CConstaterende datVoorne aan Zee
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJLAGE Ruimtelijke Onderbouwing Camperpark Heliushaven Hellevoetsluis_20220735

Raadsvergadering 17 april 2025, gemeente Voorne aan ZeeBij agendapunt: Verzoek om verklaring van geen bedenkingen af te geven voor de realisatie van een camperpark aan de Heliushaven, te Hellevoetsluis25.181 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Er is geen rekening gehouden met voorzieningen voor voetgangers, waardoor zij gebruik moeten maken van de fietsoversteek en het fietspad. Naar verwachting zijn de intensiteiten op het fietspad dermate laag dat er geen problemen in de verkeersveiligheid worden voorzien ten gevolge van de menging van voetgangers en fietsers. Op basis van de bovenstaande punten wordt geconcludeerd dat er sprake is van een knelpunt in de verkeersveiligheid van het langzaam verkeer op de Nieuwe Zeedijk. Maatregelen worden aanbevolen om de verkeersveiligheid van het langzaam verkeer bij de oversteek te waarborgen. Deze maatregelen zijn echter ook al in de autonome situatie vereist. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de verkeerssituatie bij de oversteek. Er is enkel sprake van een intensivering van het gebruik van de oversteek in verband met een toename aan recreatieverkeer vanuit de beoogde ontwikkeling.

27/46

4.2.6 Conclusie De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is dermate laag dat de invloed op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid van de omliggende wegen verwaarloosbaar is. Voor het waarborgen van de verkeersveiligheid van het langzaam verkeer zijn maatregelen aanbevolen bij de oversteek van de Nieuwe Zeedijk. Dit is echter al het geval in de autonome situatie, waarbij de beoogde ontwikkeling niet zorgt voor een verslechtering van de verkeersveiligheid. Het aspect verkeer vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.3

4.3.1

Water

Waterbeheer en watertoets

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectgebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europees:  Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal:  Nationaal Waterplan (NW)  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)  Waterwet Provinciaal:  Provinciaal Waterplan  Provinciale omgevingsvisie  Provinciale omgevingsverordening Waterschapsbeleid In het Waterbeheerprogramma (WBP) van waterschap Hollandse Delta beschrijven zij de doelen die zij tijdens de planperiode 2022-2027 willen bereiken voor de primaire taken waterveiligheid, watersysteem, waterketen en wegen. De doelen voor deze planperiode zijn afgeleid van de ambities voor de langere termijn (2050). Behalve de ambities voor de lange termijn en de doelen die zij in 2027 bereikt willen hebben, gaat het Waterbeheerprogramma ook in op de strategie om te komen tot realisatie van deze doelen. Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering.

De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplicht gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1.500 m² of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen:  Nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de toename in verharding;  Nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied;  Nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief.

28/46

Artikel 5.1 (Waterwet) • • •

De beheerder draagt zorg voor de vaststelling van een legger, waarin is omschreven waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen. Van de legger maakt deel uit een overzichtskaart, waarop de ligging van waterstaatswerken en daaraan grenzende beschermingszones staat aangegeven. De legger gaat vergezeld van een technisch beheers register met betrekking tot primaire waterkeringen dan wel waterkeringen ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan artikel 2.4, waarin de voor het behoud van het waterkerend vermogen kenmerkende gegevens van de constructie en de feitelijke toestand nader zijn omschreven. Bij of krachtens provinciale verordening of, ten aanzien van waterstaatswerken in beheer bij het Rijk, algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven ten aanzien van de inhoud, vorm en periodieke herziening van de legger voor daarbij te onderscheiden categorieën van waterstaatswerken. Voorts kan daarbij vrijstelling worden verleend van de in het eerste lid bedoelde verplichtingen met betrekking tot bepaalde waterstaatswerken die zich naar hun aard of functie niet lenen voor het omschrijven van die elementen dan wel van geringe afmetingen zijn.

4.3.2 Huidige situatie In de huidige situatie is het projectgebied onbebouwd. Grondwater Het projectgebied bevindt zich niet in een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Waterkwantiteit Binnen het projectgebied zijn geen watergangen aanwezig. Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het projectgebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het projectgebied. Veiligheid en waterkeringen Het projectgebied is onderdeel van de kernzone en de primaire waterkering Schenkeldijk/Zuiddijk en van beschermingszone A en B. De in-/uitgang is onderdeel van een waterstaatswerk. De bebouwing en het grootste deel van het camperterrein valt daarbuiten en is onderdeel van beschermingszone A. Afvalwaterketen en riolering Het projectgebied is onbebouwd en niet aangesloten op een rioolstelsel. 4.3.3 Toekomstige situatie Het voornemen is om 63 nieuwe camperplaatsen met bijbehorende voorzieningen te realiseren op het projectgebied. Waterkwantiteit De totale toename aan verhard oppervlakte (daken en verharding, incl. half verharding) bedraagt 2.973 m². Een bruikbare norm is een norm van 664 m³ per hectare voor een bui die eens per 10 jaar voorkomt (incl.

10% extra t.b.v. klimaat-adaptie). Om het afvloeiende regenwater te bergen is een capaciteit nodig van 213 m³. Dit kan in het terrein geborgen worden (zie figuur 4.2) Wel is het nodig de wegen van molgoten te voorzien om het water naar de wadi’s af te voeren; Daarnaast is het nodig de maaiveldhoogte van verharding en camperstandplekken zodanig aan te leggen dat ze bij hoosbuien op de omringende groen-/natuurstroken afwateren (zie rode pijlen in de naaststaande kaart).

29/46

Figuur 4.2 watercompensatie (bron: inrichtingsplan K3H pagina 12)). Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend Waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:  hemelwater vasthouden voor benutting,  (in-) filtratie van afstromend hemelwater,  afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,  afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. 4.3.4 Conclusie Uit de waterparagraaf blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Verdere beoordeling en uitwerking, inclusief afstemming met WSHD is noodzakelijk omtrent het voorgenomen ontwerp. Een vergunning is nodig voor werkzaamheden binnen de Beschermingszones kernzone en primaire waterkeringen.

