Kaders ontwikkeling Meeuwenoord versie 040226
Tekst van het document
Analyse Vanwege de aanwezige hoogteverschillen in het gebied, is duidelijk dat uit de modellen blijkt dat er bij hevige of zelfs extreme neerslag wateroverlast kan ontstaan die zich zal concentreren rond de laagstgelegen delen binnen het gebied. Er is wel potentie voor waterberging in het gebied (zie ook onder Zoetwaterbeschikbaarheid/kwaliteit). Bij eventuele ontwikkelingen binnen het gebied is het raadzaam hier rekening mee te houden, of zelfs gebruik van te maken, om de wateroverlast elders te beperken.
Wateroverlast bij bui van 70 mm in 2 uur ( Bron: Klimaateffectenatlas)
Blad 23 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
Wateroverlast bij bui van 140 mm in 2 uur ( Bron: Klimaateffectenatlas)
Klimaatadaptatie Overstroming
Beoordelingskader Een groot deel van ons land ligt onder de zeespiegel en dat maakt ons kwetsbaar voor overstromingen. Om overstromingen te voorkomen, hebben we in Nederland vele kilometers aan primaire en regionale waterkeringen om het land te beschermen. Het overstromingsbeeld van de Provincie Zuid-Holland is de weergave van het mogelijk overstroombaar gebied ten gevolge van de meest extreme doorbraken. Het betreft een statisch beeld van de maximale waterdieptes die op een plek kunnen optreden ten gevolge van één of meerdere dijkdoorbraken in de buurt. Analyse De locatie ligt binnen de primaire kering, die strekt rondom het Brielse Meer en deze scheidt van het Hartelkanaal. De locatie ligt, net als de overige aangrenzende bebouwing en de oude vesting van Brielle, buiten de regionale kering (boezemkade). Er is een zeer kleine kans (1:3000 – 1:30.000) dat het gebied meer dan 200 cm diep overstroomt in 2050. Tevens kan er in het gebied een overstromingsdiepte van 50 tot 200 cm voorkomen. Er zijn, vanwege de ligging, kansen tot overstroming in het gebied. Hoe groot deze kans is modelmatig berekent. Er wordt geadviseerd om tijdig het waterschap te betrekken bij de beoordeling van de waterveiligheid van het gebied en hoe deze te garanderen in de toekomst.
Blad 24 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
Overstroming ( Bron: Waterschapswijzer Waterschap Hollandse Delta)
Klimaatadaptatie Hittestress
Beoordelingskader Door klimaatverandering krijgen we steeds meer te maken met hete zomerdagen. Hittestress is een term die aangeeft dat een sterk verhoogde gevoelstemperatuur optreedt, die onaangenaam en zelfs schadelijk kan zijn voor mens en dier. De aanwezigheid van veel verhard oppervlak verhoogt de gevoelstemperatuur en daarmee de hittestress, terwijl de aanwezigheid van schaduw en groen deze verlaagt. De mate van hittestress wordt vaak uitgedrukt met het hitte-eiland effect (UHI), welke het gemiddelde luchttemperatuurverschil tussen de stedelijke en omliggende landelijke gebieden weergeeft. Er bestaat geen bevoegd gezag dat een wettelijke verantwoordelijkheid heeft om hittestress te reduceren. Overheden zijn wel verplicht het thema hittestress mee te nemen in de stresstesten en risicodialogen van het DPRA. De gevoelstemperatuur op een hete zomerdag verschilt binnen het gebied. Het meest extreme ligt tussen de 46 ℃ en 48 ℃ ter plaatse van de open plekken binnen het gebied. Rondom de bomen is de temperatuur tussen de 32 ℃ en 34 ℃. De hoge gevoelstemperatuur wordt ervaren als zeer heet en betreft een fysiologisch stressniveau van niveau 2. De locaties van de bomen worden dan ook als koele plek aangeduid. Hittestress kan men krijgen vanaf een gevoelstemperatuur van 23 ℃.
