Omgevingsplan Buitengebied_ Veegplan 3_vaststelling
Tekst van het document
Voor de gronden ten noorden van de Kloosterweg gelden hiervoor echter bovendien beperkingen voor de omvang van opslag en stalling voor zover dit meer dan de reguliere stalling voor het bedrijf betreft (uitsluitend in bestaande gebouwen en met een maximum bruto vloeroppervlakte van 500 m2 ofwel van 200 m2 voor zover het de stalling van caravans betreft). Desalniettemin zijn dergelijke functies wel reeds toegestaan. Kloosterweg 2 Op de locatie aan de Kloosterweg 2 is al jarenlang een bedrijfswoning aanwezig en zodanig in gebruik. In het huidige bestemmingsplan is op deze locatie slechts één bedrijfswoning toegestaan behorend bij het groenteverwerkingsbedrijf 'Tuinderij Vers'. Het bedrijf gebruikt alleen de bedrijfswoning aan de Kloosterweg 4. De andere woning aan de Kloosterweg 2 is niet bestemd als bedrijfswoning, noch als burgerwoning. De locaties Kloosterweg 2 en 4 zijn in het bestemmingsplan uit 2007 samengevoegd tot één bedrijfsbestemming met de aanduiding 'verwerkingsbedrijf voor tuinbouwproducten'. In het verleden (Bestemmingsplan Landelijk gebied Brielle 2007) behoorde de woning aan de Kloosterweg 2 en 4 tot de bestemming 'Agrarisch aanverwante doeleinden' met de aanduiding 'verwerkingsbedrijf voor tuinbouwproducten'. Ook hier was slechts één bedrijfswoning mogelijk. Onduidelijk is welke van de twee woningen dit betrof.
Wanneer wordt teruggekeken naar het bestemmingsplan Landelijk gebied Brielle uit 1988 is te zien dat aan de Kloosterweg 2 een bedrijf in groenteverwerking is gevestigd met bijbehorend een bedrijfswoning (bestemming: Bedrijfsdoeleinden Groothandel in groenten). Aan de F 21203-16-RA-002 16
Kloosterweg 4 was destijds een glastuinbouwbedrijf met één bedrijfswoning gevestigd. In het bestemmingsplan van 1988 was ooit twee bedrijfswoningen (één per bedrijf) toegestaan en deze zijn sindsdien ook aanwezig en als zodanig in gebruik geweest. Geconcludeerd wordt dat de aanduiding bedrijfswoning abusievelijk is verwijderd. Dit is in voorliggend plan met voorgaande rechtgezet en vormt de basis voor de omzetting naar een plattelandswoning.
f 2.5 voormalige bestemming Bedrijfsdoeleinden Groothandel in groenten aan de Kloosterweg 2 mét bedrijfswoning (bron: bestemmingsplan Landelijk gebied Brielle uit 1988)
Om een (voormalig) bedrijfswoning bewoonbaar te maken voor derden kan gebruik worden gemaakt van de Wet Plattelandswoning. Er dient sprake te zijn van een (voormalig) bedrijfswoning (voorheen) behorende bij een landbouwinrichting. In de Wet Plattelandswoning, artikel 1.1a, staat het volgende omschreven: Lid 1. Een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting, die op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning door een derde bewoond mag worden, wordt met betrekking tot die inrichting voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen beschouwd als onderdeel van die inrichting, tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald. Lid 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder landbouwinrichting verstaan: inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten, zijnde het telen of kweken van landbouwgewassen of het fokken, mesten, houden of verhandelen van landbouwhuisdieren, dan wel activiteiten die daarmee verband houden worden verricht. F 21203-16-RA-002 17
Voor de Kloosterweg 2 betekent dat wanneer gekeken wordt naar de definitie van een plattelandswoning er sprake is van een voormalig bedrijfswoning die voorheen behoorde tot een landbouwinrichting. In het bestemmingsplan uit 1988 is het bedrijf vele malen kleinschaliger dan tegenwoordig en richt zich hoofdzakelijk op het verwerken van groenten van agrarische bedrijven uit Voorne. We spreken hierover over koolgewassen zoals boerenkool, witte kool en rode kool maar ook producten zoals prei en diverse slasoorten. Er kan gesteld worden dat dit activiteiten zijn die worden verricht verband houden met agrarische activiteiten in de vorm van het telen of kweken en verwerken van landbouwgewassen. Daarmee is aan de Kloosterweg 2 sprake van een voormalig bedrijfswoning die voorheen behoorde tot een landbouwinrichting. Ondanks dat er in de huidige situatie geen sprake is van een bedrijfswoning en nauwelijks meer sprake is van een activiteit die in verband staat tot het telen en kweken van landbouwgewassen, is de gemeente van mening dat op basis van voorgaande argumentatie voldoende legitimatie bestaat voor de omzetting van bedrijfswoning naar een plattelandswoning.
Het bedrijf is immers in de afgelopen decennia gegroeid van groenteverwerker die activiteiten verricht die verband houden met agrarische activiteiten in de vorm van het telen of kweken van landbouwgewassen, en daarmee een voormalig landbouwinrichting conform de definitie uit de Wet plattelandswoning, naar een groot bedrijfsmatig groenteverwerkingsbedrijf voor groenten en fruit uit alle windstreken. De aanwezigheid van de uitloper van deze voormalige landbouwinrichting belemmert verdere omzetting van de Kloosterweg 2 naar een burgerwoning. De omzetting naar een plattelandswoning is dan ook in de geest van de Wet plattelandswoning, waarbij gebruik gemaakt wordt van de breedste interpretatie van de Wet plattelandswoning die er is, namelijk het omzetten van een voormalig bedrijfswoning voorheen behorend tot een agrarische inrichting. Milieutechnische onderbouwing Kloosterweg 2 De functie bedrijfswoning wijzigt naar de functie plattelandswoning, zodat deze tevens bewoond mag worden door derden. Planologisch gezien valt te spreken over een beperkte wijziging. Voor omliggende bedrijven wijzigt niets, daarvoor is de bedrijfswoning altijd al behandeld als een wonen van derden met bijbehorende milieu-eisen. Verder wijzigt het gebruik niet en wordt er niet gebouwd.
Of ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat is voor plattelandswoningen op twee manieren beoordeeld: • ten opzichte van andere functies in de omgeving; • en ten opzichte van de eigen activiteiten. Voor plattelandswoningen geldt dat deze ten aanzien van de eigen activiteiten niet geurgevoelig of geluidgevoelig is. Wel dient sprake te zijn van een voldoende woon- en leefklimaat. Als het gaat om de bedrijfsvoering en toetsing van de geurbelasting en geluidbelasting door de omliggende bedrijven heeft de status als plattelandswoning geen gevolgen. Zoals ook in de ruimtelijke onderbouwing beschreven is sprake van een F 21203-16-RA-002 18
gemengde omgeving en is geluid bij dit bedrijf het maatgevende aspect. Met inachtneming van aftrekking van een afstandstrede geldt een richtafstand van 50 meter voor geluid, voor geur geldt een richtafstand van 25 meter en voor stof en gevaar een richtafstand van 0 meter. Ten opzichte van het bijbehorende bedrijf is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Op grond van jurisprudentie dient ter plaatse van plattelandswoningen te worden voldaan aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de CIMLK-monitoringskaart 2022. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Kloosterweg, meetpunt: 52605825_15950502. Uit de CIMLK-monitoringskaart blijkt dat de concentratie PM2,5 in 2022 ter plaatse <20 µg/m³, de concentratie PM10 <35 µg/m³ en de concentratie NO2 <35 µg/m³. Volgens de monitoringskaart is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende en wordt voldaan aan de grenswaarden van respectievelijk 25 µg/m³ voor PM2,5 en 40 µg/m³ voor PM10 en NO2. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie. Ook wijzigt het aantal verkeersbewegingen vanwege de omzetting naar een plattelandswoning niet.
