CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota van beantwoording zienswijzen gespecificeerd deel

Raadsvergadering 26 september 2024, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Windproject Brielse Brug93.413 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 10 van 11

68,0 5

Reclamant geeft aan dat de slagschaduw gegenereerd door windmolens een negatieve invloed hebben op de psych en welzijn kan veroorzaken. De constante veranderingen in licht en schaduwpatronen kunnen leiden tot irritatie, stress en zelfs gezondheidsproblemen voor mensen die in de nabijheid wonen.

Het is van essentieel belang dat de gemeente rekening houdt met deze legitieme zorgen en bezwaren van haar inwoners alvorens verdere stappen te nemen met betrekking tot de plaatsing van windmolens nabij N57. Daarom verzoeken wij u vriendelijk om de vergunning voor de bouw van de windmolens niet te verlenen. 68,0 6

Mochten jullie toch doorgaan met het verlenen van deze vergunning, dan willen wij u erop wijzen dat wij bereid zijn om dit juridisch aan te vechten en ons in het laatste geval te beroepen op planschade en schadeclaims met betrekking tot gezondheid. We roepen op tot een grondig onderzoek naar alternatieve energieoplossingen die geen nadelige gevolgen hebben voor de gezondheid, het welzijn en de leefomgeving van de gemeenschap.

69,0 1

Het ontstaan van allerlei lichamelijke klachten door het geluid van de windmolens en de slagschaduw hiervan. Denk aan stress, slaapstoornissen, concentratieverlies, hoofdpijn en andere gezondheidsproblemen.

69,0 2

Reclamant vraagt of de ontwikkelaar een planschadeovereenkomst heeft ondertekend waarmee deze zich verplichten om alle tegemoetkomingen in de schade die voortvloeien uit deze plannen, voor zijn rekening te nemen?

69,0 3

Verstoren van flora en fauna Windturbines kunnen de leef- en broedgebieden van vogels verstoren en de kans op directe sterfte door een aanvaring met rotorbladen en/of mast is groot.

Om de hinder door slagschaduw te beperken is ervoor gekozen om de slagschaduw op gevoelige objecten (woningen, zorginstellingen en scholen) als gevolg van de nieuwe windturbines te beperken tot 0 tot 1 uur slagschaduw per jaar. Hiermee is gekozen voor een strengere beperking van de jaarlijkse slagschaduw dan de slagschaduwnorm in het Activiteitenbesluit. Uitgangspunt is dat met behulp van een stilstandsregeling de schaduwduur zo veel als technisch mogelijk wordt voorkomen. In de praktijk betekent dit dat de slagschaduw op omliggende woningen, als gevolg van de tijd die nodig is om de windturbine af te schakelen, tussen 0 en 1 uur per jaar zal bedragen. Om die reden wordt de normgrens op maximaal 1 uur per jaar gesteld. Hiermee wordt de schaduwduur ter plaatse van woningen tot een minimum beperkt en wordt het ontstaan van hinder maximaal voorkomen. Zie ook paragraaf 2.6.1 van het algemene deel van deze nota. In de ruimtelijke onderbouwing bij de omgevingsvergunning is rekening gehouden met de realisatie van de windturbines nabij de provinciale weg N57. Zie onder meer p. 68-69 van de ruimtelijke onderbouwing. Indiener roept de gemeente op om alternatieve duurzame oplossingen te onderzoeken. De gemeente zal zeker naar andere duurzame oplossingen kijken om in de toekomst energieneutraal te worden.

Dit betekent niet dat de windmolenlocatie bij de Ondernemingspolder kan komen te vervallen. Er zijn afspraken gemaakt met de provincie en de initiatiefnemers die de gemeente moet nakomen. Als eerste geldt dat de zoeklocatie windenergie per 20 december 2017 onherroepelijk is geworden door een besluit van de Provinciale Staten. Op 9 februari 2018 is de ‘bestuursovereenkomst overdracht bevoegdheden provincie Zuid-Holland en gemeente Brielle gesloten op grond waarvan de gemeente het bevoegd gezag is geworden voor de besluitvorming inzake de realisatie van de windturbines. Uit de bestuursovereenkomst volgt een inspanningsverplichting voor de gemeente om voor 31 december 2025 maximaal twee windturbines te hebben gerealiseerd in de Ondernemingspolder. Door de initiatiefnemers is op 8 juli 2022 de vergunningaanvraag ingediend voor het Project. Deze vergunningaanvraag is inmiddels ontvankelijk verklaard en dient derhalve behandeld te worden. In de ruimtelijke onderbouwing, als onderdeel van de omgevingsvergunning, is het effect van windturbines op gezondheid onderzocht. Hieruit blijkt dat windturbines bij individuen tot het ervaren van hinder kunnen leiden en daardoor indirect tot gezondheidseffecten. Er is echter geen rechtstreeks verband tussen windturbines en gezondheidseffecten (anders dan hinder) aangetoond.

Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 2.8 van het algemene deel. Dit is geregeld in de anterieure overeenkomst. Eventuele planschade, die moet worden uitgekeerd aan omwonenden, verhaalt de gemeente op de initiatiefnemers. Dit biedt voldoende zekerheid om uitkering van eventuele tegemoetkoming in planschade te kunnen waarborgen en te verhalen bij de initiatiefnemer. Om de effecten op beschermde natuurwaarden inzichtelijk te maken, is een natuurtoets uitgevoerd. Uit de natuurtoets blijkt dat significant negatieve effecten op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten in Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Bovendien zijn effecten op de gunstige staat van instandhouding voor de betreffende populaties uitgesloten. Zie ook paragraaf 2.9 van de algemene beantwoording van deze nota.

69,0 4

Reclamant stelt dat de plaatsing van de windturbines aan de zuidkant van het Brielse Meer ten kosten zal gaan van de recreatieve beleving en het Brielse Meer, het minder aantrekkelijk maken voor een recreatief verblijf, het afbreuk doet aan het landschap en het zicht op het mooie historische stadje Brielle verstoort.

De recreatieve beleving van het gebied kan wellicht anders worden door de situering van windturbines buiten het gebied, maar dit is afhankelijk van de persoonlijk beleving van de recreant. In zijn algemeenheid kan geconcludeerd worden dat landschap één van de aspecten is die relevant is voor toeristen en recreanten die een gebied bezoeken, naast andere aspecten. Moderne windturbines kennen een dermate grote schaal, dat ze van grote afstand zichtbaar zijn in het bestaande landschap. De relatie tussen windturbines en toerisme is moeilijk te voorspellen. Onderzoek vooraf op basis van het verkennen van de intentie (verwacht gedrag) van toeristen/recreanten is niet voldoende betrouwbaar. Onderzoek naar de effecten die zijn opgetreden bij gerealiseerde windparken zijn relatief schaars maar laten een eenduidig beeld zien . Er zijn geen waarneembare negatieve effecten gerelateerd aan de windturbines. Daarnaast geldt dat door de situering van de windturbines buiten recreatiegebieden plaatsvindt, er geen sprake is van direct verlies aan recreatieve waarde en zal de recreatieve infrastructuur en toegankelijkheid van het gebied verder niet worden veranderd en belemmerd.

69,0 5

Reclamant geeft aan dat in de woonomgeving al veel (geluids) overlast is van de industrie dichtbij. Ook staan er al diverse windturbines aan de noordzijde van het Brielse Meer. Bovendien rijdt er een goederentrein die niet geruisloos passeert en het geluid van de generatoren van de werkplatforms zorgen ook voor veel geluidsoverlast. Reclamant is van mening dat deze opstapeling al meer dan genoeg is en dat twee extra turbines te veel wordt.

In het akoestisch rapport (bijlage 2 ruimtelijke onderbouwing) is de cumulatieve geluidbelasting met andere bronnen beschouwd. In het geval van dit project zijn dat wegverkeer, scheepvaart, railverkeer, industrie en bestaande windturbines. Uit deze berekeningen blijkt dat het verschil in cumulatieve geluidbelasting tussen de referentiesituatie en de nieuwe situatie met het windproject Brielse Brug op de meeste toetspunten 0 of 1 dB is. Voor een tweetal toetspunten is er sprake van een toename van maximaal 3 dB. Gezien het belang van het realiseren van het windproject als bijdrage aan de gemeentelijke, provinciale en landelijke duurzame energiedoelstelling, wordt de toekomstige cumulatieve akoestische situatie bij woningen van derden acceptabel geacht.

