Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne_ Veegplan 4a_tervaststelling
Tekst van het document
01 INLEIDING
01.1
Aanleiding en doelstelling
Aan de Rietdijk 46 te Tinte staat een vrijstaande woning met verschillende bijgebouwen. Initiatiefnemer is voornemens om op het perceel een nieuw bijbehorend bouwwerk voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten te realiseren. Het huidige bestemmingsplan laat in totaal maximaal 300 m² aan gebouwen en overkappingen toe binnen de bestemming ‘Wonen’, waarvan maximaal 100 m² van de woning mag worden gebruikt voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en/of aan huis gebonden beroepen. In de nieuwe situatie wordt op locatie Rietdijk 46 het bebouwingsmaximum 400 m² waarvan maximaal 200 m² van de totale bebouwing (dus woning en/of bijgebouwen) mag worden gebruikt voor de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en/of aan huis gebonden beroepen. Het
nieuwe
bedrijfsgebouw wordt gebouwd in het bebouwingsgebied van de bestemming ‘Wonen’. Hieraan wordt met het een oppervlakte van 192 m² voor het bedrijfsgebouw en een totale bebouwingsituatie van circa 330 m² (na sloop van twee bestaande schuren) voldaan. Het nieuwe bedrijfsgebouw zal worden benut ten
behoeve
van
een
adviseur
in
de
tuinbouwsector.
De
planlocatie
ligt
in
een
glastuinbouwintensiveringsgebied, waardoor het initiatief als ruimtelijk aanvaardbaar wordt gezien. Om het nieuwe bijgebouw met een oppervlakte van 192 m² te realiseren zullen zoals gezegd enkele bestaande bijbehorende bouwwerken gesloopt worden. De gemeente Voorne aan Zee heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen. Om medewerking te kunnen verlenen aan het initiatief
moet
zowel
gebruiksvoorschriften
worden van
het
afgeweken huidige
van
de
geldende
bestemmingsplan.
Dit
bouwvoorschriften kan
door
middel
als
de
van
een
omgevingsvergunning voor het afwijken van het geldende bestemmingsplan. Een ruimtelijke onderbouwing is hier onderdeel van. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing motiveert dat de beoogde ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
01.2
Planlocatie
De planlocatie bevindt zich aan de Rietdijk 46 te Tinte in het buitengebied van de gemeente Voorne aan
01
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
Zee. Figuur 1 toont globaal de ligging van het plangebied door middel van de rode cirkel.
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RIETDIJK 46 TINTE
Figuur 1 - ligging plangebied, rood aangeduid (bron: Google Maps) Het perceel aan de Rietdijk 46 is kadastraal bekend onder de gemeente ‘Westvoorne’, sectie C, perceelnummer 1544 en heeft een totale oppervlakte van 9.688 m². In figuur 2 wordt het perceel aan de Rietdijk 46 weergegeven met een rode omkadering.
01.3
Vigerend bestemmingsplan
Het plangebied is gelegen binnen de plangrenzen van het bestemmingsplan ‘Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne’, vastgesteld op 22 juni 2022 door de raad van de gemeente Westvoorne. Daarnaast gelden er verschillende veegplannen. Het laatste vastgestelde veegplan is ‘Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne: Veegplan 2’, vastgesteld op 21 september 2022. 02
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
Figuur 2 – luchtfoto van het perceel Rietdijk 46 Tinte, rood aangeduid (bron: Google Maps)
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RIETDIJK 46 TINTE
De gronden zijn voorzien van de bestemming ‘Wonen’. Deze gronden mogen gebruikt worden voor het wonen. Tevens is onder andere een beroep of de bedrijfsmatige activiteit toegestaan welke wordt uitgevoerd door (één van) de bewoner(s). Op het perceel is één woning toegestaan. De gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen bedraagt per woning ten hoogste 400 m².
Naast de bestemming ‘Wonen’ zijn de gronden aangewezen voor het gebruik als ‘Glastuinbouwgebied Tinte’ en ‘Algemeen Grondgebruik’. De eerste bestemming houdt in dat er ook activiteiten toegestaan kunnen worden waar de bestemming ‘Wonen’ niet in voorziet, voor zover deze voldoen aan de Delegatiebevoegdheid Glastuinbouw - Tinte. De bestemming voor algemeen grondgebruik voorziet in regels voor hobbymatig agrarisch gebruik en regels voor openbaar gebied.
Figuur 3 toont een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan ‘Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne’.
Figuur 3 - uitsnede geldend bestemmingsplan (bron: Omgevingsplan Viewer Westvoorne) Het huidige bestemmingsplan laat in totaal maximaal 300 m² aan gebouwen en overkappingen toe
kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en/of aan huis gebonden beroepen. In de nieuwe situatie wordt op locatie Rietdijk 46 het bebouwingsmaximum 400 m² waarvan maximaal 200 m² van de totale bebouwing (dus woning en/of bijgebouwen) mag worden gebruikt voor de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en/of aan huis gebonden beroepen. Het nieuwe bedrijfsgebouw wordt gebouwd in het bebouwingsgebied van de bestemming ‘Wonen’. Hieraan wordt met het een oppervlakte van 192 m² voor het bedrijfsgebouw en een totale bebouwingsituatie van circa 03
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
binnen de bestemming ‘Wonen’, waarvan maximaal 100 m² van de woning mag worden gebruikt voor
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RIETDIJK 46 TINTE
330 m² (na sloop van twee bestaande schuren) voldaan. Het nieuwe bedrijfsgebouw zal worden benut ten
behoeve
van
een
adviseur
in
de
tuinbouwsector.
