Omgevingsplan Buitengebied Veegplan 2
Tekst van het document
Reclamant 2 met betrekking tot perceel Molendijk 1 17 januari 2024, ontvangen 17 januari 2024 Algemene opmerkingen Voordat inhoudelijk wordt gereageerd op de zienswijze van reclamanten, dient opgemerkt te worden dat een groot aantal van hun bezwaren ziet op aspecten die losstaan van het ontwerpveegplan 2 en die zien op ruimtelijke afwegingen die al gemaakt zijn in het Omgevingsplan, omgevingsplan ‘Buitengebied Brielle – Veegplan 1’ (“Veegplan 1”) of de omgevingsvergunning. Deze bezwaren kunnen in deze procedure niet meer aan bod komen. Meer specifiek zijn dit de opmerkingen die zien op de definitie van buitenruimte, het beroep dat loopt ten aanzien van veegplan 1, de vermeende aanduiding van het perceel van reclamanten als manege, de onderbouwing van het aantal vierkante meters aan buitenruimte bij paardenstallingen, het handhavingstraject en de gevolgen daarvan voor reclamanten, en de vraag of de legalisering van de situatie op het perceel van reclamanten bij de eerdere planvorming had moeten worden meegenomen. Het ontwerpveegplan 2 voorziet verder alleen in het herbestemmen van drie bedrijfswoningen naar plattelandswoning en het terug bestemmen van de paardenhouderijen die voorheen ook bestemd waren als paardenhouderij. Anders dan reclamanten lijken te veronderstellen is geen sprake van het wegbestemmen van bepaalde mogelijkheden.
Ook is geen sprake van een verdere beperking van de toegestane buitenruimte, maar is juist sprake van een verruiming op enkele percelen. Geen overleg Zienswijze 2A Reclamanten stellen dat er geen overleg heeft plaatsgevonden over het ontwerpveegplan 2 met hen en de andere betrokkenen. De wijzigingen zouden dan ook eenzijdig zijn opgenomen in het ontwerpveegplan 2. Beantwoording 2A Het standpunt van reclamant kan niet gevolgd worden. Anders dan reclamanten veronderstellen is met elke betrokkene waar de gemeente nog geen contact mee had overleg gevoerd. Ten aanzien van het perceel van reclamanten is slechts de bedrijfswoning gewijzigd naar plattelandswoning. Hier is contact over geweest met de advocaat van reclamanten. Wij hebben nader overleg niet opportuun geacht omdat wij op goede gronden mocht aannemen dat de wijziging naar plattelandswoning recht doet aan de belangen van appellant. Daarbij hebben wij meegewogen dat met reclamanten en hun advocaat
veelvuldig overleg is gevoerd in het kader van de door hen ingediende vergunningsaanvraag die heeft geleid tot de omgevingsvergunning. De wens van reclamanten om hun buitenruimte ongelimiteerd te gebruiken is, zoals gezegd, in dat verband reeds beoordeeld en gewogen door ons. De zienswijze van reclamanten verklaren wij op dit punt dan ook ongegrond. Petitie Paardenwelzijn Zienswijze 2B Reclamanten stellen dat de raad verzocht is om het verschil in de diverse planologische regimes van de fusiegemeenten recht te trekken en wijzen in dat verband op de door hen ingediende petitie Paardenwelzijn die betrokken had moeten worden bij het ontwerpveegplan. De belangen van paardenstallingen en paardenhouderijen zijn onvoldoende betrokken, aldus reclamanten. Beantwoording 2B Hoewel reclamanten gevolgd kunnen worden in hun standpunt dat er een verschil is in de diverse planologische regimes van de fusiegemeenten, houdt dit niet in dat de belangen van de paardenstallingen en paardenhouderijen onvoldoende bij het ontwerpveegplan 2 zijn betrokken. Immers, het ontwerpveegplan 2 is opgesteld om de geconstateerde omissies te herstellen. Het had juist geen recht gedaan aan de belangen van de betrokken paardenstallingen en paardenhouderijen als gewacht zou worden met het herstel van deze omissies totdat de omgevingsvisie vastgesteld wordt.