70,0 1

70,0 2

70,0 3

Allereerst wil reclamant graag zijn/haar zorgen omtrent de gezondheidsrisico’s beschrijven. U kunt hierbij denken aan slaapproblemen, tinnitus, angststoornissen, geheugen- en concentratieproblemen. Deze gezondheidsrisico's kunnen gelinkt worden aan geluidsoverlast. In de ruimtelijke onderbouwing (Pondera, 2023) is onderzoek gedaan naar de 'mogelijke' geluidsoverlast. Echter wordt dit hier beschreven in de vorm van jaargemiddelden. Van een gemiddeld geluid wat altijd aanwezig is zal men niet veel hinder ondervinden. Op de piekmomenten zal er aanzienlijk meer geluid geproduceerd worden dan wat er nu beschreven staat bij het jaargemiddelde. De effecten van een laagfrequent geluid worden onderschat, er zijn hier geen nuttige normen en restricties voor. Daarnaast veroorzaken de turbines slagschaduw. De slagschaduw gegenereerd door windmolens kan evenals geluidsoverlast een negatieve invloed hebben op onze psyche en welzijn. De constante veranderingen in licht en schaduwpatronen kunnen eveneens leiden tot de al eerder door mij benoemde gezondheidsrisico's (slaapproblemen, tinnitus, angststoornissen, geheugen- en concentratieproblemen) Reclamant geeft aan dat de inwoners van de Brielse binnenstad zich aan allerlei regels en restricties moet houden wanneer m.b.t. zonnepanelen op het dak om het esthetisch zicht van de binnenstad te behouden.

Reclamant geeft aan dat het plaatsen van hoge turbines in een uiteindelijke omgeving afbreuk doet aan de sfeer van de unieke omgeving. Reclamant geeft aan dat de turbines een permanente visuele verstoring van het landschap zullen voor veel inwoners van Brielle en Zwartewaal.

Er is geen informatie bekend over hinderbeleving in relatie tot de verhouding tussen het maximale equivalente geluidniveau en het jaargemiddelde geluidniveau. Er is alleen informatie voorhanden over de hinderbeleving bij een bepaalde jaargemiddelde geluidbelasting. De wetenschappelijk onderbouwde dosis-effectrelatie is gebaseerd op langdurige en herhaalde geluidbelasting over langdurige periodes. Het kenmerk van windturbinegeluid is dat het geluidniveau gedurende ieder etmaal varieert, afhankelijk van de windsnelheid en windrichting. Het is daarom zeer de vraag of het verschil tussen het maximale equivalente geluidniveau met en zonder geluidmitigatie en het jaargemiddelde geluidniveau door omwonenden kan worden opgemerkt. Voor een nadere toelichting over piekbelasting t.a.v. geluid zie paragraaf 2.7 (geluid) van het algemene deel. Voor een nadere toelichting van de algemene effecten op gezondheid en de effecten van laagfrequent geluid en slagschaduw op gezondheid zie respectievelijk hoofdstuk 2.8 en paragraaf 2.7.2 van het algemene deel. De woningen in de binnenstad vallen binnen het beschermd stadsgezicht en daarom zijn er extra regels voor verbouwingen en voor zonnepanelen. De windmolens vallen buiten het beschermd stadsgezicht. In Nederland bestaat geen recht op blijvend vrij uitzicht. Onze woon- en leefomgeving is nu eenmaal altijd aan verandering onderhevig.

De energietransitie zal daar komende decennia in grote mate aan bijdragen. Per situatie zal bepaalt moeten worden of er sprake is van een redelijke en aanvaardbare situatie. Een goede landschappelijke inpassing is verder een voorwaarde voor het toestaan van een ontwikkeling. Windproject Brielse Brug is voornemens een bijdrage te leveren aan de landschappelijke structuur en landschappelijke doelstellingen van de Ondernemingspolder. Daarmee is ook geen sprake van onaanvaardbare gevolgen voor de ruimtelijke inpassing en blijft een goede ruimtelijke ordening geborgd. Zie paragraaf 2.5.1 van het algemene deel.

70,0 4

Reclamant verwacht dat realisatie van de windmolens negatieve gevolgen heeft voor de waarde van de woning.

Indien omwonenden menen dat er sprake is van waardevermindering van hun woning als gevolg van ruimtelijke wijzigingen in de omgeving, zoals het plaatsen van de windmolens, dan kunnen zij een beroep doen op planschadevergoeding. Planschade ziet op schade in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak ten gevolge van een planologische wijziging. De juridische grondslag voor planschade is artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening.

Hierop wordt verder ingegaan in paragraaf 2.10 van het algemene deel 71,0 1

Pro forma

Deze zienswijze kan niet inhoudelijk behandeld worden omdat er geen gronden zijn ingediend.

72,0 1

Op het moment van schrijven van deze zienswijze is een petitie met een dergelijke strekking al 3.450 keer ondertekend. Het aantal ondertekenaars van de petitie wijst erop dat draagvlak voor de komst van windturbines als deze ontbreekt, terwijl overigens de in de bestuursovereenkomst bedoelde participatie {‘zoveel mogelijk’) ontbreekt. Er wordt zo niet mee geprofiteerd van de geplande ontwikkelingen.

We realiseren ons dat windturbines in het algemeen kunnen rekenen op de nodige weerstand. Daar zijn we ons van bewust. Echter, er is sprake van een inspanningsverplichting voor de gemeente om voor 31 december 2025 maximaal twee windturbines te hebben gerealiseerd in de Ondernemingspolder. Door de initiatiefnemers is op 8 juli 2022 de vergunningaanvraag ingediend voor het Project. Deze vergunningaanvraag is inmiddels ontvankelijk verklaard en dient derhalve behandeld te worden. Voor een nadere toelichting op participatie wordt verwezen naar paragraaf 2.2. en 2.3 van het algemene deel.

Reclamant stelt dat niet alle vragen op het punt van veiligheid zijn onderzocht en/of beantwoord, zoals bijvoorbeeld - in het bijzonder voor de vennootschap:

72,0 2

- welke werkzaamheden niet meer kunnen worden uitgevoerd na plaatsing van de windturbines; - wat de impact is voor werknemers werkzaam op het Seggelantse Industrie terrein die buiten (dienen te) werken op circa 125 meter afstand van de windturbinelocaties, wat de impact is op veilig werken wanneer sprake is van noodzakelijke communicatie, dit beoordeeld op de korte, midden en lange termijn; - wat de invloed is van de windturbines op de bij de vennootschap opgestelde kranen, meer specifiek op het punt van turbulentie, windbelasting en windvlagen en hoe een en ander van invloed is op de huidige bedrijfsvoering van de vennootschap; - de Arbeidsomstandigheden wet (‘de wet’) verplicht iedere werkgever om een arbobeleid te voeren dat zo veel mogelijk gericht is op optimale arbeidsomstandigheden. Daartoe behoort het opstellen van de Risico Inventarisatie & Evaluatie (RI&E artikel 5 van de wet). Daartoe zijn in de wet verschillende verplichtingen opgenomen. De komst van windturbines dien voor aanvang bouw daarin te worden opgenomen en verwerkt, want vormt verplicht onderdeel van het RI&E-toetsingskader; - Reclamanten verneem graag van de gemeente waarmee concreet met de komst in de RI&E dient te worden gerekend.