4.4

Ecologie

4.4.1 Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:  Natura-2000 gebieden;  Natuurnetwerk Nederland (NNN).

30/46

Natura 2000-gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een ruimtelijk plan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:  alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;  het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en  de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;  overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren.

GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS-vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen.

In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening.

31/46

Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. 4.4.2 Gebiedsbescherming Het projectgebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het projectgebied ligt op 21 meter afstand van het Natura 2000-gebied Haringvliet (niet stikstof gevoelig). Vanwege deze ligging buiten Natura 2000 zijn effecten als areaalverlies, versnippering etc. op voorhand geheel uit te sluiten. Dit geldt mogelijk niet voor effecten als verstoring door geluid en licht en vermesting en verzuring als gevolg van extra stikstofdepositie. Derhalve is een ecologische voortoets uitgevoerd waarin deze potentiële effecten nader onderzocht worden. De voortoets is opgenomen als bijlage bij de vergunningaanvraag. Het meest nabijgelegen gebied met stikstofgevoelige habitats betreft het Natura 2000-gebied Voornes Duin. De minimale afstand van dit Natura 2000-gebied tot het projectgebied bedraagt 1,7 kilometer (figuur 4.3). Het projectgebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland/Natuurnetwerk Zuid-Holland.

De conclusies uit de ecologische voortoets zijn als volgt: Vanwege de ligging buiten Natura 2000 zijn effecten als areaalverlies en versnippering op voorhand geheel uit te sluiten. Aanlegfase • Uit de berekening met AERIUS Calculator versie (oktober 2024) blijkt dat er voor de gecombineerde aanleg- en gebruiksfase geen toename is van stikstofdepositie in stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. • Verstoring door licht, geluid en beweging zijn in de aanlegfase zeer gering en verre van significant; • Verstoring door geluid, licht en beweging zullen in de gebruiksfase niet optreden. Cumulatie • Er zijn geen vergunde projecten bekend die nog niet zijn uitgevoerd en die in cumulatie met het onderhavige plan/project kunnen leiden tot significant negatieve effecten op Natura 2000.

Figuur 4.3 ligging projectgebied (rood) ten opzichte van Natura 2000-gebied

32/46

4.4.3 Soortenbescherming In opdracht van Rho adviseurs is door Bureau Stadsnatuur een quickscan flora en fauna uitgevoerd, de onderzoeksrapportage is opgenomen in de bijlage bij de vergunningaanvraag. Op basis van het verkennende onderzoek is voldoende inzichtelijk gemaakt welke (beschermde) soorten afhankelijk zijn van het projectgebied. De volgende (volgens de Wnb) beschermde soorten en functies zijn te verwachten in en rond het projectgebied. Tabel 4.1 potentie voor (beschermde) soorten in het projectgebied met beschreven vervolgstappen.

De aanwezigheid van andere beschermde soorten en soortgroepen kan uitgesloten worden op basis van verspreidingsgegevens en habitatvoorkeuren. Aanbevelingen Onderzoek Boom bewonende vleermuizen Indien de grote schietwilg gekapt gaat worden is een onderzoek naar boom bewonende vleermuizen noodzakelijk. Broedvogels Ten aanzien van algemene broedvogels dient tijdens de werkzaamheden rekening gehouden te worden met het broedseizoen van vogels. Alle broedende inheemse vogels zijn beschermd. Indien er groen verwijderd wordt moet dit buiten het broedseizoen van vogels gebeuren en nadat de resultaten van de vervolgonderzoeken bekend zijn. Het broedseizoen loopt globaal van maart tot en met juli, maar is soort specifiek en kan soms afwijken van deze periode. Door in de winter het groen te verwijderen wordt verstoring en vernietiging van een bezet nest voorkomen. Zorgplicht In het projectgebied kunnen kleine zoogdieren en amfibieën voorkomen die onder bescherming van art. 3.10 van de Wet natuurbescherming vallen, maar waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling van ontheffing geldt (Provinciale staten van Zuid-Holland 2016). Voor deze soorten geldt de Zorgplicht en moet het onnodig doden of verwonden van dieren voorkomen worden. Wanneer bij de aanlegwerkzaamheden dieren worden aangetroffen of plotseling verschijnen dan moeten ze de kans krijgen om het werkterrein te verlaten.

Indien dit niet mogelijk is dan moet het dier voorzichtig verplaatst worden naar een geschikte plek in de omgeving buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Ruimte voor Rode lijst soorten In het nieuwe ontwerp is rekening gehouden met een natuurlijkere invulling van het camperpark met diverse inheemse struiken en haagplanten. Door het beheer en onderhoud ook op een natuurlijke manier uit te voeren is er de ruimte voor

33/46

bijzondere plantensoorten om zich te (her)vestigen in het gebied. Op de naastgelegen Quackgors groeien een aantal planten die op de Rode lijst staan (en waarmee het minder goed gaat) die ook in de kruidlaag langs struwelen kunnen groeien. Er kan bij beheer gedacht worden aan later maaien van grasstroken in het seizoen en maaisel een aantal dagen te laten liggen voordat het opgeruimd wordt. Hierdoor kunnen bloemen en grassen hun zaden laten vallen. 4.4.4 Natuurinclusief bouwen De ruimtelijke ontwikkeling biedt niet alleen mogelijkheden voor een herinrichting van het projectgebied, maar ook om meerwaarde te creëren voor de biodiversiteit (Vink, Vollaard & de Zwarte 2017). Door in de ontwerpfase al te kijken naar mogelijkheden voor het creëren van nest- en verblijfplaatsen in de gebouwtjes en hoe deze geplaatst gaan worden. Door extra broedgelegenheid te creëren wordt de lokale populatie van vogels ondersteund. Dergelijke maatregelen zijn geen wettelijke verplichting, maar dragen bij aan een vergroting van de biodiversiteit. De aanwezigheid van planten en dieren in de omgeving vergroten bovendien het woongenot.