De
planlocatie
ligt
in
een
glastuinbouwintensiveringsgebied, waardoor het initiatief als ruimtelijk aanvaardbaar wordt gezien. Op basis van het geldende bestemmingsplan is het niet mogelijk om het beoogde nieuwe bijbehorend bouwwerk te realiseren. Om medewerking te kunnen verlenen aan het initiatief moet er afgeweken worden van het geldend bestemmingsplan door middel van een omgevingsvergunning. Een ruimtelijke onderbouwing is onderdeel van de omgevingsvergunning. Derhalve is voorliggende ruimtelijke onderbouwing opgesteld om aan te tonen dat de beoogde ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
01.4
Opzet van de ruimtelijke onderbouwing
In de volgende hoofdstukken is het project nader toegelicht. In eerste instantie wordt ingegaan op de huidige situatie en op het project zelf (hoofdstuk 2). Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 stilgestaan bij het van belang zijnde overheidsbeleid (rijks/provinciaal en gemeentelijk beleid). In hoofdstuk 4 wordt aandacht besteed aan diverse omgevingsaspecten zoals geluid, archeologie, externe veiligheid, parkeren e.d.. Voorts wordt in hoofdstuk 5 ingegaan op de economische en maatschappelijke
04
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
uitvoerbaarheid. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 de conclusie beschreven.
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RIETDIJK 46 TINTE
02 PROJECT
02.1
Huidige situatie
In de huidige situatie bestaat het perceel aan de Rietdijk 46 te Tinte uit een vrijstaande woning met enkele bijgebouwen. Daarnaast is er op het oostelijke gedeelte van het perceel een stacaravan aanwezig. Rond de vrijstaande woning is een tuin aanwezig met rondom een afscherming van bomenrijen, struiken en hoog opgaande beplanting. Het perceel is doormiddel van een inrit ontsloten aan de Rietdijk. Er wordt geparkeerd op het eigen terrein. De directe omgeving van het plangebied bestaat voornamelijk uit agrarische gronden en glastuinbouw. Aan de Rietdijk zijn daarnaast verschillende woningen te vinden. Figuur 4 toont het perceel gezien vanaf de Rietdijk.
05
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
Figuur 4 – straataanzicht perceel Rietdijk 46 Tinte (bron: Google Maps)
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RIETDIJK 46 TINTE
02.2 Projectomschrijving Initiatiefnemer is voornemens om een op het perceel aan de Rietdijk 46 te Tinte een nieuw bijbehorend bouwwerk te realiseren. Het nieuwe bijgebouw is beoogd op het westelijke gedeelte van het perceel. Naast het realiseren van de nieuwe schuur zal één van de bestaande schuren van ca. 65 m² en de aanbouw van ca. 90 m² aan de vrijstaande woning worden gesloopt. Het bijgebouw aan de achterzijde van het woonperceel (ca. 30 m²) en de stacaravan (ca. 35 m²) blijven behouden. Het nieuwe bijbehorend bouwwerk wordt aangewend voor aan huis verbonden bedrijvigheid. Figuur 5 toont de locatie van het beoogde bijbehorend bouwwerk en de te slopen bebouwing.
Figuur 5 – Locatie van de nieuwe schuur en te slopen bebouwing (bron: Allurebouw) Het nieuwe bebouwingsmaximum op het perceel bedraagt 400 m², waarvan maximaal 200 m² van de totale bebouwing (dus woning en/of bijgebouwen) mag worden gebruikt voor de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en/of aan huis gebonden beroepen. Het nieuwe gebouw krijgt een oppervlakte van 192 m² en wordt gebruikt ten behoeve van een adviseur in de tuinbouwsector.. De gooten bouwhoogte van het nieuwe bijbehorend bouwwerk bedragen respectievelijk 3,0 m en 4,7 m. Aan de voorzijde wordt een kantoorruimte, vergaderruimte en bijbehorende voorzieningen gerealiseerd. De
Figuur 6 toont een situatietekening van de nieuwe situatie met daarop de te slopen bebouwing aangegeven en figuur 7 toont impressies van het nieuwe gebouw.
06
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
achterzijde van het gebouw wordt ingericht als loods.
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RIETDIJK 46 TINTE
Figuur 6 – situatietekening nieuwe situatie + sloop bestaande bebouwing (bron: Allurebouw)
07
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
Figuur 7 – impressie nieuwe schuur (bron: Allurebouw)
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RIETDIJK 46 TINTE
03 BELEID
03.1
Rijksbeleid
Vooropgesteld wordt dat het Rijksbeleid geen concrete relevantie heeft voor dit plan. In het algemeen kan gesteld worden, dat het voornemen in overeenstemming is met de door het Rijk vastgestelde Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Aangezien de Ladder van duurzame verstedelijking hierin een bijzondere positie inneemt, wordt hieraan concreet aandacht besteed.
03.1.1 Besluit omgevingsrecht (Bor) Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die planologisch mogelijk wordt gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij een plan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien de procedure die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd. De ladder van duurzame verstedelijking is alleen van toepassing bij een stedelijke ontwikkeling (artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand.
De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling. Of er sprake is van extra ruimtebeslag is een belangrijk criterium voor het aanmerken van een ontwikkeling als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Indien er wel sprake is van een (geringe) toename
Indien er in het geheel geen sprake is van toename van het ruimtebeslag, dan is de Afdelingslijn dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Zo overweegt de Afdeling in haar uitspraak van 10 december 2014 (zaak nr. 201310814/1/R1). Deze bewoording wordt enigszins bijgesteld door een recentere uitspraak door de Raad van State van 18 februari 2015 (zaak nr. 201311211/1/R3). Daarin is sprake van een uitbreiding van de planologische gebruiksmogelijkheden van feitelijk bestaande units
08
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
van bouwmogelijkheden, dan is doorgaans sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RIETDIJK 46 TINTE
in een bedrijfsverzamelgebouw. De afdeling suggereert hiermee dat er functiewijzigingen - zonder enige toename van bebouwing -kunnen zijn die wel 'zodanig' zijn, dat zij kunnen worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met zodanig wordt in dit geval een ontwikkeling met zodanige impact/invloed bedoeld. Hierbij kan gedacht worden aan een functie wijziging "sec" die van invloed is op het woon-, leef- en ondernemersklimaat elders, en door die invloed kan kwalificeren als "zodanige functie
wijziging",
zodat
sprake
is
van
een
Ladderplichtige
stedelijke
ontwikkeling.