Dit betreft immers een langdurig traject van enkele jaren en in die jaren zouden de betrokken paardenstallingen en paardenhouderijen geconfronteerd blijven met de omissies c.q. beperkingen. De zienswijze van reclamanten verklaren wij op dit punt dan ook ongegrond. Voorstelde wijziging Zienswijze 2C Reclamanten stellen dat wij ten onrechte niet de omgevingsvergunning van reclamanten hebben meegenomen in het plan. Beoordeeld had moeten worden hoe de voorgenomen bestemming en de beperking aan buitenruimte zich verhoudt tot die vergunning. Beantwoording 2C Reclamanten lijken te veronderstellen dat het niet meenemen van de omgevingsvergunning afbreuk doet aan de rechten die zij op grond van de omgevingsvergunning hebben. Dat is uiteraard niet zo. Het betreft immers een werkende omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning is tijdens de voorbereiding van het Veegplan en het schrijven van deze nota beantwoording zienswijzen nog niet onherroepelijk omdat pas op 14 februari 2024 uitspraak is gewezen en hoger beroep nog openstaat. Reeds daarom is de omgevingsvergunning niet meegenomen in het ontwerpveegplan. Zodra deze omgevingsvergunning onherroepelijk is, zal de omgevingsvergunning in het omgevingsplan worden verwerkt. Anders dan reclamanten veronderstellen kan de verleende omgevingsvergunning niet worden aangemerkt als concreet initiatief.
De gewenste ontwikkeling is immers al planologisch mogelijk gemaakt. De zienswijze van reclamanten verklaren wij op dit punt dan ook ongegrond. Beperking buitenruimte Zienswijze 2D Reclamanten stellen dat in het ontwerpveegplan 2 ten onrechte opnieuw is vastgehouden aan de beperking van 1.200 m2 aan buitenruimte voor paardenstallingen. Verder zouden er in het ontwerpveegplan niet onderbouwde uitzonderingen gemaakt zijn die in strijd zouden zijn met het gelijkheidsbeginsel. Beantwoording 2D Vooropgesteld dient te worden dat bij de percelen waar de beperking van 1.200 m2 geldt, het ontwerpveegplan niets wijzigt in het planologisch regime. De inmiddels onherroepelijke keuze van de
planwetgever om deze percelen een beperking in vierkante meters aan buitenruimte op te leggen staat dan ook niet ter discussie bij het ontwerpveegplan 2. Specifiek ten aanzien van het perceel van reclamanten heeft te gelden dat een overschrijding van het aantal vierkante meters aan buitenruimte wordt toegestaan door de omgevingsvergunning. Op de standpunten van reclamanten waarin zij specifiek ingaan op hun eigen (bedrijfsmatige) situatie en het aantal vierkante meters aan buitenruimte zal dan ook niet gereageerd worden nu de verleende omgevingsvergunning hier niet centraal staat. Daar waar reclamanten stellen dat wij in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelen, is van belang dat per perceel getoetst is aan de goede ruimtelijke ordening. Deze afweging op perceelsniveau blijkt ook uit de toelichting op het ontwerpveegplan. Er is dan ook geen sprake van strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel omdat geen sprake is van gelijke gevallen. Dat reclamanten onevenredig benadeeld worden door het ontwerpveegplan 2 is niet nader onderbouwd en gelet op de herbestemming van de bedrijfswoning naar plattelandswoning ook anderszins niet te volgen. De zienswijze van reclamanten verklaren wij op dit punt dan ook ongegrond. Concreet initiatief I Zienswijze 2E Reclamanten vragen om de beperking van het aantal toegestane vierkante meters aan buitenruimte te schrappen.
