Kaders ontwikkeling Meeuwenoord versie 040226
Tekst van het document
Kaders ontwikkeling Meeuwenoord Brielle
Definitief 04-02-2026
1
Inhoudsopgave 1.
2
3
4
Inleiding .............................................................................................................................................................................. 3 1.1
Aanleiding ................................................................................................................................................................. 3
1.2
Doel ........................................................................................................................................................................... 4
1.3
Randvoorwaardelijke stappen voorafgaand aan de aanbesteding ........................................................................... 4
1.4
Procedure aanbesteding ........................................................................................................................................... 6
Ruimtelijke analyse............................................................................................................................................................. 8 2.1
Cultuurhistorie, landschap en groen ........................................................................................................................ 8
2.2
Bodem, water & klimaat ......................................................................................................................................... 10
2.3
Wegenstructuur/ ontsluiting ................................................................................................................................... 12
2.5
Kernkwaliteiten/ karakteristieken ........................................................................................................................... 14
Analyse omgevingsaspecten ............................................................................................................................................ 15 3.1
Inleiding................................................................................................................................................................... 15
3.2
Geluid ...................................................................................................................................................................... 15
3.3
Omgevingsveiligheid ............................................................................................................................................... 17
3.4
Stikstofdepositie ...................................................................................................................................................... 17
3.5
Flora en fauna ......................................................................................................................................................... 19
3.6
Milieueffectrapportage ........................................................................................................................................... 20
3.7
Overige omgevingsaspecten ................................................................................................................................... 20
De ruimtelijke en programmatische kaders ..................................................................................................................... 22 4.1
Stedenbouwkundige & landschappelijke kaders..................................................................................................... 22
4.2
Programmatische kaders......................................................................................................................................... 24
4.3
Relatie met nadere onderzoeken omgevingsaspecten ........................................................................................... 26
4.4
Aanpak aanbesteding .............................................................................................................................................. 27
4.5
Fasering van het proces........................................................................................................................................... 28
Bijlage 1 Provinciale omgevingsverordening Bijlage 2 Omgevingsscan DCMR
2
1. Inleiding 1.1 Aanleiding De ontwikkeling van Meeuwenoord vormt een belangrijke ruimtelijke en maatschappelijke opgave voor de gemeente Voorne aan Zee. Het gebied ligt op een uitzonderlijke plek: precies tussen de historische vestingstad en het recreatieve Brielse Meer, in een polder die eeuwenlang open en agrarisch was en later is ingericht als sportcomplex. De ligging, omgeven door dijken, waterstructuren en volwassen groen, maakt Meeuwenoord tot een locatie met een sterk eigen karakter én een grote gevoeligheid voor ruimtelijke kwaliteit. Tegelijkertijd staat Voorne aan Zee voor grote uitdagingen. De druk op de woningmarkt is hoog, de behoefte aan betaalbare en diverse woonmilieus groeit, en de gemeente wil haar historische en landschappelijke kwaliteiten koesteren terwijl zij ruimte biedt aan nieuwe generaties bewoners. Meeuwenoord is één van de weinige plekken waar deze ambities samen kunnen komen: een nieuwe woonwijk die zowel aansluit op de vestingstad als op het recreatielandschap, en die bijdraagt aan een toekomstbestendige, gezonde en inclusieve leefomgeving. In de gemeentelijke omgevingsvisie is de locatie Meeuwenoord aangewezen als woningbouwlocatie (met een amendement bij vaststelling). Daarbij dient ook nadrukkelijk aandacht te worden besteed aan het versterken van de stedelijke groenstructuur.
Woningbouwlocatie Meeuwenoord zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Voorne aan Zee 2040
De locatie staat al meer dan tien jaar op de agenda voor ontwikkeling. Eerdere initiatieven, waaronder een haalbaarheidsonderzoek en schetsontwerp, zijn destijds niet doorgezet. De omstandigheden zijn inmiddels veranderd: de woningbouwopgave is urgenter, de beleidskaders zijn aangescherpt, en de gemeente wil actief sturen op kwaliteit, duurzaamheid en een zorgvuldige inpassing in de omgeving. Daarom wordt de ontwikkeling opnieuw opgepakt, met een aanbestedingsprocedure om een ontwikkelpartner te selecteren die deze complexe opgave aankan. De ontwikkeling van 3
Meeuwenoord moet bijdragen aan de gemeentelijke opgave om een gedifferentieerd (met o.a. ruimte voor starters en senioren), betaalbaar en toekomstbestendig woonprogramma te realiseren. Uitgangspunt is een evenwichtige verdeling van 1/3 sociaal, 1/3 betaalbaar en 1/3 duur, conform de gemeentelijke programmeringskaders en de verwachtingen van de provincie Zuid-Holland. Deze verdeling geldt als randvoorwaarde voor opname in het gemeentelijk woningbouwprogramma en voor een positieve provinciale beoordeling. De wijk wordt opgezet als een gevarieerd woonmilieu met verschillende typologieën en doelgroepen, passend bij de unieke ligging tussen vestingstad en recreatielandschap. De huidige woningbouwopgave, de strategische ligging van het gebied en de wens om de gronden in gemeentelijk eigendom te benutten voor een maatschappelijke opgave vormen de aanleiding om de ontwikkeling van Meeuwenoord opnieuw op te starten. Door de gemeenteraad is een motie aangenomen om uitvoering te geven aan woningbouw voor het project Meeuwenoord middels de snelst mogelijk route (in de vergadering van de gemeenteraad d.d. 18 december 2025).
1.2 Doel Dit document beschrijft de kaders voor de ontwikkeling van Meeuwenoord in samenhang met een gemeentelijk randvoorwaardentraject en een daarop aansluitende marktselectie. Ook geeft deze notitie inzicht in de onderzoeken die op korte termijn kunnen/moeten worden opgestart met het oog op de te maken ruimtelijke keuzes en om vertraging tijdens de vervolgprocedures te voorkomen. De gemeente stelt eerst de publieke randvoorwaarden vast – waaronder de ontsluiting, provinciale afstemming en milieukaders – waarna marktpartijen worden geselecteerd om de ontwikkeling binnen deze bestuurlijk vastgestelde kaders uit te werken en te realiseren.
1.3 Randvoorwaardelijke stappen voorafgaand aan de aanbesteding Voor de ontwikkeling van Meeuwenoord geldt dat een aantal essentiële randvoorwaarden door de gemeente moet worden uitgewerkt voordat de aanbestedingsprocedure volledig kan worden doorlopen. Deze stappen zijn bepalend voor zowel de haalbaarheid als de omvang van de toekomstige woningbouwontwikkeling. Het gaat om drie parallelle trajecten: 1. Ontsluitingsstudie (gemeentelijke verantwoordelijkheid) De locatie beschikt op dit moment niet over een volwaardige ontsluiting. In het verleden is een variantenstudie uitgevoerd. Deze studie dient voorafgaand aan de aanbesteding te worden geactualiseerd en afgestemd op de meest recente inzichten. De ontsluitingsstudie omvat in ieder geval: • • • •
analyse van grondeigendom en verwervingsmogelijkheden; verkeerskundige en milieutechnische beoordeling van varianten; kostenraming en investeringsbesluitvorming; afstemming met betrokken stakeholders.
De keuze voor een voorkeursvariant is een harde randvoorwaarde voor de verdere planvorming en voor de aanbesteding.
