Kaders ontwikkeling Meeuwenoord versie 040226
Tekst van het document
•
Definitieve bepaling van het maximaal haalbare woningbouwprogramma, mede op basis van stikstof, mobiliteit en provinciale kaders.
Deze stappen zijn noodzakelijk om marktpartijen een realistisch, uitvoerbaar en juridisch houdbaar kader te bieden. Uitgangspunten • In twee stappen komen tot selectie partner o Stap 1 = voorselectie In een eerste stap worden geschikte partijen of combinaties aangesproken om in te schrijven voor de opgave. Een selectie vindt hierbij plaats op basis van van te voren vastgestelde (uitsluit) criteria, zoals: Referentie: het indienen een aansluitend referentie project Geschiktheidseisen, zoals financiële gezondheid, ervaring, beschikbaar team, uitsluiting inmenging Rusland, etc. Ontwikkelvisie voor de locatie o Stap 2 = partnerselectie Na de selectie van enkele partijen vanuit de voorselectie krijgen de geselecteerde partijen de kans om zich op basis van gunningscriteria te onderscheiden van de concurrentie. Dat kan op basis van prijs-kwaliteit waarvoor criteria worden opgesteld. Richtlijnen • Vergoeding: beperkte vergoeding t.b.v. stimuleren doorgronden opgave Nader te onderzoeken • Omgevingsmanagement, contact met: o Deltalinqs / RAK-partners o Waterschap Hollandse Delta o Recreatieschap Voorne-Putten o Provincie Zuid-Holland o Rijkswaterstaat (?) o Staatsbosbeheer 27
• •
Aanbestedingsbeleid gemeente: Europees / nationaal aanbesteden Didam arrest (II)
4.5 Fasering van het proces Het proces wordt als volgt ingericht: Voorselectie (voorjaar–zomer 2026) De voorselectie richt zich op geschiktheid, ervaring en visie. Deze fase kan parallel worden uitgevoerd aan de gemeentelijke voorbereidingstrajecten. Voor de zomer van 2026 worden 3–5 partijen geselecteerd. Parallelle gemeentelijke voorbereiding (voorjaar–najaar 2026) Tijdens de voorselectie werkt de gemeente aan: •
de ontsluitingsstudie;
•
de provinciale afstemming;
•
het opstellen van het selectiedocument voor de partnerselectie.
Partnerselectie (najaar 2026) Zodra de voorkeursvariant voor de ontsluiting bestuurlijk is vastgesteld en er meer duidelijkheid bestaat over de provinciale ruimte, wordt de partnerselectie opgestart. In deze fase werken de geselecteerde partijen hun plannen uit en vindt de beoordeling plaats op kwaliteit, duurzaamheid, stedenbouw, mobiliteit en financiële bieding.
28
Bijlage 1 Provinciale omgevingsverordening
29
Instructieregels provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland (versie 1-07-2025) Artikel ZHOV
Par.7.3.2 Externe (omgevingveiligheid)
veiligheid
Inhoud van het artikel
Toetsing van de ontwikkeling
Artikel 7.18 (groepsrisicobenadering Indien een omgevingsplan voorziet in een De locatie Meeuwenoord is niet binnen aandachtsgebieden met verhoogd ruimtelijke ontwikkeling binnen een brandaandachtsgebieden en groepsrisico) aandachtsgebied is in een aantal specifiek explosieaandachtsgebieden gelegen. Wel bevindt de benoemde gevallen een kwantitatieve beoordeling locatie zich binnen gifwolkaandachtsgebieden. Er is geen van het groepsrisico noodzakelijk. Daarnaast zijn sprake van een situatie waarvoor op grond van de de aspecten benoemd die bij een verantwoording verordening een kwantitatieve beoordeling van het van het groepsrisico moeten worden betrokken. groepsrisico noodzakelijk is. Wel dient (in het kader van de wijziging van het omgevingsplan) een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Matthijs? Par.7.3.4 Waterkeringen Artikel 7.25 (geen belemmeringen voor In deze artikelen zijn regels opgenomen ter regionale waterkeringen) bescherming van regionale waterkeringen. Artikel 7.26 (profiel van vrije ruimte)
Par.7.3.5 Grondwaterkwaliteit Artikel 7.27 t/m 7.35
Par.7.3.6. LiB-5 contour Schiphol
De locatie Meeuwenoord is niet binnen het beperkingengebied van een regionale waterkering gelegen.
In deze artikelen zijn regels opgenomen voor het toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie. Bouwen is alleen toegestaan als door onderzoek is aangetoond dat er geen sprake is van een verontreiniging van het grondwater.
Randvoorwaardelijk (bodem- / grondwateronderzoek noodzakelijk)
n.v.t
n.v.t.
Par. 7.3.6a Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen Artikel 7.41a klimaatverandering)
(risico’s
van 1 In een omgevingsplan wordt rekening gehouden Randvoorwaardelijk met de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; 30
d. droogte; alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling. 2 Voor zover risico’s aan de orde zijn wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, of het gericht aanvaarden van deze risico’s. Artikel 7.41aa (toekomstbestendig bouwen van woningen)
1. Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke Randvoorwaardelijk ontwikkeling met 12 woningen of meer mogelijk maakt, betrekt daarbij de mogelijkheden en kansen voor toekomstbestendig bouwen. 2. De volgende aspecten van toekomstbestendig bouwen worden in onderlinge samenhang betrokken: a. de risico's van klimaatverandering; b. de energiehuishouding van de gebouwen, met name het gebruik en de opwekking van energie; c. de toepassing van circulaire of biobased grondstoffen of producten; d. de mogelijkheden om de emissies van NOx en CO2 te beperken in de bouw- en gebruiksfase; e. het reduceren van drinkwatergebruik door waterbesparende maatregelen te treffen; f. het versterken van de biodiversiteit; en g. het realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving.
Par.7.3.7. Ruimtelijke kwaliteit 31
Artikel 7.42 (aanwijzing en geometrische Aanwijzing van de verschillende begrenzing gebieden met beschermingscategorieën beschermingscategorieën)
Gebied ligt voor een deel in beschermingscategorie 3 (groen in figuur)) Artikel 7.43 (definitiesoort ruimtelijke Voor de toepassing van deze paragraaf wordt In dit geval is sprake van transformeren. ontwikkeling) verstaan onder: a. inpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied; b. aanpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau; c. transformeren: de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Artikel 7.43a kwaliteit)
(borgen
ruimtelijke 1 Een omgevingsplan laat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toe als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2 In een omgevingsplan wordt voor het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit rekening gehouden met:
Er is hier sprake van transformatie binnen beschermingscategorie 3 (buitengebied). De lagen en richtpunten uit de Kwaliteitskaart Zuid-Holland dienen betroken te worden bij de uitwerking van de ontwikkeling. De ruimtelijke kwaliteit moet per saldo gelijk . De volgende richtpunten zijn relevant: 32
a. de beschermingscategorie en het gebiedstype; b. het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling : inpassen, aanpassen en transformeren; c. de relevante richtpunten, genoemd in bijlage IX, onder A.