Ook vragen zij om medewerking bij het vergunnen van de paddocks aan de wegzijde en een verlenging van de rijbaan. Verder stellen reclamanten dat hun perceel ten onrechte niet herbestemd is naar paardenhouderij. Zij stellen daartoe dat ze een paardenhouderij exploiteren. Dit zou onder meer volgen uit de verleende omgevingsvergunning. Beantwoording 2E Ten aanzien van het vergunnen van de paddocks, dient vooropgesteld te worden dat uit de zienswijze niet blijkt welke paddocks exact bedoeld worden. Voor zover reclamanten hiermee doelen op de weide aan de zijde van de Groene Kruisweg die voorheen als paardenbak 3 werd aangeduid, komt dit neer op een herhaalde aanvraag waarvan de planologische wenselijkheid reeds beoordeeld is bij het vergunningstraject dat gestart is ten behoeve van de legalisatie en dat heeft geleid tot de omgevingsvergunning. Wij zullen dit verzoek dan ook niet meenemen in het kader van ontwerpveegplan 2. Concreet initiatief II Zienswijze 2F Het verzoek van reclamanten om een schrapping van het aantal toegestane vierkante meters aan buitenruimte, wordt dit gelijkgesteld aan het verzoek om het perceel te herbestemmen als ‘Paardenhouderij’. Beantwoording 2F Zoals ook uit de toelichting op het ontwerpveegplan volgt wordt met het herbestemmen van een aantal percelen naar paardenhouderij een omissie hersteld.
Deze percelen waren op grond van de beheersverordening namelijk bestemd als paardenhouderij (Adp) en zijn in omvang en bedrijfsmatigheid ook omvangrijker dan de percelen die op grond van de beheersverordening aangeduid waren als paardenstalling. Deze percelen zijn onterecht en onbedoeld beperkt in de toegestane mogelijkheden. Het perceel van reclamanten was onder de beheersverordening bestemd als Wonen* (W*) met als nevenfunctie een toegestane paardenstalling. De paardenstalling zoals die thans aanwezig is op het perceel wordt volgens reclamanten al sinds 1962 geëxploiteerd. Bij de totstandkoming van het ontwerpveegplan 2 is per perceel beoordeeld of – ook los van de historische achtergrond – een herbestemming naar een paardenhouderij aangewezen is. Daarbij is gekeken naar de omvang van het perceel, de situering van het perceel, de huidige bedrijfsmatige situatie en eventuele toekomstige mogelijkheden.
De herbestemming van het perceel van reclamanten naar paardenhouderij, achten wij niet wenselijk. Het perceel ligt in lintbebouwing en aan de achterzijde (zuid/west) grenst het perceel aan het beschermde natuurgebied Holle Mare. Het perceel zelf is beperkt van omvang. Of reclamanten nog meer percelen in eigendom hebben, doet daar niets aan af. Voor wat betreft de situering van het perceel is van belang dat het perceel omsloten wordt door percelen met een woonbestemming of natuurbestemming (gronden die grotendeels in eigendom van stichting “Het Zuid-Hollands Landschap” zijn). Voor wat betreft de bedrijfsmatigheid wordt opgemerkt dat wij onderkennen dat sprake is van een bedrijfsmatige paardenstalling. Deze is echter van een zodanige beperkte omvang dat geen sprake is van een paardenhouderij nu er maximaal 18 paarden gestald kunnen en mogen worden. Daarbij is ook in overweging genomen dat – gelet op de situering van het perceel – er milieutechnisch geen verdere verzwaring van het gebruik kan plaatsvinden. Eventuele termen die de gemeente in haar eerdere correspondentie met reclamanten heeft gebezigd, zijn – wat daar verder ook van zij – tot slot niet van belang. Dit staat immers los van de toetsing zoals die heeft plaatsgevonden in het kader van het ontwerpveegplan 2. Gelet op het voorgaande zullen wij het perceel van reclamanten niet herbestemmen als paardenhouderij.
