Omgevingsplan Buitengebied Veegplan 2
Tekst van het document
Figuur 1.4 Huidige situatie Sluisweg 18
39/331
Nieuwe situatie Veegplan 2 In het Omgevingsplan Buitengebied is de locatie anders bestemd dan in de voorgaande beheersverordening. Om deze discrepantie tussen de beheersverordening en het Omgevingsplan Buitengebied te herstellen is de gemeente met de eigenaar van de Sluisweg 18 in gesprek geweest over de huidige functie en de gewenste situatie. Uit deze gesprekken is naar voren gekomen dat de eigenaar kiest voor het handhaven van de paardenstalling op deze locatie. Om het gebruik in overeenstemming te maken met de andere paardenstalling wijzigt het gebruik van bedrijfswoning naar plattelandswoning. Er wordt geen nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt. In de plattelandswoning kan zowel gewoond worden door de eigenaar van de paardenstalling (al dan niet bedrijfsmatig) als door derden. In de nieuwe situatie is ook bekeken of de nevenfuncties behorende bij zone waarin de locatie is gelegen weer toegestaan kunnen worden. In de beheersverordening waren deze nevenfuncties toegestaan bij Wonen*, maar deze nevenfuncties zijn niet opgenomen bij deze locatie in het Omgevingsplan Buitengebied. In Veegplan 2 worden de nevenfuncties passend in het gebied Veenpolders weer toegestaan bij deze voormalig agrarische bedrijven. Planologische wijzigingen De functie 'Wonen in bedrijfswoning(en)' wordt omgezet naar 'Wonen in plattelandswoning(en)'.
In artikel 144 wordt een kleine aanpassing gedaan, zodat verduidelijkt wordt dat deze bouwregels ook gelden voor het gebruik als plattelandswoning. Dat is nu ook al zo, maar blijkt niet eenduidig uit de regeling. Alle nevenfuncties uit artikel 9 Nevenfuncties Veenpolders worden toegevoegd aan de regeling op de Sluisweg 18. Omgevingsaspecten/Onderzoeken y Plattelandswoning De functie bedrijfswoning wijzigt naar de functie plattelandswoning. De woning mag nu tevens worden bewoond door derden. Hiermee herstellen we de situatie uit de beheersverordening zoals deze op locaties met een voormalige agrarische bedrijf werd toegestaan middels de bestemming Wonen*. Met de omzetting naar een plattelandswoning vindt planologisch gezien een beperkte wijziging plaats. De woning mag na omzetting tevens worden bewoond door derden. Verder wijzigt het gebruik niet en wordt er niet gebouwd. Of ter plaatse sprake is van een goed woon en leefklimaat is voor plattelandswoningen op twee manieren beoordeeld: 1. ten opzichte van andere functies in de omgeving; en 2. ten opzichte van de eigen activiteiten. Voor plattelandswoningen geldt dat deze ten aanzien van de eigen activiteiten niet geurgevoelig of geluidgevoelig is. Wel dient sprake te zijn van een voldoende woon en leefklimaat.
Als het gaat om de bedrijfsvoering en toetsing van de geurbelasting en geluidbelasting door de omliggende bedrijven heeft de status als plattelandswoning geen gevolgen. Op grond van jurisprudentie dient ter plaatse van plattelandswoningen te worden voldaan aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de CIMLKmonitoringskaart 2022. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Kloosterweg, meetpunt: 52605825_15969420. Uit de CIMLKmonitoringskaart blijkt dat de concentratie PM2,5 in 2021 ter plaatse < 20 ìg/m³, de concentratie PM10 < 35 ìg/m³ en de concentratie NO2 < 35
40/331
ìg/m³. Volgens de monitoringskaart is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende en wordt voldaan aan de grenswaarden van respectievelijk 25 µg/m³ voor PM2,5 en 40 µg/m³ voor PM10 en NO2. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie. Ook wijzigt het aantal verkeersbewegingen niet. Voor de aspecten bodem, water, archeologie, cultuurhistorie, externe veiligheid en ecologie wijzigt er feitelijk niets met de omzetting naar een plattelandswoning. Negatieve effecten op of door deze aspecten zijn dan ook uit te sluiten. Er is sprake van een goed woon en leefklimaat ter plaatse van de plattelandswoning. y Nevenfuncties Bedrijf en milieuzonering Voor het toevoegen van de nevenfuncties aan de Sluisweg 18 is allereerst bekeken in welk type gebied de functie is gelegen. Vanwege de aanwezigheid van sportvelden, bedrijfs en woonfuncties in de omgeving wordt deze getypeerd als een 'gemengd gebied'. Hierdoor kan de richtafstand met een afstandsstap worden verkleind. In Bijlage 9 is per type nevenactiviteit beoordeeld of deze nevenactiviteit mogelijk is op basis van de richtafstanden behorende bij deze nevenactiviteit. Dit is mogelijk door voor iedere nevenactiviteit de maximale richtafstand te bepalen en vervolgens deze richtafstanden toe te passen per locatie.
De richtafstanden zijn weergegeven in Bijlage 8. Uit deze beoordeling is gebleken dat enkele nevenfuncties voldoen aan de richtafstand, maar dat andere nevenfuncties een afstand van 10 meter moeten bewaren tot de dichtstbijzijnde woonbestemming op Sluisweg 39. De afstand tot de dichtstbijzijnde gevoelige functie is 8 meter. Het gaat dan wel om de uiterste zuidwestelijke hoek van het perceel aan de Sluisweg 18 en dit gedeelte van het perceel behoort feitelijk toe aan de gemeente. Bovendien zullen de meeste nevenfuncties alleen plaats vinden in bestaande bebouwing en gezien de beperkte uitbreidingsmogelijkheden, met name voor paardenstallingen, is het aannamelijk dat iedere nevenfunctie de afstand van 10 meter haalt tot aan de dichtstbijzijnde gevoelige functie. Dit betekent dat alle nevenfuncties worden toegestaan aan de Sluisweg 18. Overige aspecten Nevenactiviteiten zijn, conform de begripsbepaling in artikel 188.59, altijd ondergeschikt aan de hoofdactiviteit en worden altijd door de eigenaar c.q. bedrijfsvoerder van de hoofdbedrijfsvorm uitgeoefend. Dit houdt in dat eventuele milieu effecten van de nevenactiviteit altijd ondergeschikt zijn aan die van de hoofdactiviteit. Kortom, als de hoofdactiviteit geschikt is voor uitoefening op deze locatie dan is de nevenactiviteit dat ook.
De overige milieu aspecten vormen dan ook geen belemmering voor het uitoefenen van de nevenactiviteiten bij de hoofdactiviteit. Conclusie omgevingsaspecten Uit bovenstaand onderzoek blijkt dat voor het toevoegen van de aanduiding plattelandswoning sprake is van een goed woon en leefklimaat. Uit het onderzoek naar het toevoegen van de nevenactiviteiten zijn geen belemmeringen gekomen. Er is in de nieuwe situatie sprake van een goed woon en leefklimaat.
41/331
Overzicht van de regels die in de nieuwe situatie op deze locatie van toepassing zijn Hoofdstuk
Artikel
Welke regels gelden bij de huidige activiteit?
9 Nevenfuncties Veenpolders 14 Paardenstalling 64 Wonen in plattelandswoning(en) 69 Algemeen grondgebruik
Welk activiteiten zijn nog meer toegestaan?
78 Veenpolders
Regels voor aanpassen van activiteiten
82 Procedure en beoordelingsregels voor nieuwe gebruiksactiviteiten
Wat mag ik op deze locatie bouwen?
83 Bestaande bebouwing 111 Bouwregels paardenstalling 144 Bedrijfs en plattelandswoning(en) toegestaan 149 Bouwregels bij algemeen grondgebruik 155 Kwalitatieve toetsing in de zone Veenpolders
Welke regels gelden hier voor het woon en leefklimaat? 160 Geluidzone industrie BotlekPernis 164 Wegverkeerslawaai 165 Parkeren 166 Stikstof Welke regels gelden hier voor evenementen?
167 Evenementen
Welke regels gelden hier voor reclameuitingen?
168 Reclameuitingen
Welke regels gelden voor het kappen van houtopstanden?
183 Houtopstanden
Welke regels gelden hier nog meer?
