CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

Motie PVaZ bijlage Handreiking lokale normering Rotterdamse regio

Raadsvergadering 8 januari 2024, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Coördinatieregeling en verklaring van geen bedenkingen windproject Brielse Brug24.284 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

10.1.3 Effectiviteit

Een afstandsnorm is minder geschikt om geluidhinder te normeren. Voornaamste reden is dat – hoewel geluid afneemt met toenemende afstand – optredende geluidniveaus van veel meer factoren afhankelijk zijn dan alleen afstand. Het type omgeving, windrichting, ondergrond, brongeluid van de concrete windturbine et cetera zijn allemaal van invloed en worden niet meegenomen als een afstandsnorm wordt gehanteerd. Op een gelijke afstand kan door die lokale factoren het daadwerkelijke optredende geluidniveau tot circa 10 decibel verschillen. Met andere woorden: bij eenzelfde afstand kan het beschermingsniveau voor de omgeving in het ene geval veel slechter zijn dan in het andere.

10.1.4 Communicatie

Communicatief is een afstandsnorm eenvoudig uit te leggen aangezien er geen berekening aan ten grondslag ligt. Er is geen deskundige nodig om te kunnen bepalen of aan de norm voldaan wordt.

10.1.5 Maatwerk

Een afstandsnorm biedt weinig mogelijkheden voor maatwerk. Er is immers strikt vastgelegd welke afstand moet worden aangehouden, ongeacht de specifieke situatie van een woning. Wel kan de 20220131 Handreiking lokale normering Rotterdamse regio V1.0 (def).docx

27

afstand in een bepaald gebied anders worden gekozen, echter er dient dan wel een goede motivering te worden opgenomen waarom dit anders is dan elders in de gemeente of regio. Als voorbeeld: indien een afstandsnorm van 600 meter zou worden gehanteerd, maar het blijkt dat het maximaal mogelijk is om 595 meter tot ieder geluidgevoelig object aan te houden, kan een windturbine niet worden gerealiseerd. Er zijn immers geen maatregelen mogelijk: de afstand blijft de afstand. Tegelijkertijd is de optredende milieubelasting op 595 meter feitelijk gelijk aan die bij 600 meter. Er is dus geen sprake van een betere of slechtere bescherming bij wel of niet voldoen aan deze norm.

10.1.6 Handhaving en maatregelen

De handhaving van deze norm is in principe eenvoudig. Er kan (eventueel door een landmeter) worden gecontroleerd of voldaan wordt aan de gestelde afstandsnorm. Indien voldaan wordt, maar in een praktijksituatie toch sprake is van hinder in de omgeving ontstaat echter een probleem. Omdat aan de voorkant een vaste afstand wordt aangehouden zijn er geen mogelijkheden voor handhaving of nadere maatregelen. De enige handhavingsgrond is in dat geval immers de afstand tussen het object en de windturbine. De daadwerkelijke optredende geluidniveaus bij het gevoelige object, de duur van die optredende geluidniveaus, et cetera zijn daarmee niet meer relevant.

20220131 Handreiking lokale normering Rotterdamse regio V1.0 (def).docx

28

Kader 2 Gemeten geluidnorm op de gevel Complexiteit van meten van geluid Een veel gehoorde vraag van omwonenden van (toekomstige) projecten is waarom er geen norm kan worden gesteld die gemeten wordt nabij de woning, binnenshuis of op de gevel? Het probleem zit erin dat met een geluidmeting op relatief grote afstand (minimaal een paar honderd meter) het lastig vast te stellen is wat de bron van het geluid is. Er zijn wel methodieken beschikbaar, maar die zijn tijdrovend, kostbaar en complex. Je moet bijvoorbeeld ontrafelen wat je eigenlijk meet (de langs rijdende auto, een brommer, grasmaaier, transformatorhuisje, wind, regen, industrie of een windmolen)? En indien je dat weet, van welke van deze elementen in de omgeving is het dan afkomstig? En welke rol spelen andere omstandigheden (temperatuur, windsnelheid, windrichting, etc.). Ook de vervolgvraag is relevant: Indien er meer geluid is dan vooraf afgesproken, wie is dan aansprakelijk om dit te verminderen (in het geval van meerdere bronnen)? Daarom geldt voor veel geluidnormen van omgevingsgeluid dat deze aan de bron worden gemeten en middels een overdrachtsmodel bij de ontvanger worden berekend. Evident nadeel is dan natuurlijk dat je niet direct met een geluidmeter bij een woning kunt vaststellen of voldaan wordt aan de norm.

Casus windpark Hartelbrug II In specifieke, complexe situaties kan een aanvullende meting, op basis waarvan specifieke maatregelen worden geformuleerd wel een mogelijkheid zijn. Bijvoorbeeld in windpark Hartelbrug II is dit toegepast. Dit windpark is gesitueerd in een omgeving waar al veel omgevingsgeluid is als gevolg van een drukke snelweg en provinciale weg, grootschalige industrie en scheepvaartverkeer. Tegelijkertijd is sprake van enkele bevolkingsconcetraties op relatief korte afstand (400 meter), waardoor relatief veel mensen invloed ondervinden. Dit maakt de situatie anders dan bijvoorbeeld windturbines in het buitengebied met enkele losliggende woningen. In dit windpark is onderzocht op welke momenten en bij welke windrichtingen de geluidbelasting als gevolg van de windturbines maatgevend is. Voor die momenten zijn maatregelen opgenomen in de vorm van het in werking laten zijn van een geluidmodus bij een of meerdere windturbines, afhankelijk van de windrichting en windsnelheid. Op die manier is de optredende geluidbelasting bij de woningen beperkt op specifieke momenten.

20220131 Handreiking lokale normering Rotterdamse regio V1.0 (def).docx

29

10.2 Lden/ Lnight 10.2.1 Technische toelichting

De optie ‘Lden (Engels: Level day-evening-night)’ als normsystematiek voor het thema geluid is een maat om de jaargemiddelde geluidbelasting door omgevingslawaai uit te drukken. Deze systematiek is de Europese standaard voor omgevingslawaai (industrielawaai, wegverkeer, etc.). Hierbij wordt de geluidbelasting die optreedt gedurende de nacht (+10 dB strafcorrectie) en de avond (+5 dB strafcorrectie) zwaarder meegewogen dan geluid overdag. Lnight is het geluidsniveau gemiddeld over alle nachtperioden van een heel jaar. De Lden en Lnight wordt berekend aan de hand van het geluidbronvermogen van de windturbine bij verschillende windsnelheden en de voorkomende windverdeling op een locatie in combinatie met een overdrachtsmodel. Hiervoor is een reken- en meetvoorschrift beschikbaar. Met deze normsystematiek kan vooraf de geluidbelasting berekend worden, rekening houdend met een langjarig gemiddeld windklimaat, en kan achteraf per jaar worden geregistreerd op basis van het optredend windklimaat en/of de operatie van de windturbine. De optredende hoeveelheid geluid die wordt uitgestoten door de bron (de windturbine) kan worden gemeten met een controlemeting nabij de windturbine 6. Dit is het bronvermogen. Vervolgens kunnen via een rekenmodel de gevolgen voor de ontvanger (gevoelige objecten: woningen/ toetspunten) worden bepaald (optredende Lden/Lnight).

Die optredende waarden (Lden/Lnight) kunnen niet gemeten worden, alleen berekend. De ‘bestaande’ norm in het Activiteitenbesluit gaat uit van een maximale toelaatbare geluidbelasting van Lden 47 dB en Lnight 41 dB. Vanwege de strafcorrecties kan gesteld worden dat wanneer aan de norm van Lden 47 dB kan worden voldaan, ook wordt voldaan aan de norm van Lnight 41 dB. Een nachtelijke norm voegt daarmee weinig toe ten opzichte van een Lden norm, tenzij de Lnight meer dan 6 dB lager is. In dat geval kan echter ook eenvoudig gekozen worden voor een lagere Lden waarde. De World Health Association (WHO) beveelt aan dat er vanaf een waarde van Lden 45 dB een belangenafweging dient plaats te vinden over de optredende effecten: “Based on this assessment, the GDG therefore provided a conditional recommendation for average noise exposure (Lden) to wind turbines and a conditional recommendation for the implementation of suitable measures to reduce noise exposure. No recommendation about a preferred type of intervention could be formulated; nor could a recommendation be made for an exposure level for night noise exposure (Lnight), as studies were not consistent and in general did not provide evidence for an effect on sleep.” WHO: Environmental Noise Guidelines, pagina 78. De WHO geeft aan geen aanbevelingen te doen voor een Lnight norm:

Deze controlemeting moet voldoen aan specifieke voorwaarden ten aanzien van afstand tot de windmolen waarop gemeten wordt, de heersende windrichting, windsnelheid, etc. Dat is relatief eenvoudig uitvoerbaar in een landelijk gebied, maar maakt een controlemeting in een druk bebouwd gebied moeilijk, omdat een geschikte locatie die voldoet aan deze eisen simpelweg niet voorhanden is.