2. Provinciale afstemming over bouwen buiten het Bestaand Stads- en Dorpsgebied (BSD) In de voorgenoemde motie van de gemeenteraad wordt gesproken over ruim 400 woningen binnen een gebied met een oppervlakte van 14,8 hectare. Dit gebied is groter dan het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) zoals dat is vastgelegd
4
door de provincie. Ook is het aantal woningen groter dan de 200 woningen die zijn opgenomen in het door GS op 24 januari 2023 vastgestelde regionale woningbouwprogramma van regio Rotterdam. Om de locatie optimaal te benutten en een programma van ruim 400 woningen mogelijk te maken, is uitbreiding buiten het BSD noodzakelijk. Dit vraagt om tijdige afstemming met de provincie Zuid-Holland over de ruimtelijke inpassing en de voorwaarden voor transformatie. Ook is regionale afstemming over het woningbouwprogramma nodig. Wanneer de afstemming met de provincie over het bouwen buiten het BSD de beoogde versnelling van de woningbouw in de weg staat, kan wellicht worden gekozen voor een gefaseerde ontwikkeling met een aanbesteding die in eerste instantie is gericht op 200 – 250 woningen binnen het BSD, met uitzicht op extra woningen na akkoord van de provincie. Deze fasering kan ook van invloed zijn op de voorgenoemde ontsluitingsstudie en de financiering van de voorkeusvariant. De afstemming met de provincie dient daarom parallel aan de ontsluitingsstudie te worden opgestart.
Figuur Begrenzing bestaand stads- en dorpsgebied Zuid-Hollandse omgevingsverordening
3. Voorbereiding marktstrategie en selectiedocument Parallel aan bovenstaande trajecten wordt de marktstrategie voorbereid. Deze bestaat uit: • • • •
het opstellen van een selectiedocument voor de voorselectie; het formuleren van uitsluitingscriteria, geschiktheidseisen en beoordelingscriteria; het bepalen van de verhouding prijs–kwaliteit in de gunningsfase; het organiseren van marktconsultatie(s).
De aanbesteding kan pas volledig worden gestart zodra de voorkeursvariant voor de ontsluiting bestuurlijk is vastgesteld en duidelijkheid bestaat over de provinciale ruimte voor het programma.
5
1.4 Procedure aanbesteding Op basis van ons eigen grondbeleid, voeren we actief grondbeleid, waarbij we de gemeenteraad zo goed mogelijk in positie willen brengen om kaders te stellen. We streven naar een zo hoog mogelijk maatschappelijk en financieel rendement. Het maatschappelijk rendement wordt bepaald door deze kaders en het financieel rendement door de verkoopstrategie. Voor het selecteren van een marktpartij om de ontwikkeling van Meeuwenoord uit te voeren wordt een aanbesteding in twee stappen opgezet: Stap 1 voorselectie • Eerst een voorselectie: 3 tot 5 partijen die het op kunnen en willen pakken • Geen open selectie • Toets op basis van referenties als bewijs dat men vergelijkbare opgave aankan of een aantal reeds bekende ontwikkelaars uitnodigen • Toets op basis van visie voor ontwikkelen gebied Stap 2 partnerselectie • Selectie van partner(s) voor ontwikkelen locatie • Weging maken: grondbod versus kwaliteit • Er wordt een Bibob-onderzoek uitgevoerd op basis de Beleidsregel Bibob gemeente Voorne aan zee 2025 We stellen voor om te kiezen voor deze tweetraps-raket omdat dit meerdere voordelen biedt in termen van voortgang en marktbelasting: Tijdwinst door parallelle planning Met een voorselectie kan met een relatief beperkt aanbestedingsdocument en kortere doorlooptijd naar buiten gegaan worden.
Op basis van referenties worden ten minste 3 partijen geselecteerd, terwijl tegelijkertijd intern het inhoudelijke deel verder wordt uitwerkt. De onderzoeken die nodig zijn (bijv. ontsluiting, gesprek met de provincie, nadere technische of ruimtelijke randvoorwaarden) kunnen parallel worden opgepakt. Daardoor ontstaat er tijdswinst zonder dat dat ten koste gaat van kwaliteit. Lagere marktinvestering / beter opdrachtgeverschap Door eerst een kleinere groep bedrijven te selecteren die echt structureel tijd en energie in de vervolgfase steken, wordt de investering die de markt moet doen beperkt. Dit ervaren wij als goed opdrachtgeverschap: wij vragen alleen van de meest relevante partijen een intensieve inzet in de planuitwerking en prijsbepaling. Gerichtere en realistischere uitvraag Als de randvoorwaarden, onderzoeken en wijze van prijsweging pas gereed zijn ná de voorselectie, kunnen de 3 tot 5 geselecteerde partijen een gerichtere en substantiëlere uitvraag doen. Dat zorgt voor betere afwegingen in kwaliteit én prijs, omdat onzekerheden zoveel mogelijk zijn gemitigeerd. Tegenoverliggend alternatief Direct een uitgebreide Europese aanbesteding of brede marktselectie kost juist aan de voorkant veel tijd en capaciteit. De randvoorwaarden, onderzoeken en risico’s moeten dan al volledig uitgewerkt zijn om de markt op te gaan.
Dat betekent mogelijk meer vertraging in de planning dan wanneer er een voorselectie wordt gemaakt waarbij de vervolgfase parallel verder wordt uitwerkt.
6
Kort samengevat: Een voorselectie helpt om tijd te winnen in voortgang én om de marktinspanning te concentreren op partijen met de juiste kwaliteiten, wat uiteindelijk leidt tot een betere en snellere totale selectie. Proces en indicatieve planning De fases in het geadviseerde proces voor Meeuwenoord lopen aan het begin deels parallel en zien er als volgt uit: Fase 0 – Gemeentelijke voorbereiding (2026) • Ontsluitingsstudie • Provinciale afstemming BSD / afbakening gebied en maximaal programma • Actualisatie onderzoeken • Marktstrategie & selectiedocument Fase 1 – Voorselectie (voorjaar–zomer 2026) Fase 2 – Partnerselectie (najaar 2026) Fase 3 – Gezamenlijke planuitwerking (2027–2030)
7
2 Ruimtelijke analyse 2.1
Cultuurhistorie, landschap en groen
Brielle is een vestingstad en heeft een rijksbeschermd stadsgezicht. Vestingsteden hadden vroeger als doel de stad of marinehaven te beschermen. Kenmerken van de vestingsteden zijn grachten, poorten, de stervormen, bunkers en vestingwallen en de bijbehorende schootsvelden over de polders.
De locatie Meeuwenoord in 1890 (linksboven) , 1910 (rechtsboven), 1975 (linksonder) en 2024 (rechtsonder) Voorne aan Zee bevat veel polders en hierbij hoort een rijke inpolderingsgeschiedenis. Het toevoegen van dijken/ polderdijken heeft ervoor gezorgd dat hier gewoond kon worden en economische activiteiten konden plaatsvinden. Polder Meeuwenoord is een Oude zeekleipolder met blokverkaveling en bestond uit weidegronden (zie kaart 1910). Sinds 1970 zijn in de polder sportvelden ontwikkeld. Rondom deze sportvelden zijn robuuste beplantingsstroken aangeplant, deels met 8
populieren, deels met eik en andere boomsoorten. Hierdoor ontstaan een aantal ‘kamers’ met bosplantsoen. De beplanting is circa 50 jaar oud. Er is nader onderzoek nodig om de kwaliteit van de aanwezige bomen in beeld te brengen. Op basis daarvan kan worden bekeken welke beplanting behouden kan blijven. Ten noorden van het plangebied, langs het Oosterlandse Rak en de Buitendijk, ligt een bosstrook bestaande uit met name wilgenstruweel. Langs de vestingwerken met grachten zijn bomenrijen aanwezig; De voetbalverenigingen en de tennisvereniging zijn uitgeplaatst naar sportpark Geuzenpark (2012) gevestigd langs de Groene Kruisweg. Langs het Brielse Meer (voormalige Oude Maas) loopt de Buitendijk. Op deze dijk is een fietspad aanwezig. In 2023 zijn binnen het noordwestelijke deel van de locatie 15 flexwoningen geplaatst voor de opvang van Oekraïense vluchtelingen. Het betreft een tijdelijke invulling (tot 2032 vergund). Deze gronden komen op termijn beschikbaar voor woningbouw.
