Omgevingsplan Buitengebied_ Veegplan 3_vaststelling
Tekst van het document
Omschrijving
Concentratie in μg/m3
PM10
Jaargemiddelde Daggemiddelde dat 35 keer per jaar mag worden overschreden Jaargemiddelde Uurgemiddelde dat 18 keer per jaar mag worden overschreden
40 50 40 200
NO2
De overige in de Wet milieubeheer opgenomen verbindingen vormen geen probleem meer in Nederland. De concentraties van deze verbindingen vertonen een dalende trend en zijn dermate laag dat overschrijdingen van de daarvoor geldende grens- of richtwaarden redelijkerwijs uitgesloten zijn. Deze verbindingen worden dan ook niet nader beschouwd. Niet in betekenende mate
Onderdeel van de Wet milieubeheer is het begrip ‘niet in betekenende mate (Besluit NIBM). Indien een nieuw initiatief in niet-betekenende mate bijdraagt aan de heersende achtergrondconcentratie kan toetsing aan de wettelijke grenswaarden achterwege blijven. Kleine projecten waarvan vooraf duidelijk is dat deze de luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate' (NIBM) verslechteren, hoeven niet meer op luchtkwaliteit te worden getoetst. Dit is opgenomen in het Besluit niet in betekenende mate bijdrage luchtkwaliteitseisen. Het gaat daarbij om projecten die leiden tot een maximale bijdrage van 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. F 21203-16-RA-002 41
4.7.2 Be oorde li ng
Om de inpasbaarheid van de beoogde ontwikkeling in relatie tot nabijgelegen woningen te bepalen is door Peutz in 2023 luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd (bijlage 5). Uit de resultaten van het onderzoek volgt dat de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 ter hoogte van de beschouwde toetspunten ten hoogste respectievelijk 15,6 en 15,2 µg/m 3 bedraagt (jaargemiddelde waarde). Dit is ruim lager dan de grenswaarde van 40 µg/m 3 zoals opgenomen in de Wet milieubeheer. Ook blijkt dat aan het maximaal toegestane aantal overschrijdingen van de (24-)uurgemiddelde grenswaarden voor NO2 en PM10 wordt voldaan. Voor wat betreft PM2,5 kan worden geconcludeerd dat, gezien de concentratie PM 10, aan de grenswaarde wordt voldaan. PM2,5 is immers een fractie van PM10. De hoogst berekende waarde voor PM10 bedraagt 15,2 µg/m3. De grenswaarde van PM2,5 bedraagt 25 µg/m3. 4.7.3 C onc l usi e
Uit de resultaten van het onderzoek volgt dat ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit. Hiermee wordt verondersteld dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het aspect luchtkwaliteit vormt hiermee geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.8 Be d ri j ven e n m i l ie uz one r in g 4.8.1 We tte l ij k kade r
Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van milieugevoelige functies krijgen en dat milieugevoelige functies op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. In de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” (editie 2009) worden de bedrijfsactiviteiten van bedrijven ingedeeld in bepaalde milieucategorieën. Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'gevoelige' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder kan optreden ten gevolge van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). Indicatieve richtafstanden (voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar) voor woningen in de twee te onderscheiden “omgevingen” bij verschillende bedrijfstypes (ingedeeld in milieucategorieën) zijn weergegeven in tabel t 4.3.
F 21203-16-RA-002 42
t 4.3 Indicatieve afstand in meters tot omgevingstype (bron: VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”) Categorie
Rustige woonwijk en rustig
Gemengd gebied
buitengebied 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 30 50 100 200 300 500 700 1000 1500
0 10 30 50 100 200 300 500 700 1000
Volgens de VNG-publicatie is de definitie van het omgevingstype gemengd gebied als volgt: 'Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd'. Het plangebied behoort tot dit omgevingstype, aangezien sprake is van een gebied met overwegend agrarische en agrarisch aanverwante bedrijvigheid. De in tabel t 4.3 weergegeven afstanden betreffen de afstanden tussen de perceelgrens van de activiteiten (niet de bebouwingsgrens) en de gevel van de (geluid)gevoelige bestemming (zoals woningen). De afstanden zijn volgens de VNG-brochure algemene richtafstanden en geen harde afstandseisen. Gemotiveerd afwijken van deze afstanden is mogelijk, zo volgt ook uit jurisprudentie. 4.8.2 Be oorde li ng
In de omgeving van de beoogde ontwikkeling bevinden zich meerdere gevoelige functies, te weten woningen. In figuur f 4.3 wordt de ligging van de meest nabijgelegen woningen ten opzichte van het plangebied weergeven. Beoordeeld moet worden of na de beoogde ontwikkeling sprake is van een passende afstand ten opzichte van deze woningen.