6

20220131 Handreiking lokale normering Rotterdamse regio V1.0 (def).docx

30

“No recommendation is made for average night noise exposure Lnight of wind turbines. The quality of evidence of night-time exposure to wind turbine noise is too low to allow a recommendation.”

10.2.2 Uitvoerbaarheid

De Lden systematiek is voor meerdere soorten omgevingsgeluidbronnen de standaardmaat 7 . Er is ruime ervaring mee via andere geluidnormen en windturbinefabrikanten weten welke informatie van hen nodig is om vooraf inzichtelijk te maken wat de verwachte geluidbelasting voor de omgeving is. De reken- en meetmethodiek zoals die beschikbaar is houdt goed rekening met omgevings- en tijdfactoren.

10.2.3 Effectiviteit

Een Lden normsystematiek is relatief goed geschikt om de geluidbelasting van een bron die in principe continue (24/7) geluid produceert te bepalen. Ook houdt deze normsystematiekrekening met specifieke lokale aspecten zoals windrichting, windsnelheid, ondergrond, et cetera omdat het geluidniveau met in acht neming van deze aspecten bij de ontvanger wordt berekend. De Lden systematiek houdt daarnaast ook rekening met het brongeluid van de specifieke windturbine.

10.2.4 Communicatie

Een jaargemiddelde geluidnorm is niet eenvoudig uit te leggen. De geluidbelasting verschilt op momenten en er valt dus vooraf ook lastig te zeggen hoeveel geluid er dan kan optreden. Die informatie is wel herleidbaar uit de berekeningen, maar wordt nu vrijwel nooit beschouwd. Dit kan wel een aanbeveling zijn om toe te voegen, want ook binnen de Lden systematiek is het mogelijk om te berekenen wat de maximale belasting kan zijn (naast het jaargemiddelde). Ook is het geluidniveau niet meetbaar bij de ontvanger, zodat iemand zelf moeilijk vast kan stellen of er voldaan wordt aan de norm of niet.

10.2.5 Maatwerk

Een Lden normsystematiek biedt mogelijkheden voor maatwerk. Door de splitsing tussen overdag, avond en nachtelijk geluid wordt ruimte geboden om juist op de meest hinderlijke momenten van optredend geluid (zoals 's nachts, wanneer slaapverstoring op kan treden) te mitigeren. Bij een norm die uitgaat van geluidbelasting (zoals Lden, maar ook andere) bij de ontvanger, kunnen ook maatregelen worden genomen aan de bron om de effecten bij de ontvanger te beperken.

10.2.6 Handhaving en maatregelen

De handhaafbaarheid van deze norm is matig. Het vaststellen van een overschrijding kan niet direct. Het is feitelijk pas achteraf mogelijk om vast te stellen of er jaargemiddeld over het afgelopen jaar sprake was van een teveel aan geluid. Het is ook niet mogelijk om een meting te doen bij de ontvanger, om op basis daarvan te bepalen of wordt voldaan aan de gestelde norm of niet. De enige handhavingsmogelijkheid voor deze normsystematiek is door het doen van een controlemeting bij de bron en het opvragen van de emissieterm van de concrete windturbine over het afgelopen jaar. Het registreren van die emissieterm is voor de eigenaar van de windturbine verplicht en kan door Omgevingsdiensten worden opgevraagd ter controle. Daarmee kan bekeken worden of er niet meer dan de beoogde geluidproductie bij de bron heeft opgetreden en kunnen eventueel maatregelen aan de bron worden opgelegd.

7 Voor industrielawaai wordt in Nederland L

etmaal gehanteerd.

20220131 Handreiking lokale normering Rotterdamse regio V1.0 (def).docx

31

In het geval er meer geluid wordt geproduceerd dan de normstelling biedt een norm in decibellen wel meer mogelijkheden om nog bij te sturen. De windturbine kan in een andere geluidmodus worden ingeregeld om daarmee de geluidproductie bij de bron te verlagen. Daarmee neemt ook de geluidbelasting bij de geluidgevoelige objecten af.

10.3 LAeq (belasting bij maximaal bronvermogen) 10.3.1 Technische toelichting

LAeq als normsystematiek voor het thema geluid is een ingewikkelde term voor een maximale geluidbelasting op de gevel in een bepaalde periode. LAeq staat voor het equivalente geluidniveau over deze bepaalde periode, bijvoorbeeld de dagperiode (tussen 07:00 – 23:00 uur) of de nachtperiode (tussen 23:00 – 07:00 uur). Het gaat daarbij dus om het maximale geluidniveau dat optreedt op de gevel van een gevoelig object in het geval de windturbine op maximaal bronvermogen draait. Op basis van de geluidgegevens van de windturbine en het type omgeving (ondergrond, hoogte, afstand) kan het equivalente geluidniveau LAeq ter plaatse van geluidgevoelige objecten worden berekend.

10.3.2 Uitvoerbaarheid

De LAeq als geluidnorm wordt in meerdere landen toegepast 8 en is in principe goed uitvoerbaar. De benodigde geluidgegevens worden door fabrikanten bepaald volgens IEC 61400-11. De overdracht van geluid van de windturbine naar een geluidgevoelig object kan conform gangbare methodes worden bepaald en is hetzelfde als bij Lden (alleen de maat waarin het resultaat wordt aangegeven is anders).

10.3.3 Effectiviteit

Door een LAeq als geluidnorm te hanteren worden er beperkingen gesteld aan het maximale optredende geluidniveau ter plaatse van gevoelige objecten. Met andere woorden: er is sprake van een piekbelasting norm. Die kan helpen de excessen, waarbij de meeste ‘hinder’ optreedt te voorkomen. Er wordt echter geen rekening gehouden met de kans op voorkomen van dergelijke geluidniveaus. Het kan dus zo zijn dat de maximale belasting in 0,1% van de tijd aan de orde is of in 20% van de tijd. In beide gevallen wordt dit hetzelfde beoordeeld. De toepassing van een LAeq als geluidnorm houdt rekening met de specifiek lokale omstandigheden, zoals windrichting, windsnelheid, ondergrond, et cetera omdat het geluidniveau met in acht neming van deze aspecten bij de ontvanger wordt berekend.

10.3.4 Communicatief

Een LAeq is eenvoudiger te communiceren dan een jaargemiddelde (Lden-)norm, omdat er een veel directer verband is tussen de geluidbelasting en het al dan niet voldoen. Het is ook gedurende een jaar te controleren, in plaats van enkel achteraf. Een norm gebaseerd op een geluidniveau zegt ook meer over de mate van bescherming en hinder.

10.3.5 Handhaving en maatregelen

Er is geen sprake van een jaargemiddeld geluidniveau, dus een handhavingsmeting (aan de bron) kan samen met een geluidberekening meteen inzichtelijk maken of er sprake is van normoverschrijding. Deze handhavingsmeting dient dan wel uitgevoerd te worden bij maximaal geluidbronvermogen 8

Nederlandse geluidsnormen in internationaal perspectief, E. Koppen, Arcadis, Windnieuws nr 4 2015

20220131 Handreiking lokale normering Rotterdamse regio V1.0 (def).docx

32

(hoge windsnelheid op ashoogte, meestal > 8 m/s). In het geval van normoverschrijding zijn direct maatregelen te nemen, zoals het laten draaien van een windturbine in een andere geluidmodus.