4.4.5 Conclusie Soortenbescherming: Zolang de grote schietwilg in het projectgebied niet gekapt zal worden is er geen nader onderzoek naar vleermuizen benodigd Gebiedsbescherming: Vanwege de ligging buiten Natura 2000 zijn effecten als areaalverlies en versnippering op voorhand geheel uit te sluiten. Aanlegfase • Uit de berekening met AERIUS Calculator (oktober 2024) blijkt dat er voor de gecombineerde aanleg- en gebruiksfase geen toename is van stikstofdepositie in stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. • Verstoring door licht, geluid en beweging zijn in de aanlegfase zeer gering en verre van significant. • Verstoring door geluid, licht en beweging zullen in de gebruiksfase niet optreden. Er hoeven derhalve geen vergunningen in het kader van de Wet Natuurbescherming te worden aangevraagd.

4.5

Bodemkwaliteit

4.5.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. 4.5.2 Onderzoek In opdracht van de gemeente Hellevoetsluis heeft DETA MILIEU B.V. een verkennend, aanvullend en nader bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het projectgebied. Het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de geplande herontwikkeling van de locatie.

De rapportage is opgenomen bij de vergunningaanvraag.

34/46

Conclusie verkennend, aanvullend en nader bodemonderzoek Gezien het feit dat in het grondmengmonster MM1 voor zink een overschrijding van de interventiewaarde is vastgesteld, dient de locatie formeel als verontreinigd te worden beschouwd. Derhalve wordt de hypothese 'verdachte locatie' uit hoofdstuk 3 van het bodemonderzoek, voor de onderhavige locatie bevestigd. Verdeeld over het gehele kavel zijn in meer of mindere mate verhoogde gehalten aan zink aangetroffen. De verhoogde gehalten aan zink zijn waarschijnlijk te relateren aan bijmeningen met koolas in de grond. Op basis van de analyseresultaten van het nader bodemonderzoek, is uitsluitend een interventiewaarde overschrijding aangetroffen ter hoogte van boring 15 in de bodemlaag van 0,2 tot 0,7 m -mv. Aan de hand van een berekening middels Interpolatie is circa 4m³ boven de interventiewaarde verontreinigd met zink, in een bodemlaag met een dikte van 0,8 meter. Derhalve is circa 3,5 m3 grond boven de interventiewaarde verontreinigd met zink. De onderzoekshypothese dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, wordt bevestigd. Aanbevelingen Met de gevolgde onderzoeksstrategie is de bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie volgens de geldende richtlijnen vastgelegd.

Op grond van de onderzoeksresultaten bestaat er geen aanleiding voor het uitvoeren van vervolgonderzoek en zijn er geen milieuhygiënisch bezwaren tegen de beoogde herontwikkeling van de locatie. De locatie krijgt In de toekomst de functie recreatie. Indien noodzakelijk kan deze worden verwijderd middels ontgraving, en worden afgevoerd. Tevens is het mogelijk, daar het een immobiele verontreiniging betreft, om deze af te dekken met een meter leeflaag (klasse AW grond) of een volledige verharding (isolatievariant). Wanneer ter hoogte van boring 15 de grond wordt geroerd, dient rekening te worden gehouden met de volgende zaken: • Indienen van een Plan van Aanpak bodemsanering bij de Gemeente Hellevoetsluis; • Aanbevolen wordt om eventuele graafwerkzaamheden aldaar uit te laten voeren door een conform de BRL SIKB 7000, en prot6ocol 7001 gecertificeerde aannemer, en onder milieukundige begeleiding conform de BRL SIKB 6000 en protocol 6001; Op basis van de aangetroffen verhoogde gehalten aan zink in de grond ter hoogte van boring 15, zou bij graafwerkzaamheden een veiligheidsklasse van toepassing zijn. Op basis van toetsing conform de CROW 132 publicatie 'Werken in verontreinigde grond', geldt voor deze werkzaamheden de klasse 1T.

Voorafgaand aan de werkzaamheden dient de veiligheidsklasse formeel te worden vastgesteld door een (hoger) veiligheidskundige, in een veiligheids- en gezondheidsplan (V&G) voor de uitvoeringsfase; Opgemerkt wordt dat eventueel buiten de verontreinigingscontour vrijkomende grond ook niet zonder meer kan worden hergebruikt. De grond mag wettelijk gezien tijdelijk worden uitgeplaatst op de locatie, ten behoeve van de geplande werkzaamheden. Indien vrijkomende grond dient te worden afgevoerd of hergebruikt op een andere locatie, gelden aanvullende regels en is een melding voor de toepassing van grond aan het Meldpunt Bodemkwaliteit noodzakelijk. Sanering Op de saneringslocatie is tijdens een verkennend bodemonderzoek DETA MILIEU B.V., Verkennend, aanvullend en nader bodemonderzoek Heliushaven Hellevoetsluis,151002D d.d. 3 november 2015) een bodemverontreiniging met zink aangetroffen. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De bodemsanering is uitgevoerd op 15 mei 2023, door Symitech B.V. Het evaluatieverslag van de werkzaamheden is opgenomen als bijlage bij de vergunningaanvraag. De saneringswerkzaamheden hebben bestaan uit de ontgraving van de verontreinigde grond. De grond is direct geladen en afgevoerd. In totaal is 6420 kg met zink verontreinigde grond afgevoerd. Na afronding van de ontgraving is deze aangevuld met gecertificeerd zand

35/46

Door de milieukundig begeleider is de eindbemonstering uitgevoerd. Hierbij zijn de putwanden en de putbodem bemonsterd. De eindmonsters van de putwanden en de putbodem zijn geanalyseerd op zink. Uit de analyseresultaten blijkt dat in putwand A een geringe overschrijding van de achtergrondwaarde voor zink is aangetoond. In het monster van de putbodem en putwand B zijn geen verhoogde gehalten zink aangetoond. Aan de hand van de eindbemonstering kan worden geconcludeerd, dat de bodemsanering als afgerond kan worden beschouwd. Asbest In opdracht van de Gemeente Hellevoetsluis heeft DETA MILIEU B.V. een bodemonderzoek naar asbest in grond uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen bij de vergunningaanvraag. In de bovengrond is een gemengde laag van zand met bijmengingen van onder meer breeksteen en mijnsteen aangetroffen. Mogelijk is dit een verstevigde laag om daar in het verleden boten en dergelijke op te stallen. Plaatselijk was er geen sprake meer van grond (>50% bodemvreemd materiaal). In deze verhardingslaag werd geen asbestverdacht puin aangetroffen. Bodemopbouw: De bodem bestaat vanaf het maaiveld tot 0,5 m -mv uit zand met een bijmenging van baksteen, ballast, breeksteen, mijnsteen, grind en/of koolas en plaatselijk afval.