F 21203-16-RA-002 43
f 4.3 Ligging meest nabijgelegen woningen (bron luchtfoto: Google Earth)
Ter plaatse van het plangebied worden reeds diverse niet-agrarische nevenfuncties toegestaan. Bovendien zijn ter plaatse van het plangebied reeds een aantal agrarisch verwante bedrijfsactiviteiten, zoals bijvoorbeeld opslag en stalling van agrarische en nietagrarisch producten, toegestaan. Ten opzichte van hetgeen wat reeds mogelijk is ter plaatse van de percelen aan de Schrijversdijk 2 en de Kloosterweg 2a-4 is slechts sprake van een beperkte verandering. Er zal echter meer bebouwing mogelijk gemaakt worden ter plaatse van het plangebied. Daarnaast worden de mogelijkheden voor bedrijvigheid uitgebreid ter plaatse van het perceel aan de Schrijversdijk 2 en Kloosterweg 3. Nu is hier opslag en stalling uit ten hoogste milieucategorie 2 toegestaan. In de toekomstige situatie zal hier alsmede een groenteverwerkingsbedrijf, behorend tot milieucategorie 3.2, mogelijk worden gemaakt. De voorheen van toepassing zijnde richtafstand van 10 meter zal hiermee worden vergroot tot 50 meter. De woonbestemming aan de Aelbrechtsweg 3 komt te vervallen. Hiermee zal het bedrijfsterrein worden uitgebreid. Ook de gronden ter plaatse van dit perceel zullen bestemd worden voor een groenteverwerkingsbedrijf. Hiervoor geldt ook dat er een richtafstand van 50 meter van toepassing zal zijn.
Er bevinden zich zowel in de huidige als toekomstige situatie woningen binnen de van toepassing zijnde richtafstanden. Deze afstanden zijn echter algemene richtafstanden en geen harde afstandseisen. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken. Geluid is daarbij F 21203-16-RA-002 44
in de voorliggende situatie het maatgevend milieuaspect. Er is niet tot nauwelijks sprake van geur, stof of gevaar welke hinderlijk kan zijn voor de omgeving. Om de inpasbaarheid van de beoogde ontwikkeling nader te beoordelen is in 2023 akoestisch onderzoek (zie ook paragraaf 4.2 ) uitgevoerd. Uit akoestisch onderzoek blijkt dat wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden conform het Activiteitenbesluit. Hiermee wordt verondersteld dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het aspect geluid vormt hiermee geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Hiermee wordt het aanvaardbaar geacht om af te wijken van de van toepassing zijnde richtafstanden. Voor het ten zuiden gelegen deel van het plangebied is geen sprake van een relevante wijziging wat betreft richtafstanden. Dit omdat de richtafstanden conform de VNGpublicatie gelden vanaf de perceelgrens van de activiteiten, en niet de bebouwingsgrens. Er worden hier immers geen bedrijfsactiviteiten mogelijk gemaakt uit een hogere milieucategorie, maar er wordt enkel meer bebouwing mogelijk gemaakt. De richtafstand tot woningen zal hiermee voor dit deel van het plangebied in voorliggende situatie niet wijzigen. 4.8.3 C onc l usi e
Ten opzichte van de huidige situatie is sprake van een wijziging van de afstand tussen de perceelgrens van de percelen waar bedrijfsactiviteiten plaatsvinden en woningen. Uit de beoordeling van de maatgevende milieuaspecten, zijnde geluid in de omgeving van Tuinderij Vers en het geluid ten gevolge van indirecte hinder, bevinden de bedrijfsactiviteiten van Tuinderij Vers zich ook na de beoogde ontwikkeling op een passende afstand. 4.9 Wat er 4.9.1 We tte l ij k kade r Europees beleid
In 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water vastgesteld met als doel het bereiken van een goede toestand in de wateren in de gemeenschap en het bijdragen aan de beschikbaarheid van voldoende oppervlaktewater en grondwater van een goede kwaliteit voor een duurzaam, evenwichtig en billijk gebruik van water. Verder is het doel van de Grondwaterrichtlijn het vaststellen van specifieke maatregelen ter voorkoming en beheersing van grondwaterverontreinigingen vastgesteld als bedoeld in artikel 17 van de KRW. Dit betekent dat de interne samenhang tussen oppervlaktewater en grondwater, zowel waar het kwaliteits- als kwantiteitsaspecten betreft, als uitgangspunt genomen wordt. Daarnaast betekent de integrale benadering dat diverse beleidsterreinen, waaronder de ruimtelijke ordening, door de richtlijn worden bestreken.
F 21203-16-RA-002 45
Rijksbeleid
Het Nationaal Waterplan (NWP) is de rijksnota voor het nationale waterbeleid en wordt op basis van de Waterwet eens per 6 jaar opgesteld. In het NWP, vastgesteld in maart 2022, zijn de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid voor de periode 2022-2027 opgenomen. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur, scheepvaart en de functies van de rijkswateren. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van het NWP: - Een veilige en klimaatbestendige delta; - Een concurrerende, duurzame en circulaire delta; - Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. Waterschapsbeleid
Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het Waterschap Hollandse Delta. Door het Waterschap wordt zorggedragen voor voldoende en schoon oppervlaktewater, veilige dijken en zuivering van het afvalwater. Het beleid van het Waterschap Hollandse Delta is opgenomen in de Keur en het Waterbeheersprogramma 2022-2027 (zie ook paragraaf 3.4.1). Watertoets
Een instrument dat bij ruimtelijke plannen aandacht vraagt is de watertoets, waarin aandacht is voor de kwaliteit en kwantiteit van water. De watertoets is verplicht voor alle overheden die ruimtelijke plannen hebben die invloed hebben op waterhuishoudkundige aspecten. Eveneens komt de watertoets aan de orde bij particulier initiatief wanneer er een afwijking van het bestemmingsplan plaatsvindt. Een ruimtelijk plan dient een waterparagraaf te bevatten. Het beoogde plan bestaat uit een functiewijziging en het hoger bouwen dan reeds mogelijk is op een locatie waar reeds gebouwd mag worden en zal derhalve geen grote veranderingen met zich meebrengen met betrekking tot het waterbeheer. 4.9.2 Be oorde li ng
Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van Brielle, op een landelijke locatie. Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van grote wateroppervlakken, wel bevinden zich er enige wateren in en nabij het plangebied. In figuur f 4.4 wordt een uitsnede van de legger van het Waterschap Hollandse Delta opgenomen waarop het plangebied met oranje wordt aangegeven. Hieruit volgt dat in en nabij het plangebied watergangen zijn gesitueerd.