10.4 LWmax (maximale geluidemissie) 10.4.1 Technische toelichting

De optie ‘LWmax’ als normsystematiek voor het thema geluid gaat uit van het limiteren van het geluid van de bron. Dit in tegenstelling tot Lden en LAeq, die uitgaan van het geluidniveau dat optreedt bij het geluidgevoelige object (de ontvanger). De Lwmax (maximale bronvermogen) treedt doorgaans op wanneer de windturbine op nominaal vermogen opereert. Het maximale bronvermogen wordt door de fabrikant opgegeven en een (controle)meting is onderdeel van de certificering van het windturbinetype. Het geluidniveau ter plaatse van woningen kan hierbij wel sterk variëren, omdat voor de overdracht ook de afstand tussen bron en ontvanger, het type omgeving en de spectrale verdeling van het bronvermogen van het specifieke windturbinetype een rol spelen.

10.4.2 Uitvoerbaarheid

Er wordt weinig tot geen gebruik gemaakt van enkel een LWmax-norm. Deze zegt namelijk te weinig over het daadwerkelijk optredende geluidniveau bij een geluidgevoelig object en daarmee de eventueel optredende hinder ter plaatse van gevoelige objecten. Het is wel uitvoerbaar, aangezien de benodigde informatie voorhanden is als onderdeel van de windturbinecertificering en ook controleerbaar is.

10.4.3 Effectiviteit

In de basis is een geluidnorm op basis van maximaal geluidbronvermogen geen effectieve norm, omdat er geen eisen worden gesteld aan het geluidniveau ter plaatse van geluidgevoelige objecten. Een combinatie van geluidbronvermogen, spectrale verdeling en afstand resulteert in een geluidniveau ter plaatse van een gevoelig object. Door enkel het bronvermogen van de windturbine te normeren zijn in principe hoge geluidniveaus ter plaatse van geluidgevoelige objecten toelaatbaar. Ook zijn er verschillen in geluidbelasting mogelijk bij een gelijk geluidbronvermogen, maar bij een verschil in spectrale verdeling of omgevingskarakteristieken. Als voorbeeld: Een windturbine met een maximaal geluidbronvermogen van 105 dB(A) kan een lagere geluidbelasting veroorzaken ter plaatse van een geluidgevoelig object dan een windturbine met een maximaal geluidbronvermogen van 104 dB(A). Dit komt onder andere door de spectrale verdeling, maar ook de omgevingskarakteristieken hebben invloed. Ook kunnen twee verschillende typen windturbines met hetzelfde bronvermogen andere effecten hebben bij geluidgevoelige objecten terwijl de afstand tussen windturbine en het geluidgevoelige object hetzelfde is.

10.4.4 Communicatief

Het maximale bronvermogen is communicatief eenvoudiger dan een jaargemiddeld geluidniveau. Het is daarentegen moeilijk te communiceren wat dit bronvermogen zegt over het geluidniveau op gevoelige objecten en eventuele hinder van de windturbine, omdat dat van veel meer factoren afhankelijk is dan enkel het maximale bronvermogen.

20220131 Handreiking lokale normering Rotterdamse regio V1.0 (def).docx

33

10.4.5 Handhaving en maatregelen

De maximale geluidemissie van een windturbine bij nomimaal vermogen is goed te meten middels een handhavingsmeting aan de bron 9 . Wanneer wordt gemeten bij de juiste windsnelheid is snel duidelijk of de geluidemissie voldoet aan de gestelde norm of niet. In het geval niet wordt voldaan zijn maatregelen aan de bron mogelijk door de windturbine in een andere geluidmodus te laten draaien en daarmee de geluidemissie te verlagen.

10.5 Laagfrequent geluid en tonaliteit 10.5.1 Aandeel laagfrequent geluid in het geluidspectrum bij windturbines niet onevenredigheid groot

Bij windturbines is er regelmatig maatschappelijke discussie over laagfrequent geluid (LFG). Laagfrequent geluid betreft geluidemissie in het spectrum beneden de ongeveer 100/125 Hz (laagfrequent). Beneden de 20 Hz wordt gesproken van infrasoon geluid. Het aanvullend hanteren van een aparte norm voor laagfrequent geluid (LFG) lijkt niet nodig omdat het aandeel laagfrequent geluid in het gehele geluidspectrum bij windturbines niet onevenredig groot is in vergelijking met andere geluidbronnen 10 . Het hanteren van de geluidbelastingsnorm Lden/ Lnight of bijvoorbeeld een LAeq op geluidgevoelige objecten biedt voldoende bescherming tegen LFG. Wanneer er toch een wens bestaat LFG te normeren kan de Vercammen-curve als methodiek hiervoor in aanmerking komen (zie 10.5.2).

9 Zie voetnoot 4. 10

M. Reedijk, I. van Kamp, J. Hin, juli 2021: Factsheet gezondheidseffecten van windturbinegeluid, RIVM

20220131 Handreiking lokale normering Rotterdamse regio V1.0 (def).docx

34

Kader 2 Tonaliteit, amplitudemodulatie en laagfrequent geluid Tonaal geluid Tonaal geluid is geluid met een duidelijk hoorbaar tonaal karakter, dat wil zeggen duidelijk hoorbare zuivere tonen. Met behulp van een smalbandige spectrale analyse kan de tonaliteit van het geluid objectief worden beoordeeld. In het geval van tonaal geluid zal in deze analyse te zien zijn dat op één van de octaaf of tertsbanden een duidelijk hoger geluidniveau wordt gemeten dan op de omliggende octaafbanden. Laagfrequent geluid Laagfrequent geluid (LFG) is geluid met een frequentie tussen 20 Hz en 100/125 Hz. De geluidssterkte van LFG wordt meestal uitgedrukt in decibel (dB). Laagfrequent geluid draagt verder dan hoger frequent geluid. Ook is voor laagfrequent geluid de isolatie van een woning veel geringer dan voor hoger frequent geluid. Hierdoor dringt het beter in woningen door. Er kan al hinder ontstaan bij kleine overschrijdingen van de gehoordrempel. Tonaal laagfrequent geluid Tonaal laagfrequent geluid betreft een specifieke toon met een frequentie tussen de 20 en 100/125 Hz. Amplitude modulatie Windturbines produceren een specifiek geluid (zwiepen, zoeven of stampen). Dit wordt veroorzaakt door het windturbineblad dat de mast van de windturbine passeert en noemen we amplitudemodulatie. Bron: Notitie reikwijdte en detailniveau planMER windturbinebepalingen leefomgeving, 19 dec 2021

In bijzondere gevallen kan sprake zijn van tonaal laagfrequent geluid. Tonaal laagfrequent geluid is iets anders dan ‘gewoon’ laagfrequent geluid (zie hierboven). In de nu bekende gevallen wordt tonaal LFG waarschijnlijk veroorzaakt door een defect of ontwerpfout aan de windturbine. Dit zorgt ervoor dat op een bepaalde tertsband een hoger geluidniveau optreedt dan de direct omliggende tertsbanden. Dit uit zich in een hinderlijke bromtoon. Het is echter geen algemeen kenmerk van windturbinegeluid en is zeldzaam. Een belangrijk kenmerk van tonaal laagfrequent geluid is dat het (in bepaalde mate) aanwezig óf niet aanwezig is. Er bestaat niet zoiets als ‘een beetje tonaal laagfrequent geluid’. Tonaliteit kan worden opgespoord door spectraal meten (in FFT), maar dit is niet eenvoudig. Het is ook lastig te normeren omdat het ook bij lage geluidniveaus kan optreden. Met andere woorden: de geluidniveaus op de betreffende tertsband liggen hoger dan de omliggende (dit veroorzaakt de toon), maar liggen nog steeds op een relatief laag niveau overall. Indien een windturbine normaal functioneert zijn de geluidniveaus hoger, maar is er geen sprake van tonaliteit of tonaal laagfrequent geluid. Het simpelweg stellen van een algemeen strengere norm werkt dan niet. De tonaliteit kan nog steeds optreden.

