zijn voorzien van Storz-koppelingen met een nokafstand van 115 mm. Elke aansluiting moet zijn uitgevoerd met een 75 mm (3 inch) respectievelijk een 100 mm (4 inch) afsluiter met terugslagklep. 4.3 De aanlegplaats voor een blusboot nabij elke blusbootaansluiting moet zijn aangegeven door middel van één of meer opschriften 'Aanlegplaats Blusboot' of een vierkant bord met een rode rand voorzien van de letter B, dat aan de walzijde en aan de waterzijde duidelijk zichtbaar en goed leesbaar is. 4.4 Op (of in de directe nabijheid van) de blusbootaansluiting moet de maximale te leveren dynamische druk vermeld zijn. Deze vermelding moet zowel aan de walzijde als aan de waterzijde duidelijk zichtbaar en leesbaar zijn. Toelichting: Dit voorschrift schept duidelijkheid in de maximaal te leveren druk door het blusvaartuig zodat geen schade aan het bluswaternetwerk kan optreden.

5.

Bodem

5.1 Nulsituatieonderzoek Ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem als referentiesituatie moet, uiterlijk binnen 3 maanden na het van kracht worden van dit voorschrift een aanvulling op het nulsituatie onderzoek zijn uitgevoerd en dient het rapport met de resultaten ter goedkeuring te worden ingediend bij het bevoegd gezag. Het onderzoek moet betrekking hebben op de plaatsen binnen de inrichting waar, als gevolg van de voorgenomen uitbreiding, bodembedreigende activiteiten zullen plaatsvinden en die nog niet in het bij de aanvraag gevoegde rapport “Nulsituatie Tank en piperack OCI-terminal, Moezelweg Rotterdam” van 20 juni 2023 (kenmerk 0486377.100) zijn meegenomen. Het onderzoek moet gebaseerd zijn op de NEN 5740

Blad 13 van 81

Ons kenmerk

1910469_5163076

‘Onderzoekstrategie vaststelling nulsituatie bij een toekomstige bodembelasting’ en afgestemd zijn op de toegepaste stoffen. Als uitgangspunt voor de plaatsen waar bodembedreigende activiteiten zullen plaatsvinden, moet het rapport “Bodemrisico analyse OTE Uitbreiding opslag tanks” van 20 oktober 2023 (kenmerk 0474783.100) worden gehanteerd. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan het ingediende rapport/voorstel om aan het doel van dit voorschrift te voldoen. 6.

Geluid

6.1 Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ( LAr,LT), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, en door het transport en verkeer binnen de grenzen van de inrichting, waarvoor de vergunning is aangevraagd en waarvoor reeds vergunning is verleend, mag ter plaatse van de immissiepunten die zijn aangegeven in onderstaande tabel niet meer bedragen dan: Vergunningsimmissiepunt (VIP) Nr

Omschrijving / adres

1 2 3

VIP Noordzeeweg Brielle Veer Maassluis Schenkeldijk VIP OCI west VIP OCI Zuid

4 5

Waarneem-

Dag

Avond

Nacht

X

Y

hoogte [m]

07.00-19.00 [dB(A)]

19.00-23.00 [dB(A)]

23.00-07.00 [dB(A)]

73590 71585 74365

438695 436365 439265

5 10 15

41 28 31

41 28 31

41 28 31

72610 72590

438120 437645

5 5

54 43

54 42

54 44

6.2 Het meten en berekenen van de geluidniveaus, en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai (1999) met in achtneming van de akoestische modelregels van de DCMR Milieudienst Rijnmond.

Blad 14 van 81

Ons kenmerk

1910469_5163076

PROCEDURELE OVERWEGINGEN Projectbeschrijving OTE is momenteel onder andere uitgerust voor het opslaan van koude ammoniak en aqua ammonia en het overslaan van (warme en koude) ammoniak en aqua ammonia. Op de inrichting zijn daarvoor aanwezig: twee ammoniak opslagtanks van elk 15 kton, twee opslagtanks voor aqua ammonia, een aqua-ammonia productie-installatie, laad- en losvoorzieningen en ondersteunende voorzieningen zoals een kantoor. De temperatuur van ‘koude’ ammoniak is - 33 graden Celsius, die van ‘warme’ ammoniak bedraagt 7 graden Celsius. OTE is voornemens om in de toekomstige situatie een aantal veranderingen door te voeren in het kader van het ‘Bunkering Project’. Het doel van dit project is om in de toekomstige situatie eveneens de afvoer van koude ammoniak mogelijk te maken én om de import en export van ammoniak te versnellen (grotere verladingscapaciteiten). OTE wil graag vrij beschikken over de keuze van de vervoersmodaliteit. Dit heeft te maken met de ontwikkelingen in de markt. Ammoniak is een grondstof en een brandstof met een wereldwijd afzetgebied en wordt gezien, indien blauw of groen geproduceerd, als duurzame drager van waterstof. Vanwege de energietransitie zullen schepen in de toekomst ammoniak als brandstof gebruiken. Deze schepen worden in de toekomst voorzien van ammoniak door middel van bunkeren.