Voor de aspecten bodem, water, archeologie, cultuurhistorie, externe veiligheid en ecologie wijzigt er feitelijk niets met de omzetting naar een plattelandswoning. Negatieve effecten op of door deze aspecten zijn dan ook uit te sluiten. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de plattelandswoning. Uit bovenstaand onderzoek blijkt dat voor het toevoegen van de aanduiding plattelandswoning sprake is van een aanvaardbaard woon- en leefklimaat.
F 21203-16-RA-002 19
3
Beleidskader
3.1 A l ge mee n
In de volgende paragrafen wordt het relevante rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid ten aanzien van de ruimtelijke en de functionele structuur omschreven. Gezien de schaal en het perceelgebonden karakter van de beoogde ontwikkeling wordt volstaan met een bescheiden weergave van het beleidskader. 3.2 R i j ks b e le i d 3.2.1 Nati onal e Omge vi ngsvi si e (2020)
Op 11 september 2020 is de definitieve Nationale Omgevingsvisie (NOVI) aan de Tweede Kamer aangeboden. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan wij voor een aantal grote opgaven. De bouw van 1 miljoen nieuwe woningen, duurzaam energie opwekken, klimaatverandering en de overgang naar een circulaire economie vragen veel ruimte, meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Er moeten daarom keuzes gemaakt worden zodat Nederland ook voor toekomstige generaties een veilig, gezond en welvarend land kan blijven. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen wij staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes wij maken en welke richting wij meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. In de NOVI wordt daarbij een viertal prioriteiten aangegeven: - Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; - Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; - Sterke en gezonde steden en regio's; - Een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De NOVI is erop gericht om voor deze vier prioriteiten de nationale beleidskeuzes (op strategisch niveau) zo scherp mogelijk te formuleren.
Waar keuzes op nationaal niveau in de NOVI zelf niet of nog niet scherp gemaakt kunnen worden of waar dit niet verstandig is, wordt richting gegeven aan decentrale keuzes. In de NOVI worden in totaal 21 nationale belangen benoemd. Hierbij wordt onder andere het waarborgen en versterken van een hoogwaardig ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat, en het realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit, benoemd. De beoogde ontwikkeling betreft een binnen gemeente Voorne aan Zee gelegen ontwikkeling. Aangezien in voorliggende situatie niet direct sprake is van grote nationale belangen valt deze ontwikkeling niet onder de primaire verantwoordelijkheid van het Rijk. F 21203-16-RA-002 20
Wel dragen dergelijke plannen bij aan de nationale belangen uit de NOVI. Door middel van de beoogde ontwikkeling wordt immers een goed economisch vestigingsklimaat gefaciliteerd, en wordt mogelijk voorzien in werkgelegenheid. Door de uitbreiding van Tuinderij Vers zullen immers werkplaatsen worden gecreëerd. Daarnaast dienen bedrijventerreinen voor bedrijven met een groot ruimtebeslag, en relatief weinig personenverkeer, op grond van de Omgevingsvisie te worden ontwikkeld buiten bestaand stedelijk gebied aan de hoofdinfrastructuur voor weg- en railvervoer en/of vervoer over water. De beoogde ontwikkeling betreft de uitbreiding van bedrijvigheid op een buitenstedelijke locatie nabij de N218. Hiermee wordt een optimale bereikbaarheid nagestreefd, en wordt bijgedragen aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Uiteindelijk leidt dit tot sterke en gezonde steden en regio's. Daarnaast kent duurzaamheid een grote rol in de planvorming. Hiermee is de beoogde ontwikkeling niet in strijd met de toekomstvisie uit de NOVI. 3.2.2 D e l adde r
In oktober 2012 is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de introductie van de ladder vraaggerichte programmering bevorderen. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen (bijvoorbeeld kantoorlocaties, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen) moet in het bestemmingsplan worden gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt van het ruimtegebruik. De (per 1 juli 2017 herziene) ladder voor duurzame verstedelijking (vanaf heden 'Ladder') werkt volgens twee stappen: - beschrijving/beoordeling van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt; - indien de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Voordat wordt getoetst aan de ladder dient te worden vastgesteld of het plan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Indien hierin niet wordt voorzien kan een uitgebreide toetsing namelijk achterwege blijven. Van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is in beginsel sprake als een nieuw ruimtelijk besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. In voorliggende situatie zal meer bebouwing worden gerealiseerd dan thans mogelijk is volgens het vigerende F 21203-16-RA-002 21
omgevingsplan. Om deze reden zal de ‘Ladder’ voor de beoogde ontwikkeling worden doorlopen. Opgemerkt wordt dat ook als dit niet het geval is alsnog gemotiveerd zal moeten worden dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Onderstaand worden de stappen van de ‘Ladder’ doorlopen voor de beoogde ontwikkeling. Beschrijving/beoordeling van de behoefte
De toenemende vraag naar de producten van het bedrijf Tuinderij Vers heeft als gevolg dat het bedrijf ruimte tekort zal komen. Om deze groei te kunnen faciliteren is een wezenlijke capaciteitstoename vereist. Deze uitbreiding is gewenst om aan de toenemende vraag naar producten te kunnen voldoen. Binnen de markt is steeds meer vraag naar groenteproducten en kant-en-klare producten. Volgens onderzoek van het FoodService Instituut Nederland eten Nederlanders steeds meer kant- en klaar maaltijden. Met name volwassenen tussen de 18 en 40 kennen vaak een gejaagde levensstijl, waarvoor gemaksproducten een ideale oplossing zijn. Verwacht wordt dat deze groei nog verder doorzet in de komende jaren. De belangrijkste afnemer van producten verwacht mede vanwege deze redenen een groeiende vraag naar de versproducten waarin Tuinderij Vers deze afnemer deels voorziet. Deze grootste afnemer heeft de ambitie uitgesproken om de groente- en fruitconsumptie in de Nederland de komende 10 jaar te verdubbelen. Dat is een stevige ambitie maar in het kader van een gezondere levensstijl welke ook door de overheid en de gezondheidszorg wordt nagestreefd noodzakelijk en realistisch. Onze missie is niet voor niks "Wij maken gezond eten voor iedereen smakelijk en makkelijk".