Daaronder is zand aangetroffen tot circa 1,5 m -mv en ten slotte klei Zintuiglijke waarnemingen: Ter hoogte van boring 08 is vanaf 1,8 m -mv matig slibhoudende klei aangetroffen. Dit betreft een voormalige sloot welke in 1957 is gedempt. Het dempingsmateriaal bestaat uit fijn zand en schelpenzand. Verontreinigingssituatie: In de grond is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Ook het aangetroffen ballast materiaal, niet zijnde grond, is niet asbestverdacht op basis van de samenstelling. In grondmengmonsters MMA1 t/m MMA4 is geen asbest aangetoond. Conclusie en aanbevelingen asbest Met de gevolgde onderzoeksstrategie is de bodemkwaliteit (asbest) van de onderzoekslocatie volgens de geldende richtlijnen vastgelegd. Er is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetoond. Derhalve hoeven op deze locatie geen sanerende maatregelen te worden genomen. 4.5.3 Conclusie Het aspect bodemkwaliteit staat de boogde ontwikkeling niet in de weg.

4.6

Archeologie en cultuurhistorie

4.6.1 Regelgeving en beleid Erfgoedwet Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

36/46

Archeologieverordening Hellevoetsluis De gemeente Hellevoetsluis heeft een archeologieverordening die is vastgesteld in 2009. Hierin heeft de gemeente een eigen archeologische waardenkaart aangesteld die geldend is wanneer in het bestemmingsplan niets is aangegeven omtrent archeologie. Dit is wel het geval voor het projectgebied, het bestemmingsplan is daarom leidend. 4.6.2 Archeologisch onderzoek Voor de Waarde – Archeologie -c geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor alle bouw- en graafwerkzaamheden (inclusief heien) met een oppervlakte groter dan 200 vierkante meter en die tevens dieper reiken dan 3 meter beneden maaiveld • Voor de kabels en leidingen wordt een bodemverstoring tot 60 cm verwacht; • Er dient een rioolpompput geïnstalleerd te worden in de grond tot maximaal 2 meter diep, de oppervlakte hiervan zal gering zijn; • Verder is er de optie om semi-ondergrondse afvalcontainers te plaatsen. De diepte hiervan is nog niet bekend, ook hiervan zal de oppervlakte zeer gering zijn; • Er wordt niet geheid. 4.6.3 Conclusie De werkzaamheden reiken niet dieper dan 0,8 meter en het te bebouwen oppervlak blijft kleiner dan 200m². Het aspect archeologie staat de ontwikkeling niet in de weg.

4.7

Luchtkwaliteit

4.7.1 Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.5 weergegeven. Tabel 4.2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen.

37/46

4.7.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling genereerd per dag 30 mvt licht verkeer en per jaar 52 mvt middelzwaar verkeer afgerond 32 mvt/etmaal. Worst-case wordt uitgegaan dat 0,2% van het gegenereerde verkeer zwaar is. In de NIBM-tool (versie 23-042022) is – 2024 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,02 µg/m³ en van fijnstof van 0,0 µg/m³ (tabel 4.3). Beide toenames zijn onder 1,2 µg/m³. Het project draagt hierdoor niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Een toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk. Tabel 4.3 NIBM-tool resultaten

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit 2022. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Gorslaan, ten noorden van het projectgebied. Uit het CIMLK blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2021; 14,0 µg/m³ voor NO2, 15,2 µg/m³ voor PM10 en 7,6 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. 4.7.3 Conclusie De luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied ligt onder de grenswaarden. Er is daarom sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het projectgebied.

4.8

Bedrijven en milieuhinder

4.8.1 Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'.

38/46

4.8.2 Onderzoek en conclusie In de beoogde situatie wordt een camperpark gerealiseerd. Hiermee wordt een (potentiële) milieuhinderlijke functie opgericht. De omgeving van het projectgebied kan getypeerd worden als een rustige woonwijk. Een kampeerterrein valt in milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 50 meter in een rustige woonwijk. De dichtstbijzijnde woning bevindt zich op een afstand van circa 68 meter van en tot de bestemmingsgrens (zie figuur 4.4). Er wordt voldaan aan deze afstand.

Figuur 4.4 afstand tot dichtstbijzijnde milieugevoelige functie (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) Er wordt voldaan aan de richtafstanden. Er is sprake van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat ter plaatse van het projectgebied.

4.9

Externe veiligheid

4.9.1 Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

39/46

4.9.2 Onderzoek Uit de informatie op de openbare risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, blijkt dat er in de omgeving van het projectgebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, water, weg of door buisleidingen plaatsvindt. In het projectgebied wordt een gastank met een inhoud van 1,5 m3 mogelijk gemaakt. Uit het Activiteitenbesluit volgt dat de veiligheidsafstand 20 meter is van een tank met een inhoud kleiner dan 5 m3 en die meer dan 5 keer per jaar wordt bevoorraad. Deze afstand heeft betrekking op buiten de inrichting gelegen (beperkt) kwetsbare objecten. Deze zijn op meer dan 20 meter gelegen. 4.9.3 Conclusie Er wordt voldaan aan het beleid en normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de goede ruimtelijke ordening niet in de weg.