Om dit mogelijk te maken vraagt OTE ook aan om het verbod op gelijktijdige verlading aan Jetty 1 van ammoniak door OTE en brandbare vloeistoffen van buurbedrijf Euro Tank Terminal op te heffen. Naast de veranderingen voor het bunkeren en grootschaliger verladen van ammoniak, vraagt OTE een derde ammoniak opslagtank van 60 kton aan via deze aanvraag. De uitbreiding zal in vier fasen plaatsvinden (hierbij zijn geen data/jaartallen in de aanvraag vermeld): # fase 1 (aanpassen Jetty 1M/1P): - de realisatie van een nieuwe laadarm op Jetty 1P voor laden binnenvaartschepen; - de vervanging van de bestaande laadarm op Jetty 1M door een nieuwe laadarm (voor lossen zeeschip); - aanpassen bestaande 12 inch transportleiding van de opslagtanks naar Jetty 1M. Deze leiding wordt nu gebruikt voor transport van koude ammoniak en zal geschikt gemaakt worden voor transport van warme ammoniak van de opslagtanks naar Jetty 1P; - aanleg van een nieuwe 20 inch transportleiding van Jetty 1M naar de opslagtanks voor het transport van koude ammoniak. # fase 2 (aanpassen Jetty 2Q): - plaatsen van een tweede laadarm (voor warm en koud) op Jetty 2Q;

Blad 15 van 81

Ons kenmerk

1910469_5163076

- de vervanging van de bestaande warme ammoniak laadarm op Jetty 2Q door één met een grotere capaciteit; - vervangen 8 inch transportleiding naar Jetty 2Q door een 12 inch transportleiding voor warme ammoniak. # fase 3 (bouw nieuwe Jetty 5): - uitbreiden Donauhaven met circa 49 m kade (uitvoering door Havenbedrijf Rotterdam); - de realisatie van een nieuwe Jetty 5 met twee laadarmen in de Donauhaven; - plaatsen van een 12 inch transportleiding tussen nieuwe Jetty 5 en verbinding op de nieuwe 12 inch transportleiding van warme ammoniak; # fase 4 (bouw tank TK-1003 met toebehoren): - de realisatie van een nieuwe tank TK-1003 (60 kton) voor de opslag van koude ammoniak; - de realisatie van een nieuw koelwatersysteem met bijbehorende compressoren; - de installatie van nieuwe pompen ten behoeve van het transport van vloeibare ammoniak naar schepen; - de realisatie van een nieuwe water doseringsunit; - de realisatie van nieuwe koude laadleidingen naar alle steigers vanaf de nieuwe tank; - de realisatie van een dampretoursysteem voor de behandeling van dampen afkomstig van de koude losleiding; - de realisatie van een nieuw transformatorhuis voor elektriciteit. Afvoer van ammoniak per schip kan ten behoeve van het ‘Bunkering project’ zowel koud (-33°C) als warm (7°C) plaatsvinden.

In tabel 3.1 van de bij de aanvraag behorende QRA van 20 december 2022 (versie 2) zijn de hoeveelheden ammoniak (koud/warm) in kton per jaar per modaliteit weergegeven. Bevoegd gezag De inrichting valt onder meer onder artikel 2.1, tweede lid, Bijlage 1, onderdeel B, onder 1, sub a. en Bijlage 1, onderdeel C, categorie 4.4 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Op grond van de in de inrichting aanwezige hoeveelheid gevaarlijke (afval)stoffen die de (hoge/lage) drempelwaarde uit Bijlage I van de Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 behorend bij het Besluit risico's zware ongevallen 2015 overschrijdt, is dat besluit van toepassing op de inrichting. Gezien artikel 2.4 van de Wabo en artikel 3.3, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn wij het bevoegd gezag om de omgevingsvergunning te verlenen. Op grond van artikel 1.3 van de Wet natuurbescherming zijn wij ook het bevoegd gezag voor het beslissen op de aanvraag op grond van de Wet natuurbescherming.

Blad 16 van 81

Ons kenmerk

1910469_5163076

Vergunningen Voor de inrichting van OTE zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd: Datum

Kenmerk

11-03-2019

6551014

M

Revisievergunning

22-03-2019

6543216

B

Vervangen laadbordes

13002-2020

6545018

B

Vloeren t.b.v. nieuwe compressoren

20-05-2020

6546434

M

Vervangen aggregaat noodstroomvoorziening

23-1--2020

6545837

M

Nieuwe transferleiding

14-12-2020

6538066

M

Verhogen losdebiet

31-08-1022

8539041

M

Verladen 80% Aqua-ammonia

05-01-2023

8619057

M

Plaatsen pomp met aansluiting op AA-installatie

21-03-2023

8672541

M

Plaatsen piperack 1

12-06-2023

8747880

M

Plaatsen piperack 2

23-10-2006

AWE/2006.9988 I

W

Lozen van stoffen in oppervlaktewater

27-12-2016

RWS-2016/54873 M

W

Maatwerkvoorschrift koel- en ketelspuiwater

03-09-2018

RWS-2018/33348 I

W

Maatwerkvoorschrift afvalwater demiwaterinstall.