Voor de verdergaande automatisering is ook steeds meer ruimte nodig evenals de verdere groei en ruimtebenutting van alle ingrediënten welke wij gebruiken. Tuinderij Vers is bovendien vanuit het oogpunt van risicospreiding van plan om tevens aan andere afnemers producten te leveren. Tevens is sprake van een afzetgroei vanuit het bedrijf waarmee Tuinderij Vers qua productie van groente- en fruitproducten samenwerkt. Ook leidt de uitbreiding van het productassortiment tot een groei in de productiebehoefte. Gezien voorgaande wordt in de toekomst een aanzienlijke afzetgroei verwacht, waardoor het bedrijf zich nu al zal moeten voorbereiden op een mogelijke uitbreiding van de bedrijfsbebouwing. De huidige bedrijfsbebouwing wordt namelijk te krap voor de gewenste bedrijfsactiviteiten van Tuinderij Vers. Er kan aldus wordt geconstateerd dat de beoogde ontwikkeling is ingegeven door een actuele behoefte van het bedrijf Tuinderij Vers. Er is dus sprake van een actuele regionale behoefte aan de beoogde bedrijfsuitbreiding.
F 21203-16-RA-002 22
Ontwikkeling binnen/buiten bestaand st edelijk gebied
Sinds 1985 is Tuinderij Vers gevestigd aan de Kloosterweg. Deze locatie ligt aan de rand van het glastuinbouwintensiveringsgebied Tinte/Brielle. De activiteiten van Tuinderij Vers liggen in het verlengde van de primaire productiebedrijven. Door meer waarde toe te voegen door middel van snijden wassen en mengen voldoet Tuinderij Vers aan een behoefte van de consument die meer en meer op zoek is naar gemak. Producten door de buurbedrijven worden geteeld neemt Tuinderij Vers onder andere van hen af om verder te bewerken. De locatie bevindt zich buiten het bestaand stedelijk gebied van Brielle. De beoogde ontwikkelingen zijn echter grotendeels gesitueerd op een locatie alwaar conform het vigerend omgevingsplan reeds bedrijfsactiviteiten toegestaan zijn. Het situeren van de beoogde bebouwing binnen bestaand stedelijk gebied, en hiermee niet op korte afstand van de huidige bedrijfsbebouwing is niet wenselijk3. Het verplaatsen van het gehele bedrijf wordt bovendien vanuit economische overwegingen niet uitvoerbaar geacht. Uit praktische overwegingen wordt het situeren van de beoogde uitbreiding aan bedrijfsbebouwing binnen bestaand stedelijk gebied niet nader beschouwd. Bedrijvigheid met een groot ruimtebeslag wordt doorgaans – zoals ook volgt uit de NOVI, niet wenselijk geacht binnen bestaand stedelijk gebied.
Gezien voorgaande is het aldus niet wenselijk binnen bestaand stedelijk gebied aan de behoefte aan de beoogde ontwikkeling te voorzien. Conclusie
Vanuit het bedrijf Tuinderij Vers is er een behoefte aan de beoogde bedrijfsuitbreiding. Middels de beoogde ontwikkeling kan Tuinderij Vers haar gewenste bedrijfsactiviteiten uitvoeren. Het is uit praktische overwegingen niet wenselijk deze behoefte binnen bestaand stedelijk gebied op te vangen. In voorliggende situatie is hiermee sprake van een stedelijke ontwikkeling waarbij sprake is van duurzaam ruimtegebruik. 3.3 Pr o vi nc iaa l b e le i d 3.3.1 Omge vi ngsvi si e e n Omge vi ngsve rorde ni ng Zui d -Hol l and (201 9)
Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Op 1 april 2019 zijn de Omgevingsvisie en bijbehorende Omgevingsverordening in werking getreden. Op 2 december 2022 is een geconsolideerde versie van deze stukken in werking getreden. Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit.
3 Hierbij kan gedacht worden aan Seggelant 2 of Ki ckersbloem.
F 21203-16-RA-002 23
Omgevingsvisie De Omgevingsvisie Zuid-Holland bestaat uit een meerdere onderdelen: - De introductie op het omgevingsbeleid, waarin tevens de ruimtelijke hoofdstructuur wordt beschreven; - De ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid; de ambities en sturing; - Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; - De samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. Ambities
In de Omgevingsvisie worden zeven richtinggevende ambities opgenomen voor de fysieke leefomgeving. Door in te zetten op deze zeven ambities wordt gestreefd naar het sterker maken van Zuid-Holland. Deze ambities luiden als volgt: - Samen werken aan Zuid-Holland - Bereikbaar Zuid-Holland - Schone energie voor iedereen - Een concurrerend Zuid-Holland - Versterken natuur in Zuid-Holland - Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland - Gezond en veilig Zuid-Holland De beoogde ontwikkeling sluit met name aan op de ambities ten aanzien van een concurrerend Zuid-Holland. Door de beoogde ontwikkeling wordt immers een goed vestigingsklimaat gefaciliteerd. Door de beoogde uitbreiding mogelijk te maken wordt bijgedragen aan de toekomstbestendigheid van Tuinderij Vers. Bovendien is in voorliggende situatie sprake van een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van de omgeving. Er is immers sprake van de uitbreiding van een bestaand bedrijf ter plaatse van een gebied alwaar reeds de nodige bedrijvigheid is gesitueerd. Hiermee is geen sprake van een verslechtering van de ruimtelijke kwaliteit. Uiteraard zorgt de beoogde uitbreiding wel voor een toevoeging van bebouwing in landelijk gebied.
Hier ligt de nadruk op het behoud van het Er zal echter openheid worden gecreëerd door de toepassing van relatief lage bebouwing aan de N218, alsmede door veel tussenruimte tussen de beoogde bebouwing en de bestaande kas vrij te laten. Door middel van een groene zone tussen de N218 en de beoogde nieuwe bebouwing wordt het groene karakter aldaar versterkt. Hiermee zal geen afbreuk worden gedaan aan de visueel ruimtelijke kwaliteit vanaf het openbare gebied, en blijft een goede leefomgeving gewaarborgd. De ambities zijn in de Omgevingsvisie vervolgens geconcretiseerd in beleidsdoelen en beleidskeuzes. Hierbij wordt aangegeven dat deze opgaven vanuit een zeker abstractieniveau zijn geformuleerd.
F 21203-16-RA-002 24
Er zijn meerdere beleidskeuzes opgenomen die betrekking hebben tot duurzaamheid, klimaatbestendigheid en de energietransitie. Dit zijn onderwerpen die ook voor Tuinderij Vers van groot belang zijn. De beoogde ontwikkeling draagt bij aan de toekomstbestendigheid van Tuinderij Vers. Met kijk op de toekomst is het uiteraard dan ook essentieel om deze aspecten mee te nemen. In het kader van duurzaamheid zullen zonnepanelen worden opgesteld boven de parkeerplaatsen en op het dak van de bebouwing langs de Schrijversdijk. Wat circulariteit en natuurinclusief bouwen betreft zal ten tijde van de verdere planuitwerking beschouwd worden wat de mogelijkheden voor de nieuwbouw zijn. Groen verkrijgt in ieder geval een grote rol bij de beoogde ontwikkeling. Zo zal de zone tussen de N218 en de beoogde bebouwing groen uitgevoerd worden, en zal daar ook de nodige ruimte ontstaan voor water. Dit water zorgt niet alleen voor waterbergingscapaciteit, maar ook voor verkoeling, wat dan weer gunstig voor het voorkomen van hittestress. Uiteindelijk is het van groot belang dat er een gezonde en veilige leefomgeving ontstaat, hetgeen ook aansluit op de beleidskeuzes. Omgevingsverordening De bij de Omgevingsvisie behorende Omgevingsverordening stelt eveneens regels aan ruimtelijke ontwikkelingen.