184 Algemene regels 185 Antidubbeltelregel 186 Overgangsrecht 187 Slotregel
Verklarende regels
188 Begripsbepalingen 189 Wijze van meten
Hier heeft een herziening van het moederplan plaatsgevonden
42/331
191 Herziening Veegplan 2
1.2.6
Rijswaardsedijk 11
Situatie in beheersverordening Landelijk Gebied In de beheersverordening Landelijk Gebied was de Rijswaardsedijk 11 bestemd als ADp (Agrarische aanverwante doeleinden paardenhouderij). De bestemming ligt in de zone ALN (Agrarisch gebied met landschaps en natuurwaarden). Op de locatie was een bedrijfswoning toegestaan à 750 m³. Het gehele bouwvlak mocht worden benut op deze locatie.
Figuur 6.1 situatie in beheersverordening Landelijk Gebied (bron: ruimtelijke plannen) Situatie Omgevingsplan Buitengebied, inclusief Veegplan 1 De locatie aan de Rijswaardsedijk 11 in Zwartewaal (kadastraal nummer 314) is in Omgevingsplan Buitengebied bestemd als 'Paardenstalling' en 'Wonen in bedrijfswoning', inclusief bouwregels voor 'Paardenstalling' en 'Wonen in Bedrijfswoningen'. Dit houdt in dat de gronden mogen worden gebruikt voor een paardenstalling met maximaal 1.200 m² aan buitenruimte, inclusief een bedrijfswoning. Voor bebouwing geldt dat de bestaande bebouwing met 10% mag worden vermeerderd. Er zijn geen nevenfuncties mogelijk. Artikel 8 Nevenfuncties Jonge Zeekleipolders is op deze locatie niet van toepassing.
43/331
Figuur 6.2 situatie in Omgevingsplan Buitengebied: Veegplan 1 (bron: gemeentelijke viewer)
44/331
Feitelijke situatie Op het perceel van het bedrijf WNL Quarter Horses VOF zijn een huis, 2 schuren, een paardenbak, longeercirkel, 4 paddocks, een mesthoop, een paardenstal, binnenrijbaan, opslag en weiland aanwezig, zoals te zien in figuur 6.3. Het bedrijf is een professioneel paardenbedrijf met pensionstalling, fokkerij, lessen en training in westernsport. Het perceel wordt gebruikt als paardenhouderij. De paardenstal bevindt zich aan de Rijswaardsedijk en heeft een oppervlakte van circa 1.800 m2. De woning bevindt zich op de kruising van de Rijswaarsedijk met de Mosterdijk. De functie is deels binnen het huidige bouwvlak gelegen en deels buiten dit bouwvlak. Buiten het bouwvlak liggen de paardenbak (20x80m = 1.600 m²), een longeercirkel en 3 paddocks van in totaal zo'n 1.000 m².
Figuur 6.3 Huidige situatie Rijswaardsedijk 11 Nieuwe Situatie Veegplan 2 In het Omgevingsplan Buitengebied is de locatie anders bestemd dan in de voorgaande beheersverordening. Om deze discrepantie tussen de beheersverordening en het Omgevingsplan Buitengebied te repareren wijzigt de locatie naar paardenhouderij met een bedrijfswoning. Ook worden de buiten het bouwvlak gelegen paardenbak, longeercirkel en 3 paddocks toegestaan. In de nieuwe situatie is ook bekeken of de nevenfuncties behorende bij zone waarin de locatie is gelegen weer toegestaan kunnen worden. In de beheersverordening waren deze nevenfuncties toegestaan bij Wonen*, maar deze nevenfuncties zijn niet opgenomen bij deze locatie in het Omgevingsplan Buitengebied. In Veegplan 2 worden de nevenfuncties passend in het gebied Jonge Zeekleipolders weer toegestaan bij deze locatie.
45/331
Voor dit perceel is bepaald wat ruimtelijk aanvaardbaar is: y gezien de ligging is uitbreiding (in westelijke richting) mogelijk, daarbij dient wel rekening te worden gehouden met de aangrenzende woning ten noorden van het bedrijf; y de Rijswaardsedijk is reeds stevig beplant en gedeeltelijk verdicht door bebouwing; y het agrarisch bouwperceel blijft met uitbreiding kleiner dan 1,5 ha; y de uitbreiding is landschappelijk ingepast met bomen waardoor deze wegvalt in het landschap; y de uitbreiding van de paardenhouderij met circa 4.500 m² tot circa 12.500 m² is passend bij dit type bedrijf; y de uitbreiding is in lijn met het grootschalige verkavelingspatroon/richting van jonge zeekleipolders. Op basis hiervan worden de paardenbak (20x80m = 1.600 m²), de longeercirkel en 3 paddocks van in totaal zo'n 1.000 m² toegestaan.
Figuur 6.4 uitbreiding functie in het rood weergegeven
46/331
Planologische wijzigingen De huidige bestemming 'Paardenstalling' komt te vervallen, inclusief de bijbehorende bouwregels. Aan het perceel wordt de functie Paardenhouderij toegekend, inclusief de bouwregels voor een paardenhouderij. De bouwregels voor paardenhouderij zijn als apart artikel nieuw bijgevoegd, zie Artikel 113. Ter hoogte van de uitbreiding (rode omlijnde deel uit figuur 6.4) breidt het gebruik uit en wordt de volgende bouwregel toegevoegd als Artikel 115, voor het bouwen bij de buitenrijbaan, longeercirkel en paddocks: Ter plaatse van deze aanduiding mag worden gebouwd ten behoeve van een buitenrijbaan, paddocks en/of een longeercirkel en gelden de volgende bouwregels: a. bij een buitenrijbaan bedraagt de hoogte van de lichtmasten ten hoogste van 5 m; b. de hoogte van van de bijbehorende omheining bedraagt ten hoogste 1,5 m. Alle nevenfuncties behorende bij Jonge Zeekleipolders worden toegevoegd aan de regeling op de Rijswaardsedijk 11. Omgevingsaspecten y Omzetting naar paardenhouderij Ondanks dat er in de feitelijke situatie niets is gewijzigd wijzigt de functie van een paardenstalling naar een paardenhouderij. Hierbij dient te worden aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Of er ter plaatse sprake is van een goed woon en leefklimaat wordt hierna onderzocht.
Daarbij wordt gekeken naar de omschakeling naar een paardenhouderij en naar het toevoegen van de nevenfuncties op deze locatie. De feitelijke situatie wijzigt niet met de omzetting naar een paardenhouderij. Ook het aantal dieren neemt niet toe. De vergunde situatie wijzigt in zijn geheel niet. Zoals in paragraaf 1.2.1 aangegeven is er vanuit historisch perspectief altijd sprake geweest van een paardenhouderij en paardenstalling in het buitengebied van Brielle en bestaat het verschil uit twee aspecten, de bedrijfsmatigheid en de omvang van de percelen/bedrijven. Ten tijde van de beheersverordening was de Rijswaardsedijk 11 bestemd als paardenhouderij. Ondanks dat dit in het moederplan (Omgevingsplan Buitengebied) naar paardenstalling is gewijzigd is de bedrijfsvoering niet gewijzigd. De mate van bedrijfsmatigheid en de grootte van het perceel (groter dan paardenstallingen) is al die tijd hetzelfde gebleven. Bij uitbreiding van de inrichting zal zowel een paardenstalling als een paardenhouderij moeten voldoen aan het Activiteitenbesluit. Als een inrichting wil uitbreiden dan zal een melding gedaan moeten worden of een vergunning worden aangevraagd. Het milieuspoor borgt in dit geval dat deze uitbreiding getoetst wordt. Naast de omzetting wijzigen er nog twee zaken op dit perceel. Zo worden een paardenbak, longeercirkel en 3 paddocks gelegaliseerd.