11-10-2022

RWS-2022/31333 M

W

Nieuwe ketelwater hulpstof

Type besluit

Omschrijving

*)

*) M: Wabo Milieu; B: Wabo Bouwen; W: Waterwet

Overgangsrecht Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en zijn de Wabo en het Activiteitenbesluit milieubeheer niet meer van kracht. Op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet en artikel 8.1.5 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet geldt het daarin opgenomen overgangsrecht van de Omgevingswet. Dit houdt in dat aanvragen die ingediend zijn vóór 1 januari 2024 volgens de oude wetgeving (Wabo) afgehandeld worden. De aanvraag dateert van 23 december 2022 zodat de aanvraag wordt beoordeeld op basis van het oude recht zoals dat in deze beschikking is beschreven. Procedure De besluitvormingsprocedure is uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 3.3 van de Wabo, de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Beslistermijn verlengen Wij hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de beslistermijn van 26 weken te verlengen met zes weken zoals bedoeld in artikel 3.12, achtste lid, van de Wabo. Van deze verlenging is kennisgegeven.

Blad 17 van 81

Ons kenmerk

1910469_5163076

Volledigheid en ontvankelijkheid Volgens artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo dient de aanvrager er voor zorg te dragen dat de aanvraag betrekking heeft op alle activiteiten die onlosmakelijk met elkaar samenhangen. Gebleken is dat alle onlosmakelijke onderdelen zijn aangevraagd. Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid aan de indieningsvereisten uit de ministeriële Regeling omgevingsrecht (Mor) en op inhoud beoordeeld. Daarbij is gebleken dat een aantal gegevens ontbrak. Wij hebben de aanvrager per brief van 3 april 2023 (kenmerk 1910469_4577991) in de gelegenheid gesteld om de gevraagde aanvullingen binnen acht weken te leveren. De gevraagde aanvullingen hebben wij op 21 april 2023 ontvangen. De termijn voor het nemen van het besluit is opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld, in dit geval 18 dagen. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag samen met de aanvullingen voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving en is zodoende in behandeling genomen. Adviezen In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur.

Gelet op het bepaalde in artikel 2.26, eerste en derde lid, van de Wabo, alsmede de artikelen in § 6.1 van het Bor, hebben wij burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam en de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond de gelegenheid geboden om te adviseren op de aanvraag. Daarnaast hebben wij de aanvraag ter kennisname doorgestuurd naar de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA), Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Naar aanleiding hiervan hebben wij adviezen ontvangen van de Veiligheidsregio RotterdamRijnmond (VRR) en Rijkswaterstaat. Advies uitgebracht door de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) In het kader van de advisering en afstemming is de aanvraag voorgelegd aan de VRR. Van de VRR hebben wij op 28 juni 2023 een advies ontvangen. Naar aanleiding van de zienswijzen hebben wij een aanvulling op het advies gevraagd. Deze aanvulling hebben we ontvangen op 11 januari 2024. Het advies, inclusief de aanvulling, hebben wij betrokken bij de totstandkoming van deze beschikking. De VRR heeft geen bezwaar tegen vergunningverlening, mits de in het Bevi-advies en het advies ten aanzien van het beperken en beheersen van ongewone voorvallen met ammoniak

Blad 18 van 81

Ons kenmerk

1910469_5163076

opgenomen voorschriften worden geborgd in de omgevingsvergunning. Om de kans op optreden van een groot incident te verkleinen, adviseert de VRR dat de nieuwe opslagtank uitgevoerd wordt als full containment opslagtank. Hiermee wordt bedoeld dat de opslagtank dubbelwandig is uitgevoerd inclusief vast dak. Bij deze uitvoering is er wel ammoniakgas in de ruimte tussen de primaire en de secundaire wand (de zogenaamde ‘annulaire ruimte’) aanwezig. Bij een lek in de primaire wand, blijft de vrijkomende ammoniak binnen de secundaire wand en zijn er geen directe gevolgen voor de omgeving. Bij detectie van vloeibare ammoniak tussen de binnenste en buitenste schil, kan de tank veilig leeggehaald worden om de lekkage te verhelpen. Doordat beide schillen moeten falen voordat er ammoniak naar de buitenlucht kan ontsnappen, wordt de kans op optreden verkleind. Hoe meer schillen aanwezig, hoe kleiner de kans op optreden van een groot incident. Voor de duidelijkheid wordt hierbij opgemerkt dat de effecten en bijbehorende effectafstanden hetzelfde blijven, maar de kans dat deze effecten optreden worden verkleind. Om lekkage van ammoniak uit de annulaire ruimte van de full containment tank TK-1003 door impact van buitenaf (drukgolven, rondvliegende objecten) en/of warmtebelasting te voorkomen adviseert de VRR om opslagtank TK-1003 ook te laten voorzien van een betonnen wand.