F 21203-16-RA-002 46
f 4.4 Uitsnede legger oppervlaktewateren Waterschap Hollandse Delta
Conform de Keur is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk (zoals een watergang) door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen te vervoeren of te laten liggen. Ingeval er ten einde van de beoogde ontwikkeling wijzigingen plaatsvinden aan watergangen is dit aldus niet zonder vergunning toegestaan. In de beleidsregels van het waterschap wordt aangegeven dat dempingen van oppervlaktewaterlichamen volledig moeten worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht). Hier zal, indien dit aan de orde zal zijn, rekening mee gehouden moeten worden. In het huidige ontwerp is op meerdere plaatsen binnen het plangebied ruimte voorzien voor water en groen. Er is voldoende ruimte beschikbaar binnen het plangebied is om – indien aan de orde – te kunnen voldoen aan de compensatieplicht. Het is daarnaast in principe verboden zonder watervergunning verharding te realiseren.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij het verhard oppervlak toeneemt en/of waarbij het waterbergend vermogen afneemt, moeten maatregelen worden getroffen om de negatieve effecten (grotere aan- en afvoer van water) te voorkomen. In sommige gevallen is de eis tot compensatie zwaar ten opzichte van het te dienen waterstaatkundige doel. Om deze reden heeft het waterschap een verhardingstoename van maximaal 1.500 m 2 in landelijk gebied vrijgesteld van compensatieplicht. Het plangebied is ter plaatse van het huidige bedrijfsterrein van Tuinderij Vers reeds vrijwel volledig verhard. Het ten noorden F 21203-16-RA-002 47
van de Kloosterweg gelegen deel van het plangebied is echter grotendeels onverhard. Ter plaatse van deze gronden zal o.a. bebouwing en parkeergelegenheid worden gerealiseerd. Dit gaat gepaard met een toename aan verharding. Derhalve is compensatie als gevolg van de realisatie van het verhard oppervlak aan de orde. Hiertoe zullen te zijner tijd compenserende maatregelen getroffen moeten worden, en een watervergunning aangevraagd moeten worden. Ter plaatse van het plangebied is echter op meerdere plaatsen ruimte voor water en groen beoogd. Zo zal het meest noordelijk deel van het plangebied, grenzend aan de N218, een groene zone worden gesitueerd. Hierbij wordt ook voorzien in wadi's. In het landschapsplan (bijlage 8) wordt nader inzichtelijk gemaakt hoe het plangebied ingericht zal worden, en waar ruimte voor groen en water wordt gegeven. De beoogde uitbreiding aan bedrijfsbebouwing zal worden aangesloten op het reeds aanwezige rioleringssysteem. Het plangebied ligt niet nabij een rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) of rioolpersleiding. De beoogde ontwikkeling heeft verder naar alle verwachting in zijn geheel geen significant negatieve effecten op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. De beoogde ontwikkeling heeft aldus geen verslechtering van de waterhuishouding tot gevolg. Een verdere beschouwing is in voorliggende situatie dan ook niet benodigd. 4.9.3 C onc l usi e
De beoogde ontwikkeling gaat gepaard met een toename aan verharding, en mogelijk ook met het wijzigingen van aanwezige wateren. In dit kader zullen de van toepassing zijnde regels van het Waterschap in acht worden genomen. Er is voldoende ruimte beschikbaar ter plaatse van het plangebied voor eventuele compenserende maatregelen. Hiermee levert het aspect water geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling. 4.10 S ti ks t of d ep os it i e 4.10.1 Al ge me e n
Ter plaatse van beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden) dient de stikstofdepositie te worden beoordeeld in het kader van de Wet natuurbescherming. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling ontstaat er een verandering van de emissie van stikstofhoudende verbindingen binnen het plangebied en daarmee ook van de stikstofdepositie in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat dit een negatief effect heeft op deze natuurgebieden. Hierna wordt nader ingegaan op dit aspect. 4.10.2 We tte l ij k kade r
Sinds 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming (verder genoemd Wnb) in werking getreden. De Wnb biedt de juridische basis voor de vergunningverlening met betrekking tot te beschermen natuurgebieden. In het kader van een toets aan de Wnb wordt bepaald of bedrijfsactiviteiten (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaken op de F 21203-16-RA-002 48
instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Hiertoe dienen de mogelijke effecten op soorten, habitats van soorten en op habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen in beeld te worden gebracht. Vanwege emissies van luchtverontreinigende stoffen is de storende factor 'vermesting' en 'verzuring' mogelijk relevant. Vermesting is de 'verrijking' van ecosystemen met met name stikstof en fosfaat, verzuring van bodem of water is een gevolg van de emissie van vervuilende gassen. De effecten van verzurende stoffen zijn niet altijd te scheiden van die van vermestende stoffen, omdat een deel van de verzurende stoffen ook vermestend werkt (aanvoer van stikstof). Diverse habitattypen in de Natura 2000-gebieden zijn gevoelig tot zeer gevoelig voor vermesting en verzuring. De gevoeligheid wordt uitgedrukt in een kritische depositiewaarde (KDW) per habitattype. Deze kritische depositiewaarde is de grens waarboven de kwaliteit van het habitattype significant wordt aangetast als gevolg van verzurende en/of vermestende invloed van de atmosferische stikstofdepositie (Ndepositie). Ten behoeve van toetsing van de mogelijke effecten dient de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden vanwege de voorgenomen activiteiten derhalve gekwantificeerd te worden. Vanaf 1 juli 2015 werd dit gedaan middels het Programma Aanpak Stikstof (PAS).