Laag van de ondergrond : Rivierdeltacomplex- jonge zeeklei -
Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. - Ontwikkelingen in het rivierengebied houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen: zeekleipolders -
Versterken van de kreek als herkenbare landschappelijke structuurdrager van het zeekleilandschap. - Nieuwe bebouwing concentreert zich in of bij compacte kernen of wordt geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in het open middengebied van de polders. - Herkenbaar houden van het patroon van (ronde) opwas- en (langgerekte) aanwaspolders door behouden en versterken van de (beplante) dijk als herkenbare landschappelijke structuurdrager in contrast met de grootschalige, open polder. - Behoud van het contrast tussen de binnendijkse akkerbouwpolders en buitendijkse natuur. Laag van de stedelijke occupatie Steden en dorpen : steden -
-
Ruimtelijke ontwikkelingen dragen bij aan het versterken van kenmerken/identiteit van de betreffende stad. Stedelijke ontwikkelingen dragen bij aan de versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur in samenhang met noodzakelijke aanpassing aan veranderend klimaat (voorkomen van hittestress en wateroverlast). 33
-
Een nieuwe stedelijke uitbreiding bouwt voort op het bestaande stadsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand. Stads- en dorpsranden
-
Ontwikkelingen in stads- en dorpsranden moeten bijdragen aan een goede overgang tussen stad en buitengebied, met aandacht voor doorgaande landschappelijke structuren, toegankelijkheid, recreatieve verbindingen tussen stad en land en het ontwerp van de stads- en dorpsrand zelf. Provinciaal hoofdfietsnetwerk
-
Voorkomen van (nieuwe) obstakels in het fiets-, wandel, ruiter- en vaarnetwerk door bijvoorbeeld verbreding en aanleg van wegen of nieuwe woonlocaties. - Recreatieve voorzieningen worden zoveel mogelijk gekoppeld aan recreatieknooppunten in het recreatieve netwerk. Waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van het cultuurhistorisch erfgoed of andere recreatief interessante locaties. Ontwikkelen van kleinschalige verblijfsmogelijkheden, gekoppeld aan de het netwerk. Ontsluiten van landschappen en steden en de verbindingen ertussen voor fietsen, wandelen, paardrijden en varen. - Verder ontwikkelen en verbeteren van het provinciale hoofdnetwerk fiets, het wandel- ruiteren vaarnetwerk. Provinciaal hoofdwandelnetwerk -
-
Voorkomen van (nieuwe) obstakels in het fiets-, wandel, ruiter- en vaarnetwerk door bijvoorbeeld verbreding en aanleg van wegen of nieuwe woonlocaties. Recreatieve voorzieningen worden zoveel mogelijk gekoppeld aan recreatieknooppunten in het 34
recreatieve netwerk. Waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van het cultuurhistorisch erfgoed of andere recreatief interessante locaties. Ontwikkelen van kleinschalige verblijfsmogelijkheden, gekoppeld aan de het netwerk. Ontsluiten van landschappen en steden en de verbindingen ertussen voor fietsen, wandelen, paardrijden en varen. - Verder ontwikkelen en verbeteren van het provinciale hoofdnetwerk fiets, het wandel- ruiteren vaarnetwerk. Laag van de ruimtelijke kwaliteit van de cultuurhistorie Er is sprake van een molenbiotoop, zie ook artikel 7.71 Artikel 7.43c (randvoorwaarden soorten 1. Een omgevingsplan kan voorzien in een Het betreft hier transformatie. Dus lid 3 van toepassing. ruimtelijke ontwikkeling) nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort Richtpunten ruimtelijke kwaliteit relevant. Integraal ontwerp nodig met aandacht voor overgangen. inpassen als deze rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. 3.
Een omgevingsplan kan alleen voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van de soort transformeren als de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke 35
en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.
7.43d(motivering locatiekeuze aanpassen en transformeren)
bij 1 Voor zover een omgevingsplan een nieuwe mogelijk maakt, bevat deze een zorgvuldige afweging over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van de locatie en de effecten van de ontwikkeling daarop. 2 Het eerste lid is alleen van toepassing als: a. er sprake is van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen of transformeren; of b. één of meer richtpunten voor als bedoeld in bijlage IX, onder A, in het geding zijn.
Artikel 7.43e (randvoorwaarden bij aanpassen en transformeren)
Om de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk te houden of te waarborgen kan het nodig zijn om aanvullende maatregelen te nemen bij een ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen en transformeren. Aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit (een combinatie van): a. duurzame sanering van bestaande , en boom- en sierteelt; b. wegnemen van verharding;
Er is sprake van transformeren. Richtpunten kwaliteitskaart relevant en motivering locatiekeuze nodig.
Er is sprake van transformatie, onderbouwen dat ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd wordt.
36
c. toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; d. andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert, waarbij: 1°. aanvullende maatregelen worden getroffen binnen de locatie van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling , tenzij kan worden gemotiveerd dat dat onmogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen buiten de locatie worden betrokken in de motivering; 2°. als aanvullende maatregelen niet volstaan, financiële compensatie wordt toegepast. Artikel 7.43f (uitzonderingen transformaties en aanpassingen) Artikel 7.43g (compensatie weidevogelgebieden of karakteristieke landschapselementen)
n.v.t. (heeft betrekking op bescherming categorieën 1 en 2 n.v.t.
Artikel 7.43h (gebiedstype: beschermingscategorie 3 buitengebied
1 Locatie ligt deels in het buitengebied, deels in bestaand Een omgevingsplan voor een locatie in stads- en dorpsgebied. Onderbouwen dat het buitengebied als bedoeld in artikel 7.42, zesde gebiedskenmerken g en het groene karakter niet lid, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onevenredig worden aangetast bij transformatie naar mits de gebiedskenmerken en het groene karakter een woonwijk. Gebied is niet aangewezen als grote van het landschap niet onevenredig wordt buitenstedelijke bouwlocatie. aangetast, zoals blijkt uit een afdoende motivering die ook ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied
n.v.t. Locatie betreft (deels) beschermingscategorie 3 n.v.t.
2 In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: 37
a. de kenmerkende maat, schaal en het groene karakter van het landschap; b. de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; c. het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; d. de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. 3 Het eerste lid is niet van toepassing op grote buitenstedelijke bouwlocaties als bedoeld in artikel 7.46. Artikel 7.43i t/m n Artikel 7.44 (afgestemde behoefte)
N.v.t. (gaat over bescherming categorie 1 en 2) regionale Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor wonen, bedrijventerreinen of kantoren mogelijk maakt houdt rekening met de op de behoefteramingen van gedeputeerde staten gebaseerde regionale afgestemde behoefte aan deze ontwikkeling. De regionaal afgestemde behoefte kan blijken uit een geheel of gedeeltelijke instemming met regionale bestuurlijke afspraken door gedeputeerde staten of uit een door gedeputeerde staten openbaar gemaakt document.
n.v.t. gebied heeft (deels) beschermingscategorie 3 Meeuwenoord is opgenomen in de lijst met 200+ woningen in de woondeal Rotterdam 2022-2030 https://www.volkshuisvestingnederland.nl/site/binaries /sitecontent/collections/documents/2023/04/21/woondeals -zuid-holland/Woondeal+Rotterdam+2022-2030..pdf
Deze lijst bevat het merendeel van de projecten met 200 of meer woningen die zijn opgenomen in het door
38
GS op 24 januari 2023 vastgestelde regionale woningbouwprogramma van regio Rotterdam. Over type woningen zijn hierin geen specifieke afspraken gemaakt, alleen algemeen dat iedere gemeente toegroeit naar tweederde betaalbaar.