Het voorliggende plan maakt de realisatie van een nieuwe bijbehorend bouwwerk mogelijk op een bestaand woonerf. Daarnaast worden er op het perceel bestaande bijgebouwen gesloopt. De oppervlakte aan bebouwing neemt hierdoor minimaal toe. Gelet op het feit dat in het onderhavige plan: ◼
er geen sprake is van uitbreiding van beslag op de ruimte;
◼
er sprake is van een relatief kleinschalige ontwikkeling;
◼
er sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling, waarbij sprake is een 'goede ruimtelijke ordening';
◼
er geen sprake is van het toevoegen van extra woningen;
kan gesteld worden dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zodat toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking achterwege kan blijven. Overigens moet een ontwikkeling onderbouwd worden, ook als de Ladder niet van toepassing is. Voorliggende onderbouwing voorziet hierin. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in overeenstemming is met zowel het Rijksbeleid als de ladder van duurzame verstedelijking.
03.2 Provinciaal beleid
03.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. Samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma vormt de Omgevingsvisie het provinciale Omgevingsbeleid van Zuid-Holland. Het Omgevingsbeleid beschrijft
gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. De omgevingsvisie bevat verschillende onderdelen: ambities, beleidsdoelen en beleidskeuzes.
In de Omgevingsvisie worden de volgende 7 vernieuwingsambities geformuleerd:
09
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RIETDIJK 46 TINTE
1.
Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten.
2.
Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor.
3.
Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen.
4.
Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland.
5.
Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving.
6.
Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit.
7.
Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving.
Tevens is een algemeen doel van de Omgevingsvisie het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in de provincie. De Omgevingsvisie maakt gebruik de kwaliteitskaart van de provincie Zuid-Holland. De kwaliteitskaart is opgebouwd uit vier onderliggende kaarten: laag van de ondergrond, laag van de cultuur- en natuurlandschappen, laag van de stedelijke occupatie en laag van de beleving. Daarnaast zijn gebiedsprofielen opgesteld. Voor elk gebiedsprofiel zijn kaarten beschikbaar die een aanvulling vormen op de kwaliteitskaart.
Toets en conclusie Voor de planlocatie zijn de volgende kaartlagen relevant: Laag van de ondergrond: De kaart ‘laag van de ondergrond’ geeft aan dat de planlocatie in het rivierdeltacomplex ligt. Zoals overal in Zuid-Holland heeft het water en het menselijk handelen grote invloed gehad op de geomorfologie van dit deel van de provincie. Het land in de delta is vergroot door aanleg van dijken rond droogvallende gronden. Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling kan gesteld worden dat het plan geen invloed heeft op natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. De nieuwe schuur is immers beoogd op een perceel waar in de huidige situatie al gewoond
Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Op de kaart ‘laag van cultuur- en natuurlandschappen’ staat aangegeven dat de planlocatie onderdeel uitmaakt van het zeekleipolderlandschap en rivierdeltalandschap. Een zeekleipolder is qua oorsprong een ronde opwaspolder (oorspronkelijk opgeslibde en daarna ingepolderde eilandjes in getijdenwater)
10
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
wordt en bebouwing aanwezig is.
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RIETDIJK 46 TINTE
of langgerekte aanwaspolder (aangeslibd en ingepolderd land tegen bestaande polders) en daarna omgeven door dijken. Ontwikkelingen in het zeekleipolderlandschap dragen onder andere bij aan het versterken van de karakteristieke kenmerken van de eilanden en de verschillen daartussen. Herkenbaar houden van de kenmerkende patronen en de bebouwing concentreert zich in of bij compacte kernen, niet in het open middengebied van de polders. Met de ontwikkeling wordt een nieuw bijbehorend bouwwerk gerealiseerd op een bestaand woonperceel. De locatie bevindt zich aan een bebouwingslint, waar tevens veel glastuinbouw aanwezig is in de omgeving. Gesteld kan worden dat de nieuwe bebouwing geconcentreerd is.
Laag van de stedelijke occupatie Volgens deze kaart ligt het plan in een glastuinbouwgebied. Concentratiegebieden voor glastuinbouw kunnen qua belevingswaarde worden beschouwd als bedrijventerrein. Ontwikkelingen in de glastuinbouw dienen bij voorkeur bij te dragen aan een grootschalig, geconcentreerd, modern uiterlijk en functioneren. Gericht op zoveel mogelijk meervoudig ruimtegebruik en collectieve voorzieningen, met aandacht voor aansluiting op bestaande landschappelijke structuren. Een dooradering van het gebied met water en recreatieve routes is gewenst. Voor het glastuinbouwgebied geldt onder andere dat nieuwe ontwikkelingen aansluiten bij bestaande landschappelijke structuren. Zoals eerder benoemd wordt het bijbehorend bouwwerk op een bestaand woonperceel gerealiseerd. Er wordt daarmee aangesloten op de bestaande structuren.
Conclusie Voor de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie Zuid-Holland. De ruimtelijke kwaliteit wordt niet aangetast. Het initiatief past dan ook binnen de ambities van de provincie Zuid-Holland.
03.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de Omgevingsvisie Zuid-Holland is de Omgevingsverordening Zuid-Holland in werking getreden. De Omgevingsverordening bevat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria en regels waar een ontwikkeling aan moet voldoen.
Onderstaand worden de relevante artikelen van de Omgevingsverordening Zuid-Holland voor ontwikkeling op de planlocatie behandeld: Glastuinbouwgebied Artikel 6.15 stelt dat een bestemmingsplan voor gronden binnen het glastuinbouwgebied alleen glastuinbouwbedrijven en openlucht tuinbouwbedrijven toestaat. In afwijking daarop geldt voor het
11
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
Toets en conclusie
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RIETDIJK 46 TINTE
glastuinbouwgebied Tinte, waar de planlocatie is gelegen, bestemmingen bevatten die voortzetting van het huidige gemende agrarische grondgebruik mogelijk maken. Het perceel aan de Rietdijk 46 in Tinte betreft momenteel al een woonperceel. Het is dan ook niet mogelijk om hier glastuinbouw te realiseren. Het nieuwe bijgebouw belemmert de eventuele toekomstige uitbreiding van glastuinbouw in het gebied niet. Er wordt daarmee voldaan aan artikel 6.15 van de Omgevingsverordening.
Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 staat dat een plan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In paragraaf 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland is het plan getoetst aan de kwaliteitskaarten van de provincie ZuidHolland. Hieruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit niet wordt aangetast. Er wordt dan ook voldaan aan artikel 6.9 van de Omgevingsverordening.
Beschermingscategorie 3 buitengebied Artikel 6.9a geeft aan dat ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk zijn, mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast. Doordat de nieuwe schuur aansluitend op het woonperceel wordt gerealiseerd en er in de huidige situatie een groene omzoming aanwezig is, wordt de openheid en het groene karakter van het landschap niet aangetast. De ontwikkeling is in lijn met artikel 6.9a.
03.3 Gemeentelijk beleid
03.3.1 Omgevingsvisie Westvoorne 2030 In de Omgevingsvisie Westvoorne 2030 van januari 2017 worden de verschillende belangen vanuit landschap, de kernen, recreatie en toerisme, de agrarische sector en de gemeenschap samengesmolten tot een integrale ontwikkelingsrichting voor de periode tot 2030. Figuur 5 toont een uitsnede van de kaart van de omgevingsvisie Westvoorne 2030 met de planlocatie
12
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
in het zwart omcirkeld.
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RIETDIJK 46 TINTE
Figuur 8 – uitsnede kaart omgevingsvisie Westvoorne 2030 (bron: gemeente Westvoorne)
Toets en conclusie Volgens de kaart is de planlocatie gelegen in het glastuinbouwgebied. Het glastuinbouwgebied bij Tinte vormt een aparte enclave vinnen de oude zeekleipolders. De gemeente blijft inzetten op de landschappelijke inpassing van het glastuinbouwgebied bij Tinte. Binnen het glastuinbouwgebied is ruimte voor nieuwvesting en doorontwikkeling van bedrijven. De beoogde nieuwe bijbehorend bouwwerk wordt gerealiseerd op een bestaand woonperceel. Met de realisatie worden de mogelijkheden voor het vestigen van glastuinbouw in het glastuinbouwgebied niet belemmerd. In de huidige situatie wordt het perceel namelijk gebruikt ten behoeve van wonen. Het gebouw wordt onderdeel van dit bestaande woonperceel. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling in lijn is met de Omgevingsvisie Westvoorne 2030.
03.3.2 Handboek Kwaliteitsverbetering Buitengebied Het Handboek Kwaliteitsverbetering Buitengebied is door de gemeente Westvoorne opgesteld om partijen te verleiden en stimuleren ontwikkelingen te starten waarmee versterking van de kwaliteit
die gewoon een bestaand erf of terrein wil verfraaien. Het handboek bestaat uit drie delen: •
13
een deel dat alleen betrekking heeft op de zanderijen;
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
van het buitengebied wordt gerealiseerd. Daarnaast is het ook bedoeld ter inspiratie voor een ieder
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RIETDIJK 46 TINTE
•
een deel dat alleen betrekking heeft op de zeekleipolders (de oude en jonge zeekleipolders behandelen we in één deel omdat de oude en jonge zeekleipolders - naast enkele verschillen zowel landschappelijk als functioneel veel overeenkomsten vertonen);
•
een algemeen deel dat betrekking heeft op zowel de zanderijen als de (oude en jonge) zeekleipolders.
Het handboek werkt in drie stappen: 1. Ligging, 2. Karakteristieken, ambities en aanbevelingen, specifiek per deelgebied, 3. Algemene aanbevelingen voor alle polders.
Toets en conclusie Stap 1: Ligging De planlocatie is gelegen in het gebied ‘Oude zeekleipolders’.
Stap 2: Karakteristieken, ambities en aanbevelingen, specifiek per deelgebied De oude zeekleipolders hebben de volgende karakteristieken: •
Oudste polders, bestaande uit een patroon van opwaspolders en aanwaspolders
•
Open agrarisch gebied tussen slingerende dijken
•
Relatief kleinschalige en onregelmatige verkaveling
•
Laaggelegen kronkelende kreekrestanten (Strypsche Wetering), waardevol voor flora en fauna
•
Informele recreatieve routes over dijken en langs kreken
•
Glastuinbouwgebied als besloten enclave
Voor de oude zeekleipolders zijn er verschillende deelgebieden. De planlocatie ligt in Polder Westerland. In de oude zeekleipolders wordt ingezet op het behouden en waar mogelijk versterken van het relatief kleinschalige agrarische karakter en de karakteristieke openheid tussen de dijken. De oude dijkstructuren (ook waar deze niet meer verhoogd in het landschap liggen) wil de gemeente beplanten met laanbeplanting, zodat de begrenzingen van de polders beter ruimtelijk zichtbaar wordt en nog aantrekkelijker worden als recreatieve routes. Binnen de beplante dijken wordt de openheid gekoesterd. Daarnaast het toepassen van gebiedseigen erfbeplanting gestimuleerd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt dit als voorwaarde gesteld.