Dat kan ook van invloed zijn op het wel of niet aantrekkelijk werkgever zijn en op de arbeidsvreugde van het ter plaatse werkzame personeel: - de vraag wat geluid en slagschaduw doet op korte afstand doet met werknemers is niet beantwoord. Denkbaar is dat als gevolg van die effecten vermoeidheid ontstaat, met een aanmerkelijk grotere kans op ongevallen dan waarvan thans sprake is. Vergelijkbare vragen rijzen op het punt van reflectie, ijsafworp, lichtschittering en wiekbreuk. In het geval van ijsafzettingen en wiekbreuk kunnen (zeer) grote delen ijs of windturbinematerialen over een grote afstand worden weggeworpen en dodelijke of anderszins levensgevaarlijke en levensbedreigende projectielen in de omgeving worden; - vanuit de vennootschap bezien kunnen ook de door hen ter plaatse aanwezige kranen onverhoopt schade toebrengen aan de windturbines. Het komt immers al sinds jaar en dag met enige regelmaat voor dat de vennootschap kranen test van 215 tot circa 230 meter hoog. Er is met de komst van windturbines geen vrijeval ruimte meer. Ook dat is kennelijk niet onderzocht; - et cetera.

1. vanuit externe veiligheid worden er geen beperkingen aan werkzaamheden voor nabij windturbines gelegen bedrijven opgelegd. 2 de impact voor de werknemers op het nabij gelegen industrieterrein, zoals slagschaduw, veiligheid en geluid, is conform wetgeving afgewogen, het risico is toelaatbaar. 3. het ontstaan van luchtturbulentie en andere wijzigingen van de wind valt buiten de scope van externe veiligheid. Bovendien wordt ook dit risico toelaatbaar geacht. Wake-effecten van windturbines zullen op enige afstand verwaarloosbaar zijn. 4. In de RIE dienst het bedrijf de risico's te beschrijven en evalueren. De nieuwe risico's voor het bedrijf door de windturbines zijn o.a. de kans op vallende onderdelen (voor veiligheid). Gezien de weersomstandigheden is de kans op ijsvorming relatief klein. Een windturbine waarop ijs neerslaat al instabiel worden en worden stilgezet. Het afvallend ijs is dus enkel onder de wieken en er is geen spraken van het wegslingeren van ijs. 5. het is correct dat er in de risicoafweging geen rekening gehouden is met een omvallende kraan die schade veroorzaakt aan de windturbine. Gezien de afstand tussen het bedrijf en de windturbine kan een vallende kraan (max 230 m) enkel de mast van de windturbine raken. Gezien de mast een diameter heeft van enkele meters is het treffen door een omvallende kraan erg klein.

Dit resulteert niet in een verandering van faalkansen van de windturbine. De benoemde onderzoeken zijn niet wettelijk verplicht en zullen niet resulteren in een wijziging in de wettelijke inpasbaarheidstoets.

Onderzoeken zijn ten onrechte niet aanwezig of niet volledig, terwijl wel sprake is van plaatsing in een gebied vol activiteiten en bijzondere risico’s. De punten 10 tot en met 12 van de considerans van de SMB-richtlijn (2001/42/EG) luiden als voIgt: <<…>> 72,0 3

Uit genoemde punten volgt dat slechts beoordeling plaatsvindt indien de lidstaten vaststellen dat zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Nu geen sprake is van een windturbinepark valt de activiteit niet binnen de reikwijdte van het Besluit milieueffectrapportage en de mer-richtlijn.

De SMB-richtlijn is in het nationale recht geïmplementeerd in onder meer de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectenrapportage (Besluit). De SMB-richtlijn geldt alleen voor windturbineparken en niet voor één of twee windturbines. Nederland heeft dus niet verzuimd de SMB-richtlijn van toepassing te verklaren op één of twee windturbines. Dat de SMB-richtlijn hier niet op ziet, blijkt uit de werkingssfeer SMB-richtlijn. Dit is bevestigd door de Afdeling in de uitspraak over de uitbreiding van Windpark DelfzijlZuid. Daarbij zijn de bepalingen uit het Activiteitenbesluit en de -regeling niet ondeugdelijk verklaard.

Feit is dat een windturbine aanzienlijke milieugevolgen heeft, met verstrekkende gevolgen voor (de gezondheid van) de mens en diens leefomgeving. Binds de invoering van de SMB-richtlijn zijn die windturbines zeer significant in hoogte en omvang toegenomen, wel tot drie a vier keer zo veel toe. Nederland heeft als lidstaat er tot op heden vanaf gezien vast te stellen dat een of twee windturbines ook aanzienlijke milieueffecten hebben of kunnen hebben, dat ten onrechte. De effecten van een of twee windturbines staan immers naar aard en omvang inmiddels ten minste gelijk aan de gevolgen van drie of meer vroegere windmolens. De aanzienlijke milieugevolgen c.q. schadelijke gevolgen daaruit voor mens en milieu overtreffen als zodanig evident en objectief de gevolgen van vroegere windparken die wel onder het bereik van de SMB-richtlijn vallen. Nederland heeft als zodanig ten onrechte als lidstaat verzuimd ook op een of twee windturbines de SMBrichtlijn van toepassing te verklaren, terwijl die beoogde milieubescherming wel nadrukkelijk onderdeel is van het beleid van de Unie op milieugebied (zie bijvoorbeeld artikel 191 VwEU). De normen in het Activiteitenbesluit zijn ondeugdelijk bevonden. Het onderzoeken en formuleren van nieuwe normen kost jaren tijd. Dat onderzoek loopt nog en is voorlopig nog niet afgerond.

Op het gebied van gezondheid is bovendien meerjarig onderzoek gewenst - of beter gezegd: vereist en zelfs dat valt nu (ten onrechte) ondanks jarenlang onderzoek naar andere elementen buiten de scope van dat onderzoek zoals door de centrale overheid vereist. Het onderzoek of windturbines voldoen aan de (oude) normen uit het Activiteitenbesluit maakt zoals gesteld niet dat de uitkomsten daarmee kloppen. Inhoudelijk is er alle reden om die normen buiten toepassing te laten. Er is geen sprake van zorgvuldigheid of volledigheid. De normen zijn niet vooraf getoetst en in orde bevonden. Dat had wel gemoeten

Voor één of twee windturbines, zoals in Windproject Brielse Brug, zijn de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit en -regeling nog steeds van toepassing. Zie ook de algemene beantwoording. In de zienswijze wordt ten onrechte gesteld dat de normen in het Activiteitenbesluit ondeugdelijk zijn bevonden. De uitspraak van de Raad van State over uitbreiding van Windpark Delfzijl-Zuid (ECLI:NL:RVS:2021:1395) heeft namelijk alleen betrekking op het procedurele gebrek dat ten behoeve van de totstandkoming van het Activiteitenbesluit geen planMER was opgesteld, maar geeft geen inhoudelijk oordeel over de normen in het Activiteitenbesluit. Mede daarom is het Activiteitenbesluit voor windprojecten van minder dan 3 turbines van toepassing gebleven.

Reclamanten uiten hun bezorgdheid over het windproject. Zij zijn verbaasd dat de uitgezochte locatie voor de windturbines als geschikte locatie wordt omschreven voor de realisatie van windenergie, zeker als wordt gekeken naar de gezondheidsrisico's gerelateerd aan de windturbines. Indirecte schade aan de gezondheid als gevolg van de schadelijke effecten van windturbines is al wetenschappelijk aangetoond. Directe schade wordt nog niet algemeen aangenomen, hoewel ook daar wel gerede aanwijzingen voor zijn. Onderzoek blijft intussen ten onrechte achterwege. Hetzelfde geldt voor toepassing van het voorzorgsbeginsel. Blijkens artikel 1 van de considerans van de SMB-richtlijn (2001/42/EU) dient het beleid ter bescherming van de gezondheid van de mens te berusten op het voorzorgsbeginsel. Daar blijkt in dit geval niet mee te worden gerekend.

72,0 4

Reclamanten begrijpen dat er iets meet gebeuren in de energietransitie en denken dat windenergie zeker een goed plan kan zijn, maar zij pleiten voor een andere locatie doordat de windturbines nu gepland zijn in de directe en nabije omgeving van vele honderden woningen, waarvan sommigen al omringd worden door windturbines. Tevens zitten er binnen 1.000 meter van de geplande locatie een aantal kwetsbare locaties c.q. gevoelige objecten, zoals een basisschool en twee zorgboerderijen. Reclamanten maken zich ook ernstig zorgen over de gezondheid van omwonenden, maar zeker ook over de gezondheid van scholieren en mensen met een verstandelijke beperking en/of psychiatrische stoornissen, juist en temeer omdat dit Speciale en kwetsbare doelgroepen zijn. Deze zorgen zijn al meermaals benadrukt. Helaas zijn cliënten niet op tijd betrokken bij het vooronderzoek - en is er nog geen sprake geweest van een mogelijkheid tot participatie - waardoor zij pas op het moment dat de plannen al ver gevorderd waren, konden aangeven dat zij ons zeer veel zorgen maken over dit grote windproject.