Artikel 7.45 (ladder voor duurzame 1. Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke verstedelijking) ontwikkeling mogelijk maakt gaat in de motivering in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking
Behoefte aan woningen mag op voorhand worden aangenomen. Over een aantal van 200 woningen zijn reeds regionale afspraken gemaakt, zie bij artikel 7.44 T.z.t. nog wel Ladder doorlopen.
overeenkomstig artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 2. Als over de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd of die door gedeputeerde staten zijn vastgesteld, dan kan de motivering van de behoefte, bedoeld in artikel 5.129g, tweede lid, onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken. Artikel 7.45b (dichtheid verscheidenheid woningbouw)
en 1. Een omgevingsplan voor een stedelijke ontwikkeling met de functie wonen houdt
Zo hoog mogelijké dichtheid en variatie in woningtypes moet uitgangpunt zijn.
rekening met een zo hoog mogelijke woningdichtheid en draagt bij aan een goede woon- en leefomgeving. 2. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerst lid, betrekt de mogelijkheden voor gevarieerde woningtypen bij het toelaten van 39
woningbouw.
Artikel 7.45c (bereikbaarheid)
Een omgevingsplan voor een nieuwe ruimtelijke Door middel van een verkeersonderzoek moet t.z.t. ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van inzichtelijk worden gemaakt wat de invloed van de die ontwikkeling voor de bereikbaarheid. ontwikkeling op de bereikbaarheid van de ontwikkeling en de omgeving is. Artikel 7.45ca (kansen voor biodiversiteit) Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke Mogelijkheid voor biodiversiteit als uitgangspunt ontwikkeling mogelijk maakt, betrekt daarbij de nemen. mogelijkheden voor het bevorderen van de biologische diversiteit. Artikel 7.45f d en e Artikel 7.45f (parkeernorm sociale huur)
n.v.t. gaat over stationsomgevingen Een omgevingsplan dat voorziet in nieuwe sociale huurwoningen hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per sociale huurwoning. 1. In afwijking van het eerste lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als er op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren zijn vastgesteld gebaseerd op het autobezit per woningtype of woonoppervlak.
n.v.t. Gemeentelijke normen sociale huur liggen deels hoger, eventueel gemotiveerd afwijken van provinciale parkeernorm sociale huur.
Artikel 7.45fa
n.v.t. gaat over grote buitenstedelijke bouwlocaties
n.v.t. gebied is niet als zodanig aangewezen
Artikel 7.45g Artikel 7.45h (functiemenging meervoudig ruimtegebruik)
n.v.t. gaat over recreatiewoningen en Een omgevingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor de functies wonen of bedrijven, houdt rekening met de mogelijkheden voor functiemenging en meervoudig ruimtegebruik
n.v.t. Rekening houden met mogelijkheden voor functiemening en meervoudig ruimtegebruik.
Artikel 7.45i
n.v.t. gaat over huisvesting arbeidsmigranten
n.v.t.
Artikel 7.46 en 7.47
n.v.t. gaat over grote buitenstedelijke
n.v.t. Gebied is niet als zodanig aangewezen 40
bouwlocaties Artikel 7.47a (voldoende sociale huurwoningen)
1. Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met 12 woningen of meer
Relevant voor beoogd programma. Minimaal 30% sociaal
mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen, zijnde huurwoningen met een aanvangsprijs onder de grens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, die minimaal 25 jaar in stand worden gehouden en via een woonruimteverdeelsysteem worden verhuurd. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan 30% sociale huurwoningen of wat hierover is vastgelegd in de afgestemde regionale behoefte als bedoeld in artikel 7.44. 2. Een omgevingsplan als bedoeld in het eerste lid gaat in de motivering in op: a. welke wijze de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in voldoende sociale huurwoningen en hoe die stedelijke ontwikkeling bijdraagt aan het streven naar minimaal 30% sociale huur in de woningvoorraad per gemeente; b. het aandeel sociale huurwoningen in de woningvoorraad van de gemeente en het effect van de stedelijke ontwikkeling op dit aandeel; en c.
het aandeel sociale huurwoningen in de woningvoorraad in bezit bij corporaties en het effect van de stedelijke ontwikkeling op dit aandeel.
3. Als over het aandeel sociale huurwoningen in 41
een nieuwe stedelijke ontwikkeling regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd, dan kan de motivering bedoeld in het tweede lid, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken. Artikel 7.47b (voldoende betaalbare woningbouw
1 Over type woning geen specifieke regionale afspraken, Een omgevingsplan dat een gemeente moet toegroeien naar 2/3 betaalbaar nieuwe ontwikkeling met 12 woningen of meer mogelijk maakt voorziet in voldoende betaalbare woningbouw. 2 Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan: a. minimaal 2/3 betaalbare woningbouw; dan wel b. wat hierover is vastgelegd in een mede door gedeputeerde staten vastgestelde afgestemde regionale woningbouwprogrammering in het kader van de afgestemde regionale behoefte, bedoeld in artikel 7.44. 3 Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, gaat in de motivering in op welke wijze de nieuwe ontwikkeling voorziet in voldoende betaalbare woningbouw en hoe die ontwikkeling bijdraagt aan 2/3 betaalbare woningbouw. 4 Als het aandeel betaalbare woningbouw in een ontwikkeling met 12 woningen of meer in een afgestemde regionale woningbouwprogrammering is opgenomen, dan kan de motivering bedoeld in het derde lid, bestaan uit een verwijzing naar die programmering. 42
Artikel 7.47c (overgangsrecht
n.v.t.
n.v.t.
Artikel 7.3.9 t/m 7.13.18 niet van toepasing Par. 7.3.19 Traditionele windmolens Artikel 7.71 (aanwijzing en geometrische Aanwijzing molenbiotoop begrenzing molenbiotopen)
Artikel 7.72 (bescherming molenbiotoop) 1 Rekening houden met molenbiotoop. Geen sprake van Een omgevingsplan voor een als bedoeld artikel bijzondere molenbiotoop 7.71, eerste en tweede lid, garandeert in voldoende mate de vrije windvang en het zicht op de molen en neemt de volgende waarden in acht: a. binnen een straal van 100 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, wordt geen bebouwing of beplanting toegelaten, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wieken; b. binnen een straal van 100 tot 400 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden de volgende hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting: ○ 1°. voor zover dit gebied is gelegen buiten bestaand stad- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte niet meer dan 1/100ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de 43
hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wieken; ○ 2°. voor zover dit gebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte van bebouwing en beplanting niet meer dan 1/30ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wieken. Niet van toepassing: 2 In afwijking van het eerste lid is mogelijk ten behoeve van: a. een ontwikkeling binnen een molenbiotoop waarin vrije windvang en het zicht op de molen al zijn beperkt door , zolang de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt, of zeker is gesteld dat de belemmering van de windvang en het zicht op de molen door maatregelen elders in de molenbeschermingszone worden gecompenseerd; of b. een ontwikkeling binnen een bijzondere molenbiotoop als bedoeld in artikel 7.71, tweede lid, mits de molen en de molenbiotoop op een goede manier ruimtelijk worden ingepast. Par7.3.20 Landgoederen en kastelen
N.v.t.
Par 7.3.21 Energie
N.v.t, Betreft locaties voor windmolens, kleine n.v.t. windmolens en zonnevelden
44
Par. 7.3.23a Hoofdfietsnetwerk en lange afstands wandelpaden
4.