Met betrekking tot stedelijke ontwikkelingen geldt dat de 'ladder voor duurzame verstedelijking' (eveneens opgenomen in de Bro) dient te worden doorlopen. Aangezien de beoogde ontwikkeling een nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft zal deze ladder moeten worden doorlopen. Bovendien wordt thans een herziening van het Omgevingsbeleid (o.a. aangaande bedrijventerreinen) beoogd. Onderdeel van deze herziening is ook een mutatie van de 3 hectare kaart. Als een stedelijke ontwikkeling een omvang heeft van meer dan 3 hectare en buiten bestaand stads- en dorpsgebied wordt gerealiseerd, kan dit alleen als deze locatie is opgenomen op deze zogenaamde 3 hectare kaart. Verzocht is om de beoogde ontwikkeling van Tuinderij Vers hierin op te nemen. Door de provincie is bevestigd dat de beoogde ontwikkeling van Tuinderij Vers wordt opgenomen in de 3 hectare kaart. Verder zijn er geen relevante regels opgenomen in de Omgevingsverordening voor de beoogde ontwikkeling. Resumerend kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling past binnen de provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. 3.4 R eg i on aa l b el e i d 3.4.1 Be l e i d Wate rsc hap Hol l andse D e l ta (2014)
Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het Waterschap Hollandse Delta. Het beleid van het Waterschap Hollandse Delta is onder andere vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2022-2027, de Keur 2014 en de leggers 'oppervlaktewaterlichamen en kunstwerken' en 'waterkeringen'. F 21203-16-RA-002 25
In het Waterbeheerprogramma staan de doelen van het waterschap voor de primaire taken waterveiligheid, watersysteem en de waterketen. Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen een impact hebben op het lokale watersysteem. Een toename van het verharde oppervlak kan bijvoorbeeld neerslag versneld tot afvoer laten komen. In de Keur staan de regels die een waterschap hanteert bij de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Hierin staat wat wel en niet mag met betrekking tot het lokale watersysteem. In paragraaf 4.9wordt nader ingegaan op het effect van de voorgenomen ontwikkeling op het aspect water. 3.5 G em een te l i j k b e l ei d 3.5.1 Al ge me e n
Sinds 1 januari 2023 zijn de gemeenten Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne de nieuwe gemeente Voorne aan Zee. Het gemeentelijk beleid is voor het plangebied vastgelegd in het Omgevingsplan. Hierbij wordt doorverwezen naar beleidsstukken van de voormalige gemeente Brielle. 3.5.2 Omge vi ngsvi si e l ande li j k ge bie d
De 'Omgevingsvisie Landelijk gebied' heeft betrekking op het gehele buitengebied van de voormalige gemeente Brielle, en is op 5 juli 2016 door voormalige gemeente Brielle vastgesteld. De structuurvisie Brielle, vastgesteld op 8 december 2009, blijft voor het stedelijk gebied van de kernen Brielle, Vierpolders en Zwartewaal van kracht. Het plangebied bevindt zich echter binnen het buitengebied, waarmee de omgevingsvisie van toepassing is op de beoogde ontwikkeling. Opgemerkt wordt dat deze Omgevingsvisie de basis vormt voor de koers in het Omgevingsplan. In het Omgevingsplan wordt deze koers uitgewerkt in regels. De 'Omgevingsvisie Landelijk gebied' wordt in voorliggende paragraaf nader beschouwd. In samenhang met de kernkwaliteiten en opgaves zijn er visies en doelen geformuleerd voor de verschillende deelgebieden in de voormalige gemeente Brielle. De deelgebieden zijn: het agrarisch gebied, het agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden, de agrarische glastuinbouwgebieden, de natuurgebieden, het Brielse meer en omgeving, de Schootsvelden en de N57. Deze gebiedsspecifieke doelen zijn in dit omgevingsplan verwerkt in de koers en kwaliteiten per deelgebied. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden op deze wijze getoetst aan de doelen die in de omgevingsvisie zijn opgenomen.
Middels de Omgevingsvisie wil Brielle richting geven aan ruimtelijke ontwikkelingen binnen het buitengebied. Deze omgevingsvisie heeft een andere insteek dan traditionele structuurvisies. In tegenstelling tot dergelijke structuurvisies is niet precies vastgelegd welke functies waar mogelijk zijn. Er wordt weliswaar duidelijkheid geboden over wat de F 21203-16-RA-002 26
voormalige gemeente Brielle wil bereiken, maar er wordt daarbij flexibiliteit ingebouwd om te voorkomen dat deze visie in de toekomst in de weg gaat zitten. De omgevingsvisie is uitgewerkt in een aantal doelen voor de verschillende deelgebieden binnen het buitengebied. Dit omdat ieder deelgebied haar eigen kwaliteiten, knelpunten en doelen kent, welke weer tot verschillende ontwikkelingsmogelijkheden leiden. Daarnaast zijn ook een aantal algemene uitgangspunten geformuleerd voor het gehele grondgebied van gemeente Brielle. Dit betreft de volgende algemene uitgangspunten waar rekening mee gehouden moet worden: - Ruimtelijke kwaliteit; - Duurzame ontwikkeling; - Duurzaam ruimtegebruik; - Klimaatbestendigheid; - Samenhang. Het plangebied is daarnaast conform de omgevingsvisie gelegen binnen 'Agrarisch gebied', zie figuur f 3.1. De doelen voor het agrarisch gebied luiden als volgt: - behoud van de dynamiek in het landelijk gebied; - een duurzame landbouw; - openheid van het landschap behouden en waar mogelijk versterken; - specifieke cultuurhistorische kwaliteiten behouden; - de leesbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap behouden; - recreatief medegebruik stimuleren; - verbetering van de infrastructuur en de verkeerssituatie.
f 3.1 Uitsnede omgevingsvisie landelijk gebied Brielle
F 21203-16-RA-002 27
De beoogde ontwikkeling voorziet in uitbreidingsmogelijkheden voor Tuinderij Vers. Hiermee wordt bijgedragen aan het behoud van een dynamisch buitengebied. De beoogde ontwikkeling zal bovendien aansluiten op de visueel ruimtelijke structuur van de omgeving. Verrommeling zal door een zorgvuldige landschappelijke inpassing (landschap en stedenbouw) worden voorkomen. De openheid van het landschap wordt zoveel mogelijk behouden door de beoogde uitbreiding van bebouwing juist aansluitend aan bestaand bebouwing te realiseren. Aan de N218 zal lage bebouwing worden gerealiseerd. Voor de bebouwing zal een extra groene zone worden gemaakt met bomen, wadi’s en riet om het groene karakter te benadrukken. Door de beoogde ontwikkeling wordt daarnaast gezorgd voor een toekomstbestendige situatie voor Tuinderij Vers. De uitbreidingsmogelijkheden zullen daarbij niet leiden tot knelpunten voor de verkeerssituatie. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 4.11. Duurzaamheid
Duurzaamheid is één van de speerpunten uit de Omgevingsvisie. In het kader van duurzaam ruimtegebruik kan allereerst worden gesteld dat de ontwikkeling plaatsvindt in landelijk gebied, waar de nadruk ligt op het behoud van het open landschap. In paragraaf 3.2.2 is echter nader gemotiveerd dat de beoogde ontwikkeling binnen landelijk gebied wenselijk is. Het open landschap zal zoveel mogelijk worden behouden door hier in de uitwerking van de beoogde bebouwing rekening mee te houden. Door ruimte te bieden voor groen en water zal sprake zijn van een goede ruimtelijke kwaliteit. Duurzaamheid en klimaatbestendigheid zijn onderwerpen die ook voor Tuinderij Vers van groot belang zijn. In het kader van de toekomstbestendigheid van Tuinderij Vers is het uiteraard dan ook essentieel om deze aspecten mee te nemen. Wat de energievoorziening betreft zullen zonnepanelen worden opgesteld boven de parkeerplaatsen en op het dak van de bebouwing langs de Schrijversdijk. Ten tijde van de verdere planuitwerking zal beschouwd worden wat de mogelijkheden zijn voor energieneutraal en natuurinclusief bouwen. Hierbij zal ook bekeken worden wat de mogelijkheden zijn voor de het gebruik van duurzame materialen, alsmede het hergebruik van materialen. Voor zover mogelijk zal ook het transport van en naar Tuinderij Vers verder verduurzaamd worden.