Met de invoering van het PAS was er een vrijstelling van vergunningplicht geïntroduceerd in combinatie met een meldingsplicht. Voorgenomen wijzigingen van bedrijfsactiviteiten dienden binnen het PAS middels een melding of aanvraag Wnb-vergunning ingediend te worden. Op 29 mei 2019 heeft de Raad van State uitgesproken dat het PAS niet langer als toestemmingsbasis voor activiteiten mag worden gebruikt. Hierdoor is momenteel bij alle activiteiten met een kans op een (significant) negatief effect sprake van vergunningplicht in het kader van de Wnb. 4.10.3 Be oorde li ng
De (beoogde) activiteiten van Tuinderij Vers gaan gepaard met de emissie van stikstof. Het meest nabijgelegen voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebied betreft 'Voornes Duin' en ligt op circa 3 kilometer afstand van het plangebied. Hierbij vraagt het aspect stikstofdepositie om een nadere beschouwing. Door Peutz is hiertoe nader onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie (bijlage 6) ten gevolge van de beoogde activiteiten van Tuinderij Vers ter plaatse van het nabijgelegen voor stikstofgevoelige Natura 2000gebieden. In dit onderzoek zijn twee verschillende situaties met elkaar vergeleken. De referentiesituatie 2000 (het vergunde gebruik tijdens de aanwijsdatum van de betreffende Natura 2000-gebieden, in dit geval 24 maart 2000) en de toekomstige situatie. De toekomstige situatie betreft de situatie die mogelijk wordt gemaakt middels het nieuwe F 21203-16-RA-002 49
omgevingsplan. Voor de toekomstige situatie is sprake van een gebruiksfase en aanlegfase. Uit het onderzoek naar stikstofdepositie volgt dat er als gevolg van de toekomstige bedrijfssituatie geen sprake is van een toename (> 0,00 mol N/ha/jaar) van de stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie ter plaatse van voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Tevens blijkt uit het onderzoek dat er als gevolg van de aanlegfase geen sprake is van een toename (> 0,00 mol N/ha/jaar) van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden indien de aanlegfase over 3 jaar verspreid uitgevoerd wordt. Geconcludeerd kan worden dat geen sprake is van negatieve effecten op voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. 4.10.4 C onc l usi e
Als gevolg van de toekomstige bedrijfssituatie is geen sprake van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden. Wel vormt de aanlegfase thans een aandachtspunt. Vooralsnog kan namelijk niet geconcludeerd worden dat geen sprake is van negatieve effecten op voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Dit vraagt aldus nog om extra aandacht. 4.11 Ve rk ee r en p a r ke ren 4.11.1 Toe tsi ngskade r
De beoogde ontwikkeling dient niet te leiden tot verkeerskundige knelpunten en er dient in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien. De parkeernormen binnen gemeente Voorne aan Zee zijn vastgelegd in de 'Nota parkeernormen gemeente Voorne aan Zee'. Er zal derhalve in eerste aanleg alsnog worden aangesloten op deze normen. De verkeersaantrekkende werking wordt bovendien beoordeeld aan de hand van CROW kencijfers en gegevens zoals door de opdrachtgever aangegeven. 4.11.2 Be oorde li ng Parkeren
De gemeentelijke parkeernormen zijn afhankelijk van het gebiedstype en de stedelijkheidsgraad. In voorliggende situatie is sprake van een matig stedelijk gebied, en een locatie in het buitengebied. Ter plaatse van het plangebied is een toename van 30.000 m2 aan bebouwd oppervlak gewenst. Bij de berekening van het benodigd aantal parkeerplaatsen voor de beoogde uitbreiding wordt uitgegaan van een arbeidsintensief/bezoekersextensief bedrijf met een parkeernorm van 2,1 tot 2,6 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Hiermee zijn (uitgaande van de gemiddelde parkeernorm) voor de beoogde ontwikkeling – ingeval sprake is van éénlaagse bebouwing – 705 parkeerplaatsen benodigd. Mochten er meer bouwlagen gerealiseerd worden is er meer parkeerruimte benodigd. F 21203-16-RA-002 50
Ingeval deze bebouwing volledig wordt gerealiseerd zal hier rekening mee gehouden worden. Het plangebied voorziet in voldoende ruimte voor de realisatie van parkeerplaatsen. Ten tijde van de daadwerkelijke realisatie van de beoogde uitbreiding zal in voldoende parkeergelegenheid worden voorzien. Op dit moment is de exacte planuitwerking nog niet bekend. Er staat echter vast dat er voldoende ruimte is binnen het plangebied om te voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Voldoende parkeergelegenheid is bovendien van belang voor een goede bedrijfsvoering. Dit zal dus met zorg meegenomen worden in de verdere uitwerking van de beoogde ontwikkeling. Verkeersgeneratie