Hoe kan het dat de ene zorgboerderij pas 1,5 jaar geleden is betrokken, doordat zij door hun buurman op de hoogte gesteld zijn? Hoe kan het dat de andere zorgboerderij pas een dag voor de laatste informatiebijeenkomst is benaderd? (Namelijk op 12-2-24, nota bene slechts 15 dagen voor de zienswijzen ingediend moeten zijn). Reclamanten hebben kenbaar gemaakt dat zij meer informatie willen over de gezondheidsrisico's

Voor een nadere toelichting op de betrouwbaarheid van de onderzoeken die ten grondslag liggen aan de onderbouwing van gezondheidseffecten verwijzen wij u naar paragraaf 2.8.6 van het algemene deel. Het voorzorgsbeginsel strekt niet zover dat enkel op basis van publicaties waarin slechts een mogelijk verband wordt gelegd tussen windturbines en gezondheidsklachten, van de vaststelling van een ruimtelijk plan moet worden afgezien. Voor een nadere toelichting op het voorzorgsbeginsel verwijzen wij u naar paragraaf 2.8.5 van het algemene deel. Voor overige antwoorden op vragen wordt verwezen naar het algemene deel en overige antwoorden op zienswijzen.

voor de omwonenden, maar specifiek voor genoemde kwetsbare doelgroepen. Tot hun spijt is er tot op heden weinig informatie te verkrijgen bij de initiatiefnemers, Pondera, DCMR, de GGD en u als gemeente wat betreft de gezondheidsrisico's bij het plaatsen en als gevolg van de exploitatie van windturbines. Al circa 1,5 jaar geleden is bij een informatiebijeenkomst aan Pondera gevraagd om wetenschappelijke artikelen en wetenschappelijke informatie over de gezondheidsrisico's. Zij verwezen terug naar hun eigen sheets en naar de gegevens die het RIVM beschikbaar heeft gesteld, omdat zij die richtlijnen gebruiken. Deze informatie is echter niet toereikend en onvolledig. Er is namelijk door artsen en wetenschappers onderzocht of de wetenschappelijke houdbaarheid en betrouwbaarheid van het RIVM voldoende zijn. Beoordeeld is dat dit niet het geval is. Het RIVM blijkt voor een deel geen betrouwbare bron, omdat de wetenschappelijke kwaliteit op onderdelen als onvoldoende wordt beoordeeld en omdat de wetenschappelijke juistheid en onafhankelijkheid niet in alle gevallen in voldoende mate lijkt te zijn gewaarborgd. Het gebrek aan deze kennis werd helaas opnieuw duidelijk bij de meest recente informatiebijeenkomst (12-2-24), waar alle standhouders ons met gezondheidsvraagstukken van cliënten, verwezen naar de GGD, terwijl deze GGD aangaf dat ‘ze het niet wisten’.

De GGD kwam slechts met een algemeen artikel van het RIVM, die ook al verkregen was, maar die lang niet toereikend bleek. Waarom beschikken de initiatiefnemers en/of Pondera nog steeds niet over meer wetenschappelijke informatie betreft de gezondheidsrisico's? Of worden deze niet gedeeld? Hoe kan het dat reclamanten nu 1,5 jaar later nog steeds antwoorden krijgen als ‘we weten het niet..’ en ‘de zorgboerderij doelgroep is wei heel specifiek'. Dat klopt, maar het is al heel lang bekend dat zij daar zitten. Waarom lijkt dit maar niet serieus genomen te worden? Wie heeft er gedurende dit lange project al gezondheidswetenschappers betrokken om wetenschappelijke informatie te verkrijgen waarop je plannen maakt, ondersteunt en/of aanpast? Schiet het windproject hierin te kort? Je zou op zijn minst verwachten dat de universiteiten benaderd zullen worden. Wie heeft zich hierover gebogen? Een onafhankelijk goed gedegen onderzoek is op zijn plaats en cliënten denken dat dit het best door een van de universiteiten uitgevoerd kan worden gezien hun onafhankelijke rol en wetenschappelijke expertise. Het is voorts zorgelijk dat tijdens de raadsvergadering over het windproject bleek dat niet alle raadsleden op de hoogte waren van de nabijheid van de zorgboerderijen en van de doelgroepen die hier wonen en werken.

Wie is er verantwoordelijk om hen goed in te lichten alvorens zij een besluit moeten nemen over het windproject? Reclamanten zijn blij dat wij de meeste raadsleden nu geinformeerd hebben en dat er een aantal zijn komen kijken welke specialistische zorg wij bieden. Hoe kun je als raadsleden/college met deze beperkt beschikbare informatie over gezondheidsrisico's tot een gedegen en verantwoord besluit komen? Is het verantwoord om een besluit te nemen als er nog zoveel vraagtekens zijn over de gezondheidsrisico's? Wie is er straks aansprakelijk als er aanzienlijk meer gezondheidsklachten zijn bij omwonenden of als er specifieke cognitieve problemen gesignaleerd worden bij de scholieren of als de klachten van de psychiatrische patienten toenemen? Tijdens de laatste informatiebijeenkomst door Pondera is gezegd dat de windturbines niet op momenten stilgezet worden als gezien wordt dat de gezondheidsklachten toenemen. Wei zou het gesprek daarover gevoerd kunnen blijven worden. Specifiek werd gevraagd als de slaap van een bewoner van de zorgboerderij met epilepsie verstoord wordt door het geluid van een windturbine, waardoor zij 3 nachten op rij niet goed slaapt en het risico op een epileptische aanval waardoor zij in het ziekenhuis beland groter is (dit naar aanleiding van eerdere ervaring en gebleken relatie tussen epileptische aanvallen en verstoorde

slaap), dan nog kan er niet gebeld worden om de windturbine stil te zetten in de nacht. Hoe kunnen we dit met elkaar accepteren? Er wordt hiermee uitgesproken dat als ze er staan, wij geen controle meer hebben. De regie over het windproject is daarmee kennelijk uit handen gegeven aan initiatiefnemers en externe adviseurs. Reclamanten kunnen vanzelfsprekend geen genoegen geven met de onduidelijke en onvolledige antwoorden die tot op heden zijn gegeven, zeker niet waar artsen en gezondheidswetenschappers aangeven dat het plaatsen van grote windturbines als waarvan in het onderhavige geval sprake is op zeer korte afstand van omwonenden en gevoelige objecten eigenlijk onverantwoord is. Voor objectieve, deskundige, gespeciaiiseerde en onafhankelijke (medische) informatie over een en ander verwijzen reclamanten graag naar de website van www.windwiki.nl. Reclamanten hopen dat u alsnog de sterk levende vragen betrekken in de definitief te nemen besluiten en die baseren op deugdelijk, onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek. Bij twijfel dient er niet vergund te worden. Er zijn andere locaties waar weinig mensen wonen en in elk geval geen zorginstellingen zijn. Het eind van de Krabbeweg vormt daarvan een goed voorbeeld. In het akoestisch rapport van Pondera zijn 10 geluidgevoelige objecten meegenomen. Daarvan zijn er echter 4 verbonden aan de initiatiefnemers zelf.