Verschillende landschapstypen in Voorne aan Zee (bron: Energieverkenning Voorne-Putten)
CONCLUSIE: het plangebied is gelegen in een zeekleipolder met blokverkaveling (kleigrond). De locatie kent een bijzondere cultuurhistorie ontwikkeling. De ligging van het ontwikkelgebied nabij de stervormige vestingwerken met vestingwallen en grachten en schootsvelden vraagt een zorgvuldige inpassing van deze kwaliteiten. Polder Meeuwenoord kende tot circa 1970 een zeer open beeld, dat vanaf alle zijden omgeven werd door dijken. De beplanting behorend bij het sportterrein heeft het plangebied een meer besloten karakter gegeven en deelt de locatie op in kamers omgeven door inmiddels volwassen groen. Aan zowel de noord- als zuidoostzijde zijn langs het water bossen aanwezig. Hier kan verbinding mee worden gezocht waarmee grotere structuren ontstaan. Het zicht vanaf de Buitendijk met fietspad Brielse Maaspad, met enerzijds de weide blik op het water van het Brielse Meer en anderzijds op het plangebied is bijzonder.
9
2.2 Bodem, water & klimaat Het plangebied heeft een hoogte van circa 0.50 m +NAP tot 1.5 m + NAP. In en om het plangebied zijn drie dijken aanwezig: • Oosterlandse dijk aan westzijde (circa 4.0 m + NAP) • Aan zuidzijde Rochus Meeuwiszoonweg op dijk (circa 1.6 m +NAP) • De Buitendijk met daarop het fietspad Brielse Maaspad (circa 1.5 m + NAP) De omwalling van de vestingwerken aan de zuidzijde heeft een hoogte van circa 2.5 m + NAP.
Figuur Hoogteligging De locatie Meeuwenoord valt binnen het beheersgebied van het Waterschap Hollandse Delta (WSHD). In de huidige situatie zijn binnen het gebied verschillende waterlopen aanwezig. Aanpassing van de waterstructuur dient in nauw overleg met het WSHD plaats te vinden. Conform de eisen van WSHD geldt bij een toename van verhard oppervlak een compensatie eis van 14%.
10
Figuur Waterlopen binnen het plangebied (bron: Legger waterschap Hollandse Delta) Kijkend naar de ligging van de primaire waterkering ten noorden van de locatie (langs het Hartelkanaal) is sprake van een binnendijkse ligging. Wel is de locatie aan de buitenzijde van de secundaire waterkering gelegen (zie navolgende figuur). De locatie ligt buiten de beschermingszones van de omliggende waterkeringen. Vanwege de ligging buiten de secundaire kering is geen sprake van bescherming tegen het boezemwater. Het is daarom van belang om bij de verdere uitwerking van de plannen kritisch te kijken naar de uitgiftepeilen van percelen en minimale vloerhoogten van toekomstige bebouwing.
Figuur Ligging Waterkeringen (bron: Legger waterschap Hollandse Delta) 11
In de omgevingsscan van de DCMR in bijlage 2 zijn verschillende kansen (zoals verbetering vitaliteit bodem, vergroten biodiversiteit), aandachtspunten (hittestress, wateroverlast) en acties (vervolgonderzoeken) opgenomen vanuit het principe van ‘bodem en water sturend’. Er is geen specifieke informatie beschikbaar over de bodemkwaliteit ter plaatse. Een (in eerste instantie) historisch bodemonderzoek zal meer inzicht moeten geven in de te verwachten bodemkwaliteit en het vereiste vervolgonderzoek.
CONCLUSIE: Het plangebied heeft een ligging boven het NAP en heeft daarmee al een peil wat hoger is dan de meeste woonwijken van Brielle. Vanwege de ligging buiten de secundaire kering is geen sprake van bescherming tegen het boezemwater. Het is daarom van belang om bij de verdere uitwerking van de plannen kritisch te kijken naar de uitgiftepeilen van percelen en minimale vloerhoogten van toekomstige bebouwing. In het plangebied vormt de waterstructuur met de groene begeleiding een kernkwaliteit. Aanpassingen aan de waterstructuur dienen in nauwoverleg met WSHD plaats te vinden. Verder geldt conform de eisen van het waterschap geldt bij een toename van verhard oppervlak een compensatie eis van 14%.
2.3 Wegenstructuur/ ontsluiting De bereikbaarheid van Meeuwenoord vormt een van de meest bepalende randvoorwaarden voor de ontwikkeling van het gebied. De huidige infrastructuur biedt onvoldoende capaciteit om de toekomstige verkeersgeneratie van een nieuwe woonwijk op te vangen. Zowel uit eerdere onderzoeken (o.a. Goudappel Coffeng, 2013) als uit recente verkeerskundige inzichten blijkt dat de bestaande routes via de Vesting slechts een beperkte toename van verkeer kunnen verwerken zonder dat dit leidt tot aantasting van de leefkwaliteit, verkeersveiligheid en cultuurhistorische waarden. Beperkte capaciteit via de Vesting De historische binnenstad van Brielle heeft een fijnmazige, kwetsbare verkeersstructuur met smalle straten, beperkte zichtlijnen en een hoge verblijfskwaliteit. De Kaaistraat, P. van de Wallendam en omliggende straten functioneren als uitvalswegen, maar kennen al een relatief hoge verkeersintensiteit. Uit het onderzoek van 2013 blijkt dat een toename van circa 1.000 mvt/etmaal (bij 250 woningen) leidt tot intensiteiten van circa 5.000 mvt/etmaal op enkele trajecten. Dit is voor een historische kern een bovengemiddelde belasting. Hoewel deze toename destijds juridisch niet leidde tot een reconstructiesituatie, is duidelijk dat verdere groei van het verkeer via de Vesting ongewenst is.
De binnenstad vervult een belangrijke rol als verblijfsgebied, toeristische trekker en beschermd stadsgezicht. Extra autoverkeer heeft negatieve effecten op: • verkeersveiligheid (smalle profielen, veel voetgangers en fietsers); • geluid, trillingen en luchtkwaliteit in een dichtbebouwde omgeving; • beleving en cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht; • bereikbaarheid voor hulpdiensten; • toeristische aantrekkelijkheid en leefkwaliteit. Daarom is het uitgangspunt dat de Vesting niet wordt gebruikt als hoofdontsluiting voor Meeuwenoord en dat doorgaand gemotoriseerd verkeer door de Vesting actief wordt ontmoedigd. De bereikbaarheid naar de Vesting te voet of fiets moet gewaarborgd blijven, met verkeersveilige verbindingen. Een nieuwe ontsluitingsweg kan mogelijkheden bieden om bestaande routes zoals de Langesingel af te waarderen naar langzaam verkeersverbindingen. Verder is het uitgangspunt dat het Brielse Maaspad, als onderdeel van het fietspad langs het Brielse Meer, behouden blijft. Dit is ook van belang met het oog op de regels uit de provinciale omgevingsverordening waarin dit fietspad onderdeel is van het hoofdfietsnetwerk (zie 12
bijlage 1). De bereikbaarheid per openbaar vervoer is beperkt. De mogelijkheden voor (kleinschalig) openbaar vervoer kunnen nader worden verkend. De wegen binnen het gebied worden ingericht als 30 km/h-wegen. De gemeentelijke nota parkeernormen vormt in principe het uitgangspunt voor het bepalen van de parkeerbehoefte. In samenhang met uitgangspunten voor de ontwikkeling van het gebied en mogelijke mobiliteitsmaatregelen kan een aanscherping van de normen worden overwogen. De benodigde parkeerplaatsen worden op een goede manier ingepast, zo veel mogelijk uit het straatbeeld. Noodzaak van een nieuwe westelijke ontsluiting Om de ontwikkeling van Meeuwenoord mogelijk te maken is een nieuwe ontsluiting buitenom noodzakelijk. De bestaande infrastructuur richting de N218 heeft onvoldoende capaciteit om de verkeersgeneratie van een volwaardige woonwijk op te vangen. De aanleg van een nieuwe westelijke ontsluitingsroute biedt meerdere voordelen: • Ontlasting van de Vesting door het afvangen van verkeer vóór het centrum. • Directe verbinding met de N218, waardoor verkeer niet door de historische kern hoeft. • Ruimtelijke en verkeerskundige robuustheid voor een programma van 400+ woningen. • Verbetering van verkeersveiligheid door het scheiden van verblijfs- en doorgaand verkeer.