Hiermee wordt ook geanticipeerd op eventuele veranderingen in de omgeving van de tank. Dit advies is in lijn met het standpunt van de overheden in de werkgroep die momenteel werken aan het actualiseren van de PGS12, als ook de brief van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat van 8 juni 2023 (IENM/BSK-2023/157736). De VRR gaat er vanuit dat DCMR het afwijken van de aanvraag op dit punt nader motiveert. Om ongewone voorvallen met ammoniak te beperken en beheersen, adviseert de VRR het volgende: Vanuit de verladingsactiviteiten van OTE op de steiger is geen brand te verwachten. Echter, in geval de gelijktijdige verlading aan Jetty 1 van ammoniak door OTE en brandbare vloeistoffen door buurbedrijf Euro Tank Terminal (ETT) wordt vergund, kan de verladingsinstallatie van OTE bij een brand van de brandbare vloeistoffen door een ongewoon voorval bij de verlading door ETT aangestraald worden, mogelijk kan er zelfs sprake zijn van direct vlamcontact. OTE zal haar installatie tegen de gevolgen van deze brand moeten beschermen. De VRR adviseert om de voorschriften aan het besluit te verbinden zoals opgenomen in haar advies. In de revisievergunning van 11 maart 2019 is in voorschrift 3.8.11 een verbod opgenomen om op Jetty 1 gelijktijdig ammoniak en brandbare vloeistoffen te verladen.

In voorliggende aanvraag verzoekt OTE om dit voorschrift te laten vervallen, zodat gelijktijdige verlading op deze steiger van ammoniak door OTE en brandbare vloeistoffen door buurbedrijf Euro Tank Terminal (ETT) mogelijk kan worden gemaakt. De VRR vindt de uitwerking in de aanvraag van de beheersmaatregelen bij de (gelijktijdige) verlading op Jetty 1 van ammoniak en brandbare vloeistof, maar ook voor de gelijktijdige verlading op twee verschillende plaatsen op Jetty 1 van ammoniak, te summier om te bepalen of deze maatregelen toereikend zijn. Een advies over de

Blad 19 van 81

Ons kenmerk

1910469_5163076

vergunbaarheid kan de VRR pas uitbrengen na ontvangst van een nadere uitwerking van het gelijktijdig verladen, waarbij ook de beheersmaatregelen van ETT in beeld moeten worden gebracht. Hierbij zal ook het oordeel van het Havenbedrijf Rotterdam betrokken moeten worden ten aanzien van het afwijken van de afstandscriteria uit de PGS12. De VRR is niet terzake deskundig voor de nautische regelgeving en kan derhalve geen uitsluitsel geven of de onderbouwing over de gelijktijdige verlading aan Jetty 1 op basis daarvan toegestaan is. In een afstemmingsoverleg tussen DCMR, VRR en Havenbedrijf Rotterdam (HbR) van 15 juni 2023 is afgesproken dat naast de DCMR en VRR, ook het HbR te zijner tijd de maatregelen ter beperking/bestrijding van een ongewoon voorval op Jetty 1 zal beoordelen om op basis daarvan uitsluitsel te geven of gelijktijdige verlading kan worden toegestaan. Ook voor lekkage scenario’s met ammoniak van bijvoorbeeld koelsysteem, compressoren, transportleidingen acht de VRR de aanvraag ontoereikend. Ook hierover kan geen uitsluitsel worden gegeven. Geadviseerd wordt om hiervoor een nadere uitwerking ter goedkeuring te laten indienen en pas daarna de activiteit toe te staan. Tevens wijst de VRR erop dat de aangevraagde verandering ook gevolgen heeft voor het bestaande gasdetectiesysteem. Het UPD voor dit systeem moet dan ook worden aangepast.

Tot slot adviseert de VRR ons om te beoordelen of OTE zonder de, via een uitspraak van de Rechtbank geschrapte, voorschriften ten aanzien van de ‘blusbootaansluiting’ een gegarandeerde (blus)watervoorziening heeft. Wij hebben dit advies betrokken bij de beoordeling van de aanvraag en hiervoor voorschriften aan deze vergunning verbonden. Advies Rijkswaterstaat over het Veiligheidsrapport / MilieuRisicoAnalyse (MRA) Op 8 juni 2023 hebben wij een advies ontvangen van Rijkswaterstaat West-Nederland-Zuid over het Veiligheidsrapport (VR) van OTE, meer specifiek de MRA (gedateerd 3 oktober 2022 met kenmerk 0474783.100). Op grond van artikel 15, lid 3 van het Besluit risico's zware ongevallen heeft Rijkswaterstaat een adviserende taak voor wat betreft de beoordeling van het VR. Rijkswaterstaat is van oordeel dat de MRA geen volledig beeld geeft van de risico’s van onvoorziene lozingen voor het oppervlaktewater. De MRA en de Proteusmodellering dienen te worden aangepast. Wij hebben dit advies betrokken bij de beoordeling van de aanvraag en hiervoor een voorschrift aan deze vergunning verbonden. Adviezen en zienswijzen naar aanleiding van de aanvraag en de ontwerpbeschikking Wij hebben naar aanleiding van de terinzagelegging van de aanvraag en de ontwerpbeschikking zienswijzen en een schriftelijke reactie van IL&T ontvangen.