De vraag is dan ook in hoeverre dat rapport als representatief en juist is te beschouwen. Een jaargemiddelde normering is feitelijk gebaseerd op een stapeling van aannames en uitgangspunten die slechts een beperkte relatie hebben met de feitelijke situatie waarin handhaving zou plaatsvinden. Die normering is - ook volgens DCMR - in de praktijk niet of nauwelijks te controleren, laat staan te handhaven. Die normering biedt dan ook in werkelijkheid onvoldoende bescherming en is eigenlijk niet uit te leggen. Reclamanten krijgen bovendien niet de beschikking over draaidata. In de praktijk zijn al zelfs al voorbeelden bekend dat de melding over het bronvermogen afweek van de latere metingen. De gebezigde tekening met geluidscontour geeft overigens een ander beeld en uitkomst dan de rekentabellen. Daar zit kennelijk een mismatch. Het louter meten op de gevel lijkt bovendien met de komst van deze hoge windturbines achterhaald. Geluid zal immers niet alleen via de gevel het geluidgevoelig object binnendringen, maar ook via het dak. De meetmethode voldoet daarmee ook niet in voldoende mate en is als zodanig achterhaald. De vraag rijst ook of het hier gehanteerde akoestische rekenmodel wel juist en met gebruik van de juiste parameters is toegepast. 72,0 5

De hier gebezigde geluidsgrenswaarden zijn achterhaald en gedateerd. Het Verdrag van Aarhus gaat overigens uit van meten in plaats van berekenen en inspraak geven op het moment dat alles opties nog open staan, Nu de locatie al is gegeven is ook van dat laatste in dit geval geen sprake. Overigens meet de gemeente met twee maten. Bij het eveneens binnen de gemeente vallende windproject Haringvlietdam zijn de (strengere) geluidsnormen van 45 dB Lden en 39 dB Lnight uit het Ontwerpbesluit Windturbines leefomgeving van toepassing verklaard Daarenboven zijn ook geluidsnormen voor momentaan geluid opgelegd (LAeqIOmin). De omgevingsdienst (DCMR) heeft onder verwijzing naar dat project die normering ook voor dit onderhavige windproject aanbevolen, maar ook dat advies wordt ten onrechte niet gevolgd. Met (ultra)laagfrequent of infrasoon geluid wordt evenmin gerekend, dit eveneens ten onrechte. Onduidelijk is wat in dit geval de gevolgen van cumulatie van geluid en/of windparken zijn Het is onduidelijkheid troef, ook op het punt van concrete maatregelen om te mitigeren, laat staan om daadwerkelijk te controleren en te handhaven. De geluidsituatie is ter plaatse al slecht. Met

Windproject Brielse Brug valt onder het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer omdat het geen windpark (3 of meer turbines) in de zin van het Besluit milieueffectrapportage betreft. Op grond van het Activiteitenbesluit zijn de geluidnormen van 47 dB Lden en 41 dB Lnight wettelijke standaardwaarden die moeten worden toegepast zonder nadere motivering over de totstandkoming daarvan. Door de immissiewaarden voor windproject Brielse Brug vast te leggen in de omgevingsvergunning (net als bij windproject Haringvlietdam op verzoek van de initiatiefnemers), wordt expliciet gemaakt welke geluidsbelastingen voor dit windproject worden toegestaan, onafhankelijk van bestaande of toekomstige andere windturbines in de omgeving. Een berekening vooraf wijst uit of kan worden voldaan aan de geluidnormen. Bovendien zal de vergunninghouder op basis van het gekozen windturbinetype nog een akoestisch rapport overhandigen aan het bevoegd gezag waarin wordt aangetoond dat aan de eisen uit de vergunning wordt voldaan. De geluidcontour is een versimpelde weergaven van de geluidbelasting, puur ter informatie. De exacte geluidbelasting is weergegeven in de tabellen. Verder geldt dat het activiteitenbesluit uitgaan van de gestelde geluidnormen op de gevel van woningen. Daarom wordt daaraan getoetst.

Na realisatie van de windturbines kan op de naleving van de geluidsnormering worden gemonitord en bij overtreding eventueel worden gehandhaafd. Voor een nadere toelichting over de jaargemiddelde geluidnormen, de geluidbelasting, laagfrequent geluid en de handhaafbaarheid van geluid wordt verwezen naar paragraaf 2.6 en 2.7 van het algemene deel.

zware bedrijven tot en met categorie 4.2 op het bedrijventerrein is niet gerekend. Het gaat niet aan de slechte situatie nog verder te verslechteren. De in de rapportage gebezigde geluidbelastingklasse lijkt niet juist te zijn ingevuld, althans foutief te zijn berekend. Zolang onduidelijk is c.q. blijft welk windturbinetype geplaatst gaat worden is sprake van een hoge mate van onzekerheden. Bovendien zijn er sterke aanwijzingen dat de gebruikte waardes voor de bronsterkte van een windturbine waarmee de berekening is uitgevoerd niet representatief zijn voor de windturbine gedurende de levensduur. Het geluidsvermogen zal eerder 3 dB(A) hoger liggen dan thans is aangenomen. Ook het wiektype speelt daarbij een belangrijke rol.

72,0 6

Aan vroegere of meer actuele geluidgrenswaarden wordt niet voldaan. Er is geen deugdelijke basis voor vergunningverlening aanwezig. Diverse woningen van belanghebbenden ondervinden op dit moment al hinder en overlast door slagschaduw van het nabijgelegen Windproject Hartelkanaal. Dus zelfs ingeval de hinder als gevolg van slagschaduw van de geplande windturbines wordt gelimiteerd tot 1 uur is niet uitgesloten dat slagschaduw van meer dan 6 uur per jaar wordt ervaren. Ook blijkt niet of en zo ja op welke wijze op overschrijding van de duur van slagschaduwhinder op juist en effectieve wijze kan worden gehandhaafd.

72,0 7

Bestaande bedrijven zullen naast het ervaren van ernstige hinder en overlast met de komst van de windturbines worden beperkt in hun bestaande exploitatie en eventuele toekomstige uitbreidingsplannen. Dat staat volkomen haaks op het concept van de ‘ondernemingspolder. De aanwezige ontwikkelingsruimte valt weg.

72,0 8

Reclamanten maken zich ook ernstig zorgen over de natuur, biodiversiteit en vele andere aspecten zoals hieronder verwoord. De ‘natuur" in de breedste zin van het woord zal op een overweldigende manier schade ondervinden van deze windturbines. Veel van die schade zal van onherstelbare aard zijn. De ontheffingsrapportage van Omgevingsdienst Haaglanden is onvolledig. In deze ontheffing wordt een lijst van vogels opgevoerd waarbij een ontheffing verleend wordt voor het bewust doden van deze dieren.

72,0 9

Uit de eerste resultaten van dit onderzoek blijkt dat er zeer gevoelige en bedreigde vogels in de opsomming van Omgevingsdienst Haaglanden ontbreken. Deze vogels zijn heel duidelijk aanwezig en waarneembaar in het gebied. Verder is het opvallend dat er uitsluitend gesproken wordt over aanvaringsslachtoffers. Er wordt immers op geen enkele wijze onderzoek gedaan naar de verstoringen van leef- en jachtgebieden

Door het hanteren van een project specifieke norm van maximaal 1 uur slagschaduw per jaar voegt Windproject Brielse Brug nagenoeg geen extra slagschaduwduur toe aan de toetspunten, waardoor er geen aanleiding is om aanvullend een cumulatieve norm te stellen voor slagschaduw. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de handhaafbaarheid van slagschaduw wordt verwezen naar paragraaf 2.6 van het algemene deel en de definitieve maatwerkbeschikking. 1. vanuit externe veiligheid worden er geen beperkingen aan werkzaamheden voor nabij windturbines gelegen bedrijven opgelegd. 2 de impact voor bedrijven, zoals slagschaduw, veiligheid en geluid, is conform wetgeving onderzocht en afgewogen. Uit dit onderzoek volgt dat de effecten, voor zover die optreden, aanvaardbaar zijn en voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Voor werknemers die buiten werken is gelden geen normen voor geluid en hinderlijke slagschaduw is buiten niet aan de orde. 3. het ontstaan van luchtturbulentie en andere wijzigingen van de wind valt buiten de scope van externe veiligheid. Bovendien wordt ook dit risico toelaatbaar geacht. Gezien de afstand van de windturbines tot de kranen (ca. 200 meter) zullen de wake-effecten van windturbines op de kranen verwaarloosbaar zijn. 4.