20220131 Handreiking lokale normering Rotterdamse regio V1.0 (def).docx

35

Kader 3 Strafcorrectie tonaliteit Voor industriegeluid wordt – in geval van tonaliteit – soms een straftoeslag toegepast. Dit komt erop neer dat, indien tonaliteit wordt vastgesteld, een straftoeslag van +5 dB volgt voor de bron. Gevolg daarvan is dat in de berekeningen dus met een 5 dB hoger bronvermogen moet worden gerekend. Voor een windturbine zou die systematiek betekenen dat realisatie erg lastig is, omdat terugregelen met 5 dB vrijwel onmogelijk is. Tegelijkertijd is bekend dat het optreden van tonaliteit vooral lijkt voort te komen uit een defect aan de windturbine. Het toepassen van een strafcorrectie - indien tonaliteit wordt aangetoond - kan een waarborg zijn om het probleem of defect aan de windturbine te verhelpen. Wel moet goed worden overwogen hoe dit in de daadwerkelijke regelgeving en voorschriften wordt geformuleerd. Uiteindelijk is het doel om tonaliteit te voorkomen.

10.5.2 Vercammen curve: Technische toelichting

Er is in Nederland geen normstelsel specifiek voor laagfrequent geluid. Wel wordt er regelmatig getoetst aan de zogeheten Vercammen-curve. Deze curve geeft het niveau voor laagfrequent geluid aan tussen de 10 en 160 Hz waarbij maximaal 3-10% van de doorsnee bevolking hinder kan ondervinden. Wordt onder deze curve gebleven, dan wordt voldaan aan de norm. De Vercammencurve toetst het binnenniveau, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de geluidnormen die gelden voor andere geluidbronnen zoals wegverkeer, industrielawaai etc. De Vercammen-curve wordt zowel voor als na realisatie van geluidbronnen gebruikt. Voor de realisatie, in de planningsfase, wordt getoetst op basis van berekeningen. Na de realisatie kan eventueel ook gebruik worden gemaakt van metingen.

10.5.3 Uitvoerbaarheid

De Vercammen-curve wordt in relatie tot windparken soms toegepast in de m.e.r- en vergunningsfase om de mogelijke effecten van laagfrequent geluid inzichtelijk te maken. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een overdrachtsberekening (net als voor andere geluidnormen) en van een geveldempingsfactor. Deze laatste is nodig omdat het binnenniveau bepaald moet worden en is in principe generiek. Het berekende binnenniveau per tertsband wordt vervolgens getoetst aan de waardes van de Vercammen-curve. Er zijn een paar belangrijke aandachtspunten wanneer gekeken wordt naar geluidniveaus binnenshuis. Allereerst is dit de gevelwering of geveldempingsfactor. Voor de geluidberekeningen dienen over het algemeen aannames te worden gedaan met betrekking tot de geveldemping. Voor een enkel object zou dit op basis van een meting specifiek kunnen worden bepaald, echter voor grote groepen woningen is dit een zeer tijdrovende klus. Bij het vaststellen van een norm op basis van de Vercammen-curve dient hier ook aandacht aan te worden besteed; welke geveldemping wordt gebruikt voor berekeningen, is een meting achteraf mogelijk? Ook dient vastgelegd te worden of de Vercammen-curve nooit mag overschreden worden (toets aan het maximale geluidniveau), of dat het jaargemiddelde geluidniveau wordt beoordeeld.

Daarnaast voorziet het Reken- en meetvoorschrift windturbines en het HMRI niet in overdrachtsberekeningen per tertsband, enkel voor octaafbanden tussen 31 Hz en 8 kHz. Zowel voor 20220131 Handreiking lokale normering Rotterdamse regio V1.0 (def).docx

36

de laagste frequenties als voor de individuele tertsen dienen aannames te worden gedaan met betrekking tot de overdracht tussen bron en ontvanger. Hier dient ook in de normering iets over te worden opgenomen 11 .

10.5.4 Effectiviteit

De berekeningen die in het verleden voor enkele grote windparken zijn uitgevoerd in het kader van m.e.r.- en vergunningenprocedures 12 laten doorgaans zien dat wanneer een windpark of windturbine aan een geluidnorm van 47 dB Lden kan voldoen, er ook wordt voldaan aan de Vercammen-curve. Een LFG-norm op basis van de Vercammen-curve biedt daarom doorgaans weinig additionele bescherming ten opzichte van bijvoorbeeld een algemene geluidnorm van 47 dB Lden of strenger.

10.5.5 Communicatief

Enerzijds biedt een (additionele) norm voor LFG communicatief voordelen, doordat er een specifieke norm wordt opgenomen voor een milieueffect waar doorgaans grote zorgen over zijn. Tegelijkertijd is het wel noodzakelijk om te benadrukken dat zelfs bij geluidniveaus die voldoen aan de Vercammen-curve, dit niet betekent dat er geen enkele hinder door geluid kan optreden. Het gaat dan om zowel laagfrequent geluid als ‘normaal’ geluid.

10.5.6 Handhaving en maatregelen

Afhankelijk van of er een jaargemiddelde norm of een momentane norm wordt gehanteerd is handhaving vergelijkbaar met de handhaving van een Lden-norm of een LAeq-norm. Middels berekeningen op basis van een bronmeting en algemeen geldende aannames over overdracht en geveldemping kan dan worden getoetst aan de Vercammen-curve. Een immissie-meting zou ook mogelijk kunnen zijn, mits er geen andere bronnen (van laagfrequent geluid) zijn die voor de overschrijding van de Vercammen-curve kunnen zorgen. Maatregelen treffen bij overschrijding van de Vercammen-curve is mogelijk door bijvoorbeeld de turbine in een geluid gereduceerde modus te laten draaien of door het aanbrengen van extra geveldemping. Dit laatste kan echter voor laagfrequent geluid een lastige opgave zijn omdat isolatie minder goed werkt bij lagere frequenties.

10.6 Welke objecten zijn geluidgevoelig?

De definitie van geluidgevoelige objecten is vastgelegd in artikel 1 van de Wet geluidhinder en met inwerkingtreding van de Omgevingswet (1 juli 2022) in artikel 5.56 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Opgenomen is dat de volgende objecten als geluidgevoelig moeten worden beschouwd: Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan, of; 11 Een mogelijkheid is hiervoor aan te sluiten bij de Deense norm voor laagfrequent windturbinegeluid. Hierin

is vastgelegd hoe overdracht per tertsband tussen 10 en 160 Hz berekend dient te worden. 12 Onder andere windpark N33 en Windpark Drentse Monden – Oostermoer: zie https://www.rvo.nl/onderwerpen/bureau-energieprojecten/lopende-projecten 20220131 Handreiking lokale normering Rotterdamse regio V1.0 (def).docx

37

d.

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Daarnaast kunnen eventueel ook andere objecten als geluidgevoelig beschouwd worden. Dat is echter een lokale afweging. Andere objecten zijn bijvoorbeeld verblijfsrecreatieve functies (zoals een hotel of een recreatiewoning), waar mensen gedurende langere aaneengesloten periodes verblijven en/of overnachten. Het ligt niet zo snel voor de hand om een bedrijfspand, schuur, stal of kantoor als geluidgevoelig te beschouwen. Reden hiervoor is dat de activiteiten die in deze gebouwen plaatsvinden, en de daarmee ervaren geluidbelasting ter plaatse, niet snel zal leiden tot (onaanvaardbare) hinder. In een bedrijfshal bijvoorbeeld zal het aanwezige geluid van de normale werkhandelingen al heel snel boven het geluid van de windturbine uit komen, ook wanneer deze op relatief kortere afstand van het bedrijfspand staat. Het verdient aanbeveling om bij het stellen van een norm voor zowel geluid als slagschaduw en externe veiligheid een lokale afweging te maken welke objecten bescherming verdienen. Ook zou onderscheid kunnen worden gemaakt in de mate van bescherming tussen verschillende objecten.