Ook worden de nevenactiviteiten behorende bij een (voormalig) agrarisch bedrijf aan de locatie toegevoegd. Voor deze twee zaken wordt hierna onderzocht of er sprake is van een goed woon en leefklimaat. y Uitbreiding paardenhouderij Bedrijf en milieuzonering/Verkeer In de beoogde situatie wordt de bestemming paardenstalling omgezet naar een paardenhouderij, waarbij de rijbaan, longeercirkel en paddocks gelegaliseerd worden. Voor naastgelegen milieugevoelige functies dient te worden getoetst of deze uitbreiding conform de richtafstanden is zoals vermeld in de VNGbrochure 'Bedrijven en milieuzonering'. In de omgeving van de Rijswaardsedijk 11 bevinden zich meerdere woningen en agrarische
47/331
bedrijven. De omgeving kan worden getypeerd als een 'rustig buitengebied'. Het bouwvlak breidt uit in noordelijke richting door de paardenbak, longeercirkel en paddocks te legaliseren die nu nog buiten het bouwvlak liggen. Er wordt getoetst aan de maximale planologische invulling van het uitgebreide perceel. Voor het fokken en houden van overige graasdieren geldt in rustig buitengebied een richtafstand van 50 meter voor geur en 30 meter voor stof en geluid. Aan deze richtafstanden wordt voldaan tot aan de dichtstbijzijnde milieugevoelige objecten. In dit geval is dat de woning aan de Rijswaardsedijk 10. De afstand van de uitbreiding tot aan de gevel van de woning bedraagt meer dan 50 meter. De uitbreiding heeft geen verkeersaantrekkende werking. Het aantal verkeersbewegingen blijft gelijk. Bij de paardenbakken zijn ook lichtmasten gerealiseerd. Deze lichtmasten zijn maximaal 5 meter hoog en in de vorm vergelijkbaar met die van straatlantaarns. Met het gebruik van lichtmasten kan lichthinder ontstaan. Ten opzichte van de enige relevante omliggende functie (Rijswaardsedijk 10) ligt de dichtstbijzijnde verlichting op circa 60 meter tot de gevel van de woning. Positief is bovendien dat de belichting zich van de woning africht. Daarnaast zijn de armaturen naar beneden gericht, waardoor het lichtbereik van de lampen zeer beperkt is en nagenoeg alleen de paddock verlicht.
De andere lampen bij de paddocks staan allen op ruimere afstand. De lampen rond de paardenbak staan op zeer ruime afstand van de woning op nummer 10. Dankzij de ruime afstand en de tussengelegen bosschages levert dit geen lichthinder op voor omliggende lichtgevoelige functies. Conform de Wet Geurhinder en Veehouderij (Wgv) gelden aanvullende afstanden tot geurgevoelige objecten. De gemeente Voorne aan Zee heeft geen eigen Geurverordening. Er wordt daarom aan de Wgv getoetst. Daarbij dient ten aanzien van geurgevoelige objecten rekening gehouden te worden met een uitbreiding van het bouwvlak in noordelijke richting. De geldende afstanden worden berekend op basis van ligging in het buitengebied (50 meter) of stedelijk gebied (100 meter). Vanwege de ligging in buitengebied kan worden uitgegaan van een afstand van 50 meter tot geurgevoelige objecten. Het is mogelijk om een afstand van 50 meter te bewaren tussen de maximaal planologische invulling en bestaande geurgevoelige objecten in de omgeving. De dichtstbijzijnde gevel van een (bedrijfs)woning is op meer dan 50 meter van het bouwvlak gelegen. Vanuit het aspect Bedrijven en Milieuhinder is dan ook geen sprake van een belemmering voor de te legaliseren situatie.
Stikstof / Verkeer Voor het uitbreiden van de paardenhouderij met een paardenbak, longeercirkel en 3 paddocks dient een stikstofberekening te worden opgesteld voor de aanlegfase. Het gebruik aan de Rijswaardsedijk wijzigt niet. Het aantal paarden blijft gelijk. De stikstofberekening voor de aanlegfase is toegevoegd als Bijlage 4. De bijbehorende memo is toegevoegd als Bijlage 5. Uit de berekeningen met AERIUS Calculator (versie 2023.2) voor de realisatiefase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Omdat het aantal paarden en de verkeersgeneratie niet toenemen, is een berekening voor de gebruiksfase niet noodzakelijk. Op basis hiervan zijn significante negatieve effecten op Natura 2000gebied in zowel de realisatiefase als de gebruiksfase uitgesloten. De ontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.
48/331
Overige aspecten Het gebruik wijzigt niet. Er worden alleen bouwwerken, geen gebouw zijnde toegestaan. In de tabel hieronder is voor de andere omgevingsaspecten aangegeven waarom deze niet relevant zijn. Aspect
Relevantie
Water
Niet relevant het bouwwerk is al gebouwd. Er zijn geen gevolgen voor de waterhuishouding. De verhardingstoename is zeer gering.
Bodem
De functie is niet bodemgevoelig.
Archeologie/cultuurhistorie
Niet relevant het bouwwerk is al gebouwd. Archeologische waarden blijven verder onaangeroerd in de grond.
Kabels en leidingen
Er liggen geen planologische relevante kabels en leidingen op de uitbreidingslocatie.
Ecologie Soortenbescherming
Niet relevant het bouwwerk is al gebouwd.
Parkeren
Het gebruik wijzigt niet. Er zijn reeds voldoende parkeerplaatsen.
Externe veiligheid
De locatie ligt niet binnen de invloedsgebieden van vervoerswegen of buisleidingen met transporten van gevaarlijke stoffen.
Luchtkwaliteit
Voor het plan is onderzoek gedaan naar luchtkwaliteit. Voor de toetsing is gebruik gemaakt van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) en de NIBMtool. Doordat er geen toename in verkeersgeneratie is draagt de ontwikkeling niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit.
M.e.r.beoordelingsplicht
Er worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die m.e.r (beoordelings)plichtig zijn.
Vanuit de genoemde overige aspecten is geen sprake van een belemmering voor de toegestane situatie. y Nevenfuncties Bedrijf en milieuzonering Voor het toevoegen van de nevenfuncties is allereerst bekeken in welk type gebied de functie is gelegen. De omgeving kan worden getypeerd als een 'rustig buitengebied'. In Bijlage 9 is per type nevenactiviteit beoordeeld of deze nevenactiviteit mogelijk is op basis van de richtafstanden behorende bij deze nevenactiviteit. Dit is mogelijk door voor iedere nevenactiviteit de maximale richtafstand te bepalen en vervolgens deze richtafstanden toe te passen per locatie. De richtafstanden zijn weergegeven in Bijlage 8. Uit deze beoordeling is gebleken dat alle nevenfuncties mogelijk zijn op de Rijswaardsedijk 11. Overige aspecten Nevenactiviteiten zijn, conform de begripsbepaling in artikel 188.59, altijd ondergeschikt aan de hoofdactiviteit en worden altijd door de eigenaar c.q. bedrijfsvoerder van de hoofdbedrijfsvorm uitgeoefend. Dit houdt in dat
49/331
eventuele milieu effecten van de nevenactiviteit altijd ondergeschikt zijn aan die van de hoofdactiviteit. Kortom, als de hoofdactiviteit geschikt is voor uitoefening op deze locatie dan is de nevenactiviteit dat ook. De overige milieu aspecten vormen dan ook geen belemmering voor het uitoefenen van de nevenactiviteiten bij de hoofdactiviteit. Conclusie omgevingsaspecten De omzetting van de Rijswaardsedijk 11 naar een paardenhouderij heeft geen andere impact op de omgeving dan wanneer het een paardenstalling was gebleven. Daarmee is met de omzetting nog altijd sprake van een goed woon en leefklimaat. Uit het onderzoek naar de uitbreiding van de paardenhouderij met een paardenbak, longeercirkel en drie paddocks en het toevoegen van de nevenactiviteiten zijn geen belemmeringen gekomen. Er is in de nieuwe situatie sprake van een goed woon en leefklimaat.
50/331
Overzicht van de regels die in de nieuwe situatie op deze locatie van toepassing zijn Hoofdstuk
Artikel
Welke regels gelden bij de huidige activiteit?
8 Nevenfuncties Jonge Zeekleipolders 15 Paardenhouderij 63 Wonen in bedrijfswoning(en) 69 Algemeen grondgebruik
Welk activiteiten zijn nog meer toegestaan?
77 Jonge zeekleipolders
Regels voor aanpassen van activiteiten
82 Procedure en beoordelingsregels voor nieuwe gebruiksactiviteiten
Wat mag ik op deze locatie bouwen?