• Mogelijkheid om bestaande wegen (zoals de Langesingel) af te waarderen naar langzaam verkeer, afhankelijk van provinciale afstemming. • Toekomstbestendige ontsluiting die aansluit bij regionale mobiliteitsopgaven. Er zijn verschillende westelijke ontsluitingsvarianten denkbaar, zowel met een opwaardering van de bestaande wegen (route Langesingel – Bollaarsdijk – Koolhoekweg) als de realisatie van een nieuwe ontsluitingsweg, of een combinatie van beiden.
CONCLUSIE: De bestaande wegenstructuur biedt onvoldoende capaciteit om Meeuwenoord via de Vesting te ontsluiten zonder dat dit leidt tot aantasting van leefkwaliteit, verkeersveiligheid en cultuurhistorische waarden. Een nieuwe westelijke ontsluitingsroute is noodzakelijk om de ontwikkeling van het gebied mogelijk te maken, de Vesting te ontzien en een toekomstbestendige verkeersstructuur te realiseren. In het verleden is een variantenstudie uitgevoerd. Een actualisatie van deze variantenstudie moet inzicht geven in de ruimtelijke, verkeerskundige, financiële en eigendomsaspecten van mogelijke tracés. De keuze voor een voorkeursvariant is een harde randvoorwaarde voor de verdere planvorming en voor de aanbesteding.
2.4 Voorzieningen Met het realiseren van een nieuwe woonwijk komt de vraag naar voren wat ernaast wonen op de locatie dient te worden gerealiseerd. Op de voormalige sportlocatie is momenteel een natuurspeelplaats aanwezig. Op grond van de regels uit de provinciale omgevingsverordening (zie bijlage 1) dient rekening te worden houden met de mogelijkheden voor functiemenging meervoudig ruimtegebruik. Binnen de nieuwe woonwijk kan ruimte worden geboden voor kleinschalige voorzieningen, afgestemd op de doelgroep en specifieke behoefte. CONCLUSIE: Er is een natuurspeeltuin op de locatie aanwezig. Voor het overige zijn er momenteel geen voorzieningen aanwezig in het plangebied. Er is nader onderzoek nodig om de mogelijkheden en behoefte aan kleinschalige voorzieningen binnen het gebied in beeld te brengen.
13
2.5 Kernkwaliteiten/ karakteristieken Kernkwaliteiten Meeuwenoord beschikt over een aantal unieke kwaliteiten die de locatie onderscheiden van andere woningbouwlocaties in Voorne aan Zee. Deze kwaliteiten vormen de basis voor de ruimtelijke identiteit van de nieuwe wijk en moeten richtinggevend zijn voor het ontwerp en de programmering. • De uitzonderlijke ligging tussen vestingstad en recreatielandschap. De directe nabijheid van zowel het historische stadsgezicht van Brielle als het open water en recreatieve landschap van het Brielse Meer maakt Meeuwenoord tot een zeldzaam schakelpunt tussen stad en natuur. • De aanwezigheid van volwassen groenstructuren en landschappelijke kamers. De voormalige sportvelden zijn omzoomd door robuuste beplantingsstroken van circa 50 jaar oud. Deze groene kamers geven het gebied een intiem, lommerrijk karakter dat direct inzetbaar is voor hoogwaardige woonmilieus. • De centrale waterstructuur met groene begeleiding. De noordwest–zuidoost lopende watergang vormt een landschappelijke ruggengraat en biedt kansen voor ecologie, klimaatadaptatie en een aantrekkelijk woonmilieu. • De ligging aan het Brielse Meer en het Brielse Maaspad. De aanwezigheid van het buitendijkse fietspad en de weidse uitzichten over het water geven het gebied een recreatieve kwaliteit die in de regio uniek is.
• De nabijheid van de vestingwerken en het historische schootsveld. De relatie met de vestingwallen en grachten geeft het gebied een cultuurhistorische gelaagdheid die richtinggevend is voor de ruimtelijke opzet en zichtlijnen. Deze kernkwaliteiten vormen de onderscheidende identiteit van Meeuwenoord en moeten leidend zijn in de stedenbouwkundige uitwerking. Karakteristieken van de ligging Naast de onderscheidende kwaliteiten kent Meeuwenoord een aantal ruimtelijke en functionele karakteristieken die de randvoorwaarden bepalen voor de ontwikkeling. Deze aspecten zijn niet uniek, maar wel essentieel om zorgvuldig mee om te gaan. • Ligging in een zeekleipolder. De bodemopbouw, verkavelingsstructuur en waterhuishouding vragen om een klimaatadaptieve inrichting en afstemming met het waterschap. • Omringende dijken en hoogteverschillen De Oosterlandsedijk, de Rochus Meeuwiszoonweg en de Buitendijk bepalen de randen van het gebied en beïnvloeden zichtlijnen, ontsluiting en beleving. • Beperkte bestaande ontsluitingsmogelijkheden. De huidige infrastructuur biedt onvoldoende capaciteit voor een nieuwe woonwijk, waardoor een nieuwe westelijke ontsluiting noodzakelijk is. • Aanwezigheid van milieubelastende bronnen (Europoort-Maasvlakte, verkeer en scheepvaart) beïnvloeden de verkaveling en woningtypologieën.
In hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op de akoestische situatie en risicosituatie ten gevolge van de bedrijfsmatige activiteiten in de omgeving. • Aanwezigheid van bestaande voorzieningen en recreatieve routes. De natuurspeelplaats, het Brielse Maaspad en de nabijheid van de vestingstad bepalen de gebruiksintensiteit en de verbindingen voor langzaam verkeer. Deze karakteristieken vragen om een zorgvuldige ruimtelijke inpassing, maar vormen niet de onderscheidende identiteit van het gebied. Ze bepalen wél de randvoorwaarden waarbinnen de kernkwaliteiten optimaal kunnen worden benut.
14
3 Analyse omgevingsaspecten 3.1 Inleiding De locatie Meeuwenoord heeft bijzondere kwaliteiten, maar de ligging en milieubelasting ter plaatse brengt ook de nodige uitdagingen en randvoorwaarden met zich mee. In het verleden zijn er reeds verschillende verkennende studies uitgevoerd (o.a. als onderdeel van de in 2015 door SAB uitgevoerde risico-/haalbaarheidsanalyse). Hoewel deze onderzoeken niet altijd meer actueel zijn, bevatten deze op onderdelen nog steeds relevante informatie. Daarnaast is door DCMR recent een actuele omgevingsscan uitgevoerd die inzicht geeft in de milieuaspecten waar rekening mee moet worden gehouden bij de ontwikkeling van de locatie(bijlage 2 bij deze notitie). De notitie van DCMR is met name gericht op de vereiste onderbouwing en onderzoeken in het kader van de te doorlopen ruimtelijke procedures en de toetsing aan de regels onder de Omgevingswet. In dit hoofdstuk gaan wij nader in op de omgevingsaspecten die leiden tot ruimtelijke en/of programmatische randvoorwaarden en de aspecten waarvoor nadere onderzoeken nodig zijn die relevant (kunnen) zijn met het oog op de aanbestedingsprocedure.