Artikel 7.79a (aanwijzing en geometrische begrenzing hoofdfietsnetwerk en lange afstands wandelpaden)
Artikel 7.79b (behoud en verbetering hoofdfietsnetwerk en lange afstands wandelpaden)
Een omgevingsplan dat voorziet in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met het belang van de instandhouding en zo mogelijk de verbetering van het hoofdfietsnetwerk en de lange afstands wandelpaden
Rekening mee houden
Par. 7.3.24 Beschermingszones drinkwatervoorziening (infrastructuur)
n.v.t.
n.v.t.
45
Bijlage 2 Omgevingsscan DCMR
46
Gemeente Voorne aan Zee T.a.v. de heer D. Duijser d.duijser@voorneaanzee.nl
Parallelweg 1 Postbus 843 3100 AV Schiedam T 010 – 246 80 00 E info@dcmr.nl W www.dcmr.nl
Ons kenmerk
Uw kenmerk
Datum
Contact
Afdeling
Bijlagen
info@dcmr.nl
Reguleren Advies en Omgeving
1
4341385_10202993
Onderwerp
RO - Omgevingsscan Milieu Meeuwenoord
Geachte heer Duijser, Hierbij ontvangt u de omgevingsscan, inclusief het aspect ‘bodem en water sturend’ voor de mogelijke woningbouwontwikkeling binnen de wijk Meeuwenoord in Brielle. Deze omgevingsscan geeft inzicht in de milieuaspecten waarmee rekening dient worden gehouden bij de nadere ontwikkeling van deze planlocatie. Kader Voor het opstellen van dit advies heb ik het volgende als kader gehanteerd: • De Omgevingswet (Ow); • het Omgevingsbesluit (Ob); • het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); • het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); • het Omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee; • de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV); • diverse openbare bronnen. Voor dit advies heb ik geen rapporten beoordeeld. Het uitgangspunt is een situatieschets van het beoogde plangebied. Conclusie Ik concludeer dat voor de ontwikkeling ‘Meeuwenoord’ de volgende aspecten het meest relevant zijn: • Een mer-beoordeling is noodzakelijk. Een mer-procedure kan worden overwogen; • de maximale ontheffingswaarde voor industrielawaai wordt overschreden. Voor de realisatie van het plan moet een Stap-3 Besluit worden genomen in het kader van de Interimwet Staden milieubenadering. Ook zijn extra compenserende maatregelen noodzakelijk;
Blad 1 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
•
• •
het plangebied ligt binnen de 48 en 49 dB nestgeluidcontour. Dit moet worden betrokken bij de effectbepaling vanwege het nestgeluid en de aanvaardbaarheidsbeoordeling van het cumulatieve geluid; het plangebied ligt binnen het gifwolkaandachtsgebied (afgekapt op 1.500 meter). Het groepsrisico moet worden verantwoord; het aspect ‘bodem en water sturend’ geeft een aantal aanbevelingen, waaronder het uitvoeren van een milieuhygiënisch vooronderzoek, een onderzoek naar de aanwezigheid van kabels en buisleidingen en een onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van explosieven.
Voor nadere informatie kunt u contact opnemen met heer A.J.H. Wassink telefoonnummer 0102468499 of e-mailadres ton.wassink@dcmr.nl. Hoogachtend,
namens de directeur DCMR Milieudienst Rijnmond, A.J.H. Wassink adviseur afdeling Reguleren, Advies en Omgeving DCMR maakt gebruik van digitaal vaststellen, daarom ontbreekt een zichtbare handtekening
Blad 2 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
Bijlage 1: Omgevingsscan Meeuwenoord Aanleiding en plangebied De gemeente Voorne aan Zee verkent de mogelijkheden voor realisatie van een woonwijk in Brielle in de wijk Meeuwenoord. Het betreft onder meer het voormalige sportpark. In dat kader is gevraagd om een omgevingsscan milieu met ook aandacht voor water en bodem.
Plangebied ‘Meeuwenoord’ Legenda kleurcodes ++ + ? X
Milieuaspect Milieueffect rapportage
Milieuaspect is niet van toepassing. Milieuaspect moet worden onderbouwd in de ETFAL/GoFlo. Milieuaspect moet worden onderzocht. Milieuaspect staat de uitvoering van het plan in de weg, aanpassing van het plan is noodzakelijk. Benodigd onderzoek/kader Beoordelingskader In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten mer-(beoordelings)plichtig zijn. Ook Afdeling 11.2 van Ob en paragraaf 16.4.2 wordt betrokken bij het bepalen van de project-mer(beoordelings)plicht. Paragraaf 16.4.1. van de Omgevingswet en afdeling 11.1 van het Ob bevatten het wettelijk kader voor de plan-mer-(beoordelings)plicht en worden indien van toepassing ook betrokken in het advies. Blad 3 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
Ook jurisprudentie maakt onderdeel uit van het beoordelingskader van de mer-(beoordelings)plicht, zoals jurisprudentie over samenhang en voorzienbaarheid bijvoorbeeld. Analyse Het plan moet worden aangemerkt als een Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen (Ob, bijlage V, nummer J11). Een mer-beoordeling is noodzakelijk. Ik adviseer hiervoor een aanmeldnotitie op te stellen. Gezien het hier gaat om een milieubelaste locatie kan een mer-procedure worden overwogen. Geluid algemeen
Beoordelingskader Het Bkl kent met betrekking tot geluid instructieregels in hoofdstuk 3 (paragraaf 3.5) en hoofdstuk 5. De instructieregels in paragraaf 3.5 zijn van toepassing op (het beheersen van) het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen (al dan niet middels geluidproductieplafonds). In hoofdstuk 5 zijn instructieregels te vinden voor geluid in het omgevingsplan. Instructieregels standaardwaarden en grenswaarden voor nieuwe geluidgevoelige gebouwen binnen de geluidaandachtsgebieden langs wegen en spoorwegen: Provinciale wegen en rijkswegen Standaardwaarde: 50 Lden Grenswaarde: 60 Lden Gemeentewegen en waterschapswegen Standaardwaarde: 53 Lden Grenswaarde: 70 Lden Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen Standaardwaarde: 55 Lden Grenswaarde: 65 Lden Industrieterreinen Standaardwaarde: 50 Lden / 40 Lnight Grenswaarde: 55 Lden / 45 Lnight Nestgeluid Het geluid van afgemeerde schepen in de haven, voor zover niet gereguleerd in milieuvergunningen, moet opgeteld worden bij het geluid Blad 4 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
van de activiteiten in de haven. Tot voor kort werd deze geluidbron vaak niet meegenomen bij de geluidberekeningen voor de vaststelling van de geluidruimte van de haven in bestemmingsplannen en vergunningen voor bedrijven én bij de gevelisolatie van woningen. Voor de werkwijze wordt verwezen naar de memo ‘Interim-werkwijze nestgeluid Regio Rijnmond’. Geluid door activiteiten Beschrijving
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door activiteiten Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden
07.0019.00 uur 50 dB (A)
19.0023.00 uur 45 dB(A) 70 dB (A)
23.0007.00 uur 40 dB (A) 70 dB (A)
65 dB (A)
65 dB (A)
Wanneer wordt voldaan aan de standaardwaarden is de geluidbelasting aanvaardbaar. Bij geluidbelastingen tussen de standaardwaarde en grenswaarde is een nadere afweging van de aanvaardbaarheid noodzakelijk. In uitzonderingssituaties kunnen onder bepaalde voorwaarden ook geluidbelastingen boven de grenswaarden worden toegestaan. Wanneer de geluidbelasting tussen de standaardwaarde en grenswaarde valt dan wordt getoetst conform de huidige systematiek (met voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden uit de Wet geluidhinder) aan de voorwaarden uit het (interim) gemeentelijk geluidbeleid. *Verkeerszones voor akoestisch onderzoek* uit artikel 17.5 omgevingsregeling: a. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m; b. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en c. voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. Meer dan 1000 motorvoertuigen per etmaal jaar gemiddelde is geluid relevant.