10.7 Gebiedspecifieke norm Stille versus geluidbelaste gebieden Er is regelmatig discussie over de vraag of er niet een verschillende normstelling gehanteerd moet worden voor een rustige omgeving en voor een omgeving waar al veel geluid is. Hoewel de vraag voor de hand ligt, is het antwoord complex. Er zijn twee mogelijke redeneringen: •

•

In een relatief stil gebied (vaak landelijke, agrarische gebieden) valt het toevoegen van geluid meer op dan in een gebied waar al veel geluid is, zoals bijvoorbeeld in een stedelijke omgeving, langs de snelweg, of nabij industrie. Een strengere geluidnorm zou dan in een stille omgeving nodig zijn om hinder te beperken, terwijl in een omgeving waar al meer geluid is het geluid van windturbines eerder gemaskeerd wordt door ander geluid. De andere kant is dat we mensen willen beschermen tegen overmatige geluidbelasting, aangezien dit een negatief effect heeft op hinderbeleving en de kwaliteit van de leefomgeving. In dat geval zou dus een gebied waar al veel geluidbelasting is juist eerder beschermd moeten worden tegen nog een toevoeging. Dit zijn dan juist de meer stedelijke omgevingen, waar ook relatief meer mensen wonen dan in het landelijk gebied. In een gebied waar nu nog weinig geluidbelasting is kan, volgens deze redenering, een toevoeging juist wel plaatsvinden, omdat hier nog ‘geluidruimte’ is.

In verschillende landen/gebieden wordt hier anders mee omgegaan 13 . Zo is onder andere in Vlaanderen, Denemarken en Duitsland een ruimere norm van toepassing voor geluid van windturbines voor landelijke gebieden dan voor woonwijken (meer stedelijk gebied), maar in Zweden is het omgekeerde van toepassing. Er zijn, voor zover bekend, ook geen sluitende wetenschappelijke onderbouwingen welke redeneerlijn juist is of de voorkeur verdiend. De lastige vraag die bij het hanteren van een gebiedsspecifieke norm beantwoord moet worden is: wanneer is er sprake van een landelijk of stedelijk gebied? Welke definitie hanteer je hiervoor? Er kan voor gekozen worden om bijvoorbeeld de bebouwde komgrenzen te hanteren. De vraag is dan wel waarom iemand die aan de rand, maar net binnen de bebouwde kom, woont meer bescherming verdient dan zijn buurman die twintig meter verderop buiten de bebouwde kom woont. 13 Nederlandse geluidsnormen in internationaal perspectief, E. Koppen, Arcadis, Windnieuws nr 4 2015

20220131 Handreiking lokale normering Rotterdamse regio V1.0 (def).docx

38

Er kan ook voor gekozen worden om juist het gelijkheidsbeginsel te hanteren: iedereen verdient dezelfde mate van bescherming tegen geluidhinder in Nederland, ongeacht van het type gebied waarin deze persoon woont. Het specificeren van een afzonderlijke norm voor stedelijk en landelijk gebied wordt dan ook niet geadviseerd. Wel wordt aanbevolen om bij het vaststellen van een norm de locatiespecifieke situatie in ogenschouw te nemen, zonder een rigide definitie te hanteren. Cumulatieve geluidnorm Een andere mogelijkheid om rekening te houden met de leefomgevingskwaliteit is het hanteren van een cumulatieve (totale) geluidbelastingsnorm voor een gebied. In dat geval tellen alle geluidbronnen (volgens een daarvoor afgesproken rekenmethodiek) bij elkaar op. Dit gezamenlijke geluid mag niet boven een bepaald niveau komen. Dit kan enerzijds zorgen voor een betere bescherming (er is een absoluut plafond), maar aan de andere kant ook mogelijkheden bieden, omdat andere bronnen soms maatgevend kunnen zijn. Een voorbeeld van een dergelijke cumulatieve geluidnorm voor windturbines en industriële bronnen is opgenomen in de structuurvisie van de Eemsmond-Delfzijl 14.

10.8 Maximale norm of voorkeursgrenswaarde en maximale grenswaarde

Windturbinegeluid wordt in het Activiteitenbesluit genormeerd op een maximaal toelaatbare waarde. Wordt daaraan voldaan, dan zijn geen verdere maatregelen benodigd, wordt niet voldaan aan de maximale toelaatbare waarde dan zijn wel mitigerende maatregelen nodig. Dit betekent een relatief zwart-wit afweging. Het voordeel is dat er duidelijkheid bestaat aan de voorkant waaraan getoetst wordt, het nadeel is dat er minder maatwerk mogelijk is. In de geluidnormering van andere bronnen, bijvoorbeeld voor wegverkeersgeluid wordt gewerkt met een voorkeursgrenswaarde (of streefwaarde) én een maximale grenswaarde. De streefwaarde ligt altijd lager dan de maximale grenswaarde. In principe wordt ‘gestreefd’ naar het voldoen aan de streefwaarde bij een ontwikkeling, echter die waarde zal niet altijd haalbaar zijn omdat er andere ruimtelijke, milieu of economische argumenten zijn waarom dit niet mogelijk is. De ruimte tussen de streefwaarde en de (maximale) grenswaarde is de afwegingsruimte. Om een hogere waarde dan de streefwaarde toe te staan is wel een belangenafweging nodig en moet ook worden aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om de optredende effecten te verminderen.

Denk daarbij aan isolatiemaatregelen, maar ook aan projectparticipatie of bijvoorbeeld een specifieke situatie waarbij een bepaald gebouw een lagere bescherming verdient (denk aan een recreatiewoning die niet permanent bewoond wordt). Zo is er meer lokaal maatwerk mogelijk. De maximale grenswaarde is in alle gevallen het maximaal toelaatbare geluidniveau. Nadeel van het werken met een streefwaarde en maximale grenswaarde is dat er bij het hanteren van een zogenoemde ‘hogere grenswaarde’ een afweging nodig is die discussie kan opleveren. Een ander nadeel is dat het toepassen van een maximale grenswaarde in praktijk de regel wordt. Er is aan de voorkant voor een project geen duidelijkheid, die er met alleen een maximale waarde wel direct is: een project voldoet of voldoet niet. Het treffen van maatregelen voor windturbines is daarnaast relatief lastig, aangezien ze in principe 24 uur per dag in bedrijf zijn en het geluid veroorzaakt wordt door het draaien van de wieken in de open lucht. Een bronmaatregel zoals bij industrie of wegverkeer gebruikt kan worden (isolatie aan de bron, stiller asfalt, et cetera) zijn bij windturbines lastiger. Uiteraard kan een stiller windturbinetype worden toegepast, maar het is vaak

14

Provincie Groningen 19 april 2017; Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl.

20220131 Handreiking lokale normering Rotterdamse regio V1.0 (def).docx

39

ten tijde van het nemen van het besluit niet te garanderen dat dit stillere type ook nog leverbaar is wanneer er gebouwd gaat worden enkele jaren later.

11 Slagschaduw 11.1 Hinderlijkheid en bescherming

Uit onderzoek dat in 1999 in Duitsland is verricht blijkt dat omwonenden van windturbines die een netto slagschaduwduur van meer dan 15 uur per jaar ervaren een hogere mate van dagelijkse hinder ervaren in hun leefomgeving 15 . Herhaaldelijke of langdurige blootstelling aan slagschaduw kan bovendien leiden tot stress en concentratieverlies. Onderzoekers van de Universiteit van Kiel vonden in dezelfde laboratoriumstudie een duidelijke relatie tussen blootstellingsduur aan slagschaduw en de ervaren hinder door de testpersonen. Uit het laboratoriumonderzoek komt specifiek naar voren dat in de eerste 20 minuten dat contrastrijke slagschaduw optreedt een fysieke reactie wordt veroorzaakt, die bij langere blootstelling daarna weer door het lichaam wordt gecompenseerd. De onderzoekers hebben aanbevolen de slagschaduwduur te beperken om effecten op langere termijn te voorkomen vanwege de energie die deze compensatie door het lichaam kost. Het voorgaande is de voornaamste reden dat er slagschaduwnormen bestaan in verschillende Europese landen en dat het nodig is slagschaduwhinder te beperken. Er zijn verschillende mogelijkheden om dit te doen.