De verkeersgeneratie betreft de hoeveelheid verkeer (aantal voertuigbewegingen) die door een activiteit of ontwikkeling wordt genereerd. Om de verkeersgeneratie van de huidige situatie inzichtelijk te maken, worden normaalgesproken de richtlijnen van het CROW gebruikt. Op basis van de CROW kencijfers kent een arbeidsintensief/bezoekersextensief bedrijf een minimale verkeersgeneratie van 9,1 verkeersbewegingen per 100m2 bvo, en een vrijstaande koopwoning een verkeersgeneratie van 2,0 verkeersbewegingen per woning. Voor de huidige situatie van Tuinderij Vers resulteert dit in een totale verkeersgeneratie van 1.009 per weekdag. Dit is de hoeveelheid verkeer die – berekend middels van kencijfers – op basis van de maximaal planologische invulling verwacht kan worden. Bij beschouwing van verkeerseffecten wordt normaalgesproken echter gebruik gemaakt van de intensiteiten per werkdag. Om te komen tot de verkeersgeneratie per werkdag, wordt een factor 1,33 toegepast. Volgens de kencijfers van het CROW zijn er in de huidige situatie dus 1.342 motorvoertuigbewegingen per etmaal per werkdag. Tuinderij Vers is echter van mening dat er momenteel minder verkeer wordt gegenereerd door hun activiteiten dan volgens de kencijfers het geval zou zijn. Dit is in 2024 tevens nader onderbouwd door Arcadis (bijlage 7).
Om een beter beeld te krijgen van de huidige verkeersgeneratie door Tuinderij Vers, zijn daarom verkeerstellingen uitgevoerd. De huidige verkeersgeneratie van Tuinderij Vers is vastgesteld door middel van verkeerstellingen (in de periode van 23 t/m 29 maart 2024) en cameraonderzoek (op zaterdag 23 maart 2024 en donderdag 28 maart 2024). Uit dit onderzoek is gebleken dat op een gemiddelde werkdag 549 voertuigbewegingen plaatsvinden, waarvan 83 door vrachtverkeer. De bedrijfsbebouwing zal door het plan worden vergroot van 11.000 m 2 nu naar 44.000 m2 in de toekomst. Door Tuinderij Vers is aangegeven dat deze toename resulteert in 837 verkeersbewegingen extra per gemiddelde werkdag ten opzichte van de huidige situatie. Van deze toename worden 670 extra bewegingen door personenauto's en 167 extra bewegingen door vrachtverkeer gemaakt. Dit verkeer zal worden afgewikkeld op zowel de Aelbrechtsweg als de Kloosterweg. De verwachte verkeersgeneratie (in bewegingen uitgedrukt) van Tuinderij Vers is gebaseerd op het volgende: F 21203-16-RA-002 51
•
•
•
De hoeveelheid vrachtverkeer aan de Aelbrechtsweg zal toenemen door de groei van het groentevolume. In de huidige situatie gaat het om 23 vrachtwagens per werkdag en in de toekomstige situatie gaat het om 80 vrachtwagens per werkdag. De hoeveelheid vrachtverkeer aan de Kloosterweg groeit door een sterke groei in afzet en ingrediënten. In de huidige situatie gaat het om 60 vrachtwagens per werkdag en in de toekomstige situatie gaat het om 174 vrachtwagens per werkdag. De hoeveelheid personenauto’s (totaal: 1.136 mvt/etmaal) is gebaseerd op de referentiesituatie van groenteverwerkingsbedrijf Royal Vezet in Warmenhuizen. Dit bedrijf kent in de huidige situatie een oppervlakte van 40.000m2 en een hoge mate van automatisering.
Na de beoogde uitbreiding zal op een werkdag sprake zijn van respectievelijk 1.136 verkeersbewegingen door personenwagens en 250 verkeersbewegingen door vrachtwagens. Bovenstaande betekent dat de toename van het aantal m2 bvo voor de Tuinderij Vers hoger is (400%) dan de toename van de verkeersgeneratie van het bedrijf (152%). Dit is echter aannemelijk gezien de verwachte toename van automatisering in de bedrijfsvoering van de Tuinderij en de schaalvoordelen die mogelijk gemaakt worden door de uitbreiding van het groenteverwerkingsbedrijf. Gebruik wegennet
In de huidige situatie (maart 2024) rijden op een gemiddelde werkdag 797 motorvoertuigen (waarvan 120 vrachtwagens) op de Kloosterweg en 864 motorvoertuigen (waarvan 74 vrachtwagens) op de Aelbrechtsweg. Dit betreft het totale verkeer en niet alleen verkeer bestemd voor Tuinderij Vers. Deze aantallen zijn vastgesteld middels verkeerstellingen, uitgevoerd in de periode van 23 maart t/m 29 maart 2024. Door de beoogde ontwikkeling van Tuinderij Vers is sprake van een toename van zowel de hoeveelheid personenauto- als vrachtverkeer op het omliggende wegennet. Tuinderij Vers is echter ook voornemens om de circulatie op het eigen terrein aan te passen, wat eveneens gevolgen voor het omliggende wegennet heeft. Hierdoor gaat na de ontwikkelingen geen personenautoverkeer ten behoeve van Tuinderij Vers gebruik maken van de Aelbrechtsweg ten zuiden van het kruispunt met de Kloosterweg. Het betreft een toename van 56 vrachtwagens en een afname van 341 personenauto’s op werkdagbasis. Ná de ontwikkeling van Tuinderij Vers betekent dit dat op de Aelbrechtweg 579 voertuigbewegingen per werkdag plaatsvinden. De Kloosterweg daarentegen zal drukker worden met zowel vrachtverkeer als personenauto’s. Hier vindt een toename van het aantal bewegingen door personenauto’s van 1.009 plaats en een toename van 113 bewegingen door vrachtwagens.