Blad 5 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
Geluidbeleid gemeente Met de gemeentelijke fusie van de gemeenten Brielle, Westvoorne en Hellevoetsluis en het nog niet harmoniseren van het beleid, is het geluidbeleid van Brielle komen te vervallen Analyse Industrielawaai Het plangebied is gelegen binnen de geluidzone van het havenindustriecomplex Maasvlakte/Europoort. Zolang de geluidproductieplafonds niet zijn vastgesteld blijft de Wet geluidhinder van toepassing. Het plangebied ligt voor het grootste deel binnen de 56 tot en met de 58 dB-contour zoals vastgesteld binnen het Regionale afsprakenkader (RAK). Met deze waarden wordt niet alleen de voorkeursgrenswaarde overschreden, maar de maximale ontheffingswaarde. Het plan is niet zonder meer uitvoerbaar. Door extra compenserende maatregelen te treffen voor een gezonde leefomgeving bestaat nog de mogelijkheid een Stap-3 Besluit te nemen in het kader van de Interimwet Stad- en milieubenadering.
Geluidcontouren Maasvlakte/Europoort (bron RAK, Regionale AfsprakenKader)
Toelichting Artikel 12.13f van de Aanvullingswet geluid vormt een nadere uitwerking Blad 6 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
van de overgangsrechtelijke bepalingen die zijn opgenomen in de artikelen 3.5 en 3.6 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet. De artikelen 3.5 en 3.6 regelen dat het materiële recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van die wet van toepassing blijft zolang nog geen geluidprocuctieplafonds (GGP’s) zijn vastgesteld voor provinciale wegen en industrieterreinen. Naast de Wet geluidhinder blijft ook verwante wetgeving van toepassing die gold direct voor inwerkingtreding van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet, zoals de op dat moment bestaande mogelijkheden om af te wijken van de Wet geluidhinder op grond van de Crisis- en herstelwet en de Interimwet stad-en-milieubenadering. Voor het geluidgezoneerde industrieterrein ‘Botlek/Penis’ zijn nog geen GPP’s vastgesteld. Dit betekent dat het onderdeel industrielawaai nog beoordeeld moet worden onder de Wet geluidhinder (artikel 3.6 van de Aanvullingswet geluid). Zoals al aangegeven wordt de maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) overschreden. Bron- of overdrachtsmaatregelen om de geluidbelasting te reduceren zijn redelijkerwijs niet uitvoerbaar. Door extra compenserende maatregelen te treffen voor een gezonde leefomgeving bestaat nog de mogelijkheid een zogenaamd Stap-3 Besluit te nemen in het kader van de Interimwet Stad- en milieubenadering. Echter, dit is een zwaar middel.
Het is aan de gemeente Voorne aan Zee om hier al dan niet in mee te gaan. Indien de gemeente hier een positieve houding in neemt, dan is het aan de initiatiefnemer dit uitgebreid te onderbouwen en te motiveren welke compenserende maatregelen worden genomen in het kader van het te nemen stap 3-Besluit. Dit moet in samenspraak met de stakeholders binnen RAK. Nestgeluid Het plangebied ligt binnen de invloedsfeer van nestgeluid. Maar ligt niet binnen 600 meter van ligplaatsen. De ontwikkeling moet worden gemeld bij het RAK-secretariaat. De bijdrage van het nestgeluid moet worden bepaald op basis van rekenkundig nestgeluidcontouren vastgelegd op kaartmateriaal. Het plangebied ligt binnen de 48 en 49 dB van de nestgeluidcontour.
Blad 7 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
Dit moet worden betrokken bij de effectbepaling vanwege het nestgeluid en de aanvaardbaarheidsbeoordeling van het cumulatieve geluid.
Nestgeluidcontouren (Bron: Interim-werkwijze nestgeluid Regio Rijnmond)
Wegverkeerslawaai Plangebied is gelegen buiten het geluidaandachtsgebied van spoor, rijkswegen of provinciale wegen.
Aandachtsgebieden spoor en wegverkeerslawaai (Bron: CVGGgeluidregister) Blad 8 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
Plangebied is wel gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de Sleepseweg, de Oosterlandsedijk en enkele 30 km/uur wegen binnen de bebouwde kom. Bij een verkeersintensiteit van meer dan 1000 motorvoertuigen per etmaal (jaargemiddeld) is geluid van de betreffende weg relevant. Bedrijven en milieuzonering
Beoordelingskader In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven (milieubelastende activiteiten) in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen en scholen: • Ter plaatse van gevoelige bestemmingen een goed woon- en leefmilieu kan worden gerealiseerd; • voorkomen wordt dat de nieuwe woningen de bedrijfsvoering belemmeren. Geluid door activiteiten Een plan moet erin voorzien dat het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw (artikel 3.21 Bkl) aanvaardbaar is. De aanvaardbaarheid wordt bepaald door de standaard- en grenswaarde zoals beschreven in artikel 5.65 van het Bkl. De Basisregel is dat een bedrijf standaard 50 dB(A) op 50 meter van eigen terreingrens krijgt. Dit is zonder tussenliggende bebouwing en op elke beoordelingshoogte. Geur afkomstig van activiteiten Een plan moet erin voorzien dat de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar is. Met uitzondering van zuiveringstechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf en andere agrarische activiteiten worden er geen waarden of afstanden als instructie meegegeven. Voor deze activiteiten wordt gemeten aan de hand van de bebouwingscontour die moet worden vastgelegd door de gemeenteraad in het omgevingsplan (artikel 5.97 Bkl).
Voor alle andere vormen bepaalt het bevoegd gezag wat zij beschouwt als aanvaardbare geurhinder. Analyse In en in de nabijheid van het plangebied is de bedrijvigheid beperkt.
Blad 9 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
Bestemmingsplan ‘Meeuwenoord’ (bron: Regels op de kaart)
Binnen het bestemmingsplan ‘Meeuwenoord’ wat deel uitmaakt van het omgevingsplan Voorne aan Zee zijn de volgende twee bedrijfsactiviteiten toegestaan: 1. Recreatie – jachthaven – milieucategorie 3.1 - richtafstand 50 meter. 2. Horeca – categorie c1 staat van horeca-activiteiten – lichte horeca – richtafstand 10 meter. Dit moet worden opgenomen in de ETFAL/GoFlo. Geur
Beoordelingskader Een plan moet erin voorzien dat de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar is. Met uitzondering van zuiveringstechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf en andere agrarische activiteiten worden er geen waarden of afstanden als instructie meegegeven. Voor zuiveringstechnische werken geldt een grenswaarde van 1,5 ouE/m3 voor een geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur en 3,5 ouE/m3 gelegen binnen de bebouwingscontour geur. Voor agrarische activiteiten (stallen van landbouwhuisdieren en paarden en/of de opslag van landbouwproducten) geldt een standaardwaarde van 2,0 ouE/m3 voor geurgevoelige gebouwen gelegen binnen de Blad 10 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
bebouwingscontour geur en 8,0 ouE/m3 gelegen binnen de bebouwingscontour geur. Of er geldt een afstand van 50 meter voor geurgevoelige gebouwen gelegen binnen de bebouwingscontour en 100 meter gelegen binnen de bebouwingscontour geur. Voor alle andere vormen bepaalt het bevoegd gezag wat zij beschouwt als aanvaardbare geurhinder. Bij het ontbreken van gemeentelijk beleid kan het provinciaal geurbeleid als uitgangspunt worden genomen. Analyse Het plangebied is niet gelegen binnen de geurcontouren van een zuiveringstechnische werk en/of een locatie waar landbouwhuisdieren of paarden worden gehouden dan wel andere agrarische activiteiten plaatsvinden.