Onjuiste publicatie Zienswijze 2G Reclamanten stellen dat op de viewer de verhouding tussen de diverse omgevingsplannen onduidelijk is. Zo zouden de regels uit veegplan 1 niet meer zichtbaar zijn en zou niet uit de toelichting volgen welke wijzigingen worden doorgevoerd met het ontwerpveegplan. Beantwoording 2G Uit de toelichting op de viewer https://brielle.crotec-omgevingsplan.nl volgt dat in de viewer onder ‘kaartlagen’ gekozen kan worden tussen het raadplegen van ‘Plannen in procedure’ en ‘Plannen in werking’. Hiermee worden de verschillen inzichtelijk gemaakt tussen het ontwerpveegplan en het huidige bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. De wijzigingen zijn tevens met een rode arcering weergegeven zodat duidelijk is waar wijzigingen zijn doorgevoerd ten aanzien van het moederplan. Tot slot is per veegplan in hoofdstuk 12 van de regels een artikel gewijd ten aanzien van welke artikelen een herziening heeft plaatsgevonden. Daarmee is voldaan aan artikel 7c, lid 9, aanhef en onder a, onderdeel 1, van het Besluit uitvoering Crisis en Herstelwet. Overigens volgt uit de toelichting op het ontwerpveegplan ook per perceel welke wijzigingen exact zijn doorgevoerd. De zienswijze van reclamanten verklaren wij op dit punt dan ook ongegrond. Kadastrale grenzen Zienswijze 2G Reclamanten zijn van mening dat de kadastrale grenzen niet juist zijn gevolgd.
Ook zou de nevenfunctie ‘Paardenstalling’ uit de beheersverordening op enig moment omgezet zijn in een ‘Paardenhouderij’. Beantwoording 2G Voor wat betreft de aanduiding paardenstalling is van belang dat de aanduiding niet op het gehele perceel rust. Op het andere deel rust de bestemming ‘Algemeen grondgebruik’. Anders dan reclamanten veronderstellen, is het perceel zelf nooit bestemd als ‘Paardenhouderij’. Het klopt verder dat in het Omgevingsplan de bestemmingsplanlegging per abuis verkeerd is gelegd omdat dit de kadastrale grenzen niet volgde. Anders dan reclamanten stellen is dit echter hersteld met veegplan 1. Daartoe wordt ook verwezen naar de toelichting op veegplan waaruit volgt dat:
“De bestemmingslegging is hier per abuis verkeerd gelegd en volgt de kadastrale grenzen totaal niet. De bestemmingen 'paardenstalling' en 'wonen' worden weer conform de kadastrale grenzen bestemd, respectievelijk langs de roze en gele belijning.
Figuur 1.10 - te volgen kadastrale grenzen voor de bestemming Paardenstalling en Wonen”
Ter verduidelijking wordt opgemerkt dat de gele belijning de bestemming ‘wonen’ aangeeft van de percelen die gesitueerd zijn aan de Molendijk en de roze belijning de bestemming ‘paardenstalling’. Hieruit volgt dat de zijde van het perceel van reclamanten die grenst aan Molendijk 3, de bestemmingsplanlegging ‘paardenstalling’ per abuis te veel naar rechts was gelegd. Anders dan reclamanten veronderstellen houdt dit dus niet in dat het gehele perceel de bestemming ‘paardenstalling’ heeft en dat de bestemming ‘algemeen grondgebruik’ verkeerd was gelegd. De zienswijze van reclamanten verklaren wij op dit punt dan ook ongegrond. Conclusie De zienswijze is ongegrond. Het plan behoeft geen aanpassing. 3. Reclamant 3 met betrekking tot belangen hoogspanningsverbindingen 12 januari 2024, ontvangen 12 januari 2024 Zienswijze 3A Reclamant is van mening dat in het bestemmingsplan onvoldoende rekening is gehouden met de bescherming van de belangen van de hoogspanningsverbindingen. De huidige set regels zoals deze zijn opgenomen in het plan, biedt niet de juiste bescherming. Daarom verzoeken wij u de regels over te nemen zoals in bijlage 1 (bovengronds). Met het toevoegen van deze regels wordt beter gewaarborgd dat het hoogspanningsnet voldoende wordt beschermd tegen omgevingsaspecten die van invloed kunnen zijn op een betrouwbare levering van energie.