De algemene aanbevelingen voor alle polders bestaan uit drie onderdelen:
14
•
Behoud en versterk de identiteit
•
Verbind de natuur
•
Draag bij aan verduurzaming
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
Stap 3: Algemene aanbevelingen voor alle polders
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RIETDIJK 46 TINTE
De beoogde ontwikkeling op het perceel aan de Rietdijk 46 te Tinte maakt een nieuwe schuur op een woonperceel mogelijk. Met de ontwikkeling worden daarnaast verschillende (verouderde) bijgebouwen op het perceel gesloopt. Er wordt met de nieuwe bebouwing aangesloten op de bebouwing op het perceel en de bouwstijl in de omgeving. In de huidige situatie heeft het perceel reeds een groene omzoming. Deze groene omzoming blijft grotendeels behouden waardoor de nieuwe situatie vrijwel gelijk blijft aan de huidige situatie ten opzichte van de omgeving. De bestaande structuren van het gebied blijven behouden. Op het perceel zelf vindt een kwaliteitsverbetering plaats door de sloopt van een gedeelte van de (verouderde) bebouwing. Geconcludeerd kan worden dat het plan in lijn is met het Handboek Kwaliteitsverbetering Buitengebied gemeente Westvoorne.
03.3.3 Beleidsregel Kwalitatief toetsingskader voor het glastuinbouwgebied Tinte In het omgevingsplan Buitengebied Westvoorne is een delegatiebevoegdheid opgenomen die specifiek ziet op het zo optimaal mogelijk benutten van het glastuinbouwgebied Tinte voor glastuinbouwactiviteiten. Daarbij is een belangrijk criterium dat de optimalisatie voor glastuinbouw niet onevenredig ten koste mag gaan van de omgevingskwaliteit en de kwaliteit van wonen, werken en recreëren van andere gebruikers van het gebied. Of aan dit criterium wordt voldaan wordt op basis van deze beleidsregel beoordeeld.
Volgens de kaart met aanduidingen, horend bij de beleidsregel, ligt het plangebied aan de rand van de begrenzing van het glastuinbouwgebied Tinte. Er zijn geen verdere aanduidingen opgenomen ter plaatse van het plangebied.
In artikel 4 zijn de voorwaarden en kwaliteitscriteria opgenomen. Doordat er geen verdere aanduidingen zijn opgenomen ter plaatse van het plangebied zijn niet alle voorwaarden relevant.
Toets en conclusie De voorwaarden en kwaliteitscriteria zien voornamelijk op het toevoegen en/of verwijderen van glastuinbouw. Met voorliggende ontwikkeling wordt enkel een nieuw bijbehorend bouwwerk op het woonperceel aan de Rietdijk 46 te Tinte mogelijk gemaakt. Om die reden is alleen artikel 4.1 sub p. van
bij de beoordeling van verzoeken om afwijking van de bij recht toegestane bouwregels wordt in eerste instantie bekeken in hoeverre het verzoek past binnen het uitgangspunt van een duurzaam en efficiënt ingericht glastuinbouwgebied. Belangrijk criterium daarbij is dat een verzoek ofwel moet bijdragen aan een meer duurzaam of efficiënt ingericht glastuinbouwgebied, ofwel geen onevenredige beperking van de functie van het gebied ten behoeve van de glastuinbouw betekent.
15
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
belang:
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RIETDIJK 46 TINTE
Gelet op de kleinschaligheid van het beoogde initiatief en het feit dat het bijbehorend bouwwerk gerealiseerd wordt op een bestaand woonperceel, kan gesteld worden dat het plan geen onevenredige beperking van de functie van het gebied ten behoeve van de glastuinbouw veroorzaakt. De ontwikkeling is daarmee in lijn met de beleidsregel.
03.3.4 Artikel 136 ‘Kwalitatieve toetsing in de zone Glastuinbouwgebied Tinte’ In het geldende bestemmingsplan ‘Omgevingsplan Westvoorne’ zijn in artikel 136 voorwaarden opgenomen om bij een omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels.
Het bevoegd gezag kan bouwwerken die niet passen binnen de bovengenoemde bouwregels toestaan door bij een omgevingsvergunning af te wijken van die bouwregels, onder voorwaarde dat: 1.
de initiatiefnemer voorafgaand aan het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in overleg dient te treden met de gemeente met als doel om de te vergunnen bouwwerken voor te bespreken, de haalbaarheid te beoordelen en in beeld te brengen welke documenten bij de aanvraag gevoegd moeten worden om een volledige toets aan dit plan uit te kunnen voeren.
2.
door de initiatiefnemer over de beoogde ontwikkeling een dialoog is gevoerd met de omgeving zoals bedoeld in de Beleidsregel Dialoog met de omgeving;
3.
het betreffende bouwwerk inpasbaar is in de omgeving. Of het bouwwerk inpasbaar is in de omgeving wordt beoordeeld op basis van de criteria zoals opgenomen in de Beleidsregel Kwalitatief toetsingskader voor het glastuinbouwgebied Tinte;
4.
ten aanzien van de bouwwerken, in combinatie met de daaraan gekoppelde activiteit, de volgende aspecten onderbouwd zijn voor zover dit naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is: 1.
er ontstaat geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken;
2.
er ontstaan geen relevante negatieve gezondheidseffecten;
3.
omliggende bedrijven worden niet onevenredig in hun activiteiten en/of ontwikkelingsmogelijkheden aantasten;
4.
binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico van een risicobron vindt een
5.
de capaciteit van de omliggende wegen is voldoende voor een veilige afwikkeling van een eventuele verkeerstoename;
16
6.
er moet op eigen terrein voorzien zijn in voldoende parkeergelegenheid;
7.
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van natuurwaarden;
8.
de bodemkwaliteit geschikt is voor de toekomstige activiteit;
9.
er is sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen;
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
verantwoording van het groepsrisico plaats;
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RIETDIJK 46 TINTE
10. de waterkwaliteit wordt niet nadelig beïnvloed.
Toets en conclusie Ad 1: Door middel van een vooroverlegplan is de gemeente op de hoogte gebracht van de beoogde plannen. Op 11 maart 2020 heeft de gemeente de initiatiefnemer schriftelijk laten weten dat het college in beginsel kan instemmen met een afwijking van het bestemmingsplan voor het realiseren van het bijbehorend bouwwerk. Op 22 maart 2022 is via het OLO een aanvraag omgevingsvergunning ingediend. De gemeente heeft aangegeven dat de aanvraag niet geldt als aanvraag omgevingsvergunning maar gezien moet worden als een aanvulling op het al langer lopende vooroverleg.