Blad 20 van 81

Ons kenmerk

1910469_5163076

Op 2 november 2023 hebben wij schriftelijk bericht ontvangen van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) dat zij geen gebruik maakt van de geboden mogelijkheid om ten aanzien van de ontwerpbeschikking zienswijzen in te brengen. Op 27 oktober 2023 hebben wij schriftelijke zienswijzen ontvangen van de heer F.W. Derks. De zienswijzen zijn binnen de wettelijke termijn naar voren gebracht en worden in behandeling genomen. De zienswijzen zijn als volgt samengevat: 1. De weigering van DCMR om voor dit plan een MER (milieu effect rapportage) uit te (laten) voeren is gezien de enorme risico’s onacceptabel. Een MER zal aantonen dat een ammoniaktank van 60.000 ton vlak bij woongebieden een te groot risico voor de burger zal betekenen. Verzocht wordt een onafhankelijke deskundige analyse uit te laten voeren. 2. Er is ongevalideerde risico-software gebruikt die is geschreven voor kleine ammoniak koelinstallaties en er wordt gerekend met het feit dat de meeste mensen tijdig binnen zullen zijn. 3. De uitbreiding met een 60.000 ton ammoniaktank wordt onterecht als project in het kader van de energietransitie beschouwd. 4. De veiligheid van de burger wordt opgeofferd voor de winst van OCI, het inkomen van het havenbedrijf en het prestige van de gemeente Rotterdam. 5. Gezien de incidenten op het Chemelotterrein blijkt dat OCI zelfs veel kleinere ammoniakopslagen niet kan managen. 6.

Er is onvoldoende rekening gehouden met externe factoren zoals bommen en granaten. Daarnaast is een toename van vervoer van ammoniak over water een groot risico. 7. Zijn de brandweer en hulpdiensten wel bij machte om een dergelijke ramp te managen? 8. De energietransitie moet veilig gebeuren. Omdat de burger zich grote zorgen maakt, ligt er bij de DCMR een juridische zorgplicht om die weg te nemen door een Mer te laten uitvoeren met inbreng van specialisten die verstand hebben van zaken. 9. Omdat sprake is van een uitzonderlijk veiligheidsrisico waar de DCMR waarschijnlijk niet veel expertise voor in huis heeft en waarvan de risicoanalyse door een specialist in risicoanalyses reeds goed gefundeerd is afgeserveerd, moet de Mer procedure wel worden toegepast, ondanks het feit dat volgens oude (niet geverifieerde) bureaucratische regels en foute randvoorwaarden een Mer niet noodzakelijk zou zijn. Over deze zienswijzen merken wij het volgende op: Ad 1. Tegen het afzien van een volledige m.e.r.-procedure heeft de Vereniging Verontruste Burgers van Voorne (VVBV) op 10 oktober 2023 bezwaar aangetekend. In de paragraaf ‘Milieueffectrapportage’ gaan we in op het ingediende bezwaar.

Blad 21 van 81

Ons kenmerk

1910469_5163076

Ad 2.

Ad 3.

Ad 4.

Ad 5.

Omdat het bezwaar van de VVBV in grote lijnen overeenkomt met de ingebrachte zienswijze, verwijzen wij gemakshalve naar onze reactie op genoemd bezwaar. Voor het berekenen van de risico’s is in Nederland het softwarepakket Safeti-NL voorgeschreven. Ten aanzien van het toepassen van Safeti-NL zijn wij gehouden aan hetgeen wettelijk is bepaald ten aanzien van parameters en scenario’s. SafetiNL is gevalideerd met uitstromingen van grootschalige hoeveelheden ammoniak. Tevens is er geen reden te veronderstellen dat Safeti-NL niet geschikt zou zijn voor de beoordeling van de risico’s van dergelijke opslagen. Ook in ons omliggende landen worden QRA berekeningen als ondersteuning in het kader van de vergunningverlening op soortgelijke wijze en met vergelijkbare software uitgevoerd. In de berekening is er naar ons oordeel op de juiste wijze rekening gehouden met de locatie van mensen in de omgeving. In onze reactie op de zienswijzen van de Vereniging Verontruste Burgers van Voorne (onder ad 12) gaan wij op dit punt nader in. Ammoniak wordt momenteel als belangrijkste drager van waterstof gezien en zal in de energietransitie dan ook een steeds prominentere plaats innemen. In de Kamerbrief van 17 maart 2023 gaat de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat in op de verwachte ontwikkelingen rondom de import van waterstofdragers (waaronder ammoniak) en het belang daarvan.