Geurhinder kaart (Bron DCMR)
Geur in relatie tot de Maasvlakte/Europoort is wel een aspect om rekening mee te houden. Voor het grootste deel van het plangebied is de verwachte geurhinder 1 tot 2,5 odeur units. Dit kan worden aangemerkt als redelijk. Dit moet worden opgenomen in de ETFAL/GoFlo. Lucht kwaliteit
Beoordelingskader Als een plan betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde.
Blad 11 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In artikel 5.54 Bkl zijn standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Het gaat onder andere om het toelaten van gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1°. Eén ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of 2°. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen. Analyse Plangebied is niet gelegen binnen een voor luchtkwaliteit aangewezen aandachtgebied. Uitgaande van het feit dat het bij dit plan gaat om een ontwikkeling van minder dan 1.500 woningen is het een activiteit dat niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij ook aandacht voor de heersende luchtkwaliteit. Dit moet worden opgenomen in de ETFAL/GoFlo. Externe veiligheid
Beoordelingskader Omgevingsveiligheid omvat de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor Externe veiligheidsrisico’s zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten. VRR In dit kader is het gebruikelijk om de VRR ook om advies te vragen. Indien dit nog niet gedaan is wordt geadviseerd om dit alsnog te doen. Analyse Het plangebied is gelegen in de nabijheid van het havenindustriecomplex Maasvlakte-Europoort. Het gaat hier in belangrijke mate om de opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. De bijbehorende brand- explosie- en gifwolkaandachtsgebieden kunnen voor het plan relevant zijn. Gebleken is dat: • Het brandaandachtsgebied niet over het plangebied gaat; • het explosieaandachtsgebied reikt tot aan de grens van het plangebied;
Blad 12 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
•
Het gifwolkaandachtsgebied over het plangebied is gelegen.
Brandaandachtsgebied
Explosieaandachtsgebied
Blad 13 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
Gifwolkaandachtsgebied met afkap op 1.500 meter (bron: risicokaart)
Voor dit plan is een groepsrisicoverantwoording in relatie tot het toxisch scenario relevant. Ook moet de VRR worden betrokken bij de planvorming. Dit moet worden opgenomen in de ETFAL/GoFlo. Trillingen
Beoordelingskader In paragraaf 22.3.5 van het omgevingsplan Voorne aan Zee zijn regels met betrekking tot trillingen opgenomen. Daarbij gaat het onder andere om het toelaten van een trillingsgevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit. Deze regels gelden niet voor trillingen door doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Gemeenten kunnen in die gevallen zelf bepalen of en zo ja, welke regels zij voor trillingen van activiteiten in het omgevingsplan opnemen in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de beoordeling van trillingen kan bijvoorbeeld de SBR-richtlijn en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen worden gebruikt. De instructieregels van het Bkl zijn van toepassing als in het omgevingsplan een trillingaandachtsgebied langs het spoor wordt vastgelegd. Analyse Binnen het plangebied wordt geen trillingsaandachtsgebied langs het spoor vastgelegd. Voor het overige zijn er in en nabij het plangebied geen activiteiten die trilling veroorzaken. Het aspect trilling is niet relevant. Blad 14 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
Flora en Fauna
Beoordelingskader Doelen van de Ow zijn onder meer de natuurbescherming en het beheer van ecosystemen (artikel 2.1, lid 3, onder h en o) en het beheer van natuurgebieden (artikel 2.1, lid 3, onder h en q). De bescherming van habitats en soorten is geregeld in afdeling 3.7 Bkl en afdeling 4.4 (programma's natuur) Bkl. Gebiedsbescherming: Op basis van de gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden geldt dat eventuele effecten op Natura 2000, waaronder stikstof getoetst moeten worden. Soortenbescherming: Een ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de instandhouding van beschermde soorten zoals de buizerd, uilen en vleermuizen in en nabij het plangebied. Analyse Gebiedsbescherming De realisatie van het plan en de toename van verkeer kunnen leiden tot een toename van meer dan 0,00 mol/ha/jr stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden. Met een berekening met de AERIUS-calculator moet de stikstofdepositie afkomstig van de beoogde ontwikkeling berekend worden voor de gebruiksfase en de realisatiefase. De Natura 2000-gebieden zijn gelegen op meer dan 4.500 meter.
Blad 15 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
Natura 2000-gebieden (bron: AERIUS-monitor)
Soortenbescherming Een belangrijk deel van het plangebied heeft zich ontwikkeld tot een onderdeel van het recreatiegebied. Dit kan effect hebben op de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten, zoals bijvoorbeeld de buizerd, de bosuil en vleermuizen in en nabij het gebied. In het verleden is ook de bever waargenomen binnen het plangebied. Daarom moet een quickscan ecologie worden uitgevoerd om inzicht te geven in de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Op basis van de resultaten kan vervolgonderzoek noodzakelijk zijn. De resultaten moeten worden verwerkt in in de ETFAL/GoFlo. Lichthinder
Beoordelingskader In Nederland is er geen rijksbeleid op het gebied van nachtelijke verlichting en donkertebescherming. Lichthinder is genoemd in artikel 2.2 onder de oogmerken van het Besluit activiteiten Leefomgeving (Bal). Voor alle milieubelastende activiteiten uit het Bal geldt een specifieke zorgplicht met betrekking tot lichthinder. Regels voor sportvelden zijn onder de Omgevingswet niet langer meer op rijksniveau geregeld, maar zijn in afdeling 22.3 van het omgevingsplan Voorne aan Zee opgenomen. In artikel 22.239 is opgenomen op welke momenten de verlichting van sportvelden uitgeschakeld dient te zijn om Blad 16 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
lichthinder te beperken. Natuur wordt onder de Omgevingswet beschermd tegen lichthinder. Het gaat hierbij zowel om soortenbescherming als gebiedsbescherming. Echter vindt een concrete toetsing van lichthinder op natuur alleen plaats bij nieuwe bouwplannen of werkzaamheden. Lichtvervuiling/lichthinder valt onder “milieuverontreiniging” zoals benoemd in artikel 8.9 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en op grond van artikel 4:2 tweede lid, 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 8.9 Bkl kan het bevoegd gezag een lichtonderzoek vragen, waarin een bedrijf onderzoekt of ze aan de NSVV Richtlijn Lichthinder (Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde) kan voldoen. In deze richtlijn staan diverse grenswaarden benoemd van de lichtsterkte in candela (cd), de verlichtingssterkte in lux, de luminantie in cd/m² en de upward light ratio (ULR). Analyse In de nabijheid van het plangebied vinden geen activiteiten plaats waarbij het aspect lichthinder relevant is. Water – bodem sturend Kans
Aandachtspunt
De herinrichting biedt kansen om de vitaliteit van de bodem te verbeteren en andere vormen van vergroening te introduceren. Momenteel zijn er bomen aanwezig, maar lijkt de grond verder voornamelijk bedekt te zijn met gras.