Ad 2: Initiatiefnemer brengt de omgeving op de hoogte van de ontwikkeling op het perceel Rietdijk 46 te Tinte . De buren worden o.a. ingelicht door middel van een brief.
Ad 3: In paragraaf 3.3.4 is getoetst aan de beleidsregel Kwalitatief toetsingskader voor het glastuinbouwgebied Tinte. Hieruit blijkt dat het betreffende bouwwerk inpasbaar is in de omgeving.
Ad 4: 1.
er ontstaat geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken; Het realiseren van het bijbehorend bouwwerk met een kleinschalig aan huis verbonden bedrijf veroorzaakt geen onevenredige overlast. De functie is passend in de omgeving.
2.
er ontstaan geen relevante negatieve gezondheidseffecten; Het realiseren van een bijbehorend bouwwerk heeft geen invloed op de gezondheidseffecten ter plaatse.
3.
omliggende bedrijven worden niet onevenredig in hun activiteiten en/of ontwikkelingsmogelijkheden aantasten; In paragraaf 4.1 wordt ingegaan op het aspect bedrijven en milieuzonering. Hieruit blijkt dat de
4.
binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico van een risicobron vindt een verantwoording van het groepsrisico plaats; In paragraaf 4.6 wordt ingegaan op het aspect externe veiligheid. Hieruit blijkt dat er geen relevante risicobronnen in de omgeving aanwezig zijn.
17
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
ontwikkeling geen belemmeringen veroorzaakt voor omliggende bedrijven.
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RIETDIJK 46 TINTE
5.
de capaciteit van de omliggende wegen is voldoende voor een veilige afwikkeling van een eventuele verkeerstoename; De toename van het aantal verkeersbewegingen die veroorzaakt wordt door het realiseren van een bijbehorend bouwwerk voor bedrijvigheid aan huis is minimaal. De omliggende wegen hebben dan ook voldoende capaciteit voor een veilige afwikkeling.
6.
er moet op eigen terrein voorzien zijn in voldoende parkeergelegenheid; Op het eigen terrein is voldoende ruimte voor parkeren. Het parkeren wordt opgelost op het eigen terrein.
7.
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van natuurwaarden; In paragraaf 4.8 wordt ingegaan op het aspect ecologie. Hieruit blijkt dat er voor de realisatie van de schuur met kantoorfunctie geen nader onderzoek uitgevoerd dient te worden. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de natuurwaarden.
8.
de bodemkwaliteit geschikt is voor de toekomstige activiteit; In paragraaf 4.5 wordt ingegaan op het aspect bodem. Hieruit blijkt dat de bodem geschikt is voor de beoogde activiteit.
9.
er is sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen; De ontwikkeling is hydrologisch neutraal.
10. de waterkwaliteit wordt niet nadelig beïnvloed. De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterkwaliteit. Er wordt geen functie mogelijk gemaakt die
18
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
de waterkwaliteit zal beïnvloeden.
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RIETDIJK 46 TINTE
04 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
04.1
(Vormvrije) m.e.r.-beoordeling
Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets en conclusie Er wordt middels deze ruimtelijke onderbouwing een nieuw bijbehorend bouwwerk op het perceel Rietdijk 46 te Tinte mogelijk gemaakt. Op het perceel is in de huidige situatie al bebouwing aanwezig in de vorm van een vrijstaande woning, verschillende bijgebouwen en een stacaravan. Met de ontwikkeling zullen een aantal van de bijgebouwen gesloopt worden.
De bestemming van het gebied blijft wonen. Daarnaast wordt in het nieuwe bebouw bedrijvigheid aan huis gerealiseerd. Gelet op de aard en omvang van het initiatief en de relatief kleine toename aan bebouwing kan gesteld worden dat het voornemen in algemene zin niet te kwalificeren is als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r.. De gevolgen voor het milieu zijn als nihil aan te merken. In die gevallen is het Besluit m.e.r. niet van toepassing en hoeft geen aanmeldnotitie te worden opgesteld.
04.2 Bedrijven en Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het
milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: ◼ 19
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RIETDIJK 46 TINTE
◼
gevoelige functies;
◼
het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder
◼
aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'.
In figuur 6 zijn de richtafstanden weergegeven.
Figuur 9 – richtafstanden VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (bron: VNG) Toets en conclusie Zoals reeds beschreven heeft onderhavig plan betrekking op het realiseren van een nieuw bijbehorend
buitengebied van de gemeente Westvoorne. In de directe omgeving zijn voornamelijk agrarische (glastuinbouw)bedrijven en woningen aanwezig. De omgeving van het plangebied kan gekenmerkt worden met het omgevingstype ‘rustige woonwijk/buitengebied’.
20
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
bouwwerk met bedrijvigheid aan huis aan de Rietdijk 46 te Tinte. Het plangebied is gelegen in het
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RIETDIJK 46 TINTE
Bij het nieuwe initiatief dient gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: ◼
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);
◼
laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
Externe werking Bij de externe werking gaat het om de vraag of de realisatie van onderhavig plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de omgeving. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. In de huidige situatie is het perceel voorzien van een woonfunctie. De ontwikkeling maakt een bijbehorend bouwwerk bij de woning Rietdijk 46 met bedrijvigheid aan huis mogelijk. Daarin is ook een kantoorruimte aanwezig. Hoewel niet geheel vergelijkbaar (aangezien het hier om een zeer kleinschalige kantoorruimte gaat), betreft een functie kantoor de milieucategorie 1 met een richtafstand van 10 m. Binnen een straal van 10 m rond de nieuwe gebouw bevinden zich geen gevoelige objecten zoals woningen. Er wordt daarmee voldaan aan de richtafstand. Er is derhalve geen sprake van een aantasting van het leefklimaat van omwonenden. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. De schuur wordt niet gezien als het toevoegen van een nieuwe (milieu)gevoelige functie. Daarnaast wijzigen de bestaande afstanden tot de omliggende agrarische (glastuinbouw)bedrijven niet.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
04.3 Geluid Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van:
B
in stedelijk gebied: 1
voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter;
2
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter;
in buitenstedelijk gebied: 1
voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter;
2
voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter;
3
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter.