De totale toename van het aantal verkeersbewegingen op de Kloosterweg komt daarmee op 1.122 F 21203-16-RA-002 52
bewegingen per werkdag. Ná de ontwikkeling van Tuinderij Vers vinden op de Kloosterweg tussen de tuinderij en de N218 1.919 voertuigbewegingen per werkdag plaats. Het verkeer zal na een bezoek aan het plangebied, of alvorens het plangebied aan te hebben gedaan, via de N218 rijden. Vanuit Tuinderij Vers is dit ook de geadviseerde route voor zowel vrachtverkeer als personenwagens. Het huidige bedrijfsterrein is reeds aangewezen als tuindersgebied en/of industriegebied. Om dit te faciliteren zijn in het verleden zowel op de N218 als op de Kloosterweg door de gemeente verkeersborden geplaatst. Dit om het verkeer niet via de Anna Hoevestraat te laten rijden maar juist via de Aelbrechtsweg/Kloosterweg. Op de N218 is ook een uitvoegstrook gemaakt om filevorming te voorkomen. In de praktijk is daar in de huidige situatie geen sprake van. De verkeersgeneratie op het kruispunt van de Kloosterweg en Aelbrechtsweg zal door de ontwikkeling van Tuinderij Vers slechts beperkt toenemen. Deze ontsluitingsweg is in de huidige situatie reeds in gebruik voor de afwikkeling van verkeer van Tuinderij Vers en van het gehele achtergebied. De verkeerssituatie voor de weggebruikers o.a. vrachtverkeer, personenwagens, fietsers e.a. wijzigt niet door deze ontwikkeling.
De activiteiten van Tuinderij Vers betreffen een continu proces waarbij geen sprake is van pieken in de verkeersstromen tijdens spitsuren, waardoor geen toename van wachtende vrachtwagens op de afvoerroute tijdens de spitsuren naar de N218 wordt voorzien. Verkeersv eiligheid
Momenteel wordt in opdracht Van Tuinderij Vers een onderzoek uitgevoerd naar mogelijke maatregelen die de verkeersveiligheid op zowel de Kloosterweg en Aelbrechtsweg (wegen in eigendom van het waterschap Hollandse Delta) kunnen versterken. Hierbij wordt ook rekening gehouden met de toename van de verkeersintensiteiten ten gevolge van de ontwikkeling van Tuinderij Vers. In dit onderzoek wordt ook de mogelijkheid voor aanpassing van de ontsluiting nader onderzocht. De gemeente Voorne aan Zee zal de resultaten het verkeersonderzoek ontvangen en bestuderen door de eigen verkeerskundige(n). In het kader van een verkeersveilige en leefbare omgeving voor omwonenden wordt er gekeken of de oplossingen uitgevoerd kunnen worden. Belangrijk om te vermelden is dat de Aelbrechtsweg en de Kloosterweg buiten de bebouwde kom liggen. Deze zijn in eigendom en beheer van het Waterschap Hollandse Delta. De gemeente zal met hen overleggen over de aangedragen oplossingen en financiële consequenties. Daarnaast wordt deze relatief grote ontwikkeling meegenomen in het toekomstig Mobiliteitsplan Voorne aan Zee. 4.11.3 C onc l usi e
De beoogde ontwikkeling zal in voldoende parkeergelegenheid worden voorzien. Bovendien zal naar alle verwachting de verkeersgeneratie ten gevolge van de beoogde ontwikkeling relatief beperkt zijn. Verder zal worden afgestemd om de verkeersveiligheid mogelijk te versterken.