Hoewel de aanvraag van OTE hier onvoldoende duidelijkheid over geeft, kan de realisatie van de aangevraagde grootschalige ammoniak op- en overslag van OTE als project in het kader van de energietransitie worden beschouwd. Ook OTE heeft aangegeven dat de derde opslagtank onder andere zal worden gebruikt om een hogere doorzet van de terminal te realiseren wanneer ammoniak zal worden ingezet als duurzame scheepsbrandstof. De tank zal dus wel degelijk een bijdrage leveren aan de energietransitie. Tevens heeft OTE aangegeven dat het concern OCI op dit moment werkt aan diverse ISCC gecertificeerde projecten voor de productie van low-carbon ammoniak en brandstoffen. Groene en blauwe ammoniak zullen vanaf 2025 in grotere volumes (meer dan 1 miljoen ton per jaar) beschikbaar komen vanuit de fabrieken van OCI in Texas, USA. OCI stelt dat zij daarmee koploper is in de productie van groene en blauwe ammoniak. Een risicoloze samenleving bestaat niet of is onbetaalbaar. Welk risico maatschappelijk aanvaardbaar is, is voor een deel ook een politiek bestuurlijk besluit waarbij naast de risico’s ook de maatschappelijke baten van activiteiten met gevaarlijke stoffen worden afgewogen. Voor het onderdeel plaatsgebonden risico is dat besluit op landelijk niveau genomen, voor het onderdeel groepsrisico is dat altijd een lokale afweging.

Wij zijn van oordeel dat met de veiligheid van burgers in voldoende mate rekening is gehouden. In het Omgevingsveiligheidsbeleid gelden extra eisen aan de meest risicovolle bedrijven (de zogenaamde hoog drempel Brzo-bedrijven) die een blijvend hoog veiligheidsniveau moeten borgen. OTE valt onder deze categorie inrichtingen en

Blad 22 van 81

Ons kenmerk

1910469_5163076

Ad 6.

Ad 7.

Ad 8 en 9.

moet over een actueel veiligheidsrapport beschikken met daarin onder andere aandacht voor het functioneren van het veiligheidsbeheerssysteem en de mogelijke nadelige gevolgen van een incident voor de omgeving. Indien er nieuwe inzichten zijn over risico’s moeten deze worden meegenomen in het veiligheidsrapport. Dit rapport wordt door ons beoordeeld. Daarnaast wordt OTE jaarlijks door een samenwerkend inspectieteam bezocht waarbij naast de technische aspecten ook aandacht is voor het functioneren van het veiligheidsbeheerssysteem. Op grond van de rapportages van deze inspecties zien wij niet zodanige afwijkingen dat geconcludeerd kan worden dat de veiligheidscultuur binnen OTE niet deugd. De samenvattingen van de resultaten van deze jaarlijkse inspecties zijn openbaar3. In de Wabo is geen beleidsruimte opgenomen om bij de beoordeling van aanvragen de risico’s ten gevolge van terroristische aanslagen en oorlogshandelingen te betrekken. Dat varende schepen op de Waterweg en de rivier naar Geleen in de QRA niet meegenomen worden, is juist. Deze activiteiten horen volgens de regelgeving namelijk niet tot het risico van het bedrijf, maar tot de risico’s van vervoer van gevaarlijke stoffen. De risico’s van vervoer worden berekend via de regeling Basisnet.

Het aantal slachtoffers dat door een groot incident behandeld moet worden is vooraf niet te bepalen omdat dit van diverse factoren afhankelijk is; onder andere de omvang van het incident, tijdstip en meteo-omstandigheden. Afhankelijk van het aantal slachtoffers kan de ambulancedienst van de VRR beroep doen op (landelijke) bijstand. Dit maakt onderdeel uit van de planvorming voor de rampenbestrijding. Zie verder onze reactie op dit punt bij de behandeling van de zienswijzen van de Vereniging Verontruste Burgers van Voorne, opgenomen onder ad 18 ‘Rampenbestrijdingsplannen’. Gezien de complexiteit van externe veiligheidsberekeningen is de kennis daarover geconcentreerd bij zes zogenaamde Brzo-Omgevingsdiensten die namens de provincies de vergunningverlening uitvoeren. Deze diensten zijn voldoende toegerust om QRA’s van ingenieursbureaus te beoordelen en kritisch te beschouwen en zijn goed ingevoerd in de specifieke wet- en regelgeving en het wettelijk voorgeschreven rekeninstrument Safeti-NL en daarbij behorende rekenregels. Dit is naar aanleiding van een brief van de Vereniging van verontruste burgers van Voorne ook door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat bevestigd. De DCMR is één van deze zes BRZO-omgevingsdiensten waarvan verwacht mag worden dat zij haar taak naar behoren uitvoert.