De naleving van de wet is primair een taak van indiener: het eventueel moeten aanpassen van de daarvoor noodzakelijke documentatie is niet op voorhand onredelijk of onevenredig. In de RIE dient het bedrijf de risico's te beschrijven en evalueren. De nieuwe risico's voor het bedrijf door de windturbines zijn o.a. de kans op vallende onderdelen (voor veiligheid). Gezien de weersomstandigheden is de kans op ijsvorming relatief klein. Een windturbine waarop ijs neerslaat al instabiel worden en worden stilgezet. Het afvallend ijs is dus enkel onder de wieken en er is geen spraken van wegslingeren ijs. 5. het is correct dat er in de risicoafweging geen rekening gehouden is met een omvallende kraan die schade veroorzaakt aan de windturbine. Gezien de afstand tussen het bedrijf en de windturbine kan een vallende kraan (max 230 m) enkel de mast van de windturbine raken. Gezien de mast een diameter heeft van enkele meters is het treffen door een omvallende kraan erg klein. Dit resulteert niet in een verandering van faalkansen van de windturbine. De benoemde onderzoeken zijn niet wettelijk verplicht en zullen niet resulteren in een wijziging in de wettelijke inpasbaarheidstoets. Om de effecten op beschermde natuurwaarden inzichtelijk te maken, is een natuurtoets uitgevoerd.

Uit de natuurtoets blijkt dat significant negatieve effecten op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten in Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Bovendien zijn effecten op de gunstige staat van instandhouding voor de betreffende populaties uitgesloten. Zie ook paragraaf 2.9 van de algemene deel van deze nota.

In de natuurtoets is gekeken naar effecten in zowel de aanleg- als exploitatiefase en is gekeken naar verschillende typen effecten, namelijk: aanvaringsslachtoffers, verstoring en vermijding van leefgebieden, Barrier werking. Niet voor alle soorten die eventueel voorkomen in het plangebied zijn effecten verwacht. Of er sprake is van een slachtoffers is afhankelijk van soort specifiek vlieggedrag. De lijst in de ontheffing geeft alleen de soorten aan waarvoor slachtoffers worden verwacht en dus waarvoor een ontheffing is aangevraagd. Zie ook paragraaf 2.9 van de algemene deel van deze nota.

van vogels, zoogdieren en insecten. terwijl deze industriële megaturbines onvermijdelijk ook indirecte slachtoffers zullen maken. De rapportage van Haaglanden wordt afgesloten met een uitgebreide duurzaamheidsparagraaf waaruit is op te maken dat de schade aan flora- en fauna niet opweegt tegen het duurzaamheidseffect van dit project. Dit lijkt een onjuiste kortdoor de bocht analyse Het radaronderzoek is in november en februari gedaan. Het is nu alsof je kijkt hoeveel water er uit de kraan loopt zonder dat deze aangesloten is op een waterleiding. Veel beschermde vogelsoorten trekken vanaf September/ oktober naar andere landen. De migratie begint daarmee 2 maanden voor het radaronderzoek. Het radaronderzoek is daarmee op het verkeerde tijdstip gedaan en zou voor de zorgvuldigheid gedaan moeten worden op het moment dat de vogels hier daadwerkelijk zijn of passeren, bijvoorbeeld in de periode juni tot en met September. Het rapport kwalificeert daarmee als feitelijk goeddeels onjuist en onbruikbaar. Onderzoeken waaraan gerefereerd wordt in de aanvraag met betrekking tot vluchtbewegingen van de vogels zijn gebaseerd op windmolens tot 160 meter tiphoogte. Om een goed beeld te krijgen zou eerst gedegen onderzoek gedaan moeten worden naar het effect van windturbines van deze grootte in landelijk gebied. Dit ontbreekt echter in deze aanvraag.

Hierbij is het belangrijk te beseffen dat een windturbine met een tiphoogte van 160 meter een oppervlakte van 7.800 m2 bestrijkt met zijn rotors, terwijl dit bij een turbine met een tiphoogte van 230 meter 21.100 m2 is! Bij het onderdeel ganzentrek is gebruikt gemaakt van gegevens uit de Sabinapolder uit 2012. Het betrof hier windmolens met een ashoogte van ongeveer 60 meter. Met alleen de gegevens uit dit verouderde onderzoek is het onmogelijk om een goede conclusie te trekken over de invloed van de megaturbines in Brielle op de ganzentrek. 72,1 0

Onderzoek van de Vogelbescherming laat zien, dat vooral Zwartewaal een slechte plaats is om windturbines te plaatsen. Naar de voorgenomen plaats is op dit moment geen onderzoek gedaan. Aangezien Zwartewaal als hoog risicogebied wordt gezien, lijkt een dergelijk onderzoek op de locatie Brielse Brug logisch, aangezien dit slechts minder dan 2 km verder is. Vogels kunnen met hun vlucht gemakkelijk deze afstanden overbruggen. Daarnaast hebben de vogels door de windmolens aan de Al 5 minder uitwijkmogelijkheden, waardoor dit voor de populatie gevaarlijke situaties kan opleveren. Er is een groot aantal beschermde vogelsoorten waargenomen, waar geen rekening mee is gehouden in het onderzoek. Onder andere de Siberische tjiftjaf. Dit is een andere dan de genoemde gewone tjiftjaf. De grote kruisbek is veel zeldzamer dan de gewone kruisbek. Daarnaast is de witkopstaartmees waargenomen in Brielle. Deze wordt met reden steeds zeldzamer. Daarnaast wordt in het onderzoek geen enkele waarneming van de buizerd en de kerkuil gedaan, terwijl deze aantoonbaar hun leefgebied in get betreffende plangebied hebben. Het onderzoek zoals omschreven in hoofdstuk 6.3.5. op pagina 250 van document Windproject Brielse Brug Bijlage 5B – bijlagen document v3.pdf is onjuist. Hier staat namelijk dat er niet tot nauwelijks eenden voorkomen in het gebied.

Dit is onjuist en zal (ook) opnieuw onderzocht moeten worden.

moment radaronderzoek vogels: Zoals beschreven in paragraaf 5.2 van de natuurtoets is het radaronderzoek uitgevoerd in de maanden december, januari en februari (en niet in november en februari zoals in de zienswijze genoemd). Het radaronderzoek had als doel vliegbewegingen van overwinterende watervogels in beeld te brengen en dus niet die van trekvogels in de herfst. - omvang windturbines in relatie tot effecten: uit onderzoeken blijkt dat het aantal aanvaringsslachtoffers geen lineair verband heeft met het rotoroppervlak en de turbinehoogte. Het aantal slachtoffers neemt niet per definitie toe wanneer een windturbine in omvang toeneemt. Grotere windturbines staan verder uit elkaar en de rotoren van grotere windturbines draaien op grotere hoogte boven de grond en op een langzamer tempo (zie ook bijlage I van de natuurtoets). - ganzen: In het Flux-Collision model, dat is gebruikt om het aantal slachtoffers onder ganzen te berekenen, wordt expliciet gecorrigeerd voor het verschil in turbineomvang van de referentieparken en de geplande windturbines bij Brielle (zie paragraaf 5.5.1 en 9.4 in de natuurtoets). - onderzoek Vogelbescherming. Waardenburg Ecology heeft een project specifiek ecologisch onderzoek uitgevoerd (natuurtoets) naar de ecologische effecten van windturbines.

Dit is onderbouwd met locatie specifiek veldonderzoek en aangevuld met algemene telgegevens, gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna, kennis van het gebied uit eerdere studies en expert judgement. - ontbrekende vogelsoorten: Om de effecten op beschermde natuurwaarden inzichtelijk te maken, is een natuurtoets uitgevoerd. Daarbij is gekeken naar effecten zoals aanvaring, habitatverstoring, broedplaatsen en Barrier werking. Dit is gedaan voor diverse beschermde soorten flora en fauna waaronder vogels en vleermuizen. Voor een nadere toelichting op de afbakening van het onderzoek en soortenselectie zie paragraaf 2.9.3 van het algemene deel. - waarneming buizerd: voor de natuurtoets is veldwerk uitgevoerd waarbij de buizerd 7 keer is waargenomen, zie een nadere toelichting in paragraaf 6.2.8 van de natuurtoets. - eenden: zowel uit het radarveldwerk als uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) blijkt dat eenden beperkt voorkomen in het plangebied. Effecten van windturbines op de genoemde eenden soorten in de natuurtoets zijn met zekerheid uitgesloten. - wespendief: De wespendief broedt niet in nestkasten maar bouwt zelf een nest in een boom, dus de nestkast in Oostvoorne zal helaas nooit gebruikt worden door deze roofvogel.