Vanwege de aanwezige Er zijn geen actuele bodemonderzoeken hoogteverschillen in het gebied, is aanwezig op locatie. Op de locatie zelf duidelijk dat uit de modellen blijkt dat er zal een milieuhygiënisch vooronderzoek bij hevige of zelfs extreme neerslag verricht moeten worden. wateroverlast kan ontstaan die zich zal concentreren rond de laagstgelegen delen binnen het gebied. Bij eventuele ontwikkelingen binnen het gebied is het raadzaam hier rekening mee te houden, of zelfs gebruik van te maken, om de wateroverlast elders te beperken. Op de locatie heerst een risico op Er is beperkte informatie beschikbaar gezondheidsproblemen door hittestress over aanwezige buisleidingen en op een hete zomerdag van rond de 31 ℃ riolering. Er wordt geadviseerd om in de Bilt. Door klimaatverandering kan binnen de gemeente te controleren of hier meer informatie beschikbaar is over een dergelijke warme dag vaker gaan voorkomen. De huidige bomen hebben ondergrondse infrastructuur, zoals een verkoelend effect. Nieuw kabels, leidingen, buisleidingen en aangeplante (jonge) bomen hebben niet riolering. direct hetzelfde effect. Let op voldoende schaduwrijke plekken bij eventuele herinrichting. Geadviseerd wordt de GGD te betrekken bij de herinrichting van het gebied.
Mogelijk kan er een sterkere band worden gerealiseerd met de erfgoedlijn Historisch Haringvliet bij eventuele herinrichting
Actie
Blad 17 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
De locatie is bodemdalingsgevoelig door Op locatie kan het risico op het de aanwezige kleiige bodem. Bij de aantreffen van Ontplofbare herinrichting wordt geadviseerd Oorlogsresten niet worden uitgesloten. bodemdalingsbestendig te bouwen. Het risico op OO zal, alvorens grondwerkzaamheden worden verricht, onderzocht moeten worden aan de hand van een oriënterend onderzoek. Het aantal bijensoorten dat is geteld is Het grensvlak van zoet en zout aan de hoge kant. De verdere aanwezige grondwater ligt ondiep, dit kan een risico soorten dieren, planten en insecten is vormen voor de kwaliteit van het aan de lage kant. De herontwikkeling van beschikbare water en het type beplanting dit stedelijk gebied biedt kansen om de wat hier gedijt. biodiversiteit te vergroten door meer en geschikt groen toe te voegen. Er wordt geadviseerd om samen te werken met het waterschap om op lokaal niveau de beschikbaarheid en kwaliteit van het zoete water mee te nemen in de planvorming.
Bodemkwaliteit
Beoordelingskader Bodemverontreiniging In de Omgevingswet is de zorgplicht voor bodem opgenomen, welke ieder verplicht tot het nemen van maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd bij (dreigende) bodem en- grondwaterverontreinigingen. Voor de herontwikkeling van een gebied is het belangrijk om vroegtijdig kennis te nemen van de maatregelen die getroffen moeten worden bij geplande milieubelastende activiteiten. Het omgevingsplan, de Nota bodembeheer en bodemkwaliteitskaarten vormen het lokale bodembeleid van elke gemeente. Analyse Historie Uit de historische kaarten blijkt dat het gebied voor agrarische doeleinden is gebruikt. Vanaf de jaren 60 van de vorige eeuw wordt er bebouwing gerealiseerd in de polder aan de zuidwest en westzijde van de huidige locatie. Aan de zuidzijde is dan ook een ingang gegraven vanaf het water ten behoeve van de (jacht)haven. Iets later wordt het zuidelijke deel van de locatie gebruikt als sportterrein. Vanaf de jaren 80 wordt de bebouwing aan de westzijde naar het noorden toe uitgebreid. Het sportterrein aan de zuidzijde lijkt vanaf ca. 2010 te zijn verwijderd. Verder verandert er op het terrein weinig door de tijd heen en is het terrein nu vooral grasland, met op enkele plaatsen bomen, sloten en centraal een waterpartij.
Bodemkwaliteitskaart: - Functieklasse wonen - Zuidwestelijke deel valt in zone C, het oostelijke deel van de locatie is uitgesloten van de BKK - Voor het deel dat in zone C valt, geldt: Blad 18 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
-
Ontgravingskaart BG + OG: Klasse Landbouw/Natuur Toepassingskaart BG + OG: Klasse Landbouw/Natuur
Op de locatie zelf is geen bodemonderzoek bekend bij de DCMR. Aan de noordwestzijde is een onderzoek uitgevoerd op het voormalige sportveld daar, in 2023. Hierbij zijn hooguit lichte verontreinigingen aangetoond in de grond en grondwater. Tevens is in 1999 ten behoeve van een riool tracé aan de westzijde van de locatie een (indicatief) bodemonderzoek uitgevoerd. Ook hierbij zijn geen sterke verontreinigingen aangetoond. Er zijn geen actuele bodemonderzoeken aanwezig op locatie. Op de locatie zelf zal een milieuhygiënisch vooronderzoek verricht moeten worden. Voor plaatsen waar een gevoelig gebruik van de bodem wordt gerealiseerd, zoals grote moestuinen, wonen met tuin en plaatsen waar kinderen spelen, dient bij voorkeur de bodemkwaliteit voor lood te voldoen aan de GGD-advieswaarden voor voldoende bodemkwaliteit. De gemeente stelt een loodgehalte van ten hoogste 90 mg/kg d.s. in de contactzone (0 tot 0,5 m – mv). Verder is het aan te raden om bij een dergelijk onderzoek na te gaan of er ten tijde van het gebruik van de locatie als sportterrein sprake is geweest van kunstgrasvelden. In dat geval dient rekening te worden gehouden met mogelijke plasticvervuiling. Vitaliteit
Beoordelingskader Een vitale bodem is een bodem waarin de chemische, fysische en biologische kwaliteit op orde is. Het is belangrijk dat de kwaliteit past bij de beoogde functie. Een verarmde bodem heeft een impact op de fauna en op duurzame landbouw. Verdichte bodems in het stedelijk gebied blijken zonder bodembewerking ongeschikt voor het planten van struiken en bomen. Een vitale bodem herstelt eerder van verstoring of verandering in gebruik, slaat water, gassen, stoffen en energie op, breekt verontreinigende stoffen af en houdt de bodemvruchtbaarheid op peil. Ook weert het ziekten en plagen. Bij gebruik en ruimtelijke ontwikkeling dient de bodemkwaliteit te worden hersteld of behouden. Bepalend zijn het organisch stofgehalte, bodemstructuur, waterhuishouding en bodemleven. Zie ook https://www.rli.nl/publicaties/2020/advies/de-bodembereikt. Analyse Op de bodemkaart is de locatie aangeduid als bebouwd gebied. De huidige bodembedekking betreft agrarisch gras, gras en bos in secundair bebouwd gebied en infrastructuur (fietspad aan de oostzijde). Zoals hierboven beschreven is dit gebruik al lange tijd min of meer hetzelfde. Uit de AHN-data (Actuele Hoogtestand Nederland) blijkt dat het gebied hoogteverschillen kent, waarbij het laagste punt op circa +0,60 m NAP ligt Blad 19 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