Ten tijde van de realisatie van de beoogde uitbreiding zal worden beschouwd op welke wijze een bijdrage kan worden geleverd op de ambitie van de gemeente om in 2040 energieneutraal te zijn. Groen verkrijgt in ieder geval een grote rol bij de beoogde ontwikkeling. Zo zal de zone tussen de N218 en de beoogde bebouwing groen uitgevoerd worden, en zal daar ook de nodige ruimte ontstaan voor water. Dit water zorgt niet alleen voor waterbergingscapaciteit, maar ook voor verkoeling, wat dan weer gunstig voor het voorkomen van hittestress. In het landschapsplan wordt een verdere impressie gegeven van de rol van groen en water binnen het plan. Uiteindelijk is het van groot belang dat er een gezonde en veilige leefomgeving ontstaat, hetgeen ook aansluit op de beleidskeuzes.
F 21203-16-RA-002 28
Resumerend kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verstoort van toepassing rekening houdend met de inpassing van het plan conform het nog nader uit te werken landschappelijk inpassingsplan. Hiermee past de beoogde ontwikkeling binnen de omgevingsvisie voor het buitengebied. 3.5.3 Handboe k k wal i te i tsve rbe te ri ng ge me e nte Bri el le
Voor gemeente Brielle is een Handboek Kwaliteitsverbetering opgesteld waarin per zone binnen het agrarisch gebied aanbevelingen en inspiratiebeelden zijn opgenomen. In de regels van het vigerende omgevingsplan wordt een directe link gelegd met de kwalitatieve voorwaarden uit de Handboeken kwaliteitsverbetering. Hierbij worden voor de volgende thema's aanbevelingen gedaan: - behoud en versterk de identiteit; - verbind de natuur; - maak het landschap leefbaar; - draag bij aan verduurzaming; - ontwikkel de plattelandseconomie. Voor de beoogde ontwikkeling is een landschapsplan opgesteld (bijlage 8). Hierin wordt per aanbeveling toegelicht op welke wijze bijdragen wordt aan de kwaliteitsverbetering.
F 21203-16-RA-002 29
4
Omgevingsaspect en
4.1 A l ge mee n
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het effect van de beoogde ontwikkeling op de van toepassing zijnde milieuaspecten. Eventuele effecten worden getoetst aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving. 4.2 G el ui d 4.2.1 Al ge me e n
De beoogde ontwikkeling betreft de bedrijfsuitbreiding van Tuinderij Vers. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geluidgevoelige functies, te weten woningen. Hierbij zal beoordeeld moeten worden of sprake is van een inpasbare situatie wat betreft geluid. In voorliggende paragraaf wordt dit nader toegelicht. 4.2.2 We tte l ij k kade r
De regelgeving die van toepassing is op de geluidaspecten van de te beschouwen inrichting is opgenomen in het Activiteitenbesluit. In het Activiteitenbesluit zijn de navolgende voorschriften met betrekking tot geluid opgenomen. Artikel 2.17 1. Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat: a. de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden. t 4.1 Tabel 2.17 a conform het Activiteitenbesluit
LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
07:00–19:00 uur
19:00–23:00 uur
23:00–07:00 uur
50 dB(A) 35 dB(A)
45 dB(A) 30 dB(A)
40 dB(A) 25 dB(A)
70 dB(A) 55 dB(A)
65 dB(A) 50 dB(A)
60 dB(A) 45 dB(A)
De in tabel t 4.1 opgenomen maximale geluidniveaus zijn in de periode 07.00 en 19.00 uur niet van toepassing op laad- en losactiviteiten.
F 21203-16-RA-002 30
De grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) bedragen derhalve 50, 45 en 40 dB(A) op de gevel van geluidgevoelige gebouwen in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Het maximale geluidniveau (L Amax) bedraagt 70, 65 en 60 dB(A) op de gevel van geluidgevoelige gebouwen in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. In het Activiteitenbesluit is tevens opgenomen dat de berekeningen en metingen van de geluidniveaus dienen plaats te vinden conform de richtlijnen zoals deze zijn opgenomen in de Handleiding meten en rekenen industrielawaai uit 1999. 4.2.3 Be oorde li ng
Om de inpasbaarheid van de beoogde ontwikkeling in relatie tot nabijgelegen woningen te bepalen is door Peutz in 2023 akoestisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 1). Uit de resultaten van het onderzoek volgt dat ten gevolge van de activiteiten van Tuinderij Vers het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter plaatse van de gevels van woningen ten hoogste 44 dB(A), 42 dB(A) en 40 dB(A) bedraagt in de respectievelijk dag-, avond- en nachtperiode. De maximale geluidniveaus bedragen 56 dB(A), 58 dB(A) en 58 dB(A) in de respectievelijk dag-, avond- en nachtperiode. Door Tuinderij Vers wordt hiermee voldaan aan de geluidgrenswaarden conform het Activiteitenbesluit. 4.2.4 C onc l usi e
Uit akoestisch onderzoek blijkt dat wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden conform het Activiteitenbesluit. Hiermee wordt verondersteld dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het aspect geluid vormt hiermee geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.3 Ar che o l o gi e 4.3.1 We tte l ij k kade r
Door de ondertekening van het Verdrag van Malta (Valletta, 1992) heeft Nederland zich verplicht tot het beschermen van het archeologisch erfgoed. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologische erfgoed waar mogelijk te behouden. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer en de Ontgrondingenwet. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bestond al een verplichting om bij de voorbereiding van bestemmingsplannen alle ter zake doende belangen mee te wegen. Vanuit de Monumentenwet zijn gemeenten namelijk verplicht bij het opstellen of wijzigen van bestemmingsplannen rekening te houden met archeologie. De bescherming van cultuurhistorische elementen werd voorheen bepaald in de Monumentenwet 1988, welke in juli 2016 is komen te vervallen. Een belangrijk deel van de onderwerpen zijn overgegaan naar de Erfgoedwet. Deze wet is vooral gericht op het behouden en beschermen van historische elementen voor latere generaties. F 21203-16-RA-002 31
Het Beleidsplan Archeologie gemeente Brielle vormt het afwegingskader voor ruimtelijke plannen met betrekking tot archeologie. Op de Archeologische Verwachtings- en Beleidskaart van gemeente Brielle wordt hierbij aangegeven welke gebieden een archeologische verwachting kennen en waar welke archeologische onderzoeksplicht geldt. 4.3.2 Be oorde li ng
De Archeologische Verwachtings- en Beleidskaart is geïntegreerd in het vigerende omgevingsplan. Hieruit volgt dat het plangebied is gelegen in een gebied dat gedeeltelijk een hoge archeologische verwachtingswaarde kent. In figuur f 4.1 is een uitsnede van het omgevingsplan opgenomen waarop het plangebied met blauw wordt aangegeven. Conform deze kaart kennen de gronden ter plaatse van het plangebied deels de Waarde – archeologie 4 (lichtblauw in figuur f 4.1). Op basis van de Archeologische Beleidskaart gelden er oppervlakte- en dieptegrenzen ten aanzien van de archeologische onderzoeksplicht. Ter plaatse van het plangebied, met uitzondering van het gedeelte met een lage verwachtingswaarde, geldt een archeologische onderzoeksplicht bij een te verstoren oppervlakte groter dan 250 m2 en dieper dan 50 centimeter.