Op de locatie heerst een risico op gezondheidsproblemen door hittestress op een hete zomerdag van rond de 31 ℃ in de Bilt. Door klimaatverandering kan een dergelijke warme dag vaker gaan voorkomen. Het onderzoek ‘De Hittebestendige Stad’ van Hogeschool Amsterdam geeft drie richtlijnen Blad 25 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
aan ontwerpers om de buitenruimte koel in te richten. Een van de richtlijnen is de aanwezigheid van een koele verblijfsplek binnen 300 meter afstand. De koele plekken betreffen nu de delen van het gebied waar bomen zijn. Analyse Geadviseerd wordt om waar mogelijk gezonde bomen te behouden. Te meer omdat de schaduwwerken van bomen en daarmee het verkoelende effect wat zij hebben, door de tijd heen toeneemt. Als richtlijn wordt aangehouden dat minimaal 40% van de wandel- en fietsgebieden in de schaduw ligt. Geadviseerd wordt om de GGD te betrekken bij de beoordeling van de gezondheidsrisico’s ten gevolge van hittestress. Het percentage bomen in de buurt ligt rond de 10-20%. Het percentage groen in de buurt ligt rond de 30- 40%.
Hitte (Bron: Klimaateffectenatlas)
Klimaatadaptatie Bodemdaling
Beoordelingskader Droogte kan effect hebben op verschillende zaken, zoals bodemdaling, schade aan fundering, paalrot, afscheuren van kabels en leidingen en verzakkingen van wegen. Adaptatie kan nodig zijn, zoals bebouwing bodemdalingsbestendig te maken of andere gewassen te telen. Nieuwe ontwikkelingen binnen een gebied kunnen de kans op bodemdaling vergroten. Het is daarom van belang vroegtijdig bij een ontwikkeling na te gaan in hoeverre de locatie bodemdalingsgevoelig is en welke mogelijke maatregelen toegepast kunnen worden om bodemdaling tegen te gaan.
Blad 26 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
Analyse De verwachte bodemdaling tot 2050 ten gevolge van lagere grondwaterstanden door klimaatverandering is naar verwachting beperkt (3-10 cm) op de planlocatie. Dit geldt voor alle scenario’s zoals berekent en weergegeven in de klimaatatlas. In de berekening is de inklinking van slappe lagen en eventuele afbraak van veen meegenomen. Het vigerende oppervlaktewaterpeil is -0,40 m NAP. De jaarlijkse gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) is geschat rond de 1,0-2,0 m onder maaiveld. Op basis van de aanwezige bodemopbouw wordt geen verandering in gemiddelde laagste grondwaterstand door klimaatverandering verwacht. De verwachte zetting bij een bovenbelasting van één meter ophoogzand is voorspeld tussen de 10 en 25 cm over 30 jaar. Voor de noord- en zuidhoek geldt een voorspelde daling van tussen de 25 en 50 cm over 30 jaar bij eenzelfde bovenbelasting. Ten zuiden van de locatie zijn meerdere gesloten bodemenergiesystemen (28) aanwezig. Op de locatie zelf zijn geen boringen of sonderingen bekend. Rondom de locatie wel. Hieruit blijkt dat de bovenste meters onder maaiveld voornamelijk uit klei met mogelijke veenlaagjes bestaat. Daaronder zijn er vooral zandlagen aanwezig. Uit het verschillende beschikbare kaartmateriaal blijkt de locatie bodemdalingsgevoelig is door de aanwezige slappe bodem.
Belasten van slappe kleibodem (door bebouwing/ophoging of bemaling), zal leiden tot samendrukking en zetting van de bodem. Geadviseerd wordt om bodemdalingsbestendig te bouwen, zodat schade voorkomen kan worden. Zie voor meer informatie het project ‘Bodemdalingsbestendige Nieuwbouw’: https://www.kbf.nl/kennisprogramma/nieuwbouw-opslappe-bodem/ Vanwege de reeds aanwezige woningen in hetzelfde peilvak is het goed om in kaart te brengen welk type funderingen hier zijn gebruikt. Gezien de periode van bouw (jaren 60 van de vorige eeuw), kan dit zowel houten of betonnen palen zijn, alsmede fundatie op staal. Daarnaast wordt geadviseerd om na te denken over manieren om tijdens het bouwrijp maken van de locatie de bovenbelasting tot een minimum te beperken. De verwachte zetting bij een ophoging van een meter ophoogzand ligt tussen de 10 cm en 25 cm en in de uiterste noord en zuidhoeken tussen de 25 cm en 50 cm over 30 jaar tijd. Op de locatie zelf zijn geen grondboringen of sonderingen bekend. Rondom de locatie wel. Blad 27 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
Op basis van de beperkte gegevens is het mogelijk dat er een veenlaagjes aanwezig zijn. Op basis van de beperkte beschikbare ondergrondgegevens, lijkt het risico op veenoxidatie klein. Geadviseerd wordt de verwachte bodemdaling en mogelijke afbraak van veen nader te onderzoeken en hiervoor contact op te nemen met het waterschap. Ook klei kan bij (zeer) droge zomers (sterk) krimpen, om daarna in nattere periodes weer uit te zetten. Deze bodemwerking kan effect hebben op gerealiseerde bebouwing en op (ondergrondse) infrastructuur. Het risico op schade aan bebouwing en bestrating door krimp/zwelgedrag kan verkleind worden door (in hoeverre mogelijk bij droogte) schommelingen in de grondwaterstand zo veel mogelijk te voorkomen. Het waterschap hanteert in dit gebied een vast peilbeheer, waardoor schommelingen gecontroleerd en minimaal gehouden worden. Geadviseerd wordt om met het waterschap in gesprek te gaan over de plannen die zij hebben met betrekking tot het huidig en toekomstig peilbeheer en hoe daarmee rekening kan worden gehouden bij de ontwikkeling van dit gebied.