F 21203-16-RA-002 53
4.12 M i l ie uef f e ct rap p or ta ge 4.12.1 We tte l ij k kade r
Op grond van de Wet milieubeheer is het verplicht ten aanzien van plannen en besluiten die (mogelijk) grote gevolgen kunnen hebben voor het milieu, een procedure voor milieueffectrapportage (m.e.r.) te doorlopen. De m.e.r. is bedoeld om milieubelangen meer expliciet af te wegen bij het opstellen van plannen en het uitvoeren van projecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen 'm.e.r.-plichtige activiteiten' waarvoor een volledig milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld en 'm.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten' waarbij moet worden afgewogen of sprake kan zijn van significante negatieve gevolgen voor het milieu (indien significant wordt een MER opgesteld). Op 1 september 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Hierbij zijn drempelwaarden opgenomen vanaf wanneer er voor plannen en besluiten een milieueffectrapportage opgesteld moet worden. 4.12.2 Be oorde li ng
Om te kunnen beoordelen of vanuit het Besluit m.e.r. de verplichting bestaat een m.e.r.-(beoordelings)procedure te doorlopen, dienen de ontwikkeling die mogelijk gemaakt worden door het bestemmingsplan te worden getoetst aan de C- en D-lijst uit dit Besluit. De beoogde bedrijfsuitbreiding van Tuinderij Vers valt in het Besluit m.e.r. onder één van de categorieën waarvoor afgewogen dient te worden of er sprake is van een m.e.r.(beoordelings)plicht. De beoogde ontwikkeling valt, ondanks de ligging in het buitengebied, in het kader van een stedelijk ontwikkelingsproject in het Besluit milieueffectrapportage in de D-lijst onder D.11.2. 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Hierbij zijn drempelwaarden opgenomen vanaf wanneer een stedelijk ontwikkelingsproject een milieueffectrapportage behoeft. Er is sprake van een m.e.r.(beoordelings)plicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: - een oppervlakte van 100 hectare of meer; - een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat; of - een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Deze drempelwaarden wordt in de voorliggende situatie niet overschreden. Dit betekent dat er dus geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt.
Op basis van artikel 2 lid 5 gelezen in samenhang met categorie D.11.2, Kolom 3 van het Besluit milieueffectrapportage dient voor het te nemen besluit wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld. Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldingsnotitie in het kader van de m.e.r.beoordeling opgesteld. Gezien de aard en beperkte omvang van de beoogde ontwikkeling en het feit dat de wijziging geen betekenisvolle milieueffecten tot gevolg heeft wordt in F 21203-16-RA-002 54
deze notitie geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling naar verwachting geen nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben. 4.12.3 C onc l usi e
Dit aspect levert naar alle verwachting geen belemmering op voor de beoogde ontwikkeling. Op basis van de aanmeldingsnotitie kan worden geconcludeerd dat er geen m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden.
F 21203-16-RA-002 55
5
Uitvoer baarheid
5.1 A l ge mee n
Wettelijk bestaat de verplichting inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid. 5.2 E co no m is c he u it vo erb aar he i d
De verantwoordelijkheid ligt bij de initiatiefnemer om de financiële uitvoerbaarheid te garanderen. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente zal dan ook een anterieure overeenkomst worden gesloten, waarin de kosten duidelijk worden en de financiële uitvoerbaarheid zal worden toegelicht. De initiatiefnemer zal geheel voor eigen rekening en risico overgaan tot de ontwikkeling en realisatie van het plan. 5.3 M aats c hap p e l i j ke u it vo erb aar he i d
Het omgevingsplan zal de wettelijk van toepassing zijnde procedure doorlopen waarbij eenieder in de gelegenheid wordt gesteld een zienswijze in te dienen. Participatie met de omgeving heeft reeds tweemaal plaatsgevonden waarbij de bestaande plannen zijn besproken en uitgelegd. In voorliggende situatie wordt de beoogde ontwikkeling maatschappelijk aanvaardbaar geacht, aangezien ter plaatse van het plangebied reeds sprake is van bedrijvigheid en de beoogde ontwikkeling inpasbaar in de omgeving wordt geacht.
Dit rapport bevat 56 pagina’s en 7 bijlagen.
F 21203-16-RA-002 56
Bijlage 1 Akoestisch onderzoek
F 21203-16-RA-002 1.1
Tuinderij Vers; Onderzoek naar geluid in de omgeving Onderdeel van een herziening van het omgevingsplan
Rapportnummer F 21203-13-RA-002 d.d. 20 september 2023
Tuinderij Vers; Onderzoek naar geluid in de omgeving Onderdeel van een herziening van het omgevingsplan
opdrachtgever
Tuinderij Vers B.V.
rapportnummer
F 21 20 3- 1 3- R A - 0 02
datum
2 0 s e p t e m b e r 2 02 3
referentie
E B a / S D e / T vd E / F 2 12 03 - 13 - R A - 00 2
verantwoordelijke ing. E. Barendregt opsteller
BSc S. Deckers 085 8228 791 s.deckers@peutz.nl
peutz bv, postbus 696, 2700 ar zoetermeer, +31 85 822 87 00, zoetermeer@peutz.nl, www.peutz.nl kvk 12028033, opdrachten volgens DNR 2011, lid NLingenieurs, btw NL.004933837B01, ISO-9001:2015 mook – zoetermeer – groningen – eindhoven – düsseldorf – dortmund – berlijn – nürnberg – leuven – parijs – lyon
F 21203-13-RA-002 2
Inhoudsopgave 1
Inleiding en samenvatting
4
2
Wettelijke kader
6
2.1
Bedrijven en milieuzonering
6
2.2
Activiteitenbesluit
7
2.3
Voorstel grenswaarden
8
Metingen
9
3.1
Meetmethode en meetinstrumenten
9
3.2
Meetresultaten
9
3
4
Uitgangspunten
10
4.1
Algemeen
10
4.2
Technische installaties
10
4.3
Transportbewegingen
11
4.4
Maximale geluidniveaus
12
Berekeningen
13
5.1
Akoestische modelvorming
13
5.2
Rekenresultaten langtijdgemiddelde beoordelingsniveau
13
5.3
Rekenresultaten maximale geluidniveaus
14
6
Indirecte hinder
15
7
Beoordeling en conclusie
17
5
F 21203-13-RA-002 3
1
Inleiding en samenvatting Tuinderij Vers Beheer B.V. is voornemens om de inrichting van Tuinderij Vers aan de Kloosterweg 2-4 te Brielle uit te breiden met het perceel aan de Schrijversdijk 2. Op de uitbreiding van de inrichting zal bedrijfsbebouwing inclusief parkeerterrein gerealiseerd worden. Daarnaast wordt nieuwe bebouwing op het bestaande terrein gerealiseerd. In figuur 1.1 is de inrichtingsgrens in de toekomstige situatie weergegeven. In rapport F 21203-3-RA-006 is de beoogde situatie nader omschreven.