83 Bestaande bebouwing 113 Bouwregels paardenhouderij 115 Bouwregels buiten bouwvlak Rijswaardsedijk 11 144 Bedrijfs en plattelandswoning(en) toegestaan 149 Bouwregels bij algemeen grondgebruik 154 Kwalitatieve toetsing in de zone Jonge Zeekleipolders
Welke regels gelden hier voor het woon en leefklimaat? 164 Wegverkeerslawaai 165 Parkeren 166 Stikstof Welke regels gelden hier voor evenementen?
167 Evenementen
Welke regels gelden hier voor reclameuitingen?
168 Reclameuitingen
Hier gelden archeologische en/of cultuurhistorische waarden om rekening mee te houden
174 Waarde Archeologie Dijklichaam
Welke regels gelden voor het kappen van houtopstanden?
183 Houtopstanden
Welke regels gelden hier nog meer?
184 Algemene regels 185 Antidubbeltelregel 186 Overgangsrecht 187 Slotregel
Verklarende regels
188 Begripsbepalingen 189 Wijze van meten
Hier heeft een herziening van het moederplan plaatsgevonden
51/331
191 Herziening Veegplan 2
1.2.7
Abbewerveweg 5
Situatie in beheersverordening Landelijk Gebied In de beheersverordening Landelijk Gebied was de Abbewerveweg 5 bestemd als ADp (Agrarische aanverwante doeleinden paardenhouderij). De bestemming ligt in de zone ALN (Agrarisch gebied met landschaps en natuurwaarden). Op de locatie was een bedrijfswoning toegestaan à 750 m³. Het gehele bouwvlak mocht worden benut op deze locatie.
Figuur 7.1 situatie in beheersverordening Landelijk Gebied (bron: ruimtelijke plannen) Situatie Omgevingsplan Buitengebied, inclusief Veegplan 1 De locatie aan de Abbewerveweg 5 in Zwartewaal (kadastraal nummer 203) is in Omgevingsplan Buitengebied bestemd als 'Paardenstalling' en 'Wonen in bedrijfswoning', inclusief bouwregels voor 'Paardenstalling' en 'Wonen in Bedrijfswoningen'. Dit houdt in dat de gronden mogen worden gebruikt voor een paardenstalling met maximaal 1.200 m² aan buitenruimte, inclusief een bedrijfswoning. Voor bebouwing geldt dat de bestaande bebouwing met 10% mag worden vermeerderd. Er zijn geen nevenfuncties mogelijk. Artikel 9 Nevenfuncties Veenpolders is op deze locatie niet van toepassing.
52/331
Figuur 7.2 situatie in Omgevingsplan Buitengebied: Veegplan 1 (bron: gemeentelijke viewer) Feitelijke situatie Op het perceel zijn een woning, 2 schuren, een paardenbak, een grote paardenstal en weiland aanwezig, zoals te zien in figuur 7.3. De woning bevindt zich aan de voorzijde van het perceel. De stallen bevinden zich aan de achterzijde van het perceel. De paardenstal heeft een oppervlakte van 1.240 m². De functie is grotendeels binnen het huidige bouwvlak gelegen en een klein gedeelte van de paardenbak ligt buiten dit bouwvlak.
53/331
Figuur 7.3 Huidige situatie Abbewerveweg 5 Nieuwe situatie Veegplan 2 In het Omgevingsplan Buitengebied is de locatie anders bestemd dan in de voorgaande beheersverordening. Om deze discrepantie tussen de beheersverordening en het Omgevingsplan Buitengebied te repareren wijzigt de locatie naar paardenhouderij met een bedrijfswoning. Het bouwvlak past qua formaat bij de huidige bedrijfsvoering en is in de noordoostelijke kant beperkt in de gebruiksmogelijkheden door de naastgelegen woonfunctie. Er worden geen aanpassingen aan het bouwvlak doorgevoerd voor deze locatie. Dat houdt in dat de paardenbak buiten het bouwvlak blijft liggen.
54/331
In de nieuwe situatie is ook bekeken of de nevenfuncties behorende bij zone waarin de locatie is gelegen weer toegestaan kunnen worden. In de beheersverordening waren deze nevenfuncties toegestaan bij Wonen*, maar deze nevenfuncties zijn niet opgenomen bij deze locatie in het Omgevingsplan Buitengebied. In Veegplan 2 worden de nevenfuncties passend in het gebied Veenpolders weer toegestaan bij deze locatie. Planologische wijzigingen De huidige bestemming 'Paardenstalling' komt te vervallen, inclusief de bijbehorende bouwregels. Aan het perceel wordt de functie Paardenhouderij toegekend, inclusief de bouwregels voor een paardenhouderij. De bouwregels voor paardenhouderij zijn als apart artikel nieuw bijgevoegd, zie Artikel 113. Alle nevenfuncties behorende bij Veenpolders worden toegevoegd aan de regeling op de Abbewerveweg 5. Omgevingsaspecten y Omzetting naar paardenhouderij Ondanks dat er in de feitelijke situatie niets is gewijzigd wijzigt de functie van een paardenstalling naar een paardenhouderij. Hierbij dient te worden aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Of er ter plaatse sprake is van een goed woon en leefklimaat wordt hierna onderzocht. Daarbij wordt gekeken naar de omschakeling naar een paardenhouderij en naar het toevoegen van de nevenfuncties op deze locatie. De feitelijke situatie wijzigt niet met de omzetting naar een paardenhouderij.
Ook het aantal dieren neemt niet toe. De vergunde situatie wijzigt in zijn geheel niet. Zoals in paragraaf 1.2.1 aangegeven is er vanuit historisch perspectief altijd sprake geweest van een paardenhouderij en paardenstalling in het buitengebied van Brielle en bestaat het verschil uit twee aspecten: de mate van bedrijfsmatigheid en de omvang van de percelen/bedrijven. Ten tijde van de beheersverordening was de Abbewerveweg 5 bestemd als paardenhouderij. Ondanks dat dit in het moederplan (Omgevingsplan Buitengebied) naar paardenstalling is gewijzigd is de bedrijfsvoering niet gewijzigd. De mate van bedrijfsmatigheid en de grootte van het perceel (groter dan paardenstallingen) is al die tijd hetzelfde gebleven. Bij uitbreiding van de inrichting zal zowel een paardenstalling als een paardenhouderij moeten voldoen aan het Activiteitenbesluit. Als een inrichting wil uitbreiden dan zal een melding gedaan moeten worden of een vergunning worden aangevraagd. Het milieuspoor borgt in dit geval dat deze uitbreiding getoetst wordt. y Nevenfuncties Bedrijf en milieuzonering Voor het toevoegen van de nevenfuncties is allereerst bekeken in welk type gebied de functie is gelegen. De omgeving kan worden getypeerd als een 'rustig buitengebied'.
In Bijlage 9 is per type nevenactiviteit beoordeeld of deze nevenactiviteit mogelijk is op basis van de richtafstanden behorende bij deze nevenactiviteit. Dit is mogelijk door voor iedere nevenactiviteit de maximale richtafstand te bepalen en vervolgens deze richtafstanden toe te passen per locatie. De richtafstanden zijn weergegeven in Bijlage 8. Uit deze beoordeling is gebleken dat alle nevenfuncties mogelijk zijn op de Abbewerveweg 5. Overige aspecten Nevenactiviteiten zijn, conform de begripsbepaling in artikel 188.59, altijd ondergeschikt aan de hoofdactiviteit en worden altijd door de eigenaar c.q. bedrijfsvoerder van de hoofdbedrijfsvorm uitgeoefend. Dit houdt in dat eventuele milieu effecten van de nevenactiviteit altijd ondergeschikt zijn aan die van de hoofdactiviteit. Kortom, als
55/331
de hoofdactiviteit geschikt is voor uitoefening op deze locatie dan is de nevenactiviteit dat ook. De overige milieu aspecten vormen dan ook geen belemmering voor het uitoefenen van de nevenactiviteiten bij de hoofdactiviteit. Stikstof Voor het omgevingsplan Buitengebied is een planMER uitgevoerd. Op basis van deze planMER en jurisprudentie is een stikstofregeling opgenomen die ook voor deze locatie en de functie paardenhouderij geldt. Dit veegplan wijzigt deze regeling niet en hiermee is geborgd dat er geen negatieve effecten op Natura 2000 optreden. Het gebruik wijzigt niet (bedrijfsmatig houden van paarden) en er worden ook niet meer paarden gehouden. Het uitvoeren van een berekening naar de stikstofdepositie van het gewijzigde gebruik is dan ook niet noodzakelijk. Ook wordt er niet gebouwd, er is geen berekening van de realisatiefase vereist. Conclusie omgevingsaspecten De omzetting van de Abbewerveweg 5 naar een paardenhouderij heeft geen andere impact op de omgeving dan wanneer het een paardenstalling was gebleven. Daarmee is met de omzetting nog altijd sprake van een goed woon en leefklimaat. Uit het onderzoek naar het toevoegen van de nevenactiviteiten zijn geen belemmeringen gekomen. Er is in de nieuwe situatie sprake van een goed woon en leefklimaat.