4.10 Kabels en leidingen

4.10.1 Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). 4.10.2 Onderzoek en conclusie Naast de rioolleiding die is aangegeven door middel van de aanduiding in het vigerende bestemmingsplan (zie paragraaf 2.2) zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het projectgebied hoeft geen rekening te worden gehouden. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

4.11 Vormvrije m.e.r.- beoordeling 4.11.1 Beleid en Normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.  Voor de ontwerp- vergunning voor het afwijken van het bestemmingsplanmoet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of een MER wel of niet nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij de ruimtelijke motivering opgenomen.

 Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient Voorafgaand aan het te nemen ontwerp besluit op basis van een m.e.r. aanmeldnotitie een besluit genomen te worden dat geen m.e.r. procedure noodzakelijk is.

40/46

4.11.1 Onderzoek In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een permanente kampeeren caravanterrein m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op '100 plaatsen of meer’ (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D10). De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 63 camperplaatsen. Hiermee blijft de ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.beoordeling' noodzakelijk is. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Voorafgaand aan het te nemen ontwerp besluit dient op basis van een m.e.r. aanmeldnotitie een besluit genomen te worden dat geen m.e.r. procedure noodzakelijk is.

41/46

5. UITVOERBAARHEID 5.1

5.1.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie

Informatiebrief 27 februari 2023 Met een brief heeft de initiatiefnemer de omwonenden en belanghebbenden geïnformeerd over het nog te ontwikkelen ‘Camperpark Hellevoetsluis’ nabij de Heliushaven. De brief stelt de bewoners en belanghebbenden in een vroeg stadium in de gelegenheid te vragen, mening en/of ideeën te delen. In de brief is kort ingegaan op de volgende punten: • Locatie • Proces • Het camperpark • Natuurlijke uitstraling • Projectpagina www.camperparkhellevoetsluis.nl Reacties Een groot aantal mensen heeft van de mogelijkheid gebruik gemaakt te reageren op de voorgenomen plannen. Het overzicht van de binnengekomen reacties en de antwoorden hierop zijn gepubliceerd op de projectwebsite en als bijlage bij de vergunningaanvraag gevoegd. Ook is er een verzendlijst samengesteld van emailadressen van bewoners en geïnteresseerden. Per e-mail worden deze mensen regelmatig op de hoogte gesteld van de status van het project. Inloopavond Op 21 september 2023 organiseerde initiatiefnemer Camping ’t Weergors een inloopavond over het camperpark. De uitnodiging (zie bijlage) is onder ruim 100 huishoudens in de buurt plus een aantal verenigingen en bedrijven verspreid. Het doel van de avond in Restaurant ’t Havenhoofd was om de aanpassingen in het plan te laten zien die naar aanleiding van suggesties van omwonenden en andere belanghebbenden zijn gedaan.

Tijdens de inloopavond was er ruimte voor vragen, opmerkingen en dialoog. Onderwerpen zoals verkeer, natuur, proces en inrichting kwamen aan diverse praat-tafels aan bod. De initiatiefnemer was aanwezig. Daarnaast waren ook de gemeente Voorne aan Zee, het Toeristisch Ondernemers Platform Voorne-Putten en de Nederlandse Camperclub NKC aanwezig om mee in gesprek te gaan. Van tevoren hebben zich 41 personen aangemeld. Onze inschatting is dat er tussen de 40 en 50 mensen aanwezig zijn geweest op de inloopavond. Mensen gaven in de gesprekken vaak ook weer of ze voor of tegen het plan zijn. Er waren zowel voorstanders, tegenstanders en ‘neutrale’ mensen aanwezig.

Aan de tafelgesprekken zijn diverse onderwerpen aan bod gekomen zoals: • de locatiekeuze voor het beoogde camperpark: waarom niet op eigen uitbreidingsterrein aan de Haringvlietweg? • de entree van de camping: komt er aan de Haringvlietweg ook een inrit? • geluid: geluid vanaf de weg, en het fiets- en wandelpad draagt ver de wijk in en daar hebben bewoners last van • verwachte vermindering van de waarde van het huis • verwacht negatief effect op de natuur, het perceel wordt gezien als een belangrijke buffer in het natuurnetwerk • alternatieve inrichting: maak er natuur van met toegang voor alle Hellevoeters, eventueel met een uitkijktoren • verkeerssituatie en snelheidsovertredingen op dit moment aan de Zoomweg/Nieuwe Zeedijk vraagt aandacht • andere initiatiefnemers die bekend zijn, hadden o.a. interesse om het terrein in te richten voor huisvesting van spoedzoekers • de beantwoording van de reacties en de onafhankelijkheid van het bureau dat de Ruimtelijk Onderbouwing uitvoert • de flora en fauna die zich op het perceel bevindt

42/46

• • •

zorgen over de fietsveiligheid bij de entree van het camperpark zorgen over de overlast die honden van camperbezitters met zich meebrengen (honden jagen de dieren weg) toelichting waarom entree niet aan de Heliushaven kant (de hoek om)

Over de laatste twee punten is met de betreffende omwonenden afgesproken achteraf een nadere toelichting te geven: Overlast honden Om overlast van honden op het camperpark en in het natuurgebied te voorkomen, kunnen we een aantal maatregelen treffen zoals: • communiceren over gewenst en niet gewenst uitlaatgedrag via automatische e-mails, gedragsregels en verwijzingen3het aantal honden per camperbezitter beperken • een deel van het camperpark ‘hondenvrij’ aanwijzen Toelichting waarom de entree niet aan de Heliushaven zijde De voornaamste reden om niet voor deze optie te kiezen, was dat de aanrijweg een stuk smaller is dan de optie waar nu voor gekozen is. Dit kan mogelijk hinderlijk zijn voor tegemoetkomend verkeer van en naar de Heliushaven en kan ervoor zorgen dat de bermen beschadigd raken. Daarnaast is de weg Heliushaven voor een groot deel (vanaf het hekwerk) eigendom van de watersportverenigingen. Er was een aantal omwonenden dat een verhaal had voorbereid, met de bedoeling deze in een plenaire setting te presenteren. De avond bood daar geen gelegenheid voor en deze mogelijkheid was ook niet in de uitnodiging vermeld. De betreffende mensen hebben we uitgelegd dat we juist iedereen de gelegenheid wilden geven om één op één in gesprek te gaan over de plannen. Er was lokale pers aanwezig op de avond.