Bodemdaling door ophoging
Blad 28 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
Peilgebied (Bron: Waterschap Hollandse Delta)
Gemiddeld laagste grondwaterstand - huidig klimaat (Bron: Klimaateffectenatlas)
Blad 29 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
Bodemdaling als gevolg van dalende grondwaterstand door klimaatverandering - gelijk voor alle scenario’s (Bron: Klimaateffectenatlas)
Zoetwater beschikbaarheid/ kwaliteit
Beoordelingskader De grondwatervoorraad is van levensbelang voor onze maatschappij. Het is onze grootste drinkwatervoorziening en een voorwaarde voor landbouw, natuur en industrie. In geval van landbouwgrond moeten gewassen goed kunnen gedijen in de aanwezige bodem- en grondwatercondities. Lozingen van afvalwater en de installatie van open bodemenergiesystemen vormen uitdagingen bij het waarborgen van de kwaliteit van het zoete water voor onder andere de drinkwatervoorziening en landbouw. Daarnaast zorgt de globale opwarming van de aarde voor langere periode van droogte en zeespiegelstijging. In de toekomst zal hierdoor de druk op de zoetwater beschikbaarheid toenemen door verdere verzilting en verkleining van de zoetwaterlenzen. Analyse Het Brielse Meer is een belangrijke strategische zoetwaterbuffer, welke gebruikt wordt voor demi-en proceswater voor de Rotterdamse havenindustrie en het behoud van het veenweidegebied van Delfland en de landbouw in de polders van de gemeente. (https://www.evidesindustriewater.nl/nieuws/onderzoek-brielse-meer-alsstrategische-zoetwaterbuffer). Het grensvlak tussen zoet en zout grondwater ligt ondiep, namelijk tussen de 5 m en 10 m onder NAP. Bij een zeespiegelstijging tot 3 meter is er een toename tot sterke toename in zoutvracht, d.w.z. de hoeveelheid zout die vanuit het grondwater uitstroomt in het oppervlaktewater neemt toe.
Het waterschap geeft aan dat met name interne verzilting (als gevolg door Blad 30 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
zeespiegelstijging) voor Voorne-Putten tegen 2100 met een factor 5 kan toenemen (Waterbeschikbaarheid – Waterwijzer Hollandse Delta) De geohydrologische geschiktheid van de ondergrond voor ondergrondse opslag van zoetwater ter plaatse van de planlocatie is mogelijk kansrijk. Op basis van het huidige klimaat wordt dit gemodelleerd op meer dan 40 mm (bodematlas van de provincie Zuid-Holland). Het grensvlak van zoet en zout grondwater ligt ondiep, dit kan een risico vormen voor de kwaliteit van het beschikbare water en het type beplanting wat hier gedijt. De ondergrond heeft potentie om zoetwater te bergen. Dit biedt kansen om de zoetwatervoorraad structureel te vergroten en weerstand te vergroten tegen brakke kwelflux. Verzilting via het grondwater is een uitdaging voor deze regio. De naastgelegen polders hebben al te maken met zoute kwel. Door zeespiegelstijging neemt de zoute kwel toe. Er wordt ten zeerste geadviseerd om op dit onderwerp samen te werken met het waterschap om op lokaal niveau de beschikbaarheid en kwaliteit van het zoete water mee te nemen in de planvorming.