56/331
Overzicht van de regels die in de nieuwe situatie op deze locatie van toepassing zijn Hoofdstuk
Artikel
Welke regels gelden bij de huidige activiteit?
9 Nevenfuncties Veenpolders 15 Paardenhouderij 63 Wonen in bedrijfswoning(en) 69 Algemeen grondgebruik
Welk activiteiten zijn nog meer toegestaan?
78 Veenpolders
Regels voor aanpassen van activiteiten
82 Procedure en beoordelingsregels voor nieuwe gebruiksactiviteiten
Wat mag ik op deze locatie bouwen?
83 Bestaande bebouwing 113 Bouwregels paardenhouderij 144 Bedrijfs en plattelandswoning(en) toegestaan 149 Bouwregels bij algemeen grondgebruik 155 Kwalitatieve toetsing in de zone Veenpolders
Welke regels gelden hier voor het woon en leefklimaat? 160 Geluidzone industrie BotlekPernis 164 Wegverkeerslawaai 165 Parkeren 166 Stikstof Welke regels gelden hier voor evenementen?
167 Evenementen
Welke regels gelden hier voor reclameuitingen?
168 Reclameuitingen
Hier gelden archeologische en/of cultuurhistorische waarden om rekening mee te houden
172 Waarde Archeologie 4
Welke regels gelden voor het kappen van houtopstanden?
183 Houtopstanden
Welke regels gelden hier nog meer?
184 Algemene regels 185 Antidubbeltelregel 186 Overgangsrecht 187 Slotregel
Verklarende regels
188 Begripsbepalingen 189 Wijze van meten
Hier heeft een herziening van het moederplan plaatsgevonden
57/331
191 Herziening Veegplan 2
1.2.8
Bollaarsdijk 15
Situatie in beheersverordening Landelijk Gebied In de beheersverordening Landelijk Gebied was de Bollaarsdijk 15 bestemd als A(b) (Agrarisch met de aanduiding (b) voor bouwvlak). De bestemming ligt in de zone A (Agrarisch gebied). Op de locatie was een bedrijfswoning toegestaan à 750 m³. Het gehele bouwvlak mocht worden benut op deze locatie.
Figuur 8.1 situatie in beheersverordening Landelijk Gebied (bron: ruimtelijke plannen) Situatie Omgevingsplan Buitengebied, inclusief Veegplan 1 De locatie aan de Bollaarsdijk 15 in Brielle (kadastraal nummer 20 is in Omgevingsplan Buitengebied bestemd als 'Paardenstalling' inclusief 'nevenfuncties glastuinbouwgebied' en 'Wonen in bedrijfswoning', met bouwregels voor 'Paardenstalling' en 'Wonen in Bedrijfswoningen'. Dit houdt in dat de gronden mogen worden gebruikt voor een paardenstalling met maximaal 1.200 m² aan buitenruimte, inclusief een bedrijfswoning. Voor bebouwing geldt dat de bestaande bebouwing met 10% mag worden vermeerderd. Er zijn nevenfuncties mogelijk op deze locatie conform artikel 11 Nevenfuncties Glastuinbouwgebied.
58/331
Figuur 8.2 situatie in Omgevingsplan Buitengebied: Veegplan 1 (bron: gemeentelijke viewer) Feitelijke situatie Op het perceel bevinden zich een woning met aangebouwde schuur/stal, een losse paardenstal, paddocks, een mestplaat, verschillende paardenbakken, opslag en een weiland, te zien in figuur 8.3.
59/331
Figuur 8.3 Huidige situatie Bollaarsdijk 15 Nieuwe Situatie Veegplan 2 In het Omgevingsplan Buitengebied is de locatie anders bestemd dan in de voorgaande beheersverordening. Om deze discrepantie tussen de beheersverordening en het Omgevingsplan Buitengebied te repareren wijzigt de locatie naar paardenhouderij met een bedrijfswoning. Gezien de aantallen paarden en het formaat buitenruimte/bouwvlak past de bedrijfsvoering bij die van een paardenhouderij. Planologische wijzigingen De huidige bestemming 'Paardenstalling' komt te vervallen, inclusief de bijbehorende bouwregels. Aan het perceel wordt de functie Paardenhouderij toegekend, inclusief de bouwregels voor een paardenhouderij. De bouwregels voor paardenhouderij zijn als apart artikel nieuw bijgevoegd, zie Artikel 113. De nevenfuncties blijven behouden op deze locatie. Omgevingsaspecten Bedrijf en milieuzonering Ondanks dat er in de feitelijke situatie niets is gewijzigd wijzigt de functie van een paardenstalling naar een paardenhouderij. Hierbij dient te worden aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Of er ter plaatse sprake is van een goed woon en leefklimaat wordt hierna onderzocht.
60/331
De feitelijke situatie wijzigt niet met de omzetting naar een paardenhouderij. Ook het aantal dieren neemt niet toe. De vergunde situatie wijzigt in zijn geheel niet. Zoals in paragraaf 1.2.1 aangegeven is er vanuit historisch perspectief altijd sprake geweest van een paardenhouderij en paardenstalling in het buitengebied van Brielle en bestaat het verschil uit twee aspecten: de mate van bedrijfsmatigheid en de omvang van de percelen/bedrijven. Ten tijde van de beheersverordening was de Bollaarsdijk 15 bestemd als agrarisch bedrijf. Ondanks dat dit in het moederplan (Omgevingsplan Buitengebied) naar paardenstalling is gewijzigd is de bedrijfsvoering niet gewijzigd. De milieu effecten van een agrarisch bedrijf in de vorm van grondgebonden veehouderij en akker en vollegrondstuinbouw zijn vergelijkbaar met die van een paardenhouderij. In beide gevallen is sprake van dezelfde richtafstanden. De mate van bedrijfsmatigheid en de grootte van het perceel (groter dan paardenstallingen) is al die tijd hetzelfde gebleven. Bij uitbreiding van de inrichting zal zowel een paardenstalling als een paardenhouderij moeten voldoen aan het Activiteitenbesluit. Als een inrichting wil uitbreiden dan zal een melding gedaan moeten worden of een vergunning worden aangevraagd. Het milieuspoor borgt in dit geval dat deze uitbreiding getoetst wordt.
Stikstof Voor het omgevingsplan Buitengebied is een planMER uitgevoerd. Op basis van deze planMER en jurisprudentie is een stikstofregeling opgenomen die ook voor deze locatie en de functie paardenhouderij geldt. Dit veegplan wijzigt deze regeling niet en hiermee is geborgd dat er geen negatieve effecten op Natura 2000 optreden. Het gebruik wijzigt niet (bedrijfsmatig houden van paarden) en er worden ook niet meer paarden gehouden. Het uitvoeren van een berekening naar de stikstofdepositie van het gewijzigde gebruik is dan ook niet noodzakelijk. Ook wordt er niet gebouwd, er is geen berekening van de realisatiefase vereist. Conclusie omgevingsaspecten De omzetting van de Bollaarsdijk 15 naar een paardenhouderij heeft geen andere impact op de omgeving dan wanneer het een paardenstalling was gebleven. Daarmee is met de omzetting nog altijd sprake van een goed woon en leefklimaat. Uit het onderzoek naar het toevoegen van de nevenactiviteiten zijn geen belemmeringen gekomen. Er is in de nieuwe situatie sprake van een goed woon en leefklimaat.
61/331
Overzicht van de regels die in de nieuwe situatie op deze locatie van toepassing zijn Hoofdstuk
Artikel
Welke regels gelden bij de huidige activiteit?
11 Nevenfuncties Glastuinbouwgebied 15 Paardenhouderij 63 Wonen in bedrijfswoning(en) 69 Algemeen grondgebruik
Welk activiteiten zijn nog meer toegestaan?