f 4.1 Uitsnede Archeologische Beleidskaart Brielle
F 21203-16-RA-002 32
Naar verwachting zal de beoogde uitbreiding een oppervlakte groter dan 250 m2 en dieper dan 50 centimeter kennen. Thans zijn de bouwplannen echter nog niet concreet uitgewerkt. Voorafgaand aan de beoogde ontwikkeling zal derhalve, indien nodig, een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden. Hiermee zullen de archeologische waarden ter plaatse van het plangebied in voldoende mate worden vastgesteld en zo nodig worden beschermd. 4.3.3 C onc l usi e
Een deel van de gronden ter plaatse van het plangebied kent een archeologische verwachtingswaarde. Ter plaatse van het plangebied zal in de toekomst sprake zijn nieuwbouw. Indien het te verstoren oppervlakte hierbij groter is dan 250 m2 en dieper dan 50 centimeter, zal nader archeologisch onderzoek uitgevoerd worden om zodoende mogelijke archeologische waarden te waarborgen. 4.4 Bo d e m 4.4.1 We tte l ij k kade r
Bij het opstellen van een bestemmingsplan of bij het plan tot afwijken van het bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht. De nieuwe bestemming moet immers passend zijn in relatie tot de bodemkwaliteit. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient een bodemonderzoek verricht te worden, dit vloeit voort uit artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Er dient onderzoek verricht te worden naar de bestaande toestand, en of deze aansluit bij de toekomstige toestand. Op sterk verontreinigde grond zijn er beperkingen met betrekking tot nieuwbouw. Hier mogen bijvoorbeeld geen gevoelige objecten, zoals woningen, gerealiseerd worden. Er moet rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot toegelaten functies. 4.4.2 Be oorde li ng
Bepaald zal moeten worden of de bodemkwaliteit passend is voor het beoogde gebruik. Aangezien de gronden ter plaatse van het percelen aan de Schrijversdijk 2 en de Aelbrechtsweg 3 thans een woonbestemming kennen, kan worden aangenomen dat de beoogde bedrijvigheid passend is. Door deze percelen in gebruik te nemen voor bedrijfsdoeleinden is immers geen sprake is van een gevoeliger gebruik van de gronden. Conform het vigerende omgevingsplan is ter plaatse van het huidige bedrijfsterrein de verwerking van agrarische producten toegestaan. Tevens is het perceel aan de Kloosterweg 3 bestemd voor agrarische doeleinden. Ter plaatse van deze gronden zijn aldus reeds bedrijfsactiviteiten toegestaan. Het is ter plaatse van dit gehele terrein tevens toegestaan om te bouwen. F 21203-16-RA-002 33
Volledigheidshalve is ten behoeve van de beoogde ontwikkeling bodemonderzoek uitgevoerd. Door milieuadviesbureau BMA Milieu B.V. is in 2023 een vooronderzoek, verkennend bodemonderzoek en verkennen onderzoek asbest uitgevoerd. Uit dit onderzoek (bijlage 2) volgt dat de ter plaatse van de grond en in het grondwater sprake is van overschrijdingen van de achtergrond-, streef- en tussenwaarde. Voor lichte verontreinigingen is nader onderzoek niet benodigd. Naar aanleiding van de verontreiniging van één van de mengmonsters met lood is deze uitgesplitst, en zijn de deelmonsters individueel geanalyseerd op lood. Hieruit volgt dat het criterium voor nader bodemonderzoek, en/of de interventiewaarde, niet wordt overschreden. Uit het verkennend onderzoek naar asbest is naar voren gekomen dat het totaal gewogen gehalte aan asbest zeer plaatselijk het criterium voor nader onderzoek overschrijdt. Aanbevolen wordt door middel van nader bodemonderzoek de definitieve kwaliteit en (eventueel) omvang van de verontreiniging met asbest boven de interventiewaarde vast te stellen. Indien benodigd zullen de nodige vervolgstappen (zoals sanering) worden getroffen. Het treffen van dergelijke maatregelen, voor hoogstens een zeer plaatselijke verontreiniging, staan echter niet de haalbaarheid van de beoogde ontwikkeling in de weg.
Met uitzondering van de aangetroffen plaatselijke verontreiniging met asbest in de bovengrond vormt de bodemkwaliteit geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.4.3 C onc l usi e
De bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied is voor het overgrote deel van het plangebied zonder meer passend voor het beoogde gebruik. Sprake is van een plaatselijke verontreiniging met asbest die nader onderzocht zal moeten worden voorafgaand aan de beoogde ontwikkeling. Op basis van de uitkomsten van dit nader onderzoek zullen de benodigde vervolgstappen worden genomen. Naar verwachting staat dit echter de haalbaarheid van de beoogde ontwikkeling niet in de weg. Het aspect bodem levert derhalve geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling. 4.5 E co l o gi e 4.5.1 We tte l ij k kade r Wet natuurbescherming
Vanaf 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming ingegaan. Deze wet heeft 3 wetten samengevoegd: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Door hier één wet van te maken wordt deze makkelijker en duidelijker om toe te passen. Voor eenvoudige activiteiten (bijvoorbeeld reguliere onderhoudswerkzaamheden) is er voortaan een meldplicht. Voor activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning nodig blijft, moet deze binnen 13 weken worden gegeven. Bovendien bepalen vanaf 1 januari 2017 de provincies wat wel en niet mag in de natuur in F 21203-16-RA-002 34
hun gebied. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen. Veel verschillende planten- en dierensoorten zorgen ervoor dat de natuur tegen een stootje kan. Sommige soorten, zoals vleermuizen, gierzwaluwen en steenuilen zijn kwetsbaar; goede natuurbescherming is daarom belangrijk. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. In de Wet natuurbescherming is er sprake van een brede soortenbescherming van dieren en planten, ook buiten de aangemelde beschermingszones. Er geldt een algemene zorgplicht voor alle planten- en dierensoorten. Voor het opstellen van een nieuw bestemmingsplan of bij een plan tot afwijking van het bestemmingsplan dient vooraf onderzoek verricht te worden naar het effect hiervan op beschermde flora en fauna. Hierbij wordt onderzocht welke soorten, dieren en planten in het plangebied aanwezig zijn. Wanneer planten- en dierensoorten, dan wel hun nesten of rustplaatsen worden aangetast kan ontheffing aangevraagd worden conform artikel 3 van de Wet natuurbescherming. In bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden kan er ook vrijstelling verleend worden. Natura 2000 -gebieden
Specifieke gebieden, genaamd Natura 2000-gebieden worden beschermd op basis van Europese richtlijnen. Voor deze juridisch beschermde gebieden gelden per gebied specifieke instandhoudingsdoelen voor de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor beschermde natuur is een vergunning nodig. Op circa 2,4 km afstand van het plangebied ligt het meest dichtstbijzijnde natuurgebied de Voornes Duin. Ecologische hoofdstructuur
Gebieden behorend tot het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) worden beschermd via regelgeving onder de Wet ruimtelijke ordening. Het rijksbeleid ten aanzien van de begrenzing en de bescherming van het NNN is vastgelegd in de Nota Ruimte. De beoogde ontwikkeling ligt niet in een gebied dat is aangewezen als beschermd gebied. 4.5.2 Be oorde li ng Flora en fauna
De beoogde ontwikkeling betreft de bedrijfsuitbreiding van Tuinderij Vers. De gronden ter plaatse van het plangebied zijn mogelijkerwijs van betekenis voor beschermde soorten. Om de betekenis van het plangebied voor flora en fauna te bepalen is nader onderzoek uitgevoerd. Onderstaand worden de conclusies uit het uitgevoerde onderzoek opgenomen.