Tevens is de bedreigde Wespendief waargenomen in de omgeving van het plangebied waargenomen in Oostvoorne. Een nestkast is aanwezig op circa 1.200 meter van een geplande windturbines

72,1 1

De rosse vleermuis komt ook in dit gebied voor. Deze staat op rode lijst bedreigde diersoorten. Windturbines zijn een grote bedreiging voor de instandhouding van deze soort. De meeste vleermuizen worden waargenomen in oktober, buiten de hier onderzochte periodes. Het onderzoek is ook op dit gebied nogal beperkt doordat het in relatief korte periode heeft plaatsgevonden, waarbij bovendien de momenten ook relatief kort waren De gebruikte ‘audiomoth’ is op een klein paaltje aan 1 kant van de n57 gebruikt. Dat geeft geen representatieve weergave noch een juist

-1%-mortaliteitsnorm: De 1%-norm wordt gebruikt om een ordegrootte van effecten aan te geven waarbij zeker geen significante effecten op zullen treden, omdat de sterfte procentueel zeer laag is ten opzichte van de jaarlijkse sterfte; een ‘eerste zeef’ dus. De 1 %-norm is geen wettelijk vastgestelde drempelwaarde, maar wordt gebruikt als ‘alarmbel’. Indien deze 1 %-norm wordt overschreden, moet nader worden onderzocht hoe de additionele mortaliteit zich verhoudt tot de populatietrend en de gunstige staat van instandhouding. Deze waarde is een drempelwaarde waarboven negatieve effecten

beeld. Het verwachte aantal slachtoffers in de gebruiksfase is getoetst aan de staat van instandhouding van de relevante vleermuissoorten. Lintott et al. (2016) laten zien dat ecologisch onderzoek en ‘impactassesment een slechte voorspellers blijken te zijn met de veel hogere impact van windturbines op slachtoffers bij vleermuizen. Voor een eerste indicatie van de effecten van sterfte op de populaties is deze vervolgens getoetst aan de 1%- mortaliteitsnorm Net als bij vogels wordt ook bij vleermuizen getoetst aan de 1%-norm. Ook bij vleermuizen willen wij aangeven dat er geen plaats (meer) is voor het gebruik van deze norm. 1) Zoals hierboven aangehaald, laten Lintott et al. (2016) zien dat state-of-the-art ecologisch onderzoek veel lacunes kent en daarmee de effecten nauwelijks zijn in te schatten, onder andere door aantrekking van vleermuizen op turbines; 2) De rosse vleermuis staat op de rode lijst van bedreigde diersoorten en windturbines zijn een gevaar voor de gunstige staat van instandhouding van de populatie van deze soort.

De plaatsing van turbines in gebieden met veel rosse vleermuis activiteit zal hoogstwaarschijnlijk de staat van instandhouding verder verslechteren, hetgeen in strijd is met de Habitatrichtlijn; 3) Vleermuizen zijn langlevende soorten, waarbij zij net als alle andere vleermuizen maximaal een jong per jaar krijgen, waarbij waarschijnlijk (hier zijn geen studies naar gedaan) niet eens de helft van de jongen het eerste jaar overleeft. Aanvullende, niet natuurlijke mortaliteit heeft dan ook directe impact op de populatie, lets waar de 1%-norm geen rekening mee houdt; 4) Deze norm houdt geen rekening met de cumulatieve effecten van alle in Nederland gebouwde en nog te bouwen windturbines op de sterfte van vleermuizen als gevolg van aanvaringen met turbines. Akerboom et al. (2021) rekenen dit na Voor de natuur zullen de geplande turbines substantiële gevolgen hebben. Op dit moment spreekt men over de 1%-norm. Daarmee wordt bedoeld dat per individueel windpark 1% extra sterfte van de populatie van een vogelsoort of vleermuizensoort geen wezenlijke impact voor die soorten heeft. Pas wanneer deze 1% wordt overschreden, zou er sprake van een reële impact op de betreffende soort. Inmiddels is duidelijk dat deze aanname niet langer is te gebruiken.

Immers is er overal in Nederland (en daarbuiten) sprake is van cumulatieve effecten van de gezamenlijke windparken op populaties van kwetsbare diersoorten. Het toepassen van de 1% norm op individuele windparken werkt sterk verhullend op de gevolgen voor de ‘staat van instandhouding’ van die soorten. 72,1 2

72,1 3

Voor specifieke vogelsoorten is al aangetoond dat de overschrijding van deze 1% norm op langere termijn tot veel grotere populatie-effecten leidt, nota bene van 2- 24% op een termijn van 10 jaar. Het toestaan van een sterfte stijging van 5% tot bestaande sterfte resulteerde in een vermindering van 9% - 77% in de populaties na 10 jaar. Een procent extra aan natuurlijke sterfte vermindert de populatiegrootte van bijvoorbeeld de visdief met 5% in 10 jaar en van de lepelaar en zeearend met 2-3%. Voor vleermuizen worden soortgelijke conclusies getrokken. Ook hier blijven de cumulatieve effecten ten onrechte buiten beschouwing De conclusie van cliënten (en die van onder meer Natuurvereniging Hollandse Delta) is dat de 1%norm niet langer houdbaar is. Er dient naar alle relevante aspecten gekeken te worden om reële uitspraken te kunnen doen over de werkelijke effecten van windturbines op de staat van instandhouding van vogels en vleermuizen. In de aanvraag wordt zeer beperkt omschreven wat de impact van de windturbines zijn op grondgebonden zoogdieren. Het geluid van de windturbines op zoogdieren is hierin helemaal niet benoemd. Aangezien er in de omgeving met zekerheid te stellen is dat er diverse zoogdieren aanwezig zijn welke effect kunnen ondervinden, dient hier (alsnog) gedegen onderzoek naar gedaan worden.

In een vergelijkbaar project (windproject A16) is gebleken dat er in het gunstigste geval licht

op de gunstige staat van instandhouding niet bij voorbaat kunnen worden uitgesloten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State acht dit een acceptabele werkwijze. Zie o.a. uitspraken ABRS van 1 april 2009 in zaaknr. 200801465/1/R2, van 29 december 2010 in zaaknr. 200908100/1, van 8 februari 2012 in zaaknr. 201100875/1/R2 en van 11 juli 2018 in zaaknr. 201608248/1/R6. Daarnaast heeft de afdeling bestuursrechtspraak recent geoordeeld dat mogelijke cumulatieve effecten deel uitmaken van de staat van instandhouding en moeten cumulatieve effecten in die zin bij het verlenen van een ontheffing worden betrokken (zie o.a. ABRvS 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1160, ov. 16,2 en 7 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2384, ov. 10.4). De natuurtoets besteed waar relevant dan ook aandacht aan cumulatieve effecten. -rosse vleermuis: in lijn met de zienswijze blijkt ook uit de natuurtoets dat de Rosse vleermuis in het gebied voorkomt. De waarnemingen zijn echter beperkt en er zijn geen duidelijke concentraties waar te nemen. Naast het aantal aanvaringsslachtoffers gerelateerd aan de mortaliteitsnorm, gaat de natuurtoets ook in op mogelijke cumulatieve effecten (zie paragraaf 14.2.2 van de natuurtoets).