3.2 Geluid In de omgeving van de locatie Meeuwenoord is sprake van verschillende geluidbronnen die van invloed zijn op de akoestische situatie (industriegebieden, schepen, wegen). Er zijn in het verleden verschillende verkennende akoestische studies uitgevoerd. Ook in de omgevingsscan van de DCMR (bijlage 2) wordt op hoofdlijnen ingegaan op de akoestische situatie ter plaatse. Het wegverkeer en de schepen leveren weliswaar plaatselijk een bijdrage aan de optredende geluidbelastingen, maar het industrielawaai door het gezoneerde industrieterrein Europoort-Maasvlakte is binnen de hele locatie de maatgevende geluidbron. Rekening houdend met de geluidcontouren die zijn vastgelegd in het Regionale afsprakenkader geluid en ruimtelijke ontwikkeling (hierna: RAK) is op voorhand duidelijk dat de geluidbelasting door het industrieterrein EuropoortMaasvlakte hoger is dan de wettelijke grenswaarde. Zolang er voor dit industrieterrein nog geen geluidproductieplafonds (GPP’s) zijn vastgesteld wordt voor deze geluidbron onder het overgangsrecht getoetst op basis van het beoordelingskader zoals dat voor het in werking treden van de Omgevingswet gold onder de Wet geluidhinder. De locatie Meeuwenoord is grofweg gelegen tussen de 55 dB(A) en 58 dB(A)-contour. Gezien de overschrijding van de wettelijke grenswaarde (55 dB(A)) en de voorwaarden uit het gemeentelijke geluidbeleid t.a.v.
geluidluwe gevels, zal de akoestische situatie binnen het gebied mede bepalend zijn voor de verkaveling, het ontwerp en de plattegronden van de woningen. Het op grote schaal toepassen van dove gevels (overgangsrecht) of niet geluidgevoelige gevels (Omgevingswet) is ongewenst vanwege de gevolgen voor het ontwerp en daarmee samenhangende gebruiksbeperkingen. Zowel onder het overgangsrecht als (na vaststelling van de GPP’s) onder de Omgevingswet is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de wettelijke grenswaarden en wordt de mogelijkheid geboden om ondanks de overschrijding van de wettelijke grenswaarde ramen en deuren te kunnen openen. Een vergelijkbare procedure (met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering) is onder andere voor het Dorpshart in Zwartewaal doorlopen. Om te kunnen afwijken van de grenswaarde en te komen tot een akoestisch goede situatie voor de toekomstige bewoners, is het van belang dat bij het uitwerken van het stedenbouwkundig plan nadrukkelijk rekening wordt gehouden met de akoestische situatie. Vanwege de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid moet de verkaveling erop gericht zijn dat zoveel mogelijk woningen beschikken over een geluidluwe (of als dat niet lukt, in ieder geval een minder geluidbelaste) gevel.
Op die manier wordt voorkomen dat er op woningniveau op grote schaal maatregelen moeten worden getroffen om geluidluwe geveldelen te creëren of voorzieningen die het mogelijk maken om slaapkamers geluidluw te ventileren. In het kader van de wettelijke vereiste compensatie is het van belang dat binnen de locatie voldoende ruimte is voor groene,
15
kwalitatief goede en bij voorkeur geluidluwe verblijfsgebieden. De benodigde compenserende maatregelen dienen te worden meegenomen in het ontwerp.
Figuur Geluidcontouren ter hoogte van locatie Meeuwenoord (bron: RAK) Het is belangrijk om bij de uitwerking van het stedenbouwkundig plan met verkennende berekeningen te bekijken in hoeverre sprake is van de beoogde akoestische afscherming en welke optimalisaties mogelijk zijn. Daarbij ligt de focus op de geluidbelasting door het industrieterrein Europoort-Maasvlakte. Uiteindelijk zal in het kader van de benodigde ruimtelijke besluiten voor alle omliggende bronnen inzicht moeten worden gegeven in de optredende geluidbelasting. Het gezamenlijk geluid vormt het uitgangspunt voor het bepalen van de benodigde geluidwering van de gevels. Ook zullen bij de verdere uitwerking van de plannen de gevolgen van het extra verkeer voor de geluidbelasting ter plaatse van bestaande woningen langs de ontsluitingsroutes moeten worden beoordeeld.
Uitgangspunten • Stedenbouwkundige uitgangspunten/ontwerp afstemmen op akoestische situatie: door akoestische afscherming de geluidbelasting beperken en zorgen dat zoveel mogelijk woningen beschikken over een geluidluwe gevel. • Binnen het openbaar gebied voorzien in kwalitatief goede, geluidluwe (of als dat niet lukt in ieder geval minder geluidbelaste) verblijfsplekken.
16
Vervolgonderzoek • Nadere verkenning industrielawaai in samenhang met uitwerking stedenbouwkundige uitgangspunten (door ontwikkelende partij)
3.3 Omgevingsveiligheid In de omgeving van de locatie Meeuwenoord zijn verschillende risicobronnen aanwezig in de vorm van bedrijven met opslag van gevaarlijke stoffen, buisleidingen en transportroutes over de weg, het spoor en water. Uit de gegevens die beschikbaar zijn via de risicokaart/atlasleefomgeving blijkt dat er geen (plaatsgebonden)risicocontouren over het gebied liggen die harde ruimtelijke beperkingen met zich meebrengen. Wel ligt de locatie binnen het gifwolkaandachtsgebied van verschillende risicobronnen (waarbij onder andere sprake is van grootschalige opslag van ammoniak). In het kader van de wijziging van het omgevingsplan is een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Deze verantwoordingsplicht wordt zwaarder wanneer binnen het gebied ruimte wordt geboden voor functies waar mensen aanwezig zijn met een beperkte zelfredzaamheid. Vanwege de ligging binnen de gifwolkaandachtsgebieden zal in een vroegtijdig stadium afstemming moeten worden gezocht met de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR). Het is verstandig om daar niet mee te wachten tot de voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan, zodat het advies van de VRR kan worden betrokken bij de verdere ruimtelijke en programmatische uitwerking.
Mogelijk leidt het advies tot specifieke randvoorwaarden of maatregelen (met het oog op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid bij een eventuele calamiteit) die een plek moeten krijgen in het ontwerp. Uitgangspunten • Vroegtijdig betrekken VRR zodat eventuele maatregelen of randvoorwaarden kunnen worden meegenomen bij de verdere uitwerking van de ruimtelijke en programmatische uitgangspunten.
3.4 Stikstofdepositie De locatie Meeuwenoord is op ongeveer 4.5 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Voornes Duin gelegen. Op iets grotere afstand ten noorden van de locatie bevindt zich het Staelduinse Bos dat onderdeel is van het Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen. Beide Natura 2000-gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie en zijn overbelast waardoor een kleine toename van stikstofdepositie reeds kan leiden tot significante negatieve effecten. Gezien de afstand moet het voor de bouwfase mogelijk zijn om met de inzet van materieel met beperkte emissies (bijvoorbeeld door gebruik van AdBlue en/of deels elektrisch materieel) te komen tot realisatie zonder dat sprake is van een berekende depositiebijdrage. De toetsing en beoordeling van de effecten tijdens de gebruiksfase vragen naar verwachting meer aandacht. Hierbij gaat het om de emissies die samenhangen met het extra verkeer (inclusief mogelijke wijzigingen in bestaande verkeersstromen die ontstaan door de realisatie van een nieuwe ontsluitingsroute). Uit een heel indicatieve, verkennende berekening blijkt dat de ontwikkeling van Meeuwenoord (afhankelijk van het exacte programma) 0,01 – 0,02 mol/ha/jaar bijdraagt aan de stikstofdepositie binnen de Natura 2000-gebieden Voornes Duin en Solleveld & Kapittelduinen 1.
Hoewel een verdere detaillering van de verkeersuitgangspunten (verkeersgeneratie toegespitst op gedifferentieerd woningbouwprogramma en verdeling verkeer over ontsluitingsroutes) en fasering een positief effect kunnen hebben op de emissies, is de kans dat rekenkundig kan worden aangetoond dat geen sprake is van een depositietoename klein (tenzij minder dan 200 woningen
Om enig gevoel te krijgen bij de potentiële effecten, hebben we een indicatieve berekening uitgevoerd voor 200 woningen en voor 400 woningen, uitgaande van een verkeersgeneratie van 6 mvt/etm, waarbij al het verkeer via een westelijke ontsluitingsroute wordt afgewikkeld naar de N218. Daarnaast is (conform de geldende instructies) rekening gehouden met de emissies door de koude starts van het verkeer (2 per woning per etmaal). Als rekenjaar is 2030 aangehouden.