F 21203-16-RA-002 35
Quickscan Wet natuurbescherming Door Econsultancy zijn op basis van een oriënterend veldonderzoek (d.d. 6 mei 2023), aanvullend veldbezoek (d.d. 26 september 2023) en bronnenonderzoek de effecten van deze ingreep op beschermde soorten en gebieden beoordeeld in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) en is nagegaan of de Wnb uitvoering van de beoogde plannen in de weg kan staan. Uit dit onderzoek (bijlage 3) volgt dat nader onderzoek naar de huismus en gierzwaluw dient uit te wijzen of op de onderzoekslocatie nestlocaties van deze soorten aanwezig zijn. Indien er op de onderzoekslocatie nestlocaties van de huismus of gierzwaluw aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt tevens onderzocht of de onderzoekslocatie functioneel leefgebied vormt voor de huismus. Bovendien wordt nader onderzoek naar de kerkuil noodzakelijk geacht. Indien er op de onderzoekslocatie een beschermde functie voor deze soort aanwezig is, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming.
Er dient voor de uitvoering van de plannen middels aanvullend onderzoek tevens meer duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen. Geadviseerd wordt nader onderzoek uit te laten voeren naar de functies vliegroute en zomer-, kraam- en balts-/paarverblijfplaats van de bebouwing voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en gewone grootoorvleermuis. Lichtverstoring van in de omgeving voorkomende vleermuizen dient voorkomen te worden door het gebruik van vleermuisvriendelijke verlichting tijdens werkzaamheden tussen zonsondergang en zonsopgang in de realisatie- en gebruiksfase. Vleermuisvriendelijke verlichting is amberkleurig zonder strooilicht en weggericht van de omliggende vegetatie en bebouwing. Hier zal rekening mee worden gehouden bij de beoogde ontwikkeling. Aanvullend ecologisch onderzoek wordt nodig geacht om de functies verblijfplaats, migratieroute en foerageergebied voor de steenmarter op de onderzoekslocatie te onderzoeken. Ten aanzien van de algemene broedvogels die op de onderzoekslocatie kunnen broeden wordt aanbevolen om buiten het broedseizoen te werken (niet werken tussen maart en september).
Indien er toch binnen het broedseizoen wordt gestart met de werkzaamheden en er op dat moment een nest in gebruik is op de onderzoekslocatie of in de directe nabijheid eromheen, dienen de werkzaamheden te worden stilgelegd tot de jongen zijn uitgevlogen. Daarom wordt aanbevolen voorafgaand aan de werkzaamheden in het
F 21203-16-RA-002 36
broedseizoen een broedvogelinspectie uit te voeren. Hier zal rekening mee gehouden worden. Resumerend gesteld is voor een aantal soorten voorafgaand aan de beoogde ontwikkeling, en de daarbij behorende werkzaamheden, nader onderzoek benodigd. Dit onderzoek zal voorafgaand aan de beoogde werkzaamheden uitgevoerd worden. Indien benodigd, zullen de nodige vervolgstappen worden genomen om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. Dit kan het treffen van mitigerende maatregelen zijn, of het aanpassen van de beoogde werkzaamheden. Hiermee wordt een overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen. Tot slot wordt de zorgplicht in acht genomen bij de beoogde ontwikkeling. Zo zal bij het verwijderen van groen en grondwerkzaamheden rekening gehouden worden met terrestrisch habitat van algemene grondgebonden zoogdieren zoals de egel of diverse muizen en met algemene amfibieën, zoals bruine kikker en gewone pad. Al het redelijkerwijs mogelijke zal gedaan worden om het beschadigen van individuen te voorkomen. Extra aandacht is vereist bij het verwijderen van opgeslagen materialen en het aanwezige groen. Door te werken in één richting en zorgvuldig het groen te verwijderen, krijgen individuen een kans om te vluchten. Het verwijderen van dergelijke elementen vindt daarom bij voorkeur buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats, in de periode september en oktober.
Dit valt tevens buiten het broedseizoen van broedvogels. Bij werkzaamheden aan de watergangen dient rekening te worden gehouden met algemene vissen. Bij demping of verbreding moet daarom stapsgewijs worden gewerkt, waarbij vanuit één kant in één richting wordt gewerkt zodat vissen de mogelijkheid krijgen om uit te wijken naar andere delen van de watergang. Door te werken volgens een ecologisch werkprotocol kan worden gegarandeerd en aangetoond dat rekening is gehouden met de aanwezige vissen. Natuurgebieden
Het plangebied ligt op circa 3 kilometer van het Natura 2000-gebied de 'Voornes Duin'. Op een dergelijke afstand kan het aspect stikstofdepositie nog om aandacht vragen. Het meest nabijgelegen voor stikstofgevoelig natuurgebied betreft eveneens het gebied 'Voornes Duin'. In paragraaf 4.10wordt het aspect stikstofdepositie nader beschouwd. De beoogde ontwikkeling ligt niet in een gebied dat is aangewezen als beschermd gebied. Het plangebied ligt hiermee niet in het NNN. De beoogde ontwikkeling heeft dan ook geen effect op overige natuurgebieden.