Op Groot Hellevoet is een verslag geplaatst, zie https://www.groothellevoet.nl/nieuws/algemeen/184865/inloopavond-over-de-plannen-van-het-camperpark. Er zijn ook foto’s gemaakt door de lokale pers. Op verzoek van een omwonende zijn er geen foto’s gepubliceerd. 5.1.2 Vooroverleg De concept-omgevingsvergunningaanvraag is toegezonden aan de vooroverlegpartners in het kader van het wettelijke vooroverleg. De binnengekomen vooroverlegreacties zijn samengevat en beantwoord in de Nota vooroverleg, deze nota is opgenomen bij de vergunningaanvraag. De nota bevat tevens een hoofdstuk waarin is aangegeven op welke punten de stukken zijn aangepast naar aanleiding van de binnengekomen vooroverleg reacties en de ambtshalve reacties. 5.1.3 Zienswijzen Ontwerp omgevingsvergunning Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c en artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) heeft de ontwerp omgevingsvergunning, met bijbehorende ruimtelijke onderbouwing en ontwerp verklaring van geen bedenkingen, vanaf 3 oktober tot en met 13 november 2024 6 weken ter inzage gelegen. Ontwerpverklaring van geen bedenkingen Tevens is op 26 september 2024 door de raad een ontwerpverklaring van geen bedenkingen afgegeven, zoals bedoeld in artikel 2.27 van de Wabo, voor het afwijken van het bestemmingsplan ‘Heliushaven’.

Deze verklaring van geen bedenkingen van de raad is noodzakelijk om de omgevingsvergunning te kunnen verlenen. De zienswijzen zijn samengevat en de samenvatting is opgenomen in de Nota beantwoording zienswijze zoals opgenomen in de bijlage. Vervolgens is de zienswijze van een gemeentelijke reactie voorzien en is een conclusie opgenomen of de zienswijze al dan niet leidt tot aanpassing van de ruimtelijke onderbouwing. Behalve de aanpassingen naar aanleiding van de zienswijzen, kan de gemeente de onderbouwing wijzigen zonder dat op deze onderdelen een zienswijze is ingediend. Deze wijzigingen worden door de gemeente zelf noodzakelijk geacht.

43/46

5.2

Economische uitvoerbaarheid

De ontwikkeling betreft een aangewezen bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.12 Wro. Dit betekent dat de kosten van gemeentewege dienen te worden verhaald. Dit kan ofwel via een exploitatieplan ofwel via een anterieure overeenkomst. Voor de ontwikkeling sluit de gemeente met de initiatiefnemer een privaatrechtelijke overeenkomst waarin de (financiële) afspraken over het project zijn vastgelegd. Deze overeenkomst is aangemerkt als anterieure overeenkomst artikel 6.24 Wet ruimtelijke ordening. Daarnaast is er tevens een planschaderisico-overeenkomst getekend. Uit het bovenstaande blijkt dat de economische uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling gewaarborgd is.

44/46

6. CONCLUSIE Het planologisch mogelijk maken van een camperpark met 63 camperplaatsen en bijbehorende voorzieningen waaronder een sanitair gebouw, beheerders-chalet, nutsvoorzieningen waaronder een gastank en een servicestraat aan de Heliushaven te Hellevoetsluis past binnen het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. De diverse omgevingsaspecten leveren geen belemmeringen op voor de voorgenomen ontwikkeling. Het plan is economisch uitvoerbaar en het kostenverhaal is afgedekt door de initiatiefnemer. Het gemeentebestuur heeft de ruimtelijke relevante belangen in de omgeving betrokken in haar afweging. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat het projectvoornemen voldoet aan de eis van een goede ruimtelijke ordening.

45/46

46/46

BIJLAGEN

Bijlage 1 Inrichtingstekening 17 april 2024

ONTWERPTEKENING 18 APRIL 2024

LEGENDA

BOSPLANTSOEN

Camperpark Hellevoetsluis B.V.

GRAS, CAMPERPLAATS GRAS, OVERIG VERHARD, RIJSTROOK VERHARD, OVERIG HALFVERHARD

a

WATERAFVOER

1

STRUWEEL DROGE BERGING

8

2

f

BEBOUWING

a

f

3 4

h

105 m

I

STANDPLAATSEN: 63 STUKS I: reguliere plaatsen 56 stuks, grootte 80-90 m2 II: avontuurlijke plaatsen 4 stuks, ‘vrije’ standplaats met bomen/houtstammen III: xxl-formaat 2 stuks, halfverharding i.v.m. stabiliteit: grootte 90 m2 IV: invalidenplaats 1 stuk, halfverhard of verhard t.b.v. rolstoelgebruik: 85 m2 ONTSLUITING EN VOORZIENINGEN 1. entree , toegang: 2 rijbanen, totale breedte verharding 6,5 m; 1 m brede bermstrook 2. terrein met incheck, nutsvoorzieningen (o.a. gastank) 3. opstelplaatsen: 3 stuks, 3 x 10 m1 per stuk 4. verkeerseiland met in-uitrijvoorziening en verlichtingspaal 5. servicestraat met was-/afvalvoorzieningen: 215 m2, 10 m breedte 6. parkeerplaats en fietsenstalling, halfverharding: 330 m2 7. sanitair, gebouw: 40 m2 en beheerders-chalet, 70 m2; terrein 160 m2 8. voetpad, halfverhard 9. noodingang, brandweer, afgesloten met hekwerk: 5 m breedte,max 1 m hoogte. TERREININRICHTING, GROEN EN LANDSCHAP a. bosplantsoenstrook, hoogte min. 2 m, breedte 7 m1, gebiedseigen beplanting: 6-8 plantrijen b. natuurverbindingsstrook met meidoornstruweel, langgras, zoomvegetatie, breedte: 1,5-6 m1 c. afschermende meidoornhaag, 1,8-2,0 m hoog, afscherming gaashekwerk en haventerrein d. natuurgras met natuurlijke speelplek (keien/boomstammen), waterafvoer naar haventerrein e. droge berging, tevens speelaangelegenheid/zitplek f.