Beantwoording 3A Zoals afgesproken met TenneT zullen de voorgestelde wijzigingen aan de regels, zoals benoemd in bijlage 1 bij de zienswijze, worden betrokken bij het opstellen van het algehele omgevingsplan Voorne
aan Zee. Daarmee wordt deze zienswijze buiten beschouwing gelaten bij het omgevingsplan Buitengebied Brielle – Veegplan 2. Zienswijze 3B Bij toekomstige plannen of beleidsdocumenten die keuzes omvatten die relevant zijn voor het landelijk hoogspanningsnet, zou TenneT het prettig vinden om deel te nemen aan het vooroverleg. Op deze manier worden zij vroegtijdig bij plannen betrokken wat maakt dat zij ook tijdig kunnen beoordelen of de veiligheid en leveringszekerheid van hun hoogspanningsverbindingen in het geding komen en of de plannen (technisch) uitvoerbaar zijn. Beantwoording 3B Wij zullen TenneT als overlegpartner in een vroegtijdig stadium bij plannen betrekken door hen uit te nodigen voor advisering aan de Omgevingstafel danwel hen deel te laten nemen aan het vooroverleg. Zienswijze 3C TenneT heeft, in samenwerking met Netbeheer Nederland, de Staalkaart "Elektriciteit en gas in het Omgevingsplan" inclusief bijbehorende voorbeeldregels opgesteld. De Staalkaart betreft een handreiking om gemeentelijke ambities in samenhang met ambities op het gebied van energievoorzieningen bij elkaar te brengen in het Omgevingsplan. De Staalkaart is een ‘levend’ document en zal worden aangepast naar de kennis en ervaring die TenneT en gemeenten gaan opdoen met de Omgevingswet.
TenneT nodigt uit om gebruik te maken van de Staalkaart bij het opstellen van een Omgevingsplan en vervolgens samen met ons mee te denken in het op duurzame wijze opnemen van het hoogspanningsnet in Omgevingsplannen. Beantwoording 3C Wij hebben kennis genomen van de genoemde Staalkaart. Wij zullen de Staalkaart betrekken bij het opstellen van het Omgevingsplan en wij zullen TenneT uitnodigen om mee te denken bij het opstellen van de Omgevingsvisie Voorne aan Zee en het daaropvolgende Omgevingsplan Voorne aan Zee. Conclusie In overeenstemming met TenneT is overeengekomen om de wijzigingen te betrekken bij het op te stellen omgevingsplan Voorne aan Zee. TenneT is uitgenodigd om mee te denken bij het opstellen van de omgevingsvisie en het omgevingsplan.
Bijlage 2 Aeriusberekening Abbewerveweg 6
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstofdepositie.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over de PDF en AERIUS kunt u vinden in de of .
handleidingen op onze website
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
-, --
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
RQ1x1wyQXPHp 08 april 2024, 15:00 OwN2000-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar
2024
1,2 kg/j
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Resultaten
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
Realisatiefase - Beoogd Realisatiefase - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname
RQ1x1wyQXPHp (08 april 2024)
-
66,1 kg/j
2/7
Projectberekening
Realisatiefase (Beoogd), rekenjaar 2024
Emissiebronnen 1 Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning | Materieelinzet Verkeersnetwerk
RQ1x1wyQXPHp (08 april 2024)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
0,3 kg/j 1,0 kg/j
38,9 kg/j 27,2 kg/j
3/7
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
© OSM & Kadaster Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). RQ1x1wyQXPHp (08 april 2024)
4/7
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Realisatiefase" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)
Totaal
RQ1x1wyQXPHp (08 april 2024)
-
Hoogste totale Met toename Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol N/ha/jr) N/ha/jr)
-
-
-
Met afname (ha Grootste afname gekarteerd) (mol N/ha/jr)
-
-
5/7
Projectberekening
Realisatiefase, Rekenjaar 2024 1