F 21203-16-RA-002 37
4.5.3 C onc l usi e
Voorafgaand aan de beoogde ontwikkeling, en de daarbij behorende werkzaamheden, dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar diverse beschermde soorten. Indien dit uit het onderzoek blijkt zullen de nodige vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming worden genomen. Dit kan bijvoorbeeld het treffen van mitigerende maatregelen zijn, of het aanpassen van de werkzaamheden. Hiermee wordt een overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen. De beoogde ontwikkeling heeft daarnaast geen negatief effect op natuurgebieden. Vooralsnog kan hiermee nog niet volledig worden geconcludeerd dat het aspect ecologie geen belemmeringen vormt voor alle gewenste ontwikkelingen. Wel wordt verwacht dat sprake is van een haalbare ontwikkeling. 4.6 E xte r ne ve i l i ghe i d 4.6.1 We tte l ij k kade r
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving ten gevolge van: - het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water, spoor en door buisleidingen; - het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); - het luchtvaartverkeer. Er zijn twee situaties waarbij externe veiligheid een rol speelt, namelijk bij het ontplooien van een risicovolle activiteit (zoals hiervoor omschreven) en bij het realiseren van een (beperkt) kwetsbaar object binnen het invloedsgebied van een dergelijke “activiteit”. Met betrekking tot de risico's voor de externe veiligheid zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) richtafstanden en grenswaarden opgesteld betreffende de afstand tot (beperkt) kwetsbare objecten. Voor een beperkt kwetsbaar object geldt het plaatsgebonden risico4 van 10-6 per jaar als richtwaarde. 4.6.2 Be oorde li ng
In de huidige situatie is ter plaatse van het plangebied sprake van bedrijfsbebouwing en een viertal (bedrijfs)woningen. Deze kunnen worden aangemerkt als (beperkt) kwetsbare objecten. In de toekomstige situatie zal sprake zijn van meer bedrijfsbebouwing dan reeds op het bedrijfsterrein van Tuinderij Vers aanwezig is. Er zal één bedrijfswoning behouden blijven. In de voorliggende situatie is zowel vóór als na de beoogde ontwikkeling sprake is van (beperkt) kwetsbare objecten ter plaatse van het plangebied. Er worden geen nieuwe risicovolle activiteiten ontplooit. Het oppervlak aan bedrijfsbebouwing, welke als beperkt kwetsbaar kan worden aangemerkt, neemt echter toe. Hierdoor zal naar verwachting na de beoogde ontwikkeling sprake zijn van een toename in de hoeveelheid aanwezige personen ter plaatse van het plangebied.
4
Het risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. F 21203-16-RA-002 38
De mogelijke risicobronnen in de omgeving van het plangebied zijn daarom geïnventariseerd. Over de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen geeft de risicokaart informatie, zie figuur f 4.2. In het kader van de externe veiligheid zijn in de omgeving van het plangebied een aantal risicobronnen gesitueerd. Dit betreft de volgende risicobronnen (zie figuur f 4.2): 1. Transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen; 2. Transport van gevaarlijke stoffen over de Schrijversdijk (N218). Op nog grotere afstand van het plangebied bevinden zich geen verdere risicobronnen waarvan het plangebied binnen diens invloedsgebied is gelegen.
f 4.2 Uitsnede risicokaart
* De N218 is thans niet meer als risicobron aangewezen in de risicokaart. Er is echter sprake van transport van gevaarlijke stoffen ten behoeve van de bevoorrading van LPG-tankstations. Buisleidingen
In de omgeving van het plangebied bevindt zich een aantal buisleidingen. Dit betreft de volgende buisleidingen (vanaf het plangebied gezien): – Aardgasbuisleiding A-536 van de Gasunie; – Buisleiding ZR-702-P-0001 van Total Opslag en Pijpleiding Nederland N.V.; – Aardgasbuisleiding A-624 van de Gasunie. F 21203-16-RA-002 39
Het plangebied bevindt zich aangrenzend aan deze buisleidingen. Conform het vigerende omgevingsplan is de plaatsgebonden risico 10 -6-contour van de olieleiding van Total tot 25 m aan weerszijden van de leiding gelegen, en strekt het invloedsgebied voor het groepsrisico van dit type leidingen zich maximaal enkele meters buiten de plaatsgebonden risico 10-6-contour. De beoogde bebouwing zal niet binnen deze afstand worden gesitueerd. De beoogde ontwikkeling vindt echter wel binnen het invloedsgebied van een tweetal aardgasbuisleidingen plaats. Aangezien de beoogde ontwikkeling, te weten de uitbreiding/realisatie van beperkt kwetsbare objecten, binnen het invloedsgebied van de bovenstaande aardgasbuisleidingen is gelegen dienen, conform het Bevt, de externe veiligheidsrisico’s nader inzichtelijk gemaakt te worden middels een kwantitatieve risicoanalyse (QRA). Door Peutz is hiertoe in 2023 een QRA uitgevoerd (bijlage 4). Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: - Er wordt voor de aardgasbuisleidingen voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar; - Uit de QRA volgt dat de oriëntatiewaarde in de huidige als in de toekomstige situatie niet wordt overschreden. Transport van gevaarlijke stoffen over de Schrijversdijk
Op circa 20 meter afstand van het plangebied bevindt zich de Schrijversdijk (N218). De N218 is niet aangewezen als (Basisnet)route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Er vindt echter wel in beperkte mate transport van gevaarlijke stoffen plaats ten behoeve van de bevoorrading van onder andere LPG-tankstations. Het plaatsgebonden risico van 10 -6 per jaar ligt voor deze weg op 0 meter. Aangezien de beoogde ontwikkeling zich binnen 200 meter van deze transportroute bevindt dienen in eerste aanleg de externe veiligheidsrisico's, conform het Besluit externe veiligheid transport (Bevt), nader inzichtelijk gemaakt te worden middels een kwantitatieve risicoanalyse (QRA). Dit is echter niet benodigd indien aangetoond wordt dat het groepsrisico niet hoger is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of het groepsrisico naar verwachting niet meer dan 10 procent toeneemt (ingeval geen sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde). Conform de risicokaart ligt het groepsrisico thans niet hoger dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde. In 2009 was slechts sprake van 97 transporten aan brandbare gassen (GF3), zoals LPG, over de N218. Naar verwachting zal deze hoeveelheid niet sterk gewijzigd zijn daar geen sprake is van nieuwe inrichtingen met gevaarlijke stoffen. De beoogde ontwikkeling zal niet leiden tot een grote verandering van het groepsrisico.
In de bijlagen bij de Handleiding Risicoanalyse Transport (versie 1.2 d.d. 11 januari 2017) zijn vuistregels opgenomen om onder andere te kunnen bepalen of het groepsrisico onder 10% van de oriëntatiewaarde blijft. Op een afstand van 20 meter (van de as van de weg) wordt met een dichtheid van 100 personen per hectare, uitgaande van eenzijdige bebouwing, voldaan aan 10% van de oriëntatiewaarde als het aantal GF3-transporten minder dan 120 per jaar bedraagt. Er is geen sprake van een dusdanige toename aan personen waarmee het groepsrisico met meer dan 10% zal toenemen. Het groepsrisico zal F 21203-16-RA-002 40
niet met meer dan 10% toenemen, waarmee ook de oriëntatiewaarde niet zal worden overschreden. 4.6.3 C onc l usi e
In de omgeving van de beoogde ontwikkeling is sprake van het transport van gevaarlijke stoffen via aardgasbuisleidingen en via de Schrijversdijk. Hier zal bij de beoogde ontwikkeling rekening mee gehouden worden. Naar verwachting vormt dit echter geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.7 Luc ht k wa l ite it 4.7.1 We tte l ij k kade r
De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit (toetsingskader) is vastgelegd in titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer, ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. In de Wet luchtkwaliteit en bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes, lood, koolmonoxide en benzeen. In tabel t 4.2 zijn de grenswaarden voor de luchtkwaliteit bepalende verbindingen stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10) opgenomen. t 4.2 Grenswaarden conform Wet milieubeheer, bijlage 2 Stof