Deze zonering geldt niet: C
21
voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
A
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RIETDIJK 46 TINTE
D
voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt;
E
wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh).
Toets en conclusie Een bijbehorend bouwwerk is in het kader van de Wet geluidhinder geen geluidgevoelig object. Om die reden is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai of industrielawaai. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Geluid’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
04.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ◼
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen;
◼
ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht. Toets en conclusie Binnen een straal van 50 m rond het beoogde gebouw zijn geen agrarische bedrijven aanwezig die
aspect geur. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Geur’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
22
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
geurhinder veroorzaken. Daarmee is geen sprake van een onaanvaardbare situatie voor wat betreft het
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RIETDIJK 46 TINTE
04.5 Bodem Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet bekeken worden of de bodemkwaliteit van het betreffende gebied geschikt is voor het beoogde gebruik. Hiervoor is er sprake van een wettelijke verplichting om informatie over de bodemkwaliteit inzichtelijk te maken. Hierbij is het van belang te weten of er mogelijk sprake is van een bodemverontreiniging, of er gezondheidsrisico’s of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Op basis van de Woningwet, de Wabo en bijbehorende regelgeving gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoekplicht: ◼
als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd;
◼
het bouwwerk een te verwezenlijken bebouwingsoppervlakte heeft van ten hoogste 50 m²;
◼
als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijftijd van minder dan 2 uur gehanteerd;
◼
als B&W vrijstelling verlenen omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van een reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal 5 jaar oud en waarbij het gebruik sindsdien niet is gewijzigd).
Toets en conclusie Om te bepalen of de milieu-hygiënische bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 1). Met het onderzoek is het gehele perceel aan de Rietdijk 46 te Tinte onderzocht. Voor onderhavig plan zijn slechts de resultaten (boorpunten 9, 10, 11 en 12) ter plaatse van het beoogde bijbehorend bouwwerk relevant.
Uit de conclusie van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat er ter plaatse van de boorpunten 9, 10, 11 en 12 geen sterke verontreinigingen zijn aangetoond. Er is slechts sprake van lichte verontreinigingen van de bodem en het grondwater. Ook is er geen asbestverdacht materiaal aangetoond. Op de locatie van de beoogde nieuwe schuur wordt de bodemkwaliteit geschikt geacht voor het voorgenomen gebruik.
zijn de volgende resultaten naar worden gekomen.
Voormalige tank naast de woning met tracé ‘nieuwe’ brandstofleidingen Ter plaatse van de voormalige bovengrondse brandstoftank is in de bovengrond sprake van een verontreiniging met minerale olie. Het gaat daarbij om maximaal licht verhoogde gehalten die zijn te relateren aan de voormalige brandstoftank die hier heeft gestaan. Mogelijk heeft een morsing van 23
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
In maart 2023 is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd op de planlocatie (zie bijlage 2). Hieruit
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RIETDIJK 46 TINTE
brandstof plaatsgevonden. Bij het tracé van de ‘nieuwe’ brandstofleidingen zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen.
De verontreiniging met minerale olie is voldoende in beeld gebracht. Omdat geen sterk verhoogde gehalten/concentraties zijn aangetroffen is geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Aangenomen wordt dat de verontreiniging een zeer beperkte omvang (enkele m³) heeft.
Voormalig tracé ‘oude’ brandstof-leidingen Op deze deellocatie is in de ondergrond een verontreiniging met minerale olie en vluchtige aromaten in maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond. De verhoogde gehalten zijn te relateren aan de voormalige brandstofleidingen.
De omvang van de aangetoonde verontreiniging is zowel horizontaal als verticaal voldoende in beeld. In het verleden is sprake geweest van twee lekkages (1986 en 2015). Het is niet te achterhalen welk deel van de verontreiniging is veroorzaakt in 2015 (na 1987 dus zorgplicht). Aangenomen wordt dat het overgrote deel van de verontreiniging is veroorzaakt voor 1987. Op basis daarvan wordt uitgegaan van een historisch geval van bodemverontreiniging. Omdat geen sterk verhoogde gehalten/concentraties zijn aangetroffen is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Voormalige tank naast de inrit Ter plaatse van de voormalige tank naast het inrit is in de ondergrond sprake van een verontreiniging met minerale olie. In het grondwater is een matig verhoogde concentratie met minerale olie aangetroffen. In de bovengrond zijn geen verhoogde gehalten zijn aangetoond. De verontreiniging ‘beperkt’ zicht tot de ondergrond en het grondwater. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat de verontreiniging niet is veroorzaakt door de voormalige bovengrondse tank. Waarschijnlijker is dat de verontreiniging het gevolg zijn van een voormalige ondergrondse brandstofleiding.
De omvang van de verontreiniging is zowel horizontaal als verticaal voldoende in beeld. Omdat geen sterk verhoogde gehalten/concentraties zijn aangetroffen is geen sprake van een geval van ernstige
Voormalige tank achter de schuur Ter plaatse van de voormalige bovengrondse brandstoftank achter de schuur is geen sprake van een verontreiniging met minerale olie en/of vluchtige aromaten.
24
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
bodemverontreiniging.
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RIETDIJK 46 TINTE
Verhoogde gehalten koper en zink Er is sprake van een verontreiniging met koper en zink in de bovengrond waarbij sprake is van licht tot plaatselijke sterk verhoogde gehalten. Ondanks dat een eenduidig verband tussen de bodemvreemde bijmengingen en de analytisch aangetoonde gehalten ontbreekt worden nagenoeg geen verhoogde gehalten aangetroffen als geen sprake is van bodemvreemde bijmengingen. Daarom wordt geconcludeerd dat de verhoogde gehalten zijn te relateren aan de bijmengingen met bodemvreemde materialen.