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning
Naam Locatie Oppervlakte Naam
Materieelinzet X:72871,12 Y:431073,63 0,45 ha
NOₓ NH₃
Stageklasse
Machines Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja 2
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer 3
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer
Brandstofverbruik
1160 l/j
Verkeersnetwerk X:72767,14 Y:430981,94 716,61 m Buitenweg Beide richtingen 1 Normaal 0m Max. snelheid
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Stagnerend verkeer X:72878,21 Y:431036,9 30,03 m Buitenweg Beide richtingen 1 Normaal 0m Max. snelheid
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
38,9 kg/j 0,3 kg/j
Draaiuren AdBlue verbruik
Stof Emissie
120 u/j 0 l/j
Type scherm Hoogte Afstand tot de weg
NOₓ
38,9 kg/j NH₃ 0,3 kg/j
Links Rechts NOₓ NO₂ NH₃
-
-
Aantal voertuigbewegingen
50,0 /etmaal 0,0 /etmaal 30,0 /etmaal 0,0 /etmaal
Type scherm Hoogte Afstand tot de weg
Links Rechts NOₓ NO₂ NH₃
-
-
Aantal voertuigbewegingen
0,0 /jaar 0,0 /jaar 30,0 /jaar 0,0 /jaar
27,2 kg/j 8,3 kg/j 1,0 kg/j
In file
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
6,8 g/j 1,8 g/j 0,0 kg/j
In file
0,0 % 0,0 % 100,0 % 0,0 %
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
RQ1x1wyQXPHp (08 april 2024)
6/7
Projectberekening
Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2023.2_20240329_bf14d3585e Database versie 2023.2_bf14d3585e_calculator_nl_stable Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://link.aerius.nl/website
RQ1x1wyQXPHp (08 april 2024)
7/7
Bijlage 3 Stikstofmemo Abbewerveweg 6
- MEMO Memo
DATUM VAN
8 april 2024 M. Tajqurishi S. Lie
PROJECT OPDRACHTGEVER AANWEZIG AFWEZIG BIJLAGE(N)
Omgevingsplan Buitengebied: Veegplan 2 Gemeente Voorne aan Zee
CC
STIKSTOFBEREKENINGEN OMGEVINGSPLAN BUITENGEBIED: VEEGPLAN 2
1. INLEIDING Het voornemen is om de paardenbak ten oosten van de woning aan de Abbewerveweg 6 in Zwartewaal te legaliseren. De ontwikkeling dient getoetst te worden aan de eisen uit de Wet natuurbescherming, waarbij de mogelijk gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 een rol spelen. Figuur 1 laat de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-netwerk zien. Het meest nabijgelegen gebied met stikstofgevoelige habitats betreft het Natura 2000-gebied Voornes Duin. De minimale afstand van dit Natura 2000-gebied tot het plangebied bedraagt 7,8 kilometer. De andere Natura 2000gebieden met stikstofgevoelige habitats liggen op grotere afstand.
Figuur 1 Locatie beoogde ontwikkeling (zwart) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (bron: AERIUS calculator)
Met het rekenmodel Aerius (versie 2023.2) is een berekening uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen, daarbij zijn de realisatie- en gebruiksfase beschouwd. In deze memo wordt achtereenvolgens ingegaan op de gehanteerde uitgangspunten, de resultaten en de conclusie. De invoer- en uitvoergegevens vanuit Aerius zijn opgenomen in een aparte bijlage.
2. TOETSINGSKADER Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming: - verankert de Europese gebiedsbescherming van Natura 2000, bestaande uit Speciale Beschermingszones (SBZ's) op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving; - vormt de wettelijke basis voor de aanwijzingsbesluiten met instandhoudingsdoelstellingen; - legt de rol van bevoegd gezag voor verlening van vergunningen meestal bij de provincies. Voor Natura 2000-gebieden gelden onder meer de volgende verplichtingen: - De overheid dient ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Tevens mag er geen verstoring optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen. - Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied. Bevoegde nationale instanties geven slechts toestemming voor het plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast.