80 Glastuinbouwgebied
Regels voor aanpassen van activiteiten
82 Procedure en beoordelingsregels voor nieuwe gebruiksactiviteiten
Wat mag ik op deze locatie bouwen?
83 Bestaande bebouwing 113 Bouwregels paardenhouderij 144 Bedrijfs en plattelandswoning(en) toegestaan 149 Bouwregels bij algemeen grondgebruik 156 Kwalitatieve toetsing in de zone Glastuinbouwgebied
Welke regels gelden hier voor het woon en leefklimaat? 159 Geluidzone industrie MaasvlakteEuropoort 164 Wegverkeerslawaai 165 Parkeren 166 Stikstof Welke regels gelden hier voor evenementen?
167 Evenementen
Welke regels gelden hier voor reclameuitingen?
168 Reclameuitingen
Hier gelden archeologische en/of cultuurhistorische waarden om rekening mee te houden
172 Waarde Archeologie 4
Welke regels gelden voor het kappen van houtopstanden?
183 Houtopstanden
Welke regels gelden hier nog meer?
184 Algemene regels 185 Antidubbeltelregel 186 Overgangsrecht 187 Slotregel
Verklarende regels
188 Begripsbepalingen 189 Wijze van meten
Hier heeft een herziening van het moederplan plaatsgevonden
62/331
191 Herziening Veegplan 2
1.2.9
Toevoeging regeling
Artikel 14 Paardenstalling De gewijzigde regeling voor paardenstallingen in dit plan wordt: Aan artikel 14 Paardenstalling wordt de onderstaande sub b toegevoegd, om aan te geven dat voor een aantal paardenstallingen vanuit het ruimtelijk perspectief ook een grotere buitenruimte is toegestaan. 14 Paardenstalling De gronden met de aanduiding 'Paardenstalling' mogen worden gebruikt voor: a. paardenstalling met een maximum van 1.200 m2 aan buitenruimte paardenstalling die voor deze activiteit in gebruik is; b. paardenstalling met een afwijkende maximum aan buitenruimte paardenstalling die voor deze activiteit in gebruik is, indien opgenomen in onderstaande tabel: Locatie
Maximum aan buitenruimte paardenstalling
Abbewerveweg 6
1.572 m²
Definitie paardenstalling In de beheersverordening Landelijk gebied luidt de definitie voor paardenstalling als volgt: "het houden van paarden en pony's ten behoeve van verhuur en eigen gebruik, alsmede het bieden van gelegenheid aan derden om hun paarden en pony's in pension te stallen en te weiden; onder paardenstalling worden geen maneges verstaan." In de beheersverordening luidt de definitie van paardenhouderij als volgt: "een bedrijf dat uitsluitend is gericht op het houden, stallen of africhten van paarden, alsmede de handel in paarden." In het Omgevingsplan Buitengebied (moederplan) is de definitie van paardenstalling gewijzigd naar: het bedrijfsmatig stallen van paarden en pony's anders dan in de vorm van een paardenfokkerij en een manege. Voorbeelden zijn: het stallen van paarden ten behoeve van verhuur; het bieden van gelegenheid aan derden om hun paarden en pony's in pension te stallen en te weiden; de handel in paarden; het africhten van paarden. Om duidelijk het onderscheid te kunnen maken tussen het te introduceren begrip paardenhouderijen en het begrip paardenstallingen wijzigt het begrip paardenstalling in dit veegplan naar: "het houden of al dan niet bedrijfsmatig stallen van paarden en pony's anders dan in de vorm van een paardenfokkerij en een manege. Voorbeelden zijn [...]".
Paardenhouderij (gebruik en definitie) Voor paardenhouderij is in het moederplan geen begrip opgenomen. Omdat voor de locaties Abbewerveweg 5 en Rijswaardsedijk 11 het artikel paardenhouderij toe wordt gevoegd, wordt ook het begrip 'paardenhouderij' geintroduceerd in dit veegplan.
63/331
15 Paardenhouderij De gronden met de aanduiding 'Paardenhouderij' mogen worden gebruikt voor een paardenhouderij. Ook wordt een definitie paardenhouderij toegevoegd: 188.66 paardenhouderij het bedrijfsmatig houden, stallen en/of africhten van paarden, alsmede de handel in paarden, niet zijnde een paardenfokkerij of manege. Om duidelijk te maken welke bouwregels er gelden voor paardenhouderijen is ook een apart artikel opgesteld. Dit is artikel 113 Bouwregels paardenhouderij. Deze bouwregeling is vrijwel gelijk aan de regeling voor paardenstallingen. Het enige verschil is dat paardenhouderijen in de bebouwing beperkt worden door de oppervlakte van het bouwvlak, terwijl voor paardenstallingen de bestaande oppervlakte geldt (gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen, de bedrijfswoning/plattelandswoning uitgezonderd) vermeerderd met 10% uitbreidingsruimte. Toevoeging bouwregel Ter hoogte van de uitbreidingen van het gebruik voor de locaties Abbewerveweg 6 (paardenstalling) en Rijswaardsedijk 11 (paardenhouderij) wordt voor de Abbewerveweg 6 de volgende bouwregel toegevoegd als Artikel 114, voor het bouwen ten behoeve van een buitenrijbaan buiten het bouwvlak: Ter plaatse van deze aanduiding mag worden gebouwd ten behoeve van een buitenrijbaan buiten het bouwvlak en gelden de volgende bouwregels: a.
bij een buitenrijbaan bedraagt de hoogte van de bijbehorende omheining ten hoogste 1,5 m en de hoogte van de lichtmasten ten hoogste van 5 m. Voor de Rijswaardsedijk wordt Artikel 115 toegevoegd voor het bouwen van een buitenrijbaan, paddocks of longeercirkel: Ter plaatse van deze aanduiding mag worden gebouwd ten behoeve van een buitenrijbaan, paddocks en/of een longeercirkel en gelden de volgende bouwregels: a. bij een buitenrijbaan bedraagt de hoogte van de lichtmasten ten hoogste van 5 m; b. de hoogte van van de bijbehorende omheining bedraagt ten hoogste 1,5 m. Gebruik Plattelandswoning Voor enkele locaties is het gebruik van de bedrijfswoning gewijzigd naar 'Wonen in plattelandswoning(en)' (64 Wonen in plattelandswoning(en)). De woningen worden door deze wijziging zowel bewoonbaar door de eigenaar van de bijbehorende inrichting als door derden. De wijziging heeft geen nadelige consequenties voor reeds bestaande plattelandswoningen. Sub a luidt na de wijzing als volgt: a. het gebruik van een bedrijfswoning, als bedoeld in artikel 63, al dan niet als plattelandswoning.
Definitie plattelandswoning De definitie van een plattelandswoning in het moederplan betreft: "een voormalige bedrijfswoning, (voorheen) behorend tot een agrarisch bedrijf, die niet meer wordt bewoond door (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bedrijfsvoering noodzakelijk is, maar die voor
64/331
de toepassing van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de daarop rustende bepalingen wordt beschouwd als onderdeel van dat agrarisch bedrijf." Deze definitie wijkt licht af van de Wet plattelandswoningen door het gebruik van de term 'agrarisch bedrijf' waar in de Wet wordt gesproken over 'landbouwinrichting'. Om aan te sluiten bij de brede definitie van landbouwinrichting uit de Wet wordt de term agrarisch bedrijf vervangen door de term landbouwinrichting. Bij alle paardenstallingen, lees landbouwinrichtingen, wordt een plattelandswoning toegestaan in dit veegplan. Dat zijn (voormalige) agrarische bedrijfswoningen die (tevens) door derden mogen worden bewoond. In dit geval betreffen alle woningen die op grond van de Beheersverordening aangemerkt waren als W* (voormalige) agrarische bedrijfswoningen waardoor omzetting naar plattelandswoning mogelijk is. In dit Veegplan wordt onder het in werking hebben van een landbouwinrichting in de vorm van een paardenstalling, ook het hobbymatig voortzetten van bedrijfsmatige activiteiten begrepen. De paardenstalling, ook indien deze slechts hobbymatig is, kan immers invloed hebben op het woon en leefklimaat in de omgeving.