Er is dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de uitkomst van het Mer-beoordelingsbesluit.

3 Zie https://brzoplus.nl/

Blad 23 van 81

Ons kenmerk

1910469_5163076

Op 25 oktober 2023 hebben wij schriftelijke zienswijzen ontvangen van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee. De zienswijzen zijn binnen de wettelijke termijn naar voren gebracht en worden in behandeling genomen. De zienswijzen zijn als volgt samengevat: 1. OTE heeft een MER-beoordeling uitgevoerd voor de opslag van ammoniak welke door de DCMR is beoordeeld. De DCMR concludeert dat er geen belangrijke nadelige effecten te verwachten zijn voor het milieu waardoor er geen MER hoeft te worden opgesteld. Ondanks dat er geen verplichting is voor het opstellen van een uitgebreide MER procedure verzoeken wij u toch om een uitgebreide MER procedure uit te voeren, vanwege de grootschalige industriële ontwikkeling en de mogelijke impact. Met deze uitgebreide MER procedure zal er meer inzicht komen in het project en zal het draagvlak van de omgeving worden vergroot. Twee belangengroepen uit onze gemeente hebben het niet uitvoeren van een uitgebreide MER procedure ook als zorgpunt aan ons kenbaar gemaakt. 2. Op 22 september is de vergunning ter inzage gelegd en op 28 september is er een informatieavond georganiseerd waarbij het bedrijf OTE op verzoek van de gemeente een toelichting heeft gegeven over de vergunningsaanvraag. In de omgevingswet, welke op 1 januari 2024 in werking treedt, is opgenomen dat bedrijven verplicht zijn tot participatie bij nieuwe ontwikkelingen.

Het lijkt ons dan ook zinvol om in de vergunning een voorschrift op te nemen waarbij het bedrijf een proactieve houding moet aannemen om de omgeving op de hoogte te houden door middel van bijeenkomsten. 3. Uit de kwantitatieve risicoanalyse (QRA) blijkt dat het groepsrisico ruim onder de oriëntatiewaarde blijft, waardoor het gezien kan worden als een maatschappelijk aanvaardbaar risico. Ondanks dat de opslag van ammoniak aan de normen voldoet zijn er toch zorgen om de veiligheid voor de omgeving. Tevens zijn de berekeningen erg technisch welke door veel bewoners onduidelijk en moeilijk te begrijpen zijn. Wij willen u daarom adviseren om een klankbordgroep op te richten voor omwonenden en belangenorganisaties, zodat zij in een vroeg stadium mee kunnen denken en goed geïnformeerd worden. Uiteraard is de gemeente bereid om hier aan mee te werken. Over deze zienswijzen merken wij het volgende op: Ad 1. De haven van Rotterdam is belangrijk voor de energietransitie. Voor de wijze waarop die transitie in goede balans kan plaatsvinden, heeft de Rijksoverheid, samen met de provincie Zuid-Holland, de gemeente Rotterdam en het Havenbedrijf Rotterdam een ontwikkelperspectief opgesteld. Deze is op 7 december 2023 door genoemde partijen ondertekend.

Met het vaststellen van dit ‘Ontwikkelperspectief NOVEX-gebied Rotterdamse haven’ wordt door de samenwerkende partijen afgesproken om samen de lastige keuzes te maken en samen op te trekken in de

Blad 24 van 81

Ons kenmerk

1910469_5163076

Ad 2.

Ad 3.

uitvoering en de financiering van alle veranderingen. Daarbij worden ook het bedrijfsleven en gemeenten in de regio betrokken. Het ontwikkelperspectief beschrijft ook knelpunten die opgelost moeten worden, waaronder de veiligheid rond opslag en vervoer van de waterstofdrager ammoniak. Bij deze grootschalige industriële ontwikkelingen zal bij te nemen besluiten ook MER worden betrokken. Voor onze reactie op de m.e.r-beoordeling van OTE verwijzen we naar de alinea ‘Milieueffectrapportage’. Daar gaan we in op het door de Vereniging van Verontruste Burgers van Voorne ingediende bezwaar op de m.e.r.-beoordeling. Lopende de procedure heeft OTE zich (daar waar mogelijk) actief opgesteld om informatie aan het bevoegd gezag en aan derden te verstrekken. Ook heeft het bedrijf naar onze mening afdoende op vragen gereageerd. Hoewel participatie in eerste instantie wel als verplichtend onderdeel in de Omgevingswet was opgenomen, is dit op een later moment afgezwakt tot uitsluitend een rapportageverplichting indien de aanvrager (op vrijwillige basis) participatie heeft toegepast. Aan een besluit te koppelen verplichtingen mogen uitsluitend betrekking hebben op het monitoren en beheersen van de gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt en, voor zover het nadelige gevolgen betreft, deze te verminderen.