- Als een plan of project om dwingende reden van groot openbaar belang toch moet worden gerealiseerd, terwijl significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, moeten alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Europees ecologisch netwerk (Natura 2000) bewaard blijft. Bij de beoordeling van de gevolgen van plannen, projecten en handelingen voor de instandhoudingsdoelstellingen spelen onder andere de ecologische effecten van verzuring en vermesting door een eventuele toename van stikstofdepositie een rol. Uit jurisprudentie volgt dat in een overbelaste situatie al bij een kleine toename van stikstofdepositie sprake kan zijn van significante negatieve effecten. In dat geval is een passende beoordeling noodzakelijk.
3. BEREKENINGSUITGANGSPUNTEN Realisatiefase De ontwikkeling betreft een paardenbak met een oppervlakte van (60 m x 20 m) 1.200 m2 inclusief hekwerk van maximaal 1,5 meter en enkele lichtmasten van maximaal 5 meter. De werkzaamheden zijn reeds uitgevoerd. Voor de realisatie van de ontwikkeling zijn verschillende machines ingezet. Op basis van vergelijkbare projecten is uitgegaan van de inzet van machines en verkeersbewegingen zoals weergegeven in tabel 1. De uitkomsten op jaarbasis zijn ingevoerd in AERIUS Calculator. De inzet van het materieel is ingevoerd als vlakbron aangezien dit materieel op het hele terrein werkzaam is geweest. Daarnaast zullen ook verkeersbewegingen leiden tot uitstoot van stikstofdepositie. Ook hiervoor zijn vergelijkbare projecten gebruikt. De verkeersbewegingen zijn ingevoerd als lijnbron in AERIUS Calculator. Voor het manoeuvreren van de vrachtwagens binnen het plangebied is een extra lijnbron opgenomen met 100% stagnatie.
2/3
Tabel 1 Materieel inzet
Materieel
Stage Klasse
Graafmachine
Stage IV, 75-560 kW, 20142018
40
10
400
Minigraver
Stage IV, 75-560 kW, 20142018
40
4
160
Hoogwerker
Stage IV, 75-560 kW, 20142018
40
15
600
Totaal
Totaal Literverbruik/uur uren
120
Totaal liter verbruik / jaar
1.160
Aanvoer materialen en personeel Vrachtwagens
15
30 zware bewegingen
Woon-werkverkeer
25
50 lichte bewegingen
Voor de realisatiefase is het rekenjaar 2024 gehanteerd. Verkeersafwikkeling Het verkeer wikkelt af via de Abbewerveweg naar de Rijswaardsedijk. Een indicatie van de verkeersintensiteiten is te vinden op de CIMLK-monitoringstool 2022 (www.cimlk.nl). Volgens de tool bedroegen de verkeersintensiteiten in 2021 voor de Rijswaardsedijk 492 voor licht verkeer en 158 voor zwaar verkeer. Op de Rijswaardsedijk gaat het extra verkeer op in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan- en afrijdende verkeer, conform de Instructieregels voor Aerius juli 2020 zich heeft verdund tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer. Het onderhavige project voegt in de realisatiefase maximaal 0,03% licht verkeer en 0,05% zwaar verkeer toe aan de Rijswaardsedijk. Gebruiksfase De ontwikkeling krijgt geen (extra) gasaansluiting, zodoende is in de beoogde situatie geen sprake van directe emissies vanuit het plan. De (potentiële) gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 worden in de gebruiksfase bepaald door de emissies die samenhangen met de verkeersgeneratie. In de gebruiksfase wordt gerekend met de verkeerstoename. Er is geen sprake van verkeerstoename. Ook blijft het aantal paarden gelijk. Hierdoor is de gebruiksfase voor de ontwikkeling niet berekend en wordt er vanuit gegaan dat het geen negatieve effecten heeft op de Natura 2000-gebieden.
4. RESULTATEN EN CONCLUSIE Uit de berekeningen met AERIUS Calculator (versie 2023.2) voor de realisatiefase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Omdat het aantal paarden en de verkeersgeneratie niet toenemen, is een berekening voor de gebruiksfase niet noodzakelijk. Op basis hiervan zijn significante negatieve effecten op Natura 2000gebied in zowel de realisatiefase als de gebruiksfase uitgesloten. De ontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.
3/3