De gewijzigde definitie van plattelandswoning wordt: 'Een (voormalige) bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting, die tevens door een derde bewoond mag worden, wordt met betrekking tot de inrichting voor de toepassing van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de daarop berustende bepalingen beschouwd als onderdeel van die inrichting.' Bouwregels bedrijfswoning/plattelandswoning Bij iedere bedrijfswoning/plattelandswoning behoren dezelfde bouwregels, zoals weergegeven in artikel 144 Bedrijfswoning(en) toegestaan. In dit artikel wordt alleen in zowel de titel als de aanhef geen notie gemaakt van het feit dat plattelandswoningen dezelfde bouwregels hebben als de bedrijfswoningen, terwijl dit feitelijk wel het geval is. Daarom is er voor gekozen de titel en de aanhef van artikel 144 te wijzigen. De nieuwe titel luidt: 'Bedrijfs en plattelandswoning(en) toegestaan'. De aanhef wijzigt naar: 'Ter plaatse van deze aanduiding mag worden gebouwd ten behoeve van een bedrijfswoning en/of plattelandswoning en gelden de volgende bouwregels:'. In sub a en sub b van dit artikel wordt ook het woord 'plattelandswoning' toegevoegd daar waar nu bedrijfswoningen worden genoemd, zodat dit consistent blijft in lijn met de eerdere aanpassingen. Sub a wijzigt naar: a.
het toegestane aantal bedrijfs of plattelandswoningen ter plaatse van deze aanduiding bedraagt ten hoogste <strong class="waarde1">x</strong>; Sub b wijzigt naar: b. de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen per bedrijfs of plattelands woning bedraagt ten hoogste 200 m2, voor zover deze gezamenlijke oppervlakte niet meer bedraagt dan 20% van de oppervlakte van het bouwperceel.
65/331
1.2.10 Ambtshalve wijzigingen Perceelsgrenscorrectie Abbewerveweg 5 Op de locatie aan de Abbewerveweg 5 met de Abbewerveweg 4 is de begrenzing tussen de functies Paardenstalling en de functie Wonen verkeerd ingetekend. Zowel in de voorgaande beheersverordening als het moederplan Omgevingsplan Buitengebied is niet de kadastrale begrenzing, maar een afwijkende begrenzing gevolgd. In figuur 1.2.10 is de nieuwe functiebegrenzing weergegeven.
66/331
Figuur 1.2.10 begrenzing tussen Abbewerveweg 4 en 5, de rode lijn betreft de nieuwe begrenzing en de stippellijn de huidige begrenzing tussen de functies paardenstalling en wonen.
67/331
Wijziging artikel Algemeen grondgebruik In artikel 69 – Algemeen grondgebruik wordt weidegang toegestaan bij een agrarisch bedrijf en voor hobbymatig gebruik. Voor andere bedrijfsmatige functies als een manege, paardenstalling of paardenhouderij is weidegang ook bedoeld als toegestaan gebruik ten behoeve van de bedrijfsmatige functie. Om dit daadwerkelijk mogelijk te maken wordt sub a van artikel 69 opgedeeld in twee subs waarin enerzijds weidegang toegestaan wordt voor de functies die hierboven benoemd zijn en daarnaast wordt een extra sub na a ingelast waarin het gedeelte waarin productiegronden bij agrarische bedrijven worden toegestaan in geplaatst wordt. Ook is hobbymatige weidegang en hobbymatige productiegrond primair gericht op eigen gebruik altijd al toegestaan op algemene gronden. Dit was niet zo vervat in de regeling en is daarom ook toegevoegd. De nieuwe subs a en b luiden vervolgens: a. weidegang bij een manege als bedoeld in artikel 4, een agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 5, een paardenstalling als bedoeld in artikel 14 en een paardenhouderij als bedoeld in artikel 15; en b. productiegrond bij een agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 4. De nieuwe sub c luidt: hobbymatige weidegang en hobbymatige productiegrond, primair voor eigen gebruik. De andere reeds bestaande sub vernummerd naar sub d.
1.3
Uitvoerbaarheid
1.3.1 Milieutechnische uitvoerbaarheid Voor de ruimtelijke ontwikkelingen die onderdeel uitmaken van dit veegplan, zijn getoetst aan de relevante wet en regelgeving voor de verschillende milieuaspecten. In een aantal gevallen zijn er onderzoeken uitgevoerd om aan te tonen dat hieraan wordt voldaan, bijvoorbeeld stikstofonderzoek of onderzoek naar bedrijf en milieuzonering. 1.3.2 Economische uitvoerbaarheid Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) tegelijk met het bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. De gemeente heeft hierbij de onderzoeksverplichting om de financieeleconomische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen. Voor ambtshalve wijzigingen en/of het verwerken van vergunningen is geen exploitatieplan noodzakelijk. Doordat er met de ambtshalve wijzigingen geen fysieke uitvoering benodigd is zijn er ook geen middelen benodigd voor de uitvoering. Er is daarmee geen sprake van bouwplannen, waarvoor een anterieure overeenkomst dient te worden opgesteld. Het plan is daarmee financieel uitvoerbaar op dit punt.
Op drie locaties is sprake van een uitbreiding: bij de Abbewerveweg 6 van een paardenstalling, bij de Rijswaardsedijk 11 van een paardenhouderij en bij de Kloosterweg voor het toevoegen van de functie paardentherapie/paardencoaching en uitbreiding van de buitenruimte. Het gaat in alle gevallen om particuliere initiatieven. De gronden binnen de respectievelijke plangebieden zijn in eigendom bij de initiatiefnemers. De kosten voor de ontwikkeling zijn op de locaties Abbewerveweg 6 en Rijswaardsedijk 11 reeds door de initiatiefnemers gedragen, waarbij beschikt werd over voldoende financiële middelen om de ontwikkeling te kunnen realiseren. De uitvoering en de kosten voor de ontwikkeling aan de Kloosterweg 23 komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer.
68/331
De gemeente Voorne aan Zee is voornemens anterieure overeenkomsten te sluiten met beide initiatiefnemers teneinde de economische uitvoerbaarheid van het Veegplan te waarborgen. Ook eventuele tegemoetkoming in schade (planschadevergoedingen) als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet op de ruimtelijke ordening komen voor rekening van de initiatiefnemers, daartoe sluit de gemeente planschadeovereenkomsten met de initiatiefnemers.
1.3.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Vooroverleg Het bestemmingsplan is in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening aan de overleg partners toegezonden. Er zijn geen reacties binnengekomen. Ontwerp In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in artikel 3.8 bepaald dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. In de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit met de daarop betrekking hebbende stukken, die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, voor een termijn van 6 weken ter inzage wordt gelegd. Het ontwerp Omgevingsplan heeft vanaf 8 december zes weken ter inzage gelegen. Eenieder is hiermee in de gelegenheid gesteld, schriftelijk en/of mondeling zijn zienswijzen over het ontwerpbestemmingsplan naar voren te brengen. Er zijn in totaal drie zienswijzen binnengekomen. Een zienswijze is naderhand ingetrokken. De overige twee zienswijzen zijn beantwoord in de Nota van Zienswijzen, bijgevoegd in Bijlage 1. Naar aanleiding van de beantwoording is de toelichting in paragraaf 1.2.2 Kloosterweg 23 uitgebreid met de voorgenomen ontwikkeling.
Ook is artikel 14 – Paardenstalling aangepast, zodat 1.800 m2 aan buitenruimte wordt toegestaan voor de Kloosterweg 23 en is een nieuw artikel 62 toegevoegd voor de nevenfunctie coaching/therapie met paarden. Er is ook een ambtshalve wijziging doorgevoerd. De stikstofberekeningen in de bijlagen 2, 3, 4 en 5 zijn geactualiseerd naar de meest recente versie van Aerius (2023.2). De stikstofdepositie blijft in alle gevallen ongewijzigd met een uitkomst van 0,00 mol/ha/jr. Vaststelling De gemeenteraad is het bevoegd gezag voor de vaststelling van het plan. Na vaststelling ligt het plan nog eenmaal gedurende zes weken ter inzage; de beroepstermijn.