zitplekken/recreatieplek, halfverhard pad: 4 locaties 9. boomaanplant en scheidingshagen, 1,2 m hoog; inheemse/gebiedseigen beplantingssoorten h. struweelstrook, gevarieerd met bomen/zoomvegetatie, inheems met hoogte min, 1.2 m

9

e I

f

I

f

g 5 6 II

f g

g

e

g

7

I IV

56 m

g h

c

7

I

III

7 f

b I

d e

b

b Schaal 1: 500 (op A3-formaat)

166 m

b

Bijlage 2 Ontwerpboek 18 april 2024

Inrichtingsplan versie 18 april 2024

CAMPERPARK HELLEVOETSLUIS, NIEUWE ZEEDIJK/HELIUSHAVEN in opdracht van Camperpark Hellevoetsluis B.V.

INTRO Aanleiding

Recreatieve opgave

Reizen per camper zit in de lift. Al enige jaren ziet Nederland en Europa een groei in het aantal kampeerauto’s. De coronacrisis heeft deze trend versterkt, het aantal geregistreerde campers is explosief gegroeid in 2020. In de afgelopen 10 jaar is het aantal geregistreerde campers verdubbeld (van 65.000 naar 140.0000) (NKC 2021). De campertoerist weet ook Hellevoetsluis te vinden. Op dit moment beschikt het nabijgelegen Camping ’t Weergors over 20 verharde camperplaatsen waar campertoeristen het hele jaar gebruik van kunnen maken. Ook hier wordt de sterke groei ervaren. Niet zelden staan er in het seizoen echter rond de 60 campers, die dan naast de verharde camperplaatsen ook op de graskampeerplaatsen staan.

Veel nadruk in het plan ligt op de landschappelijke inpassing, waarin in het ontwerp ruimte is opgenomen voor natuur en inheemse beplantingen. Een inrichting met respect voor de natuur zoals deze op het eiland oorspronkelijk voorkomt, zorgt ervoor dat recreëren en inheemse natuur gaan hand-in hand gaan. Het inrichtingsplan voorziet in:

Op Voorne-Putten zijn, in tegenstelling tot Goeree-Overflakkee, geen camperparken met 30+ plaatsen puur gericht op de campertoerist. Veel campertoeristen reserveren over het algemeen last-minute een plaats of trekken er op de bonnefooi op uit. De camperaar die op zeker wil spelen, verkiest dus een grotere camperlocatie met ruime beschikbaarheid. Op dit moment reist dit type toerist waarschijnlijk voorbij Voorne-Putten, omdat hier geen park is dat aan deze eis voldoet. Met een nieuw te realiseren Camperplaats Hellevoetsluis met 63 camperplekken, wil Camperpark Hellevoetsluis B.V. in deze behoefte voorzien. De Nederlandse Kampeerauto Club (NKC) heeft goed in beeld wat een campertoerist onderscheidt van een ‘gewone’ kampeerder. Dit beeld kunnen wij bevestigen vanuit jarenlange ervaring met het ontvangen van campertoeristen. De camperaar (NKC 2021):

• behoud van de huidige hoogteligging en verkaveling, versterking van de inheemse singelbeplanting, benadrukken van de huidige belijningen in het landschap, zie hfd. 1 Visie; • ontwerp met een brede groenstrook rondom als voortzetting van de bestaande singel langs de Nieuwe Zeedijk, behoud van de reeds aanwezige boomgroepen, met name de imposante, meerstammige, gebiedseigen wilg. Deze krijgen een prominente plek in het oostelijke deel van het terrein, zie hfd. 2 Inrichtingsplan; • ruime en groene standplaatsen, open, centrale gedeelten, relatief weinig verharding, infiltratie van (afstromend) hemelwater in terreinlaagten met schrale vegetaties, zie hfd. 3 Uitwerkingen; • landschappelijke beplantingen, integratie van berm- en struweelsoorten langs de west- en zuidzijde, met ruimte voor inheemse kruiden, aanplant van inheemse bomen met soorten die passend zijn in het Zuid-Hollandse kustlandschap, zie hfd. 4 Beplantingen.

• is mobiel, heeft een brede interesse, blijft vaak voor kortere tijd en doet zijn inkopen graag lokaal; • recreëert het hele jaar door, dus camperplaatsen helpen de inkomsten voor buiten het seizoen bij musea, horeca en winkels te vergroten; • gaat ruim tien keer per jaar op pad, waarvan vijf keer kort (1-3 dagen); blijft gemid. drie dagen op één locatie; • besteedt gemiddeld €60 per dag per camper aan overnachten, boodschappen, uit eten, etc.; • zoekt een plaats waar campers van verschillende gewichtsklassen en lengtes op een draagkrachtige vlakke ondergrond kunnen staan; • zoekt een plaats met voldoende ruimte vanwege de grote draaicirkel van een camper; • 55% van de camperaars staat graag op een camping, 40% geeft de voorkeur aan een camperplaats , 5% elders. Het ontwikkelen van een camperplaats draagt bij aan de te realiseren beleidsdoelstellingen van de gemeente die het ontwikkelen van toerisme in de Zuid-Hollandse Delta hoog op de agenda heeft staan en de toeristische aantrekkings-kracht van de Vesting wil versterken. Met het realiseren van deze camperplaats wordt de gemeente Hellevoetsluis de eerste camperplaats op Voorne-Putten en kan daarmee de regio Zuid-Hollandse Delta als campervriendelijke regio op de kaart gezet worden.

Blad 2/20 19-april-2024

Foto: Integratie van het kustlandschap in het ontwerp en uitstraling via de ruime, open inrichting en gebiedseigen beplantingen.