De 1%-norm wordt gebruikt om een ordegrootte van effecten aan te geven waarbij zeker geen significante effecten op zullen treden, omdat de sterfte procentueel zeer laag is ten opzichte van de jaarlijkse sterfte; een ‘eerste zeef’ dus. De afdeling bestuursrecht achtte dit een acceptabele werkwijze. Zie o.a. uitspraken ABRS van 1 april 2009 in zaaknr. 200801465/1/R2, van 29 december 2010 in zaaknr. 200908100/1, van 8 februari 2012 in zaaknr. 201100875/1/R2 en van 11 juli 2018 in zaaknr. 201608248/1/R6. Daarnaast heeft de afdeling bestuursrechtspraak recent geoordeeld dat mogelijke cumulatieve effecten deel uitmaken van de staat van instandhouding en moeten cumulatieve effecten in die zin bij het verlenen van een ontheffing worden betrokken (zie o.a. ABRvS 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1160, ov. 16,2 en 7 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2384, ov. 10.4). De natuurtoets besteed waar relevant dan ook aandacht aan cumulatieve effecten.

Kortheidshalve verwijzen wij naar paragraaf 8.6 en 15.2 in de natuurtoets voor beschrijving van aanwezige soorten grondgebonden zoogdieren en effectbeoordeling. De twee locaties waar de windturbines bij Brielle zijn gepland (op intensief bewerkte agrarische percelen) bieden grondgebonden zoogdieren geen verblijfplaatsen. De noordse woelmuis komt niet in de directe omgeving van het plangebied voor, geschikt habitat ontbreekt. De dichtstbijzijnde verblijfplaats voor de soort bevindt zich in het krekengebied Holle Mare op meer dan 2 km afstand van de geplande windturbines (gegevens NDFF). Effecten zijn derhalve met zekerheid uitgesloten.

negatief effect is op grondgebonden zoogdieren. Dit rechtvaardigt de eis om te onderzoeken wat het effect is in dit geval en of dit acceptabel is.

72,1 4

72,1 5

72,1 6

Overigens is het opvallend dat er geen notie gedaan is van de Noordse Woelmuis. De beide turbines bevinden zich vlakbij het leefgebied van dit zeldzame bedreigde zoogdier. De habitat van dit bijzondere dier is het afgelopen decennium uitgebreid door de aanleg van een uitgebreide ecologische hoofdstructuur op Voorne Putten. Deze structuur van kreken en begroeiing bevindt zich in de directe nabijheid van de beoogde windturbines. De totale oppervlakte van het beoogde project bedraagt een geschatte 11.260 m2 oppervlakte. Pondera neemt voor het gemak wegen van 5m breed, welke bijzonder smal zullen zijn bij het vervoer van onder andere de wieken. Hierbij wordt dus al de vraag gesteld of het niet meer zal zijn dan de voorgenomen 11.260 m2. Indien een project meer dan 1.500 m2 bedraagt, zullen additionele maatregelen moeten worden genomen. Dit project is daarmee 8x zo groot als toegestaan. Het water moet vertraagd afgevoerd worden. Zeker met de neerslag van afgelopen jaar zal dit nog een flinke uitdaging worden. Er is bovendien een watervergunning nodig. Dit wordt in het onderzoek van Pondera al genoemd. Echter is er nog geen plan voor de uitvoering hiervan en moet dit nog overlegd worden met het waterschap.

Reclamant geeft aan dat het installeren van een naderingsdetectiesysteem voor de windturbine verlichting een minimale vereiste is op een nieuwe installatie maar dat er geen onderzoek gedaan is naar het effect van het plotseling in en uitschakelen van de verlichting.

Reclamant haalt aan dat er, met betrekking tot het effect van de obstakelverlichting op vogels, geen verder onderzoek wordt gedaan omdat er eerder is vastgesteld dat dit niet leidt tot extra risico’s voor vogels. Reclamant stelt echter dat dit onderzoek 11 jaar oud is en dat er ondertussen zaken als relevant beschouwd worden ten opzichten van het moment dat het onderzoek is uitgevoerd. De reclamant verzoekt daarom dat er aanvullend onderzoek gedaan moet worden naar de reactie in het gedrag van de dieren op de aanwezigheid van de obstakelverlichting. Het effect van windturbines om insecten is onvoldoende onderzocht in de aanvraag. Uit de aanvraag wordt in de context van amfibieën omschreven dat er nauwelijks insecten voorkomen. Dit lijkt bepaald geen goede weergave van de realiteit.

72,1 7

72,1 8

Er is de laatste tijd veel te doen omtrent biodiversiteit. Vaak wordt er gezegd dat er tegenwoordig veel minder insecten zijn dan ‘vroeger’. Het aantal insecten dat sterft door windturbines ligt niet vast. Er is simpelweg nog onvoldoende onderzoek naar gedaan. Er is wel een Duits onderzoek dat ‘verrekend’ is naar de Nederlandse situatie, hieruit kwam een inschatting van 115.000 kilo(!) dode insecten per jaar door windturbines. Een andere inschatting van Michiel Wallis De Vries (buitengewoon hoogleraar Ecologie en Bescherming van Insecten aan Wageningen University and Research) komt tot een grove schatting van 87.000 kilo dode insecten door windturbines in NL. Vaststaat is dat die miljarden insecten een cruciale rol spelen in ons toch al wankele en kwetsbare ecosysteem. Door het plaatsen van steeds meer windturbines kan dat wankele evenwicht negatief laten uitslaan. Ook hier dient meer onderzoek plaats te vinden

Doordat het overgrote deel van de windturbines binnen de RES-regio in deze omgeving staan is het goed mogelijk dat er juist hier een aanzienlijke (lokale) invloed is op onder andere de biodiversiteit, vogelsterfte, lokale instandhouding van bepaalde stoffen, milieuvervuiling, effecten van het vermengen van luchtlagen, enzovoort

Er is een watergunning nodig op basis van de Keur van Waterschap Hollandse Delta. Deze vergunning is echter niet noodzakelijk in het kader van de ruimtelijke procedure. Eventueel benodigde vergunningen worden in een later stadium aangevraagd wanneer het ontwerp van het project meer concreet is. De conclusie dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening voor het onderdeel water is getrokken, rekening houdend met de (eventueel) benodigde vergunningen.

De gangbare obstakelverlichting van bestaande windturbines in Nederland zijn uitgevoerd met een knipperend rood licht in de nacht. Het plotseling in- en uitschakelen van licht is dus al gangbare praktijk in Nederland. Windproject Brielse Brug zal een vast brandende verlichting toepassen en initiatiefnemers zullen zich inspannen om een naderingsdetectiessyteem toe te passen waarbij de lichten enkel worden ingeschakeld als vliegtuigen in de buurt vliegen. Het naderingsdetectiesysteem is aan goedkeuring van de ILT onderhevig, hiermee wordt de effectiviteit geborgd. De frequentie van het in- en uitschakelen zal beperkt zijn, helemaal vergeleken met een knipperende toepassing van rood licht in de nacht. Er is geen reden om aan te nemen dat het onderzoek (Lensink & van der Valk 2013) achterhaald is. Bovendien zal windproject Brielse Brug vastbrandende verlichting toepassen en initiatiefnemers zullen zich inspannen om een naderingsdetectiessyteem toe te passen waarbij de lichten enkel worden ingeschakeld als vliegtuigen in de buurt vliegen.

In de zienswijze wordt gewezen op het effect van windturbines op insecten en hierbij wordt een Duits onderzoek aangehaald. Het klopt dat insecten kunnen sterven door windturbines, het is echter onduidelijk om hoeveel insecten het gaat. Het Duitse onderzoek geeft een inschatting van het aantal slachtoffers per jaar maar deze inschatting is niet gebaseerd op metingen maar op het aantal vliegende insecten dat in één deelstaat in Duitsland in de lucht vliegt. Daarnaast is onduidelijk op welke hoogte de insecten vliegen. Het Duitse onderzoek geeft daarmee geen concrete aanknopingspunten voor dit project. Het project houdt door middel van de uitgevoerde natuurtoets wel rekening met alle beschermde insectensoorten. Bovendien is de beplanting vanwege de teelt van gewassen monotoon in het projectgebied, daarom is de aanwezigheid van insecten beperkt. Uit de natuurtoets volgt dat er geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd is. Om de effecten op beschermde natuurwaarden inzichtelijk te maken, is een natuurtoets uitgevoerd. Uit de natuurtoets blijkt dat significant negatieve effecten op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten in Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Bovendien zijn effecten op de gunstige staat van instandhouding voor de betreffende populaties uitgesloten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14466692/2