f1.1 Ligging van de inrichting in de omgeving
Om deze ontwikkeling planologisch mogelijk te maken, wordt een herziening van het omgevingsplan opgesteld. In dit kader is de toelichting nodig waar alle relevante milieuaspecten wordt beschouwd. Voorliggend akoestisch onderzoek is onderdeel van deze toelichting op de herziening van het omgevingsplan. Ten gevolge van de activiteiten van Tuinderij Vers bedraagt het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de beoordelingsposities bij woningen ten hoogste 44 dB(A), 42 dB(A) en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. De maximale geluidniveaus bedragen 56 dB(A), 58 dB(A) en 58 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.
F 21203-13-RA-002 4
Uit de resultaten van de berekeningen blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van de indirecte hinder maximaal 59 dB(A)-etmaalwaarde bedraagt. Er wordt voldaan aan het binnenniveau van 35 dB(A)-etmaalwaarde in de woningen.
F 21203-13-RA-002 5
2
Wettelijke kader
2.1 B e d r i j v e n e n m i l i e u z o n e r i n g
In de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering" (editie 2009) worden de bedrijfsactiviteiten van bedrijven ingedeeld in bepaalde milieucategorieën. Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'gevoelige' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder kan optreden ten gevolge van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). Volgens de voornoemde VNG-publicatie is de definitie van omgevingstype gemengd gebied als volgt: 'Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven'. Onder 'kleine bedrijven' worden in elk geval bedrijven met milieucategorie 1 en 2 verstaan. Het omgevingstype in het geval van Tuinderij Vers wordt aangemerkt als gemengd gebied. Indicatieve richtafstanden (voor de milieuaspecten, geur, stof, geluid en gevaar) voor woningen in de twee te onderscheiden "omgevingen" bij verschillende bedrijfstypes (ingedeeld in milieucategorieën) zijn weergegeven in tabel 2.1. t2.1 Indicatieve afstand in meters tot omgevingstype (bron: VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”) Categorie
Rustige woonwijk en rustig buitengebied
Gemengd gebied
1
10
0
2
30
10
3.1
50
30
3.2
100
50
4.1
200
100
4.2
300
200
5.1
500
300
5.2
700
500
5.3
1000
700
6
1500
1000
De in tabel 2.1 weergegeven afstanden betreffen de afstanden tussen de perceelgrens van de activiteiten (derhalve niet de bebouwingsgrens) en de gevel van de (geluid)gevoelige bestemmingen (in casu woningen). De afstanden zijn volgens de VNG-brochure algemene richtafstanden en geen harde afstandseisen.
F 21203-13-RA-002 6
Tuinderij Vers valt onder de milieucategorie 3.2 groenteen fruitconservenfabrieken – groente algemeen. Op basis van het omgevingstype gemengd gebied en de milieucategorie van Tuinderij Vers geldt een richtwaarde van 50 dB(A)etmaalwaarde op een afstand van 50 meter van de perceelgrens van Tuinderij Vers. Meerdere geluidgevoelige bestemmingen, te weten woningen, zijn gelegen binnen een afstand van 50 meter tot de perceelgrens van Tuinderij Vers. Om te komen tot een goede ruimtelijke ordening van de toekomstige activiteiten van Tuinderij Vers dient de geluidbelasting ten gevolge van de toekomstige activiteiten van Tuinderij Vers op de woningen binnen de richtafstand maximaal 50 dB(A)-etmaalwaarde te bedragen. 2.2 A c t i v i t e i t e n b e s l u i t
De regelgeving die van toepassing is op de geluidaspecten van de te beschouwen inrichting, is opgenomen in het Activiteitenbesluit. In het Activiteitenbesluit zijn de navolgende voorschriften met betrekking tot geluid opgenomen. Artikel 2.17 1. Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L Ar,LT) en het maximaal geluidsniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat: a. de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden. t2.2 Tabel 2.17 a conform het Activiteitenbesluit 07:00–19:00 uur
19:00–23:00 uur
23:00–07:00 uur
LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
De in tabel 2.2 opgenomen maximale geluidniveaus zijn in de periode tussen 07.00 uur en 19.00 uur niet van toepassing op laad- en losactiviteiten. De grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L Ar,LT) bedragen derhalve 50, 45 en 40 dB(A) op de gevel van geluidgevoelige gebouwen in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Het maximale geluidniveau (L Amax) bedraagt 70, 65 en 60 dB(A) op de gevel van geluidgevoelige gebouwen in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. In het Activiteitenbesluit is tevens opgenomen dat de berekeningen en metingen van de geluidniveaus dienen plaats te vinden conform de richtlijnen zoals deze zijn opgenomen in de Handleiding meten en rekenen industrielawaai uit 1999.
F 21203-13-RA-002 7