11.2 Afstandsnorm 11.2.1 Technische toelichting en toepasbaarheid

Bij deze normsytematiek wordt uitgegaan van een vaste afstand van de windturbine tot objecten die gevoelig zijn voor slagschaduw. Deze vaste afstand kan in principe iedere willekeurige waarde aannemen, maar om een inzicht te geven van de gevolgen van de leuze voor deze systematiek wordt hier de volgende mogelijkheid beschouwd: • oost-west: 750 meter of 3x tiphoogte; • noord-zuid: 250 meter of 1,5x tiphoogte. Er wordt bij deze systematiek onderscheid gemaakt in de normering op basis van de (wind)richting van een gevoelig object ten opzichte van de betreffende windturbine(s). In tegenstelling tot bijvoorbeeld geluid heeft slagschaduw geen (vrijwel) gelijke effectcontour in alle richtingen. Of er slagschaduw optreedt heeft te maken met de positie en hoogte waarop de zon zich bevindt. Als de zon laag staat bij zonsopkomst (in het oosten) en bij zonsondergang (in het westen) werpen objecten langere schaduwen. In het oosten en het westen zijn de effecten van slagschaduw daardoor in de regel meer aanwezig. Ten zuiden van windturbines is er vrijwel geen sprake van slagschaduw omdat de zon nooit in het noorden staat.

15

Pohl, J, Faul, F, & Mausfeld, R; Belästigung durch periodischen schattenwurf von Windenergieanlagen, 1999.

20220131 Handreiking lokale normering Rotterdamse regio V1.0 (def).docx

40

Figuur 5 Afstandsnorm slagschaduw

11.2.2 Uitvoerbaarheid

Afstandsnormen zijn in de regel eenvoudig uitvoerbaar. Om ieder slagschaduwgevoelig object wordt een bepaalde afstandscontour getekend, waarbinnen geen windturbines mogen worden geplaatst. Gezien de relatief grote afstanden in oost-westelijke richting is dit in een druk bebouwde regio wel sterk beperkend.

11.2.3 Effectiviteit

Een afstandsnorm is minder effectief bij het normeren van slagschaduw. Het optreden van slagschaduw, de duur en de effecten zijn voor een deel afhankelijk van externe factoren zoals oriëntatie van gevoelige objecten ten opzichte van de windturbine. Ook hoge objecten in de omgeving en weersomstandigheden kunnen de hoeveelheid slagschaduw die op een object valt beïnvloeden. Daardoor kan op eenzelfde afstand tot een windturbine in praktijk toch een sterk verschillende hoeveelheid slagschaduw optreden. Bovendien schalen slagschaduwafstanden met de grootte van de turbine. De afgelopen jaren zijn die afstanden vanaf windturbines waarbinnen slagschaduw kan optreden groter geworden, omdat er steeds grotere windturbines worden gebouwd. Deze normsystematiek is minder robuust, omdat de afstand niet meebeweegt met de technologische ontwikkelingen en geen recht doet aan de specifieke situatie. Ten slotte wijzigt de locatie waar slagschaduw optreedt ten opzichte van de turbine het hele jaar door, omdat de zon op een andere plek staat. Een vaste afstand als norm kan ook daar geen rekening mee houden.

11.2.4 Communicatie

Een afstandsnorm is eenvoudig uit te leggen aan de omgeving, omdat er geen berekening aan ten grondslag ligt. Het is altijd duidelijk of er aan de norm wordt voldaan of niet.

20220131 Handreiking lokale normering Rotterdamse regio V1.0 (def).docx

41

11.2.5 Maatwerk

Een afstandsnorm biedt geen mogelijkheden voor maatwerk. Er is immers strikt vastgelegd welke afstand moet worden aangehouden.

11.2.6 Handhaving en maatregelen

De handhaving van deze norm is in principe eenvoudig. Er kan (eventueel door een landmeter) worden gecontroleerd of voldaan wordt. Indien voldaan wordt, maar in een praktijksituatie toch sprake is van klachten door slagschaduw uit de omgeving ontstaat echter een probleem. Omdat aan de voorkant een vaste afstand wordt aangehouden zijn er geen mogelijkheden voor handhaving. De enige handhavingsgrond is immers de afstand tussen het object en de windturbine. De daadwerkelijke hoeveelheid slagschaduw bij het gevoelige object is daarmee niet meer relevant. Indien er op die afstand alsnog (hinderlijke) slagschaduw optreedt zijn er geen maatregelen mogelijk, omdat daar geen (juridische) handhavingsgrond voor bestaat.

11.3 Maximale bruto slagschaduwduur 11.3.1 Technische toelichting en toepasbaarheid

Op basis van de coördinaten van de windturbine(s) en woningen in de omgeving, de afmetingen van de windturbine en de baan van de zon kunnen de precieze momenten bepaald waarop slagschaduw kan optreden. Bij het berekenen van de bruto slagschaduwduur wordt geen rekening gehouden met de vraag of de zon schijnt, of de windsnelheid hoog genoeg is om de windturbine te laten draaien en in welke richting de rotor van de windturbine staat. Dit laatste is relevant omdat een rotorstand haaks op de zon een andere slagschaduw geeft dan wanneer de rotor parallel aan de zonnestand staat. De berekening voor bruto slagschaduwduur is voor iedere locatie in Nederland hetzelfde en daardoor makkelijk toepasbaar.

11.3.2 Uitvoerbaarheid

Een normering op basis van bruto slagschaduwduur komt in principe neer op een (berekende) afstandsnorm. De bruto slagschaduwduur is immers alleen afhankelijk van de grootte en locatie van de windturbine; met andere effecten wordt geen rekening gehouden. Dat betekent dat de norm eenvoudig uitvoerbaar is. De hoogte van de norm bepaalt de afstand tussen de windturbine en het gevoelige object.

11.3.3 Effectiviteit

Bruto slagschaduwduur is minder geschikt voor het normeren van slagschaduw. Omdat de zon niet altijd schijnt en de windturbine niet altijd draait is bruto duur een (grove) overschatting van de daadwerkelijke hoeveelheid slagschaduw. Ook is de ervaren hinder afhankelijk van de werkelijk optredende slagschaduw, niet van de mogelijk optredende slagschaduw. Als het effect er niet is, kan er ook geen sprake zijn van hinder als gevolg van het effect.

11.3.4 Communicatief

Communiceren over een normering op basis van bruto slagschaduwduur kan op twee manieren worden bekeken. De bruto duur zal altijd groter zijn dan de daadwerkelijke hoeveelheid slagschaduw die optreedt. Er zal dus altijd een theoretische hoeveelheid slagschaduw moeten worden gecommuniceerd met daarbij de opmerking dat die in werkelijkheid altijd lager zal zijn. De zon schijnt namelijk lang niet altijd in Nederland. Tegelijkertijd is de berekening hetzelfde voor alle 20220131 Handreiking lokale normering Rotterdamse regio V1.0 (def).docx

42

locaties en is de gecommuniceerde hoeveelheid slagschaduw een duidelijke maximale limiet, waarvan met zekerheid gesteld kan worden dat hier niet boven gekomen kan worden.

11.3.5 Maatwerk

Als een bruto slagschaduwduur wordt gebruikt als normering is er geen mogelijkheid tot maatwerk. De bruto duur staat vast op basis van de locaties van de turbine(s) en omliggende woningen. Het toepassen van een stilstandvoorziening heeft geen invloed in dit geval, omdat de bruto duur hiermee niet verminderd wordt.

11.3.6 Handhaving en maatregelen

De berekening voor bruto slagschaduwduur is niet afhankelijk van variabele factoren. Er kan relatief eenvoudig een controleberekening worden gedaan aan de hand van de invoerparameters (locatie van de windturbine en de woning en de baan van de aarde om de zon). Er zijn echter geen mogelijkheden voor maatregelen als er een hinderlijke hoeveelheid slagschaduw optreedt. De bruto slagschaduwduur staat vast per turbinepositie. Maatregelen zijn in de praktijk echter niet meer mogelijk, aangezien dit zou betekenen dat de windturbine verplaatst zou moeten worden.