Omdat het voorschrijven van een informatieverplichting naar de omgeving geen directe relatie heeft met de gevolgen voor het milieu, zien wij geen mogelijkheid om dit als verplichting aan de vergunning te verbinden. Ook wij zijn het van harte eens met de wens om bewoners in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In het havengebied zijn hier, onder andere in Rozenburg, via de daar ingestelde bewonersgroep, al jarenlang goede ervaringen mee. Vanuit onze rol als bevoegd gezag zien we echter geen taak om dergelijke bewoners- of klankbordgroepen in te stellen. Mochten die door bewoners of door een gemeente worden ingesteld, dan zullen wij daar uiteraard actief onze deelname aan verlenen.

Op 20 oktober 2023 hebben wij schriftelijke zienswijzen ontvangen van de heer M. Heijndijk, namens de Dorpsraad Oostvoorne. De zienswijzen zijn binnen de wettelijke termijn naar voren gebracht en worden in behandeling genomen. De zienswijzen zijn als volgt samengevat: 1. Een directielid van de DCMR heeft verkondigd dat de havens in Rotterdam en Zeeland op dit moment niet goed zijn uitgerust voor nieuwe veiligheidsrisico’s die gepaard gaan met de energietransitie. De normen voor grootschalige ammoniakopslag zijn verouderd en het transport van deze stof, die in de energietransitie een grote rol gaat spelen, dreigt op risicovolle wijze plaats te vinden, met kans op grote incidenten tot gevolg. Hoe kijkt de DCMR hier tegenaan? 2. Ook maakt het directielid zich zorgen over het gebrek aan coördinatie bij alle ontwikkelingen. Niemand heeft de vraag ooit beantwoord: waar willen we dit een plek

Blad 25 van 81

Ons kenmerk

1910469_5163076

3.

4.

5.

geven, in welke hoeveelheden en onder welke voorwaarden? Willen we dat misschien geconcentreerd hebben op één plek? Hoe gaan we het veilig transporteren? Tot nu toe heeft de DCMR niet aangegeven dat genoemde ‘zorgpunten’ zijn weggenomen. Gezien de uitspraak van de Raad van State, dat de vergunning voor de biomassacentrale te Diemen is vernietigd en er alsnog een Mer nodig is, achten wij een Mer ook nodig voor het opstellen van een voor Nederland ongekend groot aantal ammoniak tanks in de Rotterdamse haven en in het bijzonder voor de eerste op te stellen ammoniaktank van 60.000 ton bij OTE in de Europoort. DCMR bepaalt de Mer plicht per te bouwen item (volume), terwijl een voornemen tot het bouwen van meerdere opslagfaciliteiten en of kraakinstallaties, op dezelfde locatie, o.i. hierin moet worden meegenomen (het totale volume). Het zou wenselijk zijn dat het havenbedrijf Rotterdam gaat werken aan een “Overkoepelende Mer” voor het gehele ammoniak cluster, dit betreft dan de optelsom van het geheel (locaties) en de activiteiten op de Maasvlakte en Europoort. Gelijk aan de overkoepelende Mer, is het wenselijk dat de VRR een “Overkoepelend veiligheidsrapport” voor het gehele ammoniak cluster opstelt. Gezien de hoeveelheid bronnen van blootstelling is dit wenselijk.

Deze bronnen zijn: meerdere grootschalige opslagen op Maasvlakte1 en 2 en Europoort; aanvoer per zeeschip; verwerking in een kraker; afvoer per binnenvaartschip, leiding, spoor en as; lekkages en morsingen tijdens bedrijfsvoering en tijdens onderhoud.

Over deze zienswijzen merken wij het volgende op: Ad 1 Het in februari 2023 vanuit de DCMR afgegeven signaal dat de energietransitie met en 2. mogelijk nieuwe veiligheidsrisico’s gepaard gaat, was vooral bedoeld om betrokken instanties meer actief bij het proces te betrekken. Mede daardoor is onder andere in de loop van het jaar de actualisering van de richtlijn voor de op- en overslag van ammoniak (PGS 12) opgestart. Voor nieuwe installaties is een actuele versie van deze richtlijn in december 2023 voor commentaar gepubliceerd. De aanvullende eisen die wij aan de vergunning van OTE hebben verbonden, komen in hoofdlijnen overeen met deze actuele versie. Daarnaast heeft het Rijk, samen met de provincie Zuid-Holland, de gemeente Rotterdam en het Havenbedrijf Rotterdam een ontwikkelperspectief voor de haven opgesteld4. Deze is op 7 december 2023 ondertekend. In de afspraken zijn drie urgente opgaven op het gebied van de fysieke leefomgeving opgenomen, waarvan de grondstof- en energietransitie i.r.t. omgevingsveiligheid er één is. De partijen hebben afgesproken om vanaf nu samen de keuzes te maken voor de toekomst van het Rotterdamse havengebied en de wijze waarop de haven sneller duurzaam gemaakt kan worden. Hierbij betrekken ze het bedrijfsleven en de gemeenten in de regio. Als adviseur is DCMR in het proces

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14129274/1