Recreatieve ambitie Camperpark Hellevoetsluis B.V. ziet kansen om in te spelen op de toeristische groeimarkt van het campertoerisme. Specifieke terreininrichting en faciliteiten die aansluiten op de wensen en eisen van de campertoerist horen daarbij, net als: • Receptieloze check-in en check-out; • Meer flexibele in- en uitchecktijden; De ambitie van ‘t Weergors is veelzijdig: • Het stimuleren van een verlengd seizoen in Hellevoetsluis en omgeving en het daarmee bijdragen aan de lokale economie; • Een camperpark dat goed inspeelt op de wensen van de campergebruiker; • Een camperpark dat bezoekers het gevoel geeft dat er ruime keuzemogelijkheden zijn. Meetbare resultaten (impact) t.o.v. gestelde doelen uit de Regiodeal Zuid-Hollandse Delta • Het toevoegen van 63 camperplaatsen aan het totale aanbod van camperplaatsen in de regio ZHD. Dit draagt bij aan de doelstelling van de Regiodeal ZHD om de gemiddelde verblijfsduur van toeristen die de regio bezoeken te verlengen. • De directe en indirecte omzet verhogen. Directe omzet vloeit voort uit de extra overnachtingen die op Camperpark Hellevoetsluis plaatsvinden. De indirecte omzet vloeit voort uit de bestedingen aan horeca, retail en recreatiemogelijkheden in de regio. Een campertoerist besteedt gemiddeld € 60 per dag aan overnachting, boodschappen, tanken, uit eten gaan, etc. (Bron NKC 2021).

Daarnaast draagt ook de te verwachten extra inkomsten uit toeristenbelasting bij aan de gemeentelijke begroting en doelstellingen.

Blad 3/20 19-april-2024

1. INRICHTINGSVISIE Ligging: Het plangebied bevindt zich op een knikpunt in het landschap: op de grens van binnen- en buitendijks land, verbonden aan de dijk. Het plangebied grenst zowel aan de dijk, daar waar de weg in noordwestelijke richting het binnendijkse polderland buigt, én aan het water, in een door recreatie gedomineerd landschap, als aan het tussenliggende gorzengebied, een grootschalig halfnatuurlijk landschap. Op de onderstaande kaart is de ligging tussen de verschillende landschappen weergegeven.

polderlandschap

recreatielandschap

1

stedelijk landschap

buitendijks natuurgebied

3

2

2

1

recreatielandschap

AANKNOPINGSPUNTEN LANDSCHAP

historisch landschap

3

zichtas/hoofdas vanuit centraal punt vesting, doorzicht binding met omringende landschap - open veld gesloten, geen doorzicht plangebied

1

Foto’s

Foto 1: landschapsbeeld vanaf de Nieuwe Zeedijk en uitzicht op Quackgors, situatie 2022. Foto 2: zicht op het plangebied bij toegangsweg Heliushaven, situatie 2022 Foto 3: zicht op het plangebied in zuidelijke richting. Op de achtergrond het haventerrein, situatie 2022.

Blad 4/20 19-april-2024

Historische ontwikkeling: Een beeld van de ontwikkelingen in de vorige eeuw, waarin het plangebied als onderdeel van het buitendijkse land van gors tot haven en recreatiegebied ontwikkelde.

Situatie 1950 (via Topotijdreis.nl).

Situatie 1970 (via Topotijdreis.nl).

Situatie 1990 (via Topotijdreis.nl).

Blad 5/20 19-april-2024

Hoogtekaart. Het plangebied is een opgehoogd terrein dat in hoogte gelijk min of meer gelijk ligt met de dijk/weg en het aangrenzende recreatieterrein. De hoogtekaart laat dit zien. Het hoogteverschil tussen de bovenliggende woonwijk en het gorzengebied is (afhankelijk van de locaties) circa 1 `a 2 meter.

3

De hoogte van het maaiveld in het plangebied (het lichtgroene gedeelte - nummer 1 op de ahn-kaart) ligt tussen de 3. 60 en 3,90 m +NAP; de laagten in het plangebied liggen hier iets onder, zo’n 20-30 cm lager. Het buitendijkse land van de gorzen bevindt zich op circa 0,5 + NAP(lagere delen) tot 1,8 m (hogere delen). Dit is in een blauwgroene kleur aangegeven - nummer 2 op de ahn-kaart); de polder en de woonwijk aan de noordzijde ligt juist onder NAP, namelijk 0,2-0,5 - NAP (nummer 3 op de ahn-kaart). Legenda: 1 = gemidd. maaiveld plangebied 2 = hoogte buitendijks land 3 = hoogte woonwijk

2

1

Hoogtekaart van het plangebied via AHN.nl. Kadastrale kaart De kadastrale kaart geeft twee kavels weer; gezamenlijk vormen ze het plangebied. Kavel 1 vormt het centrale gedeelte; kavel 2 de strook rondom die bestemd is voor berm en singelbeplantingen. De oppervlakten zijn als volgt. Voor het inrichtingsplan is zowel kavel 1 als kavel 2 in gebruik. De percentages zijn hieronder weergegeven. Kavel kavel 1: A.2631 kavel 2: A.2495 kavel 3: A.2633

Oppervlakte 8.700 m2 3.400 m2 65 m2

totaal plangebied

12.165 m2

openbare strook

Inrichting Camperterrein: 8.700 m2 Camperterrein: 1.335 m2, berm/struweelstrook 2.065 m2 Oeverlijn: 65 m2

camperterrein openbare strook

2 camperterrein

1

3 Huidige situatie met de kadastrale situatie (via PDOK, actuele luchtfoto). 1 = kavel A2632; 2 = kavel A2495; 3 = kavel A2633. Blad 6/20 19-april-2024

Inrichting op hoofdlijnen: In de huidige situatie gaat het om een terrein, met twee verschillende eigendommen met ieders een eigen functie, namelijk een gemeentelijke strook rondom en het toekomstige camperterrein in eigendom van de initiatiefnemers. Er ligt een kans om de functies te combineren. In de eerste schets is de huidige situatie te zien. Een braakliggend terrein begroeit met spontane vegetaties. Vervolgens is de gewenste hoofdinrichting te zien met de groene en landschappelijk te behouden en te versterken onderdelen (zie afb. 2 en 3).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15216034/2