11.4 Maximale netto slagschaduwduur 11.4.1 Technische toelichting

Een normstelling met een maximale netto slagschaduwduur neemt de bruto slagschaduwduur als basis. Die wordt vervolgens gecorrigeerd met gegevens over de meteorologische omstandigheden en de perioden waarin de turbine niet draait. Zo kan worden berekend wat de daadwerkelijk verwachte hoeveelheid slagschaduw is op een gevoelig object. Er zijn verschillende manieren om die correctie toe te passen. De norm voor netto duur kan worden bepaald op basis van een hoeveelheid per jaar of per dag. Netto duur per jaar Bij een jaarnorm voor de netto slagschaduwduur wordt berekend wat de maximale verwachte hoeveelheid slagschaduw op een object is. Die mag, gerekend over het hele jaar, een bepaalde waarde niet overschrijden. Als deze waarde is overschreden, worden windturbines stilgezet op het moment dat zij nog meer slagschaduw zouden veroorzaken. Dit wordt vooraf voorspeld en het instellen van de stilstandvoorziening gebeurt dan ook meestal vooraf door het inprogrammeren van een kalender. Daarmee kunnen de windturbines worden stilgezet in de zomerperiode: een periode dat er relatief weinig windopbrengst te verwachten is en relatief veel zon. Hieronder worden twee veelgebruikte waarden beschouwd: 0,5 uur per jaar De 0,5 uur-benadering (nihil) wordt steeds vaker gehanteerd in Nederland en komt erop neer dat projecten nagenoeg geen slagschaduw meer veroorzaken op gevoelige objecten.

Dit is nagenoeg 0, omdat een windturbine tijd nodig heeft om af te schakelen en er op die momenten nog wel sprake kan zijn van kortstondige slagschaduw. Helemaal 0 uur slagschaduw is niet praktisch uitvoerbaar. 6 uur per jaar De 6 uurs-benadering is de meest gebruikte methode in Nederland om snel en eenvoudig een indicatie te krijgen van de hoeveelheid slagschaduw die per jaar kan optreden. De waarde komt voort uit een benadering van de norm uit de Activiteitenregeling: maximaal 17 dagen met meer dan 20220131 Handreiking lokale normering Rotterdamse regio V1.0 (def).docx

43

20 minuten slagschaduwhinder. Dit laat zich vertalen als 17 dagen maal 21 minuten slagschaduw = 357 minuten. Dat is afgerond naar boven 6 uur. 15 uur per jaar Indien een striktere vertaling gemaakt wordt van de norm uit de Activiteitenregeling dan mag op alle andere dagen van het jaar ook minder dan 20 minuten slagschaduw optreden. Doordat de stand van de zon wijzigt gedurende het jaar ten opzichte van de windturbine en een woning, zal dit nooit op alle dagen kunnen optreden. Uit een berekening blijkt dat in het slechtste geval circa 14-16 uur slagschaduw netto per jaar kan optreden op een woning, waarbij nog steeds de norm van 17 dagen meer dan 20 minuten niet wordt overschreden. Uit onderzoek dat in 1999 in Duitsland is verricht blijkt dat omwonenden van windturbines die een netto slagschaduwduur van meer dan 15 uur per jaar ervaren een hogere mate van dagelijkse hinder ervaren in hun leefomgeving 16 . Netto duur per dag 20 minuten per dag Een dagnorm voor netto duur gaat uit van een maximale hoeveelheid slagschaduw per dag, zonder verdere limieten. Als deze waarde is overschreden, worden windturbines stilgezet op het moment dat zij nog meer slagschaduw veroorzaken. We beschouwen in deze notitie een dagnorm van 20 minuten.

Dit is afgeleid uit een onderzoek van de universiteit van Kiel, waaruit specifiek naar voren komt dat in de eerste 20 minuten dat contrastrijke slagschaduw optreedt een fysieke reactie wordt veroorzaakt, die bij langere blootstelling daarna door het lichaam wordt gecompenseerd. De onderzoekers hebben aanbevolen de slagschaduwduur te beperken om effecten op langere termijn te voorkomen vanwege de energie die deze compensatie kost. 17 dagen meer dan 20 minuten per dag, overige dagen minder dan 20 minuten De buiten werking gestelde norm uit de Activiteitenregeling stelde dat 17 dagen per jaar meer dan 20 minuten slagschaduw mag optreden en alle andere dagen 19 minuten (minder dan 20). Dit levert per saldo dus een relatief hoge maximaal toegestane slagschaduwbelasting op.

11.4.2 Uitvoerbaarheid

Jaarnorm Een netto jaarnorm is wat nu in de praktijk wordt gebruikt. Een maximale nettowaarde voor slagschaduw is dus technisch zeker uitvoerbaar, al is de berekening complexer dan bij de voorgaande methodieken en wordt de berekening beïnvloed door de gehanteerde statistieken voor optredende zonneschijnduur en windsnelheid en windrichting. Die informatie is per definitie gebaseerd op statistieken uit het verleden. Door langjarige waarden te hanteren wordt voorkomen dat fluctuaties te veel invloed hebben op de berekening. Dagnorm Een dagnorm is in principe net zo uitvoerbaar als een jaarnorm. De berekeningen zijn hetzelfde, alleen wordt de normgrens op een andere manier gelegd.

11.4.3 Effectiviteit

Een netto norm voor slagschaduw heeft direct invloed op de hoeveelheid slagschaduw en mogelijke hinder bij gevoelige objecten. In tegenstelling tot een afstandsnorm of een bruto duurnorm wordt 16

Pohl, J, Faul, F, & Mausfeld, R; Belästigung durch periodischen schattenwurf von Windenergieanlagen, 1999.

20220131 Handreiking lokale normering Rotterdamse regio V1.0 (def).docx

44

namelijk gekeken naar de hinder die daadwerkelijk optreedt. Daarmee is een netto norm een betere eenheid om de hoeveelheid optredende hinder te verminderen.

11.4.4 Communicatief

Communiceren over een netto dag of jaarnorm kan complex zijn. Voor het bepalen van de netto slagschaduwduur zijn berekeningen nodig op basis van verwachtingen in de meteorologische omstandigheden. Dat betekent dat er altijd een mate van onzekerheid is. Daardoor is het niet altijd duidelijk of er aan de norm wordt voldaan. Ook kan pas achteraf worden vastgesteld of er over het afgelopen jaar te veel aan slagschaduw is geweest (zie handhaafbaarheid).

11.4.5 Maatwerkmogelijkheden

Een netto norm geeft mogelijkheden voor maatwerk. De maximale slagschaduwduur kan bijvoorbeeld worden aangepast. Maar het is ook mogelijk om slagschaduw op bepaalde momenten toe te staan, bijvoorbeeld omdat de omgeving op die momenten minder last heeft van de schaduw. Bijvoorbeeld een kantoorgebouw waar in het weekend niet gewerkt wordt, hoeft op die momenten ook niet beschermd te worden tegen slagschaduw. Daarnaast kunnen met een stilstandvoorziening eenvoudig momenten worden gekozen waarop de slagschaduw wordt weggenomen.

11.4.6 Handhaving en maatregelen

Het handhaven van een netto norm is op zichzelf goed mogelijk, maar kent wel enkele haken en ogen. Zo is bij een norm over een heel jaar pas aan het eind of gedurende het jaar vast te stellen of de norm wordt overschreden. Dit is namelijk afhankelijk van de vraag of de zon op een bepaald moment schijnt of niet 17 . Bij de vergunningverlening is het daarom aan te bevelen om voor in gebruik name van de windturbine een slagschaduw en stilstandkalender vast te stellen om daarmee eenvoudiger te kunnen toetsen of de windturbine ook stilstaat op de momenten dat dit benodigd is. Ook kan een slagschaduwsensor of camera op de gevel van een woning worden gemonteerd om gedurende een jaar te registreren of de voorspelde slagschaduw overeenkomt met de werkelijk optredende schaduw.