1
17
gerealiseerd worden). Bij een toename van stikstofdepositie in een overbelaste situatie zijn er in principe drie oplossingsrichtingen om alsnog te komen tot een sluitende onderbouwing: • Een ecologische beoordeling in de vorm van een voortoets waarin wordt gemotiveerd dat de berekende depositietoenames niet leiden tot significante negatieve effecten. In dat geval is een passende beoordeling niet vereist. Gezien de habitats en de oppervlakte van het gebied waar een toename plaatsvindt en het feit dat de toename plaatsvindt in de gebruiksfase (geen tijdelijk effect maar een langdurig effect) is onze inschatting dat het heel lastig wordt om in een voortoets te motiveren dat de berekende toenames niet leiden tot significante negatieve effecten;. • Op basis van saldering (met passende beoordeling) onderbouwen dat de ontwikkeling per saldo niet leidt tot een toename van stikstofdepositie. Omdat de sportvelden al lange tijd buiten gebruik zijn, zijn er (rekening houdend met de eisen die op grond van jurisprudentie worden gesteld aan saldering) geen mogelijkheden om met interne saldering te komen tot een sluitende berekening. Externe saldering kan wel een oplossing bieden. Dat betekent in directe samenhang met de ontwikkeling van Meeuwenoord bestaande emissies op een andere locatie worden beëindigd.
Op grond van de provinciale beleidsregels mag bij externe saldering 70% (van de feitelijk gerealiseerde capaciteit/emissie) worden ingezet voor saldering. Deze saldering moet op alle maatgevende locaties en habitats binnen het Natura 2000gebied leiden tot een sluitende berekening. • Wanneer op grond van de passende beoordeling significante negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, kan in bepaalde gevallen een ADC-toets uitkomst bieden (geen alternatieven, wel dwingende reden van groot openbaar belang, de nodige compenserende maatregelen worden getroffen). Verkennend zal moeten worden in hoeverre een ADC-toets voor woningbouw op deze locatie kansrijk is. Daarbij is van belang dat binnen een deel van de omliggende Natura 2000-gebieden sprake is van prioritair habitattype / prioritaire soorten. In dat geval kunnen in principe alleen de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of voor het milieu wezenlijk gunstige effecten worden opgevoerd als dwingende reden van groot openbaar belang. Andere dwingende redenen van groot openbaar belang kunnen slechts worden aangevoerd na het inwinnen van advies van de Europese Commissie. Uitgangspunten: • Het is niet uitgesloten dat de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen de omliggende Natura 2000-gebieden mede bepalend zijn voor het maximaal te realiseren programma (in combinatie met de uitgangspunten t.a.v.
mobiliteit/ontsluiting). Vervolgonderzoek: • Het stikstofdossier is dynamisch waarbij wijzigingen in wet- en regelgeving, jurisprudentie en rekenmodellen van invloed kunnen zijn op de toetsing en uitvoerbaarheid. Het is verstandig om gedurende het vervolgproces op basis van meer concrete ruimtelijke en programmatische uitgangspunten een meer gedetailleerde berekeningen uit te voeren om beter inzicht te krijgen in de uitvoerbaarheid, randvoorwaarden en vervolgstappen. In samenhang/afstemming met mobiliteitsstudie. Dit is een gezamenlijke opgave voor de gemeente en ontwikkelende partij.
18
Figuur Ligging locatie Meeuwenoord ten opzichte van Natura 2000-gebieden (bron: Aerius Calculator)
3.5 Flora en fauna Tijdens eerdere ecologische onderzoeken zijn ter hoogte van de locatie Meeuwenoord geen beschermde soorten aangetroffen. Deze onderzoeken zijn inmiddels verouderd. Het is (gezien het extensieve gebruik en aanwezige groen) niet uitgesloten dat zich inmiddels wel beschermde soorten in het gebied hebben gevestigd. Wanneer nu wel beschermde soorten worden aangetroffen kan dit randvoorwaarden met zich meebrengen voor de ontwikkeling (bijvoorbeeld behoud van bepaalde bomen of het treffen van compenserende/mitigerende maatregelen). Daarnaast is in de provinciale omgevingsverordening opgenomen dat bij een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de mogelijkheden voor het bevorderen van de biologische diversiteit wordt betrokken. Hier dient bij het bepalen van de uitgangspunten voor de inrichting van het gebied aandacht voor te zijn.
Uitgangspunten: • •
In het ontwerp rekening houden met de mogelijkheden voor het bevorderen van biodiversiteit Actualisatie ecologisch onderzoek zou kunnen leiden tot aanvullende uitgangspunten gericht op mogelijk aanwezige beschermde soorten
19
Vervolgonderzoek • Actualiseren ecologisch onderzoek om inzicht te krijgen in de actuele stand van zaken en eventuele vervolgstappen (actie gemeente)
3.6 Milieueffectrapportage De ontwikkeling van Meeuwenoord is een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ zoals bedoeld in de m.e.r.-regelgeving. Dat betekent dat bij de verdere uitwerking van de plannen in het de kader van de wijziging (of afwijking) van het omgevingsplan minimaal een m.e.r.-beoordeling is vereist. In een m.e.r.-beoordeling staat de vraag centraal of activiteiten kunnen leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De wettelijke regeling voor de mer-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij': een (project)mer is alleen noodzakelijk als er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen. Bij het besluit over het al dan niet doorlopen van een mer-procedure, moet het bevoegd gezag volgens het Besluit m.e.r. rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: de kenmerken van de projecten, de plaats van de projecten, de kenmerken van de potentiële effecten (in samenhang met de eerste twee criteria). Zoals DCMR terecht aangeeft kan een m.e.r-procedure worden overwogen aangezien het gaat om een milieubelaste locatie. Anderzijds biedt de m.e.r.-regelgeving ruimte om bij een m.e.r.-beoordelingsbesluit mitigerende maatregelen te betrekken.
Dat betekent dat aan het m.e.r.-beoordelingsbesluit maatregelen kunnen worden verbonden die nodig zijn om belangrijke nadelige milieugevolgen uit te kunnen sluiten (en geen volledige m.e.r.-procedure te doorlopen). Hoewel de formele m.e.r.-beoordelingsplicht pas aan de orde is bij de wijziging van het omgevingsplan, is het toch verstandig om nu al een keuze te maken over het al dan niet doorlopen van een m.e.r.-procedure. Een m.e.r.-procedure heeft inhoudelijk gezien namelijk vooral meerwaarde als er ruimte is om te komen tot relevante, onderscheidende onderzoeksalternatieven. Dat betekent in principe dat de m.e.r.-procedure in een zo vroeg mogelijk stadium moet worden opgestart (voordat er definitieve keuzes zijn gemaakt t.a.v. stedenbouwkundige en programmatische uitwerking en de ontsluiting). Op die manier kan het MER worden gebruikt om te komen tot onderbouwde afwegingen en keuzes. Vervolgonderzoek: • In vroeg stadium keuze maken over het al dan niet doorlopen van een m.e.r.-procedure (gemeente) • Uitvoeren m.e.r.-beoordeling of opstellen MER (ontwikkelende partij)
3.7 Overige omgevingsaspecten Naast de hiervoor beschreven aspecten zijn er verschillende aspecten die in het kader van de vervolgbesluiten (wijziging omgevingsplan, omgevingsvergunningen) wel om een nadere motivering en/of onderzoek vragen, maar niet direct leiden tot ruimtelijke of programmatische uitgangspunten voor de ontwikkeling van Meeuwenoord en/of anderszins relevant zijn in het kader van de aanbesteding. Deze komen in de navolgende tabel kort aan de orde. Voor een aantal van deze aspecten geeft de omgevingsscan van DCMR (bijlage 2) in de situatie ter plaatse en de vereiste motivering in het kader van het omgevingsplan. Geur
Er liggen geen geurcontouren van bedrijven over het gebied die leiden tot harde ruimtelijke beperkingen. Binnen het plangebied kan afhankelijk van windrichtingen wel sprake zijn van kans op geurwaarneming door industriële activiteiten en is enige hinder niet uitgesloten. Gezien de geurbelasting tussen de 1,0 en 2,5 odour units is echter geen sprake van een onaanvaardbare geurhindersituatie die een belemmering oplevert voor de beoogde herontwikkeling. Wel is het van belang om bij de communicatie met toekomstige bewoners aandacht te hebben voor de geurhindersituatie in het gebied.