Zeespiegelstijging 0,5 m,1 m en 3m ( Bron: Klimaateffectenatlas)
Blad 31 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
Verdroging
Verzilting
Blad 32 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
Energietransitie
Beoordelingskader In het Klimaatakkoord is afgesproken om 3,4 Mton CO2-reductie in 2030 in de gebouwde omgeving te behalen. Hiervoor moeten ongeveer 1,5 miljoen bestaande woningen van het gas af en moet de CO2-uitstoot in de bestaande utiliteitsbouw met 1 Mton worden teruggebracht. Daarnaast zorgt de wijziging van de Gaswet per 1 juli 2018 ervoor dat nieuwe woningen en kleine bedrijfsgebouwen (< 40 m3 gas/uur) in beginsel geen gasaansluiting kunnen krijgen. Per regio is een Regionale Energiestrategie opgesteld (DS, HW, ALV), waarin nationale afspraken uit het Klimaatakkoord in de praktijk worden gebracht. Voor duurzame verwarming bestaan meerdere opties. De provincie is bezig met de realisatie van een groot collectief warmtenetwerk (gebied Dordrecht-Rotterdam-Den Haag-Leiden), ook wel “De Warmterotonde” genoemd. De bodem en ondergrond kan gebruikt worden voor het opslaan en onttrekken van warm water door gebruik te maken van open en gesloten bodemenergiesystemen (tot ong. 300 meter diepte) en middelhoge temperatuuropslag (tot ong. 1.500 m diepte). Daarnaast kan gebruik gemaakt worden van de natuurlijke warmte (geothermie) in de diepere lagen door warm water uit watervoerende diepe lagen (vanaf ong. 1.500 m diepte) op te pompen.
Uit de startanalyse van het Planbureau voor de Leefomgeving komt naar voren dat een S1 strategie de financieel gunstigste oplossing is tot de verduurzaming van de warmtevoorziening binnen de locatie. Strategie 1 houdt in dat er het best gekozen kan worden om elke woning of gebouw te voorzien van een individuele elektrische warmtepomp. Het potentieel gebruik van aardwarmte uit de Trias formatie is het grootst in vergelijking met het Rotliegend en Krijt-Jura. Maar ook uit deze laag wordt het potentieel ingeschat op 30-50% op meer dan 5 MWth vermogen met een temperatuur van meer dan 45ºC. Analyse Op basis van het geraadpleegde kaartmateriaal lijkt de potentie voor geothermie beperkt. In de buurt wordt gebruik gemaakt van gesloten bodemenergiesystemen. Mogelijk is dit een techniek die op deze locatie beter werkt. Het is echter altijd raadzaam om dit op meer lokaal niveau te (laten) onderzoeken.
Blad 33 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
Ten zuiden van de locatie zijn meerdere (28) gesloten bodemenergiesystemen aanwezig.
Gesloten bodemsystemen (Bron: Bodematlas) Circulair
In 2016 heeft het Rijk het rijksbrede programma Nederland Circulair in 2050 opgezet. De doelstellingen zijn om het gebruik van grondstoffen gehalveerd te hebben in 2030 en een volledig circulaire economie te hebben in 2050. Om daar te komen is het Grondstoffenakkoord getekend door verschillende partijen uit de overheid, het bedrijfsleven, de vakbeweging en milieuorganisaties. Met deze partijen zijn transitieagenda’s opgesteld en maatregelen opgenomen in het Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030. Gemeenten worden gestimuleerd te werken aan een strategie en te komen tot nieuw beleid om de benodigde veranderingen lokaal door te voeren. Ter inspiratie worden hier voorbeelden genoemd hoe de manier van uitvragen kan leiden tot circulaire oplossingen bij bijvoorbeeld de herinrichting van een gebied of de renovatie van infrastructuur. Analyse Geadviseerd wordt om als gemeente bij een eventuele aanbesteding aandacht te besteden aan de mate van circulariteit van het grondstromenplan. Denk aan het beperken van grondverzet en het zo veel mogelijk hergebruiken van grond. Initiatieven waarbij afval wordt gebruikt als grondstof worden vanuit circulair oogpunt aangemoedigd. Wel wordt er aangeraden behoedzaam te zijn op de potentiële nadelige effecten op de bodem, zoals het ontstaan Blad 34 van 35
Ons kenmerk
4341385_10202993
van nieuwe verontreinigingen. De DCMR is graag in een vroeg stadium betrokken bij circulaire initiatieven om mee te denken over de wettelijke mogelijkheden en het voorbereiden van vergunningen of tijdelijke ontheffingen. Geadviseerd wordt om contact op te nemen met de DCMR bij initiatieven om afvalstoffen te gebruiken als grondstof. Dit kan via het informatiepunt Het Circulair Loket: https://www.dcmr.nl/het-circulaire-loket
Blad 35 van 35