De verontreiniging met koper en zink is zowel in horizontale richting als verticale richting voldoende in kaart gebracht. Sprake is van circa 350 m² grond met verhoogde gehalten aan zware metalen (met name koper en zink), PAK en PCB in het bodemtraject van 0,05 – 0,55 m-mv. De betreffende laag is heterogeen verontreinigd waarbij plaatselijk matig en sterk verhoogde gehalten aan koper en zink worden aangetroffen. Ingeschat wordt dat de omvang van verontreiniging met sterk verhoogde gehalten kleiner is dan 25 m³. Gesteld wordt dan ook dat geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Asbest Zintuigelijk is tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Uit de resultaten van het bodemonderzoek asbest blijkt dat analytisch in geen van de geanalyseerde grondmonsters asbest is aangetroffen.
Asfalt/slakken Het aangetoonde gehalte aan PAK in de twee geanalyseerde asfaltmonsters is < 10 mg/kg d.s. Daarmee liggen de gehalten ruim onder de grenswaarde van 75 mg/kg d.s. uit het Besluit bodemkwaliteit. Het asfalt van de monsters zoals geanalyseerd zijn niet teerhoudend en mogen warm worden hergebruikt. De slakken voldoen indicatief aan de hergebuiksnormen voor een nietvormgegeven bouwstof uit het Besluit bodemkwaliteit.
Conclusie Met het aanvullend bodemonderzoek zijn de in het voorgaande verkennend bodemonderzoek aangetoonde verontreinigingen voldoende in beeld gebracht. Er zijn meerder verontreinigingen
De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering vanuit de Wet bodembescherming voor de voorgenomen ontwikkeling en het voorgenomen gebruik. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling wordt wel geadviseerd om de aangetoonde verontreinigingen en de nog aanwezige brandstofleidingen te verwijderen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem
25
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
aangetroffen op de locatie maar er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RIETDIJK 46 TINTE
geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling van het nieuwe bijbehorend bouwwerk.
04.6 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Toets en conclusie Uit het raadplegen van de Risicokaart Nederland zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicobronnen aanwezig. De dichtstbijzijnde risicobron betreft een buisleiding op een afstand van ca. 850 m ten zuiden van de planlocatie. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Externe veiligheid’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
04.7 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In
de
Wet
luchtkwaliteit
staan
onder
meer
de
grenswaarden
voor
de
verschillende
luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: ◼
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
◼
Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO 2 ) en fijn stof (PM 10 en PM 2,5 ). Toetsing aan andere
lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
26
◼
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
◼
woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
◼
kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RIETDIJK 46 TINTE
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO 2 en PM 10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets en conclusie In de voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt de realisatie van een nieuw bijbehorend bouwwerk mogelijk gemaakt. Het initiatief zal nauwelijks extra verkeersbewegingen met zich meebrengen die kunnen bijdragen aan eventuele luchtverontreiniging. Het initiatief kan dan ook gezien worden als een project die ‘Niet in betekenende mate (NIBM)’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. dus niet toenemen.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Luchtkwaliteit’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
04.8 Natuurwaarden Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving NNN in provinciale verordening. Toets en conclusie Gebiedsbescherming
quickscan natuurwaarden uitgevoerd (zie bijlage 3). Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het NNN, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Zuid-Holland.
27
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
Om te bepalen of de beoogde ontwikkeling effecten heeft op beschermde natuurwaarden is een
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RIETDIJK 46 TINTE
Stikstofdepositie Om te bepalen of de stikstofdepositie invloed heeft op de Natura 2000-gebieden is er een AERIUSberekening uitgevoerd, zie bijlage 4. Uit dit onderzoek zijn de volgende resultaten naar voren gekomen.
Gebruiksfase Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen depositie is hoger dan 0,00 mol/ha/jaar bij omliggende Natura 2000-gebieden tijdens de gebruiksfase.
Bouwfase Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen depositie is hoger dan 0,00 mol/ha/jaar bij omliggende Natura 2000-gebieden tijdens de bouwfase.
Voor de Natura 2000-gebieden geldt dat er op het gebied van stikstofdepositie negatieve effecten uitgesloten kunnen worden.
Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Het plangebied is geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen.
Vermoedelijk nestelen er vogels in het plangebied waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, maar mogelijk nestelen er ook vogels (huismus en spreeuw) waarvan de nestplaats (jaarrond) beschermd is. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Om te voorkomen dat bezette vogelnesten negatief beïnvloed worden, dient gewerkt te worden buiten de voortplantingsperiode of dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden zodat de aanwezigheid van een bezet vogelnesten uitgesloten kan worden. De spreeuw, met een jaarrond beschermd nest (categorie 5), beschikt over voldoende
plangebied nestelen en om vast te stellen hoeveel huismussen in het plangebied nestelen, dient voordat de woning gesloopt wordt, aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. De bouw van de schuur heeft geen negatief effect op functioneel leefgebied van huismussen.
28
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
flexibiliteit om zich elders te vestigen. Om vast te stellen of huismussen daadwerkelijk in het
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING – RIETDIJK 46 TINTE
Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën die een vaste (winter)rust en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘doden’ en `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaats’. Initiatiefnemer dient echter alles in het werk te stellen om het onnodig doden van beschermde dieren te voorkomen. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden, dient gepoogd te worden de dieren weg te jagen of om ze te vangen (om elders los te laten).
Nader onderzoek huismus Uit de quickscan kwam naar voren dat de aanwezigheid van een vaste rust- en/of voortplantingsplaats en nestplaats van huismussen in de woning niet met zekerheid uitgesloten kon worden is een nader onderzoek naar de huismus uitgevoerd, zie bijlage 5. De sloop van de schuur en bouw van de nieuwe schuur heeft geen negatief effect op het functioneel leefgebied van de huismus. Uit het nader onderzoek is gebleken dat er door de beoogde ingreep geen nesten van huismussen verloren gaan en het functioneel leefgebied wordt niet negatief beïnvloed.