20
Luchtkwaliteit
Trillingen Lichthinder Archeologie
De gemeente Voorne aan Zee is niet aangewezen als aandachtsgebied voor luchtkwaliteit. Los daarvan is het gezien de mogelijke omvang van het programma op voorhand duidelijk dat de ontwikkeling van Meeuwenoord ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen of randvoorwaarden voor de ontwikkeling van Meeuwenoord. Geen relevante bronnen in de omgeving van de locatie Meeuwenoord die kunnen leiden tot trillingshinder. Geen relevante bronnen in de omgeving van de locatie Meeuwenoord die kunnen leiden tot lichthinder. Lage archeologische verwachtingswaarde.
21
4 De ruimtelijke en programmatische kaders Hieronder volgt een overzicht met de ruimtelijke en programmatische kaders voor de ontwikkeling van Meeuwenoord. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in ‘Harde uitgangspunten” die moeten worden gevolgd, “Richtlijnen” die de gewenste richting aangeven en “Nader te onderzoeken” waarbij de nog te onderzoeken onderdelen zijn vermeld.
4.1 Stedenbouwkundige & landschappelijke kaders LANDSCHAP EN LANDSCHAPPELIJKE STRUCTUREN UITGANGSPUNTEN • Buitendijk behouden en benadrukken. Fietspad behouden op Buitendijk. Verbinding met omgeving zoeken. • Behoud waardevolle bomen in het plangebied (nader onderzoek noodzakelijk). Streven naar 30% van het oppervlak voor groen, water en spelen in elke wijk of buurt. RICHTLIJNEN • Ligging in zeekleipolder benadrukken, met blokverkaveling. • Verbinding zoeken met bosstroken langs het water aan noord- en zuidoostzijde. • Unieke ligging tegen de vestingwerken benadrukken. Het oude schootsveld is niet meer als zodanig beleefbaar, waar nu nog een aansluiting op Meeuwenoord mogelijk is kan hier nog wel in het ontwerp rekening mee worden gehouden. • Behoud groenstructuur ten zuiden van waterloop (NW-ZO) door het plangebied. • Behoud groenstructuur aan westrand van het plangebied. • Zo mogelijk behoud groenstructuur rondom de sportvelden NADER TE ONDERZOEKEN • Inpassing van landschappelijke en ecologische structuren, bestaande bomen en watergangen (zie ook milieutoets ecologie). • Cultuurhistorie, zichtvelden vanuit en relatie met vesting. • Gebruik het (nieuwe) landschap om geluidshinder te beperken .
WATER UITGANGSPUNTEN • Robuust en veerkrachtig watersysteem. • Zorgen voor voldoende waterberging. • Te hanteren waterpeilen: o Brielse Meer: 0.0m NAP o Meeuwenoord: -0.4m NAP o Drooglegging: 1.0 m tot 1.2 m o Maaiveld van minstens +0.6 m NAP.
RICHTLIJNEN • Ligging aan Brielse Meer benadrukken. 22
• • •
Ligging aan grachten van de vestingwerken benadrukken. Waterstructuur in plangebied (NW-ZO) behouden. Ivm biodiversiteit flauwe taluds toepassen.
WONINGBOUW UITGANGSPUNTEN • Samenhangend geheel met eigen identiteit en ruimte voor differentiatie op buurtniveau. • Diversiteit aan architectuur en karakteristiek, passend in Brielle. • Kleinschalige, dorpse, rustige en geborgen, veilige woonmilieus. • Bouwhoogte: basisuitgangspunt is maximaal drie bouwlagen met ruimte voor accenten van vier bouwlagen (mits goed ingepast).
INFRASTRUCTUUR/ ONTSLUITING/ PARKEREN UITGANGSPUNTEN • Aansluiting gemotoriseerd verkeer via nieuwe ontsluitingsroute aan de westzijde van het plangebied. • Ontsluitingsweg dient voldoende breedte te hebben. • Zorgen voor een calamiteitenroute/ noodontsluitingsroute. • Goede langzaamverkeersroutes; fietsroute over Buitendijk (‘Brielse Maaspad’) behouden en verbinden met routes in omgeving. • Goede langzaamverkeersroute richting vestingwerken en de vesting van Brielle. • Zorgen voor voldoende parkeergelegenheid (meest recente CROW normen). • 30 km/u in plangebied. RICHTLIJNEN • Volgen van de Mobiliteitsvisie, STOMP. • Zorgen voor goede wandelroutes. • Openbaar Vervoer: (kleinschalig) OV mogelijk. • Kansen voor shared space. • Parkeren uit het zicht. NADER TE ONDERZOEKEN • Westelijke ontsluitingsweg: benodigde ingrepen in bestaande wegenstructuur om vergrote capaciteit aan te kunnen; 60 km/u.
OPENBARE RUIMTE UITGANGSPUNTEN • Voldoet aan Leidraad inrichting openbare ruimte (LIOR) en de speelruimtevisie (2024). • Laten aansluiten op doelgroepen. RICHTLIJNEN • 33% groen; 33% water; 33% verharding. • Aandacht voor biodiversiteit.
23
• • •
Aandacht voor klimaatadaptatie (Zie hieronder kopje ‘klimaatadaptatie’) . Behoud groenstructuren. Behoud van bestaande volwassen bomen.
KLIMAATADAPTATIE UITGANGSPUNTEN • Volgen van de Maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving. • Voorkomen hittestress. • Vergroten biodiversiteit. RICHTLIJNEN • Behoud van bestaande volwassen bomen (schaduwwerking),
DUURZAAMHEID UITGANGSPUNTEN • Circulair bouwen. • Natuurinclusief bouwen . • Nationaal pakket Duurzame stedenbouw. RICHTLIJNEN • Ecologisch bouwen. • Nul op de meter woningen.
Energie NADER TE ONDERZOEKEN • ontwikkeling van een energievisie voor de ontwikkeling.
4.2 Programmatische kaders WONEN EN VOORZIENINGEN UITGANGSPUNTEN De woningbouwontwikkeling in Meeuwenoord draagt bij aan de gemeentelijke opgave om een gedifferentieerd, betaalbaar en toekomstbestendig woonprogramma te realiseren. Uitgangspunt is een evenwichtige verdeling van 1/3 sociaal, 1/3 betaalbaar en 1/3 duur, conform de gemeentelijke programmeringskaders en de verwachtingen van de provincie ZuidHolland. Deze verdeling geldt als randvoorwaarde voor opname in het gemeentelijk woningbouwprogramma en voor een positieve provinciale beoordeling. De wijk wordt opgezet als een gevarieerd woonmilieu met verschillende typologieën en doelgroepen, passend bij de unieke ligging tussen vestingstad en recreatielandschap. Binnen de nieuwe woonwijk kan ruimte worden geboden voor kleinschalige voorzieningen, afgestemd op de doelgroep en specifieke behoefte.
24
RICHTLIJNEN • De wijk biedt gedifferentieerde woonmilieus met een eigen identiteit, passend bij de landschappelijke kamers, de waterstructuur en de nabijheid van de vesting. • Binnen het programma wordt ruimte gereserveerd voor: o zorgwoningen en andere vormen van geclusterde zorg; o seniorenwoningen, waaronder concepten zoals een ‘Knarrenhof’; o kleinere, betaalbare woningen voor starters en junioren; o grondgebonden gezinswoningen in diverse prijsklassen. • De differentiatie in woningtypen draagt bij aan doorstroming binnen de gemeente en sluit aan op de regionale woonbehoefte. • De stedenbouwkundige opzet benut de bestaande groene structuren en waterlopen om aantrekkelijke woonmilieus te creëren met hoge verblijfskwaliteit. NADER TE ONDERZOEKEN De woningbouwprogrammering voor Meeuwenoord hangt direct samen met de noodzaak van een nieuwe westelijke ontsluiting. Deze ontsluiting is essentieel om verkeer door de Vesting te beperken en een veilige, toekomstbestendige bereikbaarheid te garanderen. De aanleg van deze ontsluiting brengt substantiële kosten met zich mee. Er is nader onderzoek nodig naar de financiële haalbaarheid, ook in relatie tot een eventuele fasering waarbij binnen een eerste fase 200 tot 250 woningen worden gerealiseerd met op een later moment een mogelijke doorgroei naar 400 woningen.
Het nader onderzoek richt zich op: • Het optimale woningbouwprogramma binnen de ruimtelijke, verkeerskundige, milieutechnische en financiële randvoorwaarden. Hierbij worden de eerder onderzochte bandbreedtes (200–344 woningen) opnieuw beoordeeld in het licht van de nieuwe ontsluitingsopgave en de provinciale kaders. • De haalbaarheid van een programma van ruim 400 woningen, inclusief de effecten op verkeer, geluid (RAK/industrielawaai), stikstofdepositie, waterhuishouding en stedenbouwkundige inpassing. • De financiële onderbouwing van de nieuwe ontsluiting, inclusief de vraag welk woningbouwprogramma nodig is om deze investering mogelijk te maken. • De provinciale toetsing bij opname in het woningbouwprogramma: o beoordeling van betaalbaarheidscategorieën; o ligging binnen of buiten BSD; o toepassing van de 3-ha-kaart; o risico’s van afkeuring bij te hoge of te lage programmering. • De consequenties van het gekozen programma voor de sociale en betaalbare woningbouwopgave: hoe wordt geborgd dat deze categorieën daadwerkelijk worden gerealiseerd? • De realistische fasering en opleverplanning, rekening houdend met: o tenderprocedure en partnerselectie; o overleg met provincie, waterschap en DCMR; o planvorming en vergunningen; o bouwrijp maken en voorbelasting (minimaal één jaar).
o Voor een marktselectie is een kwalitatief toetsingskader nodig (beoordeling vindt plaats in combinatie met een grondbod) • de behoefte aan voorzieningen (afgestemd op programma/doelgroep)
25
SPELEN UITGANGSPUNTEN De ontwikkeling van Meeuwenoord moet bijdragen aan een aantrekkelijk, inclusief en toekomstbestendig speellandschap voor alle leeftijden. De harmonisatie Speelruimtevisie Voorne aan Zee (2024) vormt hiervoor het beleidskader. Binnen de nieuwe wijk wordt uitgegaan van één centrale speel- en ontmoetingsplek die uitnodigt tot ontdekken, bewegen en ontmoeten, aangevuld met informele speelruimte in de directe woonomgeving. De bestaande natuurspeelplaats vormt een waardevolle basis en wordt waar mogelijk geïntegreerd en versterkt. Speelruimte wordt ontworpen als onderdeel van een groene, klimaatadaptieve openbare ruimte met aandacht voor biodiversiteit, schaduw en waterberging. RICHTLIJNEN • De centrale speelplek biedt een gevarieerd aanbod voor kinderen van 0–12 jaar (of 0–18 jaar indien ruimte en programma dit toelaten) en stimuleert samen spelen, ontmoeten en bewegen. • Steunplekken of kleinere speelvoorzieningen worden alleen toegevoegd wanneer de loopafstanden binnen de wijk groter worden dan 400 meter of wanneer specifieke doelgroepen hierom vragen. • Informele speelruimte (groen, paden, open ruimtes) wordt integraal onderdeel van de wijkstructuur en vormt de eerste opstap naar zelfstandig buitenspelen. • Speelplekken worden inclusief ontworpen, zodat ook kinderen met een beperking volwaardig kunnen meedoen.
• Voor jongeren wordt ruimte gereserveerd voor sport en ontmoeting, passend bij de richtlijnen uit de speelruimtevisie (sport- en ontmoetingsplek per 100 jongeren; verwijsplek per 500 jongeren). • Speel- en ontmoetingsplekken worden landschappelijk ingebed en dragen bij aan klimaatadaptatie (schaduw, wateropvang, vergroening). NADER TE ONDERZOEKEN • De exacte locatie, omvang en inrichting van de centrale speelplek, in samenhang met de stedenbouwkundige opzet en de groene hoofdstructuur. • De behoefte aan aanvullende steunplekken of jongerenvoorzieningen op basis van demografische prognoses en participatie met kinderen, jongeren en omwonenden. • De mogelijkheden om de bestaande natuurspeelplaats te behouden, te verplaatsen of te integreren in het nieuwe speellandschap. • De beheer- en onderhoudsconsequenties van een meer natuurlijk ingericht speellandschap, inclusief de verschuiving van toestelonderhoud naar groenbeheer.
4.3 Relatie met nadere onderzoeken omgevingsaspecten Zoals blijkt uit de analyses in hoofdstuk 2 en 3 zijn er voor verschillende omgevingsaspecten onderzoeken nodig die mede bepalend kunnen zijn voor de verdere uitwerking van de ruimtelijke en programmatische uitgangspunten. Cruciaal is het in beeld brengen en beoordelen van de mogelijke varianten voor de westelijke ontsluiting om te komen tot een onderbouwde en haalbare voorkeursvariant. Vanwege de randvoorwaardelijkheid van deze ontsluiting moet dit onderzoek zo snel mogelijk worden opgestart (actie gemeente). Daarnaast is het wenselijk dat de gemeente ook waar het gaat om het te behouden groen, de mogelijk aanwezige beschermende soorten en de bodemkwaliteit in ieder geval de eerste verkennende onderzoeken / quickscans opstart om meer zicht te krijgen op de eventuele consequenties, vervolgstappen en nadere onderzoeken. Ook zal de gemeente in een zo vroeg mogelijk stadium een keuze moeten maken over het al dan niet doorlopen van een mer-procedure (milieueffectrapportage).
26
Voor de ontwikkelende partij ligt er een belangrijke opgave waar het gaat om het afstemmen van het ontwerp en de uitgangspunten voor de inrichting van het gebied op de geluidbelasting door het industrielawaai. Vanwege de overschrijding van de wettelijke grenswaarde (en met het oog op de noodzakelijke vervolgbesluiten) is het belangrijk om hier vanaf de start van de planvorming nadrukkelijk rekening mee te houden. Gedurende het proces zal met akoestische berekeningen moeten worden getoetst of sprake is van een akoestisch aanvaardbare situatie en invulling kan worden gegeven aan de vereiste compensatie. Ook de stand van zaken rondom het stikstofdossier kan van invloed zijn op de vervolgbesluiten en de in dat kader vereiste onderbouwing. De verkeerseffecten door de nieuwe ontsluiting en het extra verkeer door de woonwijk dienen daarbij in samenhang te worden beschouwd. Hier ligt dan ook een gezamenlijke opgave voor gemeente en ontwikkelende partij.
4.4 Aanpak aanbesteding Voordat de aanbesteding volledig kan worden opgestart, moeten de volgende stappen door de gemeente worden uitgevoerd: •
Vaststellen voorkeursvariant ontsluiting op basis van een integrale variantenstudie.
•
Afstemming met de provincie Zuid-Holland over de mogelijkheden voor bouwen buiten het BSD en de voorwaarden voor transformatie.