en het hoogste punt op circa +3,70 m NAP (AHN 5). Het hoogste deel ligt centraal binnen de locatie. Verder ligt er een verhoging van circa +1,50 m NAP aan de oostzijde. Dit betreft het fietspad dat is aangelegd op de verhoging. Dit loopt naar het westen geleidelijk af naar een watergang. De watergangen liggen op circa +0,10 m NAP. De bodemkaart geeft geen informatie over het bodemtype op de planlocatie zelf en hier zijn ook geen boringen ofwel sonderingen bekend. Rondom de locatie is wel bekend dat de bodem bestaat uit kalkrijke poldervaaggronden. Deze gronden staan bekend als superieure cultuurgronden. De bodem zal zodoende de potentie hebben om hoogwaardig groen te realiseren, zoals dieper wortelende gewassen en meer diversiteit. Momenteel is er een hoop groen aanwezig in de vorm van gras en op delen zijn bomen en planen aanwezig. Doordat het gebied al zo lang deze vorm heeft kan het zijn dat de bodem momenteel vitaal is. Indien dit actief wordt meegenomen bij de planvorming kan hier gebruik van worden gemaakt. Om de volledige mogelijkheden in kaart te brengen m.b.t. gewassen, sponswerking en aanverwante zaken, kan het raadzaam zijn om een onderzoek uit te laten voeren naar het aanwezige bodemleven. Dit is een goede indicatie van de daadwerkelijke biologische kwaliteit van de bodem. Erfgoed
Beoordelingskader Aardkundige waarden Er zijn geen aardkundige waarden binnen of dicht bij de locatie. Culturele waarden Erfgoedlijn Historisch Haringvliet reikt tot in het zuidelijke deel van de locatie. Dit is één van de zeven erfgoedlijnen die de provincie heeft toegewezen. Het verhaal van ‘het leven tussen en met het water, als vriend en vijand’ staat hierin centraal. De provincie stimuleert samen met belanghebbende partijen binnen ‘erfgoedtafels’ de beleving en benutting hiervan en stelt jaarlijks subsidie beschikbaar om het erfgoed te behouden en verbeteren (PZH, 2024). Analyse De aanwezigheid in de zuidhoek van de locatie van de genoemde erfgoedlijn zorgt er enerzijds voor dat eventuele beperkingen in acht moeten worden genomen. Anderzijds biedt het mogelijkheden om bij eventuele gebiedsontwikkelingen deze historische betekenis mee te nemen in het ontwerp. Hoewel het gebied al (relatief) lange tijd in gebruik is op min of meer dezelfde manier, is dit gebruik (agrarisch, weiland) in combinatie met de ligging en de relatief jonge kleigronden, niet de verwachting dat kans op Blad 20 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
archeologische sporen groot is. Bij eventuele herontwikkeling moet worden voldaan aan de geldende regelgeving rondom archeologie.
In roze de erfgoedlijn Historisch Haringvliet (bron: bodematlas)
Buisleidingen/restrictie zones
Beoordelingskader Bij de herontwikkeling van het gebied moet rekening worden gehouden met de bestaande ondergrondse infrastructuur en mogelijke beperkingen door aanwezige waterwingebieden bij grondroerende werkzaamheden. Veranderingen in bodem en grondwater door bijvoorbeeld bovengronds grondverzet of peilverhoging kunnen de bestaande ondergrondse infrastructuur verstoren en onbedoeld schade, ongelukken of vervuiling teweegbrengen. Analyse Binnen de locatie, of binnen een beperkte straal rondom de locatie, zijn geen buisleidingen van gevaarlijke stoffen, geen olie- of gasvelden en geen waterwin- of grondwaterbeschermingsgebied aanwezig. Aan de zuid- en westzijden, buiten de huidige locatie, zijn gasleidingen aanwezig. Het gebied grenst aan de oostzijde aan een KRWoppervlaktewaterlichaam (Brielse Meer). Er is beperkte informatie beschikbaar over aanwezige buisleidingen en riolering. Gezien het gebruik is te verwachten dat de hoeveelheid al aanwezige ondergrondse infrastructuur beperkt is. Desalniettemin wordt geadviseerd om binnen de gemeente te controleren of hier meer informatie beschikbaar is over ondergrondse infrastructuur, zoals kabels, leidingen, buisleidingen en riolering.
Blad 21 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
Ontplofbare oorlogsresten
Beoordelingskader Aangrenzend aan de locatie is volgens de VEO Bommenkaart, ter plaatse van het Brielse Meer een vooronderzoek uitgevoerd (Saricon – 18S079). Tevens is aan de zuidkant, ter plaatse van de Brielse Spui een vooronderzoek uitgevoerd (Saricon – 18S095). Op de ruimingskaart van BeoBOM is op de locatie zelf geen indicatie van ruimingen bekend. Wel zijn in de omgeving gegevens bekend van een mijnenveld (ten noorden) en een Duitse munitiedump (ten zuidoosten). Analyse Op locatie kan het risico op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten (OO) niet worden uitgesloten. Het risico op OO zal, alvorens grondwerkzaamheden worden verricht, onderzocht moeten worden aan de hand van een oriënterend onderzoek. Meer informatie kan gevonden worden via het Kenniscentrum Ontplofbare Oorlogsresten (https://kenniscentrumoo.nl/). Aangeraden wordt om ook de niet-openbare bronnen zoals het eigen archief te controleren op al uitgevoerd onderzoek alvorens nieuw onderzoek te starten.
VEO Bommenkaart (VEO bommenkaart)
Klimaat adaptatie Wateroverlast
Beoordelingskader Korte, hevige buien zullen naar verwachting steeds vaker voorkomen. Het is daarom niet de vraag of, maar vooral waar de wateroverlast zal optreden, en welke gevolgen te verwachten zijn. Wateroverlast in panden is natuurlijk onwenselijk en daarnaast kan wateroverlast op straat onacceptabel worden als bijvoorbeeld de hulpdiensten (ambulance, Blad 22 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
brandweer) en dergelijke, niet meer bij calamiteiten kunnen komen doordat wegen onbegaanbaar worden. Er zullen in diverse gebieden dan ook aanvullende maatregelen genomen moeten worden. In de waterschapsverordeningen zijn regels opgesteld voor onder andere compenserende maatregelen bij nieuwe verharding. -
Bij een regenbui van 70 mm in 2 uur met een kans van voorkomen van eens per 100 jaar, kan de locatie te maken hebben met wateroverlast tot meer dan 30 cm op specifieke plekken (geconcentreerd rond de laagste punten rond het zuidwestelijke deel van de locatie en een deel in de zuidoosthoek). Bij een regenbui van 140 mm in 2 uur met een kans van voorkomen van eens per 1.000 jaar, is dit vrijwel identiek, maar is het gebied waarin dit voorkomt wat groter, waarbij het gebied waarin mogelijk meer dan 30 cm wateroverlast is ook buiten het huidige gebied treedt naar de reeds bestaande bebouwing aan de westzijde.