11.5 Welke objecten zijn slagschaduwgevoelig?

In de huidige wet- en regelgeving wordt een slagschaduwgevoelig object gelijkgesteld aan een geluidgevoelig object. De vraag is echter of die definitie wel juist is. Niet op alle plekken waar slagschaduw theoretisch kan optreden is er sprake van een milieu- of hindereffect. Bijvoorbeeld in een gebouw zonder ramen in de gevel in de richting van de windturbine kan geluid nog steeds een effect veroorzaken, echter een effect van slagschaduw is per definitie uitgesloten omdat er geen licht door een dichte gevel kan dringen. Voor de definitie van een slagschaduw gevoelig object of terrein wordt aangeraden onderscheid te maken in objecten bedoelt voor permanent verblijf van personen (o.a. woningen) en objecten of terreinen waar gedurende een langere tijdsduur (bijvoorbeeld een werkdag) mensen aanwezig zijn, maar niet permanent wonen. Hieronder wordt een definitie gegeven die gehanteerd zou kunnen worden:

17 Er is sprake van zonneschijn bij een minimale stralingsintensiteit van 120 Watt/m2, conform de definitie van de World Meteorological Organization: https://library.wmo.int/doc_num.php?explnum_id=3154

20220131 Handreiking lokale normering Rotterdamse regio V1.0 (def).docx

45

Een slagschaduwgevoelig object: Ieder object bedoeld voor bewoning of anderszins voor permanent verblijf van personen (woningen, woonboten of woonwagens en zorginstellingen) en voor zover de gevel of het dakvlak voorzien is van één of meerdere lichtdoorlatende vlakken in de richting van de windturbine(s). Overige slagschaduwgevoelige objecten of terreinen: Overige objecten of terreinen voor zover personen in een ruimte binnen dit object of op dit terrein gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven tijdens de daglichtperiode, en voor zover dit een gebouw of bouwwerk betreft, de gevel of het dakvlak voorzien is van één of meerdere lichtdoorlatende vlakken in de richting van de windturbine(s). Voorbeelden van overige slagschaduwgevoelige objecten (anders dan woningen en zorginstellingen) zijn dan onder andere: scholen, kantoorgebouwen, recreatiewoningen (niet permanent verblijf) horecagelegenheden en kampeerterreinen. Een stal, opslagloods, landbouwgrond, sportveld of parkeerterrein zijn voorbeelden van niet-slagschaduwgevoelige objecten of terreinen. Voor zover slechts een deel van een object als slagschaduwgevoelig kan worden aangemerkt (bijvoorbeeld een bedrijfspand met bijbehorend kantoorgedeelte), hoeft alleen dat deel als slagschaduwgevoelig te worden beschouwd.

Er kan uiteraard lokaal een afweging worden gemaakt om bepaalde objecten als ‘slagschaduwgevoelig’ of ‘overig slagschaduwgevoelig’ object te beschouwen. Ook kan een verschillend beschermingsniveau worden toegekend, afhankelijk van de functie. Voor een woning is een strengere bescherming op zijn plaats dan voor een recreatiewoning die niet voor permanente bewoning bedoeld is. Dat betekent echter niet dat een recreatiewoning geen enkele bescherming verdient, alleen kan die anders zijn dan een reguliere woning. Dit is ten alle tijden lokaal maatwerk en zou onderdeel van de afweging en normstelling moeten zijn.

11.6 Tot welke afstand moet slagschaduw nog worden beschouwd?

In theorie kan slagschaduw in oostelijke en westelijke richting heel ver rijken bij een laagstaande zon. Of slagschaduw ook relevant is en als hinderlijk moet worden beschouwd is echter van verschillende factoren afhankelijk. Op grotere afstand wordt de schaduw minder ‘hard’, dat wil zeggen: het verschik tussen licht en donker wordt steeds geringer. Dit komt doordat ook veel licht van de zon niet meer wordt afgedekt door het windturbineblad. Als er sprake is van een minimale afdekking van de lichtbron (in dit geval de zon) van 20% van het oppervlak van bron (zie figuur 6) is nog sprake van mogelijk hinderlijke schaduw. Als dit minder is, zal zoveel licht rond het object – in dit geval het windturbineblad - buigen dat van een effectieve schaduw geen sprake is 18 .

De afstand waarbij 20% afscherming van de zon optreedt kan berekend worden met: Max. distance = (5*w*150.000.000) / 1.097.780 waarbij w staat voor de gemiddelde dikte van een rotorblad gebaseerd op de maximale dikte en de dikte op 90% rotorbladlengte. Alternatief kan ook = w / bgtan( (0,2*π*(0,531/2)^2)/0,531) gebruikt worden. 18

20220131 Handreiking lokale normering Rotterdamse regio V1.0 (def).docx

46

Figuur 6 Minimale afdekking als voorwaarde voor optreden ‘schaduw’

Het is dus aan te bevelen om de afstand tot waarop slagschaduw nog beoordeeld moet worden te begrenzen. Dit kan door een vaste afstand te hanteren in meters, een afstand gerelateerd aan de afmetingen van de windturbine, of een afstand gerelateerd aan het effect zoals hierboven beschreven. Met steeds groter wordende windturbines is het meest voor de hand liggend om het effect als basis te nemen.

11.7 Verschil in seizoen

Slagschaduw wordt regelmatig als hinderlijker ervaren in de zomerperiode dan in de winter. Het treedt ook vaker op in die periode omdat de zon meer schijnt. Mensen zijn meer rond hun woning aanwezig en ook vaker aanwezig op bijvoorbeeld overige gevoelige objecten (zoals een kampeerterrein of recreatiepark). Vanuit deze optiek zou bijvoorbeeld overwogen kunnen worden om objecten anders te beoordelen of beschermen in de zomer- of winterperiode. Tegelijkertijd is wel de vraag of dit in een norm vervat zou moeten worden, of dat dit ook tot uiting kan komen in maatwerkafspraken tussen de windturbine-exploitant en de gemeente en/of eigenaren en gebruikers van de betreffende slagschaduwgevoelige objecten.

12 Externe veiligheid

Hoewel de kans zeer klein is, kunnen windturbines omvallen of kunnen er onderdelen afbreken. Het risico van de windturbines op de omgeving wordt beoordeeld aan de hand van een aantal criteria, die zijn afgeleid uit wet- en regelgeving en adviezen voor toetsing van beheerders van infrastructurele werken. Het risico op de omgeving kan in een aantal verschillende maten inzichtelijk worden gemaakt. Aan deze maten kunnen ook verschillende vormen van normstellingen worden gehangen. Door het beperken van een bepaalde maat van risico wordt ook een specifieke vorm van bescherming voor de omgeving geboden. In onderstaande paragrafen zijn enkele vaak voorkomende beoordeling systematieken beschouwd op geschiktheid als mogelijke normstelling.

20220131 Handreiking lokale normering Rotterdamse regio V1.0 (def).docx

47

12.1 Plaatsgebonden risicocontouren

Een risicocontour geeft aan hoe groot in de omgeving de overlijdenskans is door een ongeval met een risicobron: binnen de contour is het risico groter, buiten de contour is het risico kleiner. Een risicocontour geeft dus de hoeveelheid risico op een bepaalde plaats aan. Een effectafstand geeft dan weer aan tot waar het risico van een bepaald faalscenario maximaal kan optreden. Een effectafstand geeft dus niet de kans weer dat het ongeval plaatsvindt maar zegt iets over de maximale afstand tot waar een incident een effect kan hebben. Figuur 7 Mogelijke faalscenario’s van een windturbine, de effectafstand is de maximale afstand tot waar een scenario een effect heeft

12.1.1 Technische toelichting

Het plaatsgebonden risico is een maat die staat voor de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtsreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats in de omgeving permanent (24 uur voor 365 dagen) en onbeschermd verblijft. Het plaatsgebonden risico rekent daarmee de maximale trefkans uit voor een individueel persoon die permanent aanwezig is. Deze maat is dan ook niet geschikt voor beoordeling van tijdelijke voorbijgangers/ passanten. Het risico wordt uitgedrukt in een kans op overlijden waarbij de veelal de conservatieve aanname wordt gedaan dat treffen door een windturbineonderdeel gelijk staat aan 100% kans op overlijden. De kans wordt tevens conservatief berekend zonder rekening te houden met vluchtgedrag of andere actieve actie van het potentiële slachtoffer om risico’s te vermijden of uit de weg te gaan. Het plaatsgebonden risico is daarmee een conservatieve maat voor het maximale risico dat in de omgeving kan worden ervaren op een bepaalde locatie. Het plaatsgebonden risico kan voor elke vierkante meter in de omgeving van een windturbine worden berekend. Een plaatsgebonden risicocontour geeft aan op welke afstand vanaf de bron (windturbine) het risico boven een bepaalde waarde is. De uitkomsten van de specifieke ligging van de risicocontouren wijzigt naar gelang de eigenschappen van het betrokken windturbinetype.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13674503/1