69/331
70/331
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
Bijlage 1 Nota zienswijzen Veegplan 2
Nota zienswijzen Omgevingsplan Buitengebied Brielle – Veegplan 2 1. Inleiding Het ontwerp Omgevingsplan Buitengebied Brielle – Veegplan 2 (‘ontwerp Omgevingsplan’) heeft van 8 december 2023 tot en met 18 januari 2024 gedurende zes weken ter inzage gelegen in het kader van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Eenieder kon online via de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl met een doorverwijzing naar de website https://brielle.crotecomgevingsplan.nl om het plan in te zien. Tijdens deze periode van 6 weken is eenieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen. Tijdens de ter inzage periode zijn drie zienswijzen ontvangen. Deze zienswijzen zijn binnen de gestelde termijn ingediend en om die reden ontvankelijk. De zienswijzen zijn in deze Nota Zienswijzen (‘Nota’) samengevat en van een beantwoording voorzien. De indieners zullen schriftelijk worden geïnformeerd over de beantwoording van de door hen ingediende zienswijze. Anonimiseren De Nota wordt bij de terinzagelegging van het vastgestelde omgevingsplan elektronisch beschikbaar gesteld als bijlage bij het raadsbesluit.
Op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens is het niet toegestaan om persoonsgegevens (zogenaamde NAW-gegevens: naam, adres en woonplaats) van natuurlijke personen te verwerken zonder bijvoorbeeld een wettelijke grondslag, dringende noodzaak of toestemming van de betreffende personen. Er is geen wettelijke grondslag of dringende noodzaak om de NAW-gegevens van natuurlijke personen te vermelden. De zienswijzen zien op specifieke locaties in het buitengebied. Voor de goede leesbaarheid van de Nota is het noodzakelijk om deze locaties te benoemen. Dit zodat eenieder kan opmaken waarover wordt gesproken en welke keuzes zijn gemaakt, wat vanuit het oogpunt van duidelijkheid en rechtszekerheid wenselijk is. Wel is per zienswijze de keuze gemaakt om alleen een straatnaam met huisnummer en woonplaats te noemen. Op basis hiervan is voldoende duidelijk op welk perceel een reactie ziet. 2. Samenvatting en beantwoording zienswijzen 1. Reclamant 1 met betrekking tot perceel Kloosterweg 23 28 december 2023, ontvangen 28 december 2023 Voornemen om de biodiversiteit op het terrein te stimuleren door de ontwikkeling van een paddock paradise. Zienswijze 1A Reclamanten zijn van plan om het terrein te voorzien van een paddock paradise als onderdeel van de voorgestelde wijzigingen. Deze inrichting heeft als doel biodiversiteit te stimuleren en het behoud ervan te waarborgen.
Het implementeren van een paddock paradise is niet alleen gunstig voor een gezonder ecosysteem, maar het heeft ook positieve effecten op de lokale flora en fauna. Beantwoording 1A Wij nemen de voorgenomen ontwikkeling van een paddock paradise voor kennisgeving aan, nu dit slechts een mededeling is en daarmee geen concreet initiatief dat meegenomen hoeft te worden. Volledigheidshalve geven wij wel aan reclamanten mee dat de paddock paradise moet passen binnen de gestelde oppervlakte voor buitenruimte bij een paardenstalling. Dit betreft het geheel van buitenvoorzieningen die behoren tot een paardenstalling. Het gaat om daarbij in ieder geval om een
buitenrijbaan, paddock/losgooibak, longeerbak, stapmolen, mesthoop of buitenopslag tot 4 meter hoog. Mogelijkheden voor weidegang vallen niet onder deze definitie. Verzoek voor de toevoeging van een maatschappelijke functie voor therapeutisch paardrijden. Zienswijze 1B Reclamanten gaan aan de Kloosterweg 23 hun bedrijf HorsePower Training en Coaching vestigen. Dit bedrijf is al enige tijd op een andere locatie in de gemeente werkzaam en per 2024 zorgpartner voor de gemeente Nissewaard en Voorne aan Zee. Het bedrijf richt zich op het aanbieden van aangepast paardrijden voor kinderen met autisme of psychische problemen. Er is geen intentie om een manege te starten, het therapeutisch paardrijden is echt onderdeel van de therapietrajecten. Beantwoording 1B Reclamanten zijn voornemens naast het stallen van paarden ook coaching sessies en therapiesessies in combinatie met paarden/paardrijden aan te bieden. De nieuwe bedrijfsmatige nevenactiviteit coaching/therapie met paarden zal worden toegestaan op de locatie Kloosterweg 23. Deze activiteit is onlosmakelijk verbonden met de paardenstalling; zonder stalling kan deze activiteit niet worden uitgevoerd. Het uitvoeren van deze nevenactiviteit is niet mogelijk binnen de nevenfuncties van de Oude Zeekleipolders.
Daarom wordt deze nieuwe nevenactiviteit als een locatie-specifieke activiteit toegevoegd aan het plan Gebruik van meer vierkante meters op het bouwvak ten behoeve van een nieuwe buitenrijbaan. Zienswijze 1C Reclamanten stellen dat het welzijn van de paarden direct gerelateerd is aan de beschikbare ruimte. Om ervoor te zorgen dat de paarden voldoende bewegingsruimte hebben, zeker in de winter, achten reclamanten het noodzakelijk om meer dan de nu vastgestelde 1.200 m2 te mogen benutten binnen het bouwvlak. Graag willen reclamanten binnen het bouwvak een buitenrijbaan van 20x60m plaatsen rechts van de loodsen. De bestaande buiten rijbaan voldoet niet aan de juiste afmetingen voor een rijbaan en de veiligheidseisen omdat deze tegen een stenenmuur aan ligt. Daarom willen reclamanten deze ombouwen tot paddocks. Zodat de paarden in de wintermaanden ook voldoende buiten kunnen zijn. Beantwoording 1C Met de realisatie van de paddocks en de paardenbak wordt een buitenruimte van in totaal 2.200 m2 beoogd. Een buitenruimte van 2.200 m2 is strijdig met de regels voor een paardenstalling, waar maximaal 1.200 m2 buitenruimte is toegestaan. Om deze strijdigheid op te heffen, zou de toegestane buitenruimte in het kader van de nieuwe activiteit moeten worden vergroot. Voor dit perceel is bepaald wat ruimtelijk aanvaardbaar is ten aanzien van de extra buitenruimte.
Het bestemmingsvlak/bouwvlak is ruim genoeg om de paardenbak binnen te realiseren en de nieuwe paardenbak komt verder van de dichtstbijzijnde woning (gevoelige functie) te liggen. De paardenbak wordt geplaatst op het achtererf. Het is wenselijk dat de paardenbak landschappelijk wordt ingepast met bijvoorbeeld een haag. Het perceel breidt niet uit en blijft kleinschalig, geconcentreerd en georiënteerd op de Kloosterweg. De totale beoogde buitenruimte is groter dan bij andere paardenstallingen in de voormalig gemeente Brielle waarbij de maximaal toegestane buitenruimte bijna altijd 1.200 m² betreft. Tussen de aanwezige mensen/groepen dient, met name vanwege het therapeutische en coachende karakter, maar ook vanwege de veiligheid, voldoende afstand gehouden te worden. Wij vinden een overschrijding van 600 m2 een bij deze locatie en functies passende overschrijding. Daarom zullen wij meewerken aan het vergroten van de buitenruimte voor paarden tot 1.800 m2. Reclamanten zullen wel de bestaande paddocks met ongeveer 400 m2 moeten verkleinen om binnen de toegestane 1.800 m2 buitenruimte te blijven.
Plaatsing van een binnenbak Zienswijze 1D Reclamanten stellen dat om hun diensten gedurende alle seizoenen aan te kunnen bieden en de paarden optimale verzorging te bieden, het van groot belang is om op termijn een binnenbak te plaatsen. Dit stelt reclamanten in staat om aangepaste activiteiten zoals aangepast paardrijden voor kinderen met autisme of psychische problemen en andere therapeutische programma's het hele jaar door uit te voeren. Beantwoording 1D In de zienswijze wordt slechts in algemene zin ingegaan op de wens om een binnenbak te realiseren. Dit is een onvoldoende concreet initiatief en wordt derhalve niet meegenomen in het Veegplan 2 van het Omgevingsplan Buitengebied Brielle. Conclusie De zienswijze is deels gegrond. Het plan wordt voor de locatie Kloosterweg 23 aangepast door de nevenactiviteit therapie met paarden en coaching met paarden toe te voegen. Ook wordt de buitenruimte vergroot tot